• Meisje

    Meisje

    Nadat ik een plaatsje had weten te vinden in de overvolle trein, werd ik me bewust van het gesprek dat een meisje met haar mobieltje voerde. Ze zat tegenover me: een tenger, blond meisje van een jaar of vijftien, zestien, gekleed in een spijkerbroek en een legerjack. Het was duidelijk dat ze met haar vriendje aan het praten was en uit het gesprek, waarvan ik slechts één kant kon horen, kon ik al gauw opmaken waar het over ging: hij had het uitgemaakt en zij smeekte hem om weer bij haar terug te komen. Haar stem klonk jammerend hoog toen ze maar bleef vragen waarom hij niet meer met haar wilde? Had ze iets verkeerds gezegd, iets fout gedaan? Maar ze konden het toch opnieuw proberen, ze zou veranderen, ze zou alles doen wat hij maar wilde, als hij maar weer van haar zou houden. Het verdriet had haar onverschillig gemaakt voor het feit dat iedereen haar kon horen. Ze keek niet naar ons, de andere passagiers in de trein, maar bleef maar uit het raam staren alsof ze haar vriendje daar buiten zag staan.

    De tranen stroomden over haar bleke gezicht en ze had een snotneus. Ze zag er moe en gebroken uit, maar ze bleef dezelfde woorden herhalen, alsof hij op het laatst wel zou toegeven als ze maar bleef volhouden. Het deed me pijn dit aan te horen. Ik wilde mijn armen om haar heen slaan en in haar oor fluisteren dat ze mooi en jong was en dat ze die jongen niet nodig had om gelukkig te zijn; Plato had gezegd dat geluk bestond uit jezelf genoeg zijn. Dat ze vast wel een ander zou tegenkomen, en dan leefden ze nog lang en gelukkig. En als er geen sprookjesprins voorhanden was, dan zou ze wel gelukkig zijn in haar eentje. Dat haar toekomst stralend zou zijn, ongeacht welk pad ze zou kiezen. Over vijftien jaar, als ze dertig of daaromtrent was, zou ze lachen om wat dan niet meer zou zijn dan een beschamende herinnering. Ik had als de goede fee aan haar wieg willen staan en het gedicht van Erik Menkveld als een toverspreuk over haar willen uitspreken:

    Alles mag je worden

    Het springzaad knapt, de brempeulen
    knallen open en jij ligt er in je wieg
    als een popelend boontje bij.

    Alles mag je worden van mij: zeeman,
    boswachter, archeoloog. Of –
    als je leven ingewikkelder loopt –

    gesponsord ontdekker van aangroei
    werende stoffen voor scheepsverf,
    alleenstaand paddestoelenfotograaf,

    pacht- en beestenlijstenonderzoeker
    van verdwenen Drentse keuterijen…
    Behalve ongelukkig. Beloofd?

    Maar natuurlijk deed ik niets van dat alles. Bij het volgende station stapte ik uit de trein. En terwijl ik naar huis liep, dacht ik aan een vergelijkbaar voorval lang geleden, toen er ook niemand zijn armen om me heen geslagen had toen ik dat zo heel erg nodig had. Maar zie me hier gaan: meer dan twee keer dertig, en blij met mezelf. Het meisje zou het ook wel redden.

     

    Uit: Schapen nu! / Erik Menkveld / De Bezige Bij (2001)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Oogst week 24

    Diepe aarde

    Maria Vlaar (1964) is (freelance) literair journalist met een lange staat van dienst in de Nederlandstalige letteren. Sinds 2016 werkt ze aan de biografie van Joost Zwagerman. Maar eerst debuteert ze met de verhalenbundel Diepe aarde. Deze week was Maria Vlaar te gast bij Radio Kunststof waar ze vertelde dat ze verhalen is gaan schrijven om de wereld naar haar hand te zetten. In 2014 verloor Vlaar haar man de schrijver en dichter Erik Menkveld, waarna ze is gaan schrijven. Hoewel het verhalen zijn over rouw, verlies en eenzaamheid zijn ze eerder ‘licht op de voet dan zwaar op de hand’. Verhalen over mensen die elkaar dingen aan doen.

