• Twee aspirine

    Twee aspirine

    In alle vroegte printte ik het toegangsbiljet uit waarmee ik ’s middag zal worden toegelaten tot het Paleis op de Dam. Waar de Israëlische schrijver David Grossman uit handen van de koning de Erasmusprijs krijgt uitgereikt. Buiten hangt een dikke mist, er is migraine op komst. Op radio 4 hoor ik uitgeefster Eva Cossee over David Grossman vertellen. Hoe belangrijk hij voor het humane is. Het klonk zo mooi, ik wilde gaan. Dus voer ik de ochtend volgens plan uit: kleding uitzoeken (er was een dresscode), douchen, haar in krul laten opdrogen, gezicht bijwerken, foundation, mascara, lipstick, klaar. Slik twee aspirine.

    In 2006 riep Grossman samen met de schrijver Amos Oz de Israelisch regering op om de oorlog in Libanon te beëindigen. Niet lang daarna kwam zijn zoon in die oorlog waar nooit een einde aan komt om het leven. Grossman schreef erover in Een vrouw op de vlucht voor een bericht, een moeder die haar zoon aan het front verliest. In Uit de tijd vallen, schreef hij over het verlies van zijn zoon. In een interview in de Volkskrant uit 2020 zei Grossman, ‘Ik probeer in al mijn boeken het harde, versteende deel van onze geest te masseren.’ Ik wilde in de buurt van zo’n mens verkeren. Het belang los te komen van je eigen verhaal, zonder oordelen over afkomst naar een ander kunnen kijken. Troost vinden in boeken waarin een ongenadig hard leven, armoede en anders zijn, zoals in de boeken van Elizabeth Strout, de mensen voortstuwt. 

    Het uur dat ik de trein naar Amsterdam moet nemen, verstrijkt. Buiten is het nog steeds donker, november. Ik zet thee, slik twee aspirines. Op de bank sluimer ik weg. Ik sta in een boekwinkel, zoek bij de B van Barton, kan haar niet vinden. Ik heb teveel van Elizabeth Strout gelezen, over de schrijfster Lucy Barton. In Strouts verhalenboek Niets is onmogelijk, komt Lucy in bijna alle verhalen voor. Als aanleiding voor een gesprek, in de herinnering van een gepensioneerde schoolconciërge. Er is neef Abel, groeide op in net zo’n armoedig gezin als dat van Lucy, haalde als kind zijn eten uit vuilnisbakken. Tientallen jaren later ziet hij Lucy weer bij een boekpresentatie. De vreugde van het weerzien, dat ze het gered hebben. Lucy als beroemd schrijfster.

    In het verhaal ‘Zus’ komt Lucy na dertig jaar op bezoek bij haar broer Petie. Ook zus Vicky is uitgenodigd. Zus weigert, valt onverwacht toch binnen. Petie en Lucy hebben elkaar dan net met woorden afgetast, een bijkans gemoedelijk sfeer gecreëerd. Vicky verpest dat, is ziedend op Lucy, verwijt haar mooi weer te komen spelen. Lucy is toegevend, nodigt uit te komen zitten. Dan deze zinnen vol ongemak. ‘Vicky zette haar handtas op de grond en ging zo ver mogelijk bij Lucy vandaan op de bank zitten. Maar Vicky was omvangrijk en de bank niet zo groot, dus erg ver kon het niet zijn.’ Zo vinden ze elkaar terug, elk een ander geworden, nooit meer dezelfde, als familie onbereikbaar. Niets is onmogelijk, prachtig boek, pijnlijk ook. Ik slik nog twee aspirine.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

  • Gaandeweg ontstond een biografie in gedichten

    Deze maand verscheen de dichtbundel Een spoor van mezelf van de Portugese dichter en schrijver Fernando Pessoa (1888-1935). Een keuze uit de orthonieme gedichten van Pessoa die hoofdzakelijk onder vele pseudoniemen (voor Pessoa-kenners: heteroniemen) schreef. De vooral als Portugees vertaler bekend staande Harrie Lemmens (dit jaar een van de zes genomineerden voor de Filter Vertaalprijs met zijn vertaling van Voor wie in het donker op mij wacht van António Lobo Antunes) is verantwoordelijk voor de keuze uit drie bundels en de vertaling. Het vertalen ontdekte hij tijdens zijn studie Nederlands. Zijn afstudeerscriptie maakte hij op grond van het boek van de Curaçaose schrijver Frank Martinus Arion. Afscheid van de koningin speelt in een fictieve staat in West Afrika. ‘Ik heb me toen bezig gehouden met de Afrikaanse literatuur en begon voor mezelf allerlei dingen te vertalen.’

