• Hanteerbare grote gevoelens

    Hanteerbare grote gevoelens

    Ester Naomi Perquin laat in deze vijfde bundel zien hoe sterk haar dichterschap zich heeft weten te handhaven sinds het verschijnen van haar debuutbundel in 2007. Want ook Ongevraagd advies is weer een ijzersterke verzameling van gedichten over de meest uiteenlopende onderwerpen, maar altijd vol verrassingen en originele beelden. Perquin schrijft over alledaagse dingen, maar bekijkt die net vanuit een ander oogpunt dan de meeste mensen doen.

    Verwondering ligt aan de basis van haar observaties, maar niet de verwondering over waar mensen toe in staat zijn, want dat wist ze allang. Dingen die ze geleerd heeft ‘in de loop van de jaren’ somt ze op in het allereerste gedicht, dat geen titel heeft meegekregen: ‘het verschil tussen verwond en verwonderd’ en het mooie ‘de kleefkracht van gedachten’, maar aan het eind van het gedicht blijkt er nog genoeg te vragen over. En aan het eind van je leven weet je nog niets, zekerheid bestaat niet. Er is alleen een ‘Zekerheid waarvan je levenslang onzeker bent.’
    Veel gedichten gaan over tegenstellingen, tussen arm en rijk bijvoorbeeld, maar ook tussen de manieren waarop mensen hun leven inrichten. Iedereen is anders, leeft anders en denkt dat zijn manier van leven de enige juiste is. In het gedicht ‘Hoogste tijd’ staat:

    Mensen die fout zitten, liever geen mening hebben,
    die twijfelen of absoluut gelijk gaan krijgen;
    laat ze allemaal, in hemelsnaam,
    lang en hoorbaar zwijgen.

    Eigen waarheid

    Daarom is de titel Ongevraagd advies zo mooi gekozen: iedereen die zijn eigen waarheid voor de werkelijkheid houdt, wil een ander daarvan overtuigen. Ook de dichter zelf bezondigt zich daaraan: Perquin was Dichter des Vaderlands van 2017 tot 2019 en veel van haar gedichten die ze in die functie geschreven heeft, bevatten een mening ten aanzien van een politiek gebeuren. Haar gedicht ‘Ongevraagd advies’ schreef ze in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017 en het is ook in deze bundel opgenomen, met de bekende laatste strofe: ‘Maar geef één stem weg. Nooit de macht.’
    De grootste ongevraagde raadgever is echter de moeder:

    Zoals ze in je praat en dingen vindt,
    dwars door je eigen woorden klinkt, vaak ongevraagd,
    doe je haar nou wat opzij, je hebt toch ogen, waarom
    moet dat nou zo open, die mouwen staan
    je raar en doe een das om als het waait.

    Dit gedicht schreef Perquin voor de Boekenweek van 2019, die als thema ‘De moeder de vrouw’ had. Toch hoop je dat het gedicht ‘Gebed voor een arts’ ook over de moeder gaat: ‘Er zijn nog heel veel mensen over. De meeste hebben/ wij niet nodig. De meeste kunnen wij best missen,/ maar niet deze, dokter. Deze niet.’

    Geweld en barmhartigheid

    De dood komt regelmatig om de hoek kijken in de gedichten. Geweld is nooit ver weg, maar pas als het dichtbij komt, krijgt het een gezicht. Er wordt een beer doodgeschoten, de visboer ‘heft zijn mes’ in het schitterende gedicht ‘Ochtend’, er is een ontmoeting met de dood in de tram, waar hij zich verstopt heeft in alle passagiers en er is een moordenaar, die een petje met Mickey Mouse erop opraapt van de grond en goed zichtbaar over een hek hangt: ‘Dit is vindbaar, denkt hij. Dit is vindbaar./ Vandaag heb ik iets goed gedaan.’ En er is het gedicht ‘Verwijt’, waarvan de eerste strofe luidt:

    Dat je dood bent wil ik wel geloven, maar geen
    verjaardagskaart of telefoontje als ik ben verhuisd
    -geen poging tot contact- vind ik
    getuigen van slecht ouderschap.

    Perquin schrijft met mededogen en barmhartigheid over mensen die moeite hebben met het leven, de buitenbeentjes. Ze merkt een omslag in kleinigheden en alledaagsheden op die een ander misschien zouden ontgaan. De moordenaar was er al een voorbeeld van, maar ze beschrijft ook een vrouw die een bord voor haar raam zet met de namen van mensen die ze dood wil maken. In een prachtig gedicht, ‘Gebed voor een engerd’, vertelt ze over een bejaarde potloodventer, die geen vrouw meer angst kan aanjagen nu hij oud en vervallen is, maar die nog steeds ‘De hunkering naar korte rokken, blote schouders, zomerbries’ kent: ‘[…] Ach God,/ als dit uw schepping is; bescherm zijn broze ziel.’ Perquin kijkt naar de ons omringende wereld, verwondert zich, maar velt geen oordeel over wat afwijkt. 

    De vier afdelingen van de bundel dragen titels die uit de gedichten geciteerd zijn: Zet geen misdrijf voor je raam, Praat niet als het om vertragen gaat, Geloof alleen nog woorden, Loop in de schemering naar huis. In de derde afdeling gaat het naar verwachting over woorden, taal en dichterschap. In het gedicht ‘Verzamelde definities van poëzie’ komt ze tot de conclusie dat poëzie uiteindelijk niet in een definitie te vatten is. Slechts een gedeelte van wat poëzie is, is zichtbaar, maar de rest moeten we zelf invullen. Perquin vergelijkt het heel mooi met een kat:

    Dat het een kat is, moeiteloos bewegend door een stad
    waar niemand woont, door wijdvertakte, leeggelopen
    straten en dan zijn kop niet eens maar vaak zijn staart,
    waar je nog een punt van ziet vlak
    voor hij de hoek om slaat.

    Humor

    Over haar eigen dichterschap vertelt ze in het gedicht ‘Een kamer’, waarin de werkelijkheid botst op de poëzie en het dagelijkse leven haar vaak verhindert om daadwerkelijk haar dichter-zijn te ontplooien. Humor en wanhoop komen samen als ‘de vuile was op metaforen’ ligt en ‘nu ik lego zoek en veters strik’ ‘het belang van één gevonden woord volstrekt lachwekkend is’. Ze besluit het gedicht met de veelzeggende versregel ‘[…] raap je sokken van mijn ziel.’ De humor valt ook af te lezen aan het gedicht ‘Tellen’:

    D. kijkt graag vogels, ik mag mee. Kijk, zeg ik,
    een bonte ekster. Nou, zegt D.,
    dat is een Vlaamse gaai.

    En daar, bij de waterkant, zit een jonge
    wintertaling. Nou nee, zegt D.
    Dat is een smient.

    Verrijkend is het, vogelkijken. We zijn pas
    net begonnen en we hebben er
    al vier gezien. 

    Perquin is niet alleen goed in haar beeldspraak, ze weet ook haar enjambementen treffend aan te brengen, zodat ze een dubbele betekenis geven aan de afgebroken versregels. Haar taal is ritmisch, soepel en toegankelijk. Geen grote woorden, wel grote gevoelens, maar die worden zodanig verpakt dat ze hanteerbaar zijn en voor iedereen herkenbaar. De vele lagen en de dubbele bodems die ze in haar gedichten aanbrengt maken haar poëzie tot een genot om te lezen en te herlezen voor zowel beginnende poëzieliefhebbers als voor degenen die hoge eisen stellen aan poëzie. Ongevraagd advies, als het van Ester Naomi Perquin komt kun je het onmogelijk naast je neerleggen.

