• It’s actually brown

    It’s actually brown

    De dagen waren zonder begin of einde. Je treinde van stad naar stad. Bakte in de ene stad pannenkoeken voor de tweelingmeisjes, daarna ging je door naar Den Haag. Daar nam je de metro naar Rotterdam, Theater Zuidplein, de openingsavond van Poetry International. In de wandelgangen enkel aardige mensen. Je ontmoette de Portugese dichteres Maria do Rosário Pedreiraeen van de twintig dichters die het festival openden. Ze vertelde over haar nieuwste bundel O meu corpo humano, gedichten als ‘ouvidos’ (oren) en ‘ombros’ (schouders). Je overnachtte in Den Haag. In bed bladerde je door de bundel The Oysters I bring to Banquets, van Gary Geddes. Een van de dichters van die je bijbleef.

    ‘It’s actually brown, not green, to mach
     the colours of the house, and erected
     where the rotten deck once stood. […]’

    De volgende ochtend liep je de tuin van je dochter in. Las op de tuinbank verder in Familielexicon van Natalia Ginzburg, er wachtte een leesclub die avond. Je nam de bus naar het station, huurde een OV fiets, fietste naar Den Haag West. Stapte af bij elke afslag om de ingestelde route op je mobiel te checken. Je stalde je fiets voor het huis van de vorige vriendin van de jongste zoon. Ze is ceramiste. Je was er om een theepot, gestookt in een zoutoven, met als handvat een steel met een bol aan het einde om de pot op te tillen, thee uit te schenken. Een kunstobject. Je nam er twee kommetjes bij.

    Je fietste terug naar het station. Om zes uur moest je in de binnenlanden van Salland zijn, voor die leesclub. Er was een trein uitgevallen. Op het perron las je de laatste stukken van Familielexicon. Ginzburg is, nadat haar eerste man in de oorlog door fascisten is vermoord, opnieuw getrouwd. Ze staat op het punt van Turijn naar Rome te verhuizen, en haar moeder zich overal mee bemoeit. ‘“Maar in Rome moet je leren stoppen!” zei mijn moeder. “Of anders moet je een poetsvrouw vinden die daar goed in is! Vind een naaister aan huis, zo iemand als Tersilla.”’

    Je zal te laat voor de leesclub komen. Appte degene met wie je zou meerijden, dat hij vast moet gaan. Thuis poetste je je tanden. Zette een fles wijn klaar die je vergat mee te nemen. De man reed je met behulp van googlemaps naar een plek met onbegaanbare paden. Het leesgezelschap zat rond een rijkelijk gedekte tafel, je had alleen het voorgerecht gemist. Er was veel te zeggen over Familielexicon. Weer buiten keek je naar de reikwijdte van stilte, geloofde plots dat de wereld eindig was. Rond middernacht rolde je in bed, de man in diepe slaap. Zaterdagochtend leek tijdloos. Maar wacht, er kwamen vrienden te eten. De man deed boodschappen. Jij kookte. De volgende dag stond een bezoek aan een wijngaard gepland. Je vraagt je af wie je agenda heeft bijgehouden.   

    Maandag houdt je je schuil op de bank. Slaat een jublileumbundel open waarin negentien auteurs over Gerard Reve schrijven. Je leest het verhaal van Marina Kuipers, dat alles in zich heeft wat je nodig hebt. Kuipers vatte eens het plan op het huis La Grâce van Reve in Frankrijk te kopen. Joop Schafthuizen als bemiddelaar, lijkt bereidwillig. Dromend over de inrichting van het huis schaft Kuipers het hele oeuvre van Reve opnieuw aan. Voor de bibliotheek in het huis dat een soort bedevaartsoord voor Reve liefhebbers zal worden. Joop is geen man van daden, lijdt aan depressies, moet naar de kapper, maar komt de deur niet uit. Er zijn lange telefoongesprekken. Een keer vertelt hij dat hij onderweg naar de ‘coiffeur’ was, maar niet goed was geworden. De dorpsarts kwam erbij. Die vond, ‘dat hij voor een man van zijn leeftijd, die drie flessen rode wijn per dag drinkt, twee pakjes sigaretten wegpaft en nauwelijks beweegt, nog een puik werkend hart had.’ Na vier jaar eist Kuipers ‘concretere toezeggingen’. Joop wordt narrig. Tweemaal belt hij haar nog, om ‘keiharde fanfaremuziek’ op haar voicemail af te spelen. De werkelijkheid is bitter, het verhaal geweldig. Je denkt, ‘It’s actually brown’.

     

     

    U heb ik lief, De eeuw van Gerard Reve / samenstelling Æ de Jong / uitgeverij Nobelman


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over boeken en de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Beeld van een getalenteerd en gevoelig kunstenares

    Beeld van een getalenteerd en gevoelig kunstenares

    Gedurende vele jaren heeft literatuurhistoricus Nop Maas (1949) intensief contact gehad met de dichteres Hanny Michaelis (1922-2007). In 2002 bezorgde Maas Michaelis’ boek Verst verleden. Jeugdherinneringen verteld aan Nop Maas verschenen bij Van Oorschot. Maas ondervroeg Michaelis natuurlijk over haar huwelijk met Gerard Reve voor zijn driedelige biografie over Reve, getiteld Kroniek van een schuldig leven (2009-2012). Hij was ook de bezorger van de oorlogsdagboeken van Hanny Michaelis, die postuum zijn uitgegeven in twee delen bij Van Oorschot, samen ruim 2.000 pagina’s. De Tweede Wereldoorlog betekende voor de joodse Hanny Michaelis persoonlijk een catastrofe: haar beide ouders werden door de nazi’s in Sobibor vermoord. Zelf overleefde ze de shoah door onder te duiken. 

