• Originele onderwerpen en rijke fantasie zijn een gouden koppel

    Originele onderwerpen en rijke fantasie zijn een gouden koppel

    Frank Westerman is journalist en schrijver. Hij studeerde Tropische Cultuurtechniek aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen. Hij publiceerde vele boeken, waaronder De graanrepubliek, El Negro en ik, en Stikvallei. Zijn boeken zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Gouden Uil en shortlistnominaties voor de AKO Literatuurprijs

    Die boeken van Westerman, zijn het romans, zijn het reportages, is het fictie of non-fictie, een combinatie? Kijkend naar zijn studie in Wageningen zien we daar het begin van zijn journalistieke ontwikkeling. Zijn afstudeerstage bracht hij door in Peru en daar schreef hij zijn eerste reportages. Zijn wetenschappelijke belangstelling triggert hem om zich te verdiepen in de omgeving waar hij zich bevindt en allerlei soorten informatie te verzamelen, waar hij vervolgens mee aan de haal gaat.

    Zo heeft hij boeken geschreven over zijn zoektocht naar de vindplaats van de ark van Noach (Ararat), over Srebenica waar hij zich bevond tijdens de oorlog (De slag om Srebrenica), over een opgezette Afrikaan in een Spaans museum (El Negro en ik). En ook over de moord op een boekhandelaar in Wageningen (De moord op de boekverkoopster). Kortom: geef hem informatie en hij gaat aan het werk. Dat resulteert in boeken die rijk zijn aan veel wetenschappelijke achtergronden en ook heel veel fantastische uitwerkingen daarvan. De originaliteit van zijn onderwerpen en zijn rijke fantasie zijn een gouden koppel.

    In Zeven dieren bijten terug gebruikt hij de reizen van Willem Barentsz c.s. om de noordelijke route naar de West te ontdekken en zijn overwintering op Nova Zembla als uitgangspunt om zich te richten op dieren: ‘Wie de bewoonde wereld verlaat, krijgt oog voor dieren.’ Ondanks de titel van het boek, lijkt het er vooral op dat de genoemde dieren het slachtoffer zijn van de mens en van de klimaatverandering.

    Zeven dieren

    Zeven (pool)dieren spelen in dit boek de hoofdrol: de lemming, de narwal, de paling, de ijsbeer, de rotgans, het rendier en de koningskrab. Westerman wil iets opsteken van de dieren die hij onderweg tegenkomt. Hij lardeert zijn verhaal met veel feiten, associeert er lustig op los met allerhande andere informatie. Dat begint al met de narwal, een tandwalvis met een slagtand, vaak vergeleken met de eenhoorn. Westerman vertelt de geschiedenis van een gevangene in Engeland die met zo’n slagtand iemand vermoordde.

    Als hij vertelt over de lemmingen, is hij vooral bezig een antwoord te vinden op de vraag hoe het komt dat deze beesten zichzelf in groten getale de dood injagen. Wie kent niet de verhalen over de lemmingen die zich in zee storten? Als hij verslag doet over de paling (de aal), houdt hij een pleidooi voor de openstelling van de Afsluitdijk om zo de aal weer de kans te geven om te paaien. Vooral in dit deel is hij kritisch over het ingrijpen van de mens in de natuur. Westerman haalt hier ook de rechtszaken aan die de zee, het bos et cetera voorbereiden: de natuur moet een stem hebben.

    In het hoofdstuk over de rotgans komt zelfs de Goelag Archipel voorbij. In de werkkampen in Siberië hielden de bewakers en de gevangenen zich in leven door dit dier op grote schaal te vangen en te eten. Dat kan de grote afname van deze gans verklaren. En ook als Westerman vertelt over het rendier, krijg je onverwachte informatie over de problemen tussen Noorwegen en Rusland: een IJzeren gordijn voor dieren.
    Bij het berichten over de ijsbeer komt hij met de reis die hij met zijn dochter Vera naar de Noordkaap maakte op de proppen, gekoppeld aan het bezoek van Eva Braun aan de Noordkaap, en allerhande daarvan afgeleide verhalen zoals over suïcide, de dood van zijn vader, over zijn jeugd.
    Het laatste dier dat hij behandelt is de koningskrab. Hij meldt de explosieve groei van dit dier als gevolg van het uitzetten ervan in diverse zeeën en over de daaropvolgende jacht die heeft geleid tot het feit dat het nu een bedreigde diersoort is geworden.

    Overdaad

    Westerman weet veel en dat laat hij merken in dit boek. Zie ook het uitgebreide overzicht van bronnen achterin. Dat overzicht is wel verhelderend, want het verklaart veel over alle zijpaden die hij bewandelt. Je zou kunnen stellen dat hij is overwoekerd door al die informatie. Een opvallende bron is het middeleeuwse bestiarium Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant: een heel duidelijke inspiratiebron voor Westerman. Het verklaart voor een groot deel de opzet van Zeven dieren bijten terug, afgezien van het feit dat Westerman proza schrijft en Van Maerlant zijn boek in verzen heeft geschreven.

    Over de tochten van Barentsz naar het noorden, over dwaalgasten en over alle zeven dieren krijgt de lezer veel informatie, achtergronden, en leuke weetjes voorgeschoteld en er wordt van alles bij gesleept. De auteur is een begenadigd verteller. Hij associeert erop los: van Eva Braun en zelfdoding, het sterfbed van zijn vader en de reis met zijn dochter, tot bevolkingstheorieën en milieuproblematiek. Je wilt doorlezen omdat het allemaal zo boeiend en meeslepend is geschreven, zonder te weten waar het allemaal toe dient en naartoe leidt.

    Westerman heeft een erg intrigerend boek geschreven, waarin de lezer veel leert. Toch blijft na lezing wat onbestemd en licht onbevredigd achter: wat is nu eigenlijk de boodschap? En waarom heet dit boek Zeven dieren bijten terug. Ze krijgen de kans helemaal niet. Is dit boek een waarschuwing tegen het vergaande ingrijpen van de mens in de natuur of een pleidooi om de natuur (de zee, het bos, de dieren) een stem te geven. Niettemin, een aanrader.

