• Sturende kunst

    Sturende kunst

    Het aansturen van dingen, daar geloof ik wel in. Ik bedoel, als mijn moeder op zondagochtend riep dat er een grote pan soep gemaakt moest worden omdat ze onze oom en tante met hun autootje volgepakt met kinderen uit Groningen verwachtte, dan kwamen ze ook. Dat was nog voordat een huistelefoon gewoon was.
    Ik zoek me een weg door deze februaridagen. Ik ging naar het Nul-Museum Eicas en zag de documentaire over de Belgische kunstenaar Paul Van Hoeydonck (1925 – 2025), The Fallen Astronaut. Ik wilde die helemaal niet zien, kwam voor een andere tentoonstelling. Van die dagen. Een suppoost van het museum hoefde alleen maar te zeggen, ‘Als u voortmaakt, bent u precies op tijd voor de documentaire over Paul Van Hoeydonck.’ En hup, daar ging ik al.’

    Ik kende Van Hoeydonck niet. Toen hij zei, ‘I’m always expected that I become more famous than Picasso.’ It was just in contrary, people hated me.’, werd ik nieuwsgierig. Hij maakte het kunstwerk ‘verloren handschoen’: een gehelmd astronautenhoofd met een losse handschoen ernaast. Hij zei dat kort daarna een astronaut op de maan een handschoen verloor. Hij keek erbij alsof hij het nog steeds niet geloofde, toch was het echt gebeurd.

    In ‘Het blauwe notitieboekje’ van Sander van Leeuwen gebeuren ook zulke dingen. Over een detectiveschrijver die nu eens een ‘boek van betekenis’ wil schrijven. Ter inspiratie leest hij zijn hele boekenkast leest. Capote, Thoreau, Ishiguro. The New York Trilogy van Paul Auster speelt een belangrijke rol in dit verhaal vol onverwachte wendingen. Die beginnen met een blauw notitieboekje gevonden in een ‘eigenaardig soort’ boekwinkel. Op eerste pagina van het verder lege boekje staat, Wees voorzichtig met wat je opschrijft. P.A.. De dingen worden raadselachtig op een geloofwaardige manier.

    Om op gang te komen schrijft hij een paar willekeurige zinnen in het notitieboekje, ‘De telefoon gaat. Verkeerd verbonden. / Een kat schiet voor de tram langs. Verdwijnt in een steeg. / Op de hoek ruikt het naar herfstbladeren en koffie.’ Dan, wandelend met zijn vrouw, ziet hij een kat voor een passerende tram oversteken, in een steeg verdwijnen. Krijgt zijn vrouw een verkeerd verbonden call. Er gebeurt wat hij geschreven heeft. Het verhaal verrast na elke alinea meer. Zal ik verklappen dat de schrijver Paul Auster ontmoet, (of is het toch niet Paul Auster?).

    Deze hele Tirade staat trouwens vol prachtige verhalen en gedichten. Er klopt iets, er verschuift iets.

    Van Elisa Veini een serie getiteld ‘Winter was hard’. Ik lees ze als notities over de tijd waarin we leven, elke regel is raak. Ik bedoel, ik zie, voel het. ‘de krant schrijft wat iedereen allang weet / en wat nu gebeurt // krijgt een stem / pas als het niemand meer treft // dan zullen allen er altijd al tegen zijn geweest’. Dat dat het is, de dingen ongrijpbaar, de dagen gebeuren.

    In het verhaal ‘Cuidado’, van Marijn Sikken gaat een vrouw voor het eerst alleen op vakantie naar de Canarische eilanden. Een man zoekt contact, waar ze niet op ingaat. Hij duikt op waar zij ook gaat (dit is een lijntje in een verhaal over hoe een vrouw gezien wordt als een object). Er komt politie aan te pas om haar te bevrijden van deze man. Al heeft hij haar met geen vinger aangeraakt, het kwaad is al geschied, ‘ook als hij er niet is, niet fysiek, zal ze de rest van de tijd op haar hoede zijn. Ze is niet meer alleen.’ Dat alleen willen zijn ook in de openbare ruimte iets is waar de ander van af moet blijven.

