• Poëzie-oogst week 41 – 2024

    Gezwommen worden

    De debuutbundel van Anke Senden gaat over water, zee, meeuwen en westenwind en over de manier waarop je daarnaar kunt kijken. Senden doet dat vanuit het perspectief van wat bekeken wordt. Hiermee zorgt ze voor een andere invalshoek voor de lezer. 

    ‘ik heb nog voor meeuw gestudeerd
     toen ik dacht de standvastigheid
     te kunnen volhouden als een rots
     die dient om de zee te breken
     –
     het water brak geen enkele meeuw,
     behalve mij, ik ben niet onderlegd
     in breedgevleugeld op alles neerkijken,
     ik kan niet hoog in de wind hangen
     terwijl onder mij in de vloed het strand
     het leven laat, ik beheer hoogstens
     het bloedrode krijsen dat iets
     over vliegen verraadt’

    De titel Gezwommen worden, geeft in deze passieve vorm aan dat het water de zwemmer draagt, zoals ook de omslagillustratie laat zien. Deze gedichten gaan dan over ervaringen, iets wat je gegeven wordt, wat je mag ondergaan. Zoals het water dat altijd verder stroomt, zo laat de dichter haar gedachten gaan in associaties over alles wat met de zee te maken heeft. Zoals de zee de zwemmer draagt, zo draagt haar taal de lezer.
    Anke Senden publiceerde eerder in Het Liegend Konijn en presenteert haar poëzie samen met muzikanten tijdens kleinschalige programma’s. 



    Gezwommen worden
    Auteur: Anke Senden
    Uitgeverij: Poëzie Centrum

    Tijdelijke helden. Verzamelde gedichten

    Dit voorjaar verscheen een tweetalige uitgave van de verzamelde gedichten van W.H. Auden, samengesteld en vertaald door Han van der Vegt. In dit vuistdikke boek zijn niet alle gedichten van Auden vrzameld, maar een groot gedeelte ervan. Auden (1907-1973) is een van de bekendste Engelstalige dichters, die in zijn poëzie persoonlijke zaken met politiek wist te verenigen. Door de film Four Weddings and a Funeral uit 1994 werd een versregel uit zijn gedicht ‘Funeral Blues’ wereldberoemd: ‘Stop all the clocks, cut off the telephone,/ Prevent the dog from barking with a juicy bone’. Willem Wilmink zorgde al eerder voor een vertaling van de bloemlezing Tell Me the Truth About Love in Vertel me de waarheid over de liefde. Ook Marko Fondse, Peter Verstegen en W. Hoogendoorn vertaalden enkele gedichten van Auden in tijdschrift De Tweede Ronde

    Deze nieuwe vertaling ontbeert af en toe het ritme en de klank van Auden. Zo maakte Van de Vegt van de beroemde versregel ‘We must love one another or die’ uit het gedicht ‘1 september 1939’: ‘waar geen liefde heerst, rest dood.’ Maar de vertaaltechnische hoogstandjes liggen in het vinden van variaties op Audens soms archaische en vaak allitererende taalgebruik, dat een uitdaging vormt voor iedereen die zich aan een vertaling ervan waagt.

     

    Tijdelijke helden. Verzamelde gedichten
    Auteur: W.H. Auden
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Het boek der beelden

    Rainer Maria Rilke (1875-1926) was een van de belangrijkste lyrische dichters in de Duitse taal. De bundel Das Buch der Bilder is ontstaan in de jaren van 1898 tot 1906. Een periode die gekenmerkt wordt door een belangrijke scheidslijn in Rilkes ontwikkeling als dichter en die een doorbraak naar een nieuwe manier van dichten betekende: van impressionisme naar modernisme, van lyricus naar observator.
    Er staan een groot aantal van Rilkes mooiste en bekendste gedichten in deze uitgave: ‘Herbsttag’, ‘Pont du Carrousel’ en ‘Schluszstück’, evenals de cyclus ‘Die Stimmen’, waarin Rilke geen waarde oordeel toekent aan de mensen die hij beschrijft, maar hen enkel optekent zoals hij hen ziet. De bundel is niet eerder integraal in het Nederlands vertaald. Gerard Kessels heeft dat op zich genomen, met als resultaat deze mooie, tweetalige uitgave. Hij vertaalde eerder van Rilke
    Het getijdenboek (Das Stunden-Buch) en Nieuwe gedichten & Nieuwe gedichten het andere deel (Neue Gedichte & Der neuen Gedichte anderer Teil).