     

  • Dichter des Vaderlands 2019 – 2021 – Poëzie is het begin van een gesprek

    Dichter des Vaderlands 2019 – 2021 – Poëzie is het begin van een gesprek

    Tsead Bruinja (1974) wordt vanavond in de Balie in Amsterdam officieel benoemd tot Dichter des Vaderlands en volgt hiermee Ester Naomi Perquin op, die de afgelopen twee jaar deze functie vervulde. Tien jaar geleden, toen de Dichter des Vaderlands nog publiekelijk gekozen werd, deed Bruinja al een gooi om als eerste dit ambt te bekleden. Toen koos het publiek met 3000 stemmen voor Gerrit Komrij (1944-2012). Komrij vervulde deze functie tot 2004.

    Als Dichter des Vaderlands zal Tsead Bruinja de komende twee jaar de vinger aan de pols van de Nederlandse samenleving houden en optreden als ambassadeur van de poëzie. Een Dichter des Vaderlands is niet verplicht iets te schrijven, al moet er wel zes keer per jaar een gedicht van zijn/haar hand verschijnen. Die dan vervolgens worden gepubliceerd in de NRC.

    Tsead Bruinja (1974) is een in Friesland geboren en in Amsterdam wonende dichter. Hij publiceert in het Fries en Nederlands, of tweetalig, zoals zijn laatste bundel: Hingje net alle klean op deselde kapstôk / Hang niet alle kleren aan dezelfde kapstok (2018).

    In zijn eerste interview na de bekendmaking van zijn op handen zijnde benoeming in de NRC liet Bruinja weten dat hij de menselijke kant van een zaak wil belichten, de nuance wil zoeken. ‘Maar’, zegt hij in datzelfde interview: ’ik moet ook ruimte hebben om boos te zijn – en dan misschien ongelijk te krijgen. … dat is óók een stem in de samenleving. De publieke ruimte is een ontmoetingsplaats van uiteenlopende, uitgesproken meningen.’

    Volgens de benoemingscommissie is Bruinja ‘een dichter die in eerlijke, eenvoudige woorden zowel gevoelig als scherp kan zijn, die een inval of anekdote tot gedicht kan verheffen en rauwheid en lyriek afwisselt’. Daarbij is Bruinja ‘een bevlogen ambassadeur voor de poëzie in de breedste zin: als bloemlezer, performer op podia en in de media, organisator van evenementen en aanjager van kruisbestuivingen met andere kunstvormen. Hij beweegt in zijn vaak geëngageerde dichterschap moeiteloos tussen binnenwereld en buitenwijk – en waar het wel moeite kost, levert dat spannende poëzie op.’

    En dat is waar dit ambt, sinds de benoeming van Ramsey Nasr, om vraagt: maatschappelijk geëngageerd zijn om de vele lagen van een volk te kunnen benaderen. Dat is Tsead Bruinja wel toevertrouwd.
    De dichter was amper benoemd of schreef al een gedicht voor het volk en …, nee, niet vaderland. Hierbij:

     

    voor volk en moederland

    nederland je gaf mij een dubbele tong
    en vruchtbare grond waar ik tuintegels overheen leg
    ik zwoer dat ik de hark en spade in de schuur zou laten
    maar nu zie ik overal onkruid
    straks moet ik nog ondergronds
    om het met wortel en tak uit te roeien

    nederland ik ben niet tegen je gepolder bestand
    je heupen zouden alles kunnen oplossen
    maar ze zitten op slot

    nederland so what als de grond verzakt onder onze voeten
    ik balanceer al jaren tussen hier en de overkant
    en zie ze daar niet veel anders doen
    er is ruimte op de dansvloer
    en zijn manden van beschaving
    waar we samen doorheen kunnen vallen

    liefste bankiereklier mijn o vosselijn pass me die kruiwagen aub
    er is een schuldberg die we moeten voeden
    ik spuug in mijn handen en duw hem
    in het zweet jouws aanschijns een mestvaalt op
    en bedel gedwee om een hypotheek

    nederland je gaf ons en de wereld waterwerken
    baggeraars bruggen en bordeeleigenaren die bonnetjes schrijven
    waarop ze hun onderneming een brasserie noemen
    je bent mijn brea bûter en griene tsiis
    my favourite slippery motherfucker ben je
    en dat pakken ze ons nooit meer af

    nederland ik ga van je vaderland een moederland maken
    op de operatietafel met jou en je grote paddenstoel

    het mes erin                   we gaan ruimte maken

    ik zeg katsjing tegen je kassa nederland
    samen laten wij ons de nagelkaas mooi niet van het brood eten
    ik ga je een grote dienst bewijzen door te slapen met een ander
    misschien moet leeuwarden je hoofdstad blijven en ga ik vlaanderen bezetten
    dat vuurtje tussen ons gaat anders in een klap uit

    nederland sluit je bordelen en maak je liefde gratis
    pleur een paar bruggen over die middellandse zee en breid je helpdesk uit
    ik wil de mensen wel te woord staan

    nederland waarom kijk je zo sip
    als ik je achterlijke zelfbeeld niet omarm
    niemand wil een misogyne homofobe racist genoemd worden
    waarom wil jij dat dan zo graag zijn?

    nederland ik wil nooit je ex zijn
    misschien word ik ooit je bruid

     

    De benoemingscommissie bestond uit Arie Boomsma (bloemlezer en presentator), Radna Fabias (dichter), Eva Gerlach (dichter), Menno Hartman (Poëzieclub), Marije Koens (organisator poëzie-evenementen), Feline Steekstra (Poetry International) en Thomas de Veen (NRC).

     

    ‘Poëzie is het begin van een gesprek’ (uit: Nooit meer slapen Radio 1)
    Kijk op Dichter des Vaderlands voor verschillende (radio) interviews met Tsead Bruinja.

     

  • Innemende dichters en meeslepende entr’acts

    De Nacht van de Poëzie, een evenement dat altijd op zichzelf stond, maakt dit jaar voor het eerst onderdeel uit van het International Literature Festival Utrecht (ILFU) en was een feestelijke afsluiter van het veertiendaagse festival. Gepresenteerd door het dichterlijke duo Ester Naomi Perquin en Piet Piryns, waarvan de laatste zijn 30ste Nacht presenteerde wat en passant gevierd werd.

    Waar blijft de tijd

    De Nacht wordt traditiegetrouw geopend door een ‘jonge’ dichter die het voorgaande jaar de Nacht heeft afgesloten. Deze 36e Nacht beet Vicky Francken het spits af met: ‘Liefde is een zwaar beroep, [naar Rogi Wieg] maar ook het dichterschap, want ze sterven te vroeg.’ Waarop ze de dit jaar overleden Menno Wigman – die haar dichterschap voor een deel bepaalde – toedicht: ‘Ik lees je / en ik hoor je / en ik weet dat / je nog leeft.’

    Tussen de optredens door worden op drie schermen opnames vertoond van Nachten van weleer. In zwart/wit beelden komen voorbij: Een jonge Campert met een even jonge Van Kooten, Hugo Claus met Hans van Mierlo, een piepjonge Ingmar Heytze, Vaandrager, Johnny van Doorn, Fritzi Harmsen van Beek, Gerrit Kouwenaar, H.C. ten Berge, Ischa Meijer, Adriaan Morriën, Annie M.G. Schmidt, en je denkt, waar blijft de tijd?

    Er zijn dichters die het niet alleen van lezers maar ook van luisteraars moeten hebben, zoals Delphine Lecompte. In de wandelgangen klinkt dat haar gedichten bij voordracht ‘waanzinnig beter’ overkomen. Zichtbaar gespannen brengt ze haar voordracht tot een daverend einde. Deze Belgische dichteres die strofen leest als: ‘bevangen door smog en weemoed’; ‘Een man verleidt mij met een woordspeling’; en bij wie iemand ‘klinkt als een gewonde reiger’, heeft een grote charme.

