• Zuinig met grote woorden over verdriet en gemis

    Zuinig met grote woorden over verdriet en gemis

    Op 16 maart 2018 stierf de dichter F. Starik aan een hartaanval. Het was ook de dag waarop hij vijftien jaar samen was met zijn geliefde, de dichteres Vrouwkje Tuinman. Anderhalf jaar na zijn overlijden verscheen haar zesde dichtbundel Lijfrente, waarin ze vertelt over de dood van haar partner en de verwerking van haar verlies. Voor deze bundel kreeg ze in maart 2020 De Grote Poëzieprijs.
    Op de voorkant van de bundel een foto van een man die zijn hoofd door een opening steekt van wat een bunker lijkt. Hij draagt een keurig pak, nette schoenen, de manchet van zijn overhemd komt onder de mouw van het jasje uit. Het zou zomaar een begrafenispak kunnen zijn. De gedachte dat de man een kijkje neemt in de onderwereld waar de schimmen wonen, laat zich raden. 

    Iets nieuws staat te beginnen

    Het eerste gedicht van de bundel heet Maart, de maand waarin Starik gestorven is, maar ook de maand van het nieuwe begin: in de vijver groeien de eitjes uit tot kikkervisjes met de belofte van nieuw leven: ‘Vanmorgen evolueerde een van de streepjes / tot een komma. Er staat iets te gebeuren.’ Maar voordat Tuinman vertelt wat dat is, doet ze verslag van de revalidatie van Starik na zijn eerste hartaanval negen maanden eerder, zijn ziekenhuisopname en uiteindelijk zijn dood. Om het te boekstaven, om het niet te vergeten, maar ook om te kijken wat er voor haar is overgebleven nu ze alleen verder moet. Het motto van de bundel, een fragment uit Passengers van Iggy Pop, wijst daar op: ‘(…) So let’s take a ride and see what’s mine’.

    Er zijn een aantal van de klassieke rouwfases in deze gedichten aan te wijzen: ontkenning, woede, aanvaarding. De laatste strofe van het gedicht Automaat luidt bijvoorbeeld: 

    ‘Les twee: ontsluit, nog voor er twijfel kan ontstaan,
    met twee handen alle poorten. Maakt niet uit of
    er push staat of pull. Berust niet, sla desnoods
    degene die een deur voor je open wil houden
    voor zijn hoofd. Ga niet in op de belofte van een wonder.’

    Zuinig op grote woorden

    Tuinman dicht niet met grote woorden en houdt de beschrijving van haar emoties klein. ‘Lief is zuinig op grote woorden, lees ik in jouw computer.’ Ze gaat terecht vanuit dat de lezer zelf wel kan aanvoelen wat er achter haar nuchtere observaties schuil gaat. Vooral in de langere prozagedichten is dat zeker zo, kan iedereen voelen hoe moeilijk het moet zijn geweest om thuis te komen in een leeg huis, kleding en persoonlijke spullen van de overledene uit te moeten zoeken en alles voortaan alleen te moeten doen. Het zijn heel persoonlijke, kwetsbare gedichten waarin geprobeerd wordt het verdriet in te dammen. Troost wordt er niet geboden, maar humor is een van de manieren om het beheersbaar te houden:

    Omgekeerde emancipatie

    ‘Nieuw aangeleerd cliché: ‘deze dingen doet mijn man normaal’.
    Het kastje van het zonnepaneel. De banden op spanning.
    De verstopte stofzuiger repareren. Rouw opent deuren – soms letterlijk,
    als het driepuntsslot kapot is en er een man, een andere dus,
    moet komen, die beweert dat dit al maanden speelt, gebeurt
    echt niet zomaar opeens, daar komt mijn cliché, en haalt zomaar
    tachtig euro van de rekening. Voel ik me schuldig? Soms, een beetje,
    want de meeste van die dingen deed hij helemaal niet,
    of ik deed ze al voor hem. Dan schreeuw ik tegen de schroefboor,
    verwijt hem dat er nooit iets lekker vanzelf werkt, het verdorie
    ook nog regent en ik een levende gemeenplaats ben.’

    De praktische aangelegenheden, die gebeuren moeten, zoals het uitzoeken van foto’s en het opruimen van medicijnen, worden in de gedichten afgewisseld met herinneringen aan het gedeelde verleden, waarbij het verdriet en het gemis wél de vrije loop krijgen. Maar steeds opnieuw vermant Tuinman zich, zit niet bij de pakken neer maar blijft bezig, omdat het moet. Het is die afwisseling van de nuchter constaterende en emotionele toon die deze bundel levensecht en zo aanspreekbaar maakt. 

    Pogingen tot afstand houden

    De manhaftige pogingen het verdriet op afstand te houden worden ’s nachts in dromen doorbroken: in twee gedichten, Opzichtige dromen 1 & 2 en 3 t/m 8 vertellen acht dromen van een hernieuwde ontmoeting met de geliefde op een festival, op het station, naast het bed. ‘(…) Ik houd je vast, jij mij niet.’

    In het lange prozagedicht Wachtkamer verderop in de bundel, is de tijd het onderwerp. Dit gedicht fungeert als een samenvatting van de bundel en beschrijft het gehele rouwproces van begin tot einde, van de dood van Starik tot aan het onbeschofte ongeduld van de omgeving: ‘Sorry, maar wanneer houdt dit zielige gedoe nu eens op?’

    Maar het is ook een algemeen aanvaard cliché dat het leven verder gaat. De gedichten kijken gaandeweg vooruit in plaats van achteruit en na een jaar is er voorzichtig sprake van een ander lief. ‘Het begint nu toch wel iets met mij te worden,’ vertelt de beginregel van Omtrekkende bewegingen.

    Met het laatste gedicht van de bundel is de cirkel rond: weer staat de dichter in de tuin, net als in het eerste gedicht. Ze heeft de tuin in velden verdeeld: 

    Gras

    ‘Aan de andere zijde is het groener.
    Op het ene veld staan de mensen die niet
    meer willen, een tuin verderop degenen die nog jaren
    vooruit kunnen, ware het niet dat hun ziekte –
    er valt niets te ruilen. […]
    Ik sta aan de rand van wat eigenlijk meer mos is
    dan gras. Mijn perk zit vol kuilen en oud blad, maar
    ook wonen er mollen in en wormen, er springen padden,
    ’s avonds landen er libelles. Ik neem een stap.’