    In Diepe aarde gaat het over wat zich verbergt achter alledaagse levens. Een stokoude vrouw koestert bijvoorbeeld haar herinneringen aan gezinsgeluk tijdens een verregende vakantiedag: ‘Alles wat er op de wereld was bevond zich op dat moment in een kleine ruimte van tentdoek, acht vierkante meter, twee grote en drie kleine mensen.’ Vlaar vertelt de levensverhalen en liefdesgeschiedenissen van onder anderen een wetenschapper met obesitas, een man met een dubbelleven en een therapeute die haakt naar seks. Verlangend naar verbondenheid krijgen zij allen te maken met verlies, verraad en rouw.

    Luister hier Radio Kunststof met Maria Vlaar.

    Diepe aarde
    Auteur: Maria Vlaar
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Varia

    James Joyce (1882-1941) schreef naast zijn grote romans ook kleinere werken zoals gedichten, boekbesprekingen, schotschriften tegen de goegemeente, gaf lezingen over de onrechtvaardige kant van de Ierse geschiedenis en een toneelstuk. Om ze zelf te verzamelen en uit te geven kwam er niet van. Maar gelukkig heeft het vertalers duo Bindervoet & Henkes deze taak op zich genomen. Nu zijn dan de losse stukken van James Joyce verzameld in de bundel Varia. Volgens de uitgever: ‘Een daad van gerechtigheid’.

    Varia bevat: jeugdige opstellen (1900); boekbesprekingen (1902-1903); ‘The Holy Office’ (1904); Chamber Music (1907); de Italiaanse lezingen en krantenartikelen (1907-1912); ‘Gas from a Burner’ (1912); Exiles (1914); Pomes Penyeach (1927); Fluviana (1929) en ‘Ecce Puer’ (1932).

    Varia
    Auteur: James Joyce
    Uitgeverij: Athenaeum

    De verloren toon

    De Weense schrijfster Lida Winiewicz (1928) was deze week in Nederland om over haar boek De verloren toon te spreken. Een memoir over haar jeugd. Haar moeder overleed toen zij één jaar, en haar zus zes jaar was. Haar vader hertrouwt jaren later met een Joodse vrouw en wanneer de nazi’s aan de macht komen, vlucht hij met zijn vrouw naar Prijs en laat zijn dochters achter bij zijn zus in Wenen. Als Lida Winiewicz, zelf voor een kwart Joods, studeert voor klassiek zangeres wordt het haar door de nazi’s verboden op te treden. Vanaf dat traumatische moment haalt ze de hoge G niet meer. Achteraf relativeert de schrijfster dit met humor en scherpe ironie. ‘Het schijnt dat je ook kunt leven zonder te kunnen zingen.’

    Naast schrijver is Winiewicz vertaalster, (van onder meer Colette, Graham Greene en Alberto Moravia). In 2017 werd Winiewicz bekroond met de Literaturpreis der Stadt Wien, (na o.a. Elias Canetti en Elfriede Jelinek).

     

    De verloren toon
    Auteur: Lida Winiewicz
    Uitgeverij: Querido
  • Geen alledaags beroep

    Geen alledaags beroep

    Als een vrouw berooid achterblijft nadat haar man is overleden, plaatst ze een advertentie waarin ze zichzelf aanbiedt als voorlezer: ‘prettige stem, komt u voor het slapen instoppen en voorlezen’. Voorlezen, daar is ze goed in. Het wordt een succes; de behoefte aan een verhaaltje voor het slapen is namelijk groot. Ze vertelt niets aan haar uit huis wonende kinderen (voor wie ze alleen maar een moeder en echtgenote is), dat ze elke avond met een huissleutel de woningen van vreemden binnengaat terwijl die in bed op haar liggen te wachten. ‘Dit werk is mijn geheime tuin, pas als hij in bloei staat, beslis ik of ik het hek openzet, en voor wie.’
    De vrouw komt voor in De vrouw met de sleutel door Vonne van der Meer. De roman werd bij verschijning in 2011 veelal als een niemendalletje, een tussendoortje neergezet, maar blijkt bij nadere lezing een zeer knap geheel waarin verschillende verhalen op ingenieuze wijze met elkaar verweven zijn. Het bestaat niet alleen uit verhalen maar gaat ook over het schrijven van verhalen. Beginnend schrijvers  zouden er beslist hun voordeel mee kunnen doen.

