• De dichter als Richter

    De dichter als Richter

    Wie is die ‘je’ uit de titel tot wie Gerda Blees haar woorden richt? ‘[…] dat moet jij wel zijn, Willem Jan’, staat te lezen op de flap aan de binnenkant van dit kleine cahier. Het bevat een essay uit 2022 dat Gerda Blees als gastschrijver schreef voor het literair tijdschrift Liter, ter ere van het vijftigjarige dichtersjubileum van Willem Jan Otten, een dichter die zij bewondert. Elke avond, veertig dagen lang, schreef Blees precies honderd woorden, gericht aan Otten. Ze zal bewust gekozen hebben voor die afbakening: veertig dagen duurde ook de tijd waarin Jezus in de woestijn verbleef, waar hij door Satan op de proef werd gesteld, zoals in de Bijbel staat. Ook nu nog kennen katholieken de veertigdaagse vasten die voorafgaat aan het paasfeest, veertig dagen van inkeer en bezinning. Otten bekeerde zich in de jaren negentig tot het katholieke geloof en liet zich dopen; de symboliek van Blees’ onderneming zal hem vast niet zijn ontgaan.

    Inkeer en zelfreflectie, daar moet Gerda Blees zich ook van bewust zijn geweest toen ze zich ’s avonds op haar kamer richtte tot Otten in de uren die ze eigenlijk aan haar nieuwe roman had moeten besteden. ‘Romanontwijkend schrijfgedrag’ noemt ze het. Gerda Blees schreef eerder al een roman, een verhalenbundel en twee gedichtenbundels. Met haar roman Wij zijn licht won ze in 2021 de Literatuurprijs van de Europese Unie en de Nederlandse boekhandelsprijs. In het essay vertelt ze hoe ze Ottens poëzie had leren kennen toen ze zijn bundel Eindaugustuswind uit 1998 las. Hoe allereerst de klanken van dat woord haar aangrepen, hoe ze die terug zag komen in de rest van het gedicht. Klank is het begin van taal, stelt Blees vast. Dat geldt niet alleen voor de taalontwikkeling die ze bij haar zoontje kon waarnemen, maar ook voor de aantrekkingskracht van een gedicht. Eerst is er klank, dan volgt het beeld, nog later de betekenis en de interpretatie.

    Terloops geformuleerde zinnen

    De prachtige, haast terloops geformuleerde zinnen van Blees over dit procedé doen denken aan de educatie van Helen Keller, de doofblinde schrijfster die van haar lerares Anne Sullivan het vingeralfabet leerde toen ze zeven jaar was. In de weliswaar zeer geromantiseerde film The miracle worker uit 1962 is de euforie op het gezicht van een jonge Keller te lezen als ze voor de eerste keer begrijpt dat de vingertekens die in haar handpalm gemaakt worden een beeld uit de werkelijkheid voorstellen, namelijk als ze haar hand houdt in het water dat uit de pomp stroomt. Deze verbinding van taal met beeld die plotseling inzichtelijk wordt, maakt Blees duidelijk aan de hand van een ontroerend gedicht van Otten, waarin het water een belangrijke rol speelt:

    ‘Wij bereikten
    na een tocht door een druipend bos
    het Randmeer.
    Het was alsof een slapende haar ogen opende
    en ons kende.
    Jij zat voorop.
    Ik legde mijn hand
    op de warme kokosnoot van je schedel.
    Het licht keek ver je ogen in.
    Ik zei: dit nu is water.
    Wa-ter.
    Wa-ter.
    Wa-ter zei ik nog een keer.
    En jij zei: bwa-pl.
    Je zei het nog een keer.
    Het was zeker, zoontje van mij,
    dat wij hetzelfde niet begrepen.’

    Blees selecteert een aantal motieven die ze steeds ziet terugkeren in de poëzie van Otten:  vader, kind, water. De relatie vader-kind kan gezien worden als die van een gelovige tot God. Water is het symbool voor alle leven, met water wordt een kind gedoopt. Water kan ook een spiegel zijn waarin je zelf gereflecteerd wordt; een  gedicht heeft ook die functie, volgens Blees. Zowel dichter als lezer kunnen zichzelf tegelijk weerspiegeld zien in een gedicht en daardoor kunnen ze ook een glimp van elkaar opvangen. Deze verbinding, die dichter en lezer met elkaar aangaan via het gedicht, komt niet alleen door de dichter tot stand, maar evenzeer door de lezer, die zich een voorstelling tracht te maken van wat hij leest. Zowel de dichter als de lezer trachten via het gedicht net als Helen Keller greep te krijgen op de werkelijkheid. Wat doet de lezer met het gedicht, en wat doet het gedicht met de lezer? De dichter schrijft een gedicht, de lezer zet het om in klank en bedenkt daar een beeld bij, dat niet noodzakelijkerwijs hetzelfde hoeft te zijn als wat de dichter in zijn hoofd had toen hij schreef.

    Geschreven voor speciale lezer

    Blees kent aan de gedichten van Otten nog een extra dimensie toe: het gedicht dat geschreven is met een speciale lezer voor ogen. De titel van een bundel van Otten uit 2011 luidt: Gerichte gedichten. Hierin richt Otten zich tot God. Blees richt zich tot Otten. Volgens haar brengen ‘gerichte’ gedichten schrijver en lezer nog dichter bij elkaar, want door het richten schept de dichter zich aan de achterkant van het papier een luisteraar en aan zijn eigen kant een lyrisch ik, dat niemand anders kan zijn dan de dichter zelf. ‘En dat moet jij wel zijn, Willem Jan.’