    ‘Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.  
     Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
     wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben.’

    wordt in de vertaling van Kessels:

    ‘Wie nu geen huis heeft, bouwt er heus geen meer.
     Wie nu alleen is, zal het langtijds blijven,
     zal waken, lezen, lange brieven schrijven.’

     

     

    (Uit: ‘Herbsttag’)



    Het boek der beelden
    Auteur: Rainer Maria Rilke
    Uitgeverij: IJzer
  • Oogst week 17 – 2024

    Een ander leven

    Als Bart Moeyaert met zijn moeder bij haar thuis komt na een bezoek aan zijn dementerende vader in het ziekenhuis overhandigt ze hem een oranje schoenendoos met agendaatjes waarin ze een soort dagboek heeft bijgehouden: ‘Ze drukt me op het hart dat ik er niet met mijn broers over mag praten. Ik mag alles lezen, maar liever niet morgen. Bij voorkeur na haar dood, als ik er klaar voor ben. Ik zeg dat ik de dagboeken op een veilige plek zal bewaren. Daarop mag ze rekenen. Ik herhaal dat ze bij mij veilig zijn.
    Onderweg naar huis staat de schoenendoos op de passagiersstoel. Ik leg er af en toe mijn hand bovenop. Er zit een half leven naast me. Op een bepaalde dag, op een bepaald moment, zal ik het deksel van de schoenendoos halen en aan het verleden van mijn moeder beginnen (…) Thuis sla ik een van de agendaatjes open, de dag nadat ik de doos heb gekregen. Ik doorblader het jaar haast met afgewende ogen. Ik wil – voor nu even snel – alleen maar te weten komen op welke manier mijn moeder notities heeft gemaakt. Houdt ze het kort of schrijft ze hele volzinnen?
    Natuurlijk houdt ze het kort. Natuurlijk vertelt ze haast niets ’.

    De aantekeningen van de moeder vormen maar een deel van het pas als Privé-domeinreeks 328 verschenen Een ander leven van Moeyaert. Hij beschrijft daarin zijn positie als jongste in een gezin met zeven kinderen, waarin hij zich niet gezien voelde. Er was een dominante vader en een bescheiden moeder. Toen zij 70 werd nam Bart haar mee naar Parijs in de hoop wat meer van haar te weten te komen. Dat lukt aanvankelijk niet. Tot een toevallige ontmoeting met een Amerikaanse vrouw haar confronteert met haar eigen levensloop en zij Bart vertelt dat ze ‘een ander leven’ had gewild.

    Een ander leven
    Auteur: Bart Moeyaert
    Uitgeverij: Arbeiderspers

    Mes

    Salman Rushdie werd op 12 augustus 2022 met vijftien messteken toegetakeld door een moslim-fundamentalist, op het moment dat hij zich klaar maakte voor een lezing. Rushdie overleefde de aanslag wonderbaarlijk. Sindsdien mist hij het zicht in één oog en kan hij een hand niet meer goed gebruiken. Een half jaar lang was hij zo aangedaan dat ook schrijven niet meer lukte.

    Tot hij begon aan Mes, waarin hij verslag doet van de moordaanslag en welk effect die had op zijn persoonlijk leven. Ook probeert hij zich te verplaatsen in de dader door een fictief gesprek met hem aan te gaan: ‘Ik wil zijn naam niet gebruiken in dit verslag. Mijn Aanvaller, mijn would-be-Assassino, de Achterlijke man die Aannames over mij maakte, die met mij een bijna dodelijke Afspraak had… Ik merkte dat ik hem in gedachten, het zij me misschien vergeven, Asshole noemde. Maar ten behoeve van deze tekst zal ik hem iets welvoeglijker ‘de A.’ noemen. Hoe ik hem in de privacy van mijn huis noem is mijn eigen zaak.
    Deze ‘A.’ nam niet de moeite iets te weten te komen over de man die hij had besloten te vermoorden. Hij gaf zelf toe dat hij nauwelijks twee bladzijden van mij had gelezen en een paar YouTube-video’s van mij had bekeken, meer was niet nodig. Hieruit kunnen we opmaken dat de aanslag in elk geval niet over De duivelsverzen ging.
    In dit boek zal ik proberen te begrijpen waarover dan wel’.