    Hoewel ik niet berooid ben maar wel sinds een maand werkloos, overwoog ik of ik iets soortgelijks had in te zetten waarmee ik de kost zou kunnen verdienen. Mijn ambachtelijke professie is zuurdesembroden bakken. De geur van ovenvers brood werkt opwekkend. Die geur zou ik kunnen verkopen zodat mensen met een vernietigend ochtendhumeur goed de dag inkomen. ‘Broodbakster, brengt geur van gebakken brood bij u thuis waardoor u opgewekt de dag begint. Voor het hele gezin.’ 

    Maar het liefst zou ik ‘brievenschrijver’ worden al betwijfel ik of dit een openbare behoefte zal dienen. Wie zou aan Tsjechov willen schrijven? Hem vragen of hij werkelijk zijn verhalen schreef aan een keukentafeltje in zijn ouderlijk onderkomen in Moskou? Hoe hij kon schrijven te midden van het huiselijke rumoer of inspireerde hem dat juist? Een brief aan Natalia Ginzburg, waarin ik haar schrijven zal dat haar verhalen nog steeds mijn maatstaf zijn. Of aan Frida Vogels, om te vragen wat zij van het huwelijk in het algemeen vindt. Dat haar boeken me met ernst en stilte vervulden. Alles ondertekend met ’Hoogachtend’, zoals Erik Menkveld dat deed in zijn prachtige en ook ontroerende brievenboek Met de meeste hoogachting. Brieven aan onder meer Boeddha, John Coltrane en zijn kinderen. Ik vrees dat ik daar geen droog brood mee verdienen zal.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Mooie zintuigen

    Mooie zintuigen

    Op 30 maart 2014 overleed onverwacht dichter, essayist en romancier Erik Menkveld op 54-jarige leeftijd. Hij publi- ceerde drie dichtbundels, De karpersimulator (1997), Schapen nu! (2001) en Prime Time (2005), waarin hij een duidelijke ontwikkeling liet zien.


    Vanaf een binnenplaats gestaard te hebben
    naar de oude sterren
    op een donkere bank gestaard te hebben
    naar de uitgestrooide lichten,
    die mijn onwetendheid niet kon benoemen
    of ordenen tot sterrenbeelden,
    verwijld te hebben bij de watercirkel
    in de geheime regenput,
    het geuren van jasmijn en kamperfoelie,
    de stilte van de vogel in zijn slaap,
    de boog van het portaal, de vochtigheid
    – die dingen zijn misschien wel het gedicht.

    J.L. Borges, vertaling Barber van de Pol en  Maarten Steenmeijer.


    Bij de dood van een dichter kantelt zijn oeuvre. De drie bundels die Erik Menkveld (1959-2014) publiceerde zijn nu de enige drie bundels geworden. En bij het herlezen van die poëzie kantelt de lezer mee, want veel gedichten krijgen een geheel andere portée wanneer de dichter dood is. En dan niet alleen de meer voor de handliggende gevallen van ‘pijnlijke’ gedichten die refereren aan het midden-in-het-leven staan (gedichten voor kinderen bijvoorbeeld) en die dus altijd wel bitter zijn geworden, maar ook gedichten die in het licht komen te staan van een zekere manier van kijken die nu typisch is geworden voor deze dichter.

