• Guus Kuijer gelauwerd met Constantijn Huygens-prijs 2020

    In het radioprogramma Kunststof op radio 1 werd donderdag bekendgemaakt dat de Constantijn Huygens-prijs 2020 is toegekend aan Guus Kuijer voor zijn gehele oeuvre. De jury noemt het werk van Guus Kuijer belangrijk om het individu en de vrije geest die erin centraal staan:

    ‘Niet iedereen is hetzelfde. Die eenvoudige gedachte ligt ten grondslag aan het monumentale oeuvre van Guus Kuijer, de schrijver met een groot oog voor de kracht van het buitenbeentje. Van zijn Madelief-boeken tot aan zijn hervertellingen van Bijbelverhalen ‘voor ongelovigen’, overal staat zijn geloof in het individu centraal. Hij is een van de grote vernieuwers van de naoorlogse jeugdliteratuur en daarmee van de Nederlandse literatuur.’

    Gewoonlijk wordt de winnaar vooraf aan de bekendmaking door de jury op de hoogte gesteld. Woensdag twitterde Guus Kuijer, ‘Morgen wordt voor mij een mooie dag, maar ik zeg nog niet waarom. Het is voorlopig een geheimpje. Hihihi.’

    Oeuvre van de vrije geest

    Guus Kuijer schrijft al bijna een halve eeuw voor kinderen en volwassenen, wie is er niet voorgelezen, of heeft voorgelezen uit het Grote boek van Madelief, of Polleke. In zijn boeken staat de vrije geest van mens en kind centraal. Zijn personages komen uit alle lagen van de bevolking, met verschillende achtergronden en voorkeuren. Vrijheid van keuzes kan niet serieus genoeg genomen worden blijkt uit zijn boeken, vooral het kind staat bij Kuijer voorop. Lees daarvoor ook zijn klassiek geworden essay: Het geminachte kind. Denk ook aan, Het boek van alle dingen, Olle, Hoe een klein rotgodje God vermoordde, Draaikonten en haatblaffers en De Bijbel voor ongelovigen.

    Donderdagavond kort na de bekendmaking twitterde Guus Kuijer, ‘Mijn geheimpje is zojuist bekend gemaakt: in januari wordt mij de Constantijn Huygens-prijs uitgereikt. Het is een prijs voor mijn gehele oeuvre. Hoera! Ik voel me zeer vereerd.’

    De jury van de Huygens-prijs bestaat dit jaar uit, Erica van Boven, Jeroen Dera, Arjen Fortuin, Aad Meinderts (voorzitter), Sanne Parlevliet, Jan de Roder, Jeannette Smit, Carl De Strycker en Sarah Vankersschaever.
    Aan de prijs is een bedrag van 12.000 euro verbonden.

    In voorgaande jaren hebben onder meer Stefan Hertmans (2019), Nelleke Noordervliet (2018), Hans Tentije (2017), Atte Jongstra (2016), Adriaan van Dis (2015) en Mensje van Keulen (2014), de prijs gewonnen.

    De prijs wordt in januari 2021, tegelijkertijd met de overige literatuurprijzen die de Jan Campert-Stichting namens de gemeente Den Haag uitgereikt. De winnaars van de F. Bordewijk-prijs, de Jan Campert-prijs en de tweejaarlijkse Jan Greshoff-prijs worden dit najaar nog bekendgemaakt.

     

    Foto: © Jaco Klamer

     

  • De naam een wens

    De naam een wens

    ‘Er is negen maanden geleden een afspraak gemaakt met iemand die ik nog nooit heb gezien,’ schrijft Willem Jan Otten in Kroniek van zoon die vader wordt, een prachtig essay, opgenomen in Een ridder van de Engelse drop. ‘Niets weet ik van hem af – alleen dat hij van nu af bij ons gaat inwonen en door ons onderhouden gaat worden.’
    Aan die negen maanden zitten wij nog niet, toch bevind ik me gek genoeg in dezelfde positie als een jaar geleden: in verwachting – van een nieuw jaar (schiet op, alsjeblieft) en een nieuw leven, maar in verwachting desalniettemin. Tegelijkertijd is er zoveel veranderd, zelfs mijn naam is nieuw.
    Een jaar geleden ook kocht ik een van mijn favoriete jeugdboeken: Het grote boek van Madelief. Verwachtingen had ik, over voorlezen en aan wie. Het liep anders en ik raakte het boek van Guus Kuijer niet meer aan. Verwijtend ligt het op het dak van de boekenkast, alsof het zeggen wil: daar kon ik niets aan doen.