     

    Mes
    Auteur: Salman Rushdie
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim

    Tijdelijke helden

    De ondertitel van Tijdelijke helden van H.W. Auden, Verzamelde gedichten, is niet helemaal terecht. De selectie bevat niet alle gedichten maar een, met meer dan zeshonderd (tweetalige) pagina’s,  zeer ruime bloemlezing. De gedichten bestrijken een breed spectrum van politiek tot religie en van puur menselijke tot culturele thema’s. Al zijn beroemde teksten zijn er in terug te vinden, zoals het bij een breed publiek bekende ‘Funeral Blues’ dat gebruikte is in de film Four Wedddings and a funeral uit 1994, waarvan de eerste strofe luidt:
    Stop all the clocks, cut off the telephone,
    Prevent the dog from barking with a juicy bone,
    Silence the pianos and with muffled drum
    Bring out the coffin, let the mourners come.

    Het werd al meerdere keren in het Nederlands vertaald. Willem Wilmink bijvoorbeeld maakte ervan:
    Zet stil die klokken. Telefoon eruit.
    Verbied de honden hun banaal geluid.
    Sluit de piano’s, roep met stille trom
    de laatste tocht van deze dode om.

    De vertalingen in Tijdelijke helden zijn van Han van der Vegt. Bij hem begint ‘Funeral Blues’ zo:
    Zet stil de klokken, hoorn nu van de haak
    zorg met een sappig bot dat de hond geen heibel maakt,
    sluit de piano’s en, met trom omfloerst,
    draag uit de baar te midden van de stoet.

    Tijdelijke helden
    Auteur: W.H. Auden
    Uitgeverij: Van Oorschot
  • Een andere Romeinse vertelling

    Een andere Romeinse vertelling

    Vilein, vuil en vunzig is het Rome dat Han van der Vegt in Een fellere zon schildert. Het is de stad van Julius Caesar, Cato, Cicero en andere bekenden uit het antieke Rome, en het jaar is 694 voor de stichting van Rome, ofwel 59 voor Christus. Terwijl het raamwerk historisch klopt, gaat Van der Vegt zijn eigen gang met de invulling ervan. Dat levert een smeuïg, spannend en op sommige plekken duizelingwekkend verhaal op. Daarin valt meer dan genoeg te herkennen van onze eigen tijd en samenleving, en van een mogelijke, minder plezierige toekomst.

    Implantaten en illusies

    Het verhaal opent met Caesars terugkeer naar Rome. Hij heeft roem en macht vergaard op zijn veldtochten en is nu van plan het hoogste ambt te veroveren: dat van consul. Hij is even gevreesd als bewonderd, een playboy en een neoliberale strateeg in één. Hij laat geen kans onbenut om gebruik te maken van anderen die minder gehaaid zijn in het manoeuvreren door het conglomeraat dat Rome is geworden. Geld telt, en de machtigste politici zijn magnaten, die hun bedrijf en liefst ook dat van anderen willen inzetten voor het bestendigen van hun eigen positie.

    In dit curieuze Rome dat bij vlagen beelden oproept van Pasolini’s films, worden gezaghebbers vergezeld door een leger van robots – het aantal persoonlijke ‘lictobots’ is afhankelijk van het gewicht van het ambt. Als dat al enig omdenken van de kant van de lezer vraagt, wordt het plaatje nog ingewikkelder met de door Caesar ingevoerde implantaten, inwendige apparaten waarmee mensen elkaars gedachten kunnen lezen. Plastisch beschrijft Van der Vegt hoe de twijfelaar Cato zijn implantaat uit zijn rechteroog rukt en daarbij haast doodgaat: hij wil niet meer overgeleverd zijn aan de gedachten, dromen en illusies van anderen.

