• Van monoloog naar dialoog

    Van monoloog naar dialoog

    De poëzie in Nederland kent niet veel politiek geëngageerde dichters. Namen die meteen opkomen zijn die van de marxistische Herman Gorter en Henriette Roland Holst. Maar waar zij voornamelijk blijmoedig uitkeken naar de komst van de Rode Dageraad, ziet de dichter Frank Keizer de toekomst niet zo rooskleurig voor zich, ook al is hij zich er blijkens zijn gedichten van bewust dat er een ingrijpende verandering dient plaats te vinden.
    Keizer debuteerde in 2016 met de bundel Onder normale omstandigheden, nadat hij al eerder zijn werk gepubliceerd zag in literaire tijdschriften als Het Liegend Konijn en Tirade. In zijn nieuwste bundel Lief slecht ding, probeert hij zich te wapenen tegen de dystopie die de wereld dreigt te worden als het kapitalisme en het consumentisme gehandhaafd blijven.

    Drie afdelingen naar titel vernoemd

    De titel laat zich aanvankelijk lezen als een woordgroep bestaande uit een zelfstandig naamwoord met twee bijvoeglijke naamwoorden, als een aanspraak of een omschrijving, maar blijkt de drie afdelingen van de bundel aan te geven. Elke afdeling begint met een citaat van een auteur, van wie de laatste – Ursula le Guin – opvallend genoeg voornamelijk science fiction heeft geschreven: toekomstromans.
    In de eerste afdeling wordt iemand toegesproken voor wie de jaren zestig nooit helemaal voorbij zijn gegaan, maar die nu met lege handen staat, omdat er van de grote idealen van destijds niets terechtgekomen is. De spreker lijkt deernis te voelen voor de oude activist:

    ‘[…] er valt niet veel te zingen, echt
    te zingen, mompelen, nee mompelen, dat kun je wel’

    Maar er valt ook een milde ergernis te bespeuren: ‘je krabt met je ene hand aan het trauma van je mislukte / autonomie en met je andere hand tast je de nieuwe / afhankelijkheid af.’
    De prozagedichten staan niet los van elkaar, maar lopen in elkaar over en vormen zo één lange monoloog in de jij-vorm, waarin de toegesprokene uiteindelijk de raad krijgt om zich een eigen wereld te scheppen in het ‘goede grijs’: ‘beter iets kleins en iets liefs / te hebben dan je kapot te werken aan het onuitvoerbare / in het hier en nu’.

    Idealen verwezenlijken

    Met het tweede deel gaat de dichter van het verleden naar het heden en van monoloog naar dialoog: twee mensen die een relatie hebben, een ‘ik’ en een ‘jij’, proberen samen een ‘wij’ te worden. In een gesprek over politiek wordt gerefereerd aan collectieve ervaringen die nodig zijn om in vereniging een nieuwe gemeenschap te bewerkstelligen met ‘het vermogen om gezamenlijk te denken’. Het individu zal zich ondergeschikt moeten maken aan het grote collectief, want de hedendaagse maatschappij kent slechts ‘verweesdheid, ontworteling en fragmentatie’. De dichter verwijst nog even naar de campagne van Mao Zedong: Laat honderd bloemen bloeien, waarvan het doel was om misstanden in het bestuur te kunnen opsporen en aanpakken.

    In dit deel zijn de idealen prominent aanwezig, maar wordt tevens de twijfel kenbaar gemaakt en de angst dat het vergeefse moeite zal zijn om te trachten ze te verwezenlijken en waarbij de dichter zichzelf niet spaart. Ideeën worden geopperd en bezwaren daartegen worden ingebracht. De verbinding van poëzie en politiek zal de oplossing moeten bieden:

    ‘ja, wek me op, poëzie, maak me vrolijk, want ik weet wel
    dat je iets kunt oplossen, je bent pure sensatie. en duw
    me over de rand, voer me van die prikkels naar mijn ware
    behoeften, en die van ons, en maak het nieuw’

    Het deel eindigt met de hoopvolle woorden: ‘kom, ik heb een ander idee’.