    Geregeld sta ik voor die kast en verlies ik me, al wrijvend over mijn alsmaar groeiende buik, in mijmeringen over wat ik deze baby wil meegeven. IJdele gedachten natuurlijk, een kind krijgen is toch een beetje als het schrijven van een verhaal – alleen heb je in dit geval, met een beetje geluk, slechts het begin in de hand. Je reikt de eerste regels aan en schetst met je baarmoeder, je gezin en wat bijbehorende omstandigheden de openingsalinea’s. Vanaf daar moet je maar zien hoe het loopt, er het beste van hopen.
    Toen ik zeventien was en de lerarenopleiding Nederlands deed, haakte ik af bij de vraag wie ik was, wie ik wilde zijn als docent. Wel sloot ik in diezelfde tijd vrede met mijn naam. Het duurde even, maar langzaamaan was ik gaan begrijpen wat mijn ouders me wilden meegeven toen ze me Marijn noemden.

    Een naam is een wens, een duwtje in een mogelijke richting. Dat geldt voor mensen, maar ook voor personages: hoe kwaad was ik als kind geweest toen Bastiaan de prinses Maankind doopte in Het oneindige verhaal! Dat kon toch veel beter, dat deed haar toch geen recht? En die moeder die in Isabel Hovings De gevleugelde kat zegt dat het achteraf niet erg aardig was om de ene helft van haar tweeling, die ook nog eens overleed, Jericho te noemen? Instinctief begreep ik wat ze bedoelde, het gewicht van die boodschap. Mijn zoon zal ik nooit Remi noemen, maar voorlezen uit Alleen op de wereld zal ik wel.
    De naam, daar ben ik al over uit. Maar de rest van de wens? Die zit hem, onder andere, in verhalen. Ronja de roversdochter ligt al klaar, graag voed ik de kleine straks met verhalen over onverschrokken kinderen. Mogelijkheden – als je wilt, is dit wie je zou kunnen zijn, een beetje of een beetje meer. Het oneindige verhaal van Michael Ende hoort er natuurlijk bij.
    Maar laat ik beginnen met Madelief, een prima boodschap om aan een kind mee te geven.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Misschien Madelief

    Misschien Madelief

    Om de meest gelukkige reden denkbaar ben ik veel met namen bezig de laatste tijd. Er is opnieuw een Ronja geboren in mijn omgeving, niet bij ons maar wel dichtbij. Wat een geluk moet het zijn om je dochter te vernoemen naar een van de stoerste personages uit de (jeugd)literatuur, wat een belofte zit er in die naam. Dat een naam een wens moet zijn of een boodschap, iets dat je je kind wil meegeven, houdt me al langer bezig. Dus zoek ik een eigen Ronja.
    In verhalen heb ik ze vaak vrij snel – en zodra ik ze heb, veranderen namen nauwelijks nog. Daags voor mijn debuut naar de drukker ging, moest er echter nog een nieuwe naam komen voor een van de hoofdpersonages: te veel namen begonnen met een A, aldus de proeflezers. Nog steeds struikel ik soms over het resultaat: hoe tevreden ik ook over Michelle ben, voor mij blijft ze altijd Amy.

    Hulpeloos sta ik voor mijn boekenkast, niet met de handen in het haar maar op mijn buik. Voor een jongensnaam hoefde ik niet lang te zoeken, voor een meisje is het lastiger. De naam die al jaren op het puntje van mijn tong ligt, neem ik in heroverweging. Liefst zou ik iets uit een boek willen. Maar – er is altijd een maar.
    Niet alleen blijken mijn lievelingsschrijfsters hele vreemde voornamen te hebben (Flannery, Marlen, Toni, Willa), voor de weinige vrouwelijke personages die me bijbleven in alles wat ik las geldt zelfs dat ze ongelooflijk onhebbelijke karakters hebben: neem Louise Bentley uit Winesburg Ohio, wiens verhaal door haar schepper, Sherwood Anderson, wordt geïntroduceerd als een ‘geschiedenis van misverstanden’. Wat volgt is een karakterschets van een moeilijke vrouw, een oerkracht die zichzelf evenmin begrijpt als in de hand heeft.