    Deze veertig keer honderd woorden zijn gericht aan Willem Jan Otten, maar ze geven net zo goed een inkijkje in Blees’ eigen poëtica. Ze laten zien dat Blees zelf ook een heel goede dichter is. Ook al vergeet ze nooit dat ze schrijft voor een ander, toch laat ze onbevangen een deel van zichzelf zien dat de vorm lijkt aan te nemen van een dagboek. Ze maakt de lezer deelgenoot van haar gedachten die niet alleen gaan over de poëzie van Otten, maar ook over haar zoontje, haar schrijfproces, en over haar dagelijkse leven. Maar in haar laatste ‘brief’ aan Otten weet ze alles in honderd woorden te vatten wat ze daarvoor geschreven heeft:

    ‘[…] Als ik durfde, schreef ik je een gedicht, over water, een kind en een vader. Iets of iemand zou in het water schrijven, en dan kwam er een windvlaag, […] die het uitwiste, en vanuit een roeibootje in der hemel zagen we Nijhoff zwaaien, ‘Hoi WJO, hoi Gerda!’ en de wereld was nooit meer hetzelfde. Straks duw ik deze woorden af en worden ze door het feestcomité over de Sloterplas naar jouw bovenverdieping geroeid. Dan komen we ieder aan de andere kant van het spiegelglas te staan. Op hoop van zegen zal jij dan mijn lezer zijn en ik jouw gelezene.’

    Gerda Blees heeft een prachtige, oprechte brief geschreven als eerbetoon aan Willem Jan Otten. Zo doordacht, zo poëtisch, zo liefdevol; het kan niet anders of Otten moet hier heel blij mee geweest zijn.

     

     

  • Zo moest het zijn: Jeroen Brouwers wint Libris Literatuur Prijs 2021

    Zo moest het zijn: Jeroen Brouwers wint Libris Literatuur Prijs 2021

    Zes genomineerden, allen hadden ze een geweldig boek geschreven, elk van hen werd het gegund deze prestigieuze prijs te winnen. Maar het werd Jeroen Brouwers, belangrijk schrijver met een zeer omvangrijk oeuvre, hij won met het ‘onontkoombare, unieke, belangwekkende, buitengewone, fantastische boek’, Client E. Busken de Libris Literatuur Prijs. Het moest zo zijn, als een fantastische en waardige afsluiting van zijn schrijvers carrière. Brouwers zelf zei in een interview, voorafgaand aan de prijsuitreiking, ‘Ik ben met emeritaat.’ Of er ooit nog een nieuw boek komt is niet vanzelfsprekend meer. Het idee voor het winnende boek ontstond toen hij een oude vriendin in een verzorgingstehuis bezocht. De mate van gevangenschap die daar heerst, sprak hem aan, zoals hij vaker over gevangenschap schreef.

    De jury, bestaand uit Lilianne Ploumen (voorzitter), Judith Eiselin, Johan Fretz, Maarten Moll en Yves T’Sjoen, was lovend: ‘Brouwers zuigt je mee in dit verslavende taalcircus, een ware krachttoer, hilarisch en ontluisterend tegelijk. Cliënt E. Busken bewijst dat zelfs ogenschijnlijk maar voort wauwelen kan vlammen, zinderen en tergen. Deze unieke verkenning van wat een onbetrouwbare (of op zijn minst niet geheel te vertrouwen en te volgen, maar o zo dwingende) verteller vermag, vormt een schitterende toevoeging aan Brouwers’ rijke oeuvre.’

    Jeroen Brouwers (1940) schreef in meer dan een halve eeuw een imposant oeuvre bijeen dat romans, verhalen, essays, brieven en polemieken omvat. Zijn werk werd bekroond met vele prijzen, waaronder de Multatuliprijs, de F. Bordewijk-prijs, de Constantijn Huygens-prijs, de Gouden Uil, de AKO Literatuurprijs, de Prijs der Nederlandse Letteren en de ECI Literatuurprijs. In 2018 werd aan Brouwers door de Radbout Universiteit Nijmegen een eredoctoraat toegekend.

    Cliënt E. Busken beschrijft een dag van de man, E. Busken, die tegen zijn zin op de gesloten afdeling van een psychiatrische instelling verblijft. Hij spreekt niet, maar we lezen zijn gedachten mee, hoe hij zijn medebewoners en het personeel van commentaar voorziet. Ongericht lopen zijn gedachten door elkaar. De eerste zin van Cliënt E. Busken: ‘…denk ik opeens aan mijn moeder. Ik denk nooit aan mijn moeder, die al decennia dood is.’

     

    Overige genomineerden waren:
    Confrontaties – Simone Atangana Bekono (Lebowski)
    Wij zijn licht Gerda Blees (Podium)
    De Saamhorigheidsgroep – Merijn de Boer (Querido)
    Cliënt E. Busken – Jeroen Brouwers (Atlas Contact)
    De onbevlekte – Erwin Mortier (De Bezige Bij)
    Mijn lieve gunsteling – Marieke Lucas Rijneveld (Atlas Contact)

     

     

  • Geweldig verhaal van niet-menselijke vertellers

    Geweldig verhaal van niet-menselijke vertellers

    Wat kunnen geitenwollen sokken, een slowjuicer of het dagelijks brood ons vertellen over een woongroep waarvan de leden geloven dat zij kunnen leven van licht en die daar zo ver in gaan dat een van hen sterft door ondervoeding? Een heleboel, zo blijkt uit de debuutroman Wij zijn licht van Gerda Blees. Eerder publiceerde zij de verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet en de poëziebundel Dwaallichten. In haar nawoord schrijft Blees dat ze zich heeft laten inspireren door het nieuws over het overlijden van een vrouw in een Utrechtse woongroep. Het was een opmerkelijk bericht en dat geldt zeker ook voor de roman die Blees geschreven heeft. Een fictief verhaal, schrijft ze, dat gezien moet worden als het product van haar verbeelding. 