    Menkveld ontwikkelde zich in zijn oeuvre ruwweg van een lichte ‘inlevende’ dichter à la  Szymborska in De karpersimulator, tot een waarnemende en verzamelende à la Borges in Prime Time. Menkveld heeft een opmerkelijke hoeveelheid perspectieven beproefd –  misschien wel de meeste in het Nederlands taalgebied –  hij schreef niet slechts over een ‘popelend boontje’,  of  was ‘geeuwend uit eeuwige leeuwheid’, of bezag de wereld vanachter de net neergeslagen ogen van een stenen meisje van de beeldhouwer Hildo Krop:

    Mij en heel de roekeloos
    veranderlijk bestaande stad die mij omgeeft

    brengt zij tot stand vanuit dat veel te hoge hoofd;
    hier fiets ik, onverklaarbaar volledig aanwezig

    op een brug in Amsterdam-Zuid – vreemde inval
    van een stenen meisje, dat even haar ogen sluit.

    Tot zelfs het perspectief van het raamkozijn:

    Nu we de kozijnen zijn
    in deze keuken, kijken
    ze wel naar de leuke
    overbuurvrouw op haar
    balkon of een bescheiden
    lijnvlucht die overkomt,
    maar niet naar ons
    die alles omlijsten.

    Menkveld wel. Zowel dit mild schertsend geportretteerde misnoegde kozijn als de stenen gedachten van een meisje in welke hij zelf figureert tekenen Menkvelds buitengemene behoefte zijn eigen bewustzijn te verbreden.

    Iemand schreef naar Menkvelds uitgever een ‘asymmetrische vriendschap’ te zijn gaan voelen na het lezen van zijn boeken, asymmetrisch omdat de vriendschap van een lezer voor een schrijver van éen kant komt, vriendschap omdat het lezen van sommige schrijvers juist dat met je doet: dat je vrienden met de schrijver zou willen worden. Diezelfde asymmetrie heeft Menkveld in zijn ‘incorporaties’ – want dat zijn het, hij verdwijnt in het lichaam van andere dieren, objecten, kunstwerken, bezielt ze. Hij vergroot zijn eigen wereld door zowel kozijn als gebeeldhouwd meisje te kunnen zijn. En daar zit dan misschien toch wat melancholie, een diepe spijt op te moeten houden waar je ophoudt.

    Of zoals het energiek luidt in het motto van de tweede bundel Schapen nu!: ‘Groots is de Schepper! Wat gaat hij nu van je maken? Waar gaat hij je nu heensturen? Zal hij je misschien tot de lever van een muis maken? Of tot de poot van een insect?’ Het is een citaat uit een taoïstisch geschrift, en inderdaad zal de schepper van Menkvelds bundel je als adem door de longen van een schaap doen gaan. Menkveld is soms redelijk Tao.

    Dat heeft me altijd dwarsgezeten: elk dier
    dat men ziet is een fractie van mij.

    Van deze kunstige dier- en ding bezieling dus, beweegt het werk van Menkveld zich naar het verzamelen van sensaties met een steeds grotere precisie. Een poging zelf middelpunt van alles te worden, een aleph, in Borgesiaanse termen, de plek waar alles samenkomt. Menkveld ontwikkelde zich van een goedgeluimd ‘ bezieler van alles’ naar een dichter die wat hij ziet, leest, proeft, hoort, denkt,  binnenhaalt, is, en welgeformuleerd doorgeeft.

    In het zelfportret ‘Mooie zintuigen’  kijkt de dichter in de ruit van een trein en ziet sardonisch

    Doppen niet al te benepen,
    gok niet te gek, geen fietsenrek

    maar verderop, directer

    mooie zintuigen moet ik zeggen,
    al heb ik ze liever ongemerkt
    van binnenuit in gebruik

    We zien de dichter even naar zichzelf kijken. Menkveld is vaak evenwichtig en monter – een uitgesproken melancholiek gedicht steekt er als opvallend uit – en in dit prachtig gecomponeerd en muzikale gedicht wervelt de dichter naar een scherpe apotheose. Hij ziet een medereiziger in de spiegeling en

    Moet je mij onverstoorbaar
    zien blijven: ongerept bedachtzaam
    medereiziger, zich duidelijk
    niet bewust hoe smeulende
    overbuurvrouw terloops
    zijn weerspiegeling beschouwt
    vanuit het dansfeest op haar hoofd.
    Niet éen keer lijk ik uit mijn
    ogenschijnlijk kijken naar het
    dwars door haar lawaaiig staren
    en mijzelf heen razend grazen
    varen bouwen op te kijken.