     

     

  • Oogst week 26 – 2024

    Aasgierkapitalisme

    De Britse Grace Blakeley (1993) noemt zichzelf een democratisch socialist. Ze denkt en schrijft aan de linkerkant van het politieke spectrum en is groot criticaster van het kapitalisme, tot uiting komend in boeken als The Corona Crash – How the Pandemic will Change Capitalism en Stolen – How to save the World from Financialisation. Ze studeerde in Oxford PPE, een combinatiestudie van filosofie, politicologie en economie. Oxford begon met deze studie in de jaren twintig van de vorige eeuw, andere universiteiten volgden later. Volgens de BBC domineert de Oxford PPE het publieke leven in het VK. Waar of niet, Grace Blakeley treedt veelvuldig naar buiten met haar boeken, artikelen en commentaren die ze ook in talloze tv-programma’s ten beste geeft.

    Begin juni verscheen Aasgierkapitalisme – Bedrijfsmisdaden tegen de menselijkheid (Vulture Capitalism – Corporate Crimes, Backdoor Bailouts and the Dead of Freedom). ‘De “vrije markt” is in werkelijkheid een planeconomie van de superrijken’ staat achterop het boek, vermoedelijk een citaat van Blakeley. Zij ziet overal om ons heen een falend en corrupt systeem. Ze betoogt dat economische elites een mondiaal systeem hebben opgetuigd, het ‘aasgierkapitalisme’, waarvan voornamelijk de superrijken profiteren. Ze geeft inzicht in honderd jaar bedrijfscriminaliteit en politieke manipulatie die aan dat systeem hebben bijgedragen. Bij economische onstabiliteit redden overheden grote bedrijven en aandeelhouders, maar het volk, de gewone mensen, wordt aan zijn lot overgelaten. De economie moet gedemocratiseerd worden, zegt Blakeley, het is de enige manier om ongelijkheid en polarisatie op te heffen en iedereen vrijheid te garanderen.

     

    Aasgierkapitalisme
    Auteur: Glace Blakeley
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Zeven dieren bijten terug

    ‘Mijn helden zijn niet de ijszeeverkenners uit de zestiende eeuw. Hen laat ik verspreid over de bladzijden uitwaaieren als dwaalgasten. Op het hoofdpodium plaats ik de dieren met wie zij onderweg, direct of indirect, de confrontatie zijn aangegaan. In het kielzog van Willem Barentsz ben ik ze nagereisd en heb ze uit hun smeltende wereld gelicht: de narwal, de lemming, de paling, de rotgans, de ijsbeer, het rendier en de koningskrab. Met z’n zevenen nemen ze het mensendefilé af in mijn bestiarium’ meldt de succesvolle non-fictieschrijver Frank Westerman in Zeven dieren bijten terug.

    Het is zijn reisverslag van een tocht vanaf de Waddeneilanden tot voorbij de Noordkaap. De hoofdrol is niet weggelegd voor de ‘dwaalgasten’ hoewel Willem Barentz als rode draad fungeert en het Behouden Huys op Nova Zembla als decor. Waarnemer Westerman schrijft in zijn literaire, humoristische stijl onder andere met anekdotes over de doodsstrijd en overlevingskunst van de zeven pooldieren en de problematische menselijke omgang met de aarde. Hij laat zien wat de dieren ons vertellen over de gevolgen van de opwarming ervan.

    Frank Westerman studeerde tropische cultuurtechniek in Wageningen. Hij werkte als verslaggever voor Volkskrant en NRC. Hij schreef talloze non-fictie boeken waarvan vele een prijs wonnen, zoals De graanrepubliek uit 1999 (Dr. Lou de Jongprijs) en inmiddels een veelgelezen klassieker, Ararat uit 2008 de Ako literatuurprijs en De slag om Srebrenica (2018) de PrinsjesBoekenPrijs, de prijs voor het beste politieke boek.

     

    Zeven dieren bijten terug
    Auteur: Frank Westerman
    Uitgeverij: Querido Fosfor

    Onfatsoenlijk en luxueus

    Coen Peppelenbos is schrijver, dichter, recensent en docent. In 1998 richtte hij het literaire tijdschrift Tzum op, dat tot 2012 in papieren vorm verscheen. Nu is het een digitaal tijdschrift, met nog steeds Peppelenbos als hoofdredacteur. Uitgeverij kleine Uil publiceert het. Recent gaf deze uitgeverij Onfatsoenlijk en luxueus van Coen Peppelenbos uit, een van de drie novellen die ter gelegenheid van Roze Zaterdag verschenen.

    Het boek gaat over Chris Vos, die een kostbare uitgave van De stille kracht van Louis Couperus begeert. Vos, een onopvallende, bescheiden man, werkt bij het Groninger Museum als beleidsmedewerker, maar in de praktijk houdt hij zich bezig met het bespelen van oude mensen om hun kunstwerken aan het museum te schenken. Hij weet een weduwe zo ver te krijgen dat zij het museum bijna haar hele collectie schilderijen doneert. In haar boekenkast ziet Vos De stille kracht staan, in een kostbare band van gebatikte katoen en fluweel, ontworpen door kunstenaar Lebeau over wie Vos nog eens een boek wil schrijven. Thuis heeft hij een paar mindere uitgaven van het boek en voortdurend speelt hij met het idee om een daarvan om te ruilen voor de kostbare van de weduwe. Zijn leven is stil sinds de dood van zijn vriend en via een dating-app ontmoet hij Gio, een student kunstgeschiedenis. Deze laat hem betalen voor de seks, maar weet veel over de schilderijen bij Chris aan de muur. De grenzen tussen hen vervagen en Gio blijkt ook nog iemand anders te zijn.

     

    Onfatsoenlijk en luxueus
    Auteur: Coen Peppelenbos
    Uitgeverij: kleine Uil
  • De waarheid regeert

    De waarheid regeert

    Een journalist die de complexe problemen rondom globalisering wil verslaan, moet ook op zijn eigen werkwijze reflecteren. Wie laat hij aan het woord, hoe beïnvloeden zijn vooroordelen de besluitvorming en waar trekt hij de scheidslijn tussen mening en waarheid, tussen fabel en verslag? Voorgaande vragen sluimeren steeds op de achtergrond in de essays die reportagemaker Frank Westerman heeft gebundeld in zijn boek Te waar om mooi te zijn. De titel weerspiegelt Westermans fascinatie voor verhalen, die niet ontsproten zijn aan fantasie, maar realiteit. Hij slaagt erin om uiteenlopende impressies sfeerrijk en humoristisch te schetsen en ze op een natuurlijke wijze aan elkaar te breien. Uit die montage put Westerman vernieuwende inzichten op hoe de mens met zijn omgeving tracht en dient om te gaan.