    Literair Nederland sprak met Harrie Lemmens in zijn huis in een van de rustige buitenwijken  van Almere. Een gesprek over de dichtkunst van Pessoa – die volgens Lemmens van een bedrieglijke eenvoud is – over vertalen als langzaam lezen, over Portugese literatuur en hoe Lemmens, van oorsprong Neerlandicus, vertaler Portugees werd.

    Er wordt een pot thee gemaakt, er is Limburgse vlaai, ‘ik blijf per slot een Limburger’, zegt de in Weert geboren vertaler. We nemen plaats aan de grote tafel aan de tuinkant en terwijl Lemmens de thee inschenkt vertelt hij dat het idee om een bundel van Pessoa’s orthonieme gedichten uit te geven, al langer bestond. Het materiaal was aanwezig in drie delen, van elk vijfhonderd pagina’s. Hieruit maakte Lemmens een keuze van honderdnegen gedichten.

     

    Hoe ben je uit zo’n groot aanbod tot een keuze gekomen, wat was de leidraad?

    Al zijn gedichten zijn opgenomen in die bundels en een deel viel al af omdat het niet verder gaat dan een schets. In andere gedichten ontbreken woorden, zijn onaf. Voor de volledige gedichten heb ik me laten leiden door mijn gevoel. Geleidelijk aan merkte ik dat er zoiets als een autobiografie in gedichten ontstond. Door ze chronologisch op te nemen ontstaat er een lijn van zijn ontwikkeling. Uit zijn beginjaren, de jaren tien van de vorige eeuw, zijn heel andere teksten dan die uit de twintiger en dertiger jaren. Zijn werk uit de laatste jaren is directer, eenvoudiger ook. Hoewel eenvoudig hierin een verwarrende term is omdat het toch allemaal vrij ingewikkeld is wat hij schrijft. Het ontsnapt je steeds, als een glibberig iets dat als je het vast hebt, weer uit je handen schiet. Dat is zijn klasse, dat spel beheerst Pessoa als geen ander. Om over wezenlijke zaken als dood en leven, dromen en werkelijkheid bijna opgeruimd te schrijven. Uit zijn beginjaren is het werk veel barokker, toen speelde het symbolisme een grotere rol. Pessoa schreef in beelden, waarin verwijzingen zitten naar zijn eigen leven. Naar zijn kinder- of jongelingsjaren.

     

     

     

    Hoe ben je tot het vertalen van Portugese literatuur gekomen?

    Eind 1981 ben ik in Oost-Berlijn gaan werken. Daar ontmoette ik Ana (zijn huidige vrouw Iv/dG) die op hetzelfde taalbureau werkte als ik. Ik was vertaler Duits – Nederlands en zij vertaalster Duits – Portugees. In 1985 verhuisden we voor drie jaar naar Lissabon. Daar heb ik de Portugese taal geleerd. We spraken in Duitsland, Duits met elkaar. Zodra ik in Lissabon woonde en in contact kwam met Portugezen ben ik Portugees gaan spreken. Ook ben ik meteen de literatuur van het land gaan lezen. Het was in eerste instantie niet Pessoa die me aantrok, maar António Lobo Antunes. In een boekwinkel zag ik een boek van hem liggen met een soldatenhelm en speelkaarten op de omslag: Fado Alexandrino. Een lijvig epos over de jaren zeventig in Portugal en vier ex-militairen die gevochten hebben in de voormalige Portugese kolonie Mozambique. Ik ben begonnen het boek te vertalen, voor mezelf. Op die manier maakte ik me de taal en het boek eigen, vertalen is in eerste instantie lezen. Zo heb ik dat ook met De Judaskus van Lobo Antunes gedaan.

     

    Wat was het dat je aantrok in de schrijver Lobo Antunes?

    Het was puur instinctief dat deze schrijver me aantrok. Pas later kon ik zijn stijl beoordelen. Ik heb hem toen ook vrij snel, nadat ik een jaar in Lissabon woonde, voor het eerst ontmoet. Ik vertaalde hem nog niet voor een Nederlandse uitgever. Pas in 1991 mocht ik De Judaskus voor de toenmalige uitgeverij Amber vertalen. Henk Figee (1948-1994 Iv/dG) was daar redacteur en hij had dat boek ontdekt en vroeg mij het te vertalen. Er zouden meerdere boeken volgen maar toen stapte Figee over naar Van Nijgh & Ditmar en kon Lobo Antunes in eerste instantie niet meenemen. Figee dacht dat later te doen, maar een jaar daarna overleed hij vrij plotseling, wat zeer tragisch was.