    Een schitterende zin die Menkveld ten voeten uit is: relativerend, precies, verrassend, tot denken aanzettend, je verplaatsend. Erik Menkveld was een culturele veelvraat, wereldpoëzie, film, beeldende kunst, klassieke muziek, in alle gedaanten, de klassieken, culinaria,  jazz, religie, filosofie verpakt hij in dit oeuvre op een laconieke wijze en op zo’n manier dat het glanst. Ook wel dat het swingt, of statig danst. Of uitschiet, maar fraai, omdat het langste Menkvelddichtwoord appelrodewingerdrankomrande er in moest. Of een oplawaaiverzekerend komaaropkind. Menkveld kon goed schapen bezielen en zich inleven in zijdehandelaren, maar het mooiste aan Menkveld bleken zijn zintuigen. Veel van wat zij onbekommerd waarnamen is er nog.

     

    Dit stuk is eerder verschenen in Poëzietijdschrift Awater (2014).

    Erik Menkveld publiceerde de bundels, De karpersimulator (1997), Schapen nu! (2001) en Prime Time (2005). In januari 2016 verscheen Verzamelde gedichten bij uitgeverij Van Oorschot.

     

     

  • In memoriam Erik Menkveld (1959-2014)

    Dichter, prozaïst, essayist en leraar.

    Erik Menkveld werd geboren in Eindhoven en bracht zijn lagere schooltijd in Tanzania en Ghana door. Later verhuisde hij naar Driebergen-Rijsenburg vanwaar hij het lyceum bezocht in Doorn. Hij studeerde af  aan de Vrije Universiteit Amsterdam op het annoteren van een aantal brieven uit de briefwisseling tussen A. Roland Holst en zijn oom en tante, Richard en Henriëtte. Na zijn studie Nederlands vond hij direct werk als redacteur bij De Bezige Bij, waar hij na verloop van tijd het poëziefonds onder zijn beheer kreeg. Van 1998 tot 2002 was hij organisator en programmamaker bij Poetry International. Van 2000 tot 2007 was hij redacteur van Tirade en voor de Volkskrant schreef hij vanaf 2009 poëzierecensies en dichtersnecrologieën. De laatste jaren combineerde hij zijn schrijverschap met het geven van literatuurlessen op een lyceum.

    In 1997 debuteerde Menkveld als dichter bij De Bezige Bij met de bundel De karpersimulator, waarvoor hij de Lucy B. en Van der Hoogtprijs en de C. Buddingh’prijs ontving. Daarna publiceerde hij nog twee dichtbundels, Schapen nu! (Bezige Bij 2001) en Prime time (Van Oorschot 2005). Zijn dichtwerken gaven de indruk van een luchtige opgeruimdheid. In een interview met Elisabeth Lockhorn, naar aanleiding van het verschijnen van zijn derde bundel Prime time, vertelde Menkveld dat hij, door het samenwerken met Hugo Claus aan diens verzamelbundel Gedichten 1948-1993, van Claus leerde dat gedichten niet in je hoofd ontstaan maar onder je handen. ‘Dichten is geen bevlogen aangelegenheid, maar puur vakwerk’.

    In 2006 verscheen Met de meest hoogachting, een essaybundel in de vorm van brieven aan bewonderde kunstenaars waaronder John Coltrane, Boeddha, Martinus Nijhoff, Herman Teirlinck en F. Harmsen van Beek. Menkveld liet zich inspireren door de brieven die de Italiaanse dichter Petrarca onder andere schreef aan klassieke auteurs als Cicero en Seneca. In 2008 was Menkveld, samen met Tsead Bruinja, Marjoleine de Vos, Hagar Peeters en Ramsey Nasr in de race voor de verkiezing van Dichter des Vaderlands, waarbij uiteindelijk de keus op Nasr viel.