    Wazige toekomstbeelden

    Het derde deel biedt een blik op een diffuse toekomst, waarin het om overleven en opnieuw beginnen zal draaien. Van het verleden wordt afscheid genomen – ‘rommelend in de lege laatjes en kastjes van een verleden’ – en ook van alles wat tot nog toe als onomstotelijk werd aangenomen. Er wordt een moeizame zoektocht beschreven, die lijkt op de ‘Umwertung aller Werte’ van Nietzsche: de idealen van vroeger zijn nu voorgoed versleten en waarheden moeten opnieuw gedefinieerd worden. De dichter zoekt naar aanwijzingen om de wereld opnieuw te kunnen inrichten.

    Dit laatste deel kent weinig samenhang die als een afspiegeling van die toekomst zelf lijkt. De wereld wordt beschreven als een onherbergzame plek waar het leven moeilijk is:

    ‘[…] het universalisme bleef om offers
    vragen, maar wij stonden onze organen, onze woningen
    en onze meervoudigheid er niet voor af.’

    Een nieuw geluid

    Maar gaandeweg gloort er hoop en worden mensen ‘probleemoplossers’ die mogelijkheden zien voorbij ‘de wetten van het materialisme’. Een ‘vallende, rode ster’ die de dichter waarneemt, kondigt misschien toch de nieuwe Rode Dageraad aan. Dat poëzie daarbij een prominente rol zal spelen, heeft Keizer dan inmiddels wel duidelijk gemaakt.

    Lief slecht ding is geen toegankelijke bundel. Maar de spreektaal die Frank Keizer gebruikt, helpt duidelijk te maken waar het om gaat: engagement zoeken en het politieke persoonlijk maken en omgekeerd. Met krachtige beelden en bijna profetisch taalgebruik slaagt Keizer erin om zijn zoektocht naar nieuwe waarden aannemelijk te maken op een manier die à la Herman Gorter ‘een nieuw geluid’ laat horen.

     

  • Oogst week 6

    Het heterogeen

    In de Oogst van deze week twee poëziebundels, een debuutvertaling van een roman uit het Engels en een boek dat niet geschreven zou zijn als Donald Trump in 2016 niet tot president gekozen was.

    Elly de Waard was jarenlang popjournalist voor de Volkskrant en Vrij Nederland, voor ze als dichteres naam maakte. Vanaf haar eerste bundel Afstand (1978) was ze spraakmakend omdat ze duidelijk stelling nam tegen de vijftigers die in die tijd nog bepaalden wat goede poëzie was. De liefde tussen vrouwen werd een van haar belangrijkste thema’s. Haar werk is daarom geliefd evenals om haar zorgzame omgang met taal. Het heterogeen is de negentiende dichtbundel van Elly de Waard.

    Het werk van Elly de Waard wordt al veertig jaar trouw uitgegeven bij De Harmonie. Dat mag wel eens gezegd worden in een tijd van dolende schrijvers.

    Het heterogeen
    Auteur: Elly de Waard
    Uitgeverij: De Harmonie

    Identiteit

    Francis Fukuyama is docent internationale economie aan de John Hopkins University en werd wereldwijd bekend met zijn boek Het einde van de geschiedenis en de laatste mens (1992).
    Met zijn nieuwe boek Identiteit laat hij zijn licht schijnen op het electorale succes van populisten. Een succes dat verklaard wordt vanuit economische motieven, maar in feite voortkomt uit een behoefte aan identiteit. In Het einde van de geschiedenis schreef Fukuyama al dat mensen hechten aan erkenning van hun waardigheid. In Identiteit verklaart hij dit begrip vanuit het huidige tijdsgewricht.

    ‘Ik heb de laatste decennia veel nagedacht over de ontwikkeling
    van moderne politieke instellingen: hoe de staat, de
    rechtsorde en democratische verantwoording zijn ontstaan,
    hoe ze zich ontwikkelden en op elkaar inwerkten, en ten
    slotte, hoe ze in verval hebben kunnen raken,’ schijft Fukuyama in zijn voorwoord.