    Wij zijn licht is niet alleen een product van de verbeelding, het is het product van een enorme verbeeldingskracht en een groot inlevingsvermogen. Het verhaal wordt verteld door 25 vertellers en de meeste daarvan zijn niet menselijk. Blees slaagt er prima in om van dode, normaal zwijgende voorwerpen en abstracties geloofwaardige personages te maken. Ze laat een cello of de twijfel net zo makkelijk aan het woord als de buren of ouders. Cognitieve dissonantie en sinaasappelsap zijn net zo geloofwaardig en reëel als de raadsvrouw of familieleden. 

    Compleet beeld

    In treffende, humoristische en soms ook beklemmende bespiegelingen maken we kennis met de leden van de woongroep Klank en Liefde, de wijze waarop zij samenleven en hoe zij geleidelijk aan het eten van voedsel afzweren.
    De nacht neemt als eerste het woord. Het is de nacht waarin Elisabeth door uitputting en ondervoeding sterft in het bijzijn van de drie andere leden van de groep. Zij roepen geen hulp in. Muriël en Petrus zijn op dat moment nauwelijks meer in staat hun eigen beslissingen te nemen. Zozeer staan zij onder invloed van Melodie, de manipulatieve leider van de groep en zus van Elisabeth. En zij zegt dat het goed is wat er gebeurt. De arts en de rechercheurs die de zaak onderzoeken, denken daar anders over. De overgebleven drie leden van de woongroep worden gearresteerd op verdenking van dood door schuld. 

    De door Blees gekozen entiteiten die het verhaal vertellen, hebben een gemeenschappelijke en voor het verhaal belangrijke eigenschap. Door hun aard kennen ze de leden van de woongroep bijzonder goed. De cello waar Melodie als jong meisje op speelt, voelt wat er in haar omgaat en het huis is uiteraard getuige van wat er zich in de woongroep afspeelt. Hierdoor zijn ze in staat de leden van de groep bijna van binnenuit te belichten. Tegelijkertijd geven zij hun eigen kijk op groep en individuele leden en de keuzes die gemaakt worden of beter gezegd, die door Melodie aan de anderen worden opgelegd. Hiermee geven zij de blik van de buitenstaander weer. Samen geven ze een compleet beeld en tonen ze op een fascinerende manier de discrepantie aan die er bestaat tussen hoe de woongroep naar zichzelf kijkt en hoe de buitenwereld hen ziet.

    Vermakelijke gretigheid

    De voorwerpen en abstracties zijn de stille getuigen die hier ineens een stem krijgen en daar maken ze volop en met graagte gebruik van. Ze doen dat in zinnen van soms een halve bladzijde lang, met een uitschieter van drie en een halve bladzijde. Het geeft het verhaal een cadans van noodzaak, alsof alles wat in de aanwezigheid van Melodie niet gezegd kon worden er nu in één ruk uit mag komen. Niet alleen vertellen de entiteiten over de ontwikkelingen binnen de groep, ze vertellen ook met een vermakelijke gretigheid over zichzelf, soms op een wat verongelijkte toon. Zo is het huis er niet blij mee dat het tot plaats delict is verklaard en de sigaretten weten wel dat ze niet gezond zijn, maar ze vinden het onjuist dat vergeten wordt dat ze de mens ontspanning brengen. Het is bovendien een slimme manier om relevante informatie te geven over het verleden van de groepsleden. Zo weet het dagelijks brood te vermelden dat Muriël er vroeger gek was op was en Melodie daarentegen vanaf het begin een moeilijke eter.

    Een eigen taal

    De eerste zin van het boek spreekt al direct tot de verbeelding: ‘Wij zijn de nacht’. Wij. Het verbinden van de meervoudsvorm van het werkwoord aan een zelfstandig naamwoord dat in het enkelvoud staat, houdt Blees heel het boek vol: wij zijn de raadsvrouw, wij zijn dementie, wij zijn de twijfel. Hiermee creëert zij een eigen taal en een eigen vorm. En het werkt. Is het op de eerste bladzijde nog even vreemd, daarna voelt het als een natuurlijke grammatica en ga je er makkelijk in mee. Taal is rekbaar, als je er maar goed mee omgaat. Blees doet dat. Ook met de eerder genoemde lange zinnen heeft ze geen enkele moeite. Ze lopen als een trein, zijn goed leesbaar en ontsporen niet. Blees laat zien welke mogelijkheden taal biedt aan een creatieve, inventieve en durvende geest. 

    Het consequent en geloofwaardig doorvoeren van de wij-vorm mist zijn uitwerking niet. Door de meervoudsvorm worden met name de voorwerpen en abstracties die aan het woord zijn groter en veelomvattender. Het tilt ze als het ware boven zichzelf uit. ‘Wij’ is alom aanwezig en omringt het gebeuren. Het is niet zomaar de beschouwing van een enkeling, maar van een groep, van 25 groepen, en dat legt meer gewicht in de schaal dan de individuele mening of observatie van een ik. Op deze manier kan het verhaal genuanceerder en veelkleuriger verteld worden, waardoor Blees de valkuil van rechtlijnig en te gemakkelijk oordelen vermijdt. Bovendien beschouwt de woongroep zichzelf als wij. De raadsvrouw constateert over Melodie: ‘… cliënte spreekt overwegend in de eerste persoon meervoud’ en Melodie zelf zegt:  ‘… wij zijn een groep. Wij zijn niet vier losse mensen.’ De buren zien het als volgt: ‘Als één persoon zag je ze door de wijk bewegen. Zij, die Melodie, voorop, en de anderen erachteraan.’

