• Hoe korter hoe beter, is de leus

    Hoe korter hoe beter, is de leus

    Onlangs werd het twintigjarige bestaan van het literaire tijdschrift Het Liegend Konijn gevierd: al twintig jaar krijgen dichters van hedendaagse Nederlandse poëzie hierin een podium om hun werk te laten zien. De oprichter en redacteur van het tijdschrift, Jozef Deleu (1937), hanteert bij het kiezen van de gedichten kwaliteit als enig criterium. Dat hij zelf ook dichter is, maakt zijn taak misschien gemakkelijker. Hij debuteerde in 1963 met de bundel Schaduwlopen. Sindsdien heeft hij zeven bundels geschreven, die in 2019 samen met zijn lyrisch proza bijeengebracht werden in het verzamelde werk Ondoorgrond. Ook stelde hij bloemlezingen samen uit het werk van andere dichters, zoals Het Groot Verzenboek. Hij ontving diverse prijzen en officiële onderscheidingen voor alles wat hij verricht heeft op het gebied van taal, literatuur en cultuur in Nederland en Vlaanderen. In 2021 verscheen zijn bundel Geluiden voor de laatste dag waarin hij een nieuwe dichtvorm introduceerde: miniaturen. In zijn nieuwste werk, het paard van mijn vader, zet hij deze manier van dichten voort.

    Het is een zeer verzorgd bundeltje, uitgegeven door PoeziëCentrum, met harde bruine kaft met witte belettering. De gedichten zelf zijn in bruine letters in het midden van witte bladzijdes geplaatst. Bruin, omdat de kleur slaat op het paard uit de titel? Veel boeren noemden vroeger hun trekpaard Bruin. Het geheel maakt de indruk van een brevier, een getijdenboek in sobere uitvoering. De soberheid is ook terug te vinden in de drieëndertig gedichten zelf: elke pagina krijgt één gedicht, waarvan de titel één woord beslaat en daarbij gealfabetiseerd is. Een echt abecedarium is het echter niet, omdat sommige letters ontbreken en andere juist meerdere gedichten toebedeeld krijgen. De gedichten bevatten zeven regels, die uit een of twee, hooguit drie woorden bestaan; de laatste twee regels staan als een strofe apart.

    Meesterlijk, op zijn minst

    In eerste instantie doen de gedichten denken aan haiku’s, zowel wat de strakke vorm als de inhoud betreft. Deleu heeft alles weggelaten wat overbodig is om tot de kern van zijn gedichten te komen. Deleu was al nooit een dichter van grote woorden, maar in deze bundel verheft hij het minimalisme tot kunst.

    In deze gedichten kijkt hij beschouwend terug op een lang leven vol herinneringen, zonder spijt. Zijn leven perst hij door een filter, waarna een geconcentreerde essentie overblijft. Deze essentie bestaat niet uit berusting, zoals je misschien zou verwachten, maar eerder uit woede, opstand en verontwaardiging over overheid, de toekomst en de onmacht van de mens om verandering aan te brengen. Deze maatschappelijke betrokkenheid is in vele gedichten aan te wijzen met titels als ‘Brandhaard’, ‘Woede’ en ‘Schrikdraad’. Deleu is nog steeds een bevlogen dichter die zich het wel en wee van de wereld aantrekt. Tegelijk sluimeren de onrust en onzekerheid over het einde van het leven. Voor de oude Deleu wordt dit immers steeds tastbaarder:

    REDDING

    de toekomst
    is veilig
    heilloos
    smeult
    redding

    het einde
    nabij

    Weinig woorden, ontelbare ontdekkingen

    Dergelijke gecomprimeerde gedichten, waarin alles is teruggeschroefd tot het hoogstnodige, verdienen een alerte lezer, bedacht op alles wat ze zouden kunnen bevatten. Om met zo weinig woorden zo veel te kunnen zeggen, getuigt van meesterschap in de dichtkunst. De enjambementen zorgen voor meerdere en verrassende interpretaties. Deze gelaagdheid in zijn taalgebruik heeft Deleu keer op keer weten aan te brengen in deze ultrakorte gedichten, die op veel verschillende manieren gelezen kunnen worden, wat elke keer weer een ander perspectief oplevert. Een sterk voorbeeld is het openingsgedicht:

    ADVIES

    fluister het
    de bomen
    zeg het
    de paarden
    blijf

    overeind in
    allenigheid

    Het gedicht doet meteen denken aan ‘Voor een dag van morgen’ van Hans Andreus, die ons aanspoort wezenlijke dingen zoals het besef van liefde, niet aan mensen door te geven, maar aan dieren, omdat zij de enige zijn die het zouden kunnen begrijpen. Voor de boerenzoon Deleu is de verbondenheid met de natuur vanzelfsprekend. De mens maakt daar deel van uit en staat er niet boven. ‘blijf/ overeind in/ allenigheid’ kan een trotse bewering zijn om op jezelf te kunnen vertrouwen, maar evengoed een troost om stand te blijven houden, al ben je alleen. Mooi hoe ook hier de regelafbreking tot overpeinzen aanzet en vragen oproept die op verschillende manieren beantwoord kunnen worden.