    Pas in 1997 werd er weer werk van Lobo Antunes uitgegeven door Eva Cossee die toen bij uitgeverij Ambos werkte. Zij was getrouwd met Christoph Buchwald die in Duitsland de redacteur was geweest van Lobo Antunes en werk van hem had uitgegeven. Het handboek van de inquisiteurs, was het eerste deel van een vierluik dat bij Ambos uitkwam en sindsdien zijn al mijn vertalingen van Lobo Antunes daar verschenen.

    António Lobo Antunes was wel de eerste voltreffer uit de Portugese literatuur die mij persoonlijk raakte. Van Pessoa kende ik wel wat dingen, met Alvaro de Campos (een van de heteroniemen van Pessoa Iv/dG) en met het Boek der rusteloosheid was ik bekend. En eind jaren tachtig vroeg Theo Sontrop me of ik het Boek der rusteloosheid wilde vertalen. Het was voor mij een waagstuk want het was in feite de eerste literaire vertaling die ik vanuit het Portugees maakte. Daarvoor had ik enkel uit het Duits, Engels en Spaans vertaald. Daarbij moest ik de tweedelige Portugese uitgave terugbrengen tot een deel van ruim 300 pagina’s. Dat heb ik met veel plezier gedaan. Vijftien jaar na die eerste vertaling, in 2005, heb ik voor een deel die vertaling mogen herzien en aangevuld met wat toen de volledige uitgave was. Ook daarmee was ik heel blij dat te kunnen doen.

     

     

    In de jaren negentig heb ik nog een ander Privé Domein deel samengesteld Mijn droom is van mij, met meer autobiografische teksten (loopt naar de boekenkast om het deeltje te pakken) en daar staan ook een paar gedichten in, wijst hij terwijl hij het voor me neerlegt. Wim Hazeu heeft in de jaren negentig een Portugese bibliotheek gehad bij uitgeverij De Prom. Daarin verscheen een Spaanse biografie van Pessoa in vertaling van Barber van de Pol. Voor de gedichten die daarin stonden heeft ze voor een deel bestaande vertalingen van August Willemsen gebruikt en voor de andere gedichten heeft ze mij gevraagd. Toen heb ik ook nog de Triomfode van Álvaro de Campos vertaald voor het tijdschrift De tweede ronde. En een paar jaar geleden is nog de bundel De bedelaar en andere verhalen van Pessoa bij De Arbeiderspers verschenen.

     

    August Willemsen heeft Pessoa als vertaler geïntroduceerd in Nederland wordt jullie vertaalwerk ook wel met elkaar vergeleken?

    Dat weet ik eigenlijk niet. Misschien gebeurt dat nu, want er staan ook gedichten in die eerder door hem zijn vertaald. Ik ben uiteraard benieuwd of er vergeleken gaat worden. Juist vanwege de naam die Willemsen heeft. Dat vind ik wel een interessant fenomeen. Niet vanuit een soort rivaliteit tussen hem en mij, maar gewoon, wat de lezer ervan vindt.

     

    Is de Portugeestalige literatuur wezenlijk anders dan de rest van de Europese, de Nederlandse literatuur?

    Ik heb altijd in boeken en schrijvers gedacht, nooit zozeer in landen.

     

    Maar het experimentele en interpunctieloos schrijven, daarmee is Lobo Antunes in Portugal toch geen uitzondering?

    Nee, dat klopt. Violeta en de engelen van Dulce Maria Cardoso is een zin van meer dan tweehonderd bladzijden. Ook de eerste boeken van Saramago zijn experimenteel, tot hij zijn eigen stijl heeft ontwikkeld. Als lezer moet je het experimentele wel kunnen accepteren, dat geldt zeker voor Lobo Antunes. Misschien kun je zeggen dat in de Portugese literatuur de aandacht voor het construeren van mooie zinnen en beeldend proza groot is. Wat terug te voeren zou kunnen zijn naar de 17e eeuwse Jezuïet padre António Vieira. De grondlegger van het Portugese proza en een barok schrijver.