    Vindingrijk en gedurfd

    In een boek dat zo genuanceerd en vernieuwend het verhaal vanuit verschillende hoeken belicht, is het bijna logisch dat ook het verhaal zelf er iets over te zeggen heeft. Dat dit werkelijk gebeurt, verrast wel degelijk. ‘Wij zijn het verhaal’ is de meest onverwachte, vindingrijke en gedurfde stem. Een stem bovendien die nog wel het een en ander te melden heeft. Over de schrijver en de mogelijkheden die ze niet benut heeft en over de lezer die onzorgvuldig leest en er zijn eigen interpretaties maar op los laat. Het is een humoristisch en brutaal hoofdstuk, passend in een boek waarin de lezer geregeld direct wordt aangesproken. Dit maakt hem tot deelgenoot en nodigt uit tot overdenken. 

    Wij zijn licht is een geweldig boek. Het is creatief, vindingrijk, vermakelijk, brutaal en verrassend. En het klopt. De opvallende vertelwijze is niet zomaar een trucje. De gekozen vorm draagt bij aan de inhoud en maakt het mogelijk om over dit toch lastige onderwerp te vertellen zonder dat het zwaar of eenzijdig wordt. Tegelijkertijd is Blees er goed in geslaagd het onbegrijpelijke handelen van Melodie en haar volgers ook voor minder spiritueel ingestelde lezers inzichtelijk te maken. 

     

     

  • Voorlezen

    Voorlezen

    Eind maart ontving ik een berichtje van de schrijfster wiens boek hier voor me ligt. Rauwe wortels ernaast, in stijl met de levensvisie van de personages in het boek. Wordt er wijn geschonken in een goed verhaal, drink ik een wijntje. Ik ontmoette haar in 2018 voor een interview over schrijven en haar verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet. Een titel die ook heel goed had gepast bij deze roman. In dit boek doen de personages er alles aan om niet toe te geven aan hun hongergevoel, licht en muziek zal hen voeden. Als een van hen door uitputting sterft, volgt een politie onderzoek. De huisgenoten worden opgepakt, gedurende enkele dagen ondervraagd. Er wordt vooral gevraagd of ze het niet hadden zien aankomen, de dood van hun huisgenoot. Nee, ze hadden het niet zien aankomen, want aan doodgaan dachten ze niet.

    Het was een ingesproken berichtje. Ze vertelde dat ze de drukproeven van haar boek aan het doornemen was, dat deed ze altijd hardop lezend. Toen kwam het idee om voor iedereen in haar telefoonlijst een fragment in te spreken. Ze vroeg of ze een stukje uit haar roman mocht voorlezen, terwijl ik gretig, ‘Ja, leuk’, zei, praatte ze door. Mijn stuk begon bij hoofdstuk 10. ‘Tien’, zei ze. En na een korte pauze, ‘Wij zijn een vlinder. Een prachtige, pasgeboren vlinder die woont in het hoofd van Muriël. Minimaal eens per dag, maar meestal vaker, kruipen wij uit onze cocon naar buiten en vouwen onze vleugels open in het zonlicht, (…).’

    Elk hoofdstuk begint met ‘Wij zijn…’. ‘Wij zijn de plaats van delict’, ‘Wij zijn een cello’, ‘Wij zijn twijfel’. Vanuit voorwerpen, plaatsen of stemmingen wordt steeds een ander licht geworpen op wat er gebeurd is. Elke ‘Wij’ is een sprekend orgaan. Al lezend beweeg ik mee met elke schijnwerper die ze op de situatie richt. En dan, in hoofdstuk 17, wordt de lezer buitenspel gezet, schrijft de schrijver zichzelf erin, ‘Wij zijn het verhaal. Langzaam en voorspelbaar stevenen wij op onze afloop af – de climax, of de anticlimax, dat valt nog te bezien. Wij vermoeden dat het een anticlimax wordt, als de schrijver zo door blijft gaan. We snakken naar (…) een onverwachte wending, een nieuw personage (…) maar de schrijfster heeft blijkbaar andere dingen aan haar hoofd.’

    De roman is gebaseerd op een krantenbericht uit 2017, over de dood van een van de huisgenoten van een woongroep die leven van licht. Het had een behoorlijk zweverige kant op kunnen gaan met dit boek. Ik had geen idee, maar weet wel dat het kunstenaarschap van deze experimentele schrijver vooralsnog onmetelijk groot is.

    De schrijfster speelt met situaties, met de lezer, met vooroordelen, omstandigheden, met zichzelf als schrijver. En het werkt indringend. Gisteravond nog, begon ik zomaar – ik wilde een tweede bordje Indiase curry opscheppen –  van honderd terug te tellen naar nul. Een beproefd trucje van de arme Muriël in het boek, dat ze toepast als de behoefte aan eten te groot wordt. Mij hielp het niet.

     

    Wij zijn het licht / Gerda Blees / Uitgeverij Podium (2020)


    Inge Meijer is een pseudoniem, doet het even zonder het OV maar kan niet zonder een goed verhaal.

  • Soorten tijd

    Ik lag op mijn buik in het gras in het plantsoen achter de academie uit te rusten met mijn opschrijfboekje. Een lichte hondenpoepgeur hing in de lucht, maar ik had geen zin om me te verplaatsen, ook omdat het niet gegarandeerd was dat de geur op een andere plek minder zou zijn. In het gevecht met de tijd had ik twee lege uren gevonden om aan mijn column te werken. Ik schreef: ‘Ik zat tegen een boom in het plantsoen achter de academie. Drie weken eerder had ik op dezelfde plek de eerste versie van de laatste scène van mijn roman geschreven. Eén van de personages deed op het allerlaatst nog iets wat ik niet had verwacht en dat maakte me blij. Het verhaal was nu in grote lijnen af, een grof gevormde bonk klei waaruit ik nu een boek tevoorschijn zou moeten kneden.’