    Moordlustige ijsberen en sovjet-apen

    Die diversiteit aan verhalen resulteert in een bizarre en schijnbaar absurde opeenvolging van gebeurtenissen. Aanvankelijk lijken Spitsberger ijsberen, Drentse motorraces of milieuactivisme rondom een Franse stuwdam weinig gemeen te hebben.  Er zijn evenwel constanten die dadelijk opvallen, zoals Westermans sobere maar puntig geformuleerde opmerkingen. Op Spitsbergen diende hij een training te volgen om zich gewapenderhand te kunnen verdedigen tegen moordlustige ijsberen. Over de veiligheidsinstructie van die training schrijft hij dat ‘die belangrijk is, omdat je een grotere kans loopt door je eigen wapen om te komen dan door een ijsbeer.’ De combinatie van de laconieke toon en het waarheidsgehalte van zulke zinnen werkt wonderwel. Wie echter lineair geconstrueerde verhalen verwacht, is bij Westerman aan het verkeerde adres.

    Wat wél een rode draad vormt, is de relatie tussen mens en natuur. Het is duidelijk dat Westerman ervan overtuigd is dat de opportunistische houding van de mens tegenover zijn omgeving afgelopen eeuw heeft geleid tot catastrofes. In ‘De apenrots van de Sovjet-kameraden’ troont hij ons mee naar het verwilderde apeninstituut van de Sovjet-Unie in Georgië. De verloedering van de dieren en de wanhoop van de onderzoekers koppelt hij aan de ondergang van de socialistische heilstaat die leidde tot de oorlog in Georgië. Dat verband beklemtoont Westerman met een ijzersterke slotalinea, waarin de bundel grossiert: ‘Vier jaar nadien weet zich in de bossen rond de verlaten luchthaven nog altijd een groep bavianen te handhaven. Startsjev zou ze willen tellen, observeren […] of vangen. ‘Maar niemand durft erheen’, zegt hij. “Het wemelt er van de mijnen.”

    Journalistiek impressionisme

    De vluchtigheid van zijn stijl en de verscheidenheid van zijn essays corresponderen met hoe de werkelijkheid volgens Westerman in elkaar steekt. In de inleiding staat er dat ‘de werkelijkheid te weerbarstig is voor haastwerk. Zij is te krom om recht te praten, te geplooid om glad te strijken, te ongerijmd voor een limerick.’ In het essay ‘De zalm die lacht’ verweeft hij het eerdergenoemde conflict over de stuwdam met zijn eigen ervaringen als student waterbouwkunde. Vanuit zijn expertise formuleert Westerman bedenkingen en kritische vragen. Als student heeft hij namelijk bijgedragen aan de opbouw van zulke dammen, terwijl de huidige, milieubewuste jongeren ze net willen afbreken. Door dat contrast te scheppen tussen zijn en de huidige generatie jongeren tracht Westerman de problematiek van de mens-natuur-relatie op scherp te zetten.

    In zulke (generatie-)conflicten voelt hij er zich zelden toe geroepen de lezer van een antwoord te voorzien. De eerlijkheid waarmee hij zijn eigen twijfels te berde brengt, dwingt je als lezer om eveneens je vooroordelen op te schorten. Die kritische en empathische participatie van de lezer dwingt de auteur af met goed getimede poëtische middelen. Aan het eind van het essay over de stuwdam schrijft hij: ‘Maar hoe ik het ook probeer, ik kom uit bij de echoput: wie roept in de lege kom van le grand lac, hoort tussen de bergwanden de tijdsgeest weergalmen. Of dat een goede geest is of een kwade, hangt af van de (on)verbeterlijkheid van de roeper die ook toehoorder is.’

    Die subjectieve methode om als journalist zijn eigen waarneming te bevragen wordt expliciet tot thema gemaakt in het essay ‘In de schoenen van maestro kapu.’ Het is een ode aan en tevens een bespreking van het werk van de Poolse verslaggever Ryszard Kapuściński, door Westerman sterk bewonderd. Dankzij zijn systematische gehalte vormt dit essay een cruciaal punt van de bundel. Kapuściński is namelijk niet onomstreden, aangezien vlak voor diens dood bleek dat hij sommige zaken uit zijn duim had gezogen. Voor Westerman lijkt dat echter weinig afbreuk te doen aan de literaire spitsvondigheid, waarmee de Poolse verslaggever zijn talloze reizen beschreef. Westerman vergelijkt zijn mentor met Vincent van Gogh, omdat Kapuściński het impressionisme in de journalistiek heeft binnengebracht. De Nederlandse volgeling roemt de ongepolijste stijl van de Pool en diens voorkeur voor de parafrase, want ‘door na te vertellen kan hij de kern van de zaak beter uitlichten, eigen accenten aanbrengen. Of ons met een twist de andere kant op doen kijken, de kant die hij wil.’

    Fabelachtige montage

    Het gebruik van impressionistische miniatuurtaferelen, die elkaar naadloos afwisselen, bepaalt eveneens de structuur van de andere essays. De meest verfijnde toepassing hiervan is te vinden in ‘Duel op 8000 meter’. Dat handelt over een aanvaring tijdens de beklimming van de Mount Everest, die de Nederlander Bart heeft gehad met de Wit-Russin Irina. Bart heeft over dat avontuur een boek geschreven, terwijl Westerman Irina in Minsk is gaan opzoeken om haar kant van het verhaal te horen. Irina’s relaas wisselt hij af met cursief gedrukte citaten uit Barts boek. Die montagetechniek zorgt ervoor dat het onderwerp op een dynamische manier vanuit tegengestelde invalshoeken wordt belicht: ‘“ik vreesde dat hij het niet zou pikken als hij door een vrouw werd ingehaald.” “Dan hoor ik gehijg. Ik kijk om en zie dat de klimster me volgt. Ik schreeuw dat ze moet omkeren.” Irina vertelt over de ijle lucht op achtduizend meter.’

