• Janken

    Janken

    Mijn tranen zitten nogal hoog. Ik ben gauw ontroerd en huil snel bij zowel goede als slechte dingen, in de woorden van Emily Dickinson: ‘all we know of heaven, and all we need of hell.’ De laatste tijd wordt het alleen maar erger, in een oogwenk stijgt het waterpeil en de oevers van mijn ogen stromen over. Het ligt niet aan mij, denk ik, maar aan de wereld, waarin zoveel meer gebeurt om over te huilen. Er zal wel een heel oud verdriet onder liggen, dat weet ik niet. Gerry van der Linden schreef er een gedicht over.

    Porseleinen tranen

    Op een avond kwam ik aan
    in de werkplaats, in het huis
    van de hoekige dame
    die ronde vormen maakt

    van klei en aarde.
    Ik zag wel vijftig
    porseleinen tranen naast elkaar
    op de vloer gelegd en ze zei:

    ‘Tja, ik weet het ook niet,
    het gaat maar door.
    Misschien als ik suja zeg
    of tot honderd ga…’

    Misschien, dacht ik
    als je ze rangschikt
    naar verdriet.

    Ik had daarom beter moeten nadenken welk boek ik meenam toen ik naar een afspraak met de fysiotherapeut ging. In de wachtkamer waren twee mannen met hun telefoon bezig, ze bromden wat zonder op te kijken toen ik goedemiddag zei. Ik pakte het boek Uit het leven van een hond van Sander Kollaard uit mijn tas, waarin één dag uit het leven van goeierd Henk van Doorn en zijn hond Schurk wordt beschreven. Ik had het bijna uit, moest nog maar een paar bladzijden voordat ik geroepen zou worden. Maar ik had er niet op gerekend dat aan het einde van dit heerlijke boekje de schrijver zijn zelfopgelegde restrictie van 24 uur zou overschrijden door iets in de toekomst te beschrijven: Henk zal weliswaar gelukkig worden, maar zonder Schurk, die hij zeven maanden later moet laten inslapen: ‘[…] nog een keer zijn gezicht in die verrukkelijke Schurkvacht duwen, en nog een keer [..] maar zich dan abrupt omdraaien en weglopen, naar buiten, dat gedrocht van een wereld in.’
    Henk herinnert zich dat de dierenarts die bij het afscheid aanwezig is, een zoon verloren heeft en wil hem omhelzen, maar hij doet het niet. 

    Toen de fysiotherapeut me riep, zaten de tranen me hoog. Ik wilde nog een valse verklaring geven, zo van: wat een gure wind, he? Maar hij was de trap al op. Toen hij tijdens een oefening mijn arm hoog boven mijn schouder tilde, zag ik een kans om mijn tranen ongegeneerd te laten vallen, waarop hij geschrokken vroeg of het echt zo zeer deed. 

    Waarom kan Henk de dierenarts niet omhelzen, waarom kan ik niet gewoon tegen de therapeut zeggen: ik heb een boek gelezen waardoor ik geraakt ben en nou moet ik een beetje huilen. Waarom doen we onszelf altijd anders voor dan we zijn? Waarom moet schaamte altijd de overhand krijgen boven andere emoties? Ik zal toch niet de enige zijn die jankt om een boek?

    Enfin, volgende keer maar een woordenboek meenemen om te lezen in de wachtkamer, of iets anders dat geen tranen kan trekken. Ik sta open voor suggesties.

     

     

    Uit: Gerry van der Linden, Aan mijn veren hand (1993)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Voor wie dwalen wil tussen regels zonder begin of eind

    Voor wie dwalen wil tussen regels zonder begin of eind

    Een fotoalbum voorgelezen aan een blinde, die indruk wordt gewekt bij eerste lezing van de poëziebundel Niemand blijft het langst van poëzie- prozaschrijfster en kunstenares Gerry van der Linden. Meer specifiek is het album een familiealbum met welhaast huiselijke plaatjes uit vervlogen tijden. De blinde is in dit geval iemand die ooit kon zien en in het geheugen nog beelden bewaart van die huiselijkheid, de moeder met schort, de keuken, het kind, de boom in de tuin. Bij diepere lezing stuit men op een onderscheid van wat zich gemakkelijk en niet zo gemakkelijk in taal laat uitdrukken, kleuren bijvoorbeeld.