    Steeds moet ik aan Sethe denken – misschien heeft het met angsten te maken, de duistere vraagtekens die het oppervlak zoeken zodra er van alles in een vrouwenlichaam verandert. Zelden las ik zo’n schitterende naam, zo’n schitterend verhaal. Maar is Sethe de heldin van Toni Morrisons Beloved of het slachtoffer? Dit is geen verhaal om verder te vertellen, staat er in mijn vertaalde exemplaar. Wie beide boeken heeft gelezen zal begrijpen dat Sethe en Louise geen namen zijn die je zomaar doorgeeft.
    Dan zijn er nog de vrouwelijke personages in de romans van Marlen Haushofer, allen op de rand van waanzin en, belangrijker, naamloos. Alleen Stella uit Wij doden Stella krijgt actief een stempel en dat is er nu juist weer geen die je wilt doorgeven, het is Haushofers Lolita, een nimf en net zo irritant. Even denk ik aan de vrouwen in Faulkners As I lay dying maar ach, dat zouden geen beloftes zijn maar een vloek.

    Wat geef je iemand mee en mag het ook gewoon een beetje mooi zijn? Een van de leukste (literaire) namen die ik ken gaf ik al aan een kat – nee, Haggis was het niet. Misschien Madelief. Zo mooi vond ik de boeken van Guus Kuijer. Ik heb gelukkig nog even.

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen begin dit jaar bij Uitgeverij Cossee.

  • Zelfzorg

    Zelfzorg

    Goed voor jezelf zorgen is weten wat je nodig hebt en wanneer: in vriendschap en andere sociale relaties, in voeding en nachtrust of in tijd. Zo geef ik altijd gehoor aan mijn wens om de zee te zien. Niets brengt me terug op aarde zoals het ruisen van de Noordzee dat doet: de schuimkragen op de golven; die ondefinieerbare kleur (is het blauw of groen of grijs of toch iets daartussenin) en het gevaar dat dit ondiepe water met zich meebrengt – want de zee is onvoorspelbaar en hoeveel mensen zijn er dit jaar weer verdronken? Het heeft iets verslavends. Gezond eten heeft dat niet.
    Grappig genoeg weten mijn katten evengoed wanneer ik ze nodig heb: hoe mijn eigen lijf bij pijn snakt naar de warmte van hun harige lijven; het monotone gebrom van hun spinnen; hoe Haggis bijvoorbeeld met al haar gewicht op mijn borst gaat liggen. Rust komt duidelijk van wezens waar ik niets van begrijp. En, natuurlijk, van boeken.

    Er is een reden waarom ik jaarlijks Beminde van Toni Morrison herlees, ik schreef er al eerder over, het is een boek waarvan ik, ondanks alle ellende en de eenzaamheid, gelukkig word: misschien zit het in de afloop, ik weet het niet, misschien zit het in de taal. Een gelukkig boek, zou Kees ’t Hart het noemen.
    Een tijd lang volgde ik een site waarop alleen positief nieuws werd gepubliceerd: vliegtuigen die een noodstop maakten omdat de verwarming in het ruim was uitgevallen en er een hond dreigde dood te vriezen, dat soort dingen. Ik kon me uren laven aan alle online gepubliceerde liefde en vrolijkheid, het was wat je noemt bemoedigend nieuws. Dat had ik kennelijk nodig.
    Nu is de schrijver van het fijnste jeugdboek uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis, Madelief, een van de twee redenen waarom ik nog op Twitter zit (de ander is de Toto Africa-bot, een geautomatiseerd account dat tot in het oneindige de songtekst van Toto’s monsterhit de wereld in knalt). Van Madelief herinner ik me weinig anders dan dat ik het verhaal van die oma zo mooi vond: Krassen in het tafelblad – wat een schitterende vondst. Als dat geen gelukkig schrijven was, dan was het wel gelukkig lezen.