    Te waar om mooi te zijn is een coherente essaybundel, die je blik op de zaken telkens probeert om te keren. In het essay met dezelfde titel als het boek schrijft Westerman dat ‘het gros van de wereldbevolking liever op fabels dan op feiten vaart.’ Ik reken mijzelf met graagte tot diezelfde meerderheid, ware het niet dat Westerman de feiten zélf fabuleus opschrijft.

     

     

  • Oogst week 15 – 2022

    Te waar om mooi te zijn

    Wat een prachtige combinatie van titel en omslag: Te waar om mooi  te zijn tegen de achtergrond van één van de bekendste werken van Teun Hocks die de meest bizarre scènes ontwierp voor zijn kunst.  In het boek heeft Frank Westerman veertien verhalen gebundeld die ontstonden naar aanleiding van reizen van hem naar Venetië, naar Auschwitz, naar Spitsbergen enzovoort. Het zijn verhalen over de kunst, de mens en de natuur. In zijn Proloog schrijft hij: ‘Toen ik zelf elf was wilde ik landmeter worden. Ik voelde me aangetrokken tot de landmeters bij ons in de straat – mannen in oranje hesjes met reflecterende strepen. Turend door hun kijkers liepen ze alle dingen in de omgeving na; gewoon voor de zekerheid, of alles inderdaad zo was als het leek.
    Van dit nalopen van de werkelijkheid heb ik mijn beroep gemaakt. Wat is Wahrheit, wat is Dichtung? Ik laat me niet graag bedonderen, maar wel betoveren – met als gevolg dat ik al mijn leven lang achter feiten aanhol. Die feiten spreken nooit voor zich. Al rooster je ze boven een vuurtje, ze houden hun mond. Jij bent het die de feiten een stem geeft, leven inblaast. We zijn feitenfluisteraars die de dingen woorden en betekenissen toedichten’. Westerman stemt graag in met wat Antoine de Saint-Exupéry in De kleine prins schrijft: ‘Een kind kijkt niet alleen met zijn ogen. Het weet dat de belangrijkste dingen onzichtbaar zijn.’

    Te waar om mooi te zijn
    Auteur: Frank Westerman
    Uitgeverij: Querido Fosfor

    De schaamte

    Sinds Nederland in 2020 enthousiast kennismaakte met De jaren van Annie Ernaux verschijnen in hoog tempo herdrukken van vertalingen van haar werk zoals Meisjesherinneringen (eerder in 2017) en Het voorval (eerder in 2004). Nu is er ook een herdruk van De schaamte dat in 1998 al eerder verscheen, ook toen in de vertaling van Rokus Hofstede. Al haar boeken zijn autobiografieën van een bijzonder soort. Zeer persoonlijke en schokkende verhalen afgezet tegen de tijdgeest waarin ze leefde. De schaamte begint op 15 juni 1952 toen de twaalfjarige Annie er ’s middags getuige van was dat haar vader haar moeder met een mes wilde vermoorden. Sindsdien was er voor haar een leven daarvóór en een leven daarná: ‘Ik schaamde me voor mijn ouders, voor de gescheiden vrouwen om mij heen, voor de dronken klanten in ons café, voor hun platte taalgebruik, voor al die verstarde gebruiken die hoorden bij mijn sociale klasse; meisjes kregen hun eerste permanentje na de communie, jongens droegen voor het eerst een lange broek op de eerste schooldag, trouwen moest je op die en die leeftijd, alles was vastgesteld. In De schaamte wilde ik onderzoeken wat er in mij nog over was van dat meisje van twaalf. De enige manier waarop ik dat kon doen was door als het ware etnoloog van mijzelf te worden. Ik zocht naar wetten, waarden, rituelen en de taal van mijn milieu, mijn school en mijn familie en ik zette de beelden uit mijn herinnering om in woorden, zodat ze een soort documenten werden. Maar niemand kan zich zichzelf echt herinneren. Het meisje van toen lijkt in niets meer op de vrouw die ik nu ben. Ik zou haar niet herkennen als ik haar tegenkwam’.

    De schaamte
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Station Tokio Ueno

    De Japanse Yu Miri (1968) is kind van Koreaanse ouders maar schrijft in het Japans en woont met haar zoontje in het Fukushima van na de ramp in 2011. Ze heeft er een boekwinkeltje en een theater. En ze schrijft zo nietsontziend dat haar eerste roman in 1994 in Japan verboden werd.
    Hoofdpersoon en verteller in haar eerste in het Nederlands vertaalde boek Station Tokio Ueno is  Kazu, een bouwvakker uit Fukushima die gesloopt wordt door zijn werk, zijn gezin zelden ziet en tenslotte leeft in het daklozenkamp Tokio Ueno, vlakbij het station. Het toppunt van vernedering is dat het tentenkamp met zijn bewoners tijdelijk ontruimd wordt als de keizer langs komt voor een museumbezoek. Die tragiek wordt nog eens benadrukt doordat Kazu op dezelfde dag jarig is als keizer Akihito en zijn zoon op dezelfde dag als diens zoon en huidige Japanse keizer Naruhito.
    Kazu werkt bij de aanleg van de voorzieningen voor de Olympische Spelen die de aandacht van de wereld moeten trekken, maar mensen als hij vinden geen plek in die gelikte wereld. Pas langzaam wordt de lezer duidelijk vanuit welk perspectief Kazu zijn verhaal doet.

    Station Tokio Ueno
    Auteur: Yu Miri
    Uitgeverij: De Geus
  • Oogst week 47

    Of heb ik het verzonnen?

    Het hart van Of heb ik het verzonnen?, de briefwisseling tussen (jeugd)vrienden Herman Koch en Wanda Reisel, wordt gevormd door de teruggevonden ‘Barcelonabrieven’, geschreven in de periode 1986-1988. Koch en Reisel waren toen nog beginnende schrijvers, die genoeg vertrouwen in elkaar hadden om werk in onvoltooide staat aan elkaar te laten lezen. Aan deze directe en relatief ongestileerde brieven gaat correspondentie uit de periode 2011-2013 vooraf, waarin Koch en Reisel proberen hun gezamenlijke verleden te reconstrueren. Herinneren, incl. de feilbaarheid van het geheugen, is het centrale thema in deze brieven, waarvan een deel in een andere vorm tijdens de Boekenweek van 2012 in de Volkskrant verscheen. Of heb ik het verzonnen? besluit met brieven geschreven in het voorjaar van 2017, waarin veel gelezen en wordt en geschreven aan nieuw werk.