    Thomas Heerma van Voss schreef ‘Het interview’. Als interviewer in het boek De prullenmand heeft veel plezier aan mij, beschrijft hij de omgeving en reacties van de geïnterviewde, oude schrijvers die in de vergetelheid zijn geraakt. ‘Het interview’ is vanuit de geïnterviewde geschreven, een omgekeerd perspectief. Dat levert sterke beschrijvingen op in hoe de schrijver zichzelf als interviewer waarneemt. De geïnterviewde: “‘Er is hier in geen maanden iemand op bezoek geweest,’ zeg ik. Hij knikt kalm, maar ik zie ook iets anders in zijn blik: gretigheid. De oogopslag van iemand die iets bruikbaars opvangt.’” En dat je denk te weten wie de geïnterviewde, de verteller is. Heerma van Voss is een zuiver balanceerder op het lijntje waar verdichting en werkelijkheid met elkaar oplopen.

    Dan dit nog. ‘Jij kiert zo prachtig / tussen mijn donkerblauwe gordijnen / iedere ochtend opnieuw // Ik ben van jou ik ben van au, / ik ben van koperzeer en van kou, / ik ben van wankelmoed en trouw’, dicht Frans Kuipers in ‘Proloog’.

    Een Tirade met opvallend veel sterke en mooie bijdragen, ook van Lena Claassen, Paul Demets, Lisa Rooijackers, Inge Marleen Anton Minne, Anouk Bosch, Caspar Dulaart, Julien Staartjes, Ingmar Heytze, Daan Doesborgh en Fien Vanderbeke.

    Gun jezelf zo’n literair tijdschrift. Vind in deze februaridagen de weg naar buiten.

     

    Tirade nr. 151 / redactie: Sophia Blyden, Nikki Dekker, Daan Doesborgh e.a. / Van Oorschot / 108 blz. /


    Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest.

     

     

  • Een tomeloos feest in schuimende en bruisende taal

    Een tomeloos feest in schuimende en bruisende taal

    De nieuwste bundel van Frans Kuipers (1942), de Lach van de Sfinx, is een feest om te lezen. De virtuoze manier waarop Kuipers met de taal speelt en zijn woorden rangschikt, lijkt nog het meest op het componeren van een symfonie. De gedichten vloeien over van woorden vol klank. Een bundel om over je heen te laten komen alsof je naar muziek luistert en af en toe bijna kopje-onder te gaan in de aanzwellende stroom. De betekenis van de woorden komt daarom niet op de eerste plaats, ook al zijn de woorden door de dichter verzonnen. De eerste afdeling is getiteld ‘Stupor is de Sterre van de Zeggezee’. ‘Stupore’ betekent verwondering en bij ‘Zeggezee’ komt het beeld van een spraakwaterval naar voren, een overvloed van taal. Of ‘Sterre’ de naam van een vrouw is? De enige keer dat de dichter een vrouw rechtstreeks toespreekt, is dat met de naam ‘Verrelief’. ‘Sterre’ moet hier misschien letterlijk als een ster worden gezien: verwondering is de leidraad in de gedichten van deze dichter. 

    De dichter begint met zich voor te stellen: ‘Mens is een menigte, ik is iks en wie ben jij?’ en geeft daarmee aan dat de ander net zo onbekend voor hem is als hijzelf: de x, de onbekende.