    Deze bundel zou eigenlijk in elke wachtkamer van elk ziekenhuis, mortuarium en hospice moeten liggen. Iedereen die iemand heeft verloren zal zich herkennen in deze doorleefde bundel.

     

  • Meebewegende taal

    Meebewegende taal

    Na de onrust in de eerste week, de feiten in de tweede en de ernst van dit alles in de derde week, wordt er nu teruggeblikt. Het aantal besmettingen, hoeveel er overleden zijn, alles in statistieken opgenomen. De kansberekeningen opnieuw bijgesteld. Nieuwe feiten naar boven gehaald, oude weerlegd, waarna alles strakker aangetrokken wordt en een heldere overzichtelijkheid overblijft, (overzicht en helderheid zijn deze dagen belangrijke woorden). Er komen steeds meer verhalen van hoe er gestorven is, hoe snel het ging, hoe er geen afscheid genomen kon worden. Het verhaal van een vader en een moeder die met een korte tijdspanne ertussen samen ziek werden, samen stierven. Het kenmerk van hun relatie was, vertelden de kinderen, dat ze alles samen deden, zag je de een, dan zag je de ander. Tot aan het ziek worden en sterven toe. Er was een vrouw waarvan haar man in het ziekenhuis overleed en zij thuis in quarantaine moest, alleen. Haar zoon kon haar niet omarmen, alles op afstand. Je hoopt op iets waarin het afscheid dat nu geen afscheid is, nog plaats kan vinden.  

    En het is waar, alles wat ooit geschreven is en nu gelezen wordt, blijkt een nieuwe betekenis vrij te geven. Alsof taal meebeweegt, zich opnieuw zet naar de omstandigheden. In De twaalfjarige bruiloft van Maeve Brennans (ja, opnieuw Maeve Brennan) lees ik een van haar lange meanderende zinnen die me treft, ‘De doden werden met dezelfde stem vermeld als de levenden, zodat vaders en zusters en neven die al tientallen jaren dood waren en masse door het huis en de boomgaarden en tuinen hadden kunnen rondlopen en zichzelf thuis zouden voelen, net zoals altijd, en ze konden er zelfs op rekenen hun eigen namen en hun eigen gezichten aan te treffen die nauwgezet geregistreerd waren ergens te midden van de generaties die hen opgevolgd waren.’ Het lijkt me opeens van groot belang over de gestorvenen te spreken met dezelfde stem als over de levenden, ze  met je mee te laten lopen door hun namen te noemen, hun namen door te geven.

    Want alles zal weer gewoon worden, toch? (waarop ik vervolgens wilde schrijven, ‘net zoals het nu gewoon is binnen te blijven’ maar dat is niet zo, het wil maar niet gewoon worden). Ze zeggen dat het ergste nog moet komen. Daarmee wordt de economie bedoeld, of iedereen wel uit het dal zal komen waarin we zitten. Of gebeurt, zoals een stem op de radio zei: ‘dat we voor de boodschappen die we nu gewoon zijn te halen, een exceptionele prijs moeten betalen’. Dat we niet meer weten hoe we rond moeten komen, dat we failliet gaan, allemaal. Gelukkig kwamen toen deze dichtregels van F. Starik voorbij: ‘Alles komt goed. Tijd gaat voorbij met een vloek / en een zucht. Wat nieuw is zal oud zijn. Waar je / naar zocht raakt toch zoek. Wat dicht leek kan open. / Donker bleek licht. Blijf hopen. / Alles komt terug.’
    En dat geloof ik maar al te graag. Vrolijk Pasen.

     

    ______________________________________________________________________________

    Inge Meijer is een pseudoniem, zit binnen en denkt na over een buitenleven. 

  • Vrouwkje Tuinman wint De Grote Poëzieprijs

    Vrouwkje Tuinman wint De Grote Poëzieprijs

    Maandagavond 30 maart maakte jurylid Norely Beyer in het radioprogramma Opium bekend dat Vrouwkje Tuinman met haar bundel Lijfrente De Grote Poeziëprijs heeft gewonnen. De jury koos unaniem voor deze bundel die Tuinman schreef in het jaar na het overlijden van haar partner F. Starik. Een bundel over de liefde en de dood.

    Volgens de jury zijn Tuinmans gedichten, ‘openhartig, soms licht absurdistisch. Niets meligs of pastelkleurigs. Niet makkelijk, wel toegankelijk. Nuchter, maar nergens onpersoonlijk of kil. Integendeel. Geen schoonschrijverij en juist dat levert de mooiste zinnen op. En troost, daar waar er eigenlijk geen beginnen aan is’.

    Voor de bekendmaking gaven de genomineerden, Ellen Deckwitz met Hogere natuurkunde, Peter Verhelst met Zon, Vrouwkje Tuinman met Lijfrente, Asha Karkami met Godfaceen en Marwin Vos met Het leven van sterren, op radio 4 een korte toelichting op hun bundel en droegen een gedicht voor. 

    Vrouwkje Tuinman las, Omtrekkende bewegingen

    ‘Het begint nu toch wel iets met mij te worden,
     zei jij, zeiden wij altijd, bij klein succes.
     De uitspraak kwam van je moeder en duidde erop
     dat, wat haar zoon ook aan voorspoed toeviel, 
     het van ‘worden’ waarschijnlijk nooit tot zijn
     zou komen, laat staan tot verleden tijd.
     Al bleef de twijfel, vandaar het ‘toch’.
     Er kon, al was het meer iets voor andere mensen,
     wellicht iets worden bereikt. En nu is het zover.
     Jij bent dood en dat doet wonderen voor je cv,
     voor dat van mij. Zonder enig diploma ben ik
     ineens bezorger, woordvoerder, min of meer
     bekende Nederlander, ik sta als ‘medewerker’
     aan jouw werk vermeld, rook namens jou
     een sigaret met andere geslaagden.
     Het begint nu toch wel iets te worden met mij.’

    uit: Lijfrente (2019)

    Daarna vertelde ze dat ze het eigenlijk wel grappig vond nu genomineerd te zijn, omdat F. Starik bij elke nieuw pubicatie van haar altijd riep dat ze daarmee alle mogelijke prijzen zou winnen. Haar reactie was dan dat hij dat niet moest zeggen, dat het de goden verzoeken was en ze juist niets zou winnen. Nu hij er niet meer is, niet kon zeggen dat ze zou winnen, wint ze deze prijs. ‘Genomineerd te zijn vond ik al heel mooi; zei ze nog.  Aan de prijs is een bedrag van 25.000 euro verbonden. Een deel van de prijs wil Tuinman besteden voor een poëzieproject in nagedachtenis aan F. Starik.