    In mijn leven zijn er twee soorten tijd: schrijftijd en de rest van de tijd. In mijn schrijftijd rust ik uit van de rest van de tijd en in de rest van de tijd rust ik uit van het schrijven. Toen ik een paar jaar geleden een jaar vrij had genomen, waren schrijftijd en de rest van de tijd perfect in balans. Ik begon de dag met schrijven en na een uur of drie, vier, ging ik andere dingen doen. Sinds ik weer studeer slaat de balans regelmatig door naar de rest van de tijd.

    Ik staarde over de rand van mijn opschrijfboekje naar een groepje duiven vlakbij me in het gras. In deze setting zagen ze er heel mooi en gemoedelijk uit, helemaal niet als de vliegende ratten van de stad. Kauwend op het uiteinde van pen keek ik weer naar mijn boekje. Ik wilde iets uitleggen, maar ik wist niet hoe. Ik schreef iets op over Toni Morrison, die ooit iets had gezegd over vrouwen die tussen het huishouden door creatief werk deden en daar, misschien wel ten onrechte, trots op waren. Dat had vaag te maken met wat ik wilde zeggen, maar het raakte het niet echt, want ik was geen vrouw die tegen wil en dank gevangen zat in een gezinsleven vol huishoudelijke taken. Ik was vrijer dan de meeste andere mensen die ik kende. Maar wel was ik een vrouw die haar schrijftijd liever besteedde aan het afmaken van haar roman dan aan het schrijven van een column.
    Aan de overkant van het water langs het plantsoen klonk een knal. De duiven vlogen op. Ik ging rechtop zitten. Ik schreef:

    ‘Aan de overkant van het water langs het plantsoen klonk een knal. De duiven vlogen op. Ik ging rechtop zitten. Mijn laatste column was bijna af. In mijn tas wachtte een uitgeprinte versie van hoofdstuk twee van mijn roman op mijn aantekeningen.’

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

     

  • Boekverminking

    Boekverminking

    Twee dichtbundels leven al zo lang in mijn tas dat ik soms maandenlang vergeet om erin te kijken. Een grote rust, heet de ene, en de tweede Bijna onzichtbaar. Misschien is het door die titel dat het is misgegaan met de tweede.
    Omdat een boek een drager is van iets anders, namelijk zijn inhoud, vond ik altijd dat het boek zelf er niet zo veel toe deed. Het hoefde niet als een kostbaar object te worden behandeld, behalve als ik het van iemand had geleend. Boeken die ik had geleend nam ik daarom nooit mee in mijn rugtas, want wie wist wat er dan mee kon gebeuren. De boeken die ik wel altijd in mijn tas heb zitten, kunnen ervan getuigen. De zijkanten zijn zwart gevlekt van houtskool, aan de randen van de pagina’s zitten beschimmeldesinaasappelvlekken, waterschade golft over de pagina’s. Ik vergaf het mezelf. Ik vond het wel karakteristiek, boeken waaraan je kon zien dat ze hadden geleefd, of dat de eigenaar ervan dat had gedaan.

    Maar er is een grens aan boekverminking, en deze week ontdekte ik dat ik die grens had bereikt. Ik zat sinds lange tijd weer eens in de trein met niets om handen, en ik dacht aan Bijna onzichtbaar, een prachtige bundel met korte prozagedichten, geschreven door Mark Strand, met vertalingen erbij van Wiljan van den Akker en Esther Jansma. Diep onderin mijn tas lag hij op me te wachten. Toen ik hem tevoorschijn haalde schrok ik. De kaft zag er gehavend uit, vol kleine putjes en vlekken, en aan de onderrand en bovenrand was het papier opgekruld op een manier die me deed denken aan een verbrand stuk huid. Dat arme boekje, dacht ik. Wat heb ik het aangedaan?

    Ik sloeg het boek open bij mijn favoriete gedicht, ‘The enigma of the infinitesimal’, over wezens die op zoek zijn naar de grens tussen alles en niets, gedoemd door hun verlangen om het onmogelijke te ervaren. De bruine vochtvlekken in de hoeken van de pagina kwamen niet in de buurt van de tekst, het was allemaal nog goed te lezen. En toch deed het me pijn om de pagina met mijn lievelingsgedicht zo te zien. Misschien was het anders geweest als iemand er per ongeluk thee op had laten vallen, als er een duidelijke gebeurtenis was geweest waardoor die vlekken er gekomen waren. Maar nu het kwam doordat het boekje zo lang onderin mijn tas had gezeten zonder dat ik erop gelet had of het nog goed met hem ging, kreeg ik spijt. Sorry, boek, zei ik in gedachten. Sorry. Ik zal voortaan beter voor je zorgen.
    Het was te laat. Ik bladerde verder en las het gedicht ‘There was nothing to be done’, waarin er overal verdriet is. The whole world wept, zei het boek. And the weeping went round and round and could not stop.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

     

  • Ambitie bijgesteld

    Zeven jaar geleden hadden Branko en ik nog niet zo veel gedichten geschreven. Zijn gedichten waren weleens ergens verschenen; mijn gedichten ergens anders. We hadden de ambitie om in een serieus tijdschrift te verschijnen, maar we dachten niet dat we dan tevreden zouden zijn. Als we eenmaal in een serieus literair tijdschrift waren verschenen zouden we ook een dichtbundel willen publiceren. En als onze dichtbundel eenmaal was uitgegeven zouden we willen dat hij lovende kritieken kreeg, of een prijs, de Buddingh’-prijs het liefst, want veel dichters die we bewonderden hadden ooit die prijs gekregen. En als onze eerste bundel eenmaal goed ontvangen was, zouden we nieuwe dichtbundels willen maken, die nog beter werden ontvangen, en grotere prijzen wonnen. En zo zouden we onze ambities altijd naar boven blijven bijstellen zodra we ze hadden verwezenlijkt.