    Identiteit
    Auteur: Francis Fukuyama
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Lief slecht ding

    Dichter en essayist Frank Keizer (1987) is redacteur bij nY en medeoprichter van het online tijdschrift Samplekanon. Zijn eerste bundel Onder normale omstandigheden werd genomineerd voor de Poëziedebuutprijs Aan Zee.

    Zijn nieuwe bundel Lief slecht ding is, zo de uitgever laat weten, ‘een zoektocht naar wat aantrekt en afstoot, naar wat beter maakt en wat zeer doet. Ikken en jijen (soms een jullie) verzamelen zich rondom vuren en keukentafels, liggen op beton of in een kapot bed. Ze begeven zich op een postmilitante weg naar iets wat toekomst heet. Ze wachten, bereiden zich voor. Ze praten over het wij dat nog moet worden aangeleerd of eerst afgeleerd.’ Want geluk zal collectief zijn, of niet.

    ‘Zijn poëzie is witty – geestig én intelligent – en bij vlagen messcherp en puntig’, oordeelde de Jury van de Poëziedebuutprijs Aan Zee over de poëtische kunsten van Frank Keijzer.

     

    Lief slecht ding
    Auteur: Frank Keizer
    Uitgeverij: Polis uitgevers

    Veenland

    De verhalenbundel Fen van Daisy Johnson (1990) werd vertaald als Veenland, door Callas Nijskens, die hiermee haar debuut als vertaalster maakte.

    Daisy Johnson (Oxford, 1990) schrijft over vrouwen die de grenzen van hun kracht opzoeken. Het speelt in de moerasgebieden van Engeland en gaat over een tienermeisje dat zichzelf uithongert tot ze zo dun is als een paling. Over een huis dat verliefd raakt op een meisje en een jongen die uit de dood herrijst als een vos. Het moerasgebied is een plek waar dieren en mensen in elkaar overgaan, waar vreemde metamorfosen plaatsvinden en waar mythe en donkere magie zich ophouden.

    Veenland
    Auteur: Daisy Johnson
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik
  • Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

    Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

    In een half jaar tijd meer dan honderdtachtig gedichten vergaren voor publicatie in een nieuwe editie van Het Liegend Konijnga er maar aan staan. Jozef Deleu, hoofdredacteur van dit tweejaarlijkse poëzieboek doet dit al vijftien jaar lang, elk half jaar. Speuren naar – en proeven van pril afgescheiden dichtwerk waarbij telkens weer een soort afweging wordt gemaakt die – niet te achterhalen hoe – maar in alle gevallen wel raak geschoten is. Een keuze waarbij – zoals Deleu zegt in een fijn interview met Jeroen van Kan in poëzieblad Awater – hij zich niet laat binden door poëtica: ‘Als je vervuld bent van een eigen gelijk, van een eens en voorgoed vastgesteld poëtica, dan is er eigenlijk geen gesprek meer mogelijk.’

    Goede keuze
    De ramen moeten open bij Deleu en laat al lezende binnen wat er binnenkomt. Dat is ook precies wat je telkens weer ervaart bij een nieuwe editie van Liegend konijn; een keuze van gedichten waar geen dwang naar vormgeving, gedachtegoed of wat dan ook achter zit. Toch is er geen willekeur in het spel. In het interview in Awater – als tijdschrift een must voor poëzielezers – vertelt Deleu dat er nogal wat dichters zijn die hem niet persoonlijk liggen maar dat het belangrijk is om voorbij te gaan aan je eigen smaak; ligt een dichter je niet, dan wil dat niet zeggen dat hun gedichten niets voorstellen. En dat is merkbaar, de poëzie in Het Liegend Konijn is immer goed gekozen en poëzie waarbij de smaken uiteenlopend zijn.

    In een redactioneel voorwoord laat Deleu weten dat het poëzietijdschrift in deze tijd waarlijk ‘een daad van verzet is tegen de onverschilligheid en het gebrek aan visie van de politieke overheden (…). En ja, gezien de beeldende, betoverende en experimentele bijdragen in deze editie en alle voorgaande edities, mag de politiek zich schamen dat ze geen aandacht besteedt aan deze vorm van cultuur waarin –  volgens Deleu – dichters als archeologen beschouwd kunnen worden, ‘die zoeken naar de gelaagde en meerzinnige betekenis van de woorden’.