    Of heb ik het verzonnen? is een zorgvuldig gecomponeerde brievenbundel – waarbij The Sense of an Ending van Julian Barnes, het boek en de film, als structurerend element dient – waarin elke brief bijdraagt aan een  verhaal over een op gedeelde (jeugd)ervaringen, verenigbare karakters en geambieerd schrijverschap  gestoelde vriendschap.

    Of heb ik het verzonnen?
    Auteur: Herman Koch en Wanda Reisel
    Uitgeverij: Das Mag

    De dagen van Leopold Mangelmann

    Al voor wat nu beschouwd wordt als zijn officiële Blauwe maandagen (1994) was Arnon Grunberg productief en schrijver. Uit het vorig jaar verschenen Aan nederlagen geen gebrek: brieven en documenten 1988 – 1994 blijkt dat veel van wat Grunberg dacht en schreef al in het teken te staan van het schrijverschap dat hem voor ogen stond toen eenmaal duidelijk was dat carrière maken als acteur niet tot zijn mogelijkheden behoorde. De dagen van Leopold Mangelmann: een keuze uit de archieven van Arnon Grunberg is de fictieve pendant van Aan nederlagen geen gebrek. Het bevat een deel van het materiaal, inclusief een complete roman, dat zijn uitgever Vic van de Reijt – met zo’n uitgever heb je geen biograaf meer nodig – bij het samenstellen van het ‘brievenboek’ in de ouderlijke woning van Grunberg aantrof.

    Uit zijn selectie blijkt dat Grunbergs thematiek en aanpak al in zijn vroege werk aanwezig is. Niet alles in De dagen van Leopold Mangelmann verschijnt voor het eerst, maar deze ruime keuze geeft inzicht in de wordingsgeschiedenis van een auteur en het ontstaan van een oeuvre.

    De dagen van Leopold Mangelmann
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Een botsing op het spoor

    In Een botsing op het spoor reconstrueert Joris van Casteren wat voorafging aan en volgt op een aanrijding met twee personen en vier honden op 28 november 2016 bij de spoorwegovergang Slonsweg-Scheidingsweg, op het traject Nijmegen-Roermond.  Op de inmiddels van hem bekende manier doet hij onderzoek, spreekt met betrokkenen en monteert hij de verkregen informatie tot een niets ontziend journalistiek stuk met de kenmerken van literaire non-fictie. Joris van Casteren verzacht de omstandigheden niet, maar voorziet de slachtoffers, de getuigen en de  gruwelijkheden van hun context.

    Dat Joris van Casteren zich na Het been in de IJssel (2014) toch weer waagde aan losse ledematen had niet alleen met die ene hond die ontkwam te maken, maar ook met de verhalen die hij tijdens het onderzoek voor Het station (2015) van machinisten hoorde over spoorsuïcide.

    Een botsing op het spoor
    Auteur: Joris van Casteren
    Uitgeverij: Querido Fosfor
  • Het graan, de republiek en het geld

    Het graan, de republiek en het geld

    ‘Weet u wat het is met dat boek?’ Hij heeft dik grijs haar en daaronder een knoestig gezicht. ‘Dat boek is te goed. Iedereen herinnert het zich als een mooi boek. Dat zei u toch ook daarnet? Maar weet u wat het is met De graanrepubliek? Een boek kan ook te mooi zijn, waardoor je vergeet hoe erg het was. De mensen hier waren arm, straat- en straatarm. En weet u hoe dat voelt?’

    Hij verwacht geen antwoord en gaat zitten op een bankje bij de Reiderhoeve, een informatiecentrum over dit gebied. Over de Dollard, de Wadden en de polders die een hoofdrol spelen in het boek van Frank Westerman. Hij draagt een schort, niet dat van een kok maar meer van iemand die vuil werk doet. Hij vertelt dat elke strook land die aanslibde voor de eigenaar was. ‘Rijkdom verkreeg je per opstrekkende meter, meneer, en dat waren heel wat meters.’ Hij glimlacht en overdenkt wat hij net gezegd heeft.

    ‘Het is niet zo mooi als het lijkt, meneer. De herenboeren, vaak hoogopgeleid, bij een aantal van hen heeft de klei nooit onder hun nagels gezeten, die dronken thee met hun pink in de hoogte en lieten huizen bouwen waar nu nog iedereen zich aan vergaapt.

    Schoonheid, noemen we dat. Maar wat mooi is, is misleidend. Dat zei ik al, geloof ik. En dan gingen een aantal herenboeren in het geniep op cursus en vervreemdden zich van waar ze vandaan kwamen. En weet u wat de stad was waar ze naartoe gingen om bij te leren? Moskou meneer, op vijfjaren-plannen-les, ja zo heette dat, bij Stalin gingen ze op les. Dat vinden we nu toch lichtelijk krankzinnig.’ De man veegt met de buitenkant van zijn hand zijn snor af.

    Ik moet denken aan een scène uit De graanrepubliek waarin Frank Westerman op bezoek gaat bij een zekere Koert. In 1970 werd die de eerste CPN-gedeputeerde in de provincie Groningen. Westerman staat voor zijn boekenkast. ‘Zoek je Das Kapital?’ vraag Koert. ‘Dat heb ik in het Duits. Het is mijn bijbel.’
    De man lijkt na te denken. Ik vertel hem dat ik onder de indruk ben van de lage horizonnen, de hoge luchten en de boomgroepen rond de hoeven. ‘U zei bomen, meneer? Elke boom moest weg. Ja echt, elke boom. Alleen die een praktisch nut hadden bleven staan. Wel handig bij dikke mist, je wist dat bij de derde boom jouw land begon.’

    We praten over de visserij. Dat wat hier nog aan visstand was door de aanleg van de Afsluitdijk in de war gegooid werd. ‘Niets dan armoede. Elke dag maar duwen tegen de slikslee om de vangst uit de netten te halen.’ De opkomst van Delfzijl werd de redding, veel mensen kregen een vaste baan. ‘Maar toen kwam de crisis, meneer. Fabrieken moesten sluiten, de werkloosheid spoot omhoog.’