    Dat staat haaks op wat er in calvinistisch Nederland gebeurt, waar het een soort wet lijkt  alles zo karig en kaal mogelijk op te schrijven. De Vlaamse literatuur komt wel enigszins overeen met de Portugese. Zet Claus tegenover Hermans en je ziet het verschil. Daarmee zou je het kunnen vergelijken. Maar goed, het is moeilijk daar in het algemeen iets over te zeggen. Wat ik wel merk is dat, en dat komt misschien door social media, de Portugese literatuur zich steeds meer verhoudt tot hoe hier geschreven wordt. Van uitgevers hoor ik dan ook: je brengt niets nieuws, we hebben zulke schrijvers al.

     

    Zeg je hiermee dat vertalen van buitenlandse schrijvers alleen maar zin heeft als het wat nieuws brengt?

    Dat is natuurlijk niet helemaal zo. Neem bijvoorbeeld het boek Met bloed doordrenkte baard, van de Braziliaanse schrijver Daniel Galera dat ik 2014 vertaald heb. Over een zweminstructeur die zich terugtrekt in een badplaats in het zuiden van Brazilië om allerlei problemen in zijn leven op te lossen. Problemen waar ook jonge mensen in Nederland mee te maken hebben. Het is interessant te lezen hoe iemand hiermee omgaat in Brazilië bijvoorbeeld, op een andere plek in de wereld. Een aantal jaren geleden was er een VPRO radioprogramma over literatuur van de BRI-landen (Brazilië, Rusland en India). Daar kwam ook aan de orde dat vertalen niet alleen gaat om literatuur te vertalen die het verschil tussen culturen laat zien, maar ook wat er tussen verschillende culturen overeenkomt.

     

    Je hebt inmiddels meer dan honderd boeken vertaald, is het belangrijk om in contact te staan met de schrijvers van die boeken?

    Ja, ik vind dat wel belangrijk hoewel ik heel sporadisch vragen stel over een vertaling. Als vertaler moet je het toch zelf oplossen. Meestal gaat het om het Nederlands en niet om wat er staat. Bij de vertaalprijsuitreiking laatst in Utrecht, gaf ik een voorbeeld van zo’n samenwerking tussen schrijver en vertaler. Ik had eens, in de jaren tachtig, een vraag over een bepaalde passage in een boek van Christoph Hein dat ik aan het vertalen was. Toen ik hem tegenkwam in Lissabon, waar Hein op bezoek was om een voorstelling van zijn stuk Die wahre Geschichte des Ah Q bij te wonen, legde ik hem dit voor en zijn reactie was: ‘Ach ist doch Scheiße, schmeiss es raus’. Dat gaf voor mij aan dat je een boek niet als te heilig moet beschouwen.

    Een ander voorbeeld is de vertaling van De bekentenis van Lúcio van Sá-Carneiro, een tijdgenoot van Pessoa. Een roman die boordevol zit met beelden en synesthesieen. In sommige passages  heb ik in de vertaling, als er vier adjectieven in stonden er een uitgehaald. In het Portugees kon het wel, die vier maar in het Nederlands niet. Die vrijheid heb je als vertaler. Soms doe je een boek onrecht door het letterlijk te vertalen. Terwijl je het juist in ere houdt door het niet helemaal letterlijk te doen. En dat is een beetje schipperen. Hoe breng je het boek zo over op de Nederlandse lezer dat die hetzelfde ervaart als de Portugese lezer. Dat is niet te bereiken met een op een vertalen.

     

    Er is een nawoord opgenomen over Pessoa en zijn werk, in hoeverre was dit nog nodig?

    Over Pessoa is natuurlijk al veel geschreven maar ik wilde toch iets duidelijk maken over de opbouw van de gedichten en iets over zijn leven vertellen. Er zijn lezers die hem al kennen, maar ook lezers die met dit boek voor het eerst kennis zullen maken met Pessoa. En omdat er zoveel over hem verschenen en uitgegeven is, hebben we het nu zo opgelost door te verwijzen naar andere nawoorden, en naar het boekje Het Ik als vreemde van Willemsen. En ook door de chronologieen op te nemen die bij het Boek der rustelozen is opgenomen. Om de lezer toch enige houvast te geven.

     

    Wat kenmerkt deze bundeling, waarom zouden we het moeten kopen?