    Talrijke herinneringen, opmerkingen en uitspraken van Michaelis, gedaan tijdens vele ontmoetingen heeft Nop Maas op geluidsband opgenomen en later schriftelijk uitgewerkt. Zelf spreekt hij van ‘ongeautoriseerde momentopnamen’. Deels in combinatie met wat Maas al eerder over haar schreef, heeft hij dit alles nu bewerkt tot het boek Vastgenageld aan de rand van het niets. Hiermee heeft Nop Maas geen biografie over Hanny Michaelis geschreven, en ook niet willen schrijven. Wel heeft hij uit al die soms terloopse uitlatingen en gespreksfragmenten een kaleidoskopisch geheel weten te maken dat boeit van begin tot eind.

    De vrouw die getrouwd was met

    Heel knap heeft Nop Maas de uitspraken en boutades van Michaelis geordend in een negental hoofdstukken, chronologisch en thematisch: Jeugdherinneringen, Na de oorlog, Leven met Reve, Na de scheiding, Jodendom, Eigen werk, Schrijvers, kunstenaars en uitgevers, Varia en ten slotte Haar laatste jaren.

    Dikwijls werd Michaelis vooral gezien als de vrouw die van 1948-1959 met Gerard Reve was getrouwd. In dit boek komen juist andere aspecten van haar leven aan bod. Even opmerkelijk als terecht is de aandacht voor Michaelis’ eigen poëzie. Tussen 1949 en 1971 publiceerde ze een vijftal bundels met gedichten, tezamen ruim tweehonderzeventig bladzijden. Ook daarover praat Michaelis laconiek, relativerend, spottend soms. Dat dit geen valse bescheidenheid is, blijkt wel uit het feit dat ze na 1971 inderdaad met dichten stopte, of in elk geval: het lukte niet meer. En hoe jammer is dat niet: ze wist met haar gedichten telkens nieuwe lezers te bereiken, haar werk werd met regelmaat herdrukt. 

    Roddelpraat van een lief mens

    Zeer aansprekend is het grote hoofdstuk over collega-dichters en -schrijvers en uitgevers. Niet alleen Nederlandse auteurs die zij gekend heeft, ook over veel anderen die zij alleen uit de lectuur heeft leren kennen, laat Michaelis zich over uit. Van Hans Christian Andersen tot aan de Zangeres zonder Naam. Met name omdat Michaelis totaal geen blad voor de mond neemt en de halve Nederlandse literatuur van de 20ste eeuw afwerkt, levert dit een verrukkelijk brok ongepolijste, uiterst levendige literaire geschiedenis op. Zo vond ze dat iemand van de portuur van Carry van Bruggen nog geboren moest worden, Hermans was iets heel bijzonders, H.J.A. Hofland is een ontzettende zak, de smaak van Komrij kan Michaelis gestolen worden, Harry Mulisch noemt ze een prulschrijver, Du Perron kon schrijven als de ziekte, Ethel Portnoy is een kolerewijf, A. Roland Holst viel omhoog door gebrek aan gewicht, Renate Rubinstein was narcistisch en jaloers. Roddelpraat? Och ja, maar van een oprecht, toegewijd en liefdevol mens. De dankbare en geamuseerde lezer vergeeft haar veel, zo niet alles.     

    Al lezend in dit boek wordt men telkens weer getroffen door de onnadrukkelijkheid waarmee Michaelis haar uitlatingen doet. Dit kan te maken hebben met de gefragmenteerde opbouw: allemaal miniatuurtjes die in hun samenstelling een gaaf en veelzijdig beeld opleveren. Een beeld van een getalenteerde, gevoelige kunstenares, die een dramatisch leven leidde en zich door haar opmerkingsgave, groot gevoel voor humor en neiging tot relativeren staande wist te houden. En zelfs meer dan dat. Michaelis’ poëzie verdient het gelezen te worden. Dit boek met herinneringen en commentaren is met Michaelis’ dagboeken en poëzie het sluitstuk van een boeiend en indrukwekkend drieluik.

     

     

  • Om te blijven

    Om te blijven

    Bestaat er een verhaal over een Mariabeeld dat op een nacht van haar plek verdween, de wereld in ging om goede werken te verrichten en nooit meer is teruggekomen? Een variant: na eeuwen ondersteuning bieden aan die en die, ook aan die viespeuk die telkens naar haar borsten kijkt, keert ze terug met zulke ernstige burn-out klachten dat ze met haar schelle overspannen stem alleen maar kan roepen dat ze in de komende decennia echt geen gezeik aan haar hoofd wil hebben. Ik moest daaraan denken toen een collega mij bij de arm pakte en overhaast naar de stilteruimte bracht en me de lege plek in het katholieke nisje liet zien waar ons Mariabeeld altijd had gestaan, tussen twee op elektriciteit brandende kaarsjes in. Alleen haar voetafdruk was nog zichtbaar. Weg. Weg Vrouwe met het zoete gelaat en ontvangende handen. Er is weinig heilig meer in dit leven, dacht ik en vertelde daarmee niets nieuws aan mezelf. Verhalen van wenende Maria’s ken ik wel, zei ik hardop, en ook wel van Mariaverschijningen, maar Mariaverdwijningen, nee.

    Bedacht ik een rondreizende Maria omdat ik kort daarvoor de film EO had gezien van cineast Jerzy Skolimowski? Anderhalf uur lang observeer je de wereld door de ogen van een ezel. Het zijn melancholieke ogen. Goede en slechte mensen kruisen het pad  van EO op zijn barre levenstocht. Er is veel dierenleed. Of EO nu in het circus of in een kantine met hossende voetbalfans is: de verhouding tussen mens en dier is totaal verziekt, dat was al zo lang voor wij allen geboren werden. Zie het dier. Verander het maar eens. 