    Dat gelukkige lezen vind ik terug op het Twitteraccount van de schrijver. Guus Kuijer is grappig, wijs en sympathiek en als ik lusteloos door de tijdslijn scroll maken zijn uitspraken me vrolijk zoals die berichten op de positief-nieuws site dat deden. ‘Liefde is houden van het verschil,’ schrijft hij ergens. Zo’n zin kan enorm flauw zijn, bij hem werkt het.
    Weten wat je nodig hebt is: op de juiste momenten je vrienden bellen (of je moeder), salade maken voor jezelf en je lief of juist pizza bestellen, soms is het gewoon jezelf de vernieling indrinken – het komt nauw kijken en is voor iedereen weer anders. Voor mij is het momenteel achter elkaar in Hoe word ik gelukkig van Guus Kuijer lezen alles onderstrepen wat ik mooi vind. Uiteraard met een kat op schoot – of aan zee.

     

  • Een zoektocht door de woestijn

    Een zoektocht door de woestijn

     

    Kennis van de Bijbel, het heilige boek van de joden en de christenen en het meest verkochte boek van de afgelopen vijftig jaar, is niet langer vanzelfsprekend. Generaties kinderen groeien op zonder te horen en te lezen over de Ark van Noach, de Toren van Babel of het Laatste Avondmaal.

    Guus Kuijer, vooral bekend van de kinderboekenreeks Madelief, vindt dit jammer en probeert met zijn project De Bijbel voor ongelovigen het heilige boek toegankelijk te maken voor ongelovigen. Het eerste deel, Genesis, is nu uit. De Bijbel voor ongelovigen is niet, zoals je zou kunnen verwachten op grond van de titel, een roman waarin wetenschappelijke verklaringen gegeven worden voor de wonderlijke gebeurtenissen in de Bijbel. Kuijer beschouwt de Bijbel als een bundel waardevolle, mondeling overgeleverde verhalen die moeten worden doorverteld aan volgende generaties.

    Als de verhalen in de Bijbel zo waardevol zijn, zouden ze op eigen kracht de hedendaagse  – ongelovige – lezer moeten kunnen bereiken en overtuigen. Toch vond Kuijer het nodig om van de Bijbelse verhalen een prozaïsche bewerking te maken, want de verhalen staan om meerdere redenen te ver van de moderne mens af. Ten eerste spelen de verhalen zich meer dan tweeduizend jaar geleden af in het Midden-Oosten, met bijbehorende moraal en gebruiken. Voor een joodse man van aanzien was het in die tijd  – als we de Bijbelse verhalen mogen geloven – bijvoorbeeld niet ongebruikelijk om meerdere vrouwen te hebben, zoals het geval is bij Abraham en Jacob. Wanneer de lezer gelovig is, kan hij zich over deze barrière heen zetten omdat hij Abraham en Jacob als zijn geestelijke voorouders beschouwt. De Bijbel is nu eenmaal het fundament van zijn geloof. Maar bij de hedendaagse lezer, die vaak niet meer in (de christelijke) God gelooft, vervalt de noodzaak om de verhalen over Abraham en Jacob te lezen. Kuijer zocht daarom naar een manier om de literaire en levensbeschouwelijke kwaliteit van de Bijbelverhalen in een nieuw jasje te steken.

    De nazaten van Adam zijn jaloers, worstelen met de intentie van God, geven commentaar op traditionele rituelen en vragen zich af welke god ze moeten gehoorzamen, want elk volk heeft weer zijn eigen goden. Abrahams vrouw Sarah spreekt dan ook niet van God, maar van ‘Abrahams god’. Hiermee ondergraaft Kuijer de hele idee achter het Oude Testament, namelijk dat de god van Abraham, Isaak en Jacob de enige, ware God is. Kuijer doet een  grote concessie aan de huidige tijd, waarin de mensen ‘relishoppen’: ze pakken elementen uit verschillende religies en maken daarmee hun eigen, persoonlijke ‘god’.

    De auteur legt het perspectief niet bij de hoofdrolspelers in de Bijbel, zoals Noach, Abraham of Josef, maar bij de kritische buitenstaanders. Hierdoor probeert hij ruimte voor twijfel en ongeloof te scheppen, zoals hij in zijn nawoord uitlegt. In de ogen van Noachs zoon Cham bijvoorbeeld is Noach een dronken dorpsgek die het Woord van God met vlagen van waanzin verwart. Noach haat Cham om zijn kritische opmerkingen en staat versteld wanneer Cham zijn vader zijn hulp aanbiedt bij het bouwen van de ark. Cham doet dit eerder uit medelijden met zijn koppige vader, dan uit overtuiging over wat hen volgens Noach te wachten staat.