    Ik denk om twee redenen. De ene is om de eenvoud waarmee Pessoa moeilijke dingen verwoordt, de geraffineerdheid waarmee hij dat doet, waardoor je vaak op het verkeerde been wordt gezet. Alsof je een afslag gemist hebt. Hij is ook een soort meester van het syllogisme, een soort sofisme wat ie doet. Redeneringen waarvan je denkt dat het niet helemaal klopt, en dan toch weer wel. Maar dan moet je er wel wat dingen bij denken of je juist van dingen bevrijden. Het tweede waarom je het zou moeten lezen, is de buitengewone rijkdom aan beelden in zijn gedichten. Zijn vermogen om als het ware een soort foto’s te maken. Dat is geweldig. Het grappige is dat Lobo Antunes Pessoa niks vindt. Maar voor mij zijn er veel overeenkomsten tussen hen. Een daarvan is het vermogen om beelden te maken. Dat is ook een van de grote krachten van Lobo Antunes, in een paar woorden een beeld neerzetten. Maar ook in de thematiek, in de wijze waarop ze dingen behandelen, zitten grote overeenkomsten. Ook Clarice Lispector heeft raakvlakken met Pessoa. Dat zit in het formuleren, in hoe ze de dingen zegt. In die zin kun je wel spreken van een Portugeestalige literatuur.

     

    Er is ook een online magazine voor Portugeestalige literatuur opgericht?

    Ja, dat is Zucamagazine. De behoefte een soort platform te hebben voor Portugeestalige literatuur was er al lang. Een plek waar uitgevers en lezers terecht kunnen om zich te oriënteren op de Portugeestalige literatuur. Het is gekoppeld aan fotografie, tekst en beeld is een kenmerk van Zucamagazine. Het biedt ons de ruimte om de ontwikkelingen in de literatuur te presenteren die gaande zijn en uitgevers te laten zien wat er zoal rond gaat.

    Enkel dagen na het interview, de bundel ligt al bij de drukker, mailt Harrie Lemmens me een gedicht van Pessoa dat zich in de krochten van zijn computer verscholen hield.

    Vanuit de plooien van de donkere nacht
    schudt mij ineens een spook met harde hand
    klaarwakker, en ik tuur met al mijn kracht
    maar zie niets, nergens, aan geen enkele kant.

    In mijn hart daalt echter onverwacht
    een angst die ik nog niet heb overmand
    als van een troon omlaag en oefent macht
    uit over mij, de stomme dwingeland.

    En plompverloren voel ik dan mijn leven
    aan een touw van onbewustzijn zweven
    in een duistere hand die mij geleidt.

    Ik voel dat ik niet meer ben dan de schaduw
    van een wezen waar ik bang van gruw,
    en dat ik niet besta, net als de donkerheid.’

     

    Het gedicht had  zeer goed in de bundel gepast, laat Lemmens weten, het geeft voor hem nog eens aan dat een keuze maken uit de gedichten van Pessoa een luxeprobleem is.

     

    Foto: Ana Carvalho


    Fernando Pessoa, Een spoor van mezelf / samenstelling en vertaling Harrie Lemmens / De Arbeiderspers

     

     

  • Oogst week 23 – 2018

    Tussen Lenin en Lucebert

    Igor Cornelissen (1935) schreef als journalist voor Het Vrije Volk, Het Parool enVrij Nederland over onderwerpen als de sociale strijd, Oost-Europa, communisme, spionage en de Tweede Wereldoorlog.

    In Tussen Lenin en Lucebert schrijft hij over de opmerkelijke Nederlandse kunstcritica en communiste Mathilde Visser (1900 – 1985). Visser werd geboren in een welgesteld joods-liberaal milieu. Voor de oorlog woonde zij na een mislukt huwelijk een tijd alleen in Berlijn. Toen het haar daar te heet onder de voeten werd verhuisde ze naar Parijs waar ze de kunstenaars Pablo Picasso, Salvador Dali en Max Ernst leerde kennen. Die vriendenkring vormde haar verder en was de basis voor haar carrière als kunstcritica.

    Hoewel ze na de oorlog veel geld gaf aan de Communistische Partij van Nederland kostte het haar veel moeite om het lidmaatschap te verkrijgen. De partijleiding vertrouwde de rijke, in bontjas gehulde bourgeoisdame niet helemaal.
    Cornelissen reconstrueerde het levensverhaal van Mathilde Visser aan de hand van brieven, dagboeken en gesprekken met tijdgenoten.