    Aan deze oude toekomstdromen moest ik denken op mijn verjaardag, toen ik zag dat ik een gemiste oproep had van een onbekend nummer uit Rotterdam. Ik had mijn ambities naar boven bijgesteld: mijn eerste dichtbundel was een jaar geleden gepubliceerd, de kritieken waren deels lovend en deels kritisch geweest, en nu wilde ik graag dat de bundel genomineerd werd voor een prijs, de Buddingh’-prijs het liefst. En omdat ik dat zo graag wilde, had ik enkele maanden daarvoor al opgezocht wanneer de nominaties voor die prijs bekend gemaakt zouden worden: ergens rond mijn verjaardag. Zodat ik me alvast had kunnen inbeelden dat ik het goede nieuws op mijn verjaardagsfeestje aan iedereen zou vertellen.

    ‘Kijk,’ zei ik tegen mijn gezelschap, ‘ik heb een gemiste oproep van iemand uit Rotterdam. Misschien is het Poetry International om te zeggen dat ik genomineerd ben voor de Buddingh’-prijs.’

    Ik gaf toe dat het wensdenken was, iets waar ik vaker last van heb. Altijd als ik word gebeld door een onbekend nummer denk ik dat het goed nieuws is: dat ik een prijs krijg, of heel veel geld, of iets anders wat ik graag wil. Meestal blijkt het niet te kloppen en is het een verkoper van gunstige energiecontracten, maar het is me weleens overkomen dat er inderdaad iemand belde om te zeggen dat ik een prijs had gewonnen. En nu had ik extra aanwijzingen, want Poetry International zit in Rotterdam en rond deze tijd zouden de nominaties bekend worden gemaakt.

    Anderhalf uur later werd ik opnieuw gebeld door het nummer uit Rotterdam. Het was Noortje van Poetry International, die goed nieuws voor me had: ik was genomineerd voor de Buddingh’-prijs.

    Die avond belde ik Branko om te vertellen dat ik was genomineerd. ‘Ben je blij?’ vroeg hij. ‘Ja,’ zei ik. ‘Heel blij. Maar het zou toch wel fijn zijn als ik hem straks ook win.’

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

     

  • Niet lezen

    Niet lezen

    Ik was begonnen aan een zelfhulpboek voor kunstenaars. Het boek achtervolgde me al jaren, in de vorm van mensen die het hadden gelezen en dachten dat het echt iets voor mij was. Ik twijfelde of een zelfhulpboek een weg naar grote kunst kon zijn, maar toen iemand het boek speciaal voor mij uit zijn rommelkast had opgegraven, omdat hij dacht dat het echt iets voor mij was, gaf ik me over. Als ik een zelfhulpboek lees dan doe ik het goed. Ik stuur mijn ongeloof op vakantie en verander in een brave lezer die alle opdrachten doet, ook als ze niet nuttig lijken.

    Als er staat dat ik mijn ogen dicht moet doen om iets voor me te zien of naar mijn gevoel te luisteren dan doe ik dat, niet gehinderd door autoriteitsconflicten tussen mezelf en de schrijver. Ik geef het boek een eerlijke kans. En zo maakte ik een lijstje van mensen die ik bewonderde, en een ander lijstje van mensen die ik stiekem bewonderde, om er zo achter te komen dat ik stiekem groots succes nastreef en dat ik mijn dichterschap verwaarloosd had. Ook moest ik de kunstenaar in mezelf meenemen op een date. Ik ging met mezelf naar het strand. Ik had het meer naar mijn zin dan anders, waarschijnlijk omdat het een ‘date’ heette, in plaats van ‘alleen naar het strand’. Deze week wilde de schrijfster van het boek me laten geloven dat het een goed idee zou zijn een week lang niet te lezen. Ze zei dat woorden werken als kalmeringsmiddelen voor de geest. Ze nemen onrust weg maar verdoven ook je waarnemingsvermogen en creativiteit.

    Mijn ongeloof was op vakantie, dus ik probeerde het. Elke ochtend haalde ik de krant uit de brievenbus beneden, maar las hem niet. De Groene Amsterdammer liet ik in het plastic op de keukentafel liggen. Ik ontbeet, mijn blik zorgvuldig afwendend van interessante krantenkoppen, en zorgde voor de planten. Overdag liet ik al mijn boeken, ook het zelfhulpboek waarin stond dat ik niet mocht lezen, links liggen. Ik zocht geen informatie op over medische klachten. Om ’s avonds in bed toch wat woorden te hebben, schreef ik. En ’s ochtends schreef ik ook. En ’s middags, toen ik een schilderij wilde maken, schreef ik op mijn schilderij. Het werkt, dacht ik: ik ontdek iets.

    Toen belandde ik in de leeszaal van een ruilbibliotheek. Als een ware woordverslaafde ging ik met mezelf in gesprek. De regels van de ruilbibliotheek, die mocht ik wel lezen. Dat telde niet, dat was praktisch. En de titels op de ruggen van de boeken in de kast. Dat was gewoon leuk om te weten. Een boek openslaan? Dat zou te ver gaan. Ook bij poëzie? Was poëzie lezen eigenlijk wel lezen? Is dat niet meer een soort waarnemen? Nee. Dan was het hek van de dam. Poëzie mocht ook niet. Kunstboeken dan. Misschien straks even, kijk ik alleen naar de plaatjes. Mijn leesmaag knort. Nog drie nachtjes slapen.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Astrologie