    Presentatie

    Arno Van Vlierberghe komt op in zwart hemd waaruit schouders en armen wit afsteken. Met sterke zinnen als – ‘de kunst van het risicoloos denken’; ‘doel dit gedicht is om alle anderen te onttronen’; ‘mooie holle woorden waar iedereen van houdt’ – schudt hij het moreel besef van het publiek flink op. Voor even lijkt hij verbonden met Rogi Wieg, waarvan deze Nacht een beeld voorbij kwam waarin Rogi met ontbloot bovenlijf achter de vleugel zit en zegt: ‘Je moet toch wat doen om op te vallen’.

    Gerenommeerde dichters

    Anton Korteweg refereert aan ‘de moeder de vrouw’ kwestie in de literatuur. Hij leest een gedicht waarin moeder de vrouw het onderwerp is en sluit geserreerd af met: ‘En dat had dan bijna niet gemogen’.

     

    Een van de hoogtepunten is het optreden van Judith Herzberg die ook tijdens een van de eerste Nachten acte de présence gaf. Toen was er veel gelachen, vertelt Piet Piryns, om haar grappige gedichten. Ook nu speelt haar onbevangen voordracht vrolijkheid in de hand. Al is niet alles om te lachen benadrukt ze bij het gedicht waarvoor ze zich heeft ingeleefd in een vrouw die meerdere baby’s ombracht en op zolder verborg. ‘Je moet je in alles kunnen inleven’, vond de dichteres. Herzbergs poëzie is eenvoudig, en steeds met een draai die bevrijdend werkt en de lach oproept. Hilarisch is het gedicht dat ze een ‘gestolen tekst’ noemt, van iemand die al zoekende door haar spullen in een koffer ging en mompelde: ‘ik zal toch niet…, heb ik nu,… waar zou dan,… nee hè…, deze niet,… heb ik nou, nee…, nou ja, zal ik dan… (…).

    Laat je gaan

    Deze 36e Nacht drijft op de woorden ‘Ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht’ van de dit jaar overleden en zeer gemiste dichter F. Starik. Thomas Möhlmann herdenkt Starik met een variatie op het gedicht ‘Gras’ dat Starik tijdens De Nacht van 2016 in grasgroen kostuum voordroeg.

     

    En dan wervelt daar opeens Willeke Alberti, (een van de entr’acts) gekleed in een wijdvallende rode jurk over het toneel. De 74-jarige vedette van het Nederlandstalige lied neemt met haar enthousiasme en nuchterheid (Spiegelbeeld: ‘Ha’, lacht ze, ‘je denkt toch niet…?’) het publiek voor zich in. Armen worden gespreid en het grote meedrijven is begonnen. Later zal de geweldige singer/songwriter, Tallest Man On Earth zijn bewondering uitspreken over deze Nacht en over ‘The Lady in the Red Dress: ‘We don’t have that in Sweden’.

    Aandachtig publiek

    Willem Jan Otten was 20 jaar geleden voor het laatst op De Nacht en zegt: ‘Poëzie kan afwachten’. Met zijn – ‘in u luisteren uitgebroed’ en ‘de rand van vloeiend glas’ – en zijn ‘Gerichte gedichten’ roept Otten een stilte op die magisch is. Zo maakte ook eerder op de avond dichteres Kreek Daey Ouwens met haar zachte stem en heldere taal de zaal opmerkzaam en luisterend.

     

    De Friese dichter Tsead Bruinja maakte indruk met zijn cyclus voor de priester Titus Brandsma (1881). In het Fries draagt hij  zeven minuten voor. Het publiek wordt geraakt door de klank van het Fries en de passie waarmee Bruinja spreekt. De dichter uit Rinsumageest, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als: ‘Zo’n dichter, dat je ook wel uit Rinsumageest had willen komen’.

    De laatste zal de eerste zijn

    Een Nacht als een diner waarvan de gerechten hemels zijn, de wijn niet te versmaden en met een nagerecht dat het geheel in perfectie afmaakt. Na het swingende optreden van de ‘Amsterdam Klezmer Band’ wordt de laatste dichter aangekondigd.
    Debutante Gerda Blees geeft het publiek op de valreep het gedicht ‘Aanwijzingen’ mee: ‘ga niet zomaar / met je hoofd op tafel liggen, mors geen rode wijn / blijf zitten hou je vast en laat de dwaallichten/ de dwaallichten en maak je zinnen af.’
    Een ding is zeker, deze dichteres zal bij de volgende ‘Nacht van de Poëzie’ de spits afbijten.

     

    Er is ook een Nachtpoëziebundel verschenen met gedichten van alle optredende dichters. Bezoekers ontvangen de Nachtbundel gratis, voor de liefhebber is deze nog te bestellen voor € 7,50 via Het Literatuurhuis.

     

     

    Foto’s: Patrick Post

  • Terugblik op de Poëzieweek

    Terugblik op de Poëzieweek

    Lees je de tijd af in gedichten dan kom je tot de ontdekking dat ze sneller verglijdt wanneer ze in poëzie wordt gevat. Anders gezegd; poëzie verheft het gerammel aan normen en waarden en Beruhigt de wereld tot een aantal overzichtelijk opgestelde strofen.

    In de loop van de voorbije Poëzieweek  (26 jan. t/m 1 febr.), gaf Dichter Des Vaderlands Anne Vegter het poëziestokje door aan Ester Naomi Perquin, werden de winnaars van verschillende poëzieprijzen bekend gemaakt, won Else Kemps het jaarlijks Nederlands Kampioenschap Poetry Slam en werd de Turing Gedichtenwedstrijd gewonnen door Dorien de Wit. En niet te vergeten, kreeg iedereen die in de poëzieweek een gedichtenbundel kocht, het poëziegeschenk   – Rotterdamse kost, geschreven door Jules Deelder – cadeau.

     

    Herman de Coninck Prijs en VSB Poëzieprijs
    9789044629699-cover--178
    Tijdens Gedichtendag (do. 26 januari) werd bekend gemaakt dat Peter Verhelst de Herman de Coninckprijs gewonnen heeft met zijn bundel: Zing zing. Ook won hij de publieksprijs voor het mooiste gedicht ‘Als je geen contact meer hebt met de dingen’. Het gedicht verscheen op de Gedichtendagposter.
    Voor deze prijs komen oorspronkelijk Nederlandstalige bundels van Vlaamse auteurs in aanmerking. Een uitzondering wordt gemaakt voor buitenlandse auteurs die in het Nederlands schrijven en die een bijzondere band  hebben met Vlaanderen. Aan de prijs is een bedrag van 6.000 euro verbonden.

     

    Ibinsbergenn Groningen werd de VSB Poëzieprijs uitgereikt aan Hannah van Binsbergen voor haar bundel Kwaad gesternte. De jury is van mening dat: “Niets aan Kwaad gesternte verraadt dat het een debuutbundel is, of het moet nu juist de onbevangenheid zijn waarmee de dichteres haar lezers tegemoet treedt, niet gehinderd door de last van de verwachtingen.”
    De VSB Poëzieprijs is dé jaarlijks prijs voor Nederlandstalige poëzie en de winnaar ontvangt een bedrag van 25.000 euro.

     

    NK Poetry Slam 2017 in Utrecht
    Vrijdag 27 januari vond de finale van het Nederlands Kamioenschap Poetry Slam plaats. In Utrecht streefde Else Kemps de zeven andere deelnemers met verve voorbij en werd winnaar van de 15e editie. Hoewel de jury unaniem koos voor het sterke performerschap van Gijs ter Haar, koos het publiek (die uiteindelijk de beslissende stem heeft), in de finalebattle voor de sterke teksten van Else Kemps. Vorig jaar was Kemps een ijzersterke tweede op het NK en winnaar van de Turing Gedichtenwedstrijd 2016. Hierna gaat ze Nederland vertegenwoordigen op het EK Poetry Slam in Ierland en het WK in Parijs.