    EO,  het verdwenen Mariabeeld, als vanzelf sprong mijn geheugen naar Gerard Reve. Wie leest Reve nog? Wie kent nog het befaamde Ezelsproces uit de jaren zestig van de vorige eeuw? Ik pak Nader tot U voor het gewraakte citaat dat Reve een proces bezorgde. De passage treft me, Reve die net als elk mens hunkert naar gezien worden, wordt – in zijn schrijverschap – opgemerkt door God, in de gedaante van een ‘muisgrijze Ezel’. Er is zelfs een echo van Frits van Egters (Het is gezien, het is opgemerkt). Vervolgens je dankbaarheid seksueel uiten, naakter kan haast niet.  ‘Na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten en daarna een present-eksemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden – niet dat gierige en benauwde – met de opdracht: ‘”Voor De Oneindige. Zonder Woorden”.’ Dat ‘presentexemplaar’ vind ik dan weer bijzonder geestig.

    Maar ik dacht ook: zet tien Mariabeelden naast elkaar, zou ik de enige echte eruit pikken? Had ik haar werkelijk gezien, al die jaren? Of bleef zij weggestopt op een plek waar bijna nooit iemand komt, te veel onopgemerkt? Ook door mij? Na de boosheid – was het vandalisme, diefstal of een antigodsdienstige actie – zie ik ook hoe kwetsbaar mooi die lege plek in de stilteruimte is. Soms schuilt er schoonheid in verdwijnen. Mag dit dan de plek zijn voor alle mensen die hier in het verpleeghuis hebben gewerkt en weg zijn gegaan of gewoond hebben en hier gestorven zijn. Dit nisje, om een andere dichter te citeren, ‘een lege plek om te blijven.’

     

     


    Eric de Rooij schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader  verscheen in 2020 bij uitgeverij kleine Uil. Onlangs verscheen zijn roman Augustus.

  • Een leven tevergeefs beschreven

    Een leven tevergeefs beschreven

    De gebiografeerde was het eens met de inhoud en er waren naar verluidt al zevenduizend exemplaren gedrukt, maar het boek komt er definitief toch niet. Terwijl een jaar geleden nog sprake was van uitstel omdat zij zich helemaal op de Olympische Winterspelen van Pyeongchang wilde richten, neemt Ireen Wüst nu de mensen in haar nabije omgeving in bescherming. Ze wil niet dat zij gekwetst worden door dingen die zij in alle openheid met sportjournalist Nando Boers gedeeld heeft.
    Omwille van haar familie wilde Wüst nog het één en ander aanpassen, maar zij en de schrijver van het boek dat als haar autobiografie aangekondigd werd kwamen er niet uit.

    Hij wilde het hele verhaal – dat was de voorwaarde waarop hij met Ireen Wüst in zee ging – en je vraagt je af wat in dat hele verhaal zo aanstootgevend was, dat het alsnog niet geschikt is voor publicatie. Heeft Ireen Wüst, die tot nu toe de indruk wekt open en eerlijk te zijn, toch iets te verbergen? Wat is ‘erger’ dan biseksualiteit en toegeven dat je op doktersvoorschrift een schildklierhormoon gebruikt dat naar nu blijkt een prestatieverhogende bijwerking heeft?

    Hoedt u voor schrijversweduwen was lang het devies. Schrijversweduwen hadden, volgens de overlevering, de neiging om over de postume reputatie van hun man te waken, waarbij natuurlijk ook hun eigen respectabiliteit in het geding was. Maar dat was in de tijd dat een gebiografeerde dood en begraven moest zijn voordat iemand het waagde een leven onder de loep te nemen om het vervolgens tot in de kleinste details te beschrijven.
    Die tijd is al even voorbij. De (auto)biografie is een lucratief genre en welke gebiografeerde wil daar niet bij leven van meeprofiteren.

    Dat ‘dood’ niet langer een voorwaarde is om in aanmerking te komen voor een biografie heeft grote gevolgen. De gebiografeerde is niet langer het lijdend voorwerp. Hij ondergaat niet, maar werkt in het gunstigste geval mee aan de reconstructie van zijn/haar leven. Daarbij is het niet uitgesloten dat hij bewust of onbewust de regie overneemt.
    Wie zich waagt aan het leven van iemand die er nog is, moet alleen daarom al stevig in zijn schoenen staan. Hij moet weten wat hij niet wil en welke kant een verhaal niet op moet.

    Ik probeer me voor te stellen hoe het gegaan is in het geval van de al geautoriseerde autobiografie van Ireen Wüst. Vier jaar lijkt er geen vuiltje aan de lucht en werken de schaatsster en de journalist eendrachtig samen aan wat ‘de best mogelijke autobiografie’ moet worden. En dan gooit de familie roet in het eten.
    Ik moet aan Wim Hazeu denken, die tot vlak voor het verschijnen van Marten Toonder: biografie het oordeel van de erven moest vrezen en aan Nop Maas die Joop Schafthuizen op zijn pad vond toen hij het derde deel van zijn Reve-biografie Kroniek van een schuldig leven klaar had.
    Het zal je maar gebeuren… Bij Hazeu en Maas liep het met een sisser af, maar Boers heeft definitief het nakijken.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

  • Achter glas

    Achter glas

    In het Franse vakantiehuis waar een deel van mijn volgende roman zich moet gaan afspelen, lees ik de helft van de correspondentie tussen Rudy Kousbroek en Gerard Reve. Van laatstgenoemde zijn de brieven niet in het boek opgenomen, iets met de rechten, onhandig maar helaas. Wat overblijft leest haast als een literaire ingreep: juist omdat Reves vragen en antwoorden ontbreken, is de lezer gedwongen om een en ander zelf in te vullen.
    Steeds is duidelijk, hoe intiem en openhartig Kousbroek ook lijkt, dat publicatie van deze brieven altijd al een doel op zich was. Daarom maakten beide schrijvers, we hebben het nu over de periode 1979-1989, steeds een doordruk van elkaars brieven. Alles voor het nalatenschap.
    En zodra je schrijft om gelezen te worden, om nog meer gelezen te worden dan alleen door diegene tot wie je je richt, schrijf je anders. Dan speel je een spel. Ook dat is een ingreep. Afstand wordt bewaard. Maar is dichterbij komen niet juist wat we willen, zodra we overgaan tot het lezen van brieven en dagboeken? 