     

    Tussen Lenin en Lucebert
    Auteur: Igor Cornelissen
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Tokio mon amour

    In het eerste hoofdstuk van Tokio mon amour toont Ian Buruma zich nog onzeker:

    ‘…Mijn vlucht met Pakistan International Airlines was geboekt. Ik stond ingeschreven bij de filmacademie van de Nihon-universiteit in Tokio en had een studiebeurs toegekend gekregen van de Japanse overheid, waarmee ik de kosten voor mijn levensonderhoud kon betalen. Ik vond het spannend om voor een flink aantal jaren naar Tokio te verhuizen, maar ook een beetje eng. Zou ik geen heimwee krijgen en me zo eenzaam voelen dat ik de hele tijd brieven ging zitten schrijven aan mensen die zich op bijna tienduizend kilometer van Tokio bevonden? Zou ik binnen enkele maanden terug zijn, vernederd omdat ik een morele nederlaag had geleden? Ik had een Japanse vriendin, Sumie, die mee naar Japan zou verhuizen, maar toch.’ …

    Buruma kwam in 1975 aan in Tokio, en had geen idee wat hem te wachten stond. Hij was in Amsterdam en Parijs gefascineerd geraakt door Japanse films en theater en dus reisde hij naar de bron. In Tokio mon amour doet hij daar verslag van.

    Tokio mon amour
    Auteur: Ian Buruma
    Uitgeverij: Atlas Contact (2018)

    Amsterdam

    Eva Cossee over haar boek:

    ‘Mijn Amsterdam is een stad van immigranten. Dat ik zo denk, is niet zo vreemd. Mijn voorvaderen Cossée waren Hugenoten en kwamen in de zeventiende eeuw vanuit het Loire gebied naar Amsterdam, waar op dat moment bijna 10% van de bevolking van Franse herkomst was. Amsterdam heeft altijd een grote aantrekkingskracht op handelaren en kunstenaars gehad. Nu is Amsterdam de meest multiculturele stad ter wereld met nog meer verschillende nationaliteiten dan New York.

    Amsterdam. Stad van aankomst schetst een beeld van de bevolkingsopbouw na 1945. En Amsterdam is ook altijd een rebelse stad geweest, met rookbommen en protesten, door Harry Mulisch en A.F.Th. van der Heijden prachtig verwoord. De handel op het Waterlooplein wordt beschreven door Saskia Goldschmidt en de spreekwoordelijke vrije liefde in de hoofdstad door Cees Nooteboom, en het multiculturele straatbeeld door Robert Vuijsje. Tot slot krijgen ook de neushoorns en andere bewoners van de diergaarde Artis een stem.’

     

    Amsterdam
    Auteur: Eva Cossée
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee (2018)

    Waarom schrijven?

    De onlangs overleden Philip Roth heeft naast fictie ook veel non-fictie geschreven over een groot aantal onderwerpen, waaronder de schrijvers die hij bewondert, zijn eigen werk, het creatieve proces en de Amerikaanse cultuur. In Waarom schrijven? wordt voor het eerst al dit werk verzameld in één band. Het bevat de eerder verschenen essaybundels Lectuur van mijzelf en anderen en Over het vak, maar ook veel stukken die ofwel herzien zijn, of nooit eerder gepubliceerd. Waarom schrijven? geeft een prachtig beeld van de gedachtewereld van een van Amerika’s grootste schrijvers.

     

    Waarom schrijven?
    Auteur: Philip Roth
    Uitgeverij: Uitgeverij De Bezige Bij (2018)

    Tijdschrift Terras

    Terras is een tijdschrift voor internationale literatuur dat gemaakt wordt door medewerkers verspreid over de hele wereld. Het veertiende nummer, Elders, onderzoekt de tegenstellingen van stad en platteland, centrum en periferie, en brengt plekken in kaart waar iets bijzonders aan de hand is en waar op een mooie manier over geschreven kan worden.
    Het nummer bevat nieuwe ontdekkingen, niet eerder in het Nederlands vertaalde proza-auteurs die worden ingeleid door Annelies Verbeke, dichters zoals de Spaanse Sandra Santana en essayisten. Van Jon Fosse, die in het Nederlands taalgebied al naam heeft als toneelschrijver, worden gedichten en een essay gebracht. Daarnaast is er een hommage aan de dichter Charles Simic die dit jaar 80 wordt, verzorgd door K. Michel en Wiljan van den Akker en zijn er bijdragen van onder meer Arno Camenisch, Miek Zwamborn, Tomas Lieske, H.C. ten Berge en Joseph Zoderer. Menno Wigman figureert postuum in dit nummer als vertaler (naast Hélène Gelèns en Elma van Haren) van het Poettrio-project met Sean O’Brien, W.N. Herbert en Fiona Sampson.