    In 2011 verscheen zijn prozadebuut Het grote zwijgen, een historische roman over de vriendschap tussen de jonge muziekrecensent Matthijs Vermeulen en de veel oudere componist Alphons Diepenbrock. Het grote zwijgen werd bekroond met de Academia Literatuurprijs 2012. Volgens zijn uitgever, Wouter van Oorschot, vormde dit boek een belangrijke stap in zijn schrijverscarrière. Het boek werd alom als succesvol gewaardeerd en toonde Menkveld ‘in optima forma: studieus en warmbloedig’, aldus Van Oorschot.

    Het Liegend konijn publiceerde in de tweede editie van 2012  nog enkele gedichten van Erik Menkveld. In het gedicht Ademloos schreef hij het volgende: (…) ‘En ik zag zijn ademloze mond / en hoe hij meteen verdwenen was / waar hij nog lag, een afgevallen  / kamerjas, en ik keek maar, keek / naar zijn wagenwijd verlaten / hoofd en nooit eerder had ik zo / de neiging hem geluk te wensen.’
    Alsof het plots overvallen worden door de dood, gepaard gaat met ‘geluk’ hebben.

    Erik Menkveld overleed zondag 30 maart aan een hartstilstand. Hij laat een vrouw en drie kinderen achter. Vrijdag 4 april wordt Menkveld in Amsterdam begraven.

    Op Tirade.nu schreef Menno Hartman, redacteur van Erik Menkveld, een persoonlijk ‘In memoriam’.    


    Foto: Chris van Houts

     

     

  • Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    Zomernummer Tirade – Twee kamers in het verleden

    ‘Een kamer in het verleden’ werd vorig jaar door de VPRO uitgezonden bij het radioprogramma ‘De Avonden’. Vijftien auteurs werden om beurten naar het eilandje Senneroog op het Lauwersmeer gebracht waar ze op een woonboot een week in afzondering doorbrachten. ‘De kamer van J.H. Leopold’ deelt deze Tirade in tweeën.

    Zonder telefoon, geen internet, radio of televisie en afgesloten van elk menselijk contact met uitzondering van een zwijgende koerier, die dagelijks in zijn speedbootje de radiobijdrage voor die avond afhaalde. Dat ondervonden vijftien auteurs die op uitnodiging van de VPRO voor een week in afzondering leefden op een woonboot. De eenzaamheid opzoeken om daar verslag van te doen via de radio. Dat doet denken aan de jaren zeventig, toen  Godfried Bomans en Jan Wolkers ieder een week in volledige afzondering, kampeerden op Rottumerplaat. Bomans was aan het einde van zijn week een depressie nabij terwijl Wolkers steeds lyrischer werd.
    Vijf van deze auteurs kijken terug en doen  in deze Tirade verslag van hun bevindingen.

    Gerbrand Bakker nam zich voor aan een toneelstuk te schrijven maar kreeg geen woord op papier. Het eiland trok hem naar buiten, moest in cultuur gebracht worden. Paden vrijmaken en bewegwijzering aanbrengen. Atte Jongstra gooit zijn vele ikken in de strijd en met de Eerste Stokkensnijder bouwt hij verder aan waar Bakker mee begonnen was. Geschokt reageerden beiden op het ’terug aan de natuur’ plan van Wim Helsen die na hen kwam en die overmoedig alles vernielde wat zij hadden bewerkt en gevormd. Het hield de gemoederen nogal bezig.
    Maarten Doorman weet niet wat de stilte met hem gedaan heeft. Stilte bestaat zolang die hoorbaar is, volgens Doorman. De stilte op het eiland werd hoorbaar door het klapperen van het vlaggentouw tegen de mast en het zacht klotsen van het water. Mooi gevonden.
    Ook boswachter Jan Willems, die het hele project in zijn natuurgebied begeleid heeft, blikt terug met kennis van zaken.