    Abraham, die al even koppig en nors is als zijn verre voorvader, heeft van God gehoord dat Hij de stad Sodom gaat vernietigen. Abrahams vrouw Sarah, die het verhaal vertelt, is geschokt en probeert haar man ertoe te bewegen God van dit plan te laten afzien. Natuurlijk, het gros van de bevolking leeft erop los, maar de kinderen zijn toch onschuldig? Abraham ‘vergeet’ dit punt bij God aan te snijden, waardoor Sarah woedend wordt. Ze verzet zich tegen de absolute gehoorzaamheid aan God: ‘Tussen mij en de goden kwam het nooit meer goed, dat wist ik zeker’.

    Het hele boek prachtig is geschreven, al zijn de verhalen van verschillende kwaliteit. Het begin van het verhaal, met Adam en Eva, de Ark van Noach en de Toren van Babel, komt langzaam op gang. Het heeft een groot ‘o ja, zo ging het’-gehalte. Wellicht komt dat doordat Kuijer hier vooral bezig is met het navertellen van het Bijbelverhaal. De auteur geeft een humoristische draai aan de schepping van de wereld, maar hij is pas echt op dreef vanaf het verhaal van Sarah. Zij is een complex en geloofwaardig personage geworden, dat schippert tussen liefde voor Abraham en twijfel over de goede bedoelingen van God. ‘Waarom God, waarom? U bent me een raadsel, maar ik ben mezelf een nog groter raadsel. Waarom weerhield ik Abraham niet, waarom liet ik hem doen wat ik van hem had gevraagd? Een misdaad is een misdaad, ook wanneer de goden ermee instemmen.’

    De figuren in Kuijers Genesis zijn op zoek. Waarnaar precies, dat weten ze niet. Hun enige houvast is de stem van God, die hun opdrachten geeft en hen leidt van het ene land naar het andere. De hedendaagse, ongelovige lezer mist de stem van God die tot hem spreekt, maar is wel nog steeds op zoek. Door dit tijdloze en algemeen menselijke thema te benadrukken, brengt Kuijer de wereld van de Bijbel een heel stuk dichterbij.

     

     

  • Pleidooi voor de draaikont

    Pleidooi voor de draaikont

    Is Nederland tolerant of niet? In 2006 verscheen er een artikel  van een aantal sociologen van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Daarin probeerden zij de vraag te beantwoorden of Nederland na de dood van Pim Fortuyn in 2002 minder tolerant was geworden ten opzichte van etnische minderheden. Het antwoord was duidelijk: nee. Volgens het onderzoek was Nederland in de jaren zeventig een stuk minder tolerant dan we nu geneigd zijn te denken. Met de huidige intolerantie tegenover ‘buitenlanders’ valt het ook wel mee: Nederland zit zelfs iets onder het Europees gemiddelde.

    Toch bepaalt het idee dat Nederland een tolerant land is heel sterk het beeld dat men van Nederland heeft. En velen denken ook dat we de laatste jaren met z’n allen minder tolerant zijn geworden. Guus Kuijer is zo iemand en hij maakt zich er zorgen over. Zijn boek Haatblaffers & Draaikonten is zowel een pamflet tegen onverdraagzaamheid als een kleine historische studie van Nederlandse tolerantie.

    Voor Kuijer begint verdraagzaamheid met twijfel. Wie alles zeker weet en niet durft te twijfelen aan zijn eigen standpunten, is dogmatisch en niet bereid naar anderen te luisteren. De tolerante mens is een wetenschapper, een vriendelijke rationalist die bereid is zijn mening te herzien en zijn fouten toe te geven.

    Om die boodschap duidelijk te maken vertelt Kuijer het verhaal van een aantal humanisten uit de zestiende eeuw die immers ernstig begonnen te twijfelen aan eeuwenoude zekerheden die vooral door de katholieke kerk in stand werden gehouden. Hoofdpersoon is de Spaanse humanist Benito Arias Montano (1527–1598), die in de entourage van de hertog van Alva naar Antwerpen kwam om daar zijn tweetalige bijbel te laten drukken.