    De plaatsing van de gedichten gebeurt enkel op alfabetische naamvolgorde en wordt niet door thema of redactioneel oordeel beïnvloed. Ook het aantal gedichten per dichter verschilt nogal en lijkt enkel en alleen van de goedkeuring van Deleu afhankelijk  te zijn. Een staalkaart van poëzie waaraan de kunst van het heersende dichterschap kan worden afgelezen. Zoals Frank Keizer (1987) in zijn  – uit dertien afdelingen bestaande – gedicht; ‘Zorg en macht’: ‘er is niet zoiets als een samenleving / alleen buren, familie / en individuen / maar ik heb gevoelens / in die samenleving / en ik ben alleen

    Tijdsbeeld en verscheidenheid
    Liegend konijn
    geeft onderhand een tijdsbeeld weer van de Nederlandstalige poëzie van de laatste anderhalve decennia. Fijn is het dat naast frisse poëten ook bekende dichters als nieuw naar voren komen met hun werk. Zoals Willem Zadelhof met een serie kleine gedichten over de ‘hysterische liefde’ ‘ach met liefde heeft het niet eens zoveel te maken’. En die enkele dichter met één gedicht: K. Michel (1958): ‘Onder bankiers (in de City)’ (…) jaag de groei ademloos door roeien en ruiten en Piet Gerbrandy met zeven slagen in het donker. Daar tegenover staan er van Tijl Nuyts (1993) een reeks van tien (prachtige) gedichten in onder de titel: ‘Toerist’.

    Of Kira Wuck met drie gedichten waarvan ‘Bezwering’ de boel loszingt:  ‘Als de stewardes zegt dat we eerst onszelf moeten redden voordat we anderen / lacht een man, zijn ruwe huid barst open’
    Deze strofe brengt je direct in dat vliegtuig en hoor je de stewardess uitleggen hoe te overleven bij een ramp. Die man die lachend openbarst, hoe bevrijdend maar ook hoe schurend (door het woordje ‘ruwe’) dat werkt. De neiging herken je, op zo’n moment van eensluidende braafheid van burgers die in eenzelfde schuitje zitten. Verderop zegt de stewardess dan ook: ‘het gaat zelden mis (…) / maar als er wat gebeurt, komen we er zelden goed van af / dus vergeet wat ik allemaal gezegd heb’. Wat van zo’n heerlijke openheid is dat je direct inziet hoe we onszelf voor de gek houden met al die veiligheidsvoorschriften.

    Grasduinen
    Ach, en alleen al de titels te lezen in de inhoudsopgave doet de dichter in je door de knieën gaan: ‘Het trillen van veengras / Jij en ik / ze zeggen / Kattebel / Duizeling (Oostende)/ Wat jou minder vrolijk maakt / Ik dacht jij was / kan je de tijd wat zachter zetten / De ratten van de oude wereld 1.2.3. / Gebedenboek / Een krap schilderij / Zalmkanonnen oestermeisjes / Een vos lag vuil / De kunst van het prutsen / Merels ten spijt / Insomnia ‘

    Grasduinend door deze editie wordt hier en daar een strofe geproefd als waren het kleine snacks: ‘Je besluit ook de vorm van halve giraffe op te geven’ (Esther Jansma) en ‘De angst zit veilig op dubbelslot’ (Max Greyson). En met grotere trek  de gedichten van onder meer Elvis Peeters (1957) ‘Een man’ in vier genummerde coupletten: 1 Het is moeilijk goed te doen. Dat is / de wijsheid die hij bedoelt. / (…) / Kijk, hij is getrouwd, dan zie je alles met andere ogen. / Liefde maakt blind / Het huwelijk maakt scheel.