    Onverwacht staat hij op. Met een armgebaar relativeert hij alles wat hij zonet gezegd heeft, lijkt het. Hij recht zijn rug. ‘Ja het is een mooi boek, meneer, een mooi boek.’ Hij wijst naar boven, daar is een uitkijkpost op het dak van het informatiecentrum. ‘Daarbinnen is een trap,’ zegt hij terwijl hij zijn handen aan zijn schort afveegt. ‘Daar kunt u rondkijken over het landschap, over die enorme ruimte. Het waait nu lekker, dan wuift het graan. Iets mooiers vind je niet.’

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

    foto’s: Anneke van Kroonenburg

     

     

  • Frank Westerman wint twee belangrijke prijzen

    In 2016 werd Een woord een woord genomineerd voor de ECI-literatuurprijs en voor de Librisprijs. De nominaties leverden hem geen prijs op maar dit jaar kwam het er dan van: met zijn boek Een woord een woord werd Frank Westerman (1964) in de afgelopen dagen twee maal gelauwerd. Hij won de M.J. Brusseprijs voor het beste journalistieke boek en de VPRO Bob den Uylprijs voor het beste Nederlandstalige reisboek uit het afgelopen jaar. Aan de prijzen zijn respectievelijk 10.000 en 7.500 euro verbonden.

    Westerman was als scholier getuige van de Molukse gijzelingsacties in de jaren 70, versloeg als correspondent de oorlog in Bosnië en terreuraanslagen van Tsjetsjenen in Rusland. In Een woord een woord onderzoekt Westerman wat het antwoord op terreur moet zijn. Voor de Brusseprijs was een record aantal inzendingen van 182, waarvan vijf boeken werden genomineerd.

    De jury van de Bob den Uylprijs, onder leiding van Frits van Exter koos het boek omdat: ‘Het is een stoutmoedige onderneming, waarbij journalist en mens elkaar goed aanvullen. Het verhaal biedt misschien geen makkelijke conclusies, maar voegt iets wezenlijks toe aan het debat.’ Van Exter maakte de winnaar bekend in het programma Met het oog op morgen op Radio 1.

    Voor de M.J. Brusseprijs waren naast Westerman de volgende titels genomineerd: Heineken na Freddy – Stefan Vermeulen, Juliana – Jolande Withuis, 1936 – wij gingen naar BerlijnAuke Kok en Fout in de Koude Oorlog – Martin Bossenbroek.

    Vorig jaar won Marcia Luyten met Het geluk van Limburg.

    Zondagmiddag ontving Westerman in de Amsterdamse Hortus de Bob den Uylprijs. Juryvoorzitter en VPRO-directeur Lennart van der Meulen:

    “In een tijd waarin woorden besmet zijn geraakt, waarin feiten worden betwist en leugens regeren koos de jury voor een boek dat de vraag centraal stelt of het woord een wapen kan zijn in de strijd tegen geweld. Meer dan ooit is er behoefte aan schrijvers die op zoek gaan naar de verhalen achter de propaganda, de oneliners van Twitter en de gehackte sociale media. Schrijvers en journalisten zijn wapenbroeders in de strijd tegen leugen en bedrog.”

    Een woord een woord gaat over een reeks spraakmakende gijzeldrama’s en begint met de Molukse acties in de jaren zeventig bij De Punt. Westerman maakt zichtbaar hoe smal de demarcatielijn is tussen activisme en terreur. En dat elke tijd gekenmerkt wordt door geweld en excessen en hoe de stap naar radicalisering ontstaan kan. Een journalistieke reportage met persoonlijke bespiegelingen en historisch onderzoek, dat een zeer bijzonder boek oplevert.

     

    Overige genomineerde titels voor de Bob den Uylprijs waren: Winter-IJsland – Laura Broekhuysen, De gloed van Sint-Petersburg. Wandelingen door heden en verleden – Jan Brokken, Bonbons voor mevrouw Assad. Achter de linies van het Syrische regime – Robert Dulmers , Op reis met mijn vader (die dood is) – Maarten van Riel – en Atjeh. Het verhaal van de bloedigste strijd uit de Nederlandse koloniale geschiedenis – Anton Stolwijk.

     

    Zondag 18 juni is Frank Westerman te gast in VPRO Boeken.
  • Te waar om mooi te zijn

    Te waar om mooi te zijn

    De relatie tussen werkelijkheid en kunst is altijd een ongemakkelijke. Kunst is per definitie een selectie en interpretatie, die net zomin ‘echt’ is als de kaart van ons land Nederland is. Sterker nog, hoe dichter kunst de werkelijkheid benadert, des te banaler en oninteressanter ze wordt. Goede kunst houdt daarom altijd afstand tot de werkelijkheid, omdat in die afstand de betekenis wordt geboren.

    Je ziet dat mooi bij portretten, waarin – hoe naturalistisch en gelijkend ze ook zijn – vaak een forse dosis interpretatie zit. Afstand tot de werkelijkheid omdat dat noodzakelijk is voor een goed begrip van wie iemand is of waar hij voor staat. Dus toen Bernini, één van de beste portrettisten uit de geschiedenis, in 1665 de Zonnekoning portretteerde gaf hij hem een extra groot voorhoofd en reukorgaan mee, omdat dat volgens de beeldhouwer sinds Alexander de Grote, kenmerkend is voor grootse heersers. En het was voor Bernini belangrijker dat zijn portret de gewenste grandeur van de koning toonde dan dat het daadwerkelijk op Lodewijk XIV zou lijken.

    Je vraagt je af hoe zo’n begenadigd portrettist de nieuwe president-elect van de Verenigde Staten zou portretteren. Hoe zou Bernini hem grandeur geven? Zou hij zijn neus net zo groot maken als die van Alexander en zijn haardos net zo flamboyant als die van de Zonnekoning? Zou hij hem mooier maken dan hij in werkelijkheid is, of zou dat bij deze heerser-in-de-dop niet werken omdat niemand zou geloven dat dat echt is? Want als de waarheid lelijk is, wordt het ongeloofwaardig als je hem probeert te pimpen.

    Volgens Frank Westerman komt dat omdat iets soms ‘te waar is om mooi te zijn’. Hij sprak deze woorden tijdens zijn Verweylezing in Leiden, waarin hij uitlegde waarom hij liever non-fictie schrijft dan fictie. Omdat je volgens hem met feitenliteratuur bestaande, moeilijk grijpbare zaken beter bij de kladden kunt pakken, zonder dat ze losraken en afdrijven van het hier en nu. En omdat je met feitenliteratuur tegenwicht kan bieden tegen het alomtegenwoordige fabuleren. Tegen de simplistische ‘waarheden’ die ons dankzij internet tegenwoordig waar je ook maar kijkt in de media boven het hoofd dreigen te groeien.