    Een schilder weet dat kleuren moeilijk met woorden te omschrijven zijn en daarom ten diepste geen naam kunnen hebben. Tenslotte kun je aan een blinde niet uitleggen wat rood is. Wellicht dat daarom spaarzaam met kleur wordt omgesprongen in deze bundel. Buiten een vleugje hemel en een toefje gras worden er in de gedichten nauwelijks andere kleuren genoemd dan die van huid en haar: zwart, wit, roze. Beweging is er daarentegen des te meer. Precies wat je op een schilderij juist weer niet zo goed kunt laten zien. Want er wordt wat bewogen. Er wordt gezwommen, geschommeld, gerend, gedanst, gefietst, op bedden gesprongen, hoger, hoger. Dat lijkt de ultieme beweging, weg van waarin men is vastgeklonken.

    jij doet mij niks wind
    ik houd niet in ik stap niet af
    ik fiets naar de einder
    mijzelf aan het stuur mijzelf achterop
    mijzelf in de fietstas

    Niemand blijft

    Gaandeweg wordt uit die vlieg- en vluchtbeweging duidelijk dat er niet zonder reden wordt bewogen. Er is een voortdurende drang tot weggaan, al vraagt men zich wel af waardoor die drang wordt veroorzaakt. Is er ergens verderop een doel dat lokt? Of ligt de noodzaak van het weggaan in het feit dat men niet blijven kan? En moet daar dan in godsnaam maar een doel voor bedacht of gevonden worden? Met de schrijfster, het kind, de verteller, voelt de lezer zich heen en weer geslingerd tussen die drang te moeten gaan enerzijds en het verlangen te blijven anderzijds. Waarmee de werkelijke tragiek in beeld komt: het weggaan wil eigenlijk het liefst een teruggaan zijn, en is daarom dooraderd met weemoed en alle attributen waaraan weemoed zich vastklampt, de kinderkleren, de schommel in de tuin, de gebaren van de moeder en wat er verder op die oude foto’s staat afgebeeld. Een weemoed die schrijnt, want nooit draait de tijd terug, noch het vergaan ervan. We worden ouder tegen wil en dank, ouder dan onze ouders soms. Nooit keren we terug in het kinderlijf en de meisjeskleren die we toen pasten. Alleen in dromen wordt de tijd nog bij de kladden gepakt en beetgenomen. Tot bij het ontwaken de beetgenomene de dromer zelf blijkt te zijn.

    elke ochtend elke avond elke nacht droom ik
    over mijn droom
    waarin ik rondloop op zoek altijd op zoek naar nou ja
    gewoon op zoek maar wel nog beeldig.

    Keukenla

    De gedichten zijn doordesemd met een veelvoud aan beelden en zijn allesbehalve eenduidig. Terwijl steeds opnieuw de vraag rijst hoe letterlijk – of niet letterlijk – die beelden moeten worden opgevat. Meteen in het eerste gedicht dat als een soort proloog aan de drie delen vooraf gaat, valt het woord keukenla en dat benadert dicht het gevoel dat meer dan eens wordt opgeroepen. Alsof iemand midden op tafel een keukenla heeft omgekieperd en met een zucht ergens tussen ergernis en lichte wanhoop de inhoud aanschouwt: ook dat nog. En datgene waarnaar zo naarstig werd gezocht ligt er niet tussen.

    In het eerste deel van de bundel, ‘Alles is vroeger’ wordt er veel van die inhoud op haast tastbare wijze beschreven. Gewone alledaagse voorwerpen die ooit in een ander tijdsgewricht betekenis hadden maar nu alleen nog maar zijn wat ze zijn. Rekwisieten van een verhaal dat – buiten de verteller zelf – haast niemand zich nog herinnert. Dingen die na het verlies van hun symbolische waarde niets anders over hebben dan hun substantie, hun vorm, hun naam. Doelloos voor het moment, mogelijk zinloos. Maar wel aandoenlijk mooi. Al zullen er vast mensen zijn die vinden dat dergelijke prozaïsche voorwerpen en woorden niet in poëzie thuishoren: gebaksvorkje, stofzuiger, krulspeld, soepkip, paardendeken.

    Het koord waarop ik liep als kind
    het koord waarop ik liep

    knapte en in vleermuismouwen viel ik
    in de schort van vrouwen

    glipte rakelings langs een graaiende oom
    het kirren van vrouwen op een familiefeestje

    prikken van een gebaksvorkje in de room
    o jij hebt te veel praatjes dacht je

    dat alles voor jou zou wijken dat
    door je te laten vallen

    het misschien anders zou lijken
    (vrouwen met dichte dijen bevallen?)

    Nog fysieker wordt het in deel twee, getiteld ‘Stemmen’. Langs een reeks plastische verbeeldingen van huid en haar, van mannelijke en vooral vrouwelijke lichaamsdelen, van vrienden in de loop der tijd aan de dood of aan het leven kwijtgeraakt, beschrijven de gedichten in dit gedeelte de kanteling van meisje naar vrouw. Ouder worden dat onherroepelijk gevoeld en ervaren wordt, tegen wil en dank, met weemoed, woede of weerbarstigheid.