    Een editie om hardop uit voor te dragen om vrouw en vriend te behagen. En dan bekoort vooral Ik heb de tuinman ontmoet van Nafiss Nia (1968). Waarbij de ’tuinman’ uit ‘De tuinman en de dood’ van Van Eyck, komt. En van Laurinne Verweijen (1981) – die nog geen bundel heeft gepubliceerd en er met vijf gedichten in staat, onder meer deze: “Hoe we rondjes lopen, draaiend om elkaar’ die uit acht  afdelingen bestaat: 2 Het is met je vingers teruglopen langs het hek / van de dierentuin. Voor het eerst / in een andere stad, / toetreden tot een taal die je nooit / met elkaar gesproken hebt. – zou binnenkort wel eens een bundel van kunnen verschijnen.

     

     

  • Sporenreeks: ‘Oorbellen, buiken en eenzaamheid’ en ‘Rampensuites’

    Plaatsbepalingen

     

    In de Sporenreeks van uitgeverij Perdu verschijnt hedendaagse experimentele poëzie in vertaling. Een mooi initiatief, en vorig jaar verschenen de eerste twee uitgaven in deze reeks: Oorbellen, buiken en eenzaamheid en Rampensuites.

    Oorbellen, buiken en eenzaamheid bevat de tweede en derde gedichtenbundel van Doina Ioanid (1968). In beide bundels kiest ze consequent voor de vorm van het prozagedicht. Ze verkent vooral thema’s als het lichaam, vrouwelijkheid en uiterlijke opsmuk. Die onderwerpen kruisen elkaar ook geregeld:

    Het is al middag en al mijn inspanningen waren tevergeefs. In plaats van je aan te kijken met de zekerheid van een perfect opgemaakte jongedame, je aan te kijken door het gordijn van mascara als een moderne Salome, je aan te lonken als een Turkse vrouw met mooi gepenseelde wenkbrauwen, ben ik er enkel in geslaagd mijn ogen rood te wenen. Alsjeblieft, lach me daarom nog niet uit.

    Geregeld probeert de verteller haar plaats in de wereld te vinden, en grip te krijgen op haar vrouwelijkheid. Soms komt ze verraderlijk luchtig en ironisch over: ‘En even tussen neus en lippen door gezegd, je weet niet eens hoe je naaldhakken moet dragen.’ Die jij-vorm is verraderlijk: de verteller spreekt zichzelf toe, maar tegelijkertijd splitst ze zichzelf op: ‘Daarvandaan wenkt me een oude vrouw. […] Komaan, neem je krukje en kom bij me zitten, we zullen als twee bemoste houtblokken zijn.’ Het ongemakkelijkste is nog wel dat die andere vrouw de verteller is zoals ze is, en de ‘ik’ daarom het beeld is dat de ‘ik’ van zichzelf heeft. Mis opvattingen hebben het zelf overgenomen, en zijn zo het zelf geworden.

    Een van de opvallendste aspecten van Ioanids gedichten is dat ze regelmatig erg gewelddadig zijn, zonder dat ze anime-achtige hakfestijnen worden waar ledematen in het rond vliegen. Het geweld is eerder ingehouden en misschien daarom zo verontrustend: ‘Met gewette nagels (ze lijken speciaal daarvoor gemaakt) haal ik je uit elkaar […] Mijn nagels graven gulzig, maar het schors van je gezicht herstelt zich altijd weer.

    Dat Ioanid als experimenteel dichter wordt gezien is overigens opvallend. Ze zoekt de grenzen op tussen droom en werkelijkheid, maar dat is een van de populairste procedés in de rijke traditie van het prozagedicht, én in ‘gewone’ poëzie. Daar staat tegenover dat de thematiek over wat nu vrouwelijkheid bepaalt, wel fris en nieuw aanvoelt. Dat geeft het licht-surreële waar prozagedichten nu eenmaal een neiging tot lijken te hebben, meer gewicht en dat voorkomt vrijblijvendheid.

    index Rampensuites van Rob Halpern is de interessantste bundel van de eerste ronde Sporenreeksuitgaves, kun je nagaan, Ioanid was al de moeite van het lezen waard. Zowel de gedichten zelf als de vertaling zijn een bescheiden tour de force. Lees zeker het nawoord van vertalers Frank Keizer en Samuel Vriezen. Die gaan in op de bijzondere manier waarop Halpern zijn woorden steeds meerdere betekenissen meegeeft, en over de mogelijkheden en problemen van het vertalen van die elasticiteit. Wat dat betreft is het zonde dat Rampensuites geen tweetalige uitgave is geworden; ik had graag de Engelse gedichten naast de vertalingen gezien.