    Feitenliteratuur? Is dat wat we nodig hebben om de onwerkelijke verkiezing van president-elect Trump te kunnen begrijpen? Of heeft Bernini toch gelijk en schiet de werkelijkheid uiteindelijk te kort voor een goed begrip? En moeten we die werkelijkheid een beetje geweld aan doen om haar te begrijpen, door er hier en daar wat bij te verzinnen? Ik denk dat de tijd nog niet rijp voor een antwoord op deze vragen. De werkelijkheid is nog te waar om kunst te zijn. Want kunst is interpretatie en interpretatie vraagt afstand. Daarin wordt betekenis geboren. Ook, of misschien wel juist, als die ongemakkelijk is.

    Zie hier een afbeelding van de Zonnekoning

     

  • Literatuur van feiten

    Literatuur van feiten

    Zowat gelijktijdig verschenen twee verzamelbundels: Het beste van Atlas en Het eerste van Fosfor. Atlas was een tijdschrift in boekvorm waarin longreads werden gepubliceerd van schrijvers als Jan Brokken en Geert Mak. Het tijdschrift is niet meer. Frank Westerman, die erin debuteerde, stelde nu Het eerste van Fosfor samen. Fosfor is een digitale uitgever van longreads en e-boeken.

    Beide uitgaven zijn schatplichtig aan het New Journalism van auteurs als Truman Capote en Tom Wolfe. Frits van Exter, hoofdredacteur van Vrij Nederland, zong er onlangs ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het weekblad nog de lofzang over in het praatprogramma in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam, OBA Live (10 september jl.). De beste omschrijving die aan New Journalism en longreads kan worden gegeven, is wellicht: ‘lange journalistieke verhalen’, literatuur van feiten. Iedereen kent het genre, van Hoe God verdween uit Jorwerd (1996) tot Congo van David Van Reybrouck (2010) en De vergelding van Jan Brokken (2013).

    Geestig is dat Tijs van den Boomen in het eerste journalistieke verhaal uit Het eerste van Fosfor, ‘Turtle 1. De auto uit Afrika’, al dan niet toevallig meteen al speelt met begrippen uit het genre: lang verhaal en slow food: ‘Lang verhaal kort: “Laten we de auto de Turtle dopen, de Turtle 1, want het is een eerste versie”. Even blijft het stil. Doctor Waco neemt als eerste het woord: “Het is een prachtige naam, de schildpad staat voor slow but steady”.’ Het is een verhaal met onderkoelde humor: ‘”Don’t worry”, zegt George, “komt in orde”. Dus niet.’ En: ‘In allerijl moesten monteurs nog op zoek naar een andere versnellingsbak, nieuwe schokbrekers voor de vleugeldeuren en nog zo een en ander.’

    Net als in andere journalistieke of literaire uitingen verschilt de vorm van een longread ook. Van een interview, zoals in De man die naar Mars wilde van Joris van Casteren, tot verschillende lettertypen die afwisselend heden en verleden of realiteit en overpeinzingen weergeven in respectievelijk rechte en cursieve letters, zoals in Elfie Tromps Alfateef en Rasit Elibols Camping Blues.
    De onderwerpen lopen uiteen van de bouw van een auto in Ghana, Martijn Kroezen, de man die een enkeltje naar Mars probeerde te boeken, hondenshows, Alasam S., die in 2011 in het Groningse Baflo zijn vriendin Renske Hekman en motoragent Dick Haveman vermoordde, de beschieting op de Dam op 7 mei 1945, en het fenomeen kamperen tot het invriezen van lijken om ze eens weer tot leven te kunnen wekken (cryonisme).

    De overeenkomst tussen alle longreads, inclusief een toegift van de uitgever, een true crime van de godfather van Fosfor, Frank Westerman, is een constant hoog niveau. Indrukwekkend in het verhaal van Rob Zijlstra is bijvoorbeeld dat hij, na een uitgebreide beschrijving van het proces tegen Alasam S. een witregel invoegt, gevolgd door slechts één woord: ‘Levenslang’.
    Het minst geslaagde verhaal is misschien dat van Auke Kok. Hierin ontmythologiseert hij de rol van de Binnenlandse Strijdkrachten, iets dat op zich al eerder is gedaan. Wat stoort zijn soms overbodige opmerkingen en minder fijnzinnige humor. Overbodig en pijnlijk is de zinsnede: ‘Als ze die vlag had thuisgelaten was ze misschien wel heel oud geworden’ nadat is beschreven dat koerierster Annick van Hardeveld in een Nederlandse vlag gehuld zich op 4 mei 1945 op straat waagde. Minder fijnzinnig is een opmerking als: ‘Er zijn tijdens de Drie Dwaze Dagen niet alleen in de schaduw van De Bijenkorf maar op zovele andere plaatsen mensen gesneuveld’.

    Wat mist, is een register met informatie over de auteurs, hoewel die achtergrondgegevens wel op de website van Fosfor zijn terug te vinden. Net als uiteraard nieuwe longreads. Misschien leiden die naar Het tweede van Fosfor. Wie weet. Het smaakt in ieder geval naar meer.


    Het eerste van Fosfor

    Samengesteld door: Frank Westerman
    Verschenen bij: Atlas Contact/Fosfor
    Aantal pagina’s: 348
    Prijs: € 19,99

  • Over de herijking van het kinderlijk geloof

    Over de herijking van het kinderlijk geloof

    In dit rijke verslag, dat net zoveel kanten bezit als een flonkerende diamant, knoopt Westerman geologische, godsdienstige, politieke en persoonlijke onderwerpen op een vloeiende manier aan elkaar, waarbij de herijking van zijn hervormde geloof voorop staat. De geplande beklimming van de berg Ararat vraagt om bezinning. Geloven en weten, mythe en kille werkelijkheid strijden met elkaar op de flanken van de berg waar volgens de overlevering Noach ooit met zijn ark gestrand zou zijn. Volgens diluvionisten, d.w.z. aanhangers van het geloof in de zondvloed, moet dat op een woensdag geweest zijn.