    Het deel Een kamer in het verleden draagt op de cover een still uit de video Man op het wad van de NCRV uit 2002. Deze mysterieuze Duitse man, die erin slaagt  te overleven zonder amper een spoor achter te laten en die schijnbaar steeds bij toeval gevonden wordt, bevindt zich dicht bij het eiland Senneroog. Dit spreekt tot de verbeelding van Menno Wigman. Hij raakt zo geobsedeerd door het idee dat er rond het eiland  een man is die hij niet kan zien en die niet gezien wil worden, dat de organisatoren besluiten Wigman te vertellen dat die man niet bestaat. Dit lijdt tot grote woede bij Wigman. Hij was sowieso niet gecharmeerd van dat hele idee van afzondering. Hij begint zijn verslag dan ook met de bekentenis dat hij het een verschrikking vond. Hij was woedend op alles en iedereen en vooral op zichzelf. Dat hij zichzelf erin gelokt had, in de valkuil van een illusie.

    Maartje Wortel vond het wel prima eigenlijk. No big deal, lijkt ze te zeggen. Zes dagen eiland en dan weer naar huis. Ze zou Menno Wigman wel graag willen mailen dat de Duitse man echt bestaat, zo heeft ze vernomen van iemand die het weten kan. Maar ze durfde niet, omdat hij zo boos was, op iedereen leek wel. Nu is ze bang dat die boosheid zich op haar zal richten. Dus maakt ze van de gelegenheid gebruik zich in haar verslag tot Wigman te richten. ‘Maar Menno: het is dus echt waar, van die Duitser.’

    Door Een kamer in het verleden komen we via de andere kant van Tirade in De Kamer van J.H. Leopold. Dick van Halsema, biograaf van de dichter Leopold (1865-1925) is vooreerst bezig met het verzamelen van materiaal over het leven van de dichter.  Onlangs kreeg hij  via een familielid van Leopold deze foto in handen die de andere coverzijde siert van Tirade. Een foto van de werkkamer van J.H. Leopold gelegen aan de Van Oldenbarneveldtstraat te Rotterdam.  Werkkamers van schrijvers spreken tot de verbeelding. Op de website www.dekamervanleopold.nl wordt auteurs gevraagd te reflecteren op een element van deze foto. Dat leverde verschillende bijdragen op van o.a. Hester Knibbe, Miek Zwamborn en H.T.M. van Vliet.

    Volgens Anton Korteweg is het interessant je af te vragen in hoeverre de voorwerpen in de werkkamer van een schrijver in relatie staan tot de schrijver zelf. En ziet op de foto vooral wat ontbreekt: een zwart leren brievenmap, weet hij, waar de dichter de brieven van zijn favoriete leerling Latijn bewaarde, bevindt zich in het Letterkundig Museum.
    Barber van de Pol . associeert  de dichtkunst van Leopold met het knopen van een tapijt. Wanneer ze in Turkije of Marokko door de kashba of soek loopt en al die tapijten daar ziet hangen en liggen in hun betoverende aantrekkelijkheid, denkt ze altijd, ergens ver weg, aan Leopold.
    ‘(…) Leopold (…) als mede-onderdeel van het lila, het purper, het rood en het goud.’

    Verder Kroniek van de roman van Carel Peeters. Ditmaal over het romandebuut van de dichter Erik Menkveld, Het grote zwijgen. Afgezien van een prachtige kunstenaarsroman waarin het echte leven getoond wordt is het ook een cultuurfilosofische roman dat tot vergelijkingsmateriaal kan dienen voor de hedendaagse kunst, aldus Peeters.

    www.vpro.nl/eenkamerinhetverleden_podcast

    Tirade nr. 439 nu ook te koop als e-Boek € 8,00

     

     