    Het leven en de liefde

    De gedichten zijn genummerd van a tot en met z, de inhoud begint ook bij het begin: de geboorte van het lyrisch ik, in wie we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de dichter mogen herkennen. Kuipers parodieert in gedicht b de kreupelrijmpjes die je op geboortekaartjes aantreft om te vertellen dat hij geboren is in oorlogstijd, vlakbij concentratiekamp Vught: ‘Dodenakker, geboortegrond, / aan mijn wiegje oorlog stond. // Een uurtje lopen van mijn bed / bevond zich  Huize Beulenpret.’ Het verloop van zijn jeugd laat hij aan de verbeelding van de lezer over: ‘Verrelief, helemaal pluis was het niet thuis / en ook op dat internaat niet en later in heel / de wijde, wilde wereld niet, verre verrelief.’ Maar van de dichter hoef je geen treurzang te verwachten: hij zwerft als vagebond over de hele wereld en beleeft avonturen als uit een jongensboek. Zijn leven wordt opgetekend in hoogtepunten, hij leert het leven en de liefde kennen als een feest van uitbundigheid. 

    ‘Pleiadeer me, pacific me,
     spiel mir noch einmal de liefde op het eerste gezicht
     en W. Whitman mag weten
     alle gezichten zijn het eerste gezicht,
     hartspapaver me, laat mijn telraam niet stoffig worden.’

    Kuipers refereert hier misschien aan de eerste regels waarmee Whitmans Song of myself in Leaves of grass begint:

    ‘I celebrate myself, and sing myself
     And what I assume you shall assume,
     For every atom belonging to me as good belongs to you’

    Misschien, want hoewel er achter in de bundel enkele verklaringen zijn opgenomen van de verwijzingen, citaten en voorbeelden die Kuipers geïnspireerd hebben, is daar over Whitman niets terug te vinden.
    Oud geworden kijkt het lyrische ik op zijn leven terug en constateert dat verwondering de drijvende kracht is geweest. Het gedicht O uit de derde afdeling klinkt als een credo:

    ‘En dat het gezegd is vanonder de appelboom
     recht in het blauwe gezicht van juli
     dat bij Doodgewoon inwoont Wonder
     geloof ik tot ik er dood bij neervallen zal.’

    Loflied op de schepping

    De tweede afdeling, ‘Zonnesteen’, is een lange ode aan de zon in een reeks van schijnbaar losse aantekeningen waarin Kuipers gebruik maakt van typografische elementen: inspringende marges, cursief gedrukte versregels, vetgemaakte woorden, om in een krans van korte gedichten een ‘geëxplodeerd’ gebed te richten tot het leven waarvan de zon de bron is. Hij vlecht hierbij geraffineerd verwijzingen en citaten in zijn gedichten, evenals kinderrijmpjes en aftelversjes. Een vergelijking met het Zonnelied van Franciscus van Assisi is onvermijdelijk, maar waar dit laatste een loflied van alle schepselen op God is, is Zonnesteen een loflied op de schepping zelf. Het leven moet gevierd worden, de versregel ‘ik wil je vieren’ komt regelmatig terug in deze bundel. Kuipers doet dat in gedichten als een ‘toverformule’, ‘die, al was het maar / een fractie van één seconde / iemand haarwortels / verlichten kan, // dat moest me toch lukken / zo nu en dan.’

    De derde en laatste afdeling Ik wil van stromend water een kloosterkleed, eindelijk weten hoe ik heet is ook onderverdeeld in gedichten van A tot en met Z. De ‘iks’ van het begin is oud geworden en na het leven geleefd te hebben, is het tijd om zichzelf onder de loep te nemen en te kijken wie er schuilgaat achter de verwondering en uitbundigheid: ‘de getuige die niet kan verklaren.’ Ziekte en dood komen op het pad van de dichter, maar ze brengen de dichter niet van zijn levensvisie af:

    ‘Ik strompel in laarzen van lood. Ik wens een eerlijk gevecht
     van mens tegen kwaal. Ik schrijf mij voor: duinpaden in ochtendmist,
     kermende meeuwen boven een lege zee. Gisteren: ga weg en verre weg
     van mij en blijf daar wonen, dadenloze donkerdagen, kopzeer,
     kou en kul. Vandaag: oud en gelukkig getrouwd met mijzelf geweest.’