    Aanvankelijk stond Montano pal achter Alva, die in Nederland een einde moest maken aan een opstand en vervolgens een waar schrikbewind begon. Het Spaanse gezag was nu niet bepaald verdraagzaam tegenover anders denkenden, zo maakt Kuijer goed duidelijk. De Inquisitie arresteerde iedereen waarvan men vermoedde dat hij er ketterse ideeën op na hield. Vrouwen liepen het gevaar als heks vervolgd te worden en iedereen van joodse afkomst was meer dan verdacht. Spanje zelf was al enige tijd ‘joden vrij’: in 1492 waren alle Spaanse joden bekeerd, verbannen of vermoord.

    De hertog van Alva ging dan ook niet zachtzinnig te werk in de Nederlanden, waar het calvinisme als maar populairder leek te worden. Niet dat de calvinisten nu zo verdraagzaam waren. Net als de fanatieke katholieke Spanjaarden waren er ‘haatblaffers’ onder hen. Kuijer schreef eerder het boek Het doden van een mens over de moord op Miquel Servet door Calvijn. Ook in Draaikonten & Haatblaffers wordt hij niet moe om op de onverdraagzaamheid van fanatieke calvinisten – waaronder Calvijn zelf – te wijzen.

    Maar in de Nederlanden zat een flink deel van de bevolking helemaal niet te wachten op een principiële strijd tussen katholieken en protestanten. Oorlog betekende onrust en dat verstoorde de handel. Wie geld wilde verdienen kwam er snel achter dat je meningsverschillen beter niet op de spits kunt drijven. Je zou kunnen beweren dat Nederland toleranter werd omdat dat voor veel mensen economisch aantrekkelijker was.

    Maar bij Guus Kuijer tref je een dergelijk argument niet aan. Voor hem is, zoals gezegd, tolerantie onlosmakelijk verbonden aan twijfel en rationaliteit. De humanist Montano is voor Kuijer de beste vertegenwoordiger van de opkomende tolerante gedachte in de zestiende eeuw.

    Wanneer deze katholieke Spanjaard in Antwerpen aankomt, staat hij nog pal achter Alva en zijn harde maatregelen. Maar bij de beroemde Antwerpse drukker Plantijn ontmoet hij humanisten, calvinisten en tal van mensen met liberale opvattingen. Hij maakt kennis met andere meningen, argumenten en kan de gevolgen van de Spaanse overheersing met eigen ogen aanschouwen. Dat brengt hem steeds meer aan het twijfelen aan zijn oude Spaanse, katholieke en dogmatische zekerheden. Hij twijfelt en is bereid andersdenkenden te tolereren en hun vervolging te veroordelen. Maar echt openlijk afstand nemen van het Spaanse gezag en de katholieke kerk doet hij niet. Montano is geen held, maar een draaikont die niet altijd zegt wat hij denkt omdat dat hem in de problemen zou kunnen brengen.

    De Haarlemmer Dirk Volkertsz. Coornhert was wat dat betreft een stuk moediger. Coornhert moest twee keer vluchten voor zijn leven omdat hij zijn mening iets te nadrukkelijk kenbaar had gemaakt. Eerst waren het de Spanjaarden die hem wegens ketterse ideeën probeerden te vervolgen en daarna was het de geuzenleider Lumey die Coornhert liever dood dan levend zag. De Haarlemmer is met zijn oproep tot verdraagzaamheid een uitzondering voor Kuijer. Misschien dat bewondering voor Coornhert en zijn denkbeelden teveel voor de hand ligt. Kuijer heeft uiteindelijk meer sympathie voor de minder moedige Montano.

    Kuijer neemt het op voor de draaikont, diegene die niet principieel is, maar van mening verandert. Draaikonten twijfelen en zijn niet bang ongelijk te hebben en te luisteren naar een ander. Zij zijn bereid van mening te veranderen en dat is in een tolerante samenleving onmisbaar.

