• Ontworteld in het vooroorlogse Parijs

    Ontworteld in het vooroorlogse Parijs

    Nachtwoud is geen toegankelijk boek. Het wordt de lezer niet gemakkelijk gemaakt, maar ook de vertaler niet, zoals vertaler Engels-Nederlands Erik Bindervoet in het begin van zijn ‘nachtwoord’ (dus geen ‘nawoord’) stelt. Een beetje zelfingenomen wel die constatering, en tikje valse bescheidenheid maar geloofwaardig is het ook.

    Nachtwoud van de Amerikaanse bohémien journaliste en auteur Djuna Barnes (1892-1982) is een boek dat je enerzijds niet loslaat maar anderzijds ook moeilijk te volgen is. Het vertelt het verhaal van een aantal zoekende, ontwortelde mensen in het kosmopolitische Parijs van de jaren twintig van de vorige eeuw tijdens hun vooral nachtelijke belevenissen en ontmoetingen. De kern van het boek, de hoofdthese, is de mythe van de romantische liefde. In het boek ‘de vleesgeworden leugen van ons tijdsgewricht’ genoemd, ‘de liefste leugen van ons allemaal’. Het dichtstbij komt nog de liefde tussen vrouwen, maar ook die schiet in de ogen van Barnes uiteindelijk tekort.

    ‘De liefde, dat erge ding!’

    Uit een – uiteraard nachtelijke –  scène in een rijtuig van drie personen, hoofdpersoon Robin, een vrouw die zoekt naar liefde maar ook gezocht wordt, met Jenny en de (mannelijke) dokter; ‘Ach zei hij, de liefde, dat erge ding!’. Ze (Jenny) begon op de kussens in te beuken met haar dubbele vuist. ‘Wat weet jij daar nou van? Mannen weten er nooit iets van, waarom zouden ze ook? Maar een vrouw moet er wel van weten – zij zijn fijngevoeliger, heiliger, mijn liefde is heilig en mijn liefde is groots!’. Maar hoofdpersoon Robin maakt er korte metten mee: ’Hou je mond, zei Robin en legde haar hand op haar knie. ‘Hou je mond, je weet niet waar je het over hebt. Je praat de hele tijd en je weet nooit iets. Dat is zo’n afschuwelijke zwakte van je. Jezelf identificeren met God, hou ermee op!’. De scène eindigt in een gevecht tussen de twee vrouwen, waarna Robin uit het rijtuig springt, kort daarna gevolgd – toch – door Jenny. De twee vrouwen vertrekken daarna per boot naar Amerika. Hun relatie, een groot woord voor een ingewikkelde omgang met elkaar, eindigt met een hysterische Jenny. Robin trekt nu weer naar een van de andere vrouwelijke hoofdpersonen, Nora, maar ook dat loopt niet goed af. Een gewelddadige nachtelijke scène in en bij een kapel buiten New York waarbij èn Nora èn een hond het leven laten is het einde van het boek.

    Op zoek naar de liefde

    Nachtwoud
    laat zich niet of nauwelijks lineair navertellen, je moet je erin onderdompelen zonder dat je je voortdurend afvraagt wat er gebeurt, wie waarom handelt en wat de preciese uitkomst is van de nachtelijke voorvallen. Het verhaal meandert rond een handjevol hoofdpersonen die allen nogal bijzonder zijn. Wat hen bindt is een gevecht rond hun identiteit, ze zijn uitgestoten, en proberen via de ander zichzelf beter te leren kennen. Dat lukt steeds niet en dan is de enige remedie daartegen gewoon maar verder leven en zonodig een verleden ‘stelen’.  Een ‘wandelende Jood’ Felix Volkbein, de echtgenoot (op afstand) van Robin, dokter Matthew O’Connor, en de al genoemde vrouwen, hoofdpersoon Robin, en Nora en Jenny; ze zwerven door de nacht, op zoek naar elkaar, maar de echte liefde is onbereikbaar. Ze zoeken allen vooral naar de liefde van Robin, de meest identiteitsloze in het boek. Maar bij dat zoeken naar de liefde van Robin, zoeken en dienen ze vooral zichzelf. Nora: ‘Mijn God, wat is liefde? De mens op zoek naar zijn eigen hoofd?’

    Proza

    Intussen geniet je wel van het uiterst knappe en beeldende proza van Barnes. Zoals over het huis van Jenny, ‘volgepropt met tweedehands transacties met het leven’. Ze draagt de trouwring van een ander om haar vinger, vult haar bibliotheek met door anderen gekozen boeken en haar woorden ‘leken haar te zijn uitgeleend’. Nog een voorbeeld, ook over Jenny. De verteller (in het tweede deel van het boek de dokter, in het eerste deel is er een soort voice-over) zegt over haar: ‘Zij heeft de kracht van een onvolledig ongeluk – je wacht de hele tijd op de rest, op de laatste vuiligheid om het geheel af te maken; ze werd geboren op het randje van de dood, maar helaas zal ze niet bejaard worden als jongere – wat een ernstige vergissing van de natuur is’. Nog een voorbeeld, exemplarisch voor het hele boek. Felix (Volkbein) is in gesprek met de dokter. ‘Bent u bekend met Wenen informeerde Felix. “Wenen,” zei de dokter, “het bed waar het gewone volk in klimt, tam van de arbeid, en waar de adel zich uitgooit, wild van waardigheid”’. Niet echt makkelijk leesbaar, zeer barok, maar beeldend en ook wel unheimisch. De plaatsen waar de hoofdpersonen elkaar ontmoeten zijn ook bijzonder, een circus en een groot bed, beide dus weer nachtelijke plekken. Het circus wordt beeldend beschreven, maar ook nogal abstract. Felix komt er regelmatig. ‘De emotionele spiraal van het circus, ontsprongen aan de gigantische ontluistering van het publiek, afgeketst van zijn onbegrensbare hoop, bracht in Felix verlangen en onrust teweeg. Het circus was een geliefd object dat hij nooit kon aanraken, derhalve nooit kon kennen’.