    Caesars minnares Servilia – een van de protagonisten in de roman – daarentegen omhelst de wereld van de implantaten om dichterbij haar geliefde te komen. Voor dat doel neemt ze de leiding over van het netwerk van gangen waarin mensen met behulp van de implantaten hun illusies en dromen kunnen uitleven, een parallelle werkelijkheid die Van der Vegt vast niet toevallig de Metacombe heeft genoemd. Servilia doet de Metacombe herleven en zorgt daarbij en passant voor de emancipatie van vrouwelijke werknemers, die tot dan toe slechts een ondergeschikte positie hadden.

    Een dystopie

    Van der Vegt, die eerder kinderboeken en gedichtenbundels publiceerde, schuwt gelaagd schrijven niet. Als een hervertelling van de antieke geschiedenis toont de roman verwantschap met het werk van schrijvers als Pat Barker en Madeline Miller, maar waarbij zij zich vooral richten op het schudden van het genderperspectief, pakt Van der Vegt er ook nog dystopische elementen bij. Daarin doet Een fellere zon denken aan Dave Eggers’ dystopische romans De cirkel en, vooral, Het alles, waarin sociale media in elke sfeer van het leven doorgedrongen zijn. Doordat hij het verleden met elementen uit het heden en de toekomst combineert, volgt Van der Vegt eenzelfde soort procedé als bijvoorbeeld Hanya Yanagihara in haar recente roman Naar het paradijs, waarin tijdperken en toekomstbeelden over elkaar heen buitelen. Wat Een fellere zon weer anders maakt, is de gecomprimeerde tijd en plaats van handeling: één jaar in Rome.

    In dat jaar gebeurt veel meer dan alleen Caesars machtsovername. Aan het woord komen behalve de scherpzinnige maar liefdeszieke Servilia, de oude magnaat Pompeius, de rasopportunist Claudius en Bibulus, een volmaakt ambtenaar die werkelijk hoopt dat het zin heeft dat hij doet –  een illusie, waarvoor hij duur betaalt. Geestig is de passage waarin Claudia een treffende karakterschets geeft van Catullus, een vriend van haar broer: ‘Verlegenheid en schaamteloze verdorvenheid, het is een spannende combinatie maar een wankel evenwicht.’ Dat wankele evenwicht geldt voor de meeste karakters in het boek.

    Minder goed getroffen dan de dwaalgangen van de Metacombe is de manier waarop Van der Vegt de strijd om de richting die de Senaat moet nemen neerzet als een identiteitskwestie. Dat hij het gevecht tussen de elite en het volk de predicaten ‘wit’ en ‘zwart’ meegeeft, doet onnodig plat aan. Toch biedt die tegenstelling de schrijver een gelegen kans om Claudius’ opportunisme nog erger te maken en om een gooi naar het woke-fenomeen in onze tijd te doen. Na ettelijke tegenslagen probeert Claudius een nieuwe kans te maken in de politiek door zich een zwarte identiteit aan te meten. Zoals het in dit Rome toegaat, hoeft hij daarvoor zich alleen te laten adopteren door een zwarte man.

    Nog dichter bij de actualiteit komt de roman in Caesars pleidooi voor openheid van verhandelingen in de Senaat. Het volk, vindt Caesar, moet weten hoe beslissingen tot stand komen in het politieke orgaan waarvan hun welzijn afhankelijk is. De weerstand tegen het idee onder de senatoren laat zich raden. ‘Rome,’ merkt Caesar in de hitte van de richtingenstrijd op, ‘bestaat niet. Rome is een idee dat je kan helpen of hinderen.’ Die uitspraak is een nuttige aanwijzing voor de lezer, die het beste elke voorkennis over het antieke Rome kan vergeten om zich te kunnen overleveren aan de boven- en ondergrondse intriges van het verhaal.

  • Martin de Haan wint Filter Vertaalprijs 2018

    Gisteren werd op Wereldboekendag door de jury van de Filter Vertaalprijs in samenwerking met Het Literatuurhuis Utrecht bekend gemaakt dat van de vijf genomineerden Martin de Haan voor de nieuwe vertaling van Choderlos de Laclos, Riskante relaties (Arbeiderspers) de prijs gewonnen heeft.