    Melancholie, zij het beheerste

    Een ander thema in de bundel is de melancholie, waar ook een stoïcijns dichter als Deleu niet aan ontkomt. Het gaat dan steeds om de zin van het leven, de natuur, de dieren, die met aandacht voor details beschreven worden, want in observeren is de dichter een meester. Waar hij in eerder werk slechts nuchter constateerde en zijn emoties met straffe hand in bedwang hield, wordt in deze bundel een nostalgie naar het verleden merkbaar en een ontroering bij herinneringen. Ook de liefde voor zijn vrouw Anne-Marie komt tot uiting in drie gedichten die de titel ‘Vrouw’ dragen. Hierin eert hij haar, verzekert haar van zijn nooit aflatende liefde na al die jaren van samenzijn.

    Maar ook de dood en de gedachte daaraan zijn prominent aanwezig, wat onvermijdelijk is op de leeftijd van 86 jaar. De dichter is niet sentimenteel, nuchter stelt hij de naderende dood vast, een voldongen feit. Ook al heeft Deleu niet speciaal een gedicht aan de dood gewijd in deze alfabetische reeks, toch lonkt de dood tussen de regels door. De dichter geeft zichzelf advies met een imperatief in het gedicht:

    WOLKEN

    wankelt
    de taal
    op de tong
    beklim dan
    de trap

    naar
    de wolken

    De plaatsing van het gedicht helemaal op het einde van de bundel zal niet toevallig gekozen zijn. Dit gedicht kan tot iedereen spreken. Taal is hier letterlijk levensbepalend en maakt het verschil tussen leven en dood. En wat er met ‘naar / de wolken’ bedoeld wordt, mag iedereen voor zichzelf invullen.

    Zo bevat deze bundel alle thema’s die het oeuvre van Deleu kenmerken: leven, liefde, taal, natuur en dood; een magnum opus van de dichter. In dit kleine boekje fonkelen de miniaturen als juwelen in kaarslicht, als kleinoden die gekoesterd dienen te worden.

     

     

  • Zonderlingen en buitenbeentjes

    Zonderlingen en buitenbeentjes

    De vrouw naast me in de rij rolde een mouw van haar shirt op en liet me de tatoeage op haar rechterarm zien, de namen van haar vijf katten. Terwijl ik me nauwelijks hersteld had, rolde ze ook de andere mouw op om de namen van haar dode katten te laten zien, gegraveerd op haar linkerarm. Ik mompelde meelevende woorden en vroeg me af hoe het toch steeds gebeurde. We stonden allebei te wachten en zij was begonnen over het weer te praten. Maar zelfs al zou ik de stappen van het gesprek kunnen reconstrueren, dan nog bleef het een mysterie waarom ze mij had uitgekozen als luisteraar. Ik val wel vaker ten prooi aan conversaties met de plaatselijke zonderlingen en buitenbeentjes. Misschien voelen ze dat ik respect voor hen heb, zoals ik dat heb voor iedereen die boven het maaiveld uitsteekt. Het leven zou zonder hen in ieder geval een stuk minder interessant zijn.

    Ook in de literatuur wemelt het van de waanzinnigen, en je hoeft er niet eens voor naar het buitenland. In Waanzin in de wereldliteratuur, het Boekenweekessay van 2015, noemde Pieter Steinz een aantal schrijvers die werden opgenomen in een psychiatrische inrichting:  Gerrit Achterberg, die in een vlaag van waanzin zijn hospita doodde, Jan Arends, en Maarten Biesheuvel, die dacht dat hij Jezus was: ‘Schrijven is een gave van God en krankzinnigheid al helemaal. Je moet een paar jaar in het gekkenhuis hebben gezeten en eruit weten te komen’. 

    Maar Steinz vergat Hans Andreus te noemen. Andreus werd  opgenomen vanwege een ernstige neurose, die hem agressief maakte tegen zijn geliefde. In 1956/57 zou Andreus dit verwerken in de Sonnetten van de kleine waanzin, die beschouwd worden als een hoogtepunt in zijn werk. Van hem is ook het gedicht:

    Geschiedenis

    ‘Hier en daar een dorpsgek
    vecht nog zijn eigen oorlog,
    leunt nog tegen zijn leeggeruimd
    toneel van de wereld en wacht nog

    op volgende week betere komedianten.’

    Alle dichters zijn gek, zei Lord Byron. Goede literatuur heeft een beetje gekte nodig, zegt Steinz. Net als het dagelijkse leven, zeg ik. De kattendame en ik gingen ieder ons weegs, als goede vrienden, nadat ik had gezegd dat ook ik de namen van mijn overleden katten op mijn lichaam droeg, maar dan op een plaats die ik daar met goed fatsoen niet kon laten zien.

     


    Hettie Marzak is poëzierecensent en veellezer.