    Het is vanaf de eerste pagina duidelijk dat Kuijer over het verleden vertelt om iets over het heden duidelijk te kunnen  maken.  Draaikonten en haatblaffers zijn in de huidige politiek ook aan te wijzen en met de vaderlandse geschiedenis als argument probeert Kuijer de draaikont van gisteren en vandaag te rehabiliteren.

    Terwijl hij het verhaal van Montano vertelt is Kuijer voortdurend bezig de lijnen naar het heden zichtbaar te maken. Dat is af en toe wat vermoeiend. Liever was ik even alleen gelaten met Montano, Coornhert en andere zestiende eeuwers. Nu blijft Kuijer voortdurend aanwezig en uiteindelijk stoort dat.

    Kuijer is scherp, geestig en ironisch maar zijn boodschap dat we het verleden moeten lezen als een les voor het heden ligt er wat mij betreft teveel boven op. Toch moet je bewondering hebben voor de directheid en de enorme energie die van de bladzijden springt. Wie denkt dat dit een saai boek is, heeft het mis. Kuijer heeft een duidelijke opvatting, kan goed vertellen en draait nergens om heen. Zijn recht-voor-zijn-raap benadering zorgt ervoor dat hij soms kort door de bocht gaat, maar echt tenen krommend wordt dat bijna nergens.

    Alleen in het laatste hoofdstuk, wanneer het verhaal van de zestiende eeuw al verteld is, schiet Kuijer wat door. Zijn analyse van onverdraagzaamheid in deze tijd, lijkt soms meer ingegeven door ergernis dan rationele overwegingen. Hij noemt zes punten waaraan we de intolerante medemens kunnen herkennen: een hekel aan kunst, wantrouwen in wetenschap… Kuijer noemt geen namen, maar je kunt zo ook wel raden over wie hij het heeft. Juist in die passages had ik Kuijer wel eens wat meer willen zien twijfelen. Vooral omdat hij beweert dat tolerantie voortkomt uit twijfel. Nu blaft hij tegen de haatblaffers terwijl het zoveel beter was geweest als hij als een echte draaikont rationele argumenten had gebruikt.

     

     

  • Gelukkig zijn op eigen verantwoording

    Gelukkig zijn op eigen verantwoording

    Recensie door Margot Zuidema

    Maar liefst zeventig procent van de mensen die deelnamen aan de jaarlijkse eenentwintig minuten-enquête, durfde zichzelf gelukkig te noemen! Onlangs verscheen bij uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep van de schrijver Guus Kuijer (1942)  Hoe word ik gelukkig? Een zelfhulpboek. Wat biedt Guus Kuijer met dit zelfhulpboek de lezer aan om gelukkig of gelukkiger te worden.

    Kuijer meent dat een mens iemand wordt wanneer een ander mens hem betekenis toekent. En mensen die tot leren bereid zijn, hebben meer kans op geluk. Leren doe je niet alleen, maar in een groep en dit leidt tot sociaal gedrag. Om gelukkig te worden moet je je volgens de schrijver inspannen. Wanneer mensen nietsdoen krijgen ze kuren: ze krijgen hoofdpijn, worden chagrijnig of depressief, krijgen darmverstoppingen en lijden aan slapeloosheid. Kuijer gelooft niet in luie mensen, wel in mensen die er niet in geslaagd zijn om een interesse ontwikkeld te hebben. Kuijer ziet dit laatste als de belangrijkste taak voor leerkrachten op scholen. Hij meent dat dit veel belangrijker is dan het kijken naar intelligentie en het bijbrengen van algemene beschaving.

    Een andere bron om gelukkig te worden, is volgens Kuijer is de liefde. Maar liefde kan niet bestaan zonder inlevingsvermogen, zonder meeleven. En nu goed nieuws voor ons, lezers: “Het voordeel van het lezen van boeken is dat je in korte tijd met honderden levens kunt meeleven. Je ontwikkeling gaat sneller dan wanneer je niet leest, zowel door het lezen van informatieve boeken als fictie.”