    Dichter Des Vaderlands in Rotterdam
    Het mooiste nieuws in die week was natuurlijk dat Ester Naomi Perquin gekozen was tot Dichter Des Vaderlands voor de komende twee jaar.
    Poëzie als middel tot communicatie, was de inzet van scheidende Dichter Des Vaderlands Anne Vegter. Het instrument om poëzie te begrijpen is de lezer zelf; ‘Gedichten gaan in principe altijd over de wereld om je heen en jij bent het middelpunt’, aldus de dichteres in een gesprek op Radio 1. Vegter ontdekte tijdens de vier jaar in haar functie als DDV, dat het een uitdaging is  iets in gang te zetten met poëzie. Op haar laatste dag als Dichter Des Vaderlands presenteerde Vegter de website HALLO GEDICHT!, waar een keur aan gedichten uit de moderne Nederlandstalige poëzie voor elke geïnteresseerde lezer toegankelijk wordt gemaakt.
    Ook laat ze een mooie bundel na: Wat helpt is een wonder: gedichten van de Dichter des Vaderlands 2013-1017. Deze zijn ook te vinden op Dichter des Vaderlands.

     

    Persfoto_Ester_Naomi_Perquin_door_Lenny_Oosterwijk_LowResMet blijdschap en opgewekt gemoed werd de nieuwe Dichter Des Vaderlands, Ester Naomi Perquin, ontvangen. Perquin die bij het horen van haar verkiezing op geheel Perquiniaanse wijze zei, “Het was nooit in mij opgekomen dat ik zoiets zou kunnen ambiëren.’ aanvaarde de functie.
    Perquin stapte haar nieuwe ambt binnen met een toespraak die gestoeld leek op een andere spreker die voor zijn vaderland spreekt in termen als: ‘We geven de poëzie terug aan het volk. Deze dag zal de geschiedenis in gaan als de dag waarop het volk weer de lezer van poëzie werd. U kwam met duizenden om onderdeel te worden van een historische beweging. Gevangen in doorzonwoningen zonder boekenkast zullen we u bevrijden. De poëtische slachting stopt hier en nu. Drukkerijen en bibliotheken sloten, dat is het verleden. We kijken alleen nog naar de toekomst. Vanaf vandaag wordt ons land geregeerd door  een nieuwe visie, vanaf vandaag is het poëzie eerst. Poëzie op de eerste plaats. We zullen onze sonnetten terugbrengen… we zullen onze burgers uit de chicklit halen en gedichten bezorgen.We zullen onze dromen terugbrengen. En we zullen ons aan twee simpele regels houden: Koop dichters, en boek dichters. Samen zullen we de poëzie weer sterk maken. En ja, samen zullen we de poëzie weer groots maken.’

     

    Turing Gedichtenwedstrijd en Awater Poëzieprijs
    De prijsuitreiking van de Turing Gedichtenwedstrijd vormt de afsluiting van de Poëzieweek. Aan de wedstrijd deden dit jaar 2572 dichters uit Nederland en België mee. Zij stuurden samen 7815 gedichten in. Dorien de Wit won uiteindelijk de hoofdprijs van 10.000 euro voor haar gedicht ‘Legenda’.
    Volgens de jury bestaan er geen criteria waarmee vast te stellen is wat goed is in een gedicht. “Literaire kwaliteit kun je niet afvinken. Oplagecijfers kan je bijhouden, dichtersoptredens kun je turven, maar kwaliteit is iets wat je ervaart.”

    Tijdens de uitreiking van de Turing gedichtenwedstrijd werd tevens bekend gemaakt dat Eva Gerlach de Awater Poëzieprijs gewonnen  heeft met haar bundel Ontsnappingen. Aan deze jaarlijkse prijs van poëzietijdschrijft Awater is een bedrag van 500 euro verbonden. De winnaar werd gekozen door negenentwintig beroepslezers die een top 3 van de dichtbundels maakten die in 2016 zijn uitgekomen.

     

    Foto Ester Naomi Perquin: Lenny Oosterwijk

     

     

     

  • Onvergelijkbare Nacht van de Poëzie

    Onbehaaglijk koude rillingen die via de ruggengraat omhoog kruipen en kippenvel krijgen bij het horen van een gedicht. Dat kon je zomaar overkomen tijdens de 34e editie van Nacht van de Poëzie. In Tivoli/Vredenburg te Utrecht hingen zo’n 2000 bezoekers aan de lippen van een twintigtal opmerkelijke dichters. Een Nacht die overrompelde met dichterlijke bijdragen en enkele opzienbarende entr’actes.

    De Nacht opende glorieus met een beeldpresentatie van voorgaande Nachten, wervelende lichtbundels als sproeiende douchekoppen, openingswoorden van Piet Piryns en Ester Naomi Perquin en de Vlaamse dichter Charlotte Van Den Broeck die de spits afbeet. Haar dichtwerk over lijden en het doorbreken van sleur, was in tegenstelling tot het werk waar ze vorig jaar de Nacht mee afsloot, minder doordringbaar, maar evenwel met veelduidende strofen als: ‘geluk is geruisloos’. Of: ‘niemand strijkt de hemden meer of de man eronder’.

    ‘Spiegeling’
    Voor de geëngageerde Belgische dichter (voorheen Dichter des Vaderlands) Charles Ducal, is het socialisme nog zeer bruikbaar. Thema’s als arbeiders, Kongo, vluchtelingen op zee met een uitstapje voor een ode aan schrijver Emil Verharen (1855-1916) wist hij het publiek te boeien. Onze eigen Dichter des Vaderlands Anne Vegter is ook zeker geëngageerd maar bracht dit met zowel onontkoombare scherpte als luchtigheid. Zij was het die de luisteraars kippenvel en rillingen bezorgde met het indringende gedicht waarin ze zich afvraagt: ‘Wat nu, als de hele wereld kantelt’. Een fantastische omkeerbaarheid van de vluchteling. Heel Nederland valt uit elkaar en iedereen slaat op de vlucht maar nergens welkom. De opbouw was scherp en zonder pardon. Zo hebben we dat graag. Afsluitend klonk haar bekende: ‘Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.’,werd in deze versie: ‘altijd’. Ook Joke van Leeuwen hield het publiek een spiegel voor met een karakteristiek beeld van de huidige Nederlander waarin, aan het geregeld opklinkende lachen te horen, velen zich herkenden.

    K. Michel veroverde de zaal met humor en mooie vondsten. Sterk opgebouwde, verhalende gedichten. Zoals het gedicht dat begint met het wachten op de accountant om zijn zaken op orde te brengen, is meesterlijk. Het gaat uiteindelijk over een verstoorde zus die er eigenlijk niet is omdat ze dood is. Dat een dichter niet altijd weet welke kant het gedicht op gaat, bewijst hij door de account er weer uit te schrijven en zo kwam de ‘boekhouding nooit op orde’.

    De jonge dichters van de Nacht onderscheidden zich door werk waarin nog veel werd ‘losgemaakt van ouders (vooral moeders) en werd geworsteld met verwachtingen die hen zijn opgelegd. Roos Rebergen eindigde een gedicht over moeder met; ‘Gelukkig zijn we geen vriendinnen.’ Wat veelal bij alle dichters de boventoon voerde was toch wel de op hol geslagen wereld, vluchtelingen, chaos en machteloosheid over hoe de dingen gaan. Er is geen beter voertuig, bleek deze Nacht maar weer eens, dan de poëzie om aan dit alles uitdrukking te kunnen geven.