    (Zijn we nu toch terug in de keuken
    waar het heerlijk naar vroeger ruikt
    waar de vrouw haar schort omknoopt
    de man zijn glaasje drinkt

    waar de kleine jongen
    tegen de tafelpoot schopt – ja
    wij zijn nog van die generatie.)

    In deel drie ‘Binnenin, buitenom’ lijkt de verteller definitief te zijn geland in het nu. Jeugd wordt enkel nog waargenomen in jonge blaadjes, konijntjes, een meisje met afgezakte kousen dat voorbij fietst. Waargenomen door een volwassene die zich bij deze onomkeerbaarheid lijkt te hebben neergelegd en weet dat de herinneringen verleden tijd zijn; hoe het jonge in het oude, het kleine in het grote, het kwetsbare in het harde wordt opgenomen en nooit meer terugkomt.

    Houvast

    Tussen haar debuut De Aantekening (1978) en deze (twaalfde) poëziebundel liggen jaren waarin het soms voor langere of kortere tijd stil was, maar niet werd stilgezeten. Jaren waarin de dichteres meer en meer haar eigen stijl ontwikkelde, daar ook vrijer in werd. De gedichten zijn allerminst eenvoudig, noch voor wat betreft thematiek en inhoud, noch qua vorm. In alle opzichten wordt de lezer uitgedaagd in het diepe te springen, het onbekende in dat op het eerste gezicht zo bekend en gewoon lijkt.

    Niemand blijft het langst is zeker geen poëzie voor wie houvast zoekt bij meer klassieke dichtvormen, met een traditionele opbouw in verzen, een stevig metrum en rijm. Des te meer voor wie dwalen durft tussen dit soort regels, zonder leestekens, hoofdletters, zonder begin of eind. En de vraag onbeantwoord wil laten of de dichteres dit alles werkelijk zo argeloos en impulsief uit de losse pols heeft neergekrabbeld of dat de woorden en regels zo zijn gestileerd dat het alleen maar zo lijkt; doorgecomponeerd op het perfectionistische af, prachtig is het hoe dan ook. En doet het ertoe, om dat te weten? Nee. Tegen de tijd dat we ons dat afvragen, zijn we al meegenomen; vliegen, springen, schommelen, fietsen we al, zijn we al gevallen en neergekomen in een bed met kruimels en gekreukelde lakens.

     

  • De keuze van gedichten is weer treffend

    De keuze van gedichten is weer treffend

    Het is haast niet te bevatten dat de 179 nieuwe gedichten in Het liegend konijn 2021/1 een keuze is uit een paar duizend gezochte, ontdekte en ongevraagd ingezonden gedichten staan. Jozef Deleu, enig redactielid van het tijdschrift die de titel ‘ambassadeur van de Nederlandstalige poëzie’ zeker verdient, werkt zich halfjaarlijks door stapels poëzie heen. Dat het resultaat bij elke editie aanslaat, tweejaarlijks al twintig jaar lang, verrast telkens opnieuw, en is tevens een compliment aan de opgenomen dichters. Deleu is een belangrijke factor in het verspreiden van nieuw werk, zijn doel is erkenning voor de dichter en de poëzie vitaal te houden. Dat is hem ook in deze laatstverschenen editie weer gelukt waarin nieuwe gedichten van achtendertig dichters, net voor ze klaar waren uit te vliegen door Deleu werden weggekaapt.

    Duurzaam of verwelkend

    Elke lezer heeft zijn voorkeur, of kiest zijn meest aansprekende gedichten eruit, dat is ook de bedoeling van dit aanbod, gelijk een bos wilde bloemen gemengd met gekweekte bloemen. Waar een gerenommeerd dichter de stevigheid biedt van de lange duur, kan een veldbloem wat sneller verwelken, afhankelijk van doorzettingsvermogen, al dit is te lezen in Het liegend konijn. Een vijftal gedichten van Gerry van der Linden (1952), geen veelschrijver maar wel een blijver. Het laatste titelloze gedicht van de vijf zou ‘de geschiedenis van een gedicht’ genoemd kunnen worden. Waarin een waarneming verbonden wordt met eigen aannames van hoe de dingen gebeurd kunnen zijn, waarop deze aannames teniet worden gedaan door deze in twijfel te trekken.

    ‘Op straat zag ik een meisje op de fiets
     met benen in te wijde kousen, ook
     zag ik een vrouw met blote voeten in een
     vliesdunne jas.

     Waren zij vergeten zich behoorlijk aan te kleden?

     Zomer had hen beduveld en het meisje
     met de dunne benen, in de kluwen
     van de ochtend, had verkeerde kousen uitgezocht
     (moeder niet de goeie maat gekocht)

     Maar wat weet je nu van de geschiedenis
     van een ochtend? Dingen gaan zoals ze lijken.
     De kousen van het meisje kruipen
     om haar kuiten, plooien om haar enkels

     in de geschiedenis van dit gedicht.’

