• De diepere betekenislaag in Jansma’s gedichten

    De diepere betekenislaag in Jansma’s gedichten

    De dichter Esther Jansma is op 23 januari van dit jaar overleden. Haar laatste bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken, zal haar allerlaatste blijven. Haar dood zet de gedichten misschien niet in een ander licht, want ze leed al lang aan kanker, wist dat het einde onvermijdelijk naderbij kwam en beschouwde deze bundel als haar afscheid. Maar eens te meer valt op hoe groot haar moed was en hoe afwezig haar zelfbeklag. Nergens maakt ze duidelijk dat de gedichten autobiografisch zijn, het lyrisch ik mag niet automatisch vereenzelvigd worden met de dichter zelf. Toch is het overduidelijk dat zij veel van zichzelf in deze bundel verwerkt heeft.

    Zo haalt ze regelmatig de personages Romanticus, Oud en het hoofd van stal: deze drie protagonisten maken allen deel uit van de dichter zelf en leveren commentaar op de kanker, het aftakelingsproces en het gevoel dat daarbij opgeroepen wordt. Waar de dichter zich terughoudend opstelt en de aspecten van de ziekte niet alleen op zichzelf betrekt, maar algemener maakt, stellen deze drie zich harder op en verbloemen niets. Ze brengen daardoor ook een vreemd soort van humor en troost, omdat ze op een andere manier omgaan met de werkelijkheid. Voor het eerst traden ze op in haar bundel Picknick op de wenteltrap (1997) toen de ouders van de hoofdpersoon gescheiden waren en daarna de vader overleed. Ook nu zijn ze nodig bij verdriet en leed om te zorgen dat er steeds opnieuw een begin gemaakt kan worden, ook al loopt het op niets uit. 

    Elk jaar opnieuw een begin van iets

    Daar wijst ook het mooie gedicht ‘Hoop’ uit de Proloog op, waarin iemand elk jaar opnieuw een bougainville plant, ook al overleeft die de winter niet: ‘[…] en sterft al/ en het jaar daarop weer en het jaar daarop weer./ Iemand denkt: ik handel uit hoop, ik leer het nooit’. Hoop is gekoppeld aan ‘misschien’ denken. 

    Dat doet ook de foto op de omslag: een ei dat kapot gevallen is. Of heeft het kuiken dat erin zat, zich een weg naar buiten gebaand? Gaat het om dood of om leven, als Schrödingers kat? De kwetsbaarheid van dat kapotte ei, dat nog vaker terug zal keren in de gedichten, laat zich zonder voorbehoud verbinden met het menselijk lichaam met al zijn gebreken, de kanker en de hoop. De dichter geeft aan dat alles wat ons overkomt, willekeur en toeval is, maar als mens nemen we daar geen genoegen mee, we blijven zoeken naar oorzaak, reden, schuld. Ieder van ons wil iemand zijn die zich onderscheidt van de anderen:

    Zoek

    Wie van ons is waar, vraagt een eitje en breekt
    vraagt het koppie van het natte grijsverig
    kuiken dat eruit steekt, brutaal vraagt het: wie?

    Ik weet niet waar we zijn, is een antwoord.
    Ik ben hier, zegt het eitje, zie je me niet
    ik vraag wie van ons echt is, wie dan?

    We zijn meervoud, met velen, we zijn massa’s
    geworpen door oneindig toevallig zwart
    op zomaar een erf in zomaar een schuur

    die we nu en aarde en melkweg noemen
    waar we al vallend ons licht in schijnen
    en glimpen van zien, dat noemen we waarheid

    is een antwoord. Maar niet voor Eitje, niet
    voor het koppie van het kuiken. Het piept:
    vreemde weter, antwoordgever, wie ben ik?

    Veelzijdigheid van dichter en meer

    Deze bundel gaat niet alleen over ziekte en dood, zoals de dichter niet alleen maar kankerpatiënt was. Jansma was dichter, dendrochronoloog (een wetenschapper die zich bezighoudt met het dateren van houten voorwerpen of archeologische vondsten aan de hand van in de voorwerpen herkenbare groeiringen) en was feministe. In het nawoord van deze bundel vertelt ze hoe vaak het feit dat iemand vrouw is de overhand heeft bij het beoordelen van haar werk: ‘Ik heb tijdens mijn werkende leven lang geloofd dat de kwaliteiten van literair en wetenschappelijk werk eenvoudig herkenbaar zouden zijn. Maar helaas overschaduwt het vrouw-zijn van makers en denkers nog steeds de wijze waarop hun werk wordt beoordeeld.’ In een aantal gedichten in deze bundel brengt ze dat op humoristische, maar wrange manier naar voren, zoals in het volgende gedicht:

    Start

    In de fabriek voor porseleinen poppen
    maken ze beentjes en hoofdjes en armpjes
    en buikjes die allemaal zo intens wit zijn

    zo frêle dat je bijna de dag erdoorheen
    kunt zien gloeien en die hoofdjes
    en die doorschijnende glooiingen van hun hoofdjes

    och, daarvoor moeten de penselen haarfijn zijn
    hemelsblauw voor de oogjes, rozerode likjes
    op de lipjes, de haartjes een webje van goud –

    dan ijzerdraad om het beschilderde vanbinnen
    onzichtbaar houtje-touwtje finaal te verknopen
    tot: zo, dit is een lief en mooi meisje, dus af.

    Het veelvuldige gebruik van verkleinwoorden werkt eerst vertederend, maar wanneer de laatste versregel spreekt van ‘meisje’, wordt het denigrerend. Het brute ‘ijzerdraad’ staat in schril contrast tot al dat liefelijks. En hoe moeten de laatste woorden ‘dus af’ geïnterpreteerd worden? Als: klaar, niets meer aan doen? Of als: af als in een toneelaanwijzing, wegwezen, je rol is uitgespeeld? 

    Meerduidige beelden

    Bij Jansma krijgt alles in haar gedichten een diepere betekenislaag, alle beelden zijn meerduidig. Begin en einde en opnieuw een begin, daar gaan haar gedichten over, zoals in ‘Weet’: ‘Je beweegt door het leven/ tot je daar weg bent// en het hele leven blijft en begint.’ Veel gedichten hebben een imperatief als titel: ‘Weet’, ‘Herneem’, ‘Wens’, ‘Stop’, alsof de dichter zichzelf bevelen heeft gegeven die betrekking hebben op de manier waarop zij met haar ziekte en haar leven om moest gaan. De hoop die daaruit spreekt, heeft niets te maken met het genezingsproces, want daar was geen sprake meer van, maar met berusting en vrede. In het laatste gedicht, ‘Word’, dat voor de epiloog is opgenomen, lijkt ze die vrede bereikt te hebben: 

    Overal is water en alles zingt, wolken
    bewegen in de diepte van plassen
    op straten die de wolken niet kennen
    en de hemel heeft geen weet van de aarde

    vingertoppen van bomen, die van gevoel
    dat sterft in de herfst en er nu nog is
    zijn klankkastjes voor al die vingers van regen

    overal schuilen mensen en iemand
    loopt door tijd die al bijna verdwenen is
    koud watergetokkel op het gezicht

    en weet: de wolken weten niet van de regen
    het water weet niet van de bladeren
    waaruit het muziek slaat, ritmes, taal

    en de snelle zilveren aanrakingen
    die leven heten en beweging
    kennen de druppels op mijn gezicht niet

    en straks ben ik dit allemaal.

    De gebiedende wijs ‘weet’ is hier niet alleen aan haarzelf gericht, maar zeker ook aan de lezers, de achterblijvers, die zich getroost kunnen voelen door de gedachte die in dit gedicht is uitgedrukt. Opvallend is ook dat er nergens in het gedicht een punt staat, alleen achter de allerlaatste versregel ‘en straks ben ik dit allemaal.’ Pas dan is het afgesloten, het leven zoals we het kennen. En elk einde is een begin, zegt Esther Jansma.



  • In memoriam Esther Jansma (1958-2025)

    Op donderdag 23 januari overleed dichter en schrijver Esther Jansma aan de gevolgen van kanker in een hospice in Utrecht. Ze was al lange tijd ernstig ziek. In 2022 zou Jansma met haar bundel De spronglaag, de eerste Meander Live in het Luxor Theater in Zutphen – waar dichters hun laatstverschenen bundel integraal voorlezen – openen. Ze was toen al zo ziek dat haar man Wiljan van den Akker het van haar overnam en haar bundel in een sessie voorlas. Over hoe het met haar ging plaatste ze de laatste twee jaar ook geregeld korte stukken op facebook. Daarin voerde ze, zoals ook in haar gedichten, verzonnen personages op die over een moeilijk te verteren werkelijkheid spraken. In deze was er een klein Esthertje die commentaar gaf op het verdwijnen van energie, van levensmoed van de grote Esther. Een kleine Esther die gevoelens van wanhoop en verdriet relativeerde.

    Jansma debuteerde in 1988 met Stem onder mijn bed. Waarna er nog tien dichtbundels en een essaybundel verschenen.

    In november 2024 werd ze, vanwege haar wetenschappelijk en literair werk, benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw  voor haar waardevolle bijdrage aan de poëzie en dendrochronologie. In diezelfde maand verscheen ook haar elfde en laatste bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken.

    Jansma’s poëzie is zeer persoonlijk en voelt als het delen van intimiteiten. Ze verwerkte in haar gedichten het verlies van twee van haar vier kinderen. Tijdens haar eerste huwelijk verloor ze in 1988 een meisje tijdens de geboorte en in 1993 stierf haar negen maanden oude zoontje aan een chromosoomafwijking. Dit tekende, evenals haar armoedige en liefdeloze kinderjaren, haar leven en werk. Ze bracht haar kinderen tot leven in regels als: ‘Ik hul haar in weefsels van woorden’, en, ‘ik wil dat ze ademt van taal.’
    In haar bespreking van Rennen naar het einde van honger, schreef Hettie Marzak: ‘ Jansma heeft vaak aan een versregel genoeg om een hele wereld op te roepen en de lezer daar midden in te trekken.’

    Over haar moeder, die haar als kind mishandelde, schreef ze voor Het Liegend Konijn (2021/2) een serie gedichten onder de titel ‘Het verhaal van de zeeroversdochter’. Daarin is Jansma de zeeroversdochter en haar moeder ‘brulkapitein Bloody Lilly’. ‘Ik groeide op op een piratenschip.’ Om de agressie van Bloody Lilly uit de weg te gaan, begon ze op een dag ‘achter een tonnetje rottend scheepsbeschuit gedichten [te] schrijven (…). Daar kwam ik mooi mee weg, want Bloody Lilly snapte niks van poëzie’. De lichtvoetigheid die uit dat ‘mooi mee wegkomen’ spreekt, is kenmerkend. Het heeft iets verdrietigs, maar tegelijkertijd iets onvermijdelijks dat het verleden steeds opnieuw en in verschillende variaties bestreden moest.

    Voor haar poëzie ontving Jansma onder andere de VSB Poëzieprijs, de Jan Campert-prijs, de Adriaan Roland Holstprijs en de C.C.C.Crone-prijs.

    Naast dichter was Esther Jansma dendrochronoloog. Ze werkte voor de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en onderzocht onder meer de Romeinse schepen De Meern 1 en 4. In 1993 richtte ze het Centrum voor Dendrochronologie op. In 1996 promoveerde ze cum laude met haar proefschrift RemembeRINGs. In 2007 werd Jansma benoemd tot bijzonder hoogleraar dendrochronologie aan de faculteit geowetenschappen van de Universiteit Utrecht.

     

    Foto: © Julia Le Fevre

  • Oogst week 45 – 2024

    Geef niet mee! Een biografie van Ellen Warmond

    De gedichten van Ellen Warmond (pseudoniem van Pietronella Cornelia van Yperen, 1930-2011) waren voor vele lezers de eerste kennismaking met moderne poëzie. Vooral in de jaren zestig en zeventig werden verschillende van haar bundels opnieuw gedrukt in verband met het zich manifesterende feminisme in die jaren en haar ‘vrouwelijke stem’ waarvoor ze in 1987 de Anna Bijnsprijs kreeg voor haar gehele oeuvre. Maar Warmond wilde liever als individu beschouwd worden en niet beoordeeld worden op haar vrouwzijn. Haar existentialistische gedichten zijn getekend door melancholie en het verlangen naar onafhankelijkheid, haar taalgebruik is licht en relativerend. In haar debuut Proeftuin uit 1953 is al de overwegend sombere teneur van haar latere werk te herkennen, haar afstandelijkheid en haar ironie, maar ook haar angst die ontstond nadat zij als kind het bombardement op Rotterdam meemaakte. Ze danste in het Rotterdams Ballet Ensemble en was secretaresse op een handelskantoor, een baan die het noodzakelijk maakte dat zij een pseudoniem koos voor haar bundels. Haar gedichten hebben weliswaar verwantschap met die van de Vijftigers, maar staan toch op zichzelf. 

    Trudy van Wijk schreef eerder een biografie over de poëzie van Ida Gerhardt, Wat zingt het popelend refrein. Na haar dood in 2020 werd de biografie over Ellen Warmond voltooid door Bertram Mourits.

     



    Geef niet mee! Een biografie van Ellen Warmond
    Auteur: Trudy van Wijk
    Uitgeverij: Walburgpers

    We moeten 'misschien' blijven denken

    Esther Jansma debuteerde in 1988 met de bundel Stem onder mijn bed. Sindsdien heeft ze meerdere dichtbundels geschreven, waarvoor ze diverse literaire prijzen ontving, waaronder in 2006 de A. Roland Holstpenning voor haar gehele werk.

    Het verstrijken van de tijd is een thema dat in de poëzie van Esther Jansma regelmatig terugkeert. Ze vraagt zich af waarom de dingen niet kunnen blijven blijven zoals ze zijn. In haar elfde bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken, trekt ze dit thema door tot aan de uiterste consequentie van de eindigheid van tijd, het afscheid nemen van het leven. De drie spreekstemmen die ze al eerder liet horen in haar met de Halewijnprijs bekroonde bundel Picknick op de wenteltrap (1997) leveren door de hele bundel heen in korte, tragikomische dialogen commentaar op wat er gaande is. 

    Als archeoloog en speciaal dendrochronoloog ontwikkelde Jansma een methode om de ouderdom van houten voorwerpen vast te stellen, zoals je bij een boom de jaarringen telt. Ook in haar gedichten graaft ze diep om de herkomst van gebeurtenissen en emoties te herkennen. ‘Het hoefde alleen maar gevonden te worden’, schreef ze in haar gedicht ‘Alles is nieuw’. 

    Haar poëzie is beïnvloed door een moeilijke jeugd, zoals ze zelf aangeeft. Haar vader stierf toen ze zes was en met haar moeder was er geen sprake van een liefderijke band. Ook de dood van haar ongeboren dochter en pasgeboren zoon hebben groeven gekrast in haar werk. Woede en beheersing wisselen elkaar af in een beeldende en sterke taal.

     

    We moeten 'misschien' blijven denken
    Auteur: Esther Jansma
    Uitgeverij: Prometheus

    Verzamelde gedichten

    Jean Pierre Rawie is een van de weinig dichters in Nederland die nog traditionele gedichten schrijft, vormvaste sonnetten met eindrijm. In 1979 debuteerde hij met Het meisje en de dood. Hij is met Annie M.G. Schmidt, Nel Benschop en Toon Hermans een van de meest geliefde dichters, die vaak geciteerd wordt in rouwadvertenties. Daardoor duurde het tot 1989 voordat Rawie met zijn bundel Woelig stof ook erkenning kreeg van de literaire kritiek. Uiteindelijk ontving Rawie in 2008 de Charlotte Köhler Prijs voor zijn gehele oeuvre

    Dat het zo lang geduurd heeft eer men het werk van Rawie op waarde schatte is nu nauwelijks meer voor te stellen. Zijn thema’s zijn al even klassiek: verval, dood, melancholie en verloren liefde. Zijn grote eruditie blijkt uit zijn vertalingen uit negen verschillende talen van poëzie vanaf de dertiende eeuw tot aan het midden van de vorige eeuw. Deze vertalingen werden opgenomen in afdelingen in zijn bundels. Ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Rawie werden een groot aantal van zijn vertalingen opgenomen in Een luchtbel in een vluchtige rivier, voorzien van zijn eigen commentaar. Ook werd er in 2006 Verzamelde verzen uitgebracht.

    Nu is er een uitgave verschenen waarin alle gedichten van Rawie zijn verzameld vanaf het begin van zijn dichtersloopbaan tot en met de bundel met vertalingen. Een absolute must have  voor de talloze bewonderaars.



    Verzamelde gedichten
    Auteur: Jean Pierre Rawie
    Uitgeverij: Prometheus
  • Brood en poëzie

    Brood en poëzie

    Wat ik meenam uit het oude jaar was een pot zuurdesem en honderd zevenenzeventig gedichten. Geroofd uit het nest van zesendertig dichters. Het zuurdesem voed ik elke dag met een handje meel, een scheutje water. Dan lees ik wat poëzie. Voor ik begin laat ik de bladzijden van Het liegend konijn onder de duim van mijn linkerhand doorglippen. Langzaam, langzamer, en stop. Strijk het midden van het boek open, geef je ogen de kost, laat ‘Blue Monday’ voor wat het is, begin met de titels: ‘De onstuitbare neiging om mooi te zijn’ (Esther Jansma). ‘Kan ik een dode ruilen voor een levende’ (Anneke Brassinga). ‘Heel lang zijn wij niet geweest’ (Tania Verhelst). Sta stil bij het ‘Stijgend waterpeil’ van Marieke Lucas Rijneveld. ‘Dit is precies wat ze zeiden: het vlottertje zit verkeerd / aangesloten tussen je ribben, het membraan is kapot, / te veel kalkaanslag, nee, we denken niet dat je het zo lang / volhoudt, of laten we het verzachten, we hopen dat je nog // een jaar of twee meegaat, dan is het over. (…)’. Wees stil.

    Dan vul ik een kom met bloem, zout, roggemeel, meng het zuurdesem erdoor, het water, leg er een doek overheen. Met bloem bestoven handen stuit ik op een ‘Bewijs van bekwaamheid’ van Iduna Paalman. ‘Eerst schiet je een hert, een diashow vanuit de schuilkuil / je hoeft daar weinig voor te doen de kogel treft alleen / ter openbaring de organen: je bent geslaagd nog voordat / je bent opgestaan’. We werken toe naar het ultieme gedicht van de dag, dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Lees de regel, ‘door een tractor van de weg gereden’ van Herman Leenders (weet dat een regel soms genoeg is). Het brooddeeg in de kom op een keukenstoel bij de verwarming. Lees van Ruth Laster de regel, ‘Natuurlijk zijn er gevolgen aan aldoor / gesneden brood kopen.’ Terug naar voren, de gebeitelde beelden van Eelkje Christine Bosch, ‘pats daar gaat er weer een’, ‘mijn lichaam lacht mijn lichaam huilt / ik vraag wat hiervan de bedoeling is / mijn lichaam haalt haar schouders op / ze bloedt nog wat dat kan ze goed’. Ritmisch en verbluffend krachtig. Lees ook, ‘wij vrouwen / lichaam als gevonden voorwerp’. En, ‘op een ochtend groeide ik poten / en stapte het land op’.

    Ik vorm de broden tegen de avond, dek af, laat staan. Blader opnieuw door het boekwerk, vind het gedicht dat alle andere (voor even) overbodig maakt. Om het beeld, een glimp van een ongekend leven, van roeien met de riemen die je hebt. Mustafa Stitou schreef:

    ‘Ze kneedt het deeg met haar vuisten.
     Op haar knieën kneedt ze het deeg
     voorovergebogen en met rechte armen
     die gelijkmatig op en neer bewegen
     kneedt ze het deeg in een grote
     teil op de vloer van de keuken. 

     Uitgejankt sla je haar gade, hoog
     vanaf een keukenstoel, de troon
     waarop ze je heeft vastgebonden
     met de ceintuur van haar badjas zodat je
     stil blijft zitten en zij voor acht monden
     het brood klaarmaken kan.’
     (…)

    Ik stook de oven op, schuif de broden erin, en bak er niets van. Zolang ik niet op mijn knieën voorovergebogen met gestrekte armen in een grote teil op de keukenvloer het deeg kneed, bak ik er niets van. Blader door het Het liegend konijn, lees het ongekende.

     

     

    Het Liegend Konijn 2021/2 / Redactie Jozef Deleu / 260 blz. / Pelckmans Uitgevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, schreef dit op ‘Blue Monday’ met het raam open.

  • Een versregel is genoeg om een hele wereld op te roepen

    Een versregel is genoeg om een hele wereld op te roepen

    Met haar nieuwste bundel Rennen naar het einde van honger, lijkt Esther Jansma ervoor gekozen te hebben om zowel daders als slachtoffers van groot en klein leed te portretteren. Ze richt zich daarbij niet alleen op mensen, maar ook op dieren en bomen. Ze doet dit zonder een oordeel te vellen, ze constateert en beschrijft slechts. Maar juist doordat ze heel inzichtelijk weet te maken waar het wezenlijk om gaat, zijn haar gedichten scherp als een foto. Bovendien schuwt ze het maatschappelijk engagement niet door actuele gebeurtenissen weer te geven. Zo dicht ze bijvoorbeeld over mensen die vluchten vanwege een natuurramp die hun huis dreigt te doen instorten, maar ook over vluchtelingen die door oorlog uit hun land verdreven werden. Ze geeft een stem aan degenen die het overkomen is, maar ook aan de toeschouwers die langs de zijlijn staan en toekijken. Het zouden politieke gedichten zijn geworden als Jansma stelling had genomen, maar deze bundel is geen pamflet, maar een impressie. Jansma kiest haar beeldspraak zorgvuldig en ook de constructie van haar gedichten is heel doordacht.

    Bewaren van het verleden

    Jansma gaat in de eerste afdeling Waar het begint uit van het opgeven van de oude vertrouwde positie die mensen hebben ingenomen en die haaks staat op de noodzaak van bewegen en veranderen. Ze doet dit aan de hand van een gedicht over een boom, die al eeuwen begraven ligt onder het zand. ‘[…] ze is niets en doet niets / dan steeds verder en zachter / wegraken uit haar bestaan.’ Pas als de boom wordt uitgegraven, verandert ze ‘en zij stopt met iets zijn wat  vergaat’. Opvallend is dat Jansma de boom als vrouwelijk wezen beschrijft. Ze is dan ook de enige dichter in Nederland die dendrochronoloog is: een archeoloog die zich bezighoudt met de datering van bodemvondsten aan de hand van groeiringen. Het kan geen toeval zijn dat veel van haar gedichten te maken hebben met het benoemen van herinneringen en het bewaren van het verleden.

    In de afdeling De verandering staan sterke gedichten die beschrijven hoe mensen van huis en haard verdreven worden. Jansma kiest haar woorden zo zorgvuldig dat ze een willekeurige periode uit het verleden verbinden met het heden. Zo laat ze zien dat er in de lange geschiedenis van de mensheid nog steeds niets veranderd is. Oorlog, vernietiging en stromen vluchtelingen zijn universeel en van alle tijden, net als onbegrip en vreemdelingenhaat. Ze heeft daarvoor geen grote woorden nodig:

    ‘Beleid van wormen en aarde

     Ze leggen hun jas naast de weg en gaan liggen.
     Ze vertellen hun lichaam dat dit een hier is.
     Ze wuiven elkaar de troost dat dit mag toe.

     Ze mompelen over mensen en plaatsen die niemand meer kent –
     de namen ontsnappen uit hun monden als damp
     die nergens kan neerslaan, geen enkele dorst lest –
     en ze gaan slapen. En morgen weer en daarna weer.

     Niet ongerust zijn, zegt iemand bij een radiator,
     na een tijdje vermageren ze, binnenkort zijn ze papier,
     wat foto’s in een oude krant die door de wind
     omhoog gegooid smeekbeden ritselend verdwijnt.’

    Bijzonder emotioneel

    Van het gedicht ‘Hier en daar’ is de inhoud niet meer anoniem, maar verwijst naar bestaande maatschappelijke groeperingen, al noemt Jansma geen namen: een groep terroristen verkracht na het gebed een tiener, ‘- de boog / kan niet altijd gespannen blijven, het is nu pauze.’, terwijl in het witte huis de bewoner zich druk maakt over het feit dat de kristallen kroonluchter te klein is. ‘Wegwerpkindertjes’ is een afdeling met gedichten over mishandeling, misbruik, onthechting. Hoewel Jansma met ingehouden versregels niet nadrukkelijk het leed oproept, zijn deze gedichten bijzonder emotioneel. Ze laten een diepe indruk na. In het gedicht ‘Je kunt aan van alles denken’ verbindt de dichter via de titel in de eerste strofe het heden van een mishandeld kind met de slachtoffers van concentratiekampen uit het verleden: ‘Op een stoel gesmeten, je haren geroofd. / Jouw hoofd, jouw straf. Had je maar / niet moeten bestaan.’

    Ook in de afdeling Dit is niet een giraffe gaat het over mensen die nergens bij horen, buitengesloten zijn, geen vaste grond onder de voeten hebben. In het vierluik ‘Al die herinneringen’ probeert een lyrisch ik het verleden achter zich te laten en opnieuw te beginnen, maar moet daarvoor veel van zichzelf opofferen. Identiteit en imago lijken elkaars tegenpool te zijn.
    Jansma heeft vaak aan een versregel genoeg om een hele wereld op te roepen en de lezer daar midden in te trekken. ‘Ze mocht het weer slaan van zichzelf. / Ze denkt dat het een hersenschudding heeft.’ Of neem het gedicht ‘De wind steekt op’, dat net als het bekende gedicht van Remco Campert, ‘Iemand stelt de vraag’,  steeds met ‘iemand’ begint. De eerste regel luidt, ‘Iemand zegt: dat een olifant zoals jij uit míj kon komen.’ Maar waar bij Campert het stellen van vragen tot verzet leidt, is daar bij Jansma geen sprake van. 

    Eén gedicht onttrekt zich aan het algemene thema en is zacht en teder, in ‘Kattebel’ is sprake van geluksgevoelens. Ook het eindgedicht spreekt van hoop, ‘wij hebben in alle variaties al samen bestaan, ooit / zijn we er weer, zitten we hier aan precies deze tafel / te lachen, want het heelal is een lichaam dat ademt.’ Een nieuwe kans lijkt, ondanks alle ellende,  hiermee te worden aangeduid voor een niet klein te krijgen mensheid.

    Stem van schuldeloze slachtoffers

    Esther Jansma heeft in deze bundel gedichten samengebracht die op een onnadrukkelijke manier aangrijpend zijn. Ze roept situaties op waarbij geen uitleg nodig is. Ze registreert niet alleen, ze geeft schuldeloze slachtoffers een stem die net zo luid klinkt als die van de schrijnende berichten in de media. Als symbool van alle onderdrukking, marteling en moord, kiest ze niet voor een lam, wat voor de hand zou liggen, maar voor een kalf, wiens huid tot perkament gemaakt is.

    ‘Gebedenboek

     Ik werd van mijn karkas gestroopt, te weken gelegd
     in een snelstromende beek, met ijzer geschraapt,
     op een rek gespannen, met puimsteen en kalk gepolijst,
     op maat gesneden, in elkaar genaaid en vol bezweringen
     gezet tegen ontelbare ondenkbaar ellendige eindes.

     Ik werd voor mijn moordenaars een plattegrond,
     een partituur van hoe men om genade hoort te smeken.
     Zo dwing ik ontzag af voor mijn godsvruchtige slachters.
     Maar ooit was het anders, drukte ik me eenvoudig
     tegen de eeuwige warmte van mijn moeder en sliep.’

    Rennen naar het einde van honger is een tragische titel, want wie zegt dat het einde daarvan bestaat? En of de mensen die deze gedichten bevolken, die eindstreep halen? Jansma geeft ze wat hoop, maar niet veel.

     

     

  • Lezen zonder kompas

    Lezen zonder kompas

    Wiljan van den Akker heeft al enkele dichtbundels op zijn naam staan en schreef samen met Esther Jansma onder het pseudoniem Julian Winter ook een roman. Verdwaald is zijn eerste verhalenbundel. Een eerste vaststelling: dit is een zeer gevarieerd boek. Sommige verhalen bevatten fantastische elementen en doen onder meer denken aan de experimentele verhalen van de Argentijnse Julio Cortázar, andere zijn dan weer iets klassieker, maar in het algemeen lijkt de auteur toch veeleer te kiezen voor dromerige, verre associaties dan rechtlijnige verhalen met een duidelijke plot. Daarbij dreigt natuurlijk wel het risico dat ook de lezer verdwaalt.

    Wiljan van den Akker is professor in de moderne letterkunde en een van die letterkundigen die de literatuur niet alleen onderzoeken en doceren, maar ook zelf bedrijven. Of dat een vruchtbare wisselwerking is, staat niet op voorhand vast. Zo is de Vlaamse letterkundige Paul Claes bijvoorbeeld een gewaardeerd literatuurkenner en vertaler, zijn eigen werk is ongenietbaar omdat het te cerebraal is.

    Geen ontspanningsliteratuur

    Het eerste verhaal, ‘De dodenvisser’, draait onder meer om ene Kueng (‘Niemand haatte hem, niemand hield van hem. Hij bestond gewoon’), een ‘dodenvisser’ die lijken opvist uit de rivier die door zijn Chinese gehucht stroomt, en een vreemdeling die onverwachts verschijnt. Het tweede verhaal, ‘Een levendige handel’, houdt dan weer verband met het eerste: het speelt zich af in dezelfde regio. Het hoofdpersonage, dat op zoek is naar zijn verdwenen dochter, komt daar via een folder in aanraking met ene Wei Gongsun, ook al zo’n ‘dodenvisser’.
    Verbanden zijn er dus wel, maar de puzzelstukjes lijken – met opzet – niet in elkaar te passen en er worden meer vragen gesteld dan opgelost. In die zin is Van den Akker veeleisend voor zijn lezers: zij moeten aan het werk. Dit is geen vrijblijvende ontspanningsliteratuur, zoveel is duidelijk. Daar is niets mis mee, maar wellicht was het beter de bundel te openen met een van de toegankelijkere verhalen, zodat de lezer zich geleidelijk vertrouwd kan maken met de onconventionele verteltechniek van de schrijver.

    Toen boeken nog verboden werden

    ‘Inzake de ovens’ speelt zich af in Roermond in 1901. Het gaat om een brief van een bibliothecaris die verboden boeken van de Index Librorum Prohibitorum moet laten verbranden. Die in 1966 afgeschafte lijst heeft overigens wel degelijk bestaan en werd in katholieke landen gebruikt om te beslissen welke boeken gelovigen al dan niet mochten lezen. De grootschalige boekverbrandingen in speciaal daarvoor bedoelde ovens in dit verhaal en de door besmette boeken overgedragen ziekten zijn fictief, maar dat boeken van de index lang onder de toonbank werden verkocht staat wel degelijk vast:

    ‘Het gaat hier om vunzige winkeltjes in achterafstraatjes waarin dubieus uitziende heren of juffrouwen tronen te midden van de afgodengalerij, die is bezwangerd door een giftige Sodom-atmosfeer. De klanten komen en gaan even geluidloos als de boeken die daar staan. Haastig wordt de catalogus bekeken, snel de keuze gemaakt, besmuikt vijf cent betaald.’

    Zelfde setting ander standpunt

    In het daaropvolgende verhaal, ‘Nieuwe reglementen’, krijgen we opnieuw te maken met een ander personage dat dezelfde setting vanuit zijn standpunt belicht: ene Van Ginniken heeft de taak om de verboden lectuur in de verbrandingsovens te vernietigen, maar komt op een dag in de verleiding om in zo’n verderfelijk boek te bladeren. De schrijver van deze bundel lijkt de lezer erop die manier toe te willen brengen om dezelfde situatie op meerdere manieren te beschouwen, om af te stappen van een eenduidig, monolithisch wereldbeeld en ruimte te maken voor meerduidigheid. Dat is een interessant uitgangspunt, maar in ‘Metamorfosen’, waarin op elkaar aansluitende situaties met uiteenlopende personages in Berlijn, Sydney, Amsterdam, Durban en Londen drijft hij dat procedé wel wat ver. Het verhaal wordt daardoor nodeloos ingewikkeld.

    Ook ‘Het vermoeden’ begint raadselachtig, met de zin ‘Het lag er opeens’. Dat ‘het’ is iets mysterieus, een onbestemde, bezielde levensvorm: ‘Na een dag of tien was het duidelijk dat het daar zou blijven liggen. Uit niets kon worden afgeleid dat het zich ongemakkelijk voelde. Het begon eerder vastberadenheid uit te stralen. Onder invloed van het weer veranderde het voortdurend van kleur. Als de zon erop scheen, begon de buitenkant te iriseren waardoor het een blauwgroenige gloed kreeg. Zodra er een wolk tevoorschijn kwam, verdween de straling en werd het weer gitzwart.’

    Soms lijkt het alsof de auteur de lezers bewust in het duister laat zitten tot hij het kaarsje voor hen aansteekt, maar het licht gaat nooit helemaal aan waardoor de mysterieuze spanning goed stand houdt. Het idee wordt nog verder uitgewerkt in het daaropvolgende ‘Opgelost’, waarin een muziekschool de deuren moet sluiten na een incident met een tot gigantische proporties uitgegroeid ‘iets’: ‘Even dachten we dat het door de wind kwam, maar iets enorms scheurde ze open, vulde de achterwand en schoof naar voren. Onstuitbaar perste het zich naar voren, vulde het podium en veegde de muzikantjes de orkestbak in. Het blurpte over de podiumrand, bedolf de gillende kinderen en bedekte de ene rij toeschouwers na de andere.’

    Geslaagd verhaal

    Het meest geslaagde verhaal is ‘Een mond vol knikkers’. Met veel ironische afstand en zelfspot voert Van den Akker daarin ene David op, een dichter die zich beweegt in de marginale sfeer waartoe de poëzie lijkt te zijn veroordeeld: een wereld van optredens voor anderhalve man en een paardenkop in schimmige achterafzaaltjes waar al sprake is van een groot succes als vrijwilligers na afloop enkele exemplaren kunnen slijten van de oplage van 200 exemplaren op handgeschept papier: ‘Nog even en David zou aan de beurt zijn. Er zou worden geklapt en langzaam zou hij naar de tafel lopen. Zelfverzekerd zou hij een glas volschenken om te laten zien dat zijn handen niet trilden. Vervolgens een beetje in zijn stapel papieren rommelen en zijn bril uit zijn binnenzak halen. Aandachtig bladeren, wenkbrauwen fronsen en een verbaasde glimlach tevoorschijn toveren. Alsof hem zojuist was geopenbaard welke gedichten hij kiezen moest.’ Uit het leven gegrepen, zoals dat heet.

     

  • Lanterfanten

    Lanterfanten

    Het liefst lanterfanter ik mijn dagen door. Beetje bramen en appels plukken, taart bakken, boek lezen aan de keukentafel, jampotjes vullen, pakketje aannemen bij deur, koffie zetten, later een wijntje. Dagen die ik graag afwissel met gewoon een dag in bed, beetje schrijven, boek lezen (dat blijft) en dan komen er gedachten los. Over het nut der schijnbare nutteloosheid deze keer. In het aprilnummer van Het Liegend Konijn wijst Jozef Deleu, de bezorger van, ja, ik kan niet anders zeggen, het meest onvolprezen poëzietijdschrift, ons op het nut van de nutteloze kunsten. Bezigheden die economisch gezien niets opleveren en derhalve nutteloos zijn. Deleu schrijft dat in een tijd waarin alles wordt afgewogen, kunst in de marge van de maatschappij wordt bedreven. Dat dichters (goddank!) er in blijven geloven ‘dat in de orde van de levende wezens de mens de nutteloze dingen, zoals het schrijven van gedichten en het maken van kunst, moet blijven doen.’

    Wie naar kunst kijkt, ziet vaak een vervorming van de werkelijkheid, maar juist die vervorming maakt dat we -bij herhaaldelijk kijken- vastgeroeste beelden loslaten. Wie een gedicht leest, ziet een wereld zoals die nog nooit getoond werd. Waarna je de grote, serieuze realiteit (verlorenheid der dingen, tweespalt tussen culturen, leven en dood) met zachte hand kunt benaderen. Een kunstenaar kent geen vaste contracten of werktijden. Geconditioneerde kunst is een kunstje. Stel je voor dat de kunstenaar een vaste baan aanneemt, in de pas gaat lopen van het rendementsdenken. Waar halen wij, lezers dan onze inspiratie vandaan? Ik ben blij dat Deleu zijn dichters opport tot het schrijven van poëzie (geloof maar dat elke dichter, gearriveerd of beginnend, ervan droomt dat Deleu ook hun nest met dichterlijke schrijfsels aandoet, daar een keuze uitmaakt en opneemt in Het liegend konijn. Voor de eeuwigheid gebundeld, een tijdsbeeld van poëzie.

    Dan, wat mij steeds weer treft, ongelooflijk grof en vernietigend, maar zo schoon beschreven, is dit. De wereld opgetrokken uit poëzie:
    ‘Ik vertrek uit ruïnes, met bloedende voeten zoek ik
    een weg door het puin. Het is even wat stiller, stof
    daalt neer, de scherpschutters zijn aan het bidden,
    daarna eten ze een broodje en duwen grappen en
    grollen brakend een tiener op haar knieen – de boog
    kan niet altijd gespannen blijven, het is nu pauze.’

    Wie bekommert zich om de dichter die weggestopt in een kamertje of bezemhok zijn strofen schrijft. Schrappen en herschrijven tot de dood erop volgt en het de wereld in kan (Pessoa). Wie betaalt de schrijver voor zijn dagelijkse brood, wie betaalt de moeder (ik denk aan Hagar Peeters nieuwe dichtbundel De schrijver is een alleenstaande moeder) die haar kind klaarstoomt voor de wereld? Dat zijn wij natuurlijk, lezers die het lanterfanten tot kunst verheffen en heilig geloven in een soort zelfvoorzienendheid van het leven. Poëzie, dat is opium voor de ziel. En het kost niet veel.

     

    Gedicht fragment van Hier en daar van Esther Jansma, opgenomen in: Het liegend konijn 2019/1.


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

     

  • Boekverminking

    Boekverminking

    Twee dichtbundels leven al zo lang in mijn tas dat ik soms maandenlang vergeet om erin te kijken. Een grote rust, heet de ene, en de tweede Bijna onzichtbaar. Misschien is het door die titel dat het is misgegaan met de tweede.
    Omdat een boek een drager is van iets anders, namelijk zijn inhoud, vond ik altijd dat het boek zelf er niet zo veel toe deed. Het hoefde niet als een kostbaar object te worden behandeld, behalve als ik het van iemand had geleend. Boeken die ik had geleend nam ik daarom nooit mee in mijn rugtas, want wie wist wat er dan mee kon gebeuren. De boeken die ik wel altijd in mijn tas heb zitten, kunnen ervan getuigen. De zijkanten zijn zwart gevlekt van houtskool, aan de randen van de pagina’s zitten beschimmeldesinaasappelvlekken, waterschade golft over de pagina’s. Ik vergaf het mezelf. Ik vond het wel karakteristiek, boeken waaraan je kon zien dat ze hadden geleefd, of dat de eigenaar ervan dat had gedaan.

    Maar er is een grens aan boekverminking, en deze week ontdekte ik dat ik die grens had bereikt. Ik zat sinds lange tijd weer eens in de trein met niets om handen, en ik dacht aan Bijna onzichtbaar, een prachtige bundel met korte prozagedichten, geschreven door Mark Strand, met vertalingen erbij van Wiljan van den Akker en Esther Jansma. Diep onderin mijn tas lag hij op me te wachten. Toen ik hem tevoorschijn haalde schrok ik. De kaft zag er gehavend uit, vol kleine putjes en vlekken, en aan de onderrand en bovenrand was het papier opgekruld op een manier die me deed denken aan een verbrand stuk huid. Dat arme boekje, dacht ik. Wat heb ik het aangedaan?

    Ik sloeg het boek open bij mijn favoriete gedicht, ‘The enigma of the infinitesimal’, over wezens die op zoek zijn naar de grens tussen alles en niets, gedoemd door hun verlangen om het onmogelijke te ervaren. De bruine vochtvlekken in de hoeken van de pagina kwamen niet in de buurt van de tekst, het was allemaal nog goed te lezen. En toch deed het me pijn om de pagina met mijn lievelingsgedicht zo te zien. Misschien was het anders geweest als iemand er per ongeluk thee op had laten vallen, als er een duidelijke gebeurtenis was geweest waardoor die vlekken er gekomen waren. Maar nu het kwam doordat het boekje zo lang onderin mijn tas had gezeten zonder dat ik erop gelet had of het nog goed met hem ging, kreeg ik spijt. Sorry, boek, zei ik in gedachten. Sorry. Ik zal voortaan beter voor je zorgen.
    Het was te laat. Ik bladerde verder en las het gedicht ‘There was nothing to be done’, waarin er overal verdriet is. The whole world wept, zei het boek. And the weeping went round and round and could not stop.

     


    Gerda Blees debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april 2018 debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

     

  • Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

    Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

    In een half jaar tijd meer dan honderdtachtig gedichten vergaren voor publicatie in een nieuwe editie van Het Liegend Konijnga er maar aan staan. Jozef Deleu, hoofdredacteur van dit tweejaarlijkse poëzieboek doet dit al vijftien jaar lang, elk half jaar. Speuren naar – en proeven van pril afgescheiden dichtwerk waarbij telkens weer een soort afweging wordt gemaakt die – niet te achterhalen hoe – maar in alle gevallen wel raak geschoten is. Een keuze waarbij – zoals Deleu zegt in een fijn interview met Jeroen van Kan in poëzieblad Awater – hij zich niet laat binden door poëtica: ‘Als je vervuld bent van een eigen gelijk, van een eens en voorgoed vastgesteld poëtica, dan is er eigenlijk geen gesprek meer mogelijk.’

    Goede keuze
    De ramen moeten open bij Deleu en laat al lezende binnen wat er binnenkomt. Dat is ook precies wat je telkens weer ervaart bij een nieuwe editie van Liegend konijn; een keuze van gedichten waar geen dwang naar vormgeving, gedachtegoed of wat dan ook achter zit. Toch is er geen willekeur in het spel. In het interview in Awater – als tijdschrift een must voor poëzielezers – vertelt Deleu dat er nogal wat dichters zijn die hem niet persoonlijk liggen maar dat het belangrijk is om voorbij te gaan aan je eigen smaak; ligt een dichter je niet, dan wil dat niet zeggen dat hun gedichten niets voorstellen. En dat is merkbaar, de poëzie in Het Liegend Konijn is immer goed gekozen en poëzie waarbij de smaken uiteenlopend zijn.

    In een redactioneel voorwoord laat Deleu weten dat het poëzietijdschrift in deze tijd waarlijk ‘een daad van verzet is tegen de onverschilligheid en het gebrek aan visie van de politieke overheden (…). En ja, gezien de beeldende, betoverende en experimentele bijdragen in deze editie en alle voorgaande edities, mag de politiek zich schamen dat ze geen aandacht besteedt aan deze vorm van cultuur waarin –  volgens Deleu – dichters als archeologen beschouwd kunnen worden, ‘die zoeken naar de gelaagde en meerzinnige betekenis van de woorden’.

    De plaatsing van de gedichten gebeurt enkel op alfabetische naamvolgorde en wordt niet door thema of redactioneel oordeel beïnvloed. Ook het aantal gedichten per dichter verschilt nogal en lijkt enkel en alleen van de goedkeuring van Deleu afhankelijk  te zijn. Een staalkaart van poëzie waaraan de kunst van het heersende dichterschap kan worden afgelezen. Zoals Frank Keizer (1987) in zijn  – uit dertien afdelingen bestaande – gedicht; ‘Zorg en macht’: ‘er is niet zoiets als een samenleving / alleen buren, familie / en individuen / maar ik heb gevoelens / in die samenleving / en ik ben alleen

    Tijdsbeeld en verscheidenheid
    Liegend konijn
    geeft onderhand een tijdsbeeld weer van de Nederlandstalige poëzie van de laatste anderhalve decennia. Fijn is het dat naast frisse poëten ook bekende dichters als nieuw naar voren komen met hun werk. Zoals Willem Zadelhof met een serie kleine gedichten over de ‘hysterische liefde’ ‘ach met liefde heeft het niet eens zoveel te maken’. En die enkele dichter met één gedicht: K. Michel (1958): ‘Onder bankiers (in de City)’ (…) jaag de groei ademloos door roeien en ruiten en Piet Gerbrandy met zeven slagen in het donker. Daar tegenover staan er van Tijl Nuyts (1993) een reeks van tien (prachtige) gedichten in onder de titel: ‘Toerist’.

    Of Kira Wuck met drie gedichten waarvan ‘Bezwering’ de boel loszingt:  ‘Als de stewardes zegt dat we eerst onszelf moeten redden voordat we anderen / lacht een man, zijn ruwe huid barst open’
    Deze strofe brengt je direct in dat vliegtuig en hoor je de stewardess uitleggen hoe te overleven bij een ramp. Die man die lachend openbarst, hoe bevrijdend maar ook hoe schurend (door het woordje ‘ruwe’) dat werkt. De neiging herken je, op zo’n moment van eensluidende braafheid van burgers die in eenzelfde schuitje zitten. Verderop zegt de stewardess dan ook: ‘het gaat zelden mis (…) / maar als er wat gebeurt, komen we er zelden goed van af / dus vergeet wat ik allemaal gezegd heb’. Wat van zo’n heerlijke openheid is dat je direct inziet hoe we onszelf voor de gek houden met al die veiligheidsvoorschriften.

    Grasduinen
    Ach, en alleen al de titels te lezen in de inhoudsopgave doet de dichter in je door de knieën gaan: ‘Het trillen van veengras / Jij en ik / ze zeggen / Kattebel / Duizeling (Oostende)/ Wat jou minder vrolijk maakt / Ik dacht jij was / kan je de tijd wat zachter zetten / De ratten van de oude wereld 1.2.3. / Gebedenboek / Een krap schilderij / Zalmkanonnen oestermeisjes / Een vos lag vuil / De kunst van het prutsen / Merels ten spijt / Insomnia ‘

    Grasduinend door deze editie wordt hier en daar een strofe geproefd als waren het kleine snacks: ‘Je besluit ook de vorm van halve giraffe op te geven’ (Esther Jansma) en ‘De angst zit veilig op dubbelslot’ (Max Greyson). En met grotere trek  de gedichten van onder meer Elvis Peeters (1957) ‘Een man’ in vier genummerde coupletten: 1 Het is moeilijk goed te doen. Dat is / de wijsheid die hij bedoelt. / (…) / Kijk, hij is getrouwd, dan zie je alles met andere ogen. / Liefde maakt blind / Het huwelijk maakt scheel.

    Een editie om hardop uit voor te dragen om vrouw en vriend te behagen. En dan bekoort vooral Ik heb de tuinman ontmoet van Nafiss Nia (1968). Waarbij de ’tuinman’ uit ‘De tuinman en de dood’ van Van Eyck, komt. En van Laurinne Verweijen (1981) – die nog geen bundel heeft gepubliceerd en er met vijf gedichten in staat, onder meer deze: “Hoe we rondjes lopen, draaiend om elkaar’ die uit acht  afdelingen bestaat: 2 Het is met je vingers teruglopen langs het hek / van de dierentuin. Voor het eerst / in een andere stad, / toetreden tot een taal die je nooit / met elkaar gesproken hebt. – zou binnenkort wel eens een bundel van kunnen verschijnen.

     

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Waar houdt de werkelijkheid op en begint fictie? Wie kan ‘ik’ allemaal zijn? Waarmee voeden wij onze verbeelding ? Hoe horig is het ‘lyrisch ik’ aan zijn schepper? Dit soort vragen lagen ten grondslag aan een viertal lezingen die dichteres Esther Jansma (1958) heeft gehouden in Berkeley en als gastschrijver aan de Rijksuniversiteit Groningen. Deze lezingen zijn onlangs tot vier publicabele essays bewerkt en gebundeld in Mag ik Orpheus zijn?

    Het eerste stuk J is voor Janus, v is voor vis is exact wat de ondertitel ervan beweert: ‘een alfabet van invloeden’ in de wijdste zin. Zo lezen we bijvoorbeeld bij de letter H: ‘H is ook voor heel, zoals in heel, heel, heel, heel, veel. Als dichter vind ik: schrap dat heel, heel, heel en je hebt het begin van iets, een stemming, een ritme, iets was uiteindelijk een regel poëzie kan worden. Als mens zeg ik: Heel, heel, heel veel is niet genoeg. Mag ik meer, alsjeblieft?’

    We lezen ook dat Italo Calvino Esther Jansma tot het inzicht bracht ‘dat lichtheid niet een teken is van oppervlakkigheid, maar dat het een essentie is van het bestaan’. De toon van Jansma in deze bundel is ook licht, al voel je de zwaarte eronder soms gloeien. Jansma legt ook uit waarom ze schrijft: ‘Ik schrijf omdat de werkelijkheid onverschillig is en ik niet graag in een onverschillige werkelijkheid leef. Ik wil me met de wereld verbonden voelen. Dus ik beschrijf hem, bij wijze van remedie. En steeds is de wereld persoonlijker en zinvoller, treuriger, gelukkiger, grappiger, bozer, muzikaler dan hij vóór mijn beschrijving was.’
    De Z staat, zeer geruststellend, ‘voor slapen, voor een pauze inlassen, op je rug liggen en zinken in het niets, dingen niet weten en dat eindelijk ook mogen van jezelf. [cursivering AH]’ Een bladzijde daarvoor heeft ze al gezegd: ‘Als ik aan vissen denk, denk ik aan ruimtevaart. Aan het feit dat ik de wereld niet begrijp. Niet begrijpen is de brandstof voor het schrijven van poëzie’. Het heeft er de schijn van dat Jansma iets in zichzelf heeft te overwinnen om in een voor poëzie bevattelijke staat te geraken. De drang om te willen weten moet een halt worden toegeroepen. Beredeneerd schrijven over hoe poëzie tot stand komt, heeft daarom meestal iets onbevredigends. Het bijt zich al gauw in de eigen staart.

    Het tweede essay Dagboek of kunstwerk; het van taal gemaakte ik, wil een pleidooi zijn voor de creativiteit van de verbeelding die dwarsverbanden legt tussen allerlei lagen van tijd, gebeurtenissen en personages. De beste tekst van de bundel, opgeluisterd met mooie, beeldende passages: ‘zoals hij vertelde over oude mensen die hun leven lang sparen voor doodsgewaden van kant en met parels alsof ze de dood zullen trouwen zodat ze tenminste één keer in hun leven zo mooi en rijk zullen zijn als hun dromen waarin alles weer goed komt.’ Proza waarin de verbeelding aan zet is. ‘Ik lag op de zaal waar oude dames stierven. Terwijl ze dat deden, leerden ze mij dat ik paars en rood nooit naast elkaar mocht borduren. ‘Die kleuren vloeken’, zeiden ze. En ik maar luisteren naar mijn handwerk.’ Jansma op haar best.

    Hier en daar stuit je op poëticale passages. De treffendste vond ik deze, die volgt op de stelling dat fictie en werkelijkheid inwisselbaar zijn voor wat betreft hun waarheidsgehalte: ‘Ik klei met de aanslibsels van mijn eigen bestaan. Zo gebruik ik de taal waarin ik heb leren denken: een prachtige taal uit een klein taalgebied. Zo gebruik ik mijn jeugd, dat miasma waaruit ik maar geen wijs kan worden, waarin ik maar hoef te hengelen en ik vis iets op wat voor mij fictie is. Zo gebruik ik gaten waarin ik later ben gevallen en waarover ik hier verder zwijg omdat ze niets meer zijn dan bijvoorbeeld een kindje dragen door een vreemde gang, de blik die het wierp, die laatste gang en dat was het.’ Maar het mooiste vond ik in een schitterend terzijde, waartoe Jansma zich laat verleiden terwijl ze een over de telefoon babbelende stem aanhoort die het erover heeft ‘dat de mens de dood met de tijd een plekje geeft’: ‘Bij zo’n ‘plekje’ zie ik een damesblad voor me met daarin knusse tekeningen van koolmeesjes en koorden met pinda’s. De eigenaresse van het blad komt uit de tuin gelopen, trekt bij de keukendeur haar door het tuinieren modderig geworden laarzen uit, kijkt tevreden over haar schouder naar het ‘plekje’, in dit geval een herfststuk van met ijzerdraad bij elkaar gehouden takken, paddenstoelen en noten, hieraan kunnen de buren zien dat zij met liefdevolle vrouwenhand de omgeving verzorgt en ook goed is voor de dieren, en gaat naar binnen. Ze zet thee en begint de voorbereidingen voor een dure, zeer langdurige bouillon.’ Vooral die laatste zin deed het ’m. Als Jansma even niet haar punt hoeft te scoren of de behoefte voelt een terugkoppeling te maken naar hoe het met haar gedichten zit, is ze mij het liefst. Haar beeldende schrijfstijl is al voldoende bewijs, legt al genoeg van het wezen der verbeelding bloot. Maar wanneer er dan de explicatie volgt: ‘En juist daar zit een kern van mijn dichterschap. Ik cirkel om onderwerpen die in essentie psychologisch zijn’ is het alsof een komiek uitlegt waarom hij zo grappig is. Show, don’t tell! Daarbij komt dat ik diep in mijn hart van mening ben dat een dichter, kunstenaar of wat dan ook beter niet over eigen werk kan uitweiden. Die heerlijk relativerende houding van Gerard Reve, al dan niet gemeend, dat ‘het allemaal kunst en dus flauwekul’ is, komt mij dan opeens zoveel voornamer voor.

    Het derde opstel Lenen en stelen; de gouden greep uit andermans gedichten behandelt het ‘eten’ van andermans gedichten en de spijsvertering ervan. De dichter waarvan zij veel gesnoept heeft, is de Amerikaanse dichter Mark Strand, uit wiens gedichten Esther Jansma en Wiljan van den Akker de vertaalde bloemlezing Gedichten eten samenstelden. In dit stuk legt ze uit hoe het leentjebuur spelen bij collega-dichters in zijn werk gaat. Het is aan de zich toeëigende dichter om andermans vruchten aan te lengen met eigen gedachten, ‘full-colour dromen’ om ze vervolgens in te passen in het eigen werk. Waar de grens tussen fictie en werkelijkheid, tussen gelezen passages en beleefde ervaringen in wezen niet getrokken kan worden, kan Jansma dit stuk met recht besluiten met de stelling: ‘De werkelijkheid is een bomvolle ruif’.

    In dit boekje bepleit Jansma dat ze in werkelijkheid iedereen had kunnen zijn, en daarom in fictie iedereen mag zijn. Maar de literaire critici zouden haar het liefst willen vastpinnen op dat ene ik, waarvan bekend is dat die archeologe is en een moeder die ook nog eens twee kinderen verloor, om daarmee doof te blijven voor al die andere ‘ikken’ die Jansma graag het woord wil lenen. Het laatste essay, dat de titel van de bundel draagt, en ‘over de grenzen en de douaniers van de taal’ gaat, stelt deze problematiek centraal. De felle toon, hier en daar gekruid met onvervalst sarcasme, laat zien dat deze kwestie Jansma hoog zit. Het deed mij echter minder dan de andere drie stukken. Het is ook niet geheel vrij van academische haarkloverij. Voor de studenten, voor wie het in eerste instantie geschreven is, biedt het natuurlijk aardige aanknopingspunten om verschillende stijlen van tekstinterpretatie aan de orde te stellen.

    Jansma claimt het recht dat recensenten haar werk dienen te beoordelen naar wat de tekst ervan zelf prijsgeeft, zonder er buitentekstuele feitjes bij te slepen om hun interpretatie kloppend te maken met hun vooroordelen. Een puur formalistische benadering van de tekst als autonoom en esthetisch product (zo eentje die in de jaren ’60 door het tijdschrift Merlijn van Oversteegen en Fens werd voorgestaan en die op de Nederlandse universiteiten de term ‘close reading’ tot een begrip maakte) , zouden haar gedichten meer recht doen dan de biografische behandeling waaraan ze dikwijls in recensies worden bloot gesteld. Zinnetjes als ‘ik ben wat ik opschrijf. En nee, ik ben het niet en nooit geweest.’ en ‘Ik schrijf als ik daar zin in heb over mij vreemde emoties’ zijn te lezen als waarschuwingen aan de beroepslezers om de ‘ik’ in de gedichten in Jansma’s gedichten nu eens niet gelijk te stellen met een vrouwelijk ik, dat ook nog eens moeder, archeologe enz. is. Want vaak genoeg is Jansma gewoon eventjes de ‘buurman met zijn bloemkooloor’ geworden. Een naam die in dit kader opvallend genoeg niet valt, is die van T.S. Eliot. Als geen ander bepleitte deze Amerikaanse dichter een vlucht uit de persoonlijkheid. Hij gaf zich er reeds in 1919 in Tradition and the Individual Talent rekenschap van dat de dichter de ‘emoties die hij nooit heeft ondergaan evenzeer zal gebruiken als de emoties waarmee hij vertrouwd is’.

    Hoe het ook zij, de zuiver tekstgerichte literatuurkritiek mag binnen de muren van de academische wereld haar zegenrijke werking hebben gedaan, daarbuiten gaat men zich tot op de dag van vandaag zonder gêne te buiten aan allerlei vormen van biografisme. Zo kan er tegenwoordig geen schrijversbiografie verschijnen of deze wordt beoordeeld naar de mate waarin de biograaf erin geslaagd is nieuw licht te laten schijnen op de relatie leven/werk van de betreffende schrijver. Hartstikke zondig natuurlijk, maar ja, wat doe je eraan? Het beste weerwoord tegen stompzinnige kritiek is en blijft een gedicht waarin je de beroepslezers te kijk zet. Dat deed Jansma dan ook met haar gedicht De omwentelaar. Punt voor Jansma, zou je denken. Maar zo makkelijk gunt Jansma zich de overwinning niet. Zij spiegelt haar succes vervolgens weer aan het commentaar op dat gedicht van de heren critici, die zich natuurlijk opnieuw bezondigen aan de identificatie van het ‘lyrisch ik’ met de persoon Esther Jansma. En daarmee mag het literaire steekspel zich weer herhalen. Ook als bewonderaars haar prijzen als ‘de vrouw die haar leven zo prachtig poëtisch verwerkt’ schiet dat compliment bij Jansma in het verkeerde keelgat. Want het is ‘haar leven’ helemaal niet! Menig dichter in Nederland zou wensen dat hij Jansma’s problemen had. Misschien is Jansma bij de letter P in het alfabet van invloeden ‘perfectionisme’ vergeten te noemen?
    Aan het eind gekomen stelt Jansma zich de vraag of het ‘lyrisch ik’ dat zij opvoert Orpheus mag zijn? Nee, dat is haar niet toegestaan, stelt ze resoluut. Maar daarmee gaat Jansma natuurlijk niet akkoord. ‘Want ik mag iedereen zijn. Niet de grensbewakers van de taal bepalen wat ik schrijf, maar dit veelstemmige ik van mijn eigen mij, dat zelf de pen vasthoudt en aanstuurt.’ De zaak voorleggen aan de Rijmende Rechter? Niet echt nodig. Jansma heeft natuurlijk wel gelijk, maar wanneer men bedenkt dat diezelfde Eliot kon menen dat ‘poetry can communicate before it is understood’ is mijn advies: laat je niet teveel aan slordige interpretaties gelegen liggen. Het enige dat er toe doet is de kracht van eigen scheppend werk. Zolang men Jansma het dichten niet verbiedt kan zij haar gelijk botvieren. Maar dan het liefst wel een in gedichten gegoten gelijk.

    Mag ik Orpheus zijn?
    Essays

    Auteur: Esther Jansma
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    90 pagina’s
    Prijs: € 17,95