    Ongemakkelijk samenspel
    Ester Naomi Perquin en Piet Piryns presenteerden als duo voor de derde maal op rij De Nacht. Dat de rolverdeling in die drie jaar zich duidelijk onderscheidde, gaven ze zelf al aan. Perquin, de empathische die een relatie met het publiek opbouwt, noemde het publiek vorig jaar om te zoenen en Piryns’, degene die de blik streng op het tijdschema houdt en het publiek er met de kop bijhoudt. Dat dit niet altijd voor een goede balans zorgde werd duidelijk toen Piryns de Zuid-Afrikaanse schrijver Marlene van Niekerk verzocht het podium te verlaten toen haar tijd om was terwijl zij op het punt stond haar slotgedicht voor te dragen. Onverkwikkelijk vooral omdat Perquin bij aankondiging van Van Niekerk het publiek vertelde dat zij slechts enkele uren geleden geland was en speciaal voor de Nacht naar hier was gekomen. Het was een wat gênante samenloop van aanpak. Ook omdat haar voordracht begeleid werd door verhalen over de schrijnende toestand in haar land, waar per jaar 21.000 mensen (waaronder 8000 kinderen) door geweld om het leven komen. Natuurlijk, De Nacht duurt lang. Maar enige consideratie was hier op zijn plaats geweest. Het boegeroep uit verschillende hoeken van de zaal was dan ook niet van de lucht.

    En dan kwam Hans Dorrestijn nog met zijn zwartgallige maar oh zo vertederende humor, die zichzelf als een mislukte Joost Zwagerman bestempelde. Hij zelf had immers vaak genoeg klappertandend op een stoel, met een touw om zijn nek gestaan, maar was er nog steeds. Een mislukte Joost Zwagerman, jaja.

    De twee debutanten van de Nacht waren Marieke Rijneveld en Jonathan Griffioen, waarvan vooral Rijneveld verraste met haar wijze van uitdrukken als: ‘Troosten is als inparkeren / het is weten en meten’, is natuurlijk prachtig. En van Griffioen is nu al zeker dat zijn opening van de 35e Nacht onvergetelijk zal zijn.

    Wandelgangen en entr’actes
    In de wandelgangen (waar kleine uitgevers achter hun tafeltjes zaten, literaire tijdschriften vertegenwoordigd waren en boeken en eetwaren te verkrijgen waren), kon je een dichter in afwachting van zijn optreden in ogenschijnlijk rustige tred zijn rondjes om de zaal heen zien draaien. Hier en daar een enkele pauzerende bezoeker minzaam groetend. Zoals het een dichter betaamt. Een van deze rondwandelende dichters, F. Starik besprong in grasgroenkostuum het podium om het dichterschap te vieren. Met een gretigheid die het publiek soms achteruit deed deinzen, bracht hij een dichterlijke tirade over ‘gras’ (dat zich overal en onophoudelijk vertoont), ten gehore. Hiermee schudde hij de ingedutte zaal voor de rest van de Nacht goed wakker.

    De entr’actes waren verrassend en ook zo verbluffend vreemd, dat de neiging om met voorgaande jaren te vergelijken er volledig bij inschoot. Al met al was het een feestje waar niets onder de maat bleef en het publiek zich welwillend naar schikte. Uitschieters waren Mondharmonicaspeler Tim Welvaars die een hommage bracht aan de onlangs overleden Toots Thielemans en waarvan je dacht toen je hem hoorde spelen: ‘Waarom heb ik nog nooit eerder van die man gehoord?’ Daar is De Nacht dan ook weer voor, om ontdekkingen te doen en nieuwe kunstenaars te leren kennen.

    Zoals de Israëlische Asaf Avidan, muzikaal fenomeen met een stem die ongekend is en nog het dichtst bij het stemgeluid van The Tallest Man on Earth komt, maar zoals gezegd ook ‘ongekend’ is. Zijn teksten en manier van zingen deden af aan toe aan Leonard Cohen denken. Vooral de ballade The Labyrinth song, waarin het repeterende refrein deze associatie nog versterkte:

    Oh Ariadne, let me sing you, and we’ll make each other last
    Oh Ariadne, I have failed you in this labyrinth of my past
    Oh Ariadne, let me sing you, and we’ll make each other last

    En tussendoor met een regelmaat ,die het begeleidende ritme van deze Nacht werd, het vrolijk gerinkel van brekende wijnglazen. Soms een enkel glas, soms bij drieën tegelijk. Daarbij lijkt het publiek elk jaar jonger te worden, als is er een soort verschuiving in leeftijd waarneembaar. Waarschijnlijk ook dat daarom deze zeer succesvolle Nacht tot aan het einde toe opvallend druk bezocht bleef.

     

     

    Foto: Anna van Kooij

     

  •  Ontmoeting in foto en gedicht

     Ontmoeting in foto en gedicht

     In het herfstnummer van poëzietijdschrift Awater merkt Jeroen Kan (voormalig presentator van VPRO’s De Avonden ) op dat het in een interview met een dichter steeds meer gaat over het leven van de dichter, dan over zijn werk. Dat de dichter, die liever over zijn werk praat dan over zijn veranderde leven sinds de kinderen de deur uit zijn, alleen nog terecht kan bij Brands met Boeken. Een dichter, dood of levend, verdient volgens hem meer aandacht bezijden de waarheid van elke dag.
    De stadsdichter is, zoals we die kennen sinds de tijd dat er een Dichter des Vaderlands werd benoemd, bij uitstek een dichter die niet over zijn eigen sores of geluk dicht.

    In Ik voel me verf  gaat het om de gedichten en de foto van de dichter, verder niets. Portretfotograaf Joost Bataille vond vijftig (voormalige) stadsdichters die hij portretteerde voor zijn project. Eerst benaderde hij Sylvia Hubers, (ex) stadsdichter (Haarlem) met de vraag of ze voor hem wilde poseren en daar dan een gedicht over wilde schrijven. Ze antwoordde: ‘Gefotografeerd worden roept altijd iets op, ik zou dat kunnen proberen.’ De foto van Hubers is genomen tegen een water achtergrond, een meer of plas. Zij heeft de handen diep in de zakken van haar donkere winterjas, haar hoofd iets scheef opzij geneigd, om de mond een glimlach die het net niet redt. Zij kijkt de fotograaf recht aan: (…) Klik maar / er staat niet wie er staat / (…) Laat zien dat je je camera opbergt. / Je tas open – tas dicht // en zie hoe de waarheid zich / langzaam laagje voor laagje op een gezicht terugzet’.

    Eke Mannink, stadsdichter van Zutphen, voelde zich verf, (de titel is aan haar gedicht ontleend). ‘verf’ ik ben een levend schilderij / dat door jouw oog ontstaat / je duwt en trekt je schildert mij / ter plekke hier op straat (…).
    De gedichten getuigen hoe zeer men zich bekeken voelt. In het beeld hebben ze allen iets van betrapt zijn in een moment dat ze zelf niet geschikt achtten om gezien te worden. Maar de fotograaf wist wanneer hij af moest drukken. Ester Naomi Perquin voelde zich er ongemakkelijk bij: ‘Dag Joost’ / (…) Toen keek ik naar de foto’s en / ik zag die ogen van mij, dat achterdochtige. Het is onnatuurlijk om jezelf / aan te kijken. Ik dacht bovendien: ‘Je bent niet alleen snotverkouden, je bent nog lelijk ook.’ (..) die ik mooi vind is de laatste zwartwitte, / waarop ik je direct aankijk, dwars door die malle lens heen. (…) Er gaat een soort vanzelfsprekende intimiteit vanuit, die helemaal niet vanzelfsprekend was.

    Van de geportretteerde dichters doet geen enkele zijn best er op zijn best uit te zien. In hun blik licht iets ongemakkelijks, van geobserveerd worden.  Het levert stuk voor stuk mooie gedichten op. De één afstandelijker dan de ander, maar allen zijn zich bewust van de interactie tussen fotograaf en zichzelf. Joke van Leeuwen dicht het los van zichzelf door, terwijl ze poseerde, haar omgeving te observeren: (…) Een moeder met een kind blijft staan. Het kind wil / kijken naar hoe iemand kijkt als die naar iemand / kijkt die naar hem kijken moet, hoe iemand knielt / zoals de juf doet om een jas los te knopen. 

    Waarnemingen met pen en lens, die gelezen kunnen worden als ‘buitenkant die binnenkant’ bloot geeft. Duidelijk is dat we onszelf nooit zien zoals de ander (fotograaf) ons ziet. En dat wrikt dan een beetje. In de gedichten wel te verstaan. Ik voel me verf is een mooi vormgegeven boek waarvan de cover warmer goudgeel van kleur is dan de hierbij weergegeven afbeelding. Op de linkerbladspiegel staan de gedichten, op de rechter de portretfoto. Zo naast -, of beter gezegd tegenover elkaar is het niet net alsof, maar zíjn ze met elkaar in gesprek: de fotograaf en de dichter. Het is een prachtboek geworden, met  ontmoetingen die er niet om liegen. Zoals Marieke van Leeuwen (stadsdichter Dordrecht) dicht: (…) hij spiegelt mij. Vijftig dichters, bekende en minder bekende, oudere en jonge maar allen opmerkelijk.



    Voor meer informatie kijk op Zuurkool met worst.

     

  • Opnamen literair praatprogramma 'Letteren &tcetera'

    Agenda

    Twee edities van de maandelijkse literaire talkshow Letteren &cetera worden op donderdag 23 januari opgenomen. Per editie interviewt Kenneth van Zijl drie schrijvers en/of vertalers over hun jongste boek, dat op enigerlei wijze door het Fonds is ondersteund. De opnamen zijn gratis bij te wonen.

    In de eerste editie praat Kenneth van Zijl met dichteres en beeldend kunstenaar Annemieke Gerrist over haar tweede dichtbundel Het volume van een logé, (verschijnt deze  maand bij De Bezige Bij): met dichter en vertaler Menno Wigman (1966) over zijn recente en voor de VSB Poëzieprijs 2014 genomineerde bundel Mijn naam is Legioen (Prometheus) en dichter en columniste Ester Naomi Perquin (1980) over haar met de VSB Poëzieprijs 2013 bekroonde bundel Celinspecties (Van Oorschot).
    De opname van dit programma vindt plaats om 17.00, inloop vanaf 16.30.

    In de tweede editie spreekt Kenneth van Zijl met Jan van Mersbergen over zijn nieuwe roman De laatste ontsnapping (verschijnt in februari bij Cossee), vertaler Rob van der Veer over de Zuid-Afrikaanse roman Kroniek van Perdepoort (1975) van Anna Louw die onlangs door hem voor het eerst in het Nederlands is vertaald (Van Oorschot) en reisverhalenschrijfster Carolijn Visser over haar met de Bob den Uylprijs bekroonde boek Argentijnse avonden. Van de Zwart Janstraat naar de pampa (Atlas Contact).
    De opname van dit programma vindt plaats om 19.30, inloop vanaf 19.00.

    Leterren &tcetera
    Bibliotheek van het Nederlands Letterenfonds
    Nieuwe Prinsengracht 89, Amsterdam.

    Toegang gratis, reserveren is verplicht via letterenetcetera.nl.
    Na aanvang van de opname is er geen toegang meer mogelijk.
    De programma’s zijn onder meer online te bekijken via Cultura24.

  • 31e Nacht van de Poezie in Totale witte kamer

    Literair Nederland was erbij

    Voor eenmaal vond de Nacht van de Poëzie haar onderkomen in de futuristische ruimtes van Media Plaza voordat deze volgend jaar opnieuw plaats zal vinden in muziekcentrum Vredenburg. De presentatie was in handen van de dichters Ingmar Heytze en Ester Naomi Perquin.

    De Nacht van de Poëzie vindt van oudsher plaats in muziekcentrum Vredenburg maar sinds deze locatie vanwege een ingrijpende verbouwing vanaf 2008 gesloten is, reist De Nacht langs wisselende onderkomens waarvan Media Plaza het laatste station is. Het hoofdpodium stond in Polar, een ovaalvormige zaal die voor deze 31e Nacht  was omgedoopt tot Totaal witte kamer, naar een gedicht van Gerrit Kouwenaar. En wit was het, witter dan wit de stoelen, de wanden, de katheder, de vloer en de presentatoren. In verblindend witte pakken, een wit dat kraakt en afstand eist. En met deze witte entourage gingen 21 dichters en 6 entr’actes in line-up De Nacht in.

    In het thema van De Nacht Kom nacht/en wis mij uit, van Fernando Pessoa, weerklinkt de wens om volledig te willen verdwijnen in het donker. Door het overheersende wit werd dit de bezoeker zeer moeilijk gemaakt. Maar er was poëzie, poëzie waarin het goed toeven was en poëzie om in te verdwijnen. De Nacht zélf naar binnen halen, door het enorme dak boven de Totaal witte kamer te openen zoals het plan was, werd verhinderd door een geselende oostenwind die zo niet onophoudelijk  dan toch op gepaste tijden over het dak raasde. Waardoor Cees Nooteboom, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als ‘literaire berg in Nederland’, enigszins verstoord opkeek toen de ijzige wind opnieuw over het dak van de zaal roffelde en zich tussen zijn voordracht I.M. Hugo Claus en het publiek drong. Hier werd geen spelletje gespeeld volgens Nooteboom want hij zelf had tijdens de begrafenisplechtigheid van Claus de woorden uitgesproken: ‘kom vooral spoken’. En hier was hij dan, die andere grote literaire berg, die deze 31e Nacht door rukwinden werd aangekondigd.

    Toon Tellegen & het Wisselend Toonkwintet van Corrie van Binsbergen, vertolkten onder meer op onnavolgbare wijze zijn bekende gedicht De rechte weg. De repeterende woorden als een formule uitgesproken kregen een dwingend karakter: ‘Ik liep langs een rechte weg./Ik noemde het een rechte weg./Het was geen rechte weg./Ik kwam bij een hoek./Ik sla die hoek niet om, dacht ik./ Ik sla die hoek niet om, niet om, niet om./ Ik sloeg die hoek om.’
    Tellegen behoort met Elly de Waard, Cees Nooteboom en Leo Vroman tot de grand old poets van de Nederlandstalige poëzie die met hun optredens De Nacht van een waardige glans voorzagen. Dichter des Vaderlands, Anne Vegter maakte indruk met haar scherp sissende en ronduit krachtige voordracht van haar gedichten. Waaronder het gedicht Nu Wij, over laaggeletterdheid in Nederland. ‘(…) Moesten we luidop lijstjes/ lezen, op werk zeiden we niet geweten, bril vergeten. (..) het alfabet is misschien niet helemaal eerlijk verdeeld. Waar waren we toen de/letters werden geschud? Is er nog over van de spelling? Mogen wij ook?’

    Met een voorproefje van haar nieuwe tour Last Resistance – The Naked Sessions was Wende Snijders de grootste publiekstrekker. Met enthousiaste kreten werden haar songs onthaald. Indruk maakte het lied Black Feather, gebaseerd op Dominique Strauss Kahn en gezongen als een gospel. Ondertussen droeg Elly de Waard enkele van haar gedichten voor in Splash, een van de kleine zalen waar tientallen bezoekers met oprechte waardering haar presentatie bijwoonde.

    Ook Tom Lanoye bracht later in De Nacht in een performance een hommage aan Hugo Claus. En met opzwepende versregels als  ‘It was, it is, it remains’ en ‘One people, one nation’ wist hij Obama en Claus aan elkaar te dichten.
    Tonnus Oosterhof had volgens eigen zeggen inktzwarte gedichten uitgezocht voor deze witte nacht. Ze waren politiek getint en dwongen een betekenisvolle stilte af bij het publiek. Charlotte Mutsaers las voor uit haar bundel Dooier op drift. Met fijne versregels als ‘Alles van plastic is weerbaar’ en het gedicht Leeftocht over ouderdom, met een lach en verwondering. ‘Zeventig/alleen mijn leeftijd is vreemd’.

    Volgens Ingmar Heytze zijn er ‘dichters uit hun holen gekropen om zich met zenuw aftellende minuten de tijd door te slepen tot ze het podium kunnen betreden’. De Nacht was toen al ver heen en het overgebleven publiek had zich verzameld, als bij de nazit van een geslaagd feest, in de Totaal witte kamer. Liggend op vloerkussens en tegen elkaar aanleunend in stoelen, werd genoten van onder meer de Belgische band Dez Mona. Waarvan de zanger, Gregory Frateur met zijn opvallend grote stembereik en grillige dansbewegingen, deed denken aan de optredens van Kate Bush, inclusief blote voeten.

    Om half vier ’s nachts kwam Leo Vroman, onderhand een vertrouwde verschijning op poëziefestivals via skype, met zijn vrouw Tineke langs. Als een verlate gast die aanschoof om de achterblijvers, onder uitgezakt of liggend op gigantische zitzakken, nieuw leven in te blazen. Want met een versregel als: ‘Onschuldige moordenaars die het leven nooit hebben gekend.’ keerde hij de waarheid ondersteboven en vroeg men zich af ‘hoe het nu verder moest met het leven’.

    Als laatste dichter in de line-up las NK Poetry Slam winnares 2011, Kira Wuck, in bruin gebloemde jurk, op stevig staande benen, zich soms haast verslikkend maar nooit haperend haar gedichten voor. Waarna H.H. ter Balkt met zijn sonore stem onder meer met een: ‘Dat was het’ via skype de avond afsloot waarmee de Nacht van de Poëzie 2013 een voldongen feit was. Een Nacht die kan worden bijgezet als ‘ zeer succesvol’ in het archief van de Nacht van de Poëzie.

    In de wandelgangen stonden de bekende boekentafels opgesteld en was er dit jaar veel aandacht voor literaire tijdschriften als onder meer Extaze, Liter, Vooys, SLANG, Terras en Revisor.

     

    Foto Cees Nooteboom: Anna van Kooij

     

     

  • Archieffoto van de Nacht van de Poezie 2010

    Uit het archief van De Nacht van de Poëzie

    Komend weekend vindt de 31e Nacht van de Poëzie plaats. In 2010 presenteerde dichter Ingmar Heytze de 29e Nacht van de Poëzie samen met Jeroen van Merwijk. Op 23 maart presenteert Heytze wederom de Nacht van de Poëzie, nu samen met collega-dichter Ester Naomi Perquin in Media Plaza, een unieke locatie op steenworp afstand gelegen van Utrecht Centraal Station.

    De Nacht van de Poëzie vond ­­vanaf 1980 steevast plaats in Muziekcentrum Vredenburg te Utrecht. Na de 27e editie in 2007 ging de verbouwing van Vredenburg van start. De 28e editie in Vredenburg Leeuwenbergh (De Rode Doos in de volksmond) was op ’n zachtst gezegd geen groot succes waarop Vredenburg besloot te stoppen met de Nacht. Dit tot grote verontwaardiging van dichter Ingmar Heytze die zich samen met o.a. collega-dichters Vrouwkje Tuinman en F. Starik hard maakte om de Nacht ook in de jaren dat Vredenburg nog onder constructie was in Utrecht te behouden. En met succes: in 2010 en 2011 vond de Nacht plaats in de Stadsschouwburg van Utrecht en Heytze presenteerde samen met Jeroen van Merwijk de avond.

     

    Foto: Ingmar Heytze en Jeroen van Merwijk – 2010 © Anna van Kooij

     

     

  • Ester Naomi Perquin wint met 'Celinspecties' de VSB Poëzieprijs 2013

    door Ingrid van der Graaf

    De bundel Celinspecties van de dichter Ester Naomi Perquin werd door de jury van de VSB Poeziëprijs verkozen tot de beste dichtbundel van het afgelopen jaar.

    Ester Naomi  Perquin (1980) genoot grote bekendheid  in betrekkelijk kleine kring. Daar maakte het winnen van de VSB Poëzieprijs een einde aan. Vanaf nu zal men in heel het Nederlandstalig gebied weten wie Ester Naomi Perquin is, en dat werd tijd ook.

    De jury van de VSB Poëzieprijs  verkoos Perquin boven H.H. ter Balkt, Sybren Polet, Menno Wigman en Luuk Gruwez te plaatsen. En was meer dan te spreken over de ‘verraderlijk luchtige toon en de onvoorspelbare wendingen waarmee Perquin een gelaagde ruimte in haar bundel schept.’ Men roemde haar taalgebruik: ‘soms soepel als spreektaal, dan weer geraffineerd en virtuoos. De dichter neemt de lezer aan de hand en laat hem net zo gemakkelijk struikelen, wanneer haar woorden dat nodig hebben.’

    De jury was verder van mening dat: ‘Als de dichter al een taak heeft, laat het dan die zijn die Perquin zich heeft opgelegd: het zichtbaar maken van wat obscuur en meestal verborgen blijft. (…) In het geval van Celinspecties levert het een bundel op van noodzaak, verlangen en schitterend mislukken.’

    Sinds 2007 publiceerde Perquin drie dichtbundels waarvan de eerste twee werden onderscheiden met verschillende prijzen. Haar werk wordt nogal eens beoordeeld als verontrustend. Als dichter heeft ze een scherp gevoel voor het alledaagse waaruit, wanneer zij haar poëzie erop richt, bevreemdende en schokkende voorstellingen ontstaan. In Perquins bundel Celinspecties zijn de duistere kanten van het leven op zijn scherpst verdicht. Wekelijks schrijft zij voor de Groene Amsterdammer een column waarin zich dezelfde, soms ontluisterende, ontrafeling van alledaagse gebeurtenissen voltrekt als in haar gedichten.

    Juryleden Maria Barnas, Geert Buelens, Patrick Lateur, Anthonya Visser en Saskia J. Stuiveling selecteerden in november 2012 de vijf genomineerden uit vijfenzeventig ingezonden bundels die allen tussen 1 september 2011 en 31 augustus 2012 verschenen.
    Aan de prijs is een bedrag van 25.000 euro verbonden.

    Uit alle ingezonden bundels koos juryvoorzitter Saskia J. Stuiveling haar 100 favoriete gedichten voor de bloemlezing De 100 beste gedichten VSB Poëzieprijs 2013. De uitgave van De Arbeiderspers en Stichting VSB Poëzieprijs werd tijdens de uitreiking gepresenteerd.

     

     

  • Literaire salon met Oek de Jong en Ester Naomi Perquin

    Literaire salon met Oek de Jong en Ester Naomi Perquin

    Zondag 18 november waren Oek de Jong en Ester Naomi Perquin te gast aan de Lijnbaangracht tijdens een Literaire salon. Interviewer en dichter Jos van Hest ging met hen gesprek over hun werk. Dit alles omlijst door muziek van Lex Goes en afgewisseld met een gesproken column van boekhandelaar Ton Schimmelpennink van Boekhandel Schimmelpennink.

    Ester Naomi Perquin publiceerde dit voorjaar haar derde bundel Celinspecties. Sinds 2007 publiceerde zij drie dichtbundels waarvan de eerste twee werden onderscheiden met verschillende prijzen en de laatste op de nominatie staat voor de VSB Poëzieprijs 2013. Haar werk wordt uiteenlopend beoordeeld van lief tot pervers maar vooral verontrustend. Wat zeker is, is dat Perquin een scherp gevoel heeft voor het alledaagse. Het alledaagse waaruit, wanneer zij haar ogen erop richt, bevreemdende en niet minder, schokkende voorstellingen ontstaan.

    Vier jaar werkte Perquin full time als nachtelijk cipier, ‘cipieresse’, zoals ze zelf zegt, in een gevangenis. Een bizarre keuze constateerde Jos van Hest voor een jonge vrouw. En vroeg naar haar ervaringen als gevangenisbewaarder.
    Ten eerste wilde Perquin de opvatting rechtzetten dat zij in het gevang is gaan werken om de Schrijversvakschool te kunnen betalen. Zij deed dit werk al vóórdat zij de schrijfopleiding ging volgen (in 2006 afgestudeerd). Wat wel klopte is dat zij haar schrijfopdrachten tijdens de nachtdiensten schreef.