    Mooie vondsten zijn, een ‘vliesdunne jas’, en ‘in de kluwen van de ochtend’, (dat een verdwaald zijn suggereert). En de vraagstelling, ‘wat weet je er nu eigenlijk van, van wat je ziet?, legt een diepere laag aan. 

    Quarantaine gedichten

    Van Hanneke van Eijken (1981) zijn zes quarantaine gerelateerde gedichten opgenomen. Het onderwerp ligt zeer voor de hand, de gedichten zijn verrassend goed, telkens als je ze opnieuw leest blijven ze leven. De door quarantaine gedreven handeling liggen ingekapseld in het gewone leven zoals, ‘je zingt steeds vaker, je handen vouwen /  

     na het wassen / niet in een gebed, maar in kleine vogels / die kwetteren’.

    Of, ‘afstand is een nieuw begrip geworden / iemand trekt strepen op vloeren / met afplaktape // Ik kneed minstens tien minuten op plakkerig deeg // (…) een vochtige theedoek ligt over alle afspraken / die we al hadden gemaakt’. 

    Geboetseerde beelden

    De vijf krachtige, tot beelden boetserende gedichten van Jan Baeke (1956) treffen het sterkst. Ze zijn als een roep tot ambachtelijk en opbouwend werken, maar onmacht ligt op de loer en alles verdringt tot een schaduwleven. Zoals in het, Onze handen zijn thuis in emotie,

    ‘Geef ons een klus en we maken er werk van.
    We verzagen het leven naar ieders geluk, werken
    voor een betere tijd die we diep in ons hart allang kennen.

    (…)

    Iedereen hier durft zijn handen te laten zien, heel anders
    dan die praatjesmakers die tegen ons praten en van praten
    een paradijs willen maken.

    Ook de grote jongens die hun grote auto’s in onze sobere
    straten laten grazen – alsof ze er eerlijk aangekomen zijn –
    zijn van de handen, maar dan anders en van andere handen.

    Wij kunnen gelukkig zijn met het gewone. Dat is onze kracht.
    Als het licht wordt heb ik alle spullen in de bus geladen, brood
    erbij en hamers, zagen, schroeven, boormachine, waterpas.

    Ik wacht voor het raam met het zicht op de bus
    wacht de uren af, wacht dan de uren af, probeer mijn handen
    gerust te stellen, zet tegen zessen de avond terug in de schuur

    In de schuur van deze gewone man.
    Ik loop, voor de nacht valt, nog even naar buiten.
    Het is te donker om mezelf te zien.’

    Sociaalrealistische regenjas

    De jongste debuterende dichter is Pieter Van De Walle (1992), met drie gedichten. Waarvan de strofen: ’twee plus twee is nog steeds vier maar enkel uit beleefdheid / de wereld is weer plat, godzijdank / de zon tutoyeert me, de zon is de laatste Sovjet / ik meander door een utopia van bourgeois kittens / met mijn sociaalrealistische regenjas en kijk omhoog: / zoveel wolken – dit moet wel het tijdperk van de wolken zijn’, veelbelovend zijn, en met een strofe als, ‘pas toen je de camera uitvond, begon je te lachen’ met het kip en het ei principe speelt. 

    Elke dichter verdient het hier besproken te worden, maar dat is alsof er achtendertig bundels besproken moeten worden. Al kan het gedicht van Hagar Peeters’ (1972) Berichten van bijstand van disfunctionele gezinnen in coronatijd niet onvermeld blijven. Een gedicht van drieënhalve pagina’s dat vanuit de lockdown geschreven is en de rafelige achterkant van het coronabeleid toont. ‘Hoe meer je vlucht en weigert mee te doen, hoe meer / ze gooien met pek, rotte aardappels, hun eigen vuile drek / en je laat het van je afglijden, denk je, / je denkt: / dit hoort bij hen, niet bij mij, /dit raakt mij niet / dat is mijn keuze / en je neemt de die je zelf bent in je armen en vlucht // waarheen te vluchten in coronatijd en nu de huizenprijzen stijgen en // Hoe te vluchten met jezelf terwijl je binnen moet blijven en de pijn // Hoe de betekenis te vinden wanneer je tijd van leven lijkt te zijn veranderd in het uitzitten van straftijd?’

    Twee rollen

    Ook twee nieuwe gedichten van Dichter des Vaderlands, Lieke Marsman, waarvan het gedicht Gedaantes getuigt van de verschillende rollen die een dichter heeft, of krijgt opgelegd: ‘wie ik ben als dichter / heeft weinig te maken  / met wie er op mijn kussen slaapt / zij wil het liefst luisteren / naar jullie gesprek vanmiddag / en het niet onderbreken / met een observatie / of een dichtregel die ze eergisteren schreef / en nu omvormt tot spontane opmerking / die niet het ontzag zal oogsten waar ze op hoopte / (…)’.