    Aan de andere kant: alleen de vertalingen presenteren legt net wat sterker de nadruk op de prestatie die Keizer en Vriezen geleverd hebben. Ze zetten een vitale poëzie neer vol verbazingwekkende constructies, zinsafbraken en dubbele bodems. Neem bijvoorbeeld deze strofes:

    Maar ik wil gewoon deel zijn van de oplossing –
    Al heb ik nooit geleerd hoe
    Ik mijn schoonheid kan uitbuiten op die ene manier

    Waarop je mij uitbijten laat om met mijn eigen
    Zelf bezig te zijn met alle leven
    -de delen van wat we horen wat we zeggen

    Door de regel af te breken bínnen het woord ‘levende’, wordt ‘leven’ nog eens extra benadrukt, maar er ontstaat bovendien een andere lezing: ‘met alle leven‘ kan ook gelezen worden als ‘met al het leven’. En dat lees je in eerste instantie ook, totdat blijkt dat de regel zo verraderlijk af is gebroken. Tegelijkertijd blijft die aanvankelijke lezing door echoën; al het leven bestaat blijkbaar uit delen van iets groters. En alsof die fascinerende regelafbraak nog niet genoeg is: ‘Zelf bezig zijn met alle leven‘ kan op zichzelf gelezen worden als een losse zin, die niets te maken heeft met de vorige regel. Zo ontstaat er in een minimale ruimte veel (mogelijke) betekenis.

    Ook inhoudelijk is Rampensuites fascinerend. De directe aanleiding voor het schrijven van de gedichten was de orkaan Katrina, die een enorme ravage aanrichtte in New Orleans. Tegelijkertijd dienen de rampen en het rampzalige uit de bundel in breder perspectief te worden gezien: de Amerikaanse politieke situatie. Te midden van die chaos moet er een richting gezocht worden. De verteller in de bundel is bezig met zijn plaats te bepalen in een omgeving na een natuurramp, en doet dat in relatie tot aspecten als het lichaam, de natuur en de politiek. Die thema’s buitelen over elkaar heen en raken in elkaar verstrikt, met dank aan Halperns meerduidige grammaticale constructies die soms strofes lang doorgaan.

    Experimenteel in nauwere zin is Halperns poëzie niet, maar wel origineel en vernieuwend. Als zijn werk als experiment begonnen is, dan hebben de resultaten de tijd gekregen om uit te kristalliseren. Rampensuites is uitstekend voer voor lezers die zich in een bundel vast willen bijten en alles uit willen pluizen, maar voor degenen die er minder uitvoerig mee bezig willen zijn, is deze poëzie bij eerste lezing al verbazingwekkend en knap genoeg.

     

    Oorbellen, buiken en eenzaamheid
    Doina Ioanid

    Deel I uit de Sporenreeks
    Vertaald en van nawoord voorzien door Jan Mysjkin
    96 bladzijden € 17,50
    Uitgegeven in 2013


    Rampensuites

    Rob Halpern

    Deel II uit de Sporenreeks
    Vertaling en nawoord door Frank Keizer en Samuel Vriezen
    96 bladzijden € 17,50
    Uitgegeven in 2013

    De Sporenreeks wordt uitgegeven door Perdu

     

  • 150 jaar Herman Gorter – Een avond in Perdu

    Agenda

    Op 26 november is het precies 150 jaar geleden dat Herman Gorter (1864-1927) werd geboren. Ter viering van zijn verjaardag presenteren Van Oorschot, Huis Clos en Perdu twee nieuwe boeken.