    Volstrekt origineel

    Het lyrische ik laat zich kennen als een man die ondanks alles ten diepste in het leven gelooft en net als de avontuurlijke Odysseus geleerd heeft dat zijn levensvervulling niet alleen in de wijde verte, maar ook dichterbij te vinden is. Ook doet de bundel denken aan Pallieter, van Felix Timmermans, ‘de vrije man, de ongebondene (…) die alle levensmanifestaties ondergaat in ‘n roes van verrukking of in vertederende ontroering (…)’ (T. Rutten, Felix Timmermans, 1928).  Maar Kuipers is volstrekt origineel, hij heeft van deze lyrische bundel een tomeloos feest gemaakt en in schuimende, bruisende taal op elke bladzijde iets moois gezet. Hoewel hij leed en dood niet uit de weg gaat, vervalt hij nergens in zelfbeklag of pessimisme en blijven zijn gedichten getuigen van  een ‘lebensbejahende’ intentie. Een bundel om met volle teugen van te genieten. 

     

  • Ode aan het leven

    Ode aan het leven

    De eerste van de vijf gedichtenreeksen in de nieuwe bundel van Frans Kuipers (1942), Alles waait, is getiteld, ‘Het sterft van de verloren dromen hier’. De dichter is oud(er) geworden en beseft dat zijn leven voor het grootste gedeelte voorbij is, dus ook zijn dromen:

    ‘Want link is het en niet makkelijk te verstouwen,
    ziektes die niet overgaan,
    deuren voor altijd dichtgedaan,
    geen sneeuwvloks kans in de hel te maken
    en alles door zien gaan.

    […]

    Eens was het anders.

    Haast kopje-onder in haar wonder ging je.
    Achter de woorden stond haar naam.
    In de kamer op het zuiden stond je vleugel bij het raam.

    Het sterft van de verloren dromen hier.’

    De wereld is er intussen niet beter op geworden: ‘Steeds meer slagers aan het hoofd van de kudde’. Hij haalt herinneringen op aan zijn op familiefeestjes kaartspelende ooms, bezoekt zijn ouderlijk huis ‘zoals de meesten doen,/het huisje aangegaapt, rondgedwaald,/in het gras gelegen’ om met de volgende paradoxale constatering te komen: ‘alles is er nog, niets is gebleven’. Gebleven zijn de dromen, de universele natuur om het huis, maar de ooms en tantes zijn allang dood.

    Het gaat Kuipers hierbij niet om weemoed, al krijgen de gedichten door het terugkijken vanzelf iets melancholieks. De toon is luchtig, de taferelen zijn soms humoristisch met al die drinkende en zingende ooms. Kuipers citeert wat ze zongen: een cynisch liedje over de dood: ‘De kist is ien de kuul gezakt – /Boem!’ Daartegenover zet hij zijn eigen lied, een – licht veranderd – gedicht dat in zijn bundel ‘De tafel van wind’ (2001) stond. Hij is ‘de Joker’, ‘de Nar’ uit het kaartspel van zijn ooms, de kaart die altijd terzijde werd gelegd: ‘Die mocht niet meedoen maar was wel belangrijk, verklaarden zij.’ De dichter zit er duidelijk niet mee en speelt zijn rol van nar met verve. De laatste afdeling van de bundel heet ‘Narrenliederen’.
    Ondanks alle verloren dromen en voorbij avontuur staat de dichter nog hetzelfde in het leven:

    ‘Dit houd ik staande: hoe naamloos nietig en kortstondig ook
    onder maan, melkweg en sterrenstraten, groot nochtans
    het raadsel van ons figureren in dit sprookje
    van een bij het zonspinnewiel goudwevende Schone is.’