    Het lezen en selecteren van het enorme aanbod aan gedichten vergt een halftijdse baan liet Deleu eens in een interview weten. Dank aan de eenmansredactie die zichzelf steeds weer opnieuw deze taak stelt. En wetende dat de tweede editie in oktober verschijnt, betekent dat het lezen en beoordelen van al die prille gedichten al een aanvang heeft genomen.

     

  • Bladeren

    Bladeren

    Wat ik jongeren die niet lezen zou willen zeggen: een boek hoeft niet helemaal gelezen te worden, je mag er ook in bladeren. Weet dat woorden zinnen vormen die tot fragmenten uitgroeien die blad na blad een verhaal, een boek, een roman worden. Weet dat het lezen van een woord, een zin genoeg kan zijn om gegrepen te worden. Het woord dat je dwingt verder te lezen is iets anders dan iemand die tegen je zegt dat je moet lezen, of je met een leeslijst opzadelt. Met zoveel boektitels op een lijst zou ik me ook geen raad weten. Alsof je uit de garderobe van je ouders een outfit moet aanmeten zonder te weten wat een outfit precies inhoudt. Dat anderen denken te weten wat goed voor je is, brengt je helemaal in de weigerstand. Dus neem het heft in eigen handen, laat niemand je zeggen wat je moet lezen, bepaal gewoon zelf dát je wilt lezen. Hoe te beginnen?

    Misschien hebben je ouders een boekenkast, snuffel daar eens in (kom je gelijk te weten wat de verlangens van je ouders zijn, dat kun je aflezen aan hun boeken) en anders ga je gewoon naar een boekenwinkel. Daar loop je langs de kasten (niet ingaan op de vraag of ze kunnen helpen, je kunt het zelf) en laat je ogen over de ruggen van de boeken gaan. Wat helpt is als je een beetje in de put zit, een beetje down bent. Oriënteer je op kleur, naam of titel van een boeken. Als een boek je aanspreekt (ja, boeken kunnen spreken), neem die eruit. Open het, lees een stukje, dat kan het begin zijn, een eerste zin zoals deze: ‘Nu ze bij elkaar zitten zijn ze niet meer zo bang.’ Of blader verder, vind een fragment als: ‘Met haar vingers graaft ze in de grond, in haar mond. De aarde knerpt tussen haar tanden, maar het smaakt niet vies. Woedend gebaart mama achter het raam: Wat doe je daar? Je lijkt wel gek! maar zo ontheemd voelt ze zich dat het knarst tot in haar ziel.’

    Knarsen tot in de ziel, dat zegt je iets, al vond je het eerst belachelijk (wie eet er nu zand?) Maar, als je eerlijk bent, wil je weten waarom iemand dat doet, en hoe het verder gaat met degene die het knerpen van zand tussen haar tanden tot in de ziel ervaart. Je bladert verder en leest over een innerlijke strijd naar vrijheid, naar een erkennen van wie je bent, in een taal die je niet helemaal begrijpt. Dat geeft niet, je hoeft niet alles te begrijpen, als je de passie maar voelt. Hoe woorden en meningen iemand gevangen kunnen zetten. En dat niets zo fijn is als lezen over dingen waar jezelf mee worstelt. Pak gewoon een boek, de rest gaat vanzelf.

     

    Citaten uit: Wind / Gerry van der Linden / Uitgeverij Auteursdomein


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

  • Yoghurtpak

    Yoghurtpak

    Telkens als ik een pak yoghurt uit de koelkastdeur pak, lees ik op de schuine bovenkant: ‘Waar is de dop?’ Ik heb geen idee, antwoord ik in mezelf. Dat gaat volkomen automatisch, dat antwoord. Ook ontsnapt me wel eens: ‘Ik zou het niet weten’, en na het zoveelste pak yoghurt met dezelfde vraag roep ik wel eens: ‘Weten ze nu nog niet waar die dop is?’
    ‘Waar is de dop?’ en het niet weten. Hoe houdt een mens dat vol. Ik kan in het rekje van de koelkastdeur kijken of onder de tafel maar dat lost niets op want die dop is er gewoon niet meer. Als er een vraag is, wil je reageren, al is het maar: ‘Hou nou is op!’  Het is zoiets als bij vrienden op bezoek komen en er gevraagd wordt: ‘Waar is de bank?’ waardoor ik gelijk mijn aandacht op de bank richt en zie dat het een nieuwe is, dat ik dan uitroep: ‘Hebben jullie een nieuwe bank!’ Je gaat erop zitten en raakt er het eerste kwartier niet over uitgepraat. Niet dat ik zulke vrienden heb waar het interieur onderwerp van gesprek zou kunnen zijn, maar het zou kunnen.