    ‘Het lukt niet meer, ik zit vast als een muur (of, zoals me nu invalt: dat iemand met zijn hoofd naar beneden tussen twee Amsterdamse huizen in is gevallen – je weet wel, van die huizen in de binnenstad met 20 cm ruimte ertussen – en dan op de hoogte van de eerste etage klem is komen te zitten. ’t Is soms net of ik wat hoor, zegt de bewoonster ’s avonds tegen haar man) en het uiteindelijke resultaat is dat ik helemaal niets meer doe.’ Dit stukje, waarin Kousbroek aan Reve uitlegt waarom hij niet schrijft, laat het dubbele zien: het is blootgeven en bedekt houden tegelijk, je mag dichterbij komen, toe maar, maar je blijft wel achter het glas. Kousbroeks taal, zijn weloverwogen woordkeuze en de zorgvuldige uitwerking van zijn metafoor, is dat glas. 

    Tegelijkertijd lees ik in Ik bestaat uit twee letters, het ‘Privédomein’ van A.H.J. Dautzenberg. Nergens in het boek, al ben ik nog niet op de helft van de meer dan zeven honderd pagina’s, heb ik het idee dat het te intiem is wat ik lees, dat ik getuige wil zijn van iets waarin ik geen plaats heb. Met het bedoelde hertekenen van een jeugd en van een broer lijkt de materie behoorlijk persoonlijk en precair, maar ik word er niet door belemmerd – tot ik bij de brieven aan Gerbrand Bakker aankom. Pas hier, in de steekjes en de grapjes in de brieven die Dautzenberg stuurt, komt ongemak aangewaaid. Natuurlijk, ook hier is sprake van ingreep, van spel. Bakkers brieven zijn niet in het Privédomein opgenomen. En toch.
    Ben ik te dichtbij gekomen – is het glas door de een weggetrokken zonder dat de ander daar iets over te zeggen had? Waar is de wand die alle partijen beschermt? Dichterbij wil ik, in het lezen, altijd dichterbij – maar het hoeft nooit zo heet te worden dat ik me kan branden. Achter glas zie ik goed genoeg. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • De Parelduiker eert de schrijver

    De Parelduiker eert de schrijver

    In deze tweede editie van De Parelduiker van dit jaar aandacht voor de vrouwen rond Multatuli door Gaia van Bruggen. Dingen over Gerard Reve die we niet wisten maar door de berichten daarover in de media nu natuurlijk wel en voor wie de media niet volgt en wil weten wat er over Reve is losgekomen, gelieve zich deze Parelduiker aan te schaffen.

    Er is de rubriek Schoon & Haaks waarin Jan Paul Hinrichs publicaties bespreekt van privédrukkers en marginale uitgevers. Waaronder ook de uitgave bij de Statenhofpers van Brieven aan Nanne Tepper  van Geerten Meijsing valt dat ten tijde van het Brievenboek van Nanne Tepper zelf uitkwam. Een marginale rubriek over interessante uitgaven. In de rubriek De laatste pagina aandacht voor de onlangs overleden vertaalster Térese Cornips en als hoofd’stuk’ een mooie bijdrage van Graa Boomsma over de schrijver A. Alberts.

    Boomsma werkt aan een biografie van A. Alberts en schreef over de moeilijke gang van het ontstaan van het ruim veertig bladzijden tellende verhaal De vergaderzaal en de afronding daarvan. Boomsma, schrijver en criticus, belicht de verhouding van Alberts tot het schrijven en tot zijn uitgever, Geert van Oorschot. Aan De vergaderzaal, heeft Alberts, ongelofelijk maar waar, twintig jaar gewerkt voor Geert van Oorschot het eindelijk kon uitgeven. Dat zegt ook iets over Van Oorschot als uitgever, die wist gewoon dat hij goud had met Alberts. De vergaderzaal is dan ook een fantastisch, dicht op de huid geschreven verhaal (geen roman) van ruim 40 bladzijden. Maar ozo fantastisch geschreven en je geniet ervan na als las je een roman. Lees dan ook nog eens De koning is dood, Haast hebben in september en De honden jagen niet meer, van Alberts.

    Eens zat deze schrijver klaar voor een signeersessie bij een boekhandel in een middelgrote stad. De schrijver een oude man met een sympathiek, wat boers aandoend gelaat. Boekpresentaties werden nog niet zo gretig bezocht als tegenwoordig. Het zou ten tijde van het verschijnen van zijn roman  Een venster op het buitenhof (1987) geweest kunnen zijn. Er kwam geen mens opdagen. De boekhandelaar zei dat dat wel eens voorkwam en het misschien aan het weer lag. Alberts scheen er niet mee te zitten.

    Het was ook voordat A. Alberts (1911-1995) in 1995 de P.C. Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre ontving. In 2005 werd er nog een verzamelbundel van zijn verhalen en romans door Van Oorschot uitgegeven. Maar bracht geen grote vervoering voor zijn werk teweeg. Terwijl het dat wel verdient.