    Het gaat in het leven om het raadsel. En om schoonheid, vooral die van de natuur. Dit alles is universeel en valt nog steeds te bezingen. Dat doet Kuipers uitbundig in deze bundel. De gedichten zijn zeer persoonlijk en buitengewoon vitalistisch. Ze zijn daardoor heel aanstekelijk, zoals het eerste gedicht van de afdeling ‘Waar te beginnen’, waarin hij de lezer op een ironische wijze van advies dient:

    ‘Je koffers pakken is Goed.
    Je hielen lichten is Goed.
    Zitten op het dek van een stampende veerboot
    door kermende meeuwen omgeven is Goed,
    staan aan de reling als een dolende koning
    tussen andere dolende koningen uitkijkend over zee is Goed
    en is een Uitstekend Begin.’

    Het raadsel bestaat omdat de werkelijkheid altijd veranderlijk is en bepaald wordt door toeval: ’Altijd dat woord samenloop/met dat andere woord onachterhaalbaar in zijn kielzog’. ‘Al wat vaststaat liegt: alles waait’. Kuipers gebruikt, net als in eerder werk, vaak de wolkenmetafoor: ‘nooit komt er aan het worden van wolken een einde’. Hij richt zich op geestverwanten:

    ‘Aan de Duimpjes verdwaald
    en de kaalgeworden Kuifjes van het laatste avontuur,

    houd moed.

    Aan de dubbers en dobbelaars,
    aan de rijders op de tijger de tijger de tijd,

    een groet.’

    De moed dus om het raadsel van het leven tegemoet te treden. De laatste woorden van de bundel zijn ‘heb de moed’. Het klinkt zelfgenoegzaam, maar, schrijft hij ergens, we zijn ‘aanmodderaars onder elkaar’. De dichter heeft juist een afkeer van al die ‘ikken’, ‘mijn verhaal is niet uniek’. Hij deelt een inzicht. Dat kan hij omdat hij dichter is. Veel gedichten gaan over het dichten zelf, wat overigens een moeilijk proces is:

    ‘En als het niet te zeggen is en dat is het niet, bekwaam je dan,
    in stamelen in stamelen, hartenvanger van Hamelen.

    En als het niet te vatten is en dat is het niet,
    raadsel wil je dan mijn vriendje zijn.’

    Het zijn open en vrije gedichten, zonder vaste vorm. Ze zijn zeer verstaanbaar, heel realistisch en ook lyrisch. De regels hebben een mooi ritme en de dichter maakt veelvuldig gebruik van alliteraties en klinkerrijm. Dat levert fraaie regels op als: ‘vliegebeestjes veel en vlug vonkten in de lucht’, ‘er zijn snoevers en droeven in kroegen meer dan genoeg’.

    Er staan prachtige natuurbeschrijvingen in. Je krijgt zin om net als de dichter wandelend de natuur in te trekken om je over de schoonheid ervan te verwonderen. Vooral de korte gedichten in de afdeling ‘Passages’ zijn vaak zeer mooi:

    ‘Een cumulusdag door de zomer gedwaald, naar nergens
    op weg, naar niets getaald, onder het doorschenen groen
    van een laaghangende bladerentak aan een met de zon
    kaatseballend water gevraagd steek me aan
    leeuwenlicht, goudvonkenpolka, hemelvuurkoorts.’

    Het is poëzie waarin echo’s doorklinken van dichters als Kloos, Marsman en Campert, maar die vooral heel erg Frans Kuipers is. Alles waait is een ode aan het leven. Want ‘de wereld is zorgwekkend klote [maar] de wereld is betoverend mooi’, omdat alles waait.

     

  • Een rasechte lyricus aan het woord

    Een rasechte lyricus aan het woord

    ‘geen ander antwoord’ zijn drie woorden uit de verantwoording van deze bundel gedichten van Frans Kuipers (Vught, 1942). Gewoonlijk staat in zo’n verantwoording dat sommige gedichten in iets andere vorm elders al eens gepubliceerd zijn of wordt de aanleiding van een bepaald gedicht nader toegelicht. In dit geval is dat anders. Frans Kuipers schrijft in de verantwoording van de bundel Geen ander antwoord hoe hij tot de poëzie is gekomen. Een beginselverklaring tot slot dus, want de tekst is de laatste in het boekje. Bovendien besluit deze tekst de veertiende bundel (sinds 1965) die van Frans Kuipers verschijnt, we hebben hier dus – ondanks het beginsel – allesbehalve met een beginneling te maken.