  • Zwervende zenuwen en voorspanning

    Zwervende zenuwen en voorspanning

    Recensie door Coen Peppelenbos

    Stel: je pakt vier willekeurige zelfstandige naamwoorden uit de krant. Generaal, oven, buien, loflied. Onwillekeurig gaan je hersens dan aan de gang om een samenhang tussen die woorden te vinden. Alhoewel ze hun context kwijt zijn, krijgen ze door de nieuwe woorden vanzelf een nieuwe context. In het titelgedicht ‘Prime time’ in de laatste bundel van Erik Menkveld gebeurt hetzelfde. Je hebt eerst niet door wat er precies staat, want het gedicht springt van een nieuwsitem over naar een documentaire, naar een kookprogramma, terug naar de documentaire etc. Kortom: de lezer zapt met de dichter mee de kanalen langs waar tv-programma’s op prime time worden uitgezonden. Gewend als je bent om de betekenis te zoeken, komen er rare verbindingen tot stand.

    ‘Monsterlijke reus ontpopt zich als messias, wordt later / samen met ontsnapte gevangene voor homostel gehouden / in Texaans dorp. De tomaten. Dompel ze in kokend water.’

    Je houdt je hart vast voor dat vermeende homostel.
    Erik Menkveld was jarenlang redacteur bij de Bezige Bij en programmamaker bij Poetry International. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in zijn gedichten andere dichters opduiken. Zoals Gerrit Kouwenaar en K. Schippers. Voor de overleden dichter Kees Ouwens maakt hij een Ouwens-gedicht, met de vele typische herhalingen. Elke zin begint met ‘Geen’ en vertelt wat er gemist wordt door de dood van Ouwens. ‘Geen doorwandeld goed meer zonder deze woorden, / zonder suizeling die huivert van zichzelf.’
    Maar ook de overleden vertaler Gerard Rasch herdenkt hij in een gedicht waarin hij een herinnering ophaalt aan een gezamenlijk uitje met de dichter Zbigniew Herbert. In dit gedicht leggen de woorden het af in de laatste strofe:

    ‘ach Gerard wat sprak ik wat sprak jij
    toen nog vanzelf elk in ons eigen
    achterbakse lijf dat ons nog even
    niet de mond ging snoeren dacht ik
    denk ik dacht jij.’

    Iets vrolijker is een soort pastiche op een gedicht van Bloem. Een dichter die je als je jong bent goed vindt omdat de somberte zo heerlijk is om in weg te kwijnen. Maar bij Menkveld viel ‘de bitterheid best mee’.
    Menkveld schrijft zo op het eerste gezicht vrij makkelijke gedichten. De beelden die hij gebruikt zijn niet heel erg apart, de woorden niet heel erg uitzonderlijk en ook zijn versvormen zijn vaak bedrieglijk simpel. Soms lijkt het ook proza-achtig te beginnen, alsof hij een verhaaltje vertelt, maar het veelvuldig gebruik van enjambementen dwingt je om terug te gaan, opnieuw te lezen en te kijken waar je gedachten het spoor bijster raakten. Menkveld is geen grote ontregelaar en dat is ook wel eens prettig in de huidige poëziewereld.

    Het mooiste gedicht in de bundel vind ik ‘Voorspanning’. De ik-figuur zit te wachten op een geliefde en heeft last van ‘zwervende zenuwen’ en dan leest hij ook nog in een blad het woord ‘voorspanning’. ‘Toevallige taal die gaat vonken’ noemt de dichter het en hij schrijft het ook gewoon zo op en het is ook precies wat er op dat moment in zijn leven gebeurt. Sterker nog: als ik in de toekomst zal wachten op een geliefde zal ik ook last krijgen van voorspanning en zwervende zenuwen. Die woorden gaan niet meer uit mijn systeem.

    ‘En dan sta je aan mijn tafel: lachend
    ontspannen, nauwelijks te laat. Ik ga je

    maar niet onder woorden brengen.
    Al mijn organen in lichterlaaie, probeer

    ik me nog uit de vuurzee te redden
    met iets vanzelfsprekends op je kaak.’