    ‘De verborgen schatten uit boek en literatuur weer in beeld brengen’, dat is waar De Parelduiker voor staat. Vergeten literatuur wordt dichterbij gebracht. Onderschat de invloed van De Parelduiker dan ook niet. Want elke schrijver waarop dit literaire blad zijn licht laat schijnen, wordt weer tot leven gewekt. Reden om De vergaderzaal weer eens open te slaan. De biografie van Aberts zal eind dit jaar verschijnen bij Van Oorschot. Daar wordt naar uitgekeken.

     

     

  • Intimiteit

    Intimiteit

    De zon schijnt ongenadig, terwijl het pas begin mei is. Het is de herdenkingsweek: geschiedenis, oorlog, vluchtelingen en herdenkingsplechtigheden vullen de dagen in officiële zin. Europa valt uit elkaar, maar de verpozende mensch gaat naar het strand, zet de barbecue aan of gaat naar buiten. Ajax kan vandaag kampioen worden, maar ik weet niet of me dat kan interesseren ook al ben ik lang voetballer geweest. De Giro d’Italia raast ook nog een dag door Gelderland. Ik ga daar woensdag heen om een collectie fotoboeken te bekijken en mogelijk te kopen. Ik ben graag binnen als het buiten te uitbundig zomer is.

    Binnen kijk ik naar mijn door de zon verlichte boekenkast en pak er een boek uit van een Nederlandse fotograaf en blader er door heen: gecraqueleerde foto’s van blote of halfnaakte jonge vrouwen. Hee, buiten is toch binnen gekomen. Ook al doen de foto’s niet zomers aan, niet zoals bij Helmut Newton, knallend van kleur en licht, maar eerder half verscholen achter vitrage, struik, boom of in de schaduw. Het boek heet dan ook In Search of Intimacy, van Henri Senders uit 2014. Fijn, deze geloken en half verscholen portretten van vrouwen, enigszins in de stijl van de jong gestorven Sanne Sannes en de zwervende fotograaf Gerard Fieret. Precies wat mijn gemoed, zoekend naar een lichte, lichtzinnige duisternis, nodig had. De dagen ervoor las ik Gerard Reve en zie nu, toevallig, enige verwantschap in de etherische, metafysische verering van de vrouw, de Moeder, de Maagd, Maria. Nader tot U.

    Ik zet een aantal boeken op de veilingsite Catawiki, kijk naar buiten en zie bij de bushalte voor mijn deur een selfies makend meisje, een beetje melancholisch hangend, in de schaduw, tegen het bushokje aan, voortdurend bezig met haar smartphone en heur haar. Ze zou zo voor de lens van Henri Senders kunnen plaatsnemen.

     

  • Blue Monday in De Balie

     Agenda

    Op de derde maandag van januari, officieel de meest deprimerende dag van het jaar, kan het publiek bij de SLAA zwelgen in een winterdepressie. Te gast zijn: Ton Anbeek, Marc van Uchelen, Vrouwkje Tuinman en Daan Heerma van Voss. Presentatie: Anton de Goede. Muziek: Kobra Ensemble.

    Zwaarmoedigheid en literatuur lijken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Op de derde maandag van januari, volgens psychologen de meest depressieve dag van het jaar, trekt de SLAA een avond uit om de zwaarmoedige kant van de literatuur te verkennen.

    Reve, Hermans, Slauerhoff, Heeresma – allen schreven zij literatuur waarin zwaarmoedigheid een belangrijke rol speelt. Hoewel er tal van voorbeelden te bedenken zijn van uitstekende zwaarmoedige literatuur uit verschillende buitenlanden (Edgar Allan Poe, Franz Kafka, Helle Helle), lijken schrijvers uit de lage landen zich bij uitstek thuis te voelen in dit genre. Waar de buitenlandse schrijvers eerder lijken te neigen naar het melancholische, haast het romantische, wringt er in de Nederlandse literatuur onophoudelijk iets, is er altijd een droge ironie voelbaar. Waar ligt dit aan? Heeft het te maken met onze lijdzame, calvinistische aard?

    Al te optimistische romans worden minder serieus genomen, zijn geen echte literatuur, zijn naief. Is dit terecht? En heeft deze opvatting altijd bestaan? Ton Anbeek praat over dit verschijnsel in een mini-college.

    Uiteraard passeren ook enkele voorbeelden van zwaarmoedige literatuur de revue. Acteur Marc van Uchelen draagt een passage voor uit het werk van Gerard Reve, zijn favoriete schrijver. Dichteres Vrouwkje Tuinman komt praten over zwaarmoedige poezie, zowel die van haarzelf als van anderen. Daan Heerma van Voss heeft speciaal voor deze avond een kort zwaarmoedig verhaal geschreven. Tussen de bedrijven door worden er liederen ten gehore gebracht door het dameskoor Kobra Ensemble. Na afloop van het programma gaat de bar open en kunt u samen met ons uw verdriet wegdrinken.

    Blue Monday
    21 januari 2013, 20.15 uur
    De Balie, Kleine-Gartmanplantsoen 10, Amsterdam
    Organisatie: SLAA
    Kaartverkoop: www.debalie.nl
    Meer informatie: www.slaa.nl

     

     

  • Karel van het Reve deel 3 verschenen

    Vorig jaar verschenen de  delen 1 en 2 van het Verzameld  werk van Karel van het Reve bij uitgeverij Van Oorschot, deel drie is nu ook verschenen.

    Deel 3 omvat de jaren 1969-1972. Het bevat Het geloof der kameraden, Met twee potten pindakaas naar Moskou (met onder meer reportages uit zijn jaar als Parool correspondent in Rusland) en de essaybundels Marius wil niet in Joegoslavië wonen en Lenin heeft echt bestaan.