     

     

    Er was ook een Jongerenprijs die bestaat uit een plaquette en werd uitgereikt aan Peter Verhelst voor zijn bundel Zon. Jongeren van verschillende scholen uit Gent en Amsterdam lazen de gedichten van de genomineerden. Hun keuze viel op Verhelst ‘omdat zijn gedichten mooi zijn, hij veel fantasie heeft en schrijft over liefde en over problemen van het leven nú’.

    De prijsuitreiking zou zaterdag 21 maart in de Brakke Grond in Amsterdam plaatsvinden maar kon door de maatregelen rondom het Coronavirus niet doorgaan.

    De Grote Poëzieprijs is een initiatief van verschillende organisaties in Vlaanderen en Nederland. Voor de prijs waren 118 bundels ingezonden.

     

  • Ruzie kan altijd nog

    Ruzie kan altijd nog

    De wind buldert rond het huis en ik luister naar radiointerviews van Ischa Meijer. Dat hij vijfentwintig jaar geleden overleed wordt groots herdacht. Ik haal zijn boeken uit de kast. Lees De handzame, zijn interviews, blader door De Dikke Man columns. Luister naar degenen die hem gekend hebben. Ieder denkt te weten waarom Ischa was, zoals hij was. In de jaren negentig kwam ik wel eens in café Eik & Linde, waar ‘Een dik uur Ischa’ werd opgenomen. Tussen de gesprekken door, als de band speelde, zat hij doodgemoedereerd achter een tafeltje (flink) in zijn neus te peuteren. Ischa is een verslaving. Hoe meer ik over hem lees en naar hem luister, hoe dichter ik kom bij iets dat mijzelf raakt. Het heeft te maken met een steeds veranderen van richting, niets mag ooit gewoon worden. De gedrevenheid waarmee hij alles deed, Het is om gek van te worden.

    Ik moet er even uit en neem de bus naar Winterswijk met De zoete inval van L.H. Wiener op zak. 

    L.H. Wiener woont in een appartementencomplex aan het Spaarne, met vloerverwarming, een groot bad waar hij niet uit kan komen als hij erin zou gaan, en met ‘zo’n gluiperig kijkglaasje’ in zijn drie meter hoge voordeur, schrijft hij aan A.L. Snijders in een brief die in de bundel is opgenomen. Net als de (poste restante) brief die hij aan F. Starik schreef. De ene dag bezocht hij met F. Starik een kroeg, de dag daarop schreef hij hem een brief: met ‘een goed gevoel’ terugkijkend op hun cafébezoek. Rekent Starik tot een ‘bevriende mogendheid’. ‘Ruzie krijgen kan altijd nog wel, maar voorlopig zie ik geen aanleiding.’ De brief eindigt met, ‘Blijf gezond, dat is gewoon het beste.’ Ruzie zouden ze nooit krijgen, Starik overleed de avond dat Wiener de brief verzond. ‘Onze vriendschap was de kortste uit mijn leven.’ 

    Wiener: ‘Er valt in mijn werk geen mus van het dak zonder dat ik er een verhaal aan wijd. / Fantasie speelt geen rol. Verzinnen kan men alles wel. / Vormgeven is de kunst.’
    Ik denk te weten hoe de vork in de steel zit, zijn verhalen zeer eenvoudig zijn, maar kom bedrogen uit.
    Lees dit verhaal, waarin de schrijver een buizerd voor dood op straat vindt. In een vogelhospitaal herstelt de vogel, wordt vrijgelaten in de duinen. Wiener gaat er kijken, in de hoop een glimp van de buizerd op te vangen. Dan wordt het verhaal van een vrij droge vertelling, vederlicht. Er komt een buizerd  op hem af, landt op zijn schouders, richt over  zijn hoofd heen de snavel naar zijn gelaat. Ze kijken elkaar aan. Dan verdwijnt de buizerd. ‘Zo staat het nu geschreven. / En zo is het dus gebeurd. / Voor altijd.’
    Kijk, dit is prachtig, en ik geloof het maar al te graag.

    Ik lees graag verhalen van schrijvers waarvan je amper iets verneemt buiten hun verhalen om. Dat is wel zo rustig. Hoewel ik hier moet oppassen dat de verhalen van Wiener, zoals Snijders met zijn zkv’s, niet verslavend gaan werken. Een beetje ruimte is geboden.

     

    De zoete inval (verhalen) / L.H. Wiener / Uitgeverij Pluim


     

    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en schrijft over haar ontdekkingen aan de randen van de literatuur.

  • Wiegend naar het einde

    Wiegend naar het einde

    Als in een boek iets geschreven staat waar je later, exact zoals beschreven staat onderdeel van wordt, dan is dat boek nooit meer hetzelfde en wordt literatuur een intense beleving.

    Er was de begrafenis van F. Starik.

    Zijn gedichten en poëtische vertellingen zijn miniatuurtjes. Zijn voordrachten overweldigend. De eerste keer hoorde ik hem voordragen in Pakhuis de Zwijger tijdens ‘De Langste Dag’ (2010). Een voordracht-marathon waarmee de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) zijn tienjarig bestaan vierde. Levende dichters brachten dode dichters tot leven door hun werk voor te dragen, een avond lang, tot diep in de nacht. Starik deed Willem Kloos. Hij declameerde gematigd en ingehouden vanachter het spreekgestoelte de eerste gedichten, sterk articulerend, met raspend keelgeluid. Een van de laatste gedichten, (alsof hij eindelijk de boeien had losgegooid, het anker gehesen en vaart kon maken) kwam sputterend en schreeuwend naar buiten. Zo krachtig dat ik er voor terugdeinsde, als door een golfslag op het strand gesmeten. Een dichter waar je niet omheen kon.

    Toen was er opeens zijn uitvaart. De kleine kapel van begraafplaats Sint Barbara stroomde vol. We stonden langs de muren opgesteld, er kon geen mens meer bij. Starik had ooit beschreven hoe zijn uitvaart eruit moest zien, vertelde zijn uitgever Jasper Henderson, hij las het stukje voor. Daarin stond de wens op een speciaal nummer van Virgin Prunes te worden binnengedragen, aan de bezoekers het verzoek met de dragers mee te bewegen op de maat van de muziek.

    Deze week las ik Moeder doen, waarin de dichter nog zo verschrikkelijk in beweging is, zorgend voor zijn moeder en zijn vissen. Daar kwam ik hetzelfde stukje tegen.

    ‘Bij het binnenrijden van de kist klinkt het nummer van The Virgin Prunes, van …If I Die, I Die (…). De mensen zitten al in de aula. Dan klinkt het nummer op, de deuren van de aula gaan open, ik maak mijn laatste entree. De baar met mijn kist erop wordt naar voren gerold, vier stokoude dragers, liefst met karpatenkop, stampen hard op de trage maat van de muziek, voet voor voet, stukje naar voren, rukje naar achter, alsof de dode tegenstribbelt, (…).
    Het zou natuurlijk aardig zijn als jullie, mijn hooggeëerd publiek, de dragers spontaan te hulp zouden schieten door op de maat van de muziek mee te stampen. (…)’

    De kist werd gedragen door zes mannen (niet stokoud, geen karpatenkoppen) die na twee stappen vooruit er een weer terug stapten. Wij, de aanwezigen, stonden allen op en stampten met onze voeten op de kerkvloer op het trage ritme van de muziek. Een dreun als van neerkomende paukenslagen trok door de kapel. Vijf jaar voor zijn werkelijke verscheiden, beschreven in dat ontroerend eerlijke boekje Moeder doen. Toen ik het teruglas, zat ik in die tekst, beleefde wat daar beschreven stond.We stampten met onze voeten op de plaats, links – rechts, minutenlang wiegden we F. Starik naar zijn eindbestemming. Dat hij nog lang moge leven in zijn boeken.

     

    Opname van De Langste Dag (2010).


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag, heeft een OV kortingskaart.

  • In memoriam F. Starik 1958 – 2018

    Op vrijdag 16 maart is schrijver, dichter en zanger F. Starik op 59-jarige leeftijd overleden aan een hartstilstand. Starik werd als Frank von der Möhlen geboren in Apeldoorn. Hij studeerde fotografie en mixed media aan de Rietveld academie in Amsterdam. Op zestienjarige leeftijd publiceerde hij zijn eerste dichtbundel in eigen beheer. Als ‘nachtpredikant’ leverde hij geregeld een bijdrage aan het VPRO radioprogramma Nooit meer slapen – waar hij vaak en gedurende een week een geschreven terugblik gaf ‘op de dag die was’.

    Van 1992 tot 2002 was Starik zanger van de Willem Kloos Groep, die werk van dode dichters ten gehore bracht. Met deze band waarvan Menno Wigman drummer was, trad hij geregeld op.
    Starik was een markant figuur die erop stond met F, (en niet met het logischerwijs vermoedde Frank) te worden aangesproken. Hij viel op door altijd in pak te zijn gekleed. Als performer in kleurige overhemden met lange punten aan de kraag en de scherpe snede van zijn even kleurrijke puntschoenen waarmee hij groots, doch bedachtzaam voortstapte.

    Zo kon je Starik tijdens de 34e Nacht van de Poëzie (2016) in ogenschijnlijk rustige tred, handen op de rug zijn rondjes om de zaal in het Tivoli zien nemen. Hier en daar een pauzerende bezoeker minzaam groetend. Zoals het een dichter betaamt. Waarna hij in grasgroen kostuum het podium besprong om het dichterschap te vieren. Met een gretigheid die het publiek lichtelijk achteruit deed deinzen, bracht hij een dichterlijke tirade over ‘gras’,(dat zich overal en onophoudelijk vertoont), ten gehore. Waarmee hij de zaal voor de rest van de Nacht goed wakker schudde, en succes oogstte.
    Starik trad graag op tijdens festivals. Op 11 maart trad hij nog op in Schotland, tijdens het internationale dichtersfestival StAnza.

    Hij publiceerde tien dichtbundels en de roman De gastspeler. In 2012 had hij in Trouw een wekelijkse rubriek Moeder doen dat het jaar daarop onder dezelfde titel als bundel verscheen. Stukjes over hoe het leven uitpakte voor zijn dementerende moeder. Uit veel van zijn werk spreekt een grote empathie voor de dingen. Hij dichtte veel over de donkere kant van het leven, de dood. Die hij  als performer – die hij ook was – op rauwe toon ten tonele bracht. Woorden spuwend en dan weer terughoudend met vaak een trilling, alsof zijn stem kon breken, en een kracht die de aderen op zijn schedel deden opzwellen. Dat was F. Starik. Een pose, maar oprecht.

    Sinds 2002 was Starik coördinator van de Amsterdamse ‘Poule des Doods’, een groep dichters die op afroep beschikbaar zijn om een gedicht te schijven voor een eenzaam gestorvene en dit voor te dragen aan de groeve. Zelf was Starik bij alle eenzame uitvaarten aanwezig waarvan hij na afloop uitgebreid verslag schreef die te vinden zijn op de website Eenzame uitvaart Amsterdam. Hierover publiceerde Starik De eenzame uitvaart (2005) en Een steek diep. Schetsen van verloren levens (2011). Van 2010 tot 2012 was Starik stadsdichter van Amsterdam. Zijn recentste poëziebundel, Staat, verscheen in 2015.

    Voor zijn werk ontving hij de Amsterdamprijs voor de Kunst (2009), en in 2012 ontving hij het stedelijk ‘Ereteken van Verdienste’.

    Dat laatste gedicht, Ad fundum dat hij tijdens de 34e Nacht voordroeg, maakte indruk. Briesend uitgesproken strofen: ‘al die mensen’ die dood zijn, eindigend met: ‘mag die beker mij nu eens passeren (…) leven godverdomme / en heel lang nog / weg met de dood’.

     

    Eind februari werd F. Starik geïnterviewd over zijn stichting De Eenzame Uitvaart. Het bleek onvermoed zijn laatste interview te zijn. Trouw publiceerde het vandaag: F. Starik, het laatste familielid

    Verslag van zijn uitvaart in een column van Inge Meijer: Wiegend naar het einde

     

  • In memoriam Menno Wigman 1966-2018

    Een leven in dienst van de poëzie

    Een groot Nederlands dichter is gestorven. Het werd donderdag 1 februari op elk heel uur door de ‘Radio Nieuwsdienst van het ANP’ omgeroepen. Men stond stil en was geschokt bij het verscheiden van een dichter die niet veel publiceerde maar wat er van hem werd uitgegeven, was van grote klasse. Er ontbreekt in de Nederlandse poëzie plots een schakel, een tegenwicht, een klankbord. Aan de vooravond van Wigmans overlijden werd bekend gemaakt dat zijn laatste bundel Slordig met geluk, genomineerd is voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs.

    Menno Wigman, klassiek dichter met een onnavolgbare manier van formuleren, overleed donderdagochtend op 51-jarige leeftijd in het VU ziekenhuis te Amsterdam. Hij werd in slaap gehouden, zo vertelde zijn vriend de dichter F. Starik op Radio 1. Sinds 2014 rommelde het met zijn gezondheid, waarvan zijn laatste bundel, Slordig met geluk een weerslag is.

    Het leven van Wigman stond in het teken van de poëzie, zozeer dat hij geen tijd leek te hebben zich om iets anders te bekommeren. Hij trad op jonge leeftijd in de voetsporen van klassieke dichters als Rilke en Baudelaire – in tegenstelling tot zijn generatiegenoten die nieuwe dichtvormen ontwikkelden. Zijn gedichten waren metrisch, bevatten een sterk ritme en veel rijm. De thematiek in zijn werk was altijd: jeugd, dood, liefde, aftakeling en verval.

    Wigman was een goed voordrachtkunstenaar. Hij stond verschillende malen bij De Nacht van de Poëzie en werd voor Het Tuinfeest in Deventer de laatste vijf jaar, jaarlijks uitgenodigd. Een eer die voorheen alleen Gerrit Komrij ten deel viel.

    Hij debuteerde in 1997 met ’s Zomers stinken alle steden. In ruim twintig jaar publiceerde hij zes bundels waarvoor hij twintig jaar lang ’s nachts schreef. Naast zijn eigen bundels, waaruit een bloemlezing verscheen onder de modern-klassieke titel De droefenis van copyrettes (2009), publiceerde Wigman vertalingen van Baudelaire, Else Lasker-Schüler, Rilke, De Nerval en Leopold Andrian.
    Tweemaal werd zijn dichtkunst bekroond. Voor Zwart als kaviaar (2001) kreeg hij de Jan Campertprijs, en in 2015 werd hem de A. Roland Holst-penning toegekend.

    Van 2012 tot 2014 was Wigman stadsdichter van Amsterdam en moest als ambassadeur overal opdraven. Zelf zei hij daarover, (in een interview met John Schoorl V.K. 2016) dat het een te zware periode was, hij belandde met een hartkwaal op de intensive care, waarover hij zou berichten in Slordig met geluk.

    In 2014 was er het besef dat hij iets met zijn leven – anders dan het ten dienste stellen van de poëzie – moest doen. In 2011 publiceerde Jozef Deleu van Het Liegend Konijn het gedicht ‘Laatste taxi’ van Wigmans:

    Ik leefde snel en telde af, dat was toen mode.
    Ik telde doden, steeds meer doden, en ik dacht
    aan drank, aan drugs, aan de millenniumnacht
    en rook. En deze eeuw? Muziek en inzicht, veel
    verheffing. Google, woede, oorlog, mist.

    Er heerst een rookverbod maar niemand kijkt nog fris.
    Letterlijk niks houdt onze weerzin in bedwang.
    In chatrooms straalt een teder licht. Er is het recht
    op geld, op seks, op zwachtels voor de hersenstam,
    noem het ontdaan van een Betekenis – en dan.

    Ik heb een jeugd gehad. Het is de laatste nacht
    van weer een jaar, ik leefde stil en kwam tot niets
    en zit nu in een taxi, buiten hoor ik schreeuwen,
    mensen die vuurpijlen afsteken, elkaar
    beroemde kussen geven. Ik kijk. Ik zie. Zal leven.

     

    Menno Wigman publiceerde:
    s Zomers stinken alle steden Prometheus, Amsterdam, 1997
    Zwart als kaviaar, Prometheus, Amsterdam, 2001
    Dit is mijn dag, Prometheus, Amsterdam, 2004
    De droefenis van de copyrettes, (bloemlezing) Prometheus, Amsterdam, 2009
    Mijn naam is legioen, Prometheus, Amsterdam, 2012
    Slordig met geluk, Prometheus, Amsterdam, 2016.

    Zijn werk werd vertaald in het Duits, Engels en Frans.

    Nagekomen bericht:
    Zaterdag 17 maart ontving Menno Wigman postuum de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2018 voor zijn dichtbundel Slordig met geluk, waarvoor hij tijdens zijn leven genomineerd was.

    De jury van de Ida Gerhardt Poëzieprijs bestond dit jaar uit Kunststof-presentator en journalist Petra Possel en Volkskrant-recensent Arjan Peters. Zij beschreven Slordig met geluk als de culminatie van Wigmans oeuvre, een oeuvre waarin hij altijd de ‘gure schoonheid’ heeft bezongen, ‘een dichtersleven lang, consequent, mooi en melancholisch en altijd flirtend met de dood’. In de bundel, zo stelde de jury, ‘is guur meer dan guur en is schoon meer dan schoon’. Zodoende noemen zij het Wigmans ‘beste bundel ooit, zijn zwanenzang’.

    Het bijbehorende prijzengeld zal gebruikt worden voor een gedichtenbundel die hij maakte voor Stichting De Eenzame Uitvaart. Hij droeg deze gedichten voor tijdens de uitvaarten van mensen die zonder nabestaanden ten grave werden gedragen.

     

     

  • Onvergelijkbare Nacht van de Poëzie

    Onbehaaglijk koude rillingen die via de ruggengraat omhoog kruipen en kippenvel krijgen bij het horen van een gedicht. Dat kon je zomaar overkomen tijdens de 34e editie van Nacht van de Poëzie. In Tivoli/Vredenburg te Utrecht hingen zo’n 2000 bezoekers aan de lippen van een twintigtal opmerkelijke dichters. Een Nacht die overrompelde met dichterlijke bijdragen en enkele opzienbarende entr’actes.

    De Nacht opende glorieus met een beeldpresentatie van voorgaande Nachten, wervelende lichtbundels als sproeiende douchekoppen, openingswoorden van Piet Piryns en Ester Naomi Perquin en de Vlaamse dichter Charlotte Van Den Broeck die de spits afbeet. Haar dichtwerk over lijden en het doorbreken van sleur, was in tegenstelling tot het werk waar ze vorig jaar de Nacht mee afsloot, minder doordringbaar, maar evenwel met veelduidende strofen als: ‘geluk is geruisloos’. Of: ‘niemand strijkt de hemden meer of de man eronder’.

    ‘Spiegeling’
    Voor de geëngageerde Belgische dichter (voorheen Dichter des Vaderlands) Charles Ducal, is het socialisme nog zeer bruikbaar. Thema’s als arbeiders, Kongo, vluchtelingen op zee met een uitstapje voor een ode aan schrijver Emil Verharen (1855-1916) wist hij het publiek te boeien. Onze eigen Dichter des Vaderlands Anne Vegter is ook zeker geëngageerd maar bracht dit met zowel onontkoombare scherpte als luchtigheid. Zij was het die de luisteraars kippenvel en rillingen bezorgde met het indringende gedicht waarin ze zich afvraagt: ‘Wat nu, als de hele wereld kantelt’. Een fantastische omkeerbaarheid van de vluchteling. Heel Nederland valt uit elkaar en iedereen slaat op de vlucht maar nergens welkom. De opbouw was scherp en zonder pardon. Zo hebben we dat graag. Afsluitend klonk haar bekende: ‘Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.’,werd in deze versie: ‘altijd’. Ook Joke van Leeuwen hield het publiek een spiegel voor met een karakteristiek beeld van de huidige Nederlander waarin, aan het geregeld opklinkende lachen te horen, velen zich herkenden.

    K. Michel veroverde de zaal met humor en mooie vondsten. Sterk opgebouwde, verhalende gedichten. Zoals het gedicht dat begint met het wachten op de accountant om zijn zaken op orde te brengen, is meesterlijk. Het gaat uiteindelijk over een verstoorde zus die er eigenlijk niet is omdat ze dood is. Dat een dichter niet altijd weet welke kant het gedicht op gaat, bewijst hij door de account er weer uit te schrijven en zo kwam de ‘boekhouding nooit op orde’.

    De jonge dichters van de Nacht onderscheidden zich door werk waarin nog veel werd ‘losgemaakt van ouders (vooral moeders) en werd geworsteld met verwachtingen die hen zijn opgelegd. Roos Rebergen eindigde een gedicht over moeder met; ‘Gelukkig zijn we geen vriendinnen.’ Wat veelal bij alle dichters de boventoon voerde was toch wel de op hol geslagen wereld, vluchtelingen, chaos en machteloosheid over hoe de dingen gaan. Er is geen beter voertuig, bleek deze Nacht maar weer eens, dan de poëzie om aan dit alles uitdrukking te kunnen geven.

    Ongemakkelijk samenspel
    Ester Naomi Perquin en Piet Piryns presenteerden als duo voor de derde maal op rij De Nacht. Dat de rolverdeling in die drie jaar zich duidelijk onderscheidde, gaven ze zelf al aan. Perquin, de empathische die een relatie met het publiek opbouwt, noemde het publiek vorig jaar om te zoenen en Piryns’, degene die de blik streng op het tijdschema houdt en het publiek er met de kop bijhoudt. Dat dit niet altijd voor een goede balans zorgde werd duidelijk toen Piryns de Zuid-Afrikaanse schrijver Marlene van Niekerk verzocht het podium te verlaten toen haar tijd om was terwijl zij op het punt stond haar slotgedicht voor te dragen. Onverkwikkelijk vooral omdat Perquin bij aankondiging van Van Niekerk het publiek vertelde dat zij slechts enkele uren geleden geland was en speciaal voor de Nacht naar hier was gekomen. Het was een wat gênante samenloop van aanpak. Ook omdat haar voordracht begeleid werd door verhalen over de schrijnende toestand in haar land, waar per jaar 21.000 mensen (waaronder 8000 kinderen) door geweld om het leven komen. Natuurlijk, De Nacht duurt lang. Maar enige consideratie was hier op zijn plaats geweest. Het boegeroep uit verschillende hoeken van de zaal was dan ook niet van de lucht.

    En dan kwam Hans Dorrestijn nog met zijn zwartgallige maar oh zo vertederende humor, die zichzelf als een mislukte Joost Zwagerman bestempelde. Hij zelf had immers vaak genoeg klappertandend op een stoel, met een touw om zijn nek gestaan, maar was er nog steeds. Een mislukte Joost Zwagerman, jaja.

    De twee debutanten van de Nacht waren Marieke Rijneveld en Jonathan Griffioen, waarvan vooral Rijneveld verraste met haar wijze van uitdrukken als: ‘Troosten is als inparkeren / het is weten en meten’, is natuurlijk prachtig. En van Griffioen is nu al zeker dat zijn opening van de 35e Nacht onvergetelijk zal zijn.

    Wandelgangen en entr’actes
    In de wandelgangen (waar kleine uitgevers achter hun tafeltjes zaten, literaire tijdschriften vertegenwoordigd waren en boeken en eetwaren te verkrijgen waren), kon je een dichter in afwachting van zijn optreden in ogenschijnlijk rustige tred zijn rondjes om de zaal heen zien draaien. Hier en daar een enkele pauzerende bezoeker minzaam groetend. Zoals het een dichter betaamt. Een van deze rondwandelende dichters, F. Starik besprong in grasgroenkostuum het podium om het dichterschap te vieren. Met een gretigheid die het publiek soms achteruit deed deinzen, bracht hij een dichterlijke tirade over ‘gras’ (dat zich overal en onophoudelijk vertoont), ten gehore. Hiermee schudde hij de ingedutte zaal voor de rest van de Nacht goed wakker.

    De entr’actes waren verrassend en ook zo verbluffend vreemd, dat de neiging om met voorgaande jaren te vergelijken er volledig bij inschoot. Al met al was het een feestje waar niets onder de maat bleef en het publiek zich welwillend naar schikte. Uitschieters waren Mondharmonicaspeler Tim Welvaars die een hommage bracht aan de onlangs overleden Toots Thielemans en waarvan je dacht toen je hem hoorde spelen: ‘Waarom heb ik nog nooit eerder van die man gehoord?’ Daar is De Nacht dan ook weer voor, om ontdekkingen te doen en nieuwe kunstenaars te leren kennen.

    Zoals de Israëlische Asaf Avidan, muzikaal fenomeen met een stem die ongekend is en nog het dichtst bij het stemgeluid van The Tallest Man on Earth komt, maar zoals gezegd ook ‘ongekend’ is. Zijn teksten en manier van zingen deden af aan toe aan Leonard Cohen denken. Vooral de ballade The Labyrinth song, waarin het repeterende refrein deze associatie nog versterkte:

    Oh Ariadne, let me sing you, and we’ll make each other last
    Oh Ariadne, I have failed you in this labyrinth of my past
    Oh Ariadne, let me sing you, and we’ll make each other last

    En tussendoor met een regelmaat ,die het begeleidende ritme van deze Nacht werd, het vrolijk gerinkel van brekende wijnglazen. Soms een enkel glas, soms bij drieën tegelijk. Daarbij lijkt het publiek elk jaar jonger te worden, als is er een soort verschuiving in leeftijd waarneembaar. Waarschijnlijk ook dat daarom deze zeer succesvolle Nacht tot aan het einde toe opvallend druk bezocht bleef.

     

     

    Foto: Anna van Kooij

     

  • Zoektocht door een klein stukje van de stad

    Zoektocht door een klein stukje van de stad

    Na 16 jaar is er dan eindelijk weer een lang verwachte roman van de dichter Frank Starik, onder Amsterdammers vooral bekend van zijn initiatief De eenzame uitvaart waarbij hij eenzame mensen in gezelschap van collega-dichters uitluidt aan de groeve. De Gastspeler bestaat uit 54 hoofdstukjes rond 6 hoofdthema’s.

    Starik is een hartstochtelijke bewoner van de Staatsliedenbuurt in de hoofdstad. De vrij troosteloze buurt vormt het terrein waar hoofdpersoon F. zijn merkwaardige ‘belevenissen-op-de-millimeter’ beleeft. De naam F. is trouwens afkomstig van de vader van de hoofdpersoon. Hij gaf al zijn kinderen een letter omdat hij gewoonweg geen zin had de hele naam uit te spreken. Liefst had hij z’n kinderen genummerd, maar dat vond de moeder van F. niet ‘zo gezellig.’ Op blz. 40 ervaren we wat een Gastspeler eigenlijk is:
    (…) Dat ben ik: de man die niets is gebeurd tot men hem komt vertellen wat er is voorgevallen. Een man die in tweedehands abstracties leeft, de gastspeler, die de regels van het spel niet helemaal begrepen heeft, de man die niet werkelijk deelneemt, omdat hij geen deel van het team uitmaakt, iemand die niet lang zal blijven, geen kans op de hoofdprijs maakt, iemand die, meer nog dan anderen, voorbijgaat. (…)

    Soms doet dit boek van Starik denken aan de ondergewaardeerde en in 2007 overleden A. Moonen (spreek uit: “A punt Moonen”). Gelukkig wordt de lezer niet steeds afgeleid, zoals destijds bij Moonen, door allerhande viezigheden. Hoewel Starik er het hele boek een sardonisch genoegen in schept om ons te trakteren op scènes uit de realitysoap De Gouden Kooi, lijken deze scènes de vreemde surreële belevingswereld van de hoofdpersoon te versterken. Ook roept De Gastspeler door de tragikomische humor bij deze recensent herinneringen op aan het werk van Charles Bukowski. Wanneer F. vertelt dat een paar gezinsleden verongelukten met de auto doet hij het als volgt:
    (…) Twee verongelukten met hun auto in het snelverkeer. Ik geloof niet dat mijn familie een groot talent voor autorijden heeft.(…)

    Verder trekt F. die kennelijk een verhouding heeft met ene Victoria, door de Staatsliedenbuurt en alle winkeliers worden aan ons voorgesteld. Of het nu de dames van de bakkerij zijn, de bloemist of de eigenaar van de Gemakswinkel, F. heeft ze geobserveerd en ze worden met veel humor neergezet.
    (…) Ze kunnen het niet goed, brood verkopen. Liever dwalen ze met een stoffer door de winkel en leggen voordeelzakken krentenbollen op volgorde, schuiven broden verder op het rek. Of poetsen met een vochtig doekje het glas van de toonbank, waarachter de luxe dingen liggen uitgestald. Ze praten onderling over hun haar. Er is er altijd wel een die net een andere kleur haar heeft genomen. Doorgaans iets roodachtig bruins. Of plotseling blond.(…)

    Anders dan Vrouwkje Tuinman in De Buurvrouw, waarin een pand vervalt en alles en iedereen moet vertrekken, laat Starik zijn personen in een betrekkelijke status quo handelen en wandelen. Het lijkt alsof hij zich erbij heeft neergelegd er geen oordeel over wil hebben. F. oefent ook in het terughouden van zijn mening, maar of dat altijd lukt blijft een vraag.

    Er zijn zwervers er is een Spaanse kraker (Starik kraakte vroeger ook) en bedriegers, maar ook raadselachtige buren, die hun huis weer onderverhuren. De opmerking van Starik aan het eind van het boek is aardig maar ongeloofwaardig: Iedere gelijkenis met bestaande personen of situaties berust op toeval. Een groot interview in het Parool, 13 mei jl, laat Frank Starik zien als een bewoner van de buurt, die uit zijn ooghoeken de meest vreemde figuren en gebeurtenissen registreert.

    Er is een zoon van de hoofdpersoon, die luistert naar de vreemde naam: Majoor. (Van Kletsmajoors, een koekje met keiharde stukjes erin.) Hij blijft nagenoeg buiten beeld. Volgt hij een opleiding voor De Gastspeler?
    (…) Majoor vond het ook tegenvallen, het houden van een huisdier. Ik vouwde een muizenren van de anderhalve meter van het deksel overgebleven dubbeltjesgaas, waar Majoor dan met de muizen mocht spelen. zijn spel bestond dan uit het opjagen der muizen, om ze vervolgens aan de staart op te tillen, tot ze vrij in de lucht hingen. Dat lukte maar heel even. De muis greep zich vast aan zijn staart, hees zich omhoog naar de kindervinger en beet. Auw.(…)

    Er zijn veel hilarische momenten. F. haalt herinneringen op aan zijn krakerstijd. Hij ging op een zondag een cheque verzilveren bij het Grenswisselkantoor in de hal van het Centraal Station. De enige plek in de hoofdstad waar je geld kon halen met een cheque. Daar ontmoet hij een oom, die schichtig om zich heen kijkt:
    (…) De verschijning van mijn glanzende oom aan het Grenswisselloket schokte mij op een of andere wijze. Wat deed hij daar? Op zondag? De onontkoombare conclusie drong zich op dat de brave man de rosse buurt zou bezoeken. Hij keek me wat schichtig aan, zonder te groeten, alsof hij zijn neef niet meer herkende. Ik liet het zo. Je loopt niet op een wildvreemde af om je voor te stellen als neef. De neef die zijn cheque van de steun komt verzilveren. Ik werd mij plots bewust van mijn armetierige verschijning. Onder die enorme jas stak een legging uit, mijn voeten staken in soldatenkistjes, alsof ik aan het Oostfront had gevochten. Ik droeg nog net geen berenmuts met een geweer.(…)

    F. lijkt trouwens nooit zo gelukkig in zijn keuze van kleren. Hij koopt bij Mr. Bugatti (een winkel) kleren, die niet passen, legt ze in de kast om ze nooit meer aan te doen. Of hij past schoenen op de groei, strompelt naar huis en besluit deze martelwerktuigen nimmer meer aan te trekken.
    Tijdens het wegspoelen door de wc van één van zijn gestorven vissen, komt F. tot spirituele gedachten. En daarna tot verdere merkwaardige pogingen om het eeuwige vast te houden. Alweer op de millimeter.
    (…) Helemaal aan het eind van het riool vindt men de zee. Kom je toch nog goed terecht. Ik heb eens geprobeerd een grote vis te drogen. Na een paar dagen was het volle gewicht van de vis gereïncarneerd in een witwoelende berg maden. Transcendentie wordt dat genoemd, geloof ik, of de wet van behoud van energie: alles verandert, niets gaat verloren. Ovidius wist dat al.(…)
    Het zijn dit soort vreemde uitstapjes in het hoofd van F. die ons steeds op het verkeerde been zetten. Lijken de scènes uit De Gouden Kooi absurd, is de realiteit eveneens een realitysoap voor F. Het is allemaal nog niets vergeleken bij de gedachtes en associaties in het hoofd van F. Het is niet vreemd dat Starik zijn boek het thema van De aantekeningen van Malte Laurids Brigge van Rainer Maria Rilke meegaf. Het thema is een gedachtestroom in het hoofd van de voorbijganger, die registreert, concludeert, maar pas komt tot verontrustende uitspraken wanneer het besef is gerijpt dat slechts terloopse bijna onbewuste registraties van diezelfde werkelijkheid later naar buiten kunnen komen. Als naakte waarheden wellicht? Of als werkgedachten om de realiteit steeds verder te lijf te gaan. Steeds verder aan te kunnen? Geen Gastspeler meer hoeven te zijn?

    Het is de desolate zoektocht door een klein stukje van de hoofdstad, een soort On the road door de achtertuin of zoals wijlen Johnnie van Doorn zou zeggen: een speurtocht door mijn kleine hersentjes. Wat een interessant, gedreven proza, levert dat op in alle korte flitsen van hooguit 4 à 5 bladzijden. Het is te hopen dat we niet nog eens 16 jaar op de volgende mooie roman van deze unieke schrijver moeten wachten!

     

     

  • Gesignaleerde vergankelijkheid

    Gesignaleerde vergankelijkheid

    Recensie door Thomas Mölhman

    In de 45 gedichten uit de bundel De Grote Vakantie neemt dichter, schrijver, beeldend kunstenaar, fotograaf, zanger F. Starik zijn lezer mee op een persoonlijke gang langs vakantieadressen als de camping, de volkstuin, de stadswoning, het platteland en het graf.
    Onderweg is hem niets kleins te klein, niets groots te groot. Een kwijnende appelslak, Prins Claus, een lege fietsband en een verloren geliefde, ze zijn al even welkom in Stariks gedichten van alledag als de koe die moet kalven, de ‘spreker van éénletterwoorden’, de ‘kleine filosoof van wereldraadsels’ en ‘de vermaarde kunstcritica A.T.’

    We beginnen schijnbaar onbekommerd met een strandtafereeltje in het titelgedicht: ‘Zo op het oog hier alles/ welvaart en gemoedsrust./ Waar de Noordzee loom/ haar brede zandstrand kust’, maar al na enkele regels wordt een schaduw over het vakantievierende gezelschap aan zee geworpen: ‘Eén van hen zal volgend jaar/ niet langer bij ze zijn’.

    Na vier afdelingen waarin de dichter talloze tekenen van vergankelijkheid signaleert, beschrijft of overdenkt, en twee afdelingen vol In Memoriams en uitvaartgedichten leidt De Grote Vakantie niet tot de dood, maar tot een actieve daad in het slotgedicht ‘Een man steekt zijn huis in brand’. De lezer heeft tegen die tijd de indruk zijn dichter aardig te hebben leren kennen. Hij is bij hem op de fiets en over de vloer geweest, heeft zijn zoon, zijn lief en enkele vrienden leren kennen, is langs geweest bij zijn Egyptische sigarenman en meneer Scussi, van wie hij zijn voordeelkostuums betrok tot de aanleg van een nieuwe metrolijn hem de winkel deed sluiten. Ook is er intussen een dure lepel gekocht, een roze honkbalknuppel weggegeven, een boek in de winkel blijven liggen en afscheid genomen van vele bekenden en onbekenden.

    Dit alles en meer wordt de lezer doorgaans medegedeeld op Stariks haastloze toon, die zowel ruimte laat voor lyrische zwiepers als voor flauwe grappen. Voor baanbrekend taalspel hoeft men De Grote Vakantie niet te lezen, evenmin voor duizelingwekkende nieuwe inzichten of ideeën. Men schuift simpelweg aan bij een aangename verteller, die de moeite neemt ongeveer alles wat hem voor de voeten komt eens goed te bekijken en te beschrijven wat dat zoal voor hemzelf of de mensheid betekenen mag. De bundel bevat meer dan voldoende materiaal om hem af te kraken en meer dan voldoende om hem te prijzen. Maar uiteindelijk is het eenvoudig gesteld met het werk van deze dichter van levenslied en dodenzang: je leest en beluistert het en je houdt ervan of je vindt het helemaal niks. Ik houd ervan.