    De proloog begint verrassend met een vakantie in Frankrijk, waar de twaalfjarige Frank bijna verdronk toen hij met andere kinderen een dam maakte in de rivier. Het verhaal gaat vervolgens verder met een blik op de Ararat vanuit Jerevan waar hij eerder als Russisch correspondent aan het werk was. De Armenen kunnen alleen maar kijken naar hún berg die over de Turkse grens ligt.

    Omdat het boek zoveel facetten kent, geef ik van alle vier bovengenoemde onderwerpen enkele voorbeelden:

    – het geologische speelde al vroeg in het leven van Westerman een rol omdat zijn vader bij de N.A.M. in Noord-Oost Nederland werkte. Het gezin nam eens op een zondag een kijkje bij een boortoren in de buurt, die niet veel later door een ongeluk met de gaswinning de bodem inzonk. Hij bezoekt de plek later met een vroegere werknemer. Geologische lagen werden door elkaar geschud. Later gaat hij naar de Ararat om foto’s te maken voor Armeense geologen die daar niet mogen komen en graag meer over de natuurlijke historie willen weten.

    – wat betreft het godsdienstige viel met het inzicht in de ijstijden het doek voor de diluvionisten. In 1829 werd het onbedwingbaarheidsgebod, dat vanwege godsdienstige redenen een verbod stelde op beklimming, doorbroken door de Duitser Parrot, maar een jaar voor zijn dood werd een klooster, dat op de flanken van de berg lag, door een aardbeving verzwolgen. Arkzoekers gaven echter niet op en bleven komen zoeken naar resten van de ark, waaronder de astronaut Jim Irwin, die zoals meer maanlanders een klap van de molen had gehad en gevallen was voor het creationisme, een stroming die meent dat er een Goddelijk ontwerp aan het bestaan ten grondslag ligt.

    – de Ararat bevindt zich in een politiek explosief gebied met Koerden, Turken, Armenen en Russen en met een Navo-basis aan de noordkant. Westerman noemt het een strategisch bolwerk in een geopolitiek spel. Het verkrijgen van een visum bij de Turkse ambassade was moeilijk omdat hij eerder als correspondent over Armenië had geschreven.

    – het persoonlijke, tenslotte, komt tot uiting als de toekomstige schrijver op de lagere school tijdens het zingen van het lied He’s got the whole world in his hands de vensterbanken in de aula ziet als de reling van de ark. Op de middelbare school brengen de betavakken hem aan het twijfelen. De tweestrijd heerst ook onder leraren. Frank voelt zich een omgekeerde Job die de standvastigheid van zijn ongeloof wil beproeven. Als hij op weg naar de Ararat in Istanbul een moskee bezoekt, verafschuwt hij de collectieve onderwerping van de gelovigen. Pas in het allerlaatste hoofdstuk krijgen we een verslag van de spannende beklimming van de ruim vijf kilometer hoge berg.

    De diversiteit aan onderwerpen maakt het boek levendig. Door de beschouwelijke en dan weer verhalende vorm wordt de informatie op een terloopse manier door de tekst geweven. Vermakelijk is een wadlooptocht waar ook zijn vrouw Suzanna Jansen aan deelneemt om zich te kunnen inleven in de gedachtenwereld van haar man, die een vergelijkbare ervaring wil opdoen als de Joden tijdens de doortocht door de Rode Zee. De jonge vader betrekt ook zijn dochter van drie jaar bij het onderzoek. Hij gaat met haar naar het Teylers museum om daar te kijken naar de zogenaamde zondvloedmens. Hij heeft zelfs het boek aan haar opgedragen.

     

     

     

  • Ingenieurs van de ziel – Boek van de week

    ‘Het socialistisch realisme en de realiteit waren in een onmogelijke spagaat beland.’ Frank Westerman maakt deze opmerking bijna terloops, ergens halverwege zijn Ingenieurs van de ziel; en toch is er geen treffender samenvatting denkbaar.

    De titel van het boek van de week verwijst naar Stalins beroemde opdracht aan schrijvers: ‘De mens wordt herschapen door het leven en jullie moeten behulpzaam zijn bij het herscheppen van de ziel. Jullie, schrijvers, zijn de ingenieurs van de ziel.’ Onder leiding van Maksim Gorki moesten zij (waaronder naast Gorki vooral Platonov en Paustovski in het boek voorkomen) eenvoudige taal gebruiken en de mensen op de hoogte stellen van de grote sprong voorwaarts die Rusland onderging. Mensen moesten weten dat de socialistische heilstaat dankzij zijn industriële, technologische kennis Moeder Natuur onder controle kon krijgen. Zelfs als het een woestijn betrof, waar het bijna constant vijftig graden is en alles in een grote wolk van verdamping wegstuift. Deze plek de rode draad in het boek – is de Karakoem-woestijn in het huidige Turkmenistan. Daar was in 1847 de Baai van Kora Bogaz ontdekt, zo groot als Vlaanderen, waar dankzij de specifieke ligging zeer bijzonder zout neersloeg: glauberzout. Een prachtige kans voor Moskou om te laten zien wat er technisch mogelijk was. Er werden chemische industrieën neergezet, academici gestuurd en de jeugdafdeling van de Partij moest de socialistische boodschap gaan verkondigen. Bij aankomst kregen de kolonisten al snel te maken met een ontnuchterend feit: er was nauwelijks drinkwater. Ook hier hadden de fysische ingenieurs echter een oplossing voor: de ombuiging van vijf immense rivieren dwars door midden Rusland naar de Karakoem-woestijn.
    Dit was kort gezegd – het materiaal waar de schrijvers mee moesten werken. Vooral Konstantin Paustovski was bij het project betrokken – in 1932 brak hij door als Sovjetschrijver met de Baai van Kora Bogaz, een lyrische beschrijving van de hele onderneming. Hoe Paustovski de onmogelijke spagaat tussen realiteit en socialistische realiteit wist vol te houden, blijkt al snel als Westerman in dit boek op zoek gaat naar de bronnen: Paustovski kende de realiteit helemaal niet. Hij was nooit in de Baai geweest.

    Ingenieurs van de ziel werd vorig jaar genomineerd voor de AKO-literatuurprijs en wordt binnenkort vertaald in het Engels.