    Iedereen is zelf verantwoordelijk, moet zichzelf ontwikkelen en moet zelf proberen om betekenis voor anderen te krijgen. Kunstenaars, schrijvers, maar ook schilders, helpen de lezer en kijker om het gevoelsleven te verrijken en te intensiveren. Kunst doorbreekt het bekende terrein van ‘ons soort mensen’, biedt uitzicht op een beter leven. “Een boek waarvoor de lezer geen moeite hoeft te doen, is een waardeloos boek.” Maar, voegt Kuijer eraan toe: “Helaas wordt in deze tijd ‘kunst’ die inspanning vraagt als ’elitair’ gezien.” Eindeloos tv kijken, zitten en staren, maakt mensen passief. Lees boeken en geniet van kunst, vindt Kuijer, verwerf een vaardigheid.

    Om zijn zienswijze te illustreren neemt Kuijer de levens van de schilders Goya en Vincent van Gogh als voorbeeld. Twee schilders die aan het eind van hun leven ongelukkig geweest zouden zijn. Midden in het boek Hoe word ik gelukkig zijn afbeeldingen van 13 schilderijen van o.a. Goya, en Van Gogh opgenomen. Door naar deze schilderijen van Goya en Van Gogh te kijken en daarnaast de dagboeken en briefwisselingen van deze schilders te lezen, concludeert Kuijer dat het gepassioneerde kunstenaars waren, die levenslustige schilderijen produceerden. Kuijer meent daarom dat zij niet ongelukkig geweest konden zijn toen zij deze schilderijen vervaardigden.

    Kuijer schroomt niet om geëngageerde uitspraken te doen in Hoe word ik gelukkig. “Inlevingsvermogen ligt aan de grondslag van een democratische samenleving. Voor een leven in vrijheid is het noodzakelijk de tegenstanders te begrijpen, ook diegenen met een ander geloof. Nu zijn er zelfs in ons prachtige Nederland partijen waarin mensen zich hebben verzameld wie het aan inlevingsvermogen ontbreekt. Zij behandelen andere partijen als de vijand en zijn dus in wezen antidemocratisch, maar noemen dat ‘flink’, ‘eerlijk’ of ‘rechtdoorzee’. … “In een samenleving die opgebouwd is uit groepen die elkaar vijandig gezind zijn, leeft men niet samen, en in zo’n samenleving is het moeilijker gelukkig te zijn.” Kuijer vindt dat men de multiculturele samenleving moet accepteren en moet trachten deze nieuwe situatie op een creatieve manier leefbaar te maken.

    “Er is een kloof tussen burgers en politiek omdat die kloof er behoort te zijn, zoals er een kloof is tussen de leerling en de leraar. Die kloof bestaat uit kennis. … Met gevoelens kun je geen land besturen, je moet er verstand van hebben.”

    Ondanks het feit dat 70% van de mensen zichzelf gelukkig noemt, is volgens Kuijer “half Nederland in therapie of op cursus”. Waarschijnlijk uit verlangen naar een beter leven, denkt Kuijer. De schrijver adviseert: “Ga iets doen! Als u zich leeg voelt: stop er wat in. Als u uzelf wilt vinden, neem een ander in u op. Er staan hele bibliotheken voor u klaar. Concertzalen kijken hunkerend uit naar uw bezoek, de musea staan wagenwijd open. De theaters trappen van ongeduld.”

    Hoe word ik gelukkig is een prettig geschreven boek met een originele kijk op onze samenleving en de geluksbeleving van mensen. Kuijer is humoristisch en illustreert zijn ideeën met treffende voorbeelden. “Ik heb de indruk dat in sommige kringen het verstand wordt gezien als de vijand van het gevoel. Volgens die kringen lijden vooral mannen onder die vijand. De uitdrukking ‘hij is erg verstandelijk’ wordt niet als compliment bedoeld. Weet u wat ik denk? Ik denk dat mensen die hun mond vol hebben van hun prachtige gevoelsleven en met zuinigen mondjes het verstand behandelen als een natte rugzak, gewoon luie donders zijn. Je verstand gebruiken is namelijk lang niet altijd prettig. …Als je ‘bij je gevoel’ wilt komen, is het verstand de sleutel.”

    Hoe word ik gelukkig is een optimistisch boek, in het bijzonder voor leesliefhebbers. Want met een passie heb je een rijker leven en een groter kans op geluk, volgens Kuijer. Het is een toegankelijk boek dat je op een aangename wijze aan het denken zet over de door Kuijer aangeroerde onderwerpen en een sympathieke bijdrage aan de discussie over ons geestelijk welzijn.