    Beide delen sluiten af met een  selectie uit de ongebundelde artikelen die Van het Reve in deze  periode schreef: 350 bladzijden in deel 3. Deze stukken zullen voor veel lezers onbekend zijn. Een grote verrassing zijn de tv-recensies, die hij tussen 1971 en 1976 wekelijks in nrc Handelsblad publiceerde onder het pseudoniem Henk Broekhuis. Lang is onduidelijk gebleven wie achter deze naam schuilging.

    In  deze  ‘columns’ figureren uiteenlopende figuren als Joop den Uyl, Pippi Langkous, Wim Kan, bisschop Gijsen en ‘de kritische leraar’. De twee stukjes over het bezoek van Henk Broekhuis en zijn vrouw aan de grote volksschrijver  Gerard Reve in Frankrijk veroorzaakten een brouille tussen de beide broers. Boeiend zijn ook de nooit gebundelde boekrecensies uit deze jaren. Aangrijpend is de inleiding bij het Dagboek van zijn in de oorlog omgekomen vriend David Koker. En dat Karel van het Reve een meester was in het genre van de necrologie blijkt uit zijn stukken over Jacques Presser en over Andrej Amalrik (‘De onhandelbaarste man die ik ooit heb ontmoet’).

    Dagelijks is een stuk van Henk Broekhuis te lezen op www.kvanhetreve.nl

  • Recensie ‘Gerardje, notities van een Reve-liefhebber’ – Theodor Holman

    Het lijkt de laatste tijd iets stiller geworden rond Gerard Reve, de in 2006 overleden volksschrijver, zoals hij zichzelf graag noemde. Deze stilte zal echter in het najaar worden doorbroken door een vuistdikke biografie van Nop Maas. In de tussentijd mogen we genoegen nemen met dit boek van Theodor Holman, die zich al jaren fan noemt van Reve. Holman ontmoette Reve eenmaal en zag hem nog een aantal malen optreden. Dat is jammer, want de ontmoeting waar het boek mee begint is op z’n zachtst curieus. Er wordt veel gezopen zoals bijna altijd in het gezelschap van Reve maar er worden ook stevige noten gekraakt. Over politiek wordt gesproken, literatuur, pornografie en Schopenhauer. De volgende ochtend vertelt ome Gerard aan Theodoortje een heus sprookje, terwijl ze samen in de slaapkamer op bed liggen. Joop Schafthuizen, de laatste levensgezel van Reve houdt een oogje in het zeil.

    Vlak voor het afscheid dreigt het dan toch nog mis te gaan, wanneer Holman zegt: “Tegen mij heeft Karel gezegd dat hij nog van je houdt.” Gedoeld wordt op Karel van de Reve, de broer van Gerard, waarmee de markies al jarenlang in onvrede leeft. Reve antwoordt: “Nou zeg dan maar tegen hem dat ik hem haat. En dat ik bid voor zijn dood. Misschien knapt hij daarvan op! En als hij niet voortmaakt, dan kom ik met een ijzeren knuppel en dan sla ik zijn kop in, al moet ik er levenslang voor naar de gevangenis…Hij is erger dan mijn vader was. Mijn vader was een bruut.” Of Holman de boodschap daadwerkelijk heeft overgebracht wordt niet vermeld. Ik betwijfel het. Het is meteen het meest interessante gedeelte van het boek.

    Holman werpt in dit boek een aantal werkvragen op: Waarom werd Reve katholiek, terwijl hij toch op dat geloof zat te schelden? Was hij eigenlijk al homo toen hij getrouwd was? Hoe heeft hij zijn stijl ontwikkeld? Heeft de oorlog invloed op Gerardje gehad? Was Gerard eigenlijk niet te burgerlijk om romantisch-decadent te zijn? Had hij ook vriendinnetjes? Wat was de invloed van zijn vader, die ook schrijver was? En van zijn moeder? Is het niet ironisch, dat Mulisch hem zijn ironie verweet?

    Om bij de laatste vraag te beginnen: Reve had een onwaarschijnlijke hekel aan Mulisch. In een van zijn (gefingeerde-) gesprekken met de Majesteit (Juliana?) stelt Reve: “Het werk van Mullis is vullis, majesteit, maar dat van Reve is het echte leven.” Minder leuk is de passage: “Zelf is hij een bastaard, door een alpineus goro goro tiepe, dat jaren lang in de gevangenis heeft gezeten, bij een Jeminitische water & vuur vrouw verwekt. Bij vermenigvuldiging komen de slechtste eigenschappen van de paarders op de voorgrond, dat is bekend. Het muildier is onvruchtbaar.” De ‘bastaard’ (een term direct geleend van nazi-propagandaleider Julius Streicher) is Harry Mulisch.

    Mulisch komt met een weloverwogen antwoord ? door Holman niet begrepen ? waarin hij stelt dat de ironie van Reve verhult wat hij eigenlijk wil zeggen, en dat uiteindelijk na het wegnemen van het masker van diezelfde ironie, de naakte waarheid overblijft. Reve gebruikt zijn ironie dus gewoon als dekmantel. Het grootste gevaar van ironie! Dat is overigens ook een stelling van de door Reve zo bewonderde Schopenhauer (Of had hij hem nooit gelezen?). Achter de dekmantel loert in Reve’s geval: racisme. Reve heeft zich in die tijd op niet mis te verstane manier denigrerend uitgelaten over ‘zwarten’ maar neemt dat later terug. “Alle koffiebonen in de Jumbojet en opblazen de boel!”