    Met de vraag: ‘Waar is de dop?’, wil de pakkenfabrikant wellicht dat ik roep, ‘Hé, de dop is weg!’ En dat ik daar dan over na ga denken, erover in gesprek ga met iemand: ‘Zeg, heb je het gezien, de dop is weg.’ Maar hé, in den beginne was het een pak zonder dop, toen werd het een pak met dop en nu is de dop weer weg. Het is zoals het is. Overigens heb ik me deze week bij het ontbijt zeer vermaakt met de nieuwe editie van het fraaie poëzietijdschrift Het Liegend Konijn. Waarin werk van onder andere Gerry van der Linden en Marieke Rijneveld. Niets beters om stompzinnigheid te overwinnen dan een gedicht in de ochtend.

    Terwijl ik mijn yoghurt uit het pak zonder dop oplepelde, las ik het gedicht ‘Voor Wim Brands (1959-2016)‘, van Gerry van der Linden. Het bracht me een afstand tot de dingen die het waarnemen scherper maakt. Eenvoudige woorden in kleine strofen waar een oprechte maar afstandelijke genegenheid uit spreekt en dat prachtig eindigt met: ‘je was gevallen – ik zag het / je wilde opstaan uit een lege stoel’. En ik las Marieke Rijneveld, die schrijft: ‘(…) zij zei dat dichters die hun ouders ontberen hetzelfde zijn als jongens met vouwranden die maar niet willen blijven plakken.’
    ‘Jongens met vouwranden’. Dat wil ik nou wel eens gedrukt zien staan op een pak met yoghurt.

     

     

  • Wat een geluk – Gerry van der Linden, feestelijke presentatie 24 mei

    Gesignaleerd door de redactie

    Wat een geluk is de negende dichtbundel van Gerry van der Linden. In deze bundel onderzoekt Van der Linden sporen uit haar verleden, die zij opnieuw gestalte geeft door ze tegen het licht van het heden te houden. Daarbij zichzelf en anderen niet sparend. Haar gedichten, die zich vaak kenmerken door absurde humor, gaan over de liefde, het ouder worden, het onder ogen zien van wat ooit was en wat blijft. ‘Poëzie is een kruisverhoor,’ schrijft zij in het titelgedicht dat te vinden is op de website van Gerry van der Linden.

    Gerry van der Linden (1952) is dichter, schrijver en docent poëzie & schrijftraining aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Zij werd in 1977 ontdekt door Remco Campert en publiceerde sindsdien acht dichtbundels, een novelle en twee romans. Met Wat een geluk,  viert zij haar 35-jarig dichterschap.

    De dichtbundel wordt donderdag 24 mei gepresenteerd in Perdu tijdens de viering van Van der Lindens 35-jarig dichterschap waarbij o.m. de dichters F. Starik en Els Moors, muziekanten Polar Twins, Arjan Amin en Luan van der Linden present zullen zijn om het feest luister bij te zetten. Martin Mooij zal het eerste exemplaarin ontvangst nemen.

     

    Donderdag 24 mei van 19.30 tot 21.30 uur
    Perdu, Kloveniersburgwal 86, Amsterdam.
    Toegang: gratis

    U kunt zich voor de presentatie aanmelden via mrenting@nieuwamsterdam.nl

    Van der Linden werkt aan een korte verhalenbundel waarvan enkele zijn gepubliceerd in o.a. Hollands Maandblad nr 5 (2005) en het zomernummer 2011 6/7.

  • Literaire periodieken: Hollands Maandblad, Nynade en Zacht Lawijd

    Recensie: Ingrid van der Graaf

    Met het vallen van een literair tijdschrift op de deurmat, begint een heimelijk voorgenieten; nieuw leesvoer, schenk de koffie in of zet de wijn koud! Eerst wordt er gebladerd: onbevangen surfen door het blad, op zoek naar een debutant, een veelzeggend gedicht of een boeiend essay. Om onverwacht te stuiten op een voordracht, bijvoorbeeld De geschiedenis van mijn haar van F. Starik in Hollands Maandblad no. 4. dat  snel tussen keuken (koffie) en leestafel naar binnen wordt gewerkt. Heerlijk! Soms wil de lezer overtuigd worden, zoals bij het minder bekende blad  Nynade (Kunst & Letteren). De in historische context  gevatte artikelen in Zacht Lawijd vragen om een stevige leestafel waaraan de documenten uiteen gevouwen kunnen worden en het consumeren beginnen kan. 