    Djuna Barnes

    Deze zoektocht naar de ander en naar de liefde is misschien wel exemplarisch voor het leven van de schrijfster, Djuna Barnes. Zij groeide tijdens de overgang van de 19e naar de 20e eeuw op in upstate New York in een onsamenhangend gezin (voorwoord Xandra Schute: ‘een kakelbont gezin’). In 1912 vestigde zij zich als journaliste in de stad New York, met in haar vak en haar leven een fascinatie voor het ontuchtige, vreemde en bizarre. Daaronder het circus. Ze was een, zeker voor die tijd, onafhankelijke, geëmancipeerde vrouw met een toen nieuwe stijl van schrijven, die van de participerende journalistiek. Het leven in Parijs in de jaren twintig, de stad van Hemingway, Gertrud Stein en vele andere Amerikaanse bohémiens/kunstenaars paste haar. Daar stopte ze met de opdracht journalistiek voor bladen als McCalls en ging schrijven, poëzie, korte verhalen, toneelstukken, een lesbische sleutel-almanak, en uiteindelijk in 1936, en inmiddels verhuisd naar Engeland, Nachtwoud. Daarbij geholpen door T.S. Eliot, eindredacteur bij uitgeverij Faber & Faber, die veel zag in dit boek. Hij suggereerde een andere, ook wel passende, titel: Bow down, the Anatomy of Night. Vertaler Erik Bindervoet tekent nog aan dat de uiteindelijke titel Nightwood wel eens zou kunnen slaan op de grote liefde van Djuna Barnes, Thelma Wood: ’Nigh T Wood’, bijna T. Wood. Barnes ontkende dit en sprak van ‘night-shade, poison and night and forest. Nachtschaduw, vergif en nachtelijk woud. Bijzonder om nog te vermelden is dat zij het boek schreef in het Engelse landhuis van de toen jonge beroemde Amerikaanse kunstverzamelaarster Peggy Guggenheim. In 1940 ontvluchtte ze het brandende Europa, terug naar de VS, waar ze tot 1982 een kluizenaarsbestaan leidde, vaak ziek en veelal verslaafd aan de alcohol. Bijna niemand liet ze nog toe in haar leven.

    Als poëzie

    Het is mooi dat dit cultboek over nachtelijke dromen drinken in het artistieke Parijs van de jaren twintig in een nieuwe, sprankelende vertaling is verschenen. De vorige dateert uit 1963, herzien in 1979. Bindervoet heeft als vertaler zijn sporen verdiend tot en met de Beatles. Aan Nachtwoud wordt nu, anno 2025, wel de term ‘Queerklassieker’ gehangen. Dat is het ook wel met die nadruk op de homoseksuele liefde, maar het is vooral een boek dat over je heen golft en dat je het beste als poëzie kunt ondergaan. Advies: lees het in één keer uit, en raadpleeg daarna vooral het nawoord van Xandra Schutte en het nachtwoord van vertaler Erik Bindervoet. Dat helpt enorm om het boek op de juiste waarde te schatten. Die waarde is groot, zeker als je het moment van verschijnen in 1936 in ogenschouw neemt. Nederland moest lang op een vertaling wachten, maar heeft nu een schitterende herkansing.

     

     

  • Oogst week 25 – 2024

    Deze vreemde bewogen geschiedenis

    In de Aantekeningen achter in Deze vreemde bewogen geschiedenis schrijft Claire Messud (1966) dat haar boek fictie is: ‘Maar de wederwaardigheden van de familie Cassar sluiten nauw aan op die van mijn eigen familie. De ouders van mijn vader waren geboren en getogen in Algerije’.
    Deze vreemde bewogen geschiedenis begint op 14 juni 1940 in Salonika (Thessoloniki) waar Fransman Gaston Cassar marineattaché is op de ambassade van zijn land. De Duitsers hebben op die dag Parijs bezet en daarmee veranderen leven en werk van Cassar. Hij gaat niet in op de oproep van De Gaulle vanuit Londen aan alle nog vrije Fransen om zich bij hem aan te sluiten, maar besluit zijn eigen weg te gaan. Zijn vrouw Lucienne en de kinderen naar haar geboorteland Algerije. Daar worden ze bepaald niet meer welkom geheten omdat ze getrouwd is met een vertegenwoordiger van de koloniale heerser. Zo is zij, die al vreemdeling was in Salonika, nu ook in hun land van oorsprong niet thuis.
    Vanaf dat moment volgen we de familie Cassar gedurende drie generaties, om in 2010 te eindigen in Connecticut. Het verhaal van deze familie ontrolt zich in wisselende perspectieven en verspringend door de jaren.
    Van Claire Messud (1966) verschenen in Nederland eerder Het vorige leven, Meisje in brand en De kinderen van de keizer.

    Deze vreemde bewogen geschiedenis
    Auteur: Claire Messud
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Nooit moet je me vragen

    Eind vorig jaar verscheen in de privé-domeinreeks een heruitgave van de beroemde verzameling herinneringen, Familielexicon, van Natalia Ginzburg in de vertaling van Jan van der Haar. Nu, amper een half jaar later, is er de bundel essays en verhalen van de schrijfster, die in 1916 werd geboren als Natalia Levi en stierf in 1991 (Ginzburg was de naam van haar in de oorlog vermoorde man). De bundel die oorspronkelijk verscheen in 1970 is eveneens door Jan van der Haar vertaald. Eén van de verhalen is ‘De ouderdom’, geschreven in december 1968, toen ze dus 57 jaar oud was. Het begint als volgt: ‘Nu worden wij wat we nooit wilden worden: oud. Ouderdom hebben we nooit gewild of verwacht; en toen we ons die trachtten voor te stellen was dat altijd oppervlakkig, grofweg en vaag. Ze heeft ons nooit zo nieuwsgierig of belangstellend gemaakt. (In het verhaal van Roodkapje was degene die me het minst nieuwsgierig maakte haar grootmoeder, en het kon ons geen bal schelen dat ze veilig en wel uit de buik van de wolf kwam.) Het merkwaardige is dat we, nu ook wijzelf oud worden, geen belangstelling voelen voor de ouderdom (…) Onze blik zal altijd nog op de jeugd en kindertijd gericht zijn’.
    In het boek zijn tal van commentaren op het werk van Ginzburg opgenomen.

    Nooit moet je me vragen
    Auteur: Natalia Ginzburg
    Uitgeverij: Nijgh en Van Ditmar

    Jericho

    Jericho is de vierde roman van schrijver en dichter Lammert Voos. Een roman over het behouden van waardigheid en menselijkheid in oorlogstijd. De journalist Adam bevindt zich als correspondent in de denkbeeldige stad Jericho. Het boek begint met een proloog waarin Adam worstelt met zijn herinneringen aan zijn oorlogcorrespondentschap in Jericho. ‘Niets had hem voorbereid op de stank en de chaos, de beelden die ’s nachts terugkwamen.’ Voos werkte als vluchtelingenwerker tijdens de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië. Deze roman is gebaseerd op zijn ervaringen. In het boek raken enkele mensen ingesloten in een belegerde stad waar vervolgend de anarchie uitbreekt.

    ‘De pantserwagen ploegde voort en bereikte het oude stadscentrum, reed langs de neoklassieke gebouwen, de eens zo mooie parken die nu allemaal kerkhoven waren, langs het station, in de richting van Hotel International. Achter het hotel lag de vn-compound en in het hotel huisden de fixers, de journalisten, hulpverleners, hoeren, pooiers en de gangsters die de stad in werkelijkheid controleerden. Mogadishu, Kabul, Goma, Bagdad; al die steden hadden zo’n hotel. Binnen heerste wapenstilstand, één stap buiten en je was vogelvrij.’

    De gebeurtenissen zijn schrijnend en beklemmend, ieder moet zichzelf redden (je maakt je een levendige voorstelling van Gaza als je dit boek leest). Ook denk je aan dat bijbelverhaal, ‘Val van Jericho’. En ja, zie dan je menselijkheid en waardigheid maar eens te behouden. Het boek is opgebouwd in kleine hoofdstukken, onderscheiden door steeds een witte bladzijde. Zo kan dit belangrijke verhaal in afgepaste stukje gelezen worden.

     

     

    Jericho
    Auteur: Lammert Voos
    Uitgeverij: Thomas Rap
  • Eigengereide Lehmann mag niet in vergetelheid raken

    Eigengereide Lehmann mag niet in vergetelheid raken

    Nu is er dan toch een bloemlezing verschenen van de gedichten van Louis Lehmann (1920-2012) ondanks zijn uitdrukkelijke gebod ‘Gij zult niet bloemlezen!’ De samensteller ervan, Erik Bindervoet, heeft deze markante uitspraak zelfs als titel gekozen voor zijn keuze uit de poëzie van Lehmann. Hoewel hij hiermee lijnrecht tegen de wens van de dichter lijkt in te druisen, is het minder oneerbiedig dan het lijkt; Lehmann zelf wenste immers als dichter ook niet de gebaande paden te bewandelen en ging vaak dwars in tegen de heersende opvattingen over wat poëzie zou moeten zijn. Wel is het vreemd dat een kleurenfoto van de samensteller op de binnenkant van de kaft te zien is, waar Lehmann zelf het met een zwart-wit foto op de achterflap moet doen. Andersom zou meer voor de hand hebben gelegen. Maar Lehmann hield er niet van om zichzelf op de voorgrond te plaatsen, dus is het bij nader inzien misschien bewust zo ingedeeld met het oog op de dichter.

    Bindervoet heeft de gedichten uit het oeuvre van Lehmann uitgekozen ‘als een gemiddeld onbevangen lezer’, zoals hij zegt in zijn verantwoording. Hij heeft zelf de illustraties verzorgd, gebaseerd op foto’s en tekeningen van Lehmann en een nawoord in dichtvorm geschreven, dat een ode aan Lehmann wijdt. De afdelingen in de bloemlezing zijn door Bindervoet gekozen uit onderwerpen die een rol gespeeld hebben in het leven van Lehmann, zoals bijvoorbeeld Steden, Varen en Reizen, (omdat Lehmann naast dichter ook scheepsarcheoloog was), Muziek, (omdat Lehmann ook vertaler en componist was), Paren en De Leeftijd en zo. De indeling is van Bindervoet, die naar eigen inzicht de gedichten onderbracht onder zijn zelfgekozen thema’s en daarmee de veelzijdigheid van Lehmann uitdrukte. 

    Wars van pretenties

    De eigengereidheid van Bindervoet als samensteller wordt overtroffen door die van Lehmann als dichter. De gedichten zijn beurtelings absurdistisch, surrealistisch, humoristisch, nonsensicaal, ironisch en romantisch. Ook de vormen waarin Lehmann zijn gedichten goot, laten een grote variëteit zien: er zijn sonnetten bij, aforismen, vrije verzen en klassieke. Door zijn geheel eigen stijl is het moeilijk om de dichter onder te brengen bij een bestaande stroming. In de tijd waarin de Vijftigers opgang maakten en het atonale gedicht de meeste aandacht kreeg, bleef Lehmann volstrekt zijn eigen gang gaan, wars van pretenties en zelfverheffing. 

    De gedichten zijn over het algemeen niet lang. Een uitzondering is het gedicht dat door Bindervoet in de afdeling Vroege jaren werd gezet, ‘Enfance’, waarvan Lehmann ooit gezegd heeft in een interview met Arjen Peters voor de Volkskrant dat hij nog steeds niet wist hoe hij een volwassene moest spelen:

    Een kind te zijn is triest zijn en ontgoocheld.
    Wanneer wij ons vervelen,
    zegt men dat wij moeten spelen
    en wij weten niet wat spelen is.

    Als de padvindersfluit,
    waarvan gezegd is,
    dat hij echt is,
    die is beloofd en daarom gevraagd,
    eindelijk is gegeven,
    wordt hij afgenomen
    om het geluid.

    Wij weten ook wel dat het maar één toon is,
    zo hard, zo koud,
    door geen manier van blazen te vermurwen. 

    Maar wij zoeken muziek
    en blazen, hoewel het haast pijn doet.
    Wij wachten tegen beter weten
    op een melodie, die komen moet,
    zo maar vanzelf
    licht en zwevend.

    Een ontroerend en serieus gedicht, waarin kinderen centraal staan en er vanuit hun optiek gesproken wordt alsof de dichter nog steeds een van hen is. De laatste, prachtige strofe geldt overigens niet alleen voor kinderen. De beeldspraak is treffend, de metafoor is schijnbaar vanzelf ontstaan. Veel gedichten gaan over de dichter zelf, als kind maar ook later als volwassene. Zijn liefde voor muziek komt onder meer tot uiting in het korte gedichtje over vier componisten, wier werk hij met een enkel woord weet te karakteriseren:

    Repertoire

    Rinkepink Mozart
    woemwoem Wagner
    rrrrrrrrrrrrrr Liszt
    en elke dag J.S. Bach
    de trappenloper met tien benen.

    Wie de muziek van deze componisten kent, zal moeten beamen hoe goed Lehmann de kenmerken ervan heeft samengebald. Speels en spitsvondig zijn de adjectieven die bij Lehmann zelf horen. Ironie, zelfspot en understatement en een droge humor zijn in vrijwel alle gedichten terug te vinden. De nonsensgedichten zullen niet iedereen aanspreken, zoals bijvoorbeeld het ‘Volmaakt Sonnet’ waarin met allerlei zelfbedachte woorden streng de hand wordt gehouden aan de regels van het klassieke sonnet. Vestdijk deed dat kunstje ook met zijn ‘Marche funèbre’, net als Jan Hanlo met zijn ‘Oote oote boe’ en in elke bundel van nonsenspoëzie is er wel een voorbeeld van te vinden. Bewonderenswaardig is het zeker, maar toch niet meer dan een spel dat gauw vergeten wordt. 

    Veelzijdige bundel

    Door de enorme variëteit is er in deze bundel voor iedereen wat van zijn gading te vinden, zoals het ook hoort in een bloemlezing. Bindervoet heeft serieuze en luchtige, absurdistische gedichten dooreen bij elkaar gezet, zoals hij in zijn inleiding aangaf, en opgenomen wat hem trof. Het heeft een verrassende bundel opgeleverd waarin vooral de veelzijdigheid van Lehmann benadrukt wordt. 

    In de index heeft Bindervoet achter elk gedicht met hoofdletters de titel van de bundel afgekort waaruit het gedicht is gekozen. Omdat vroege en latere gedichten dooreen staan, wordt het moeilijk om een ontwikkeling of een verandering in het werk van Lehmann aan te wijzen. Een van de vroegere gedichten (uit Het Echolood, 1955) is het mooie ‘Attisch zwartfigurig’, waarin Lehmann zich als archeoloog laat zien:

    Wij kleine zwarte mannen met puntige paarse baarden,
    angstig rondom onze vazen lopend met knieën van brandhout,

    weten veel meer van Hellenendom
    dan een dromende Duitse drom

    uit de vijfentwintigste eeuw na onze geboorte.

    Wij weten dat alles gebeuren kan,
    al kunnen wij Gorgonen, mino- en centauren doden,
    tyran zijn en bang zijn.

    Dat doen wij: vloeiende verf gewekt tot star en hoekig leven,
    tot onze vazen breken.

    Bindervoet heeft met deze aantrekkelijke en goed verzorgde bloemlezing een eerbetoon gebracht aan een dichter die niet op de voorgrond wilde staan. Dat hij nu toch naar voren geschoven wordt, is misschien niet overeenkomstig zijn wens, maar het biedt wel de kans aan nieuwe lezers om kennis te maken met het werk van een dichter die niet in vergetelheid mag raken. Daar zijn de gedichten veel te goed voor. 

     

     

  • Shortlist Ida Gerhardt Poëzieprijs 2022

    De shortlist van de Ida Gerhardt Poëzieprijs werd deze week bekend gemaakt door Stichting Zutphen Literair. Er werden honderdveertig bundels ingezonden waaruit de volgende vijf kans maken de prijs te winnen.

    • Erik Bindervoet, De droom van eb inkt diervoer / Uitgeverij De Harmonie.
    • Charlotte Van den Broeck, Aarduitwrijvingen / Uitgeverij De Arbeiderspers.
    • Maarten van der Graaff, Nederland in stukken / Uitgeverij Pluim.
    • Sasja Janssen, Virgula / Uitgeverij Querido
    • Anne Vegter, Big data / Uitgeverij Querido

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    De winnende bundel wordt 15 februari bekend gemaakt. Zaterdag 2 april zal de prijs feestelijk worden uitgereikt in Zutphen, de stad die dichteres Ida Gerhardt de laatste jaren van haar leven regelmatig bezocht. De jury bestond uit Maria Barnas en Onno Kosters.

    Ida Gerhardt leefde sinds 1967 in het nabijgelegen Eefde en haar laatste vijf jaren in een verzorgingstehuis te Warnsveld, waar ze vijfentwintig jaar geleden overleed. Een van haar beroemdste gedichten, ‘Dolen en dromen’, is gesitueerd in Zutphen.

    De prijs werd voor het eerst in 2000 toegekend aan Kees ‘t Hart voor zijn bundel Kinderen die leren lezen, de laatste keer won Marieke Lucas Rijneveld de prijs met haar bundel Fantoommerrie (2020).

    Kijk hier voor meer informatie.

     

  • Ik kan veel hebben

    Ik kan veel hebben

    Op het station in ons dorp keek ik de ganzen na die in formatie overvlogen en dacht daarbij aan de auteur T.H. White, van Arthur, Koning voor eens en altijd, die elk jaar eerbiedig zijn hoed afnam als hij de vogels zag gaan. Maar de dame die plotseling naast me opdook en me zag kijken, zei: ‘Daar gaan ze, en ze nemen de zielen van de overledenen mee. Die helpen ze over te gaan, net als de kraaien.’ Ze bewoog heftig met haar hoofd. ‘En ik kan ze zien,’ besloot ze, ‘die zielen, en dat is niet altijd gemakkelijk, hoor.’ Ik knikte braafjes, maar wachtte tot zij in de trein was gestapt en ging zelf in een ander treinstel zitten. Het was tenslotte de dag vóór Halloween met twee dagen daarna Allerzielen en ik had in dit duistere jaargetijde geen zin in een seance onderweg of een sessie met het ouija-bord. 

    Toen ik in Utrecht op een bus zat te wachten, kwam er een sjofel geklede man naast me zitten die aankondigde: ‘Mevrouw, ik ga me voor de trein gooien.’ Ik had hem erop kunnen wijzen dat hier alleen bussen stopten, maar dat leek me flauw. Ik vroeg hem naar de reden en hij zei dat hij die dag jarig was, maar dat helemaal niemand hem gefeliciteerd had. Dat deed ik dus maar, omstandig en welgemeend en ik gaf hem wat geld om een taartje van te kopen, in de hoop dat dit zijn voornemen zou verijdelen. Toen mijn bus wegreed, zag ik hoe de man gebaarde naar een wachtende jongen om zijn oortjes uit te doen, opdat hij zijn verhaal nog een keer kon vertellen. 

    Eenmaal in de binnenstad aangekomen dronk ik een kop koffie in een café, waar ineens een jongeman binnenstormde die zich breeduit tegenover me posteerde en schreeuwde dat hij manisch-depressief was en dat hij zojuist uit het ziekenhuis kwam waar hij de afgelopen vijf weken was opgenomen. Ik gaf toe dat dat niet leuk was en bood hem een kop koffie aan om hem te kalmeren. Zelf kon ik wel wat sterkers gebruiken na drie keer op één dag zo’n ontmoeting met aardige, maar speciale mensen, ieder behept met zijn eigen obsessie. Ik dacht aan het gedicht van Erik Bindervoet, met zijn sneer naar de dichter Rutger Kopland en diens gedicht over jonge sla. Ik dacht dat elk van deze drie mensen een dichter kon zijn.

    Kropland

    Ik kan veel hebben maar
    Dichtende psychiaters vertrouw ik niet.
    Het zijn de gekken
    Die gedichten moeten maken.
    De mensen die het niet weten
    Hoe het zit.
    Wat er aan de hand is.
    Welk pad ze moeten gaan.

    Ik wist heel goed welk pad ik moest gaan: naar de recensentenbijeenkomst van Literair Nederland in het antiquariaat van Hinderickx en Winderickx op de Oude Gracht. Daar aangekomen heb ik de hele avond met aardige, speciale mensen over hun obsessie gepraat, die ook de mijne is: over schrijvers, gedichten, boeken. 

     

    Uit: De mond van de waarheid, (2013)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Oogst week 46 – 2021

    Winteren. De kracht van rust en afzondering in moeilijke tijden

    De titel Winteren van de Engelse schrijfster Katherine May (1977) is beeldspraak voor het omgaan met moeilijke, zware periodes in het leven, zoals ziekte, zorgen, te veel werk, verlies. May interviewde mensen daarover en tekende de gesprekken op, niet van plan om ook introspectie een plaats te geven in het boek dat speelt van de herfst tot eind maart. Maar ‘het persoonlijke deel bleef maar op de deur kloppen’, zegt ze in een interview, waarna ze ook haar eigen bespiegelingen en beschouwingen over problemen opnam. Want een plotselinge ziekte in haar familie had haar onzekerheid en afzondering gebracht. Uiteindelijk vond ze kracht in de veranderingen en overlevingsmechanismen van de natuur en in de ervaringen met ‘winteren’ van anderen. Winteractiviteiten hielpen haar erbij: ze ging ijszwemmen, baadde in IJslandse bronnen, nam deel aan een zonnewendeviering in Stonehenge en zocht het noorderlicht.

    Ook kinderboeken spelen een rol in Winteren omdat verdriet als feit in kinderliteratuur veel meer aanwezig is dan in volwassenenliteratuur. Net als in de natuur is de donkere periode van het leven een tijd om zich terug te trekken, stil te staan, te rusten en te herstellen. En daarin het proces herkennen, begrijpen, verzorgen, leren de kou lief te hebben en zien dat dit soort periodes net als de seizoenen komen en gaan, maakt May duidelijk. Winteren is wereldwijd een bestseller.

    Winteren. De kracht van rust en afzondering in moeilijke tijden
    Auteur: Katherine May
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam 2021

    Gij zult niet bloemlezen

    ‘Portret van een homo universalis’, staat er op de website van Louis Th. Lehmann. Hij was een Nederlandse dichter en behalve dat een internationaal bekende scheepsarcheoloog. Daarnaast was hij  onder meer vertaler, essayist, componist en muziekkenner en vooral een scherpzinnige vrijdenker. Dat deze veelzijdige man nog een website heeft lijkt in eerste instantie opmerkelijk want hij is al jaren geleden overleden (1920-2012). De website is dan ook in beheer bij De Bezige Bij en Alida Beekhuis, de weduwe van Lehmann.

    Erik Bindervoet (vertaler, schrijver, dichter en tekenaar) publiceert nu Gij zult niet bloemlezen, een bloemlezing uit de gedichten van Louis Lehmann. Hij illustreerde het boek ook. De frappante titel is ontleend aan een opvatting van Lehmann zelf, die in een interview in de Volkskrant (december 2000) zei: ‘Bloemlezen, had ik indertijd het idee, was een manier om van dichters te profiteren zonder er veel voor te betalen,’. Lehmann hoopte met zijn gebod een massabeweging op gang te brengen. Wat niet gebeurde. Ook Erik Bindervoet, die Lehmann persoonlijk kende en behalve een nawoord in een van diens boeken een autobiografisch gedicht over zijn eerste ontmoeting met hem schreef, trok zich niets van die uitspraak aan. Hij grasduinde met veel plezier in Lehmanns fantasierijke werk en koos voor zijn bundel ongeveer 200 gedichten die hij in thema’s als varen, reizen, muziek, jonge jaren en steden onderverdeelde. ‘Deze dichter,’ zegt Bindervoet, ‘is van zichzelf al een complete bloemlezing van de Nederlandse poëzie van de 20ste en de 21ste eeuw tot dusver.’

    Gij zult niet bloemlezen
    Auteur: Erik Bindervoet
    Uitgeverij: AFdH Uitgevers 2021

    De goede dood

    De vader van de jonge arts Franz Czekalski was ooit een beroemde operazanger, maar ook een pionier van de vroege fascistische Broederbond. Nu is hij dementerend en verhuist hij met Franz naar het provinciestadje Houweningen, waar de fascisten de scepter zwaaien en waar zijn zoon heel gemakkelijk een baan vond als huisarts, als enige huisarts. Franz zorgt voor zijn vader, wat bij de inwoners van het stadje vragen oproept. Er zijn toch oplossingen voor een geval als zijn vader? Mensen boven de zeventig, andere onrendabelen en andersdenkenden of mensen die een klein vergrijp hebben gepleegd, worden in Houweningen geëuthanaseerd of in Kamp de Sluis gezet. Maar zijn vader een spuitje geven gaat Franz te ver.

    Jongens uit het kamp worden als dwangarbeiders te werk gesteld op de dijk, waaraan Franz en zijn vader in het laatste huis wonen. Franz krijgt al snel bedenkingen tegen het kamp. Ondertussen raakt hij verliefd op zijn buurvrouw Meeke, die een relatie heeft met de machtigste man van het stadje. De burgemeester vraagt Franz als voorzitter van een commissie die feestelijkheden voor een door de dwangarbeiders aangelegde dijk coördineert. Een van de dwangarbeiders is een zoon van de burgemeester en halfbroer van Meeke. Hij ontsnapt uit het kamp en vraagt Franz bij hem te mogen onderduiken. Behalve dat Franz in een machtsstrijd verwikkeld raakt, komt hij ook voor een morele keuze te staan.

    Klaas ten Holt is componist, gitarist, schrijver, columnist en dichter. De goede dood is zijn tweede roman.

    De goede dood
    Auteur: Klaas ten Holt
    Uitgeverij: Podium 2021
  • Oogst week 45 – 2021

    De dichter die het niet wilde zijn. Leven en werk van Louis Lehmann

    Afgelopen zaterdag zijn er twee uitgaven over en van Louis Lehmann gepresenteerd . Allereerst is er een biografie door Jaap van der Bent onder de titel De dichter die het niet wilde zijn. De auteur zegt in een interview:  ‘Ik zou hem niet een homo universalis willen noemen, zoals sommigen doen. Hoewel hij natuurlijk wel heel veelzijdig was: hij schreef poëzie en proza, recenseerde literatuur en vertaalde, was jurist en archeoloog, componeerde en speelde muziek en was een goed danser. Ook maakte hij collages en tekende. Een multitalent was hij zeker. Ik zou hem de perfecte amateur willen noemen, althans in zijn beeldende werk’.

    Lehmann overleed in 2012 toen hij 92 was. Kort daarvoor kreeg hij een eigen website. Hoewel hij niet op publiciteit uit was schijnt hij er toch wel trots op te zijn geweest.
    Tegelijk met de biografie verscheen Gij zult niet bloemlezen!, een keuze uit de gedichten van Lehmann door Erik Bindervoet. Hij verzorgde ook een nawoord. Veel gedichten van Lehmann zijn licht van toon en gebaseerd op woordspelletjes. Zoals het bekende Gesprek tussen twee muizen:
    Piep. / Piep. / Piep? / Piep. / Piep. / Piep, piep! / …Piep? / Piep. / Piep, piep, piep. / Lievier tierks dien pieps / Jiep! Piep, piep, piep? Piep…

    De dichter die het niet wilde zijn. Leven en werk van Louis Lehmann
    Auteur: Jaap van der Bent
    Uitgeverij: AFdH Uitgevers

    de verschroeiden

    In de eerste zinnen van de verschroeiden (inderdaad zonder hoofdletters) van Antonio Ortuño wordt Gloria, een sociaal werkster in Santa Rita, vlakbij een migrantenopvangcentrum neergeschoten: ‘De politie had geen goede naam bij de inwoners van Santa Rita. Als iemand de moeite zou nemen een lijst op te maken van klachten over de plaatselijke agenten, zouden in geen geval ontbreken: afpersing (van winkeliers en prostituees), verkrachting (van prostituees en hier en daar een willekeurige passant), mishandeling (van de zwervers die in de buurt van het station bivakkeerden, en alweer, prostituees) en diefstal (de politie had de gewoonte cola te drinken bij de buurtwinkel en zonder te betalen te vertrekken)’.
    Geen wonder dat niemand onder de migranten die getuige zijn geweest van de schietpartij iets tegen de politie wil zeggen. Als er brand uitbreekt in het centrum trekt sociologe Irma op onderzoek uit. Ze raakt verstrikt in het web van geweld en corruptie.

    de verschroeiden
    Auteur: Antonio Ortuño
    Uitgeverij: Podium

    De verlossing van Jacob Smallegange

    Rinus Spruit is een laatbloeier in de literatuur. De in 1946 geboren Zeeuw baarde in 2009 opzien met zijn lovend gerecenseerde debuut De rietdekker. In 2013 volgde Een dag om aan de balk te spijkeren, in 2019 De wonderdokter (naar het dagboek van een Zeeuwse plattelandsarts) en nu is er De verlossing van Jacob Smallegange. Alle romans (en zijn korte verhalen) spelen in Zeeland. In de nieuwe roman doet Gerard Stroband onderzoek naar de hoge zuigelingen- en kindersterfte op de Bevelanden rond 1900. Hij verwerkt zijn bevindingen in een boek over vroedmeester (de mannelijke beroepsgenoot van de vroedvrouw) Jacob Smallegange die in Sabbingedijk werkt: Stroband ‘zag Smallegange lopen met over zijn schouder een juten tas met daarin de twee helften van de verlostang en nog wat andere apparatuur. Zoals alle vroedmeesters noemde Smallegange zijn verlostang ‘de ijzers’.
    Rinus Spruit is op 14 november te gast in het boekenprogramma Brommer op zee (NPO 2, 19:25)

    De verlossing van Jacob Smallegange
    Auteur: Rinus Spruit
    Uitgeverij: Cossee
  • Een uitbundige stoet van dromen, visioenen en nachtmerries

    Een uitbundige stoet van dromen, visioenen en nachtmerries

    In dromen kan alles, de wetten van de logica gelden niet en de realiteit wordt op z’n kop gezet. Beelden en gebeurtenissen lopen in elkaar over en naar een verklaring hoeft niet te worden gezocht, want die is er niet. Net als in de gedichten in deze bundel waar Bindervoet de wetten van zijn eigen wereld maakt en met woord en beeld speelt. Dat begint al op de voorkant van de bundel, waar in de vreemde titel De droom van eb inkt diervoer de letters van de laatste drie woorden losraken en langzaam door elkaar naar beneden dwarrelen, tot ze weer samenkomen in de naam van de auteur. Ook de drie motto’s die de dichter voor deze bundel koos, gaan over dromen, waarvan de reclameslogan Turning reality into dreams is now in your hands! wel de meest toepasselijke lijkt. 

    In het lange gedicht Theorema – een vreemde titel in een dromenbundel, want een theorema is juist iets dat wel bewezen is – wordt de komst van de dichter aangekondigd, die de realiteit tot een droom zal maken. Hij belooft de wereld te veranderen in een luilekkerland. ‘Luister, kindertjes, / want de dichter komt.’ Via associaties van klanken en citaten wordt de dichter voorgesteld als een magiër, die iedereen een wereld voortovert die hij wenst. Maar het klinkt ook wat dreigend, als het sprookje van de Rattenvanger van Hamelen, die de kinderen meelokt, de berg in, vanwaar ze nooit terugkeren. De ironie die Bindervoet hanteert, maakt het gedicht dubieus, alsof de magiër in werkelijkheid een louche goochelaar is. 

    Spelen met taal

    Hiermee is de toon van de bundel gezet. De dichter speelt met de taal, met de lezer, de typografie, in een uitbundige stoet van dromen, visioenen en nachtmerries. Een fragment uit het gedicht Recept voor een droom laat zien dat dromen en gedichten op dezelfde manier kunnen ontstaan en dat niets is wat het lijkt.

    ‘Dat je een afgehouwen oor tegenkomt
     als bladwijzer
     in een bijbel uit 1747.
     De rest volgt vanzelf –
     je komt ergens waar je
     oorspronkelijk
     niet heen wilde.
     Je vindt niet wat je zocht,
     iets waar je niet naar op zoek was.
     Een geheim.
     Een ander verhaal.
     Iets anders, wat eronder ligt,
     onder het object van verlangen.
     Vrijheid.
     Een proces.
     Een vloeiende situatie
     die je blindelings aanvaardt,
     zonder morren,
     zonder vragen te stellen,
     probleemloos.’

    Dronken feestgangers

    Terwijl dit gedicht nog tamelijk eenvoudig en ingetogen is, zijn de meeste gedichten uitbundig en luidruchtig als dronken feestgangers. Van alle kanten spat het plezier van de gedichten af. Dat begint al met de titels: Icarus achter de kinderwagen, Krentenbollen en kadavers en Yankee phone home. Ook zitten er talloze verwijzingen in naar bestaande en fictieve personen en kunstwerken. Franz Kafka, Paul van Ostaijen, Salvador Dali: ze hebben allemaal op de een of andere manier een bijdrage geleverd aan de dromen die beschreven worden. Bindervoet beweegt zich in de taal als een kind in een speeltuin: vrolijk, speels en volstrekt eigenzinnig. Het procedé dat hij gebruikt, is ook te vinden in Finnegan’s Wake van James Joyce, dat door Bindervoet samen met Robbert-Jan Henkes vertaald werd: een bewustzijnsstroom van chaotische, op het oog ongestructureerde en verwarrende ellenlange zinnen, met woordgrapjes, opsommingen, herhalingen en absurde voorstellingen. Het heeft geen zin om te proberen overal een betekenis aan te hechten; beter is het om je te laten meedrijven met de stroom van woorden en beelden die Bindervoet over je uitstort.

    Zoals niet alle dromen betekenisvol zijn, heeft de dichter ook kolderieke gedichten opgenomen die niet meer lijken te zijn dan een spel met klanken. Het gedicht Slaapliedjes is niet meer dan dat, een kinderrijmpje louter om het plezier van de nonsens, zoals Lewis Carroll ze schreef. Een van de strofen luidt, ‘Hypnos en Thanatos / Dat waren kannibalen / De ene vrat rinoceros, /De ander stoomgemalen’

    Oneindige variatie

    Hypnos en Thanatos zijn in de Griekse mythologie tweelingbroers en de personificatie van Slaap en Dood, maar behalve de titel van het gedicht is er weinig dat daarnaar verwijst. In het lange gedicht De bal, een odyssee over een voetbalwedstrijd zijn delen van woorden, letters en cijfers dan weer vet gedrukt, dan weer cursief, worden hoofdletters te pas en te onpas gebruikt en klinken woorden als POK, DOEF, TSJAK in navolging van Homerus:

    ‘zoals een oude bard het ooit verwoordde,
     zelf van het kijken met blindheid geslagen,
     zodat hij van klanken woorden maken moest,
     de tekeningen van de branding op het
     strand verbeeldend: siesoe, strss, rtsieurutss, oos!’

    Bindervoet heeft een oneindige variatie aangebracht, niet alleen binnen de gedichten, maar ook in de keuze van de gedichten, waarbij steeds het droomthema terugkