• Beste boeken 2025

    Beste boeken 2025

     

    Ook dit jaar weer vroeg Literair Nederland zijn recensenten en redacteuren om hun twee Beste Boeken te noemen die zij in 2025 hebben gelezen. Dat kunnen herlezen boeken zijn, of nieuwe boeken die om allerlei redenen grote indruk op hen maakten. Uit de honderden boeken die op Literair Nederland worden genoemd kwam een diversiteit aan titels binnen. Van wat zware of complexe boeken tot egodocumenten tot thrillers. Zo leuk, al die verschillende boeken die verschijnen en behalve door onze recensenten door nog heel veel andere mensen met plezier worden gelezen. Wat zijn we blij met al die boeken!


    Jan Douwe Westhoeve

    Liefde, als dat het is – Marijke Schermer

    In 2025 deed ik een halfslachtige poging om alle vijf de boeken van de shortlist van de Libris Literatuurlijst te lezen. Verder dan In het oog van Marijke Schermer en Oroppa van Safae el Khannoussi kwam ik niet. Maar door die poging ontdekte ik wel Marijke Schermer, een geweldige schrijver waar ik eerder niet bekend mee was. Later in het jaar kwam ik terecht bij Liefde, als dat het is uit 2019, wat mij betreft een van de beste boeken over relaties dat ik ooit las. Aan de basis van het boek ligt het meest fundamentele van het leven, de liefde, en hoe ongelofelijk ingewikkeld dat kan zijn. Een aantal van de personages reflecteert uitgebreid op wat liefde zou kunnen zijn, zonder dat ze ooit tot een sluitend antwoord komen. Juist die interne monologen vind ik erg sterk. Liefde, als dat het is is bij vlagen grappig en herkenbaar, ook voor mensen in hele andere vormen van relaties of situaties. Maar bovenal stelt Schermer de onbeantwoordbare vraag: wat is liefde eigenlijk echt?

    Oroppa – Safae el Khannoussi

    Oroppa kwam in 2024 uit, dus ik was in die zin een beetje een late adopter van het boek. Oroppa zou namelijk ingewikkeld zijn, of volgens sommigen in mijn omgeving zelfs ‘onleesbaar’. Wat mij betreft niets van dat alles; ja, de verschillende verhaallijnen zijn onnavolgbaar met elkaar verbonden, maar dat maakt het boek alleen maar een razend interessant labyrint. Als lezer raak je verdwaald, maar al snel krijg je het idee dat dat juist de bedoeling van El Khannoussi is. Zijn de personages in Oroppa niet allemaal ook verdwaald in het leven? En wie zegt dat er één vorm van de waarheid of werkelijkheid is? Wie op zoek is naar een eenduidig verhaal kan bij vele andere boeken terecht, maar wie zich wil laten verrassen en zich durft over te geven aan de chaos, voor die lezer is Oroppa onovertroffen. En dan te bedenken dat dit nog maar het debuut is, dat in de loop van 2025 de Boon én de Libris literatuurprijs won. Om het maar met een gedicht van Gerard Reve te zeggen: “Je vraagt je wel eens af: / ‘Waar hebben wij het aan verdiend?’”


    Anna Husson

    Blauw of de kleur van blijdschap – Anke Scheeren

    In deze subtiele roman maakt Scheeren haar protagonist Egbert Klein mee op een ongewone missie in Mongolië: het promoten van windenergie. Egbert, een introverte en onopvallende man, wordt uit zijn veilige routine gehaald en geconfronteerd met onzekerheid en ongemak. Het fascinerende van Scheerens schrijfstijl is de manier waarop ze Egberts innerlijke wereld onthult: sober, precies en met suggestieve kracht. De fysieke leegte van Mongolië weerspiegelt Egberts innerlijke isolatie, en de tragikomische toon gecombineerd met wrange humor maakt het verhaal zowel ontroerend als herkenbaar. Scheeren laat zien dat de reis van een personage vaak belangrijker is dan het resultaat, en dat stilte soms meer zegt dan woorden.

    De Alpenfederatie – Gregor Verwijmeren

    Verwijmeren voert de lezer naar een toekomstig, verontrustend Newholland, waarin sociale structuren ingestort zijn en morele keuzes centraal staan. Otto, Tilly en hun dochter Sophia navigeren door een wereld van extreme ongelijkheid en morele dilemma’s, terwijl Iwan en zijn medestrijders zich verzetten tegen de elite. De kracht van dit boek zit in de gelaagdheid: thema’s van klimaat, ongelijkheid en verzet worden subtiel verweven, terwijl de personages elk een eigen stijl en perspectief hebben. Verwijmeren combineert ernst met een onderhuidse satire, waardoor de roman scherp, diepgaand en tegelijkertijd wrang-humoristisch is. Het boek nodigt uit tot reflectie op ethiek, verantwoordelijkheid en de keuzes die we maken in een complexe wereld.


    Ronald Bos

    De zoon van de accordeonist – Bernardo Atxaga

    Afgelopen zomer, tijdens een korte wandeling over het pad naar Santiago de Compostella in Baskenland, ontmoette ik een paar wandelaars. We raakten in gesprek, ook over Baskische literatuur en zij noemden belangrijke hedendaagse schrijvers – van wie ik nog nooit iets had gelezen. Zoals Bernardo Atxaga (1951) en zijn roman De zoon van de accordeonist (2003), in het Baskisch geschreven en door hem zelf in het Spaans vertaald. Het is de geschiedenis van twee vrienden tijdens hun jonge jaren in de onrustige tijd van oplevend Baskisch nationalisme en onderdrukking door de Franco-dictatuur, die het gebruik van de Baskische taal had verboden. Bernardo Atxaga werd wereldbekend door zijn bekroonde roman Obabakoak (1988), met verhalen die zich afspelen rond het dorp Obaba in het bergachige gebied rondom Donestia (Baskisch voor San Sebastian). De beginzin van De zoon van de accordeonist is: ‘Het was de eerste schooldag in Obaba’, en gaat dan verder met de herinneringen van Joseba, klasgenoot van David, die de zoon van de accordeonist is. In een interview zegt Atxaga dat Obaba een ‘innerlijk landschap’ is, het is het land uit zijn verleden, ‘een mix van het werkelijke en het emotionele.’ De zoon van de accordeonist is een soort raamvertelling. In het langste deel Stukje Steenkool vertelt David over zijn jeugd en pubertijd in Baskenland, over zijn vrienden en vriendinnen, de Spaanse burgeroorlog en zijn bewustwording van de Baskische nationaliteit en taal. Als vijftienjarige zag hij voor het eerst zijn moedertaal in druk. (De Nederlandse vertaling is uitverkocht, maar nog wel tweedehands verkrijgbaar.)

    Mijn Lwów – Jozef Wittlin

    Met gesloten ogen hoort de Pools-Oekraïense schrijver Jozef Wittlin (1896-1976) de ‘Lwowse klokken, het gespetter van de fonteinen en het geruis van de geurende bomen’ in de stad van zijn jeugd. Hij luistert in stilte naar de voetstappen van de mensen die allang niet meer lopen, het zijn de schimmen die hij achter zich heeft gelaten nadat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog naar New York is gevlucht. In opdracht van uitgevers schreef hij in luchtige woorden en zinnen een ‘praatje’ over zijn Lwów, waar hij achttien jaar tijdens zijn jeugd heeft doorgebracht. Mój Lwów schreef Jozef Wittlin in 1946 in New York – hij zou nooit meer terugkeren naar Oekraïne. In 1945 werd het Poolse Galicië met de hoofdstad Lwów bij de Sovjet-Unie ingedeeld tijdens de beruchte Conferentie van Jalta. Nu vallen de Russische bommen op het Oekraïense Lviv. Het was hoog tijd voor een Nederlandse vertaling, nadat ook Wittlins beroemde roman Het zout van de aarde een paar jaar geleden (ook door Dirk Zijlstra) uit het Pools is vertaald. Mijn Lwów is een klein juweel in een mooi verzorgde uitgave met historische foto’s. Wittlin schrijft zonder weemoed en met ironie en liefde over de stad met zijn verschillende culturen die terug te zien zijn in de prachtige kerken en standbeelden en de vele schrijvers. Hij laat het literaire leven de revue passeren en de vele kroegen, café’s en restaurants waar dat leven zich afspeelde. Wittlin sluit zijn ogen en ziet ‘hele menigtes over de Corso dolen…de doden wandelen met de levenden.’


    Marjet Maks

    De verkavelingen – Arthur Goemans

    Het debuut van Arthur Goemans (1995) De Verkavelingen speelt in een heerlijke Vlaamse setting in de jaren negentig. We lezen over de gecompliceerde vriendschap tussen drie bevriende tieners, Robert, Jenny en Wes. Ze komen uit verschillende milieus, wat de verhaallijn breed trekt. De vrienden zijn tot elkaar veroordeeld voor de rest van hun leven door een gezamenlijk vergrijp. De jongens zijn verliefd op Jenny, ze is een interessant personage, zelfstandig en grillig en wordt gekweld door de moeizame relatie met haar moeder, gedurfde keuzes die ze moet maken, de middelbareschooltijd die haar niet boeit en uiteindelijk een ongewenste zwangerschap, tot ze helemaal van de aardbodem verdwijnt. De jongens zijn minder gecompliceerd, maar daardoor niet minder interessant. De psychologische ontwikkeling van de jonge volwassenen is geloofwaardig. Knap en verrassend goed geconstrueerd verhaal. Lees hier de recensie.

    Luister – Sacha Bronwasser

    Luister van Sacha Bronwasser (1968) is een boeiende ingetogen roman die in Parijs speelt in een tijd dat er veel terroristische aanslagen waren. Marie vlucht naar Parijs, wanneer ze ontdekt dat ze misbruikt is door haar vriendin, Flo, een kunstzinnige fotograaf. Aan de hand van aantekeningen in haar dagboek vertelt ze het verhaal, van de familie Lambert waar ze au-pair is van de kinderen van Phillipe en Laurence. Een heel deel gaat over de achtergrond van Phillipe, zijn jeugd met zijn gevoeligheden en angsten in een vermogende Parijse familie. Maar hij heeft ook een gave. Wanneer hij geobsedeerd raakt door een Duitse au-pair, die al voor Marie in het gezin was, neemt het verhaal een wending. Bijzonder intelligent geschreven en slim elliptisch geconstrueerd verhaal over lotsbestemming en boetedoening.


    Evert Woutersen

    De resten van een mens – Detlev van Heest

    Als je van dikke boeken houdt, is De resten van een mens van Detlev van Heest een aanrader. Het boek verscheen in februari van dit jaar en heeft bijna 900 bladzijden. Het boek bestaat uit verschillende dagboekfragmenten, waarbij Van Heest veel observeert en noteert. De nadruk ligt op de dialogen die hij met precisie weergeeft. Detlev zelf blijft daarbij enigszins op de achtergrond. De belangrijkste verhaallijnen in het boek zijn die over zijn werk als parkeercontroleur in Hilversum en zijn bezoekjes aan Emma Paulides aldaar. De beschrijvingen van zijn werk komen vaak terug. Door de herhalingen voelt zijn wereld heel vertrouwd aan. Het is knap hoe rustig Van Heest blijft onder de bedreigingen die de bekeurden soms uiten. Tussendoor bezoekt hij Emma; zij is na de moord op haar dochter in Zaandam (de Zaanse paskamermoord) naar Hilversum verhuisd: ‘Ik moest daar weg. Ik woon nu hier en niemand weet iets van mij.’ Bij elk bezoek van Detlev vertelt ze over haar dochter Sandra die op 21-jarige leeftijd is vermoord. Van Heest woont in Amsterdam. Daar spreekt hij vaak af met Lousje Voskuil, echtgenote van de in 2008 overleden Han Voskuil. Zijn ontmoetingen met haar beschrijft hij eveneens uitvoerig. Ondanks de dikte en de herhalende beschrijvingen blijft het boek tot het einde toe boeiend.

    Bevrijding Dagboeken 1981-1987 – J.J. Voskuil

    Vanaf 2022 verschijnen de Dagboeken van Han Voskuil in zeven delen (totaal zo’n 4000 bladzijden over de periode 1939-2006). Detlev van Heest is een van de bezorgers daarvan, samen met Thomas van Grafhorst en Mirjam Lucassen. In november 2025 is het zesde deel uit de reeks verschenen, Bevrijding, de dagboeken uit de jaren 1981–1987. Het laatste deel staat gepland voor 2026. Bijzonder is dat Lousje ooit stukken uit het dagboektyposcript had weggeknipt. Na zijn overlijden kreeg ze spijt van haar censuur. Op basis van bewaarde dagboekschriften zijn die hersteld. Deze dagboeken bevatten stukken over Voskuils werk op Het Bureau, eindigend met zijn laatste werkdag: ‘Ik sliep pas in toen de muggen kwamen en de merel begon te zingen.’ Daarnaast bevatten de dagboeken meerdere beschrijvingen van de echtelijke twisten van Lousje en Han. Een fragment uit het begin: ‘Ik waarschuw L. dat ze de theepot scheef op het lichtje zet. Ze wordt daar heel boos om. Alsof ze geen theepot op een lichtje zou kunnen zetten. Waar bemoei ik me mee.’ Het boek staat bovendien vol met bijzondere observaties wat het lezen ervan zo boeiend maakt. Bij een bezoekje aan Enkhuizen drinkt Han met een vriend een borrel. Ondertussen buiten: ‘Een jonge Duitser met een rotkop rijdt met zijn veel te grote en dure auto achteruit een paaltje omver. Wat gegeneerd probeert hij het weer overeind te zetten, de gêne van iemand die in het buitenland is en onder het oog van de autochtone bevolking gefaald heeft.’


    Els van Swol

    De slager van Klein BirmaHåkan Nesser
    Op een gegeven moment zie ik een advertentie die een nieuwe crime van Håkan Nesser aankondigt: Een brief uit München. De advertentie vormt meteen de aanleiding om de beste crime van hem die ik tot nu toe las weer eens uit de kast te pakken: De slager van Klein Birma. De Zweedse schrijver is niet voor niets een van de succesvolste misdaadschrijvers. In dit deel uit de Inspecteur Barbarotti-reeks graaft hij net wat dieper dan je misschien meestal van zulke boeken bent gewend. Het verhaal begint weliswaar op een ochtend met een dode, maar dat is de vrouw van de inspecteur die gestorven naast hem in bed ligt. Het zet zijn leven op z’n kop. En daar komt dan ook nog eens een cold case uit 2007 bovenop. Een boek om niet alleen gretig te lezen, maar ook niet snel te vergeten, dat blijkt maar weer eens. Een literaire crime met filosofische diepgang, vol vragen en weinig antwoorden. Die mag je zelf geven. Ik zie uit naar de nieuwe titel, die ook nog eens rond kerst speelt.

    Vacht! – Cobi van Baars 
    Het laatste boek dat ik in 2025 van Literair Nederland ter recensie kreeg aangeboden is de roman Vacht! van Cobi van Baars. Het is zo’n beetje – als mijn geheugen me niet in de steek laat – het mooiste op fictiegebied dat ik afgelopen jaar toegestuurd kreeg. De roman begint weliswaar met een cliché, in één woord: ‘Knotje!’ voor een archivaris (v), maar de auteur zet het snel in als iets waaraan ze veel van het verhaal ophangt. Een knotje waartegen je tikt om onheil af te zweren bijvoorbeeld. Of als antenne voor wat er zou kunnen gaan gebeuren. Net zoals ze het woordje ‘Vacht!’ (met uitroepteken) gebruikt. Een beschermwoord tegen de nieuwsgierige, maar niet werkelijk geïnteresseerde en kwetsende collegae van het hoofdpersonage, Eline van der Veer in het archief. Vacht slaat ook op de schapen die ze uit het raam van haar werkkamer kan zien. Je voelt haar verlangen dat iemand háár eens aait. De ontknoping zit razendknap in elkaar en laat je als lezer verbluft achter. Een boek dat nazindert.


    Hettie Marzak

    Krekel – Annet Schaap

    Na Lampje was het acht jaar ongeduldig wachten op nog een boek van Annet Schaap. Voor Lampje leek De geheime tuin van Frances Hodgson Burnett een inspiratiebron te zijn geweest, maar Krekel is gebaseerd op een sprookje van Hans Christiaan Andersen. Schaap heeft aan beide boeken haar geheel eigen draai gegeven. In Krekel gaat het over de stoere maar kwetsbare Eliza, die de namen van haar vijf grote broers op haar bovenbeen laat tatoeëren. Deze broers zouden op zee verdronken zijn, maar Eliza kan dat niet geloven. Ze gaat samen met haar overgebleven kleine broertje Krekel, dat helemaal op haar vertrouwt, op zoek naar hun broers. Annet Schaap vertelt in prachtig proza voor kinderen en volwassenen het verhaal van de zoektocht, waarin Eliza en Krekel niet alleen naar hun broers zoeken, maar ook inzicht krijgen in zichzelf, elkaar en de wereld. Het is een verhaal als een sprookje, vol verborgen wijsheden, fijnzinnige humor en ongelooflijke avonturen. Een licht feministische toon is nooit ver weg, zoals die ook in Lampje te bespeuren viel. Maar de rode draad wordt toch gevormd door rouw, verdriet en verlangen, die bij ieder karakter in dit boek verschillend zijn. Nergens wordt het verhaal week of zoetelijk, het blijft spannend en ruig. Het speelt zich af in dezelfde wereld als die van Lampje, waarnaar af en toe verwezen wordt, zoals wanneer de vuurtoren in beeld komt. Een wereld die heel herkenbaar is en tegelijk zo wonderlijk vreemd. Bijzonder is dat de prachtige, sfeervolle illustraties ook van de hand van de auteur zijn.

    Beladen huis – Christine Brinkgreve

    Beladen huis is een verdrietig maar eerlijk en openhartig verhaal over een huwelijk, overdacht en opgeschreven nadat de echtgenote weduwe is geworden. Als ze terugkijkt, beseft ze dat ze heel veel heeft moeten inleveren en verbaast ze zich erover dat zij dat als hoogopgeleide vrouw heeft laten gebeuren. Het is een heel persoonlijk boek geworden, ongeacht of het nu feit of fictie is. Geen doorlopend verhaal, maar verschillende herinneringen die opkomen. Wat het zo bijzonder maakt is dat de auteur de schuldvraag niet bij een van beide echtelieden legt, maar erkent dat deze situatie zo gegroeid is gedurende hun relatie. De maatschappij was niet ingericht op werkende vrouwen die ook kinderen kregen. Ook in academische kringen was het niet gebruikelijk dat vrouwen gelijkwaardig werden behandeld of dat mannen hun aandeel in het huishouden en de opvoeding van de kinderen op zich namen. Het zal in meer relaties dan alleen deze voor verwijdering en vervreemding van elkaar hebben gezorgd. Brinkgreve spaart zichzelf niet: ze beseft dat patronen uit haar jeugd doorwerkten in haar huwelijk en dat ze zich heeft laten beïnvloeden door traditie en conventies. Het huis, dat na de dood van haar man moet worden opgeruimd, is de metafoor voor hun verstandhouding: pas als alle overbodige ballast uit de weg is geruimd, waarmee het huis in de loop van tijd voller en voller is gestouwd, worden de fundamenten van het huwelijk zichtbaar. Een boek vol inzicht in rolpatronen voor veel mensen, niet alleen voor vrouwen.


    Adri Altink

    Lied van de profeet – Paul Lynch

    Paul Lynch begon aan zijn Lied van de profeet (beBooker-Prized) omdat het aan hem vrat dat de wereld in 2018 ondanks alle afschuw bij de foto van het verdronken jongetje Alan Kurdi toch gewoon doordraaide. Wat zouden we doen als de Syrische burgeroorlog in ons land plaatsvond en we zelf te maken zouden krijgen met willekeurige arrestaties en martelingen? Zouden we vluchten? Maar hoe dan? Vragen die hij zichzelf – en daarmee de lezer – stelt.
    Hij nam als plaats van handeling Dublin. Straten en gebouwen in de roman bestaan echt. Hoe dichtbij komt alles als we lezen hoe vader Larry van het gezin Stack door de staat wordt opgepakt en moeder Eilish met vier kinderen achterblijft in een situatie die alsmaar grimmiger wordt. Ik vond het een beklemmend boek. Maar ik bleef ook zitten met de vraag of de bedoeling van Lynch overkomt. Lynch drukte me indringender met de neus op de vraag wat ik zelf zou doen. Maar het effect was ook dat ik me vooral nóg machtelozer voelde. Een boek dat je zo beroert moet gelezen worden.

    Het Carnaval van het Zijn. Handboek ‘Patafysica – Matthijs van Boxsel

    Terugbladerend in de lijst van boeken die ik dit jaar voor Literair Nederland besprak, sprong ineens Het Carnaval van het Zijn weer duidelijk op. Van Boxsel schreef er een ultieme encyclopedie mee over ‘alle theorieën, wetenschappelijk of niet, als evenzovele min of meer mislukte pogingen in het reine te komen met de idiotie van het bestaan’. In het boek komen – om me maar te beperken tot Nederland – illustere patafysici langs als Atte Jongstra, Wim T. Schippers, Maxim Februari en Rudy Kousbroek. Vreemd vond ik wel dat Van Boxsel nauwelijks aandacht besteedt aan het Simplistisch Verbond dat ons toch vaak een aardige spiegel van onze idiotie heeft voorgehouden. Als ik moedeloos wordt van de praatprogramma’s op tv over politiek of opgeblazen incidenten pak ik Het Carnaval van het Zijn graag weer eens op om me aan een paar pagina’s te laven. Het staat, niet toevallig, in mijn kast naast het Barbarber-Alfabet uit 1990. Ook zo’n boek dat heimwee wekt.


    Joke Aartsen

    Ossenkop – Manik Sarkar

    Lees dit boek! Ossenkop van Manik Sarkar uit 2024, is vorig jaar niet opgenomen in het Beste Boekenoverzicht van Literair Nederland. Dat moet rechtgezet! Ossenkop is een laat debuut van de 52-jarige geboren Groninger Sarkar. Het is een werkelijk prachtig en prachtig geschreven boek over een slagerszoon in een plattelandsdorp die niet met zijn tijd meegaat omdat hij dat niet wil en omdat hij dat niet kan. Hoofdpersoon Rensing junior heeft ontegenzeggelijk talent voor zijn vak en liefde voor de runderen en het pluimvee. Het boek lijkt te gaan over deze enigszins onhandige niet-sociale dorpsjongen en over slachten en middenstander-zijn, maar gaat vooral over menselijke onmacht en over waarachtigheid. Het is daardoor confronterend voor iedereen die klaagt over de teloorgang van de dorpswinkel maar zelf wel de boodschappen bij de grootste Lidl in de buurt doet. Ossenkop is dit jaar bekroond met de Hebban debuutprijs, met de prijs voor het Beste Groninger Boek en met de Hans Vervoort-prijs, jaarlijks uitgereikt aan het beste verhalend proza van neerslachtige en toch opbeurende aard. Het is nog niet te laat: lees dit boek!

    Een nieuw geluid – de geboorte van de moderne poëzie in Nederland Gilles Dorleijn en Wiljan van den Akker

    Dit boek kwam uit in april 2025 en is een feest voor neerlandici en voor iedereen die geïnteresseerd is in literatuurgeschiedenis of de Tachtigers in het bijzonder. De beide professoren-schrijvers hadden behoefte aan een frisse kijk op de bestaande literatuurgeschiedenis. Ze vinden dat schrijvers, critici, methodes en literatuurdocenten elkaar napraten zonder werkelijk empirische basis en met dit boek leveren zij die basis. Het resultaat is een zeer volledige beschrijving van de literatuur vanaf 1880, dus met name van de toenmalige poëzie. Autonomie verdringt erfenis, vrouwen worden uitgesloten. De mannen van Een nieuw geluid beschrijven de bevindingen van hun indrukwekkende onderzoek naar deze poëziegeschiedenis overzichtelijk en in een fijne, toegankelijk stijl gelardeerd met volop (fragmenten van) gedichten. De Groningse Tessa van der Waals heeft het mooie omslag van het boek verzorgd.


    Bjorn Lichtenberg

    Onzichtbare steden – Italo Calvino 

    Dit was mijn eerste boek van 2025 en bovendien mijn eerste kennismaking met Italo Calvino. Onzichtbare steden voert de lezer langs een groot aantal fictieve steden, hoewel de reguliere betekenis van de benaming ‘stad’ geen recht doet aan wat dat woord in dit boek allemaal betekent. De steden vormen een raamwerk voor het presenteren van verfrissende filosofische ideeën, wiskundige curiositeiten, recursieve patronen, horror-achtige taferelen en paradijselijke scènes. Het boek vertegenwoordigt een enorme schat aan creativiteit en wekt de indruk dat de tekst slechts de oppervlakte is van de vele lagen die zij herbergt. Tussen de beschrijvingen van de steden door lezen we gesprekken tussen Marco Polo en Kublai Kan. De laatste vermoedt in toenemende mate dat de steden die Marco Polo hem beschrijft, in feite één en dezelfde stad zijn: Polo’s eigen Venetië. Onnavolgbaar, inspirerend en wonderschoon.

    Over de berekening van ruimte V – Solvej Balle 

    Bij Uitgeverij Oevers verschijnen vanaf 2022 de boeken uit Solvej Balles septologie Over de berekening van ruimte. In deze boekenserie volgen we Tara Selter, die elke dag opnieuw 18 november beleeft. In het vijfde deel zit zij al ruim tien jaar in 18 november vast. Na omzwervingen door heel Europa heeft zij zich, samen met vele anderen die vastzitten in de tijd, gevestigd op een verlaten universiteitscampus in de buurt van Luik. Dit deel is minder plotgedreven dan sommige van de voorgaande delen: er komt rust in het verhaal en er is meer ruimte voor filosofie en reflectie. De personages zitten vast in 18 november en nergens wordt gesuggereerd dat zij ooit nog een uitweg uit de achttiende zullen vinden. De serie is een verslag van wat de mensen zouden doen als de tijd onverbiddelijk stil zou komen te staan. En ja: vastzitten in de tijd is bij tijd en wijle best wel saai. Balle schuwt die saaiheid niet. Door die insteek doet Over de berekening van ruimte eerst en vooral aan als een extreem realistisch sociaal gedachte-experiment. Dat realisme wordt nog benadrukt door de kurkdroge, afgevlakte stijl die Balle bezigt. Van de zeven boeken die de serie zal behelzen, zijn er zes nu in het Deens verschenen; de eerste vijf zijn in het Nederlands vertaald. Deel VI verschijnt in augustus 2026.


    Ben Koops

    Godric – Frederick Buechner

    De rauwe spiritualiteit die Buechner hier toont, via de echt bestaande Godric, vertegenwoordigt de woestijnfase van elk leven. Het bestaan van zijn hoofdfiguur is ongemakkelijk, avontuurlijk, zeer onorthodox en diepgeworteld in de oudtestamentische verhalen van Kanaän en de zoektocht naar een overstijgend perspectief. Buechner lijkt bijna te zeggen: als Godric een heilige kan worden, kan ieder mens verlost worden. Het gaat om genade, maar niet de zoetsappige soort. Het onverloste deel van Godric is diepgeworteld in de klei waar hij uitkomt. Je krijgt geen makkelijke antwoorden van deze grijsaard. Hij is nurks, grofgebekt en heeft een kort lontje. Toch spreekt hij tot ieder mens, door de mond van een krakkemikkige, krakende oude man. Het werk zou je een spirituele biografie kunnen noemen, al dekt dat de lading niet helemaal. Het is zeker geen typisch heiligenleven met een moraal van “heb ik jou daar”. Je zou hem een ziener kunnen noemen: gewond en eigenlijk half onwillig, voortploeterend door pijn, verraad en tumult. Net als Jona of Job draagt Godric een zware last. Het is “roepen in een lege put”, “pijlen afvuren in het donker”. Op die manier heeft Buechner meer gemeen met Maria Esther Magnis en haar zoekende houding. Beiden spreken vanuit onwetendheid in plaats van stelligheid; waar het raakvlak afbrokkelt, bouwen ze hun eigen kansel. De spiritualiteit van vlees en bloed zet zelfs botten op de tocht.

    Aan het hof van Dionis – Mircea Eliade

    Eliade was godsdienstwetenschapper en verwerkt veel mythen en mysterie in zijn dubbelzinnige verhalen. De context is vaak verwarrend, stroperig en desoriënterend. Mensen raken verdwaald, lopen vast of verdwijnen in de tijd. Tegelijkertijd zijn de verhalen rijk aan symboliek en reiken ze de grenzen van het alledaagse voortdurend op. Er zijn magische zigeuners, liften die nooit naar de juiste bestemming gaan en mensen die zomaar verdwijnen. In verhalen als De Brug wisselt het perspectief voortdurend, wat een gelaagd verhaal oplevert. Telkens als je denkt iets te kunnen vastpakken, ontsnapt Eliade door een nieuwe paradox. Het mysterie is hier niet om te doorgronden, maar om van buitenaf te bewonderen. Alles wordt door zijn vertelwijze bijna tot een sprookje. ‘“Wij dromen allemaal,” zei zij. “Zo begint het, als in een droom.”’ Hier en daar wordt gerefereerd aan de Upanishaden, Indische filosofie en mythes zoals die van Adonis, wat een kader biedt om het boek te plaatsen. Het verhaal speelt duidelijk in Roemenië, met name in Boekarest tussen de wereldoorlogen. Zigeunerliedjes en maskeradeballen vormen de beste vergelijking. Gedrenkt in nostalgie is het genieten van dit uitgelezen feestmaal van Eliade’s mythopoëtische vertelsels. Net als de oerkracht van mythes legt het niets uit, maar het biedt een beklijvend beeld dat betekenis draagt. Je hoeft zijn theoretische werk niet te kennen om hiervan te proeven in zijn literaire arbeid.


    Juul Martin Williams

    Uiterste dagen – Ferdinand Lankamp

    Wanneer een boek op de eerste pagina al komt aanzetten met een boer, een paard en sneeuw, dan kan het voor mij niet meer stuk. Terwijl er natuurlijk een heleboel stuk kan. Een debutant kan makkelijk de mist in gaan met een stijl die niet consistent blijkt, details die niet goed zijn gekozen of geplaatst, een ongeloofwaardige plotwending. Ferdinand Lankamp heeft al die beginnersfouten weten te omzeilen en daarmee een wondermooi debuut afgeleverd. Behalve een ingetogen roman over de Finse Winteroorlog van 1939-1940 ook een memoir over het schrijven van dat verhaal. Tussen die historische delen – simpelweg aangeduid met ‘1940’ – waarin Lankamp op aangenaam trage wijze beschrijft hoe zijn overgrootvader Edvard Haga tegen wil en dank in die oorlog tegen de Russen verzeild raakte, reflecteert de auteur op zijn eigen schrijverschap, op de integriteit waaraan hij gehouden is bij zo’n persoonlijk thema, en ook wat de speelruimte is voor een dergelijke mix van fictie en geschiedenis. In hoeverre mag hij met het levensverhaal van zijn overgrootvader aan de haal gaan zonder hem te verminken of zijn nagedachtenis te onteren? Die liefdevolle behoedzaamheid is er in alles, in hoe hij de personages portretteert, in de morele kwesties die er speelden, in de taal waarmee dit intieme familieverhaal aan vreemden wordt voorgelegd. Een klein, sober, aandachtig geschreven boek dat je elke winter opnieuw zou willen lezen.

    We hebben alles bij ons – Arjen van Meijgaard

    De formule is simpel: een literaire roadmovie van een vader die verhuist naar Portugal en een zoon die hem daarbij helpt. De situatie zou alledaags kunnen zijn, ware het niet dat vader en zoon een groot stuk leven niet met elkaar hebben doorgebracht. Gesprekken zijn doordrenkt van al dan niet moedwillige misverstanden, omfloerste verwijten en opgekropte frustraties. Vooral van de kant van de zoon, het ik-personage in dit boek. Waar middels talrijke herinneringen het verhaal voor de lezer steeds duidelijker wordt, wordt ook de scheefgroei steeds gênanter. In deze gemankeerde ouder-kind-relatie staat tegenover het gekwetste, teleurgestelde kind een egocentrische vader die nooit zijn verantwoordelijkheid heeft willen nemen en daarmee zelf in zekere zin een kind was. Naarmate blijkt dat vader aan het aftakelen is, rijst bij de zoon de twijfel wat er nu nog valt uit te praten of goed te maken. De toekomst is een panorama waar de gemiste kansen hun schaduw alvast vooruit hebben geworpen. Uiteindelijk kan de nuchtere, bij vlagen hilarische verteltrant het ongemak en de triestigheid niet verbloemen. Gaandeweg blijkt juist dat wat er niet was het zwaarst te wegen en zijn de woorden die niet gezegd worden de meest pijnlijke.


    Anky Mulders

    Het derde rijk (deel drie van de Morgensterserie) – Karl Ove
    Knausgård

    De morgenster is deel een van de serie, De wolven van de eeuwigheid deel twee en Het Derde rijk deel drie. In aparte hoofdstukken leven los van elkaar staande personages hun leven, doen alledaagse dingen. Soms hebben ze met elkaar te maken, vaak niet. In het derde deel wisselen protagonisten en antagonisten uit het vorige deel elkaar af. Dat wisselende perspectief op dezelfde situatie is boeiend. Op de achtergrond speelt de extreme warmte en de plotseling verschenen ster waarvoor niemand een verklaring heeft. De alomtegenwoordige thema’s dood, liefde, bijbel, het duister en natuur komen in alle boeken terug. En wat daarin vooral terugkomt bij Knausgård is, vaak onmerkbaar, het ongrijpbare, dat wat verborgen is en wat de mens zo graag wil kennen maar waar hij niet bij kan. Soms lijkt het gevoel iets te kunnen vatten van het geheim van het al, het mysterie, het ondoorgrondelijke, wat dan weer snel verdwijnt zodra het verstand zich ermee gaat bemoeien. Dat onkenbare zweeft door Knausgårds boeken en is wat ze zo intrigerend maakt, naast de herkenbare situaties, de levensechte personages, hun twijfels, verlangens, hun verstandige of onverstandige beslissingen. Dat de verhalen een open einde hebben doet er niet toe. Er is altijd wel weer iets anders dat zich aandient om ontraadselt te worden. Wat even zo vaak niet gebeurt.

    De zwevende wereld – Annejet van der Zijl

    Annejet van der Zijl houdt het simpeler, nou ja, dat wil zeggen, geen mysterie, geen duisternis, niets ongrijpbaars. Wel veel boeiende feiten. Met veel inlevingsvermogen beschrijft ze in De zwevende wereld gedetailleerd het leven van de Duitse arts, botanist en Japankenner Franz von Siebold die in 1823 als ‘factorijarts’ op de Hollandse handelspost Desjima voor de kust van Nagasaki terechtkwam. Japan was toen nog hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Franz’ jeugdige belangstelling voor dieren en planten ontpopte zich op Desjima tot verzamelwoede van voor hem onbekende planten. Hij kocht ook kunstvoorwerpen en landkaarten van Japan en het bezit van die kaarten werd gezien als ‘verraad’, reden waarom hij het land werd uitgezet. Ondertussen was hij hevig verliefd geworden op zijn concubine Sonogi en had met haar een dochtertje, Oine. Wanhopig schrijft hij brieven, maar terugkeren mag hij niet. Over Oine gaat het tweede deel van het boek. In het voetspoor van haar vader is zij ten koste van persoonlijke opofferingen (de eerste vrouwelijke) arts geworden, maar Franz had daar weinig belangstelling voor. Als hij na dertig jaar eindelijk terugkomt in Japan – het land is inmiddels opengegaan – verwacht hij dat Oine zijn huishouding verzorgt. Wat ze weigert. Hun ontmoeting is een grote teleurstelling. Het is Van der Zijls verdienste dat ze het leven van Von Siebold en het 19e eeuwse Japan zo gedegen en levendig beschrijft. Het boek is prachtig geïllustreerd met tekeningen en foto’s. Je zou haast zelf verliefd worden op Japan!


     

  • Twee afgesloten hoofdstukken

    Twee afgesloten hoofdstukken

    De hoofdpersoon van Kairos. is Katharina. In de roman reconstrueert ze de liefdesgeschiedenis die ze vele jaren geleden had met schrijver en radiomaker Hans in Oost-Berlijn. Hans is overleden. Van zijn zoon heeft ze twee kartonnen dozen thuisbezorgd gekregen, met daarin brieven, agenda’s, foto’s en negatieven uit de periode 1986-1992 in Oost-Berlijn. Katharina heeft zelf nog een koffer met brieven en doorslagen uit die tijd. Uit de Proloog: ‘Lang geleden voerden de papieren, die uit zijn dozen en die uit haar koffer, een dialoog met elkaar. Nu voeren ze een dialoog met de tijd. In zo’n koffer, in zo’n doos, liggen het einde, het begin en het midden onverschillig door elkaar in het stof van decennia, ligt alles wat werd geschreven om te misleiden en alles wat was bedoeld als waarheid, alles wat werd verzwegen en alles wat werd opgetekend, of het nu wil of niet dicht bijeen, zitten het tegenstrijdige, de verstomde woede en de verstomde liefde samen in een envelop, in een en dezelfde map, is wat je bent vergeten net zo vergeeld en verkreukeld als wat je je nog vaag of duidelijk herinnert.’

    Een gelukkige tijd

    In de volgende hoofstukken (Doos I, Intermezzo, Doos II, Epiloog) ontvouwt zich de liefdesgeschiedenis van studente Katharina en Hans. Zij is 19, hij 34 jaar ouder. Zij is van 1967 en hij van 1933. Ze ontmoeten elkaar in Oost-Berlijn voor het eerst in bus 57 vanaf de Marx-Engels-Platz. Ze besluiten een kop koffie te gaan drinken. Dat Hans getrouwd is en een zoon heeft en nog een verhouding heeft met een vrouw bij de radio is voor Katharina geen bezwaar: ‘Al had je duizend vrouwen, zegt ze, van belang is alleen de tijd die wij samen hebben.’ Tijdens hun samenzijn speelt muziek een grote rol. Klassieke muziek zoals het Requiem van Mozart, maar ook hedendaagse muziek van Wolf Biermann. (Op Spotify is van de muziek uit het boek een playlist te vinden.) De eerste fase van hun relatie verloopt rooskleurig met veel restaurant- en theaterbezoek en wandelingen door Oost-Berlijn.

    Het kost Katharina veel tijd om doos I door te spitten. Ze herleest de boeken van Hans en zoekt ook haar oude notitieboekjes op. ‘Ze houdt negatieven van dertig jaar geleden tegen het licht om te kijken of het de moeite waard is om er afdrukken van te laten maken.’ Volledigheidshave dient ze het verzoek in om zijn Stasi-dossier te mogen inzien.

    Omslag

    Uit de reconstructie van de brieven en aantekeningen uit Doos II komt naar voren dat de liefdesrelatie van Katharina en Hans verandert als zij met leeftijdsgenoot Vadim naar bed gaat tijdens een stage in Frankfurt. Hans wil niet meer de door straten lopen waardoor ze samen wandelden toen alles nog goed was, niet meer naar de muziek luisteren die zij met Vadim heeft geluisterd. ‘In je hals wil ik je niet meer kussen, die heb je aan iemand anders geschonken.’ Hij merkt op: ‘Voortaan is dus alles wat eruit ziet als geluk alleen nog maar façade.’ En: ‘Vanaf nu, zegt hij, had ik graag dat je je brieven aan mij typte. Ik kan niet meer tegen dat handschrift van jou.’ Hij spreekt een cassette in ‘Kant A, Kant B, zestig minuten’. Zij moet daarop schriftelijk reageren. Het is steeds dezelfde cassette; hij neemt die weer mee en spreekt die opnieuw in, ‘alsof hij voor haar alleen met krijt schrijft, de spons pakt, uitwist, weer schrijft, opnieuw uitwist. Als de blaadjes met haar aantekeningen er niet waren, zou ze soms denken dat ze alles droomde.’ Zo moddert de relatie maar door; noch Katharina, noch Hans kan er een punt achter zetten. Als lezer krijg je steeds meer een hekel aan Hans met zijn autoritaire en perverse gedrag. Waarom gaat Katharina niet bij hem weg? Uiteindelijk strandt dan toch hun relatie.

    Kairos. is een vol boek met veel verwijzingen naar DDR-schrijvers en hun werk, zoals dat van Hanns Eisler, de componist van het DDR-volkslied. Hij werkte nauw samen met Bertolt Brecht, voor Hans een groot voorbeeld als schrijver.

    Val van de Muur

    In de jaren van hun liefdesrelatie wordt de politieke situatie in de DDR onstabieler. ‘Opkomende veranderingen die tot voor kort nog in tegenspraak waren met de bestaande orde in het Oosten, zullen binnenkort in tegenspraak zijn met de orde van het Westen die gaat komen.’

    De liefdesgeschiedenis van Katharina en Hans is ingebed in de gebeurtenissen in de laatste jaren van het bestaan van de DDR, leidend tot de val van de Muur op 9 november 1989 en opheffing van de staat in 1990. Hans verliest, net als veel anderen, zijn baan. Symbool voor het stuklopen van hun relatie staat het bijna onttakelde café waar zij de enige gasten zijn.

    Epiloog

    In de Epiloog bezoekt Katharina het Stasi-archief, de staatsveiligheidsdienst van de DDR. ‘In alle stilte wordt hier bij alle mogelijke burgers van een land dat niet meer bestaat, de schedel gelicht en mag je naar binnen kijken. Hans blijkt ook jarenlang voor de Stasi te hebben gewerkt. Onder de naam Galilei (schuilnaam gekozen naar een stuk van Brecht) heeft hij mensen bespioneerd.  Maar na vijftien jaar kreeg hij genoeg van het verklikkerswerk. Katharina vindt een aantekening van Hans: ‘Er bestaan bedenkingen tegen details van de cultuurpolitiek van onze staat. Vooral tijdens de ‘affaire Biermann’ treden er aarzelingen op.’ De Stasi-autoriteiten archiveren zijn dossier, omdat ze geen perspectief zien in verdere samenwerking.

    Voor jonge lezers zou een lijst met noten en een personenregister wellicht nuttig zijn. Want wie kent nog Wolf Biermann met zijn kritische teksten over de DDR, leidend tot zijn Berufsverbot en Ausbürgerung? Hij is vooral bekend door de Ballade vom preußischen Ikarus. Na een optreden in Keulen in 1976 mocht hij niet terugkeren naar de DDR en werd hem het staatsburgerschap ontnomen. Verwijzingen naar die ballade duiken telkens op in het boek. Alleen als een Ikaros kun je ontsnappen uit een land dat zijn burgers gevangen houdt.

    Kairos is de god van het gunstige moment. Het enige waaraan je hem kunt vastpakken, is de lok op zijn voorhoofd. Uit de proloog: ‘Was het een gunstig moment toen ze, als meisje van negentien, Hans leerde kennen?’ Dat Kairos een anagram is van Ikaros, lijkt geen toeval. Achter de titel van de roman staat een punt. In het boek is daarvoor geen verklaring te vinden. Wellicht staat die punt daar om te benadrukken dat de liefdesrelatie en het bestaan van de DDR voorgoed voorbij zijn.

    Boeiend boek

    In mei 2024 ontvingen schrijver Jenny Erpenbeck (1967) en haar vertaler Michael Hofmann de International Booker Prize 2024 van 50 duizend pond voor de beste naar het Engels vertaalde roman van dat jaar, Kairos.  Erpenbeck is de eerste Duitse auteur die de prijs wint. De roman verscheen oorspronkelijk in het Duits in 2021. In 2024 verzorgde Elly Schippers de Nederlandse vertaling. Uit het juryrapport van de Booker Prize: ‘It starts with love and passion, but it’s at least as much about power, art and culture. The self-absorption of the lovers, their descent into a destructive vortex, remains connected to the larger history of East Germany during this period, often meeting history at odd angles /…/ What makes Kairos so unusual is that it is both beautiful and uncomfortable, personal and political.’

    Daar kunnen we het helemaal mee eens zijn. Kairos. boeit van begin tot eind. Op een knappe manier heeft Erpenbeck de destructieve liefdesgeschiedenis van haar hoofdpersonen gecombineerd met de ineenstorting van het politieke systeem van de DDR.  Achter beide hoofdstukken is een punt gezet. Voorgoed voorbij.

     

     

  • ‘Kunst is waar wat wij overleven overleeft.’

    ‘Kunst is waar wat wij overleven overleeft.’

    De Iraans-Amerikaanse schrijver Kaveh Akbar (Teheran, 1989) is vooral bekend als dichter. Hij publiceerde o.a. Pilgrim Bell, Calling a Wolf a Wolf en Portrait of the Alcoholic. Met Martelaar! maakt hij zijn debuut als romanschrijver.

    Op zijn tweede is Cyrus Shams na de dood van zijn moeder met zijn vader vanuit Iran naar Indiana in Amerika verhuisd. Zijn moeder zat in een neergehaald vliegtuig. Een oorlogsschip van de Amerikaanse marine schoot op 3 juli 1988 een Iraans lijntoestel uit de lucht, vlucht 655 van Teheran naar Dubai. Alle 290 inzittenden kwamen daarbij om. Omdat zijn moeder Roya het beter vond dat Cyrus op zo’n jonge leeftijd niet meeging op die vlucht, leeft hij nog. Hij voelt zich schuldig, want hij had ook in dat vliegtuig moeten zitten.
    Zijn vader Ali werkt in een kippenfokkerij. Lange zware werkdagen in combinatie met veel drank leiden tot zijn vroege dood. ‘Nu zijn vader dood was, had Cyrus geen ouders meer die zich zorgen over hem konden maken /…/ Wat nog restte van zijn leven had geen zin van zichzelf, wist hij, want die zin kon alleen vorm krijgen in relatie tot anderen.’

    Cyrus is jaren in de ban van drugs en drank, maar hij stopt uiteindelijk met drinken.

    Op zoek naar betekenis

    Cyrus is eind twintig als hij zich verdiept in de geschiedenis van martelaren zoals Jeanne d’Arc, IRA-lid Bobby Sands – overleden door zijn hongerstaking in de Maze-gevangenis – en de ‘Man-voor-de-tank’, die tijdens de studentenopstand in 1989 op het plein van de Hemelse Vrede een tank tegenhield. Zijn appartement heeft hij volgeplakt met zwartwit afbeeldingen van deze martelaren. Daartussen hangt een trouwfoto van zijn ouders. Hij denkt aan het publiceren van een dichtbundel of een roman over martelaren. Cyrus: ‘Ik ben er nog niet uit. Maar heel mijn leven denk ik al aan mijn moeder op die vlucht, dat haar dood van geen betekenis is geweest. Echt letterlijk van geen betekenis. Van geen betekenis. Het verschil tussen 290 doden en 289. Een verzekeringsstatistiek. Niet eens tragisch, snap je? Maar was zij nu een martelaar? Er moet een definitie van dat woord zijn waar zij in past. Daar ben ik naar op zoek.’ Cyrus over de betekenis van de dood: ‘Ik denk niet dat het zo gek is dat ik wil dat mijn dood die wel heeft. Of om een studie te maken van mensen wier dood ertoe deed, weet je? Mensen die hebben geprobeerd om hun dood iets te laten betekenen.’

    Zijn zoektocht lardeert hij met bijzondere verhalen, zoals die over zijn oom Arash die verkleed als engel met een zaklantaarn onder zijn gezicht over het slagveld van de oorlog tussen Irak en Iran rijdt om het lijden van de stervenden te verlichten. Zo geloofden zij dat ze werden bezocht door de engel Gabriël en zo konden ze met waardigheid sterven.

    Zijn vrienden Zee Novak en Sad James wijzen hem bij zijn zoektocht naar het martelaardom op de tentoonstelling Death-Speak in het Brooklynmuseum in New York van de ‘internationaal vermaard kunstenaar Orkideh.’ Zij sporen hem aan naar New York te gaan: ‘Je wilt schrijver zijn. Zo gaan schrijvers te werk. Ze gaan achter het verhaal aan. Het is een omslagpunt. Je kunt die droeve, nuchtere man in Indiana blijven die altijd verkondigt dat hij schrijver wil worden, of je kunt er echt een gaan worden.’ Orkideh is gediagnosticeerd met terminale borstkanker en nodigt bezoekers in haar allerlaatste installatie uit voor een gesprek tijdens de laatste weken en dagen van haar leven die zij ter plekke in het museum zal doorbrengen. In een ‘abramoviceske performance’ kunnen museumbezoekers een paar minuten bij haar zitten ‘om frank en vrij over de dood te spreken.’

    Ontmoetingen in het Brooklyn Museum

    Meerdere hoofdstukken zijn gewijd aan de ontmoetingen tussen Cyrus Shams en Orkideh in het Brooklyn Museum. Hij vertelt haar dat hij studie maakt van al die mensen die zijn gestorven voor iets waarin ze geloofden. ‘Doodgaan. Het lijkt zo’n verspilling als je gewoon maar voor niets doodgaat. Zonde van je enige goede dood.’ Over de performance van Orkideh: ‘Jij bent dit aan het doen en dus betekent jouw doodgaan echt iets.’ Zij vraagt hem of hij een ‘weer zo’n door de dood geobsedeerde Iraanse man’ is. Bij de tweede ontmoeting vertelt Orkideh hem dat zijn project haar doet denken aan al die geweldige Perzische spiegelkunst. Uit Isfahan reisden ontdekkingsreizigers naar Europa. Daar zagen ze grote spiegels. De sjah wilde ook van die spiegels, maar bij het vervoer gingen die kapot: ‘In plaats van enorme spiegelpanelen kregen de architecten van de sjah in Isfahan dure spiegelscherven om mee te werken. En dus begonnen ze daar ongelooflijke mozaïeken mee te maken, heiligdommen, gebedsnissen.’ Orkideh: ‘Daar denk ik vaak over na, Cyrus. Al die eeuwen dat de Perzen de Europese ijdelheid, hun weerspiegeling eigenlijk probeerden te kopiëren.’ Bij de derde ontmoeting vraagt Cyrus waarom ze haar laatste dagen niet doorbrengt met haar familie. Orkideh: ‘Ik ben kunstenaar. Ik wijd mijn leven aan de kunst. Dat is het enige wat er is. /…./ Ik wijd mijn leven aan de kunst omdat die blijft /…/ Dat is wat de tijd niet kapotmaakt.’  Het motto van haar tentoonstelling Death-Speak luidt: ‘Kunst is waar wat wij overleven overleeft.’

    Orkideh doet orakelachtige uitspraken over zijn zoektocht naar het martelaarschap: ‘Wat ik bedoel is dat ik denk dat je je echte einde misschien ontdekt als je er niet langer naar zoekt. Ik denk dat echte eindes zich meestal van buitenaf naar binnen werken.’

    Bijzondere stijl

    Kaveh Akbar heeft een bijzondere manier van vertellen. Hoofdstukken over Cyrus’ moeder Roya Shams, zijn vader Ali Shams en zijn oom Arash, worden afgewisseld met hoofdstukken uit zijn schooltijd, zijn drank- en drugsperiode. Er zijn hoofdstukken met dromen, o.a. over zijn gesprekken met Orkideh en fragmenten uit zijn Martelarenboek.docx. Bovendien bevat het boek korte citaten uit officiële Amerikaanse en Iraanse onderzoeksrapporten over het neerstorten van vlucht 655. Vanuit Amerikaans standpunt is het neerschieten van het lijntoestel ‘niet met opzet’ gebeurd; in Iran wordt de aanslag op een postzegel gezet om te gebruiken als propagandamateriaal tegen Amerika.

    De roman zit knap in elkaar. De hoofdstukken kunnen gezien worden als stukjes van een gebroken spiegel: aan het eind is het mozaïek klaar en heeft de lezer een duidelijker beeld van hoe alle gebeurtenissen met elkaar samenhangen.

    Clarice Lispector

    Cyrus’ roman spitst zich toe op de vraag: hoe zorgen we ervoor dat onze dood ertoe doet? Uiteindelijk is zijn boek af, hij zal net als Orkideh een kunstwerk nalaten. In een droombeeld ziet hij ‘zijn familie, allebei zijn ouders, zijn boek, zijn eigen gezicht. Zonder toekomst, als een verbrijzelde glazen bol.’ Martelaar! heeft een motto van Clarice Lispector. Vooraan: ‘Mijn God, nu pas moet ik eraan denken dat mensen doodgaan.’ En na de laatste bladzijde wordt dat citaat herhaald, met de toevoeging: ‘Maar… maar ook ik? Niet vergeten dat het vooralsnog aardbeientijd is.’ De citaten zijn afkomstig uit haar laatste boek Het uur van de ster. Kort na het verschijnen ervan overleed de schrijfster, net voor haar zevenenvijftigste verjaardag. Mede door deze citaten vraagt de lezer zich af wat er van Cyrus is geworden. Zo blijft Martelaar! na lezing nog lang rondzingen in het hoofd van de lezer.

    Met zijn ruim 400 bladzijden is Martelaar! een interessant en boeiend boek. Vertaler Hans Kloos, die de lezer ook nog kan kennen van zijn vertaling van Ik ben een eiland van Tamsin Calidas, leverde weer een mooie vertaling af. Wie meer wil weten over Akbar en zijn debuut kan terecht op het Crossing Borderfestival op 2 november in Den Haag.

     

     

     

  • Het bordeel van Santa María

    Het bordeel van Santa María

    Bij het Nederlandse lezerspubliek is de Uruguayaanse schrijver Juan Carlos Onetti (1909-1994) wellicht niet zo bekend, maar in het Spaanse taalgebied is hij een veelgelezen en gewaardeerd schrijver. De belangrijkste literaire prijs in dat taalgebied is de Cervantesprijs, de Premio Miguel de Cervantes, die jaarlijks wordt toegekend. Onetti ontving de prijs in 1980.

    De relatief jonge uitgeverij Kievenaar (begonnen in 2020) heeft het wederom aangedurfd een boek van Onetti uit te geven. Na Afscheid (Los adioses uit 1954) en De dood en het meisje (La muerte y la niña uit 1973) kwam vorig jaar de vertaling van Juntacadáveres uit 1964 onder de titel Lijkendrijver uit. Op stapel staat nog Voor een graf zonder naam (Para una tumba sin nombreuit 1959).
    Aangedurfd, omdat Kievenaar er niet voor schroomt ‘moeilijke boeken’ uit te geven. Van hun website: ‘We balanceren op het bekende koord op de bekende hoogte en dagen iedereen uit bij Kievenaar een dapper stapje extra te zetten. Een zin eens niet één, maar twee of zelfs drie keer te lezen. Onze boeken als moeilijk veroverbare geliefden te beschouwen. Tegemoet te komen aan dat vreemde verlangen jezelf beter te leren kennen aan de hand van degene die deze soms zelfs niet naar je uitsteekt. In de spiegel niet alleen jezelf te zien.’

    Lijkendrijver is zo’n ‘moeilijk veroverbare geliefde’. Frans Oosterholt tekende voor de prima vertaling. Dat moet een pittige klus zijn geweest; sommige zinnen in het boek moet je inderdaad vaker lezen om te snappen wat er staat.

    Kadavers en lijken

    De droom van de hoofdpersoon Larsen, die ook wel Drijver of Lijkendrijver wordt genoemd, is het opzetten van een bordeel in het stadje Santa María. Het heeft bijna twee jaar geduurd voordat er in de Raad een meerderheid voor het bordeel is. Het lukt apotheker Barthé conservatieve raadsleden te overtuigen om voor te stemmen. Hij moet dan wel plechtig beloven later het wetsvoorstel voor de kruiersconsessie in de haven te steunen. Drijver heeft in afwachting van de beslissing over het bordeel zo lang op de administratie van de krant El Liberal gewerkt. Namens de Raad wordt hem gevraagd of hij het bordeel wil runnen.
    Dat doet hij: ‘Hij was oud, ongelovig, sentimenteel; het bordeel oprichten was nu, in wezen, als trouwen in articulo mortis, als geloven in spoken, als optreden voor God.’ Barthé is slechts geïnteresseerd in een deel van de opbrengst van de exploitatie van het bordeel: ‘Ik heb niets te maken met die smeerlapperijen. U regelt alles zoals het u goeddunkt. En u geeft me elke maand vijfhonderd peso, vanaf de opening.’

    Het verhaal wordt niet chronologisch verteld. Het boek begint met een treinreis van El Rosario naar Santa María. Pooier Drijver haalt zijn drie prostituees, María Bonita, Irene en Nelly op. Het bordeel draait de eerste maanden prima.

    Anonieme brieven

    Maar het succes van het bordeel roept ook weerstand op. Al na enkele maanden circuleren er anonieme brieven. Elk onheil in het stadje wordt in verband gebracht met het bordeel. Er is een roeiboot omgeslagen in de rivier en er zijn mensen verdronken. ‘Waartoe de kerk als er een bordeel is (…) Wanneer een plaats haar zin voor eerbaarheid verliest, is het rechtvaardig dat ze ook Gods Bescherming verliest.’ Pastoor Bergner zegt in zijn preek dat hij een zondaar met de zondaren is geworden, omdat hij niet heeft kunnen voorkomen dat er een bordeel in het stadje is gevestigd: ‘Ik ben jullie priester niet meer, ik ben geen priester van Santa María. Omdat de duivel naar ons is gekomen en is opgenomen; jullie hebben hem opgenomen en ik heb dat niet weten te voorkomen.’ Hij vecht niet tegen Drijver en de vrouwen in het bordeel: ‘We vechten tegen niemand in het bijzonder; we vechten tegen het kwaad.’ Volgens hem moet Santa María ontwaken en zelf zijn zielen willen redden.

    Het blijkt dat de meisjes van de Hulpvaardige Daad de anonieme brieven aan de ‘zielen van wie jullie weten dat ze deze boodschap nodig kunnen hebben’ schrijven. Na een kerkdienst ontrollen zij een spandoek met de tekst ‘We willen kuise verloofden en gezonde echtgenoten.’ Ook de pastoor zet zich samen met de Bond van Ridders in voor het bewaken van de goede zeden. Uiteindelijk besluit de gouverneur dat het bordeel moet sluiten. De cirkel is rond: met de trein vertrekken de drie vrouwen met Drijver uit Santa María.

    Troosteloosheid

    Onetti roept in zijn werk een sombere wereld op. Hij schrijft over de beerput van ouderdom, over verrotting en angst. Zijn beeldspraak verwijst veelal naar de dood. Drijver beschouwt zijn dames als kadavers en lijken. Hij (schommelde) tussen ‘erbarmen en walging. Altijd hetzelfde met die doden. Hij zette een stap en keek nieuwsgierig naar de hand die vooruit bewoog om het rossige, verschroeide, en nog altijd geparfumeerde haar van het lijk aan te raken, dat onelegant op het bed zat.’

    Bijzonder taalgebruik

    De zinnen en de beeldspraak van Onetti zijn niet alledaags. Wat te denken van ‘de lijken die hij dreef’ en ‘En hoewel de dingen die hij dacht zich openbaarden in de wittige spuugdraad die in zijn glimlach verscheen (…)’. Nog een citaat: ‘Vergevingsgezind en grootmoedig snoof hij de verrotting van de schaarse kraakbeenderen op, keurde hij de overeenkomsten met de stank van de andere lijven die misschien net wakker waren geworden en die weldra zouden beginnen hem op te bellen.’
    Onetti schrijft lange zinnen met herhalingen, veel komma’s en puntkomma’s.  Santa María is een fictief stadje, maar Onetti heeft er een levensecht Zuid-Amerikaans stadje van gemaakt met de dorpsdokter, Díaz Grey, de apotheker Barthé, een krant, een conservenfabriek met anonieme arbeiders en een bordeel bij de rivier.

    De roman laat zich niet makkelijk lezen door de wisselende perspectieven en monologues intérieurs. De vele personen die aan het woord komen zijn niet altijd nodig voor de voortgang van het verhaal, maar wel interessant voor de sfeer en de onderlinge machtsverhoudingen in het stadje.
    Het werk van Onetti komt steeds meer in de belangstelling te staan. In Duitsland is zijn verzameld werk uitgegeven. Daar is de titel van dit boek trouwens Leichensammler. Voor de uitgever moet het commercieel een uitdaging zijn om een boek met een titel als Lijkendrijver te verkopen. Wellicht dat er daarom op de omslag een foto staat van een sensuele vrouw. En dat terwijl de vrouwen in het boek allesbehalve sensueel zijn. Verkooptechnisch zou een titel als Het bordeel van Santa María misschien beter zijn geweest. Hoe het ook zij, Onetti’s roman uit 1964 past goed in de categorie moeilijk veroverbare geliefden. De Nederlandse lezer kan dankzij uitgeverij Kievenaar (nader) kennismaken met deze interessante schrijver met een eigen signatuur.
    Advies: lees ook zijn eerdere boeken en kijk alvast uit naar de volgende vertaling!

     

  • Prachtige biografie over Louis Couperus in zijn herdenkingsjaar

    Prachtige biografie over Louis Couperus in zijn herdenkingsjaar

    Uitgerekend in het jaar waarin de honderd jaar geleden overleden Louis Couperus (1863-1923) wordt geëerd, komt het Couperus Museum met het nieuws dat zonder een nieuwe mecenas het Haagse Louis Couperus Museum per 1 januari moet sluiten. In november vertelde oprichter en voorzitter van Stichting Louis Couperus Museum Caroline de Westenholz aan het NRC dat de gemeente Den Haag meerdere verzoeken om gemeentelijke subsidie heeft afgewezen. Zelf steekt ze €30.000 per jaar in het Museum, maar voor een gezonde exploitatie is bijna het dubbele bedrag nodig. Den Haag zonder Couperusmuseum, het is bijna niet voor te stellen. De Westenholz: ‘Maar wie weet gebeurt er nog een wonder. Daar hopen wij op!’

    Caroline de Westenholz verzorgde voor het jubileumjaar een mooie geïllustreerde biografie, Louis Couperus, een verwende vagebond. Het is niet de eerste biografie over Couperus. Bekend zijn vooral de biografieën van Henri van Booven, Leven en werken van Louis Couperus (1933), van Albert Vogel, De man met de orchidee, die als tweede druk een herziene titel kreeg, Louis Couperus. Een schrijversleven (1973), Frédéric Bastet, De wereld van Louis Couperus (1991) en van Rémon van Gemeren, Couperus. Een leven (2016).

    Groote eigenschappen, en eigenaardigheden

    Van Booven schreef in zijn voorrede ondermeer: ‘Ik stelde mij op het standpunt, dat wie Couperus bewondert, dit volledig doet, en hem neemt zóó als hij is, met ál zijn groote eigenschappen, met ál zijn eigenaardigheden.’ Hij eerbiedigt daarmee de wens van de schrijver:  ‘Laten de menschen niet meer van mij willen weten, dan ik hen reeds van mij zelf heb verteld.’

    Dat was in 1933. Bijna een eeuw later is er veel nieuw materiaal beschikbaar gekomen, zoals brieven en onbekende foto’s van Couperus en van tijdgenoten. Alle reden om in het jubileumjaar een nieuwe biografie het licht te doen zien. Van het fotoarchief van Frédéric Bastet dat het Couperus Museum heeft geërfd heeft De Westenholz dankbaar gebruik gemaakt.

    Eerbetoon

    De biografie van De Westenholz is prachtig geworden. Het boek bevat meer dan 450 foto’s en afbeeldingen. Zo is het een eerbetoon geworden aan de beroemde Haagse schrijver en het geeft ook een mooi tijdsbeeld van de periode 1863-1923. De biografie begint met de beschrijving van de familiegeschiedenis van Couperus, zijn jeugd en achtergrond. Een bijzonder detail: kindersterfte kwam in die jaren veel voor. Louis Marie Anne Couperus is vernoemd naar drie overleden zusjes. In het Haagse bevolkingsregister stond hij tot zijn achttiende abusievelijk ingeschreven als meisje.

    Als bewonderaar van Petrarca begint Couperus als dichter, maar zijn roem dankt hij vooral aan zijn Haagse romans, Eline Vere, De boeken der kleine zielen, Van oude mensen, de dingen, die voorbijgaan. De ontstaansgeschiedenis van zijn werken wordt uit de doeken gedaan en ook de reacties van tijdgenoten daarop. Aan de vormgeving van zijn boeken werd in die tijd heel veel zorg besteed. Wenckebach, Berlage, Toorop, het zijn namen van ontwerpers die we nu ook nog kennen. Couperus deed zelf ook voorstellen voor de omslagen van zijn boeken. Voor Extaze. Een boek van geluk maakte Pieter Josselin de Jong het omslagontwerp naar een idee van Couperus. De biografie bevat afbeeldingen van de omslagen van zijn bundels en boeken.

    Reiziger

    Tijdens zijn vele reizen naar o.a. Florence, Nice, Venetië en Rome verbleef hij met zijn echtgenote Elisabeth Baud in pensions, villa’s en hotels. De Westenholz heeft veel van die plaatsen bezocht en gefotografeerd. Zij vult haar eigen beelden aan met oude prentbriefkaarten en afbeeldingen van schilderijen. Zo reis je als lezer met Couperus mee door de tijd. De biografie is prettig leesbaar en op iedere pagina staat wel een afbeelding. De titel van de biografie is ontleend aan wat Bastet schreef over de jaren waarin Couperus veel reisde en stukken schreef voor de krant. ‘Het zwervende leven van een verwende vagebond beviel hem nog altijd goed.’

    Zwerfsteen

    Aan het einde van zijn leven verhuisde Couperus naar een nieuw huis in De Steeg. Lang heeft hij daarvan niet kunnen genieten omdat hij toen al ziek was. Hij overleed kort na zijn zestigste verjaardag. Van Simon Carmiggelt is de volgende anekdote uit een van zijn Kronkels in Het Parool: Couperus wandelde dagelijks met zijn hond in de omgeving van het dorp. ‘Van elke wandeling nam hij een zwerfsteen mee naar huis. Met die stenen legde hij in zijn voortuin het woord ‘Vale’- vaarwel in het Latijn. Hij kwam tot en met de ‘l’.

    De nieuwe biografie vormt een stimulans om de boeken van Couperus te (her)lezen. Het is te hopen dat er nog een oplossing voor het Couperusmuseum wordt gevonden. Een vaarwel in het Couperusjaar, dat kan toch niet. Aan Caroline de Westenholz ligt het niet. Zij zet zich al vele jaren met veel energie in voor het levend houden van het werk van Couperus. Met haar nieuwe geïllustreerde biografie heeft zij een nieuw monument voor hem opgericht.

     

     

  • Helemaal alleen in een mistige stad

    Helemaal alleen in een mistige stad

    De Oeigoerse auteur Perhat Tursun (1969) werd in 2018 door de Chinese autoriteiten opgepakt. Sindsdien is er niets meer van hem vernomen. Hij zou tot zestien jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld. De details van zijn veroordeling en gevangenschap zijn nooit openbaar gemaakt. Wellicht was een vroege versie van zijn roman De achterstraten die eerder op internet verscheen de aanleiding. Tursun schreef zijn boek in 1990-1991. In 2005 heeft hij de roman herzien en in 2015 voltooid. In een lange inleiding legt de Amerikaanse antropoloog Darren Byler uit dat hij lang gewacht heeft met het publiceren omdat aandacht voor het werk van Tursun de kans op arrestatie van Tursun en zijn anonieme Oeigoerse vertaler zou vergroten. Maar nu er al zo lang niets meer van hen is vernomen, heeft hij besloten tot publicatie over te gaan. Byler: ‘Ze verdienen het te worden gehoord.’

    De achterstraten speelt zich af in de Oeigoerse stad Ürümqi, een stad die bekend staat om zijn zware industrie en luchtvervuiling. Tursun laat zijn naamloze hoofdpersoon door deze vieze stad dwalen: ‘Het zou nog even duren voordat de zon onderging, maar in Ürümqi komt de zon nooit echt op. Hij lijkt altijd weg te vallen in een allesoverheersende duisternis.’ Eindeloos dwaalt de man door de stad met dichter wordende mist: ‘Ik keek aandachtig naar silhouetten van mensen in de mist. Sommige van hen, gekleed in het wit en één of twee meter bij mij vandaan, leken te flikkeren als weerspiegelingen in troebel, stromend water, alsof ze op lucht liepen. De mensen die in het zwart gekleed waren zag je pas als ze recht voor je stonden.’

    Vriend of vijand

    De hoofdpersoon vindt na zijn studie in Beijing in Ürumqi een baantje met een proeftijd op een stinkend en slecht verlicht gemeentekantoor, geleid door Han-Chinezen. Een sleutel krijgt hij niet. En een woonplek hoort niet bij de functie, ondanks dat er meerdere ruimtes in het gebouw leeg staan. Zijn collega’s kijken niet naar hem om. Zijn leidinggevende voelt zich ver boven hem verheven: ‘Met mij praten was niet alleen zonde van zijn eigen tijd, maar was eigenlijk een misdaad, omdat hij de tijd van zijn volledige etnische nationaliteit verdeed (…) Hij vroeg me uit te leggen waar ik goed voor was.  Ik zei hem dat ik in staat was te leven. Want ja, het mooiste ter wereld is leven. Er is niets mooiers dan leven! Wat hem het meest dwarszat, was dat ik leefde.’

    Als hij niet op kantoor zit, dwaalt hij door de mistige stad. ‘Vanuit het niets rende er een rat voor me uit, hij verdween als een kogel in het vuilnis. (…) Zoals de rat door het afval schoot, zo bewoog ik me door de stad. Net als hij was ik zoek naar eten, en als mijn maag gevuld was, wilde ik niets anders dan slapen.’

    De behandeling als tweederangsburger maakt dat de hoofdpersoon zich alleen voelt. Ontmenselijking is het thema van het boek. Op meerdere plaatsen komt de volgende bezweringszin terug: ‘Ik ken niemand in deze vreemde stad, dus ik kan onmogelijk iemands vriend of vijand zijn.’ De leidinggevende Han-Chinees beschouwt hem als inferieur door zijn uiterlijk en de taal die hij spreekt. Zo leeft hij in een sociaal isolement. Hij is helemaal op zichzelf aangewezen. Toch lukt het hem om te overleven in smogstad Ürümqi, door gebruik te maken van soms irreële, maar voor hem belangrijke en doelmatige overlevingstechnieken.

    Ontmenselijking

    In de inleiding vertelt Byler hoe de Chinese autoriteiten al jaren bezig zijn de Oeigoeren te ontmenselijken. Sinds 2017 zijn er honderdduizenden Oeigoeren ‘verdwenen’ in interneringskampen in Noordwest China – een gebied dat in het Chinees bekend staat als de provincie Xinjiang, of ‘Nieuw Grensgebied.’ De eveneens verdwenen Perhat Tursun schreef vijftien jaar aan De achterstraten. Hij observeerde hoe de beeldvorming van Oeigoeren als lagere diersoort ontstond, zoals religieuze Oeigoeren afbeelden als ratten die door mensenmassa’s achterna gejaagd worden. Byler vertelt over zijn gesprekken met Tursun. In de roman treedt de mist in de stad op als een soort personage. De mist zorgt voor een verstikkende sfeer. In zijn boek wil Tursun uitleggen hoe vervreemding verbonden is aan mentale gezondheid en etnisch nationalisme. Hij vertelt ook dat hij graag Albert Camus las: ‘Ik ben heel erg beïnvloed door De pest. Ik las het steeds opnieuw en nog steeds voelt het alsof elke zin iets belangrijks zegt.’

    Dit boek maakt invoelbaar hoe Tursun zich gevoeld moet hebben. In De achterstraten beschrijft hij een leven in de marge en een gebrek aan medemenselijkheid. In breder perspectief vraagt het boek aandacht voor het lot van duizenden verdwenen Oeigoeren. Dat we niet weten hoe het met de schrijver is, maakt het lezen van deze roman zeer intens.

     

     

  • Een indrukwekkende reconstructie

    Een indrukwekkende reconstructie

    In januari 2003 zit er bij de familie van Anne Berest tussen de kerstkaarten een ansichtkaart: ‘Hij zat onopvallend tussen de andere enveloppen, als het niets was, alsof hij zich had verstopt om onopgemerkt te blijven.’ Op de voorkant staat een foto van de Opéra Garnier in Parijs. Aan de adreskant vier namen in een onbeholpen handschrift, Ephraïm, Emma, Noémie, Jacques. Het zijn de voornamen van de grootouders van moederskant, en van de tante en oom van Lélia, de moeder van Anne Berest. Zij werden alle vier in 1942 in Auschwitz vermoord. De kaart verdwijnt in een lade en de familie praat er niet meer over.

    Tien jaar later moet de zwangere Anne rust nemen om ervoor te zorgen dat haar baby niet te vroeg komt. ‘Tijdens het wachten dacht ik aan mijn moeder, mijn grootmoeder, aan de lange lijn van vrouwen die vóór mij een kind ter wereld hadden gebracht. Op dat moment wilde ik dolgraag het verhaal van mijn voorouders horen.’ Anne schaamt zich ervoor dat ze helemaal niets van hen weet: ‘Ik kende de landen niet waar ze doorheen waren gereisd, wist niet welke beroepen ze hadden uitgeoefend en hoe oud ze waren toen ze werden vermoord.’

    Reconstructie

    Zo begint het verhaal over de zoektocht naar de mensen achter de namen en naar de afzender van de ansichtkaart. Het blijkt dat Annes moeder Lélia jaren bezig is geweest met het uitzoeken van hun familiegeschiedenis. Haar studeerkamer staat vol boeken, ordners en archiefdozen. Anne: ‘Als tiener wist ik dat deze dozen op de boekenplanken sporen bevatten van onze sombere familiegeschiedenis, ze deden me denken aan kleine doodskisten.’ Op grond van documenten uit Franse archieven, getuigenissen van overlevenden uit de kampen en een paar foto’s met onleesbare bijschriften kon ze een reconstructie maken van de familiegeschiedenis. ‘Alles wat ik weet, heb ik gereconstrueerd door archieven uit te pluizen, door boeken te lezen en ook omdat ik na mijn moeders dood aantekeningen heb gevonden tussen haar spullen.’ Door documenten zorgvuldig te vergelijken kon ze feiten en data vaststellen.

    Omzwervingen

    Het boek bestaat uit twee delen. Het verhaal begint in Rusland in 1919 in de datsja van Nachman en Esther Rabinovitch. Hun zoon Ephraïm en zijn zwangere vrouw Emma en alle neven en nichten zijn uitgenodigd voor de viering van het Joodse paasfeest. Nachman leest als familiehoofd tijdens de seidermaaltijd de hagada voor, het bijbelse verhaal van de uittocht van het Hebreeuwse volk uit Egypte.
    Dan komt hij met de ernstige boodschap dat het tijd is om uit Rusland te vertrekken: ‘es’ shtinkt shlekht drek’ – er is stront aan de knikker. Hij vertelt over het toegenomen antisemitisme en de anti-Joodse maatregelen. Hij vraagt iedereen goed na te denken en besluit met: ‘Knoop dit in jullie oren, op een dag willen ze ons allemaal dood zien.’

    Nachman en Esther vertrekken naar Palestina. Na de oktoberrevolutie is Ephraïm als sociaal-revolutionair zijn leven in Rusland niet meer zeker. Hij en Emma vluchten naar Letland. Joden zijn daar niet onderworpen aan handelswetten. Net voor hun vertrek bevalt Emma op 7 augustus 1919 van dochter Myriam. In 1923 krijgt Myriam er een zusje bij, Noémie. Het gaat een tijd voorspoedig met het gezin in Riga, maar na omzwervingen via Polen en Israël vertrekken Ephraïm en Emma in 1929 met de beide meisjes en de pasgeboren Jacques naar Frankrijk. Daar worden na verloop van tijd onder invloed van de bezetter steeds meer verordeningen van kracht die de vrijheid van Joden inperken: buitenlandse onderdanen van ‘het Joodse ras’ moeten zich laten registreren, ze mogen niet meer reizen en niet meer werken ‘als zakenman, directeur en bestuurder.’ Het gezin, met uitzondering van Myriam komt uiteindelijk om in Auschwitz. Lélia: ‘Zo eindigen de levens van Ephraïm, Emma, Noémie en Jacques. Myriam heeft er nooit over verteld toen ze nog leefde. Ik heb haar nooit de namen van haar ouders, haar broer of zus horen noemen.’

    Het onderzoek voortgezet

    Het tweede deel van het boek gaat over de periode na de oorlog, de zoektocht naar de levensgeschiedenis van Myriam en het zoeken naar de afzender van de ansichtkaart. Over Myriams leven na de oorlog heeft Lélia niets kunnen vinden. Anne: ‘Ik wil mijn eigen onderzoek doen om die periode uit Myriams leven te reconstrueren.’ Zo zet zij het onderzoek (in eerste instantie nog) deels samen met haar moeder voort: ‘Mama, ik ben je dochter. Jij leerde me hoe ik onderzoek moest doen, hoe ik informatie moest controleren, hoe ik het kleinste stukje papier iets kon ontfutselen. In zekere zin maak ik het werk af dat jij mij leerde en zet ik het alleen maar voort. Die kracht die mij ertoe drijft het verleden te reconstrueren heb ik van jou.’ Anne plaatst de persoonlijke verhalen in een historische context. Al hun speurwerk leidt ertoe dat Epraïm, Emma, Myriam, Noémie en Jacques mensen van vlees en bloed worden. Anne kent nu de landen waar haar voorouders doorheen reisden. Als lezer leven we met familie mee, leren hun angsten, ambities en hun dromen kennen.

    Anne schrijft dat ze na de reconstructie beter begrijpt wie ze zelf is. Ze realiseert zich dat ze dochter en kleindochter van overlevenden is.

    La carte postale verscheen in 2021. Op de Franse uitgave staat op de omslag een grote foto van Noémie. Het boek kreeg Franse en internationale prijzen. Ghislaine van Drunen en Annelies Kin verzorgden de prima Nederlandse vertaling die in 2023 uitkwam. Op de omslag staan de ansichtkaart en foto’s uit het familiealbum en een quote uit Le Figaro: ‘Een indrukwekkende waargebeurde geschiedenis die leest als een roman.’ Dit boek verdient het om op grote schaal gelezen te worden.

     

     

  • ‘Proberen om iets te veranderen, daar ging het om’

    ‘Proberen om iets te veranderen, daar ging het om’

    De Israëlische schrijver David Grossman (Jeruzalem 1954) is een veelbekroond auteur. In 2017 won hij als eerste Israëlische schrijver de Man Booker International Prize voor Komt een paard de kroeg binnen en in 2018 de Israel Prize for Literature. Vorig jaar kreeg hij de Erasmusprijs 2022 voor zijn gehele oeuvre, uitgereikt door koning Willem-Alexander in het Koninklijk Paleis in Amsterdam. Het thema van dat jaar was ‘Verbinders in een verdeelde wereld.’ Van de website Stichting Praemium Erasmianum: ‘Grossman voldoet als geen ander aan deze typering. In zijn werk wil hij de mens van binnenuit begrijpen, en de ander liefdevol bezien over grenzen van oorlog en geschiedenis heen. Het werk van Grossman verandert de lezer: de vergevende blik waarmee hij zijn personages beziet straalt ook op ons af.’ *

    De Erasmusprijs was voor uitgeverij Cossée de aanleiding Grossmans debuutroman uit 1983 De glimlach van het lam opnieuw uit te geven. Shulamit Bamberger vertaalde de roman al in 1994 uit het Hebreeuws; nu is er een gereviseerde versie. Waaruit de revisies bestaan is niet duidelijk en ook niet wie die heeft gedaan. Shulamit Bamberger overleed op 8 mei 2018.

    De glimlach van het lam vertelt het verhaal van vier hoofdpersonen, de Israëlische soldaat Uri, zijn meerdere, militair gouverneur Katzman, Sjosj, de vriendin van Uri en de oude Palestijn Hilmi.

    De ezelsdagen

    In Djoeni, een Arabisch dorpje in bezet gebied, wordt er met stenen gegooid naar een Israëlische legerpatrouille. Een reservist wordt geraakt en de militairen schieten op de stenengooier. Die ontsnapt, maar een ezel wordt dodelijk getroffen. Katzman verbiedt de bewoners het kadaver weg te halen zolang ze niet vertellen wie de steen heeft gegooid. Uri gaat steeds kijken bij het kadaver. De stank is niet te harden, maar de bewoners wennen eraan. Vrouwen met baby’s lopen er langs en er gaat zelfs iemand naast zitten om meel te zeven. Uri: ‘En ik stond te kijken, want ik had me voorgenomen om daar te blijven totdat ik het begreep.’

    Idealist

    De situatie met de ezel maakt dat Uri en Katzman tegenover elkaar komen te staan. Katzman is de militair met een afstandelijke kijk op mensen. Hij komt het gouvernementsgebouw niet uit, de bevolking van Djoeni kent hem nauwelijks. En Uri is de idealist die het beste met de mensen in het dorp voor heeft, hij droomt van het aanleggen van asfaltwegen en bloeiende tuinen. Hij ziet zich al over de nieuwe wegen rijden en rozen plukken: ‘Op zijn gezicht lang die naïeve, onnozele glimlach die Sjosj geïrriteerd de glimlach van een lam noemde.’

    Uiteindelijk verbiedt Katzman Uri contact te onderhouden met de mensen uit het dorp en dus ook met Hilmi. Maar Uri negeert dat en blijft de oude man in zijn grot bezoeken om te discussiëren over de bezetting en om naar zijn sprookjesachtige verhalen te luisteren. Hilmi: ‘Hij zei dingen die je niet in het openbaar mag zeggen, bijvoorbeeld dat de bezetting het leven van beide volkeren vergiftigt /… / en iedereen was ervan overtuigd dat hij gewoon een nieuw soort spion was, en dat ik hem een schuilplaats verschafte.’ Uri: ‘Je bent een idioot als je vecht, je bent een idioot als je iets probeert te veranderen, maar ja, Hilmi, ik kan niet anders.’

    Met Katzman praat Uri ook over de bezetting: ‘De mensen in Andal zeggen dat Hilmi een idioot is. Misschien is hij dat wel, en misschien ben ik het ook omdat ik met hem in discussie ga. Die discussies hebben geen enkele zin, ze zijn precies als mijn discussies met Katzman. Net twee wurmen die elkaar op een vallende steen opvreten. En als ik met Katzman in discussie ga over de bezetting, dan antwoord ik met Hilmi, en tegenover Hilmi stel ik de juiste argumenten van Katzman. En zelf vlucht ik zo’n beetje tussen die twee soorten van gelijk.’

    Katzman wil liever geen bezetter zijn. Maar een zelfstandige Palestijnse staat met als enige brandstof de haat tegen Israël boezemt hem angst in. ‘Algauw kwam hij tot de wanhopig makende conclusie dat er geen uitweg was uit de huidige situatie waarin de twee volken met elkaar verstrengeld zijn.’
    Maar Uri weigert dit te accepteren. ‘Proberen iets te veranderen, daar ging het om.’ Volgens Uri is onrecht als het ware een rad. ‘Dat kun je alleen begrijpen aan de wonden die dat rad veroorzaakt /…/ zodra je iemand onrecht doet word je zelf door het rad meegesleurd /…/.’  Zo voert Uri zijn eigen oorlog om de situatie van de bevolking te verbeteren. Dat betekent ‘veel wrijving met het rad, en veel wonden. Maar ik voelde me goed, want ik vocht.’

    Kaan-ja-ma-kaan

    Het boeiendste personage is Hilmi, een oude zo goed als blinde Arabier. Hij vertelt hoe hij kinderen heeft opgevangen van ongetrouwde moeders. Voor zijn laatste bastaardkind Jazdi heeft hij 12 jaar gezorgd. In de gelaatstrekken van Uri herkent hij iets van de jongen: ‘Hij was zo zacht als de jongen die me ontstolen was, zijn glimlach was ijl en wankelend. En één keer noemde ik hem Jazdi /…/’  Hilmi begint zijn verhalen altijd met ‘kaan-ja-ma-kaan’, er was eens of er was niet. Is het echt gebeurd of is het verzonnen? Zo vertelt hij Uri ‘verhaal na verhaal, sprookje na sprookje.’

    Sommige uitdrukkingen worden niet vertaald, bijvoorbeeld het zinnetje ‘toeta toeta, chilset al-hadoetha’. De eerste keer komen die woorden uit de mond van Jazdi. Hij zei ‘de dingen /../ die declamerende figuranten in zijn mond hadden gestopt.’ De uitdrukking komt vaak terug, meestal aan het einde van een hoofdstuk.

    Het helen van de wereld

    Grossman zei bij de toekenning van de Erasmusprijs: ‘De wereld waarin we nu leven heeft dringend behoefte aan een krachtig verhaal, de heldere stem van het begrip. Een stem die ons van verdeeldheid naar eenheid leidt, ruimte in ons hart maakt voor andere verhalen, ons leert de ander te begrijpen.’ Hij haalt het thema van de Erasmusprijs aan, ‘Mending a Torn World’. In zijn woorden: ‘Dat is ook een tweeduizend jaar oud Joods begrip. Ik weet niet of Erasmus van Rotterdam het heeft gekend, maar zijn leefwijze en manier van denken waren er zeker op gericht en waren in de geest ervan. Tikoen olam, ‘het helen van de wereld’, beschrijft een essentieel onderdeel van de Joodse identiteit: het streven en de plicht onze wereld te verbeteren; een gevoel van morele verantwoordelijkheid tegenover alle mensen, Joods of niet-Joods; en de zorg voor sociale rechtvaardigheid en voor het milieu.’

    In een recent interview ** zei Grossman o.a.: ‘Neem het conflict tussen ons Israëliërs en de Palestijnen. Al meer dan een eeuw zitten wij vast in onze eigen, versteende verhalen. Die twee versies van de geschiedenis blijven maar op elkaar botsen, zonder enig resultaat. /…/ Dat is wat ik probeer in al mijn boeken te doen: het harde, versteende deel van onze geest masseren en kneden, in de hoop dat er beweging in komt.’

    Geen gemakkelijk boek

    De glimlach van het lam is geen toegankelijk boek. Dat komt vooral door de manier van vertellen. Vier verschillende hoofdpersonen vertellen vanuit hun eigen perspectief. Soms wordt pas na een aantal bladzijden duidelijk wie er aan het woord is. Grossman gebruikt bovendien de ‘stream of consciousness’, een manier van vertellen waarbij het gaat om de ‘stroom’ van gedachten en herinneringen van zijn hoofdpersonen. Van de lezer wordt op die manier veel doorzettingsvermogen gevraagd; de verhaallijnen lopen nogal door elkaar en pas tegen het einde van de roman komen die min of meer samen.  Vooral de liefhebbers van Grossmans romans zullen blij zijn met deze gereviseerde uitgave. De uitgever verdient daarvoor alle lof. Het is alleen spijtig dat de roman geen verantwoording en/of nawoord bevat. Ook een verklarende woordenlijst ontbreekt. Op het omslag staat een citroenboom, de boom waaronder Hilmi zijn sprookjesachtige verhalen vertelt.

    *Meer informatie over Erasmusprijs: https://erasmusprijs.org/prijswinnaars/david-grossman/

    ** Emilia Menkveld, Hoe schrijft de schrijver? Volkskrant, 30 oktober 2020.

     

     

  • Altijd alert op gevaar

    Altijd alert op gevaar

    De Israëlische schrijfster Ayelet Gundar-Goshen beschrijft in haar nieuwe roman Waar de wolf loert de spannende belevenissen van Michaël, Lilach en hun zoon Adam na hun verhuizing vanuit Israël naar Silicon Valley in Californië. Al op de eerste bladzijde wordt de lezer het verhaal ingetrokken: ‘Ik kijk naar de minuscule vingertjes van de pasgeboren baby en probeer te begrijpen hoe die kunnen uitgroeien tot de vingers van een moordenaar. De dode jongen heet Jamal Jones. Op de foto in de krant heeft hij ogen als zwart fluweel. Mijn jongen heet Adam Sjoester, of Shuster, zoals ze het hier spellen. Zijn ogen hebben de kleur van de zee bij Tel Aviv. Ze zeggen dat hij hem heeft vermoord. Maar dat klopt niet.’

    Aan het woord is Lilach. Ze vertelt hoe hun leven is verlopen sinds ze zestien jaar geleden in Palo Alto in Californië zijn komen wonen. Hun Israëlische namen zijn veramerikaanst tot Lila, die van haar man van Michaël tot Michael. Hun kind Adam is opgegroeid en opgevoed in Amerika.

    Heftige gebeurtenissen

    Op de avond voor het Joodse Nieuwjaar Rosj Hasjana is er een aanslag gepleegd op een synagoge in Palo Alto. Een zwarte man met een machete vermoordt een jong meisje, vier mensen raken gewond.  Voor de lokale Joodse gemeenschap is het niet te bevatten dat zoiets in Palo Alto kan gebeuren. De mensen vragen zich af of deze daad gericht is tegen hun gemeenschap. In de supermarkt komt Lila Susan Weinstein, de moeder van het vermoorde meisje tegen. Die wordt ook geïnterviewd door het televisiejournaal. De verslaggeefster heeft meer aandacht voor de achtergrond van dader Paul Reed dan voor de nabestaanden. Reed kwam in aanraking met drugverkopers en de combinatie van drugs en slechte genen leidde tot een psychische aandoening. Voor een goede behandeling ontbrak het geld. Susan valt uit tegen de verslaggeefster en zegt dat ‘Martin Luther King zich geschaamd zou hebben als hij had gehoord dat een zwarte man met een machete een aanval op een synagoge had uitgevoerd, als een roofdier in de jungle.’ De zin over de jungle wordt uitgebreid geciteerd en twee organisaties eisen excuses voor racistische uitingen. De journaals laten de beelden telkens weer zien. Minstens tien mannen staan ‘verlamd en niet in staat tot handelen’ toe te kijken. In Israël zou zoiets nooit gebeuren, vinden ze. Ondenkbaar dat een terrorist daar een synagoge binnenloopt en dat er niemand ingrijpt. Een van de ouders stelt drie dagen na de aanslag voor een workshop zelfverdediging voor jongeren te organiseren. Lila en Michael dringen er bij hun zoon Adam op aan zich daarvoor ook op te geven. Eerst wil hij dat niet, maar later sluit hij zich toch bij die groep aan. De trainingen worden gegeven door een voormalige Mossad-agent Oeri. Adam is een introverte jongen en laat nauwelijks iets los over wat er op school en op de trainingen gebeurt.

    Zo gaat het leven door: Adam op school en zijn trainingen, Michael op zijn werk, Lila thuis en op haar vrijwilligerswerk: ‘Drie rivieren die elkaar pas ’s avonds ontmoetten, wanneer ze weer in dezelfde zee stroomden voor het avondeten dat soms luidruchtig en soms stil was, en altijd geregeerd werd door de grote winterslaap. Een winterslaap waaruit we ineens op donderdagavond om elf uur ontwaakten toen Adam Michaël belde en met bevende stem zei: ‘Pap, kun je me komen halen? Er is hier iemand dood.’  Adam is op een feestje met klasgenoten. Lila en Michaël zaten naar een aflevering van The Simpsons te kijken: ‘achter het gepraat van Marge en Homer lag een grote zwarte stilte op de loer als een panter die vanuit het donker naar je ligt te kijken.’

    Lila en Michaël halen hun zoon op bij het huis waar de dode Jamal in de huiskamer in elkaar is gezakt. Is Jamals dood te wijten aan drugsgebruik, was het een hartstilstand of is hij vermoord? Heeft zijn islamitische achtergrond een rol gespeeld? En is Adam op de een of andere manier betrokken bij zijn dood?  Lila zoekt naar de antwoorden op deze vragen. Achteraf reconstrueert ze de gebeurtenissen, wat blijkt uit zinnetjes zoals, ‘maar dat bedenk ik nu pas.’ Ze beschrijft meerdere min of meer toevallige ontmoetingen, met o.a. Annabella Jones, de moeder van Jamal. Zo komt zij steeds meer over de dood van de klasgenoot van Adam te weten. En ze twijfelt meer en meer over de rol van haar eigen zoon, vooral nadat er op de muur bij de school met grote letters leuzen zoals ‘De Jood vermoordde hem’, ‘Joden zijn de duivel’ en ‘Shuster is een moordenaar’ zijn gespoten. Lila zegt tegen Michaël dat ze zou willen dat Adam met hen deelt wat hij meemaakt en voelt. Michaël reageert daar ‘schokschouderend’ op, zegt ‘dat kinderen over het algemeen niet met hun ouders delen wat ze meemaken.’ Een van de bijfiguren in het boek vat het kernachtig samen: ‘Mijn vrouw zei altijd dat moeder of vader zijn, betekent dat je de hele tijd in spanning zit. Weet je, vroeger dacht ik dat het grootste mysterie in ons leven onze ouders zijn. Tegenwoordig denk ik dat het grootste mysterie in het leven van mensen hun kinderen zijn.’

    Fictie en werkelijkheid

    De fictieve gebeurtenissen in het boek roepen herinneringen op aan werkelijke gebeurtenissen. Bij de aanslag op een synagoge in Pittsburg in 2018 waren elf slachtoffers te betreuren. De dader riep daarbij antisemitische leuzen. In het boek lezen we: ‘de aanvaller van de synagoge in Pittsburg was bewapend geweest met een halfautomatisch pistool en was erin geslaagd elf gelovigen te doden voordat men hem tegenhield.’  De aanslag op de synagoge in Palo Alto wordt verdrongen door andere gebeurtenissen, zoals: ‘een agent in Wisconsin schoot op een zwarte man die aan het joggen was.’ Ook dit lijkt geënt op de werkelijkheid. Ahmaud Arbery werd aangezien voor een inbreker toen hij aan het hardlopen was. En Tony Robinson werd in 2015 in Wisconsin door een politieagent doodgeschoten toen hij schreeuwend over straat liep. Beide slachtoffers waren zwart. Ayelet Gundar-Goshen combineert dit soort gebeurtenissen en maakt er een nieuwe fictieve gebeurtenis van: een aanslag op de synagoge in Palo Alto. Maar de scheidslijn tussen fictie en werkelijkheid is flinterdun.

    Tegenstellingen

    Ayelet Gundar-Goshen werkt veel met tegenstellingen in haar boek. De belangrijkste is Israël tegenover Californië. In Israël is er altijd de dreiging van terroristische aanslagen. Op de hoeken van de straten staan bewapende soldaten en het luchtalarm voor raketaanvallen kan ieder moment klinken. Iedereen daar is altijd alert op gevaar. De moeder van Lila was niet blij met hun verhuizing naar Californië: ‘Als je me straks maar niet aankomt met dat het daar veiliger is om kinderen op te voeden.’ Lila ziet dat anders, de verhuizing ziet ze als een ‘kans om haar kind te redden van de Israëlische krankzinnigheid, waarvan het idiootste nog is dat iedereen stellig gelooft dat die volstrekt zinnig is.’ Over haar leven in Israël zegt Lila op het eind van het boek: ‘Ik haatte Haifa in die winter vol aanslagen. Elk moment kon de bekende en verlichte straat veranderen in een brandende jungle.’ Maar na zeventien jaar in Amerika is daar ook volop dreiging. Het beeld van de jungle uit het begin van het boek  zien we hier terugkomen. Als Lila in een restaurant zit, bekijkt ze de gezichten van de gasten. ‘Ik keek om me heen, alert op elke beweging. Waar loert de wolf?’

    Ook de hoofdpersonen vormen een contrast: Adam met zijn Joodse achtergrond tegenover de zwarte Jamal met een islamitische achtergrond. Gundar-Goshen vertelde daarover in een interview (met Marnix Verplancke in Bazarov, 21 oktober 2022) dat ze te horen kreeg dat het niet slim was om Jamal zo uit te beelden. Maar, zo antwoordde ze: ‘De literatuur is op haar best wanneer er geen geboden en verboden mee gepaard gaan.’  Dit past bij een opmerking van de moeder van Michaël. Zij geniet ervan om met een vinger in politieke correctheid te prikken, ‘net zo lang totdat je er misselijk van werd.’

    Gundar Goshen schrijft over een actueel thema: het toenemende antisemitisme. Zij schrijft beeldend over de toenemende ongerustheid bij Lila. Als ouder weet je niet wat er in je kinderen omgaat. Met onverwachte thrillerachtige plotwendingen is het een boek met veel vaart. Sylvie Hoyink maakte er een mooie vertaling van. Waar de wolf loert is een boek om in een adem uit te lezen.

     

  • Alles wat jaren versluierd bleef

    Alles wat jaren versluierd bleef

    Het nooit geschreven verhaal, de nieuwe roman van Ton van Reen (1941), is gebaseerd op een verhaal dat hij begin jaren zestig van een patiënt hoorde tijdens zijn werk als leerling-verpleger in psychiatrisch ziekenhuis Ursula in Wassenaar. Op de achterflap van het boek geeft hij een toelichting: ‘Er was een man die mij het verhaal vertelde over een misdaad die hij niet had begaan maar waarvoor hij de schuld op zich had genomen. Hij belandde vele jaren in de gevangenis.’ Het verhaal speelde zich af in een kloosterdorp ergens in Nederland.

    Van Reen kent ook zo’n dorp, Koningslust, een kerkdorp van de gemeente Peel en Maas. Van Reen: ‘Alles viel op zijn plek. Ik had een locatie, een handvat om het verhaal op te schrijven. Om al schrijvend de waarheid te ontdekken. Ik had het zestig jaar eerder gehoord en het speelde zestig jaar eerder, rond 1900. Omdat het een verhaal van alle tijden is, besloot ik het in deze tijd te plaatsen. De kern, van de man die zich opoffert uit liefde, blijft.’

    Met deze achtergrondinformatie begint de lezer aan het boek, om al lezend de waarheid te ontdekken. Het is interessant om te zien hoe Ton van Reen zijn roman heeft opgezet, met twee plaatsen van handeling, De Peel en Amsterdam en twee tijdlijnen, het nu van 2019 en het verleden van 1959.

    Spoken van zestig jaar geleden

    Het verhaal begint in 2019, in Koningslust. Marieke gaat na het rondbrengen van de kranten langs bij haar oma Maria Smeets-Vanderijken. Oma is bijna tachtig jaar oud, ‘wachtend op de ochtendzon, die de spoken uit haar hoofd kan verdrijven.’ Zij vertelt haar kleindochter een verhaal over de liefde. ‘Dit verhaal gaat over mij en over de jongen op wie ik ooit verliefd was. Hoe het toen allemaal mis ging.’  Ondertussen is in Amsterdam Harrie Leenders net opgestaan in zijn bejaardenflatje: ‘Hij voelt dat er in Koningslust iets gaande is, maar hij heeft geen idee wat het is. In zestig jaar is hij er nooit terug geweest.(…) Harrie is vastbesloten: na zestig jaar moet hij de demonen uit zijn hoofd verjagen.’ Hij brengt veel tijd door met zijn Turkse vriend Ahmed Yilmaz. Die ziet dat hij barst van de heimwee en hij raadt hem aan naar Koningslust te gaan om te zien wat er over is van zijn verleden. Ze sturen een brief naar Anton: ‘We komen op vakantie.’

    Schrijver Anton Rijkers wordt eveneens wakker, na een onrustige nacht. Zijn dromen herinnert hij zich niet, alleen ‘een verhaal van bijna zestig jaar geleden kwam steeds weer bovendrijven in zijn hoofd.’ Hij worstelt elke nacht met een oeroud verhaal, een vertelling over de liefde. Hij zou dat verhaal wel eens willen opschrijven, alles wat toen gebeurd is, ‘alles wat jaren versluierd bleef, maar in zijn gedachten vaak komt bovendrijven. Zo’n verhaal, zou hij toch moeten kunnen schrijven?’

    Maria, Harrie en Anton denken nu ze oud zijn steeds vaker aan een gebeurtenis van zestig jaar geleden.

    Terug naar 1959

    Via flashbacks naar 1959 krijgt de lezer vanuit verschillende perspectieven een steeds duidelijker beeld van wat zich in dat jaar in Koningslust heeft afgespeeld. De families worden uitgebreid beschreven; hun familiebanden en hun eigenschappen. De familie Rijkers: ‘Het zijn allemaal dichters. Aan elk van hen zit wel een steekje los. Ze zaaien niet, ze maaien niet en ze zitten elke dag in de zon.’ En over de familie Leenders die het als kleine boerenfamilie moeilijk heeft. Maria: ‘Dat emotionele zit bij Harrie in de familie. (…) Harries zus Bernadette kon het leven niet aan.’ Zo heeft elke familie ‘zijn eigen brandmerk.’ Van 1959 krijgt de lezer een mooi tijdsbeeld voorgeschoteld. De kermissen van toen, de fancy fairs voor de missie in Afrika, de muziek van toen (het accordeonistenduo Schriebl & Hupperts, de Selvera’s) en de films uit die tijd (Rintintin, de heldhaftige wolfshond). Ook de sociale verhoudingen beschrijft Van Reen. Hoe van de grote boerengezinnen niet iedereen kan studeren. Meisjes zoals Bernadette die hun moeder moeten helpen in de huishouding in plaats van naar de mulo te mogen. En kleine boerenbedrijven die het afleggen tegen de grote.

    Ongeopende brieven

    Harrie reist samen met Ahmed met de trein naar Koningslust. Onderweg leest hij oude brieven van Maria, Anton en zijn zusje Bernadette. De eerste brieven van Maria opende hij nog, maar hij wist nooit wat hij terug moest schrijven. Later opende hij haar brieven niet meer, ook niet die van Anton en Bernadette. Uit de brief van Anton uit 1968: ‘Ik zou graag een boek schrijven over wat er met ons is gebeurd.’  Pas in de trein leest Harrie de afscheidsbrief van zijn zusje.

    Anton Rijkers schrijft met stukken en brokken aan het verhaal ‘over het explosieve jaar 1959’ in Koningslust, over de man die daar omgekomen is. ‘Of het moord of doodslag of een ongeluk was geweest, maar zoals altijd stokte het verhaal in zijn kop.’ Hij krijgt het verhaal maar niet af en gooit steeds veel weg. Met zijn manuscripten maakt hij de kachel aan. ‘Bedenk maar eens een goede titel voor een verhaal dat nog niet af is, dat misschien nooit af komt. Een nooit geschreven verhaal.’

    Uiteindelijk komt het tot een ontmoeting tussen de oude mensen, de bijna tachtigjarige Harrie en Maria. Anton is er ook bij. Tegen het einde van het boek komen alle lijntjes bij elkaar en wordt duidelijk wat er zich bij het Oud Kanaal heeft afgespeeld. Anton besluit zijn boek niet te schrijven: ‘De onzalige dood van een rijke boerenzoon uit een dorp uit de Peel blijft een nooit geschreven verhaal.’

    Louis Couperus

    Het boek van Ton van Reen doet wel wat denken aan de bekende familieroman van Louis Couperus, Van oude menschen, de dingen, die voorbij gaan… Couperus’ boek verscheen in 1906 als boek (in 1904 als feuilleton). Ook in deze roman gaat het om gebeurtenissen van zestig jaar geleden, over spoken uit het verleden die maar niet verdwijnen. Uit de roman: ‘Hij begreep niet waarom hij zoo oud moest worden, terwijl de dingen zoo langzaam voorbij gingen, stille voorbij, maar zóo slepend, als waren ze, de dingen van vroeger, spoken, die slierden heel lange sluiers langs heel lange paden, en als ritselden de sluiers over de warrelende bladeren, die neêrdwarrelden over het pad.’ * Bij Van Reen is het ‘alles wat jaren versluierd bleef,’ bij Couperus de dingen van vroeger die ‘slierden heel lange sluiers langs heel lange paden.’

    Een lijk in een rivier in Nederlands-Indië tegenover een lijk in het Oud Kanaal in De Peel. In Couperus’ boek drukt de schuld zwaar op de hoofdpersonen. In het boek van Van Reen gaat het ook over schuld, maar het is allemaal veel lichter van toon.

    Vakmanschap

    Ton van Reen heeft duidelijk plezier in het schrijven. Indrukwekkend is de scène over de vader van Harrie bij wie in het hoofd iets is geknapt. Harrie draagt de zorg voor de boerderij. Zijn vader ‘tuurt naar de rand van zijn bord en naar het tafelzeil met honderden kleine scheurtjes (…) De tafel toont een kaart van de wereld, met honderden rivieren. (…) De gaten in het tafelzeil zijn de grote steden. (…) Zo gerafeld als het tafelzeil is, zo gerafeld is het leven van vader. Na een aandoening in zijn hoofd kan hij het werk niet meer aan. Hij weet dat zonder Harrie de boerderij naar de knoppen gaat.’

    Het nooit geschreven verhaal is een mooie familieroman met een knappe structuur. Van Reen verbindt op knappe wijze het verleden met het heden, bijvoorbeeld door de ongeopende brieven uit de jaren zestig die onderweg in de trein gelezen worden. Zijn enthousiaste manier van vertellen, zijn oog voor detail en vakmanschap dwingen respect af.

     

    * Citaat uit Volledige Werken Louis Couperus, deel 25, ed. Karel Reijnders, e.a. Veen, Utrecht / Antwerpen 1988.

     

  • Hoop op heruitgave: De vermorzeling

    Hoop op heruitgave: De vermorzeling

    Toen Jo Elsendoorn in 2014 op 99-jarige leeftijd overleed, stond er op de website van de Theaterkrant o.a.: ‘Legendarische programmeur Jo Elsendoorn overleden. Jo Elsendoorn, oud perschef en programmeur van het Holland Festival, is op 99-jarige leeftijd overleden. Elsendoorn veranderde de Nederlandse muziekwereld, waarvoor hij in 1995 werd gehuldigd. In 1951 werd Jo Elsendoorn aangesteld als perschef van het Holland Festival. In de beginjaren van het festival bracht Elsendoorn, samen met festivaldirecteur Peter Diamand, grote internationale namen uit de muziekwereld onder de aandacht, onder wie bijvoorbeeld dirigenten als Leonard Bernstein en Herbert von Karajan en operasterren als Maria Callas en Elisabeth Schwarzkopf.’

    Oorlogservaringen
    Dat Jo Elsendoorn (1915-2014) ook een belangrijk boek over de oorlog schreef, is naar de achtergrond verdwenen. In 1979 verscheen bij Em Querido zijn boek De Vermorzeling. Het verhaal van een overlevende. Jo Elsendoorn beschrijft de periode 1940 -1945. Het verhaal begint met de inval van de Duitsers. Hij en zijn vrouw Riek Snel raken betrokken bij een verzetsgroep in Amsterdam. De groep vervalst Duitse stempels en pleegt aanslagen op Duitse goederentreinen op het Oosterdok. Uiteindelijk worden Jo en Riek verraden en opgesloten op de Weteringschans. Ze worden overgebracht naar concentratiekamp Vught. Jo weet te ontsnappen, maar hij wordt weer opgepakt en voor de tweede keer opgesloten in de Weteringschansgevangenis. Daarna wordt hij overgebracht naar concentratiekamp Amersfoort. Via briefjes probeert Jo met Riek in contact te blijven. Vanuit Amersfoort wordt hij op transport gezet naar Duitsland. Op een tussenstop in kamp Köln-Deutz ontmoet hij Thadeusz (spreek uit: Tadeejoesj), een zestienjarige jongen uit Polen met wie hij vriendschap sluit. Meerdere opvangkampen volgen, o.a. tuchthuis Ziegenhain. De gedachten aan zijn Riek houden hem op de been. ‘Bij het meer dan half ontwaken dacht ik altijd het eerst aan Riek. Zou die nog in Ravensbrück zitten? Zou ze mijn brief, die ik haar vlak voor het door mij zo gevreesde proces in de Weteringschansgevangenis had geschreven en die door de bewaker eruit was gesmokkeld, nog gekregen hebben? Nu ik haar niet meer schrijven kon, maakte ik het ene miniscule boekje van toiletpapier na het andere, niet meer dan vijf centimeter hoog om die achter mijn scrotum te kunnen verbergen.’ Tijdens hun gevangenschap krijgen ze te maken met mishandelingen, honger en angst. Af en toe horen ze nieuws over de ontwikkelingen aan het front. Thadeusz vertelt verhalen over zijn jeugd, o.a. een indrukwekkend verhaal over zijn grootmoeder die af en toe bezoek kreeg van een wolf. Het delen van dit soort verhalen geeft hen afleiding. Er volgen meerdere overplaatsingen, o.a. naar Rendsburg en Lübeck. Uiteindelijk wordt Jo in april 1945 door de Russen bevrijd. Na veel omzwervingen komt hij terug in Amsterdam en krijgt hij te horen dat Riek is vermoord.

    Schriftelijke getuigenis
    Jo Elsendoorn heeft zijn boek niet meteen na de oorlog geschreven. Op de achterflap staat dat hij het boek het liefst ongeschreven had gelaten. ‘Vooral wat er met zijn vrouw gebeurd is heeft hij al die tijd beschouwd als iets waarover niet te spreken viel, laat staan te schrijven voor het grote publiek.’ Na bijna vijfendertig jaar besluit hij zijn ervaringen toch op te schrijven. Over het waarom: ‘Om me heen luisterend en kijkend begreep ik dat de opmerkingen van de na mij komende generatie meestal wel geworteld waren in een overtuiging, maar niet in een diepgaande beleving./…/ Het op schrift stellen van een onontkoombare realiteit, waarin de optredende personen al of niet stuntelig handelen, leek mij zinvol. Om voor de lezer een bijdrage te vormen tot een nog verder uit te diepen inzicht: wat het niet in vrijheid uiten en gedragen betekent, wat racistische ideeën voor gevolgen kunnen hebben, welke dooddrukkende werking een allesbeheersende staatsmacht heeft.’

    Deze teksten komen uit een interview dat hij had met de Leeuwarder Courant op zaterdag 12 mei 1979. Via Delpher, het digitale archief waarin miljoenen krantenartikelen zijn opgeslagen, is het originele interview terug te vinden. Elsendoorn vertelt daarin ook hoe zijn boek tot stand is gekomen. Oorspronkelijk wilde hij een boek schrijven over Thadeusz, in het Engels. Het verhaal begon met hem en liep door tot in Polen, tot ver na de oorlog. Maar uiteindelijk werd dat boek niet uitgegeven. Elsendoorn maakte er een Nederlands verhaal van, ruim 800 pagina’s. Em. Querido wilde het boek wel uitgeven, maar dan in een kortere versie die begint en eindigt met de oorlog. ‘Ofschoon de Poolse jongen Thadeusz er een belangrijke rol in speelt, heet het boek niet “Thadeusz”, maar “De vermorzeling”, aanduidend hoe we in de jaren 1940-1945 langzaam maar zeker vermorzeld werden.”

    Brieven en briefjes
    Elsendoorn kon in zijn boek dicht bij de waarheid blijven door de boekjes die hij al die jaren bijhield tijdens zijn gevangenschap in concentratiekampen en tuchthuizen. Op reepjes wc-papier, ‘zo’n vier bij zeven centimeter, piepklein geschreven met een gesmokkeld potloodje, toch meer dan 100 woorden op zo’n minipagina, boekjes van zo’n 48 bladzijden.’ In totaal had hij een stuk of tien van die boekjes bij elkaar geschreven. Als basis voor zijn boek gebruikte hij ook de brieven die hij aan zijn vrouw Riek schreef toen zij in Vught gevangen zat. Die correspondentie is door vrouwen die daar ontslagen werden naar buiten gesmokkeld.

    Jo Elsendoorn: ‘In dit verhaal dat berust op feiten, hoefde niets verzonnen te worden om het “spannend” te maken. Er gebeurt meer in dan een auteur kan fantaseren. De realiteit was onvoorstelbaar.’

    Motivatie
    Terug naar zijn tekst op de achterflap: ‘Als het lezen van deze herinneringen iets bijdraagt tot waakzaamheid ter verdediging van de individuele, de medemens niet benadelende vrijheid en tot uitbanning van discriminerende opvattingen, tot een grotere persoonlijke verantwoordelijkheid in een door de politiek beheerste maatschappij, dan is mijn schrijven niet overbodig geweest.’

    Eenzelfde soort bewoordingen gebruikte hij in een interview met Klaas Peereboom (Parool 28 april 1979): “Ik heb me tot taak gesteld zo te schrijven dat jongere generaties zich ongeveer en beeld kunnen vormen van wat er gebeurd is en om, in het algemeen, duidelijk te maken dat hier twee mensen bezig waren die per dag hun leven in de waagschaal stelden omdat ze hevig verontwaardigd waren over wat er gebeurde met andere mensen, vooral met Joden. Ik heb duidelijk tot uitdrukking gebracht dat ik helemaal geen nationalist ben, dat vaderlandsliefde voor mij een vreemd idee is en dat mijn werkzaamheden in de illegaliteit ontstaan zijn uit het feit dat ik het niet pikte om werkeloos toe te kijken bij het oppikken van al mijn Joodse vrienden.”

    Archief
    Nationaal Monument Kamp Vught, opgericht in 1990, herdenkt de gevangenen van Kamp Vught. In de collectie bevinden zich ook documenten en objecten uit de nalatenschap van Jo Elsendoorn en zijn vrouw Riek Snel. De kleine boekjes die hij tijdens zijn gevangenschap schreef en naar haar opstuurde in voedselpakketten en een popje dat zij voor hem maakte, maken onderdeel uit van de vaste collectie.

    Uit een eerdere recensie
    C.G. van Zweden schreef in Trouw op 31 mei 1979: ‘Maar het meest ontroerend is dit boek wellicht omdat het een doorlopend eerbetoon bevat aan de vermoorde vrouw van de auteur, Riek Snel. Zelden zal men een man zo over zijn vrouw zien schrijven.’

    Tijd voor een herdruk
    De vermorzeling wordt antiquarisch maar zelden aangeboden. Bij boekwinkeltjes staat er nog eentje voor €15. Paperback in redelijk goede staat. Leesvouwen in rug. Scheef gelezen. Zeldzaam. In 2010 stond het bij Abebooks voor USD 195 op de website.
    Wellicht kan een herdruk gemaakt worden in een samenwerkingsverband tussen de uitgever en Nationaal Monument Kamp Vught. Het boek zou ook voorzien kunnen worden van een nawoord waarin o.a. de spaarzame interviews met de schrijver kunnen worden opgenomen.
    Het boek met actuele thema’s zoals het belang van vrijheid en de gevolgen van racistische ideeën verdient zo’n herdruk.

    Jo Elsendoorn
    De vermorzeling. Het verhaal van een overlevende
    Amsterdam Em. Querido’s Uitgeverij B.V. 1979
    ISBN 90 214 61412


    Gedurende de zomer van 2022 schrijven verschillende recensenten van Literair Nederland speciale bijdragen over boeken die in hun ogen een herdruk of vertaling verdient. Evert Woutersen houdt een pleidooi voor een herdruk met nawoord van het in 1979 verschenen boek van Jo Elsendoorn, De vermorzeling. Het verhaal van een overlevende.

     

  • Een taaie kluif

    Een taaie kluif

    In het nieuwe boek van de Japans-Engelse schrijver Kazuo Ishiguro, Klara en de Zon (2021) is de hoofdpersoon een geavanceerde robot: Klara, een Kunstmatige Vriendin, een KV.

    De roman begint in de KV-winkel in een drukke straat met veel hoogbouw. Klara wacht met andere KV’s totdat een kind haar zal uitkiezen. De Cheffin, met hoofdletter, vertelt hoe ze zich moet gedragen om uitgekozen te worden. Als op een dag een kind in haar geïnteresseerd is, reageert Klara niet op haar, tot ongenoegen van de Cheffin. Klara verontschuldigt zich, legt uit dat ze zo reageerde omdat ze ‘voor dat bewuste kind, misschien niet de beste keus zou zijn.’  De Cheffin wijst haar terecht: ‘Het is de klant die de KV kiest, nooit andersom.’ De Cheffin benoemt Klara’s kwaliteiten: ‘Klara heeft zoveel unieke eigenschappen, we zouden hier de hele morgen kunnen blijven staan. Maar als ik er één zou moeten benadrukken, nou, dan zou het haar lust tot leren en observeren zijn. Haar vermogen om alles wat ze om zich heen ziet in zich op te nemen en te combineren is verbazingwekkend.’ De manier waarop Klara haar omgeving ‘scant’, in kegels, driehoeken en andere vormen benadrukken haar robotzijn. Ze ziet de patronen van de Zon op muren en vloeren.

    De kracht van de zon

    Twee belangrijke gebeurtenissen buiten de winkel zijn bepalend voor het verloop verhaal. In de etalage vangt Klara veel Zon en daardoor voelt ze zich energiek. Ishiguro gebruikt ook hier een hoofdletter. Klara ziet hoe een zwerver (‘Bedelman’) en zijn hond bewegingloos in de schaduw op straat liggen. Ze concludeert dat zij dood zijn. De volgende dag ziet ze ‘dat een speciaal soort voeding van de Zon hen had gered.’ Een tweede gebeurtenis heeft te maken met werkzaamheden in de straat. Een grote asfalteermachine – de ‘Cootings-machine’ – stoot zwarte rook uit en verduistert de winkel waardoor de KV’s een tijdje geen energie van de Zon meer krijgen.

    Speciale hulp gevraagd

    Klara komt bij Josie, haar Moeder en Melania Huishoudster in huis. Zij houdt Josie nauwlettend in gaten, geprogrammeerd als zij is om dienstbaar te zijn. Ook hier is Klara afhankelijk van de energie van de Zon. Ze ziet dat de Zon ondergaat achter de schuur van McBain en ze interpreteert dat als: de Zon gaat daar slapen. Dan blijkt Josie ziek te zijn. Moeder tegen Klara: ‘Het moet soms prettig zijn om geen gevoelens te hebben. Ik benijd je.’ Klara reageert: ‘Ik geloof dat ik veel gevoelens heb. Hoe meer ik observeer, des te meer gevoelens er voor me beschikbaar komen.’ Klara herinnert zich hoe de Zon Bedelman en zijn hond beter heeft gemaakt. Ze denkt dat de zon ook Josie kan genezen. Daarom wil ze naar de woonplaats van de zon, de schuur van McBain. In die bijna religieuze ruimte met oranje licht en stofdeeltjes dansend in het zonlicht, probeert ze de zon gunstig te stemmen. Ze stelt een overeenkomst voor: Stel dat ik in staat zou zijn de vervuilende machine kapot te maken, zou jij dan, in ruil willen overwegen je speciale hulp aan Josie te geven?

    Elitemaatschappij

    De wereld van Klara wordt groter. Eerst kent ze alleen de winkel en het huis van Josie. Later maakt ze met de familie uitstapjes naar de stad. Zo krijgt de lezer een idee van hoe de toekomstige maatschappij eruit ziet. Veel kinderen zijn genetisch gemanipuleerd, ‘opgetild.’ Deze elitekinderen krijgen les via beeldschermen en kunnen later naar de universiteit. Rick, het speelkameraadje van Josie, is niet opgetild en hij kan daarom niet studeren. Kinderen kunnen daardoor ‘in deze wrede wereld’ geen fatsoenlijk leven krijgen. Klara geeft hem daarom bijles. De tegenstellingen in de maatschappij zijn groter geworden. Veel ouderen zijn ‘vervangen’ door robots.  ‘Uit dienst getredenen’ moeten geherhuisvest worden. KV’s mogen mee het theater in: ‘Eerst pikken ze de banen in. En daarna de plaatsen in het theater.’  Het is een maatschappij met veel veranderingen. ‘Iedereen moest nieuwe manieren vinden om zijn leven te leiden.’ Groepen komen gewelddadig tegenover elkaar te staan, de oude beroepselite bewapent zich. Drones worden ingezet om mensen te observeren.

    Mooie beelden

    Ishiguro heeft een sobere stijl. Veel dialoog, beschrijvingen zonder opsmuk. Af en toe maakt hij gebruik van mooie beelden. Bijvoorbeeld als Josie en Rick samen zitten te tekenen, over hun mogelijke toekomst samen. Hun tekeningen doen wel wat denken aan Chagall: ‘Tekening-Josie en Tekening-Rick leken door de hemel te zweven, de bomen, wegen en huizen ver onder hen gereduceerd tot miniatuurformaat. Achter hen, in de sectie van de hemel, vlogen zeven vogels in formatie. Tekening-Josie hield met twee handen een grotere vogel omhoog, die ze als een speciaal cadeau aanbood aan Tekening-Rick.’

    Levenslessen

    De roman van Ishiguro bevat meerdere levenslessen. ‘Opgetild of niet, echt talent mag niet onopgemerkt blijven.’ De diepere les van Klara en de Zon is dat ieder mens bijzonder is, dat wat het unieke van iemand bepaalt van binnen zit, het menselijk hart: ‘Iets wat ieder van ons bijzonder en individueel maakt.’
    Ishiguro laat de lezer nadenken over de gevaren van robots met kunstmatige intelligentie. Hoe zit het met hun gevoelens, empathie en de manier waarop zij leren? Dergelijke robots kunnen op basis van foutieve observaties overgaan tot ongewenste acties. Zij maken mensen overbodig, waardoor spanningen in de maatschappij toenemen.

    Veel vragen

    Je blijft als lezer wel met een boel vragen zitten. Waarom is zo’n geavanceerde robot niet verbonden met het internet? Het apparaat krijgt ook geen updates en heeft geen toegang tot de wetenschap, maar kan wel een van de niet opgetilde kinderen bijles geven. En waarom weet ze niet dat ze opgeladen wordt door zonne-energie? De lezer moet het allemaal maar geloven.
    Van de toekomstige maatschappij krijgt de lezer een akelige indruk. De tegenstellingen tussen groepen worden groter. Het kan zelfs uitlopen op geweld, maar Ishiguro werkt die verhaallijnen niet verder uit.
    Klara en de Zon bevat belangrijke levenslessen en geeft veel stof tot nadenken over de uitdagingen en gevaren van zelflerende kunstmatige intelligentie. De lezer blijft met veel vragen zitten. Van hem wordt een flinke dosis doorzettingsvermogen gevraagd om het boek uit te lezen.

    Bekroond schrijver

    Kazuo Ishiguro (1954) stond met zijn romans meerdere keren op de shortlist voor de Booker Prize. Voor zijn derde roman De rest van de dag (The Remains of the Day) uit 1989 won hij die prijs. Na een oeuvre van zeven romans ontving hij in 2017 de Nobelprijs voor literatuur. Ishiguro is geboren in Japan (Nagasaski, 1954), maar groeide vanaf zijn zesde op in Engeland. Peter Bergsma maakte van Klara and the Sun een uitstekende vertaling.