    Bij Huis Clos verschijnt een heruitgave van Gorters lange, nooit bij leven gepubliceerde Een dag in ’t jaar (1889), onder de titel: Een glorieus ding, bezorgd en toegelicht door Johan Sonnenschein. Bij Van Oorschot verschijnt het brievenboek Geheime geliefden: brieven aan Ada Prins en Jenne Clinge Doorenbos, bezorgd door Lieneke Frerichs.

    Een glorieus ding:
    Gorter is nog altijd een geliefd dichter om wat hij schreef als twintiger: zijn lyrische epos Mei (1889) en zijn wilde lyriek uit Verzen (1890). Weinigen weten dat hij precies tussen die twee klassiekers nòg een meesterwerk schreef: Een dag in ’t jaar. Een groot gedicht over een jongen die zijn veilige torenkamer achterlaat voor een tocht naar de grote stad, waarin het Amsterdam van eind negentiende eeuw te herkennen valt. Daar aangekomen wordt de sensitieve dichter overvallen door de prikkels die het stadsleven te bieden heeft. Is aanvankelijk alles mooi, jong en lente, gaandeweg verandert het straatbeeld en blijkt de grootstad ook een bedreigende jungle waarin het ‘zwarte mannengespuis’ ronddoolt op zoek naar wijn en ‘bloedig vleesch’. In dit zorgvuldig gecomponeerde gedicht verstrijkt behalve een dag en een jaar ook een mensenleven – ja zelfs een hele beschaving. Een dag in ’t jaar bevat de meest duistere en decadente poëzie van een geboren natuurdichter.
    Waarom Gorter Een dag in ’t jaar nooit heeft willen publiceren, wordt uitgebreid toegelicht door neerlandicus Johan Sonnenschein (1980).

    Geheime_geliefde_54058d93aba43Geheime geliefden:
    Volgens zeggen moet Gorter een charismatische uitstraling hebben gehad. Naast zijn vrouw Wies Cnoop Koopmans had hij twee belangrijke geliefden: Ada Prins en Jenne Clinge Doorenbos, beiden aanvankelijk bijlesleerlingen. De verhouding met Ada begon rond 1901 en de briefwisseling met Jenne in 1910. Gorters vrouw was waarschijnlijk van beide verhoudingen op de hoogte. Jenne wist van het bestaan van Ada, maar Ada is altijd onkundig gebleven van de relatie met Jenne. Pas bij Gorters onverwachte dood in 1927 werd haar op pijnlijke wijze duidelijk dat niet zij, maar Jenne de belangrijkste vrouw in Gorters leven was geweest, die bovendien tot (literair) erfgename was benoemd.

    Alle bewaard gebleven brieven van Gorter aan deze twee vrouwen zijn bij elkaar gevoegd. Het boek begint met de brieven aan Ada Prins. Gorter had met haar een warme, aardse relatie, zoals de verliefde, van geluk overlopende brieven duidelijk maken. Toen hun verhouding wat verflauwde werd Gorter verliefd op Jenne. Zij werd al spoedig in alle opzichten Gorters muze en ze stond hem bij in het beoordelen van zijn werk. Maar Gorter heeft het contact met Ada niet kunnen missen en meende ongetwijfeld ook dat zij niet zonder hem kon. Alles komt in deze brieven aan de orde, maar de belangrijkste thema’s zijn de liefde en de poëzie, en hoe die zich in Gorters gedichten met elkaar versmelten.

    Tijdens deze presentatie dragen Johan Sonnenschein en Lieneke Frerichs fragmenten voor uit Gorters adolescentiegedicht en zijn liefdesbrieven. Onder andere Margot Schaap geeft een reactie op Een dag in ’t jaar.
    Dick van Halsema en Marie Meeusen lezen ieder een brief voor die zij speciaal voor deze gelegenheid aan Gorter schreven. Frank Keizer brengt zijn liefdesgedicht ‘Voor Herman Gorter’ ten gehore.
    Een avond Herman Gorter

    Aanvang: 20.00 uur
    Deur open: 19.30 uur
    Entree: gratis

    Kloveniersburgwal 86
    1012 CZ Amsterdam
    Tel: 020 627 62 95
    info & reserveren