    Middenin de nacht, nadat S. me over haar dagboeken had verteld, vielen ze uit haar boekenkast. De volgende ochtend stuurde ze me een bericht: ‘Ik hoop niet dat dit een teken is.’ Ik stuurde terug: ‘Wat is je sterrenbeeld, dan kijk ik even voor je in de Metro-horoscoop.’
    Alles kan een teken zijn, vooral op de momenten dat je op zoek bent naar houvast. Of laat ik voor mezelf spreken: op de momenten dat ik op zoek ben naar houvast. De frequentie waarmee ik op stations de Metro pak om mijn horoscoop en die van mijn geliefde of meest recente ex-geliefde te lezen, is een goede afspiegeling van de graad van mijn vertwijfeling in die periode. Toen ik echt heel erg in de war was ging ik zelfs zo ver dat ik op internet naar informatie zocht over hoe goed mensen met bepaalde sterrenbeelden bij elkaar passen in de liefde. Dat ik dit al een tijd niet heb gedaan, betekent dat het goed met me gaat.
    Maar de kennis over astrologie die ik inmiddels heb verzameld, heeft zich in mijn denken vastgezet. En dus verbaasde het me niks toen S. liet weten dat ze een Leeuw was, want ik ben een Ram, en Ram en Leeuw hebben een goede klik, want het zijn allebei vuurtekens.

    Gelukkig ben ik niet de enige die tegen wil en dank in dingen gelooft waarvan ze weet dat ze niet waar kunnen zijn. Toen ik nog op school zat, schreef ik de horoscopen voor de schoolkrant. Regelmatig was er een klasgenoot die opmerkte: ‘Jullie schrijven die horoscopen volgens mij gewoon zelf!’ Als ik vervolgens volmondig toegaf dat ik de schrijver er van was en alles wat erin stond uit mijn duim had gezogen, waren mijn klasgenoten toch nog verbaasd en verontwaardigd. Als ze al niet in horoscopen geloofden, dan wilden ze toch op zijn minst dat de schrijver ervan er zélf in geloofde, dat de astroloog in kwestie een astrologisch systeem had geraadpleegd in plaats van zomaar iets te verzinnen.

    S. had er gelukkig minder problemen mee toen ik haar mijn zelfverzonnen horoscoop stuurde, omdat ik geen Metro bij de hand had: ‘Iets uit je verleden heeft je laten schrikken. Laat je niet van je stuk brengen, maar wees wel voorzichtig bij het volgen van je intuïtie.’ Ze dacht zelfs dat ik vaker horoscopen kon gaan schrijven. En misschien zou ik dat ook wel kunnen. Maar beter schreef ik iets anders.
    Poëzie bijvoorbeeld. Die biedt een gezondere vorm van houvast. Die laat zien hoe wij allemaal aan dingen vasthouden die niet bestaan, of die op een dag zullen verdwijnen, en hoe dat inzicht ons kan bevrijden. Zoals bij Anneke Brassinga, in de bundel Verborgen tuinen: ‘Laat wat je was en had verloren zijn, verwaaid, verwoest, / dood en geroofd – dan welt als bloed uit je wonden / de vreugde die, bijna volmaakt, zweven doet’.
    Daar kan geen astrologie tegenop.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Plusjes en minnetjes

    Plusjes en minnetjes

    Er was weer tijd om over de liefde na te denken. Ik dacht: wat is het toch verschrikkelijk hoe ik mijn geliefden beoordeel, hun plusjes en minnetjes tegen elkaar afweeg op criteria als intelligentie, daadkracht, enthousiasme voor het leven, enthousiasme voor mij, zelfstandigheid, emotionele stabiliteit en schoonheid. Hoe ik mijn ideale geliefde samenstel uit de positieve eigenschappen van alle geliefden die ik heb gehad. Wat intellectualiteit van A, aangevuld met het praktische inzicht van B en de algemene gezelligheid van C. Alsof het gebruiksvoorwerpen zijn in plaats van mensen.

    Er was ook weer tijd om te lezen. Ik las het enige door een vrouw geschreven literaire boek dat ik had kunnen vinden in de AKO op Schiphol: The Ministry of Utmost Happiness van Arundhati Roy. De achterkant, de binnenkanten en de eerste paar pagina’s stonden vol met lovende citaten uit Indiase, Engelse en Amerikaanse tijdschriften en kranten. En de recensieschrijvers hadden gelijk. Het was een bijzonder goed boek. Het had een mooie taal, een wervelend verhaal, intrigerende hoofdpersonen, scherpe maatschappijkritiek en verrassende vormen van vriendschap en liefde. Het was een boek dat ik zou willen kunnen schrijven, maar het was te boeiend om me daar tijdens het lezen druk over te maken. Ik kon het niet meer wegleggen.

    Pas op twee derde van het verhaal bleef ik ergens haken, bij een passage over oorlogsstrategie, maar dat lag aan mij, dat wist ik, want dat heb ik altijd bij boeken waar oorlog in voorkomt. Als het over strategie gaat, ga ik uit. Mijn brein kan zich er niet mee verbinden. Ik ben ook niet goed in schaken, dat heeft denk ik dezelfde oorzaak. Een hiaat in mijn begripsvermogen. Hoe dan ook, ik kon het het boek niet kwalijk nemen, en bovendien was ik op dat punt al zo gehecht aan het verhaal dat het me er niet meer van kon weerhouden verder te lezen.

    Toen het boek uit was, had ik opnieuw tijd om over de liefde na te denken. Ik dacht: je zou een geliefde misschien wel met een boek kunnen vergelijken. Daarmee zou je de geliefde niet beledigen. Een boek is geen gebruiksvoorwerp, het is veel meer dan dat. Het heeft minstens, als het een goed boek is, zo veel eigenheid en diepgang als een mens. En ik stelde me een geliefde voor als een boek dat je niet weg wilt leggen, bij wie je vergeet om plusjes en minnetjes uit te delen. Eentje met lovende citaten op zijn voorhoofd. En dat je als je het saaie, vervelende stuk tegenkwam zeker wist dat het aan jou lag en niet aan hem. Dat je dan, hoe dan ook al te gehecht aan hem was om hem nog weg te willen leggen.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Ansichtkaarten

    Ansichtkaarten

    Het was niet te doen, het was werkelijk niet te doen, alleen achterblijven in de stad terwijl de anderen waren weggegaan, in de bus gestapt, het vliegtuig, teruggevlogen naar huis, terwijl ik nog een dag moest wachten, overnachtend in een kleine hotelkamer zonder daglicht, zonder liefde, zonder de anderen, met alleen een kleine waterkoker op een plastic voet met twee precies in de gaten van de voet passende plastic theekopjes om me te troosten.