    Of het veel verduidelijkt is een andere vraag, en het is zelfs de vraag of verduidelijking überhaupt wel de bedoeling is. Kuipers zegt in zijn verantwoording: ‘Dank ben ik verschuldigd aan stilte en straatgewoel’ en ‘Schatplichtig ben ik aan de raadselachtigheid van wereld en wezens en niet neergelegd heb ik mij bij de faillietverklaring van de fantasie door de eerste beste sterrennacht.’ Frans Kuipers is – dat moge terstond duidelijk zijn – een rasechte poëtische lyricus. Zijn vormentaal is gevarieerd, zijn vergelijkingen buitelen vol afwisseling door elkaar, het woordgebruik is dan weer uitbundig, dan weer stil. Aan neologismen geen gebrek. Een volle pagina dichterlijk proza past naadloos tussen de gedichten.

    Ik is het spookhuis, ik is het ongeregelde zootje,
    ik is de verenigde staten in voortdurende verandering,
    ik is de baas van het beestenspul maar niet heus.   

    Dit is heus: van oudsher oproerkraaiers kameraad,
    sympathiserend met outsider en zoetwaterpiraat,
    ik zei de gek zal u zeggen waar het om gaat:
    een paar regels recht voor zijn raap
    het duister in dichterlaaie te zetten.


    Knipogend

    Frans Kuipers’ gedichten zijn nu eens anekdotisch en autobiografisch, dan weer lyrisch, soms alleen maar talig en een andere keer vooral een observatie van de natuur. En onwillekeurig hoor je af en toe de echo van een andere dichter. ‘Ik ben je hei, je kroossloot en wei’… doet dat niet denken aan ‘Je bent de wolken en je bent de hei’ van J.A. dèr Mouw? Zijn de ‘Tabernakels juvenaten putlucht’ geen heimelijke knipoog naar Lucebert? De talrijke gedichten waarin de zee, de branding en de stilte hoorbaar zijn, in twee verschillende afdelingen die beide ‘Schapeneiland’ heten … beluisteren we daarin niet de weerklank van de prins der zeedichters A. Roland Holst? En aan wie doet het werk van Kuipers nog meer denken? Hanlo, Engelman, Achterberg, Kouwenaar …  Met zijn eigen mix van woorden, beeldcombinaties en dissonante wendingen vertolkt Kuipers echter een overtuigend eigen geluid.

    Tabernakels juvenaten putlucht,
    dat dorpje is verdwenen en de idioot is dood.

     Gebleven alleen
    de tjilpemus op zijn twijgje deinend.

     Uit droomstof bekokstoofd
    en eeuwig bent u: weegbree, herderstas.

     Putlucht juvenaten tabernakels,
    gisterens verloren zoon is vandaags verdwaalde vader.


    Voegend naar het leven

    Het is zoals vaak een kwestie van je openstellen voor een leeservaring. Dat ook een dichter als Kuipers, net als iedereen onvermijdelijk ouder wordend, zich voegt naar wat het leven kennelijk van je vergt blijkt uit de nostalgie die uit sommige anekdotische verzen spreekt. Zie bijvoorbeeld het prachtige gedicht op p. 42 waarin een herinnering aan vroeger verbonden wordt met de actualiteit van nu – en de toekomst: “… opeens de herinnering aan die andere bus // lang gelden genomen toen …”. En de dichter ging “… en gaat nog steeds.” Hijzelf beleeft daar kennelijk plezier aan, gezien de toenemende frequentie waarmee in de loop der jaren zijn bundels poëzie verschijnen. Op de vraag of de lezer daarmee z’n voordeel kan doen is er ‘geen ander antwoord’ dan: ja.