    Les Liaisons dangereuses is een omvangrijk werk en werd de afgelopen vijftig jaar al driemaal eerder vertaald. Volgens de jury is met de vertaling van Martin de Haan pas ten volle van het boek te genieten.

    Martin de Haan (1966) is essayist en vertaler van (voornamelijk) Franse literatuur. Hij is onder meer vaste vertaler van Milan Kundera en Michel Houellebecq. In samenwerking met vertaler Rokus Hofstede vertaalde Martin de Haan werk van o.a. Régis Jauffret en Marcel Proust. Als essayist publiceerde hij een boek over Michel Houellebecq, Aan de rand van de wereld, en tal van beschouwingen in dagbladen en tijdschriften.

     

    De Filter Vertaalprijs wordt jaarlijks beschikbaar gesteld voor de meest bijzondere vertaling uit het voorgaande jaar. Het prijzengeld bedraagt € 10.000 en werd dit jaar bijeengebracht door de uitgeverijen Atlas Contact, Boom, De Bezige Bij, Lebowski, Singel Uitgeverijen, Vantilt, Van Oorschot, Wereldbibliotheek en enkele anonieme begunstigers die hiermee willen bijdragen aan een hogere waardering voor vertaalprestaties.

    Overige genomineerden waren:
    Kiki Coumans voor Het raam gaat open als een sinaasappel van Guillaume Apollinaire (Uitgeverij Vleugels)
    Piet Gerbrandy en Casper de Jonge voor Poëtica van Aristoteles (Historische Uitgeverij)
    Lisa Thunnissen voor De cowboykampioen van Aura Xilonen (Uitgeverij Wereldbibliotheek)
    Han van der Vegt voor Omeros van Derek Walcott (Bananafish)

    De jury bestond dit jaar uit Jacqueline Bel (voorzitter), Erik van den Berg, Harm-Jan van Dam, Vicky Francken, Robbert-Jan Henkes (winnaar van de prijs in 2017) en Eva Wissenburg (secretaris).

     

     

  • Erotische verhalen uit de Verlichting

    Erotische verhalen uit de Verlichting

     

    Door Machiel Jansen

    In 1672 schilderde Jan Steen zichzelf met een viool in het gezelschap van een jonge en een oude vrouw. Hij zit met een grote grijns te genieten en kijkt verliefd in de ogen van de jonge vrouw. Zij glimlacht naar hem maar ondertussen heeft ze met haar hand zijn beurs geopend en hem bestolen. De verliefde dwaas heeft niets door. Een oude vrouw, een koppelaarster, is nog tussen de twee te zien en biedt de vioolspeler een glas aan.

    Het schilderij had heel goed een illustratie kunnen zijn bij het verhaal De openhartige juffrouw, uit 1680, dat nu, in modern Nederlands hertaald, is uitgegeven door uitgeverij Atheneum. Er staan wel illustraties in deze bundel met erotische verhalen uit de vroeg moderne tijd, maar geen Jan Steen. In plaats daarvan zijn er plaatjes met voornamelijk seksuele handelingen. Voor het titelverhaal is dat merkwaardig want zo expliciet als de gravures, die helaas niet voorzien zijn van een jaartal, wordt het niet.

    De openhartige juffrouw  is de pseudoautobiografie van een prostituee, hoogstwaarschijnlijk door een man geschreven. Goed beschouwd lezen we in dit verhaal over niet veel meer dan wat we ook in zeventiende eeuwse schilderijen kunnen zien. Voor de echte seks moet je tussen de regels door lezen en worden er versluierde beschrijvingen gegeven. Net zoals in de schilderijen is het de losbandigheid die het meest in het oog springt. Maar als je goed kijkt zie je dat een morele boodschap niet zo ver te zoeken is. In de schilderijen van Steen vindt je bijvoorbeeld opvallend veel vogelkooien. In embleemboeken uit die tijd komt de vogelkooi ook regelmatig voor, voorzien van een moraliserend onderschrift. Jacob Cats bijvoorbeeld, toont een papegaai in een kooi met als onderschrift ‘Blij door slavernij’. De kooi staat hier symbool voor het huwelijk dat de vrijheid beknot, maar te preferen is boven bandeloosheid. De kennis van deze emblemata  heeft ervoor gezorgd dat kunsthistorici anders naar de zeventiende eeuwse schilderkunst zijn gaan kijken. Details die eerst realistische aardigheden leken, blijken opeens kleine moraliserende boodschapjes te kunnen bevatten.