    Wat verder opvalt, is dat hij eigenlijk met de grote schrijvers uit zijn tijd in een voortdurende staat van oorlog en nijd leeft. Met Hermans raakt hij na een bloedeloze correspondentie gebrouilleerd. (…) “Achter de naam Age Bijkaart (nomen est omen) verschuilt zich om een of andere laffe reden de Nederlandse schrijver W.F.Hermans, broer van de minder dan middelmatige verrekijkkomiek Toon Hermans. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.”

    Jan Wolkers scheldt hij uit en Mulisch haat hij. Over Simon Vinkenoog meldt hij: “Ik had hem moeten doodslaan, want hij heeft tienduizenden drugsdoden op zijn geweten.” (Dat citaat is uit het boek weggelaten). En ook ex-vriend en tijdelijk uitgever Johan Polak is in ongenade gevallen. “Waarde Johan. Ik zou het liefst willen, dat je niet op de avond in de Allerheiligste Hart kerk kwam, maar met een van je beroepsurningen elders in de stad de avond doorbracht. Mijn waarschuwing terzake Reptiel Rogier is gemeend. Ik zal op hem inranselen, en hem zo mogelijk doden. Jij hebt nooit iets begrepen, en zult ook nooit iets begrijpen. Dat hindert ook niets, als jij me maar, voorgoed, tot mijn Dood, met vrede laat.” Ironie? Ook Josine Meijer, waarmee hij zijn diepe zielenroerselen deelde kan later geen goed meer doen, daarover schrijft hij later: “Zo’n Josine Meijer bijvoorbeeld, dat vond ik altijd een klein etterwijfie, daar hoeft geen correspondentie van te worden bewaard.”

    Geert van Oorschot, die ook een optrekje heeft in de buurt van Poet Laval in Frankrijk waar Reve resideert, ontwijkt hij. Hij weet dat Van Oorschot hem groot heeft gemaakt en dat hij hem nu in de steek laat voor een andere uitgever. En over Joop den Uyl zou Reve gezegd hebben, volgens Paul van ’t Veer in Het Parool: “Een vieze kale uilebal!” “Dat vieze verzint hij,”schrijft Reve later, “ik heb de door God over ons gestelde minister-president nimmer vies genoemd.” De lijst van vijanden groeit, vrienden blijven er weinig meer over.

    En zo heeft hij uiteindelijk alleen nog Carmiggelt over, een alcoholist in ruste ? Reve probeerde dat te worden ? een burgerman, maar vooral erg ongevaarlijk in z’n meningen over politiek en maatschappij. Bovendien een middelmatig schrijver. We komen ze tegen in een nummer van het blad Hollands Diep waarin de heren in de tuin van Carmiggelt gezeten een ‘bammetje’ eten. Niets aan de handa dus, zoals Reve wel eens uitriep. Gezapigheid van het ergste soort. De vraag van Holman of Gerard eigenlijk niet te burgerlijk was om decadent-romantisch te kunnen zijn, wordt hiermee positief beantwoord. Gerard was een versluierde burgerturf.

    Het moge inmiddels duidelijk zijn dat deze recensent niet erg gecharmeerd is geraakt van het ‘ karakter Reve.’ Dat is waarschijnlijk nooit de bedoeling van Theodor Holman geweest. Maar hij schildert Reve als een rabiate verslaafde aan drank en pillen, een onvermoeibare op seks beluste frustraat (Tijgertje, Jakhalsje, Woelrat, Reptiel Rogier, Matroos Vos, Schafthuizen, ze passeren de revue) en een wankelbeen op het gebied van politiek, godsdienst en homovrijmaking.
    Interessant is overigens dat de psychiater C.J.Schuurman door Reve wordt bewonderd. Deze Schuurman zou hem weer op de been hebben geholpen na een van zijn zoveelste instortingen. Holman drijft de spot met Schuurman omdat deze zijn penis heeft laten opereren en aan dezelfde ‘kwaal’ zou hebben geleden als Gerardje destijds in zijn huwelijk met Hanny Michaelis. Voor Hanny Michaelis blijft de deur van huize Reve overigens ook geopend.

    Of Reve al tijdens zijn huwelijk met Michaelis homo was, staat als een paal (sorry!) boven water. De schrijver Hans Plomp bezocht het echtpaar. Tijdens dat bezoek rukt Reve zich onder de tafel af omdat hij Hans zo’n ‘Adonis’ vindt. (niet opgenomen!). Het was in die tijd niets bijzonders wanneer homo’s getrouwd waren met een vrouw. Holman komt aan met vriendinnetjes van Reve, maar echt overtuigend klinkt dat niet.

    Een en ander wil echter niet zeggen dat Holman geen interessant en leesbaar boek heeft geschreven. Het leest als een trein en staat vol grappen en grollen, want gevoel voor humor had Gerardje zeker. Zijn onvermoeibare drang om te choqueren (de Ezel-affaire o.a.) komt voort uit een hang naar publiciteit. Reve was naast gefrustreerd ook nog ijdel. Dat hij zijn tijdsgewricht kon bespelen wordt ook duidelijk, maar een en ander doet nu af en toe hopeloos gedateerd en puberiel aan.

    Interessant is het hoofdstuk waarin Holman probeert te achterhalen waarom Reve zo’n persoonlijke stijl had ontwikkeld. Een stukje tekstanalyse waar we van smullen. Dat Carmiggelt een soort literaire leermeester is geweest van Reve durf ik echter te betwijfelen. Reve schreef wel eens een Kronkel als Simon Carmiggelt geen zin had. Kees van Kooten overigens ook. Zou Carmiggelt in de stijl van Reve hebben kunnen schrijven? Wel waren in de jaren ’60 en ’70 de epigonen van Reve talrijk. Zijn stijl werd met graagte nagedaan. Was uniek. Zo schrijft auteur Bob den Uyl later: “Het heeft me jaren gekost om van de Reve-stijl los te komen!” En Heere Heeresma schrijft met zijn Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp een antwoord op De avonden.