    Zacht Lawijd is een literair historisch tijdschrift en publiceert gedocumenteerde informatie met een regelmaat van vier keer per jaar. Hoewel het blad de indruk wekt voor academici te zijn uitgegeven is het zeer aanbevelingswaardig voor de breed georiënteerde lezer die zijn klassiekers kent, (of wil kennen).

    Het 3e nr. (2010) van Zacht Lawijd  is een themanummer en gewijd aan Reinold Kuipers (1914-2005). In Zacht Lawijd nr. 1 van dit jaar komt Kuipers opnieuw voor en wel als  fondswerver van De Arbeiderspers. Kuipers was in 1949 in Gent op bezoek bij de dichter Richard Minne (1891-1965). Hij was op zoek naar niet eerder gepubliceerde gedichten. Minne moest hem teleurstellen maar  attendeerde Kuipers op een ‘onmogelijk’ manuscript van de jongeman Louis Paul Boon (1912-1979). In 1949 komen Kuipers en Boon voor het eerst met elkaar in contact, maar pas in 1953 verscheen De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon in het fonds van de uitgever. Want: Deze titel was enkele jaren de inzet van een machtspel tussen Minne en Boon. Zo het zich laat verklaren wilde Boon een ‘vadermoord’ (Minne) plegen om zich zodoende een eigen stek onder de zon te verwerven. Dit had een heftige polemiek tussen beide heren tot gevolg. Wanneer Richard Minne is overleden toont Boon openlijk (ietwat pathetisch aandoend) zijn grote waardering en liefde voor een man als Minne. Waarvan in Kuipers meets Minne en Boon, door Yves T’Sjoen (docent van de Vakgroep Letterkunde aan de Universiteit te Gent) en Els van Damme (bereidt een proefschrift voor over het literatuurkritische werk van Richard Minne en verbonden aan diezelfde Universiteit) in een uitvoerig artikel verslag gegeven wordt.

    Zeer goed gedocumenteerd is ook het artikel Driemaal is scheepsrecht! (Over S. Vestdijks romandebuut), door H.T.M. van Vliet. Voordat Vestdijk debuteerde met Terug tot Ina Damman, had hij de twee modernistische romans Meneer Visser’s hellevaart en Kind tussen vier vrouwen geschreven maar geen uitgever durfde zich aan publicatie daarvan te wagen. Hoewel de schrijver met Kind tussen vier vrouwen had willen debuteren bleef de roman tijdens zijn leven ongepubliceerd. In een prettig leesbaar stuk, geïllustreerd met kladbladen (ah, dat handschrift! welke schrijver wordt nog om zijn handschrift herkend), een portretfoto van de schrijver, van zijn typemachine en een afbeelding van de cover van Meneer Visser’s hellevaart zoals uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar.
    Van Vliet publiceerde in november vorig jaar zijn editie van S. Vestdijks Kind tussen vier vrouwen, en ontving daarvoor de Ina Dammanprijs.

    Verder het artikel ‘Zie daer de trekken van een Nederlandsch penseel!‘ van de historicus en schrijver Jan Lampo. Lampo werkt aan een boek over de relatie tussen kunsttheorie, literatuur en schilderkunst in en om de Antwerpse Academie voor Schonen Kunsten van circa 1750-1850. Hierbij stuitte hij op de kunstopvattingen van Jan-Frans Willems (1793-1846).

    En een document getiteld: De brieven van Alice Nahon aan Emmanuel de Bom, over de Antwerpse auteur Emmanuel de Bom (1868-1933) en zijn vriendschappelijke en joviale levensinstelling door Manu van der Aa. Van der Aa is publicist over voornamelijk Nederlandstalige literatuur van het interbellum.

    Hollands Maandblad heeft twee auteurs die trouw elk nummer een bijdrage leveren, en dat schept een band. Je wilt de nieuwe bijdrage van deze coryfeeën direct lezen, ik in ieder geval. Zoals in de Groene Amsterdammer de bijdragen van Marja Pruis, Perquin en Opheffer mijn ‘leessnacks’ zijn, zijn Vroman en Brandts Corstius dat in Hollands Maandblad.  Hieronder een bespreking van de nummer 4 en 6/7.

    In het zomernummer 6/7 van HM  twee debuterende auteurs, Machiel Jansen en Jochem van den Dijssel. Jansen schreef een vermeldenswaardig stuk ‘over het redeneren van Karel van het Reve’. Jansen ‘verorberde’ alle tweeduizend pagina’s van het Verzameld werk van Karel van het Reve, wat op zich nogal een opgave is en verwerkte dit tot het stuk Helderheid voor beginners. Daarbij volgde hij twee lijnen die hij ontwaardde in het Verzameld werk. En wel de lijn Schopenhauer en de lijn Popper.  Waarin de gedachte van Van het Reve – dat het beter is zelf na te denken dan te lezen wat anderen over een onderwerp te melden hebben – als meanderende draad doorheen loopt. In de eerstvolgende nummer van Tirade zal Machiel Jansen overigens een stuk over de Welwillenden van Jonathan Littell publiceren.