    Een voorbeeld van wat je typisch zeventiende eeuws moralisme kunt noemen, vind je al op de eerste bladzijde. De volledige titel luidt De openhartige juffrouw of de huichelarij ontmaskerd, (oorspronkelijk D’Openhertige juffrouw, of d’ontdekte geveinsdheid).  Daarna volgt een spreuk:  ‘Als je de naam verandert dan gaat dit verhaal over jou’. Die spreuk stond er oorspronkelijk in het Latijn en is afkomstig van Horatius. De boodschap is duidelijk. De lezer kan het werk afkeurend ter zijde schuiven maar is hij daarmee geen grote huichelaar?

    Ook het verhaal vertoont van die kleine morele verwijzingen die je in zeventiende eeuwse schilderijen kunt vinden. Liefde is niet wat het lijkt. Onze hoofdpersoon is in het eerste deel vooral bezig met het om de tuin leiden van mannen. Ze gaat meerdere relaties aan zonder dat de mannen dat weten, ze veinst een zwangerschap en profiteert van de verblindende geilheid van haar slachtoffers. Vooral in het begin zijn de anekdotes om te draaien tot waarschuwingen voor mannen.

    Een ander voorbeeld is de beschrijving van het gebruik van make-up en de keuze van kleding. Het zijn vormen van bedrog waarbij vrouwen zich mooier voordoen dan ze eigenlijk zijn met het doel de man te misleiden. Als je je als man door je zintuigen laat leiden, wordt er misbruik van je gemaakt. Een beschrijving van misleiding kun je opvatten als een waarschuwing door er iets anders naar te kijken.

    De aanwezigheid van morele boodschappen in deze tekst wordt overigens ontkend door Inger Leemans, de samenstelster van deze bundel, en gepromoveerd op Nederlandse pornografische romans tussen 1670 en 1700. Zij ziet in deze teksten juist een onafhankelijkheidsverklaring van de idealistische, gangbare literatuur uit die tijd. Het is wel waar dat onze juffrouw geen spijt betuigt, of dat het slecht met haar afloopt. De morele verwijzingen zijn steeds heel subtiel en dringen zich nauwelijks op. Bovendien zie ik ze alleen in het titelverhaal.

    Meer opvallend dan de verborgen morele verwijzingen zijn de ontboezemingen die soms in de vorm van een klucht het verhaal aantrekkelijk moeten maken. Opvallend is ook dat er hier een vrouw aan het woord is. Over mannen wordt flink geklaagd, maar ook vrouwen worden niet gespaard. Wie geïnteresseerd is in de man/vrouwverhoudingen in de zeventiende eeuw, heeft aan De openhartige juffrouw een leuke bron. Het is naar mijn mening het meest leesbare verhaal in deze bundel.

    Veel harder gaat het eraan toe in het andere lange verhaal dat in deze bundel is opgenomen:  De roemruchte daden van Jan Stront (1684). Het is een absurd werk dat in alle opzichten, ook wat de opbouw betreft, over de schreef wil gaan.  Het begint nog enigszins verhalend als we lezen hoe Jan blijft hangen in de anale fase van zijn ontwikkeling, om het maar eens Freudiaans uit te drukken. Hij haalt de ene poepgrap na de andere uit. Hij kakt onder de stoel van zijn schoolmeester, hij stopt drollen in kussens etc.

    Dan gaat het verhaal plotseling over in een absurde dialoog tussen volstrekt willekeurige figuren met illustere namen, waaronder die van Plato, Cicero, Zeno, Caesar, Cleopatra, Epicurus, Spinoza en Erasmus om er maar een paar te noemen. Het grote gezelschap heeft het vooral over dat wat Jan Stront, die zelf ook aan het woord komt, het meest interesseert: stront en seks. Ik geef een vrij willekeurig gekozen voorbeeld:

    Thomas Cavendish: ‘Weet je wel hoeveel kwaliteiten een drol heeft?’