    Om dit werk te kunnen doen kon je kiezen of je je als lellebel of als ijskonijn zou gedragen, vertelt Perquin. Om geen last te krijgen met de gedetineerden was Perquin een ijskonijn die het hoofd koel hield bij dreigende sterfgevallen (niet doodgaan nu ik dienst heb!), reanimeerde waar het nodig was en bluste brandjes. Veel gebeurde er niet tijdens zulke nachten. ‘Het meest gebeurt achter gesloten deuren ’s nachts. Meest vieze dingen’. Stelt Perquin zich voor.

    Op de vraag of het materiaal uit de bundel Celinspecties al geschreven werd tijdens die nachtdiensten, vertelt Perquin dat dat niet het geval was. Ze schreef met name veel brieven aan vrienden, die ze later gebruikte voor het schrijven van Celinspecties.

    Jos van Hest noemt het een onthutsende bundel, vindt hem mooi en lelijk tegelijk; ‘mooi in taal en lelijk in het portret van het kwaad’. Perquin wil niets liever dan dat deze bundel op zijn rauwheid beoordeeld wordt. Ze ontving de opmerking in een recensie van Pieter Steinz, die het gedicht David H. (waarin een verkrachter aan het woord is) ‘pervers’ noemde, als een compliment. Waarmee ze ook wil onderstrepen dat een verkrachter in wezen niet gestoord is. Dat je verkrachters aantreft onder de meest normale mannen (binnen het huwelijk, vriendenkring, familie). En dat dàt gegeven pas verontrustend is.

    Al dichtend balanceert Perquin langs de zelfkant van het kwaad in Celinspecties. Op de vraag of het geen gevaarlijke bundel is, gezien de misdaden waarmee ze naar buiten treedt, zei Perquin: ‘Ik voel wanneer iets kan’. En dat is de koers die je als dichter vaart. Zo schreef ze het gedicht Bart V., over een supermarktoverval waarbij geschoten werd.
    ‘(…) Ze lachte heel even en daarna / viel ze neer alsof ze een jas was geweest / die ineens van een hangertje gleed.’ Kort daarna was er het winkelcentrumdrama in Almere.

    Ze vraagt zich af hoe lang iemand een misdadiger blijft. Haarzelf overkwam het dat ze een ex-gedetineerde herkende voor de schappen van een supermarkt. Een pleger van een roofoverval met geweld. De jongeman stond voor het schap te mopperen dat artikelen op de verkeerde plek lagen. Een oude vrouw naast hem mopperde vrolijk mee en Perquin dacht: ‘Ja, ja, ik ken jou’. Waarna ze zich direct afvroeg wanneer iemand boef  ‘af’ is.
    Het soort gedetineerde waar Perquin het meest van houdt, is de ‘ik was het niet’- gedetineerde, waarover het meesterlijke gedicht ‘Verklaring’

    ‘Ik was er niet bij die nacht. En als ik erbij was dan wist ik dat niet.
    (…)

    Ik had geen idee wat er speelde, trouwens iedereen die ik
    daar zag heeft me erbuiten gelaten vanwege
    dat ik er niet was. Niet tijdens die nacht.
    (…)

    Misschien was het een plantenbak. Die plantenbak viel
    Horizontaal op haar gezicht en tamelijk hard en
    Misschien wel verschillende keren maar
    Ze zeggen zoveel, het was een opmerkelijk donkere nacht.

    Ik weet nog dat ik thuis waar ik dus was
    Van uit mijn bed naar buiten keek
    En dacht zulk diep zwart
    Zie je maar zelden.’

    Aan het eind van het gesprek herinnert Perquin zich het punt in haar leven waarop ze ontdekte hoe poëtisch te kunnen schrijven. Het was tien jaar geleden, toen ze een regel las van Erik Menkveld die een kamer binnenkomt waar een boxer op het tapijt ligt en opeens denkt: Ik had die boxer kunnen zijn: ‘ik had hem makkelijk / kunnen zijn, en niet alleen / hem, dat kleed ook, / die clubfauteuil, / dat teakhouten buffet…’ Dat was Ester Naomi Perquins keerpunt, het moment waarop ze wist van waaruit te schrijven; vanuit de ander, de ander willen/kunnen zijn. Ter afsluiting las ze het gedicht Vanmorgen werd ik opgebeld, te vinden in haar tweede bundel Namens de ander waarin deze wens de ander te zijn, ten diepste besloten ligt.

    Na de pauze, waarin Lex Goes op toetsenbord verschillende nummers uit de jaren vijftig speelde, waaronder Spiegelbeeld alsook Schubert D894, die een rol spelen in het boek Pier en oceaan en de bezoekers zich tegoed deden aan het buffet, zette Jos van Hest zich opnieuw achter de gesprekstafel. Deze keer met Oek de Jong om het te hebben over diens Magnum Opus Pier en oceaan.

    Waarom een 800 pagina’s tellend werk geschreven, vraagt Van Hest.
    Oek de Jong vertelt dat dit ongewild zo gegroeid is. Hij schreef de eerste 100 pagina’s van een boek waarvan hij dacht dat het niet veel omvangrijker zou worden dan dat. Tot hij begreep dat hij het midden had geschreven van een omvangrijker werk. Een autobiografisch werk waarop hij zich heeft voorbereid door Proust te herlezen en waarin motieven uit zijn debuutroman Opwaaiende zomerjurken terugkomen. Dit debuut was tevens zijn eerste autobiografische werk waarin de moeder een prominente rol speelt, net als in Pier en oceaan, in de gedaante van Dina, een jonge vrouw in de jaren vijftig die met lesbische gevoelens speelt en zich desondanks zwanger laat maken door de man waarmee ze vervolgens trouwt.

    Oek de Jong ondernam een zoektocht in de literatuur naar de juiste vorm die aan zijn schrijverschap zou voldoen om dit werk te kunnen schrijven. Hiervoor las hij de Anton Wachter romans van Simon Vestdijk waarbij hij voornamelijk onderzocht waaruit Anton was ontstaan.
    Op de vraag of er meer autobiografisch werk te verwachten is antwoordde De Jong dat hij er acht jaar over gedaan heeft deze roman te schrijven. Het omzetten van herinneringen en een tijdsbeeld naar een literair terrein dat vervolgens getransformeerd moet worden tot een roman kost veel tijd, verklaarde De Jong. Het schrijven van een autobiografisch werk is een zoektocht naar jezelf, het grote vragen naar wie en wat je bent. De Jong: Stendhal vroeg zich op vijftigjarige leeftijd af, terwijl hij met een stok in het zand de namen schreef van alle vrouwen die hij niet gekregen had, wat voor een man hij was.

    Jos van Hest merkt op dat het werkwoord ‘zien’, het meest voorkomende werkwoord in het boek is; zien, waarnemen; gezien worden. Wat maakt dat in het boek de dingen tot op de huid en zeer zintuiglijk beschreven zijn.

    Op de vraag waar de titel Pier en oceaan vandaan komt, vertelt De Jong dat hij daar lang naar gezocht heeft. De titel is uiteindelijk ontleend aan een houtskooltekening van Mondriaan, gemaakt in Domburg en die nu in het Kröller Muller museum hangt waarop Pier en oceaan staat geschreven. Toen de keuze op Pier en oceaan viel heeft De Jong pas de scène erin geschreven waarin Abel een kaartje krijgt van zijn vriendin op de Rietveld academie met dit werk erop. Van Hest concludeerde dat Pier en oceaan, losgemaakt van het tijdsbeeld en het autobiografische zeer goed te lezen is. Een zeer goed Oek de Jong boek.

    De literaire salon is een fijn concept voor schrijvers en literatuurliefhebbers. Na afloop trokken de bezoekers, verzadigd van lichaam en geest en enkele boeken rijker, de stad in of huiswaarts.