    Jochem van den Dijssel schreef het kortverhaal Bruto Stedelijk Geluk. In helder proza wordt het enigszins absurdistische verhaal verteld van een gemeente ambtenaar die bewoners in een achterstandwijk moet interviewen om te meten hoe gelukkig men is. Natuurlijk denkt niemand in zo’n wijk in gradaties van geluk. De ambtenaar heeft dit snel door, laat de moed niet zakken en verzint zelf een mate van geluk voor elke bewoner, aan de hand van zijn observaties. De uitkomst is niet relevant voor het verhaal, wel de wijze waarop het verteld wordt. Van den Dijssel is een goed waarnemer en een evengoed schrijver.

    In nummer 4 een verhaal van Vrouwkje Tuinman Quo Vadis 1. Over Golders Green Crematorium in Noord-Londen waar onder meer de as van Sigmund Freud, Peter Sellers en Ian Durry is bijgezet. De beheerder Eric Willis kende in zijn vorige loopbaan als loodgieter geen vrienden. Golders Green is voor hem een plek voor de levenden, van de doden heeft hij nooit iets vernomen. Net als in haar laatste dichtbundel schrijft Tuinman over het leven na de dood, waar je vrienden aan overhoudt.
    In Een vorm van troost, van Anke Scheeren komt een schoonmaakster klem  te zitten tussen de georganiseerde zorg en haar eigen behoefte een oude, hulpbehoevende vrouw uit een benarde positie te redden.
    Verder het gedicht Indian winter van Gerry van der Linden en in het zomernummer het kortverhaal Wit van haar. Van der Linden is goed in het toevoegen van mooie zinnen die de werkelijkheid in het verhaal een extra demensie geven. Zoals: ‘De maaltijd verliep met een conversatie die haast zweeg van voorzichtigheid.’ Daarmee aangevend dat alles niet zo duidelijk is als het lijkt. ‘Wit. Maar niet smetteloos.’

    Van Arnon Grunberg werd opgenomen de (licht) bewerkte versie van een lezing over literatuur en traumaverwerking die hij gaf op 11 mei dit jaar aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Na lezing van Welkom thuis, wordt het vermoeden bevestigd dat het verschil in de belevingswereld van man en vrouw, ervoor zorgt dat zij gedoemd zijn elkaar nooit te begrijpen. Naast Leo Vroman gedichten van Wim Brands, Krijn Peter Hesselink, Jos Versteegen en Pieter Grootendorst. Verder nog het verhaal Supermarkt, van Revka Bijl. En in nr. 4 ook een verhaal van Philip Huff, Er breekt altijd wel iets. En van David Pefko, Pijn is iets heel persoonlijks. De tekeningen werden gemaakt door Trille Bedarrides (nr. 4) en Elise van Iterson (nr. 6/7).

    Op de omslag van Nynade (nr. 14 2011) een afbeelding van een schilderij van Ruslan Vashkevich, One of the two, uit 2009. Twee zwart glimmend gepoetste schoenen op een vel gelinieerd papier, met in de rechter schoen een in vele plooien vertrokken babygezichtje met wijd opengesperde mond. Een prachtig schilderij. Het blad bevat twee interviews, een met de schilder Vashkevich (uit het Russisch vertaald door Barney Agerbeek) en Karel Wash tekende een gesprek op met schrijfster Janneke Holwerda over haar roman Zeesteen. Met deze interviews wordt de ondertitel Kunst & Letteren inhoud gegeven. Er zijn veel gedichten opgenomen waarvan de zeggingskracht niet altijd overtuigt. Verrassend is het verhaal over het leven van de kleurrijke Amsterdamse kunstenaar (met foto) Henk de Jong. Een bespreking van A single man van Christopher Isherwood, het boek en de film, door Rita Spigt is ook een mooie bijdrage. Sommige bijdragen ogen wat prematuur. De loop der dingen van Jan Ruward lijkt daardoor een niemandalletje terwijl er wel degelijk een gedragen inhoud inzit. Het tijdschrift is geïllustreerd met vele kleurige illustraties. De redactie van Nynade heeft zeker ‘smaak’, maar de bijdragen verschillen nogal van kwaliteit en lijkt er sprake te zijn van een te willekeurig keuzebeleid.

     

    Voor verdere informatie en abonnementen kijk op de betreffende websites.

    Hollands maandblad: Ga naar website

    Zacht Lawijd: Ga naar website

    Nynade: http://www.nynade.nl/.