    Merlijn: ‘Vertel het zelf maar. Je moet hier ook alles leren.’

    Canvendish: ‘Neem een drol en steek je neus erin, dan stinkt hij. Bijt erin en je zult merken dat hij smerig smaakt, en als je dat niet verdragen kunt, wat we mogen aannemen, wrijf er dan je smoel mee in, dan zul je er vies uitzien.’

    Ferd. Vasquins: ‘Wat zeg je nu weer voor een ellendige vuiligheden?’

    Francis Drake: ‘Wie is er smeriger, degene die erover spreekt, of degene die het in zich draagt  ?’

    En zo gaat het door. Naar mijn idee staat Jan Stront ondersteboven. Zijn denkvermogen zit in de onderbuik en alles wat daar gebeurt is voor hem van groot belang.  Niet de mond spreekt, maar de anus en de geslachtsdelen.

    De anonieme schrijver moet een hekel gehad hebben aan intellectuelen want de dialoog is een venijnige parodie op de humanistische dialogen waarin Plato en Cicero nagevolgd werden. De pseudodiscussie die wordt opgevoerd is bandeloos, waarbij alles bij de naam wordt genoemd. De anekdotes volgen elkaar in hoog tempo op en worden afgewisseld door pseudowijsheden over seks of poep.  Het is een harde, bij vlagen hilarische satire, op de humanistische intellectuelen.

    Mij is het allemaal wat veel. Mijn seks en poep tolerantie is beperkt. Jan Stront is een stuk origineler dan een vijfjarige die in elke zin het liefst zoveel mogelijk poep en pies wil noemen. De beste schuine moppen en verhalen van Jan kunnen zich wat mij betreft meten met die uit de Decamarone (1350) van Boccaccio, maar op een gegeven moment weet je het wel.

    Dat geldt ook voor de andere verhalen in deze bundel die wat korter zijn. Het meest onbegrijpelijk vind ik Het leven en gedrag van de moderne Haagse en Amsterdamse salondames (1696). Het is misschien nog het best te beschrijven als een luchtige, vroeg moderne versie van Passolini’s Salò. In deze film uit 1975 worden veertien jongens en meisjes door fascisten vastgehouden en maandenlang aan hun seksuele en sadistische grillen blootgesteld. Zo hard als Salò is dit verhaal niet, maar toch zijn er elementen zoals het genieten van iemand die tot bloedens toe wordt afgeranseld en het leven naar een geheime, seksueel getinte code die me aan Passolini deden denken.

    De salondames vormen een geheime orde met duidelijke seksuele motieven. In hun code hebben ze zinnen staan als: Naar deze code zul je alles doen. Hoererij heet nu fatsoen,  dronkenschap blijdschap, bedrog verstand en overspel is de deugd van het land.

    De lust heeft veel vormen in dit verhaal. We lezen over lesbische erotiek, mannen blijken vrouwen en andersom. Ook wordt er sadistisch afgeranseld en behoorlijk gevochten. Het is een verzameling fantasieën waar je als moderne lezer alleen met verbazing op kunt reageren.

    Wie in de bundel naar verklaringen van de verhalen zoekt, zoekt tevergeefs. In ieder geval kent het boek geen noten, verhelderende inleiding of nawoord.  De inleiding van Atte Jongstra, is wel amusant maar veel over de achtergrond van de verhalen leer je er niet. Af en toe miste ik een verklarende noot. Zo komt het woord hoorndrager voor in de De openhartige juffrouw, Jan Stront wijdt er zelfs een hele verhandeling aan. Via internet kwam ik er achter dat hoorndrager staat voor een man die overspel pleegt.

    Ten slotte, denk ik dat dit mooi uitgegeven boek hoge ogen zou kunnen gooien bij de Bad Sex in Fiction Award die sinds 1993 elk jaar wordt uitgereikt door het Engelse Literary Review. Ik stel voor de anonieme auteur van Jan Stront posthuum de prijs te geven voor zijn gehele oevre.