    Het was niet te doen, op een trapje zitten in het drukste stukje van de haven, kijkend naar de schommelende boten, de verkopers van spullen op kleden, de skaters, de muziekluisteraars, de wandelmensen, de gezinnen, de stellen, het veel te hard blaffende hondje, de groepen vrienden en de mensen in zakenkleding die bijna thuis waren, met alleen een pen en een paar ansichtkaarten die bedoeld waren om naar de anderen te sturen, maar die nu bij gebrek aan notitieblaadjes werden gepromoveerd, of gedegradeerd, tot dagboekpagina’s, dagboekpagina’s van één euro twintig per stuk, en dat met een stroom van gedachten die met een gewone pen niet bij te houden was, maar gelukkig was er ook nog het zakje van de kaarten, dat had geen geld gekost, het was bij de prijs van de kaarten inbegrepen geweest en het had een voorkant, een achterkant en twee binnenkanten die konden worden beschreven, meer dan genoeg ruimte voor uitingen van eenzaamheid, want dat was het centrale probleem waarover moest worden geschreven, over de afwezigheid van iemand om mee te praten, aan te raken, vast te houden of te slaan, en het enige wat hielp om het gebrek aan deze persoon of personen weg te nemen was om het naar het papier te verplaatsen, desnoods papier op ansichtkaartformaat van één euro twintig per stuk, desnoods papier dat bedoeld was als kaartenzakje, desnoods met het risico dat ik de zon niet zou zien ondergaan boven de haven omdat ik naar beneden aan het kijken was, als het verlangen naar de anderen maar kon worden opgeschreven, zodat het niet zo in mijn hoofd hoefde te blijven hangen, en in mijn armen en mijn benen en het stuk dat ertussen zat, als het maar naar het papier kon verhuizen, of als dat niet kon, als het papier dan straks in ieder geval maar van het verlangen kon getuigen, en van het feit dat het niet te doen was, dat het eigenlijk niet kon, alleen achterblijven in een stad terwijl de anderen al bij hun eigen mensen en hun eigen boeken en hun eigen bedden waren, helemaal alleen met het vooruitzicht op een kleine warme hotelkamer zonder daglicht, een pen, een paar ansichtkaarten in een zakje en een ondergaande zon boven de haven.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

     

  • Personages als pannenkoeken

    Nu begint het ingewikkeld te worden. Het verhaal dat ik schrijf heeft een substraat in de werkelijkheid. Er zijn mensen, echte mensen, over wie ik heb gehoord en gelezen, die op een dag collectief hebben besloten om weinig tot niets meer te eten. Omdat ik wilde begrijpen waarom ben ik een roman over ze gaan schrijven. Ik ben nu een paar maanden bezig en ik heb intussen nog meer gelezen over hun voorgeschiedenis en beweegredenen, maar heb nauwelijks het gevoel dat ik ze ken. Ik ken ze niet zoals  de personages uit mijn verhalenbundel – de vrouw die een baby in een vriezer verstopt, het jongetje dat zichzelf met heet water wil verbranden, de man die op een spoorlijn gaat liggen om te ontdekken of hij zelfmoord wil plegen. In hen kon ik me verplaatsen, meer dan in de echte mensen over wie ik nu probeer te schrijven. De romanpersonages die ik van ze heb gemaakt zijn platter dan de pannenkoeken die ze van zichzelf niet mogen eten. Eentje is de hele tijd boos, de tweede de hele tijd onzeker, de derde extreem dominant en irritant en het karakter van de vierde, die in de roman dood is, heeft de vorm en inhoud van een zwart gat.

    Dus wat te doen? Ik kan A) proberen de echte mensen beter te leren kennen, of B) de echte mensen loslaten en echte romanpersonages van ze maken. Optie A is interessant omdat ik de roman besloot te schrijven omdat ik de echte mensen wilde begrijpen. Maar optie A is ook een beetje eng omdat ik denk dat die mensen echt een beetje gek zijn en ik niet weet of ik ze graag in mijn eigen echte leven wil toelaten. En optie A is ook niet helemaal toereikend omdat ik ook als ik de werkelijke versies van mijn personages beter leer kennen nog altijd niet precies alle details zal kennen van de dingen die ik in mijn roman wil beschrijven. Dus op een zeker moment zal ik, of ik de echte mensen nu wel of niet beter leer kennen, toch over moeten gaan op optie B en echte romanpersonages van de echte mensen moeten maken, inclusief door mijzelf verzonnen trauma’s, jeugdherinneringen en vreemde gewoontes. Ik zal ze mijn verhalenwereld in moeten trekken. En de logica van de werkelijkheid zal plaats moeten maken voor de logica van het verhaal dat ik over ze schrijf.

    Op dit moment neig ik naar een combinatie van optie A en B. En kom ik tot de voorlopige conclusie dat een écht waargebeurde roman schrijven eigenlijk niet kan. Ik begin zelfs te vermoeden dat dit in zekere mate geldt voor alle verhalen, ook die in de krant en in de geschiedenisboeken staan, omdat er altijd dingen zijn die we zelf moeten invullen, of erbij fantaseren. Waarmee ik niet wil zeggen dat de waarheid niet bestaat, denk ik, geloof ik.
    Ik schrijf er nog even over na.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.