    De gedachte dringt zich op dat de schrijfstijl en droge humor van Reve meer sporen hebben achtergelaten dan zijn daden. Denk aan de programma’s van Wim T. Schippers of Jiskefet. Is zijn leven daarentegen wel zo interessant geweest? Gelukkig wordt ook het toneelwerk van Reve door Holman kort belicht en dat is nodig omdat het in de vergetelheid was geraakt. Verder zien we Reve in de oorlog aan de gang gaan (met trieste gevolgen!) en komen erachter dat het meesterwerk De avonden maar zeer gedeeltelijk autobiografisch was. Zijn Engelse avontuur wordt een deceptie.
    Het maakt het boek van Holman tot een prachtige opwarmer voor het echte werk en hij heeft ook nooit de pretentie gehad een volwaardige biografie te schrijven. Mooi voor scholieren om kennis te maken met de volksschrijver. Deze recensent heeft inmiddels een hekel aan hem gekregen.

     

  • Briefwisseling 1951-1987

    Van Lieve Gerard naar Beste Gerard en terug

    Uitgeverij Van Oorschot heeft met de publicatie van de briefwisseling tussen Gerard Reve en Geert van Oorschot een prachtig boek op de markt gezet. Was de briefwisseling tussen Willem Frederik Hermans en Van Oorschot (het deel van Hermans werd bij de Bezige Bij uitgebracht) alleen interessant vanuit literair-historisch oogpunt, deze briefwisseling is vanuit louter literair standpunt bezien een hoogtepunt. Hermans’ boek was voornamelijk saai om te lezen vanwege het vele geëmmer over geld. In de briefwisseling met Reve komen ook brieven voor over geld, maar er staan des te meer brieven in die over hun beider levens gaan.
    Van Oorschot toont zich in zijn brieven een echte bewonderaar van Reve. Hij steekt niet onder stoelen of banken dat hij daarnaast een grote vriendschap voelt voor Reve. Die vriendschap lijkt wederzijds te zijn. Als Reve met zijn toenmalige partner Teigetje logeert in het huis van Van Oorschot in Frankrijk schrijft hij lange en mooie brieven naar Amsterdam. Het is de periode waarin Reve toegetreden is tot de katholieke kerk, moet vechten in het ezeltjesproces, de P.C. Hooftprijs ontvangt en in Nederland een cultstatus krijgt. Vooral het progressieve deel van de natie draagt hem op handen en Reve voelt zich nogal onbegrepen, want zijn politieke opvattingen en geloofsovertuiging wordt alleen als ironie begrepen. In politieke zin vindt Reve zijn uitgever aan zijn zijde, met zijn geloof spot Van Oorschot nooit.
    Toch komt het tot een breuk als Reve plotseling overstapt naar een andere uitgeverij. Johan Polak heeft hem overgehaald om enkele brievenboeken bij hem te laten verschijnen. Van Oorschot is diep teleurgesteld en is misschien het meest geraakt doordat hij een vriend en vertrouweling kwijt is. ‘Lieve Gerard’ wordt ‘Beste Gerard’ en die aanhef blijft jarenlang boven hun correspondentie staan. Een tiental jaren later, waarin Reve toch enkele lange brieven naar zijn oude uitgever schrijft, wordt het contact hersteld. Na de dood van Hillie van Oorschot komt er weer toenadering tussen de ouder geworden mannen. Reve besluit zelfs om een van zijn belangrijkste en meest ernstige brievenboeken, Brieven aan Josine M., te publiceren bij zijn oude uitgever. Een tweede bloeitijd in de vriendschap breekt aan die duurt tot kort voor de dood van Van Oorschot in 1987. Een jaar waarin ze toch weer in onmin geraken en het zelfs tot een rechtszaak komt over de goedkope heruitgaven van Op weg naar het einde en Nader tot U.
    Natuurlijk is het lezen van de brieven van Reve uiterst vermakelijk, waardoor je regelmatig in de lach schiet. ‘Straks ga ik naar de hoogmis in Dieulefit, terwijl Tijger aldaar enige boodschappen doet. Het fijne van de Rooms Katholieke Kerk is, dat zij overal filialen heeft, zulks in tegenstelling tot, bijvoorbeeld, de Bond van Friese Kunstenaars.’ Of lees dit hilarische stuk waarin hij de titels van broer Karel aanvalt en komt met verklaring hoe het wel moet: ‘Een boek moet dus niet heten: Waarom Die & Die Misschien Gedeeltelijk Ongelijk Heeft, maar: Op Weg Naar Het Einde, De Avonden, Nader Tot U, Weg Met De Arbeiders, De Geile Jongens Van De Boslaan, Elke Zondag Seks Voor Niks. Kijk de kleine problemen van de schrijver & zijn taalkundige onmacht, die moet hij geheim & voor zich houden. Dus Niet als titel: Een Knoop Die Ik Er Steeds Weer Aanzette Ging Telkens Weer Los, maar: Naaien Tot Je Er Bij Neer Valt.’
    Het boek kost je nachtrust omdat je steeds wilt doorlezen. Nog één brief, nou goed, nog één dan, totdat je het veel te snel uit hebt. Kortom: smullen!

    Coen Peppelenbos

    Gerard Reve & Geert van Oorschot: Briefwisseling 1951-1987. Geannoteerd door Nop Maas. Van Oorschot, Amsterdam, 750 blz. gebonden €45,- (zeer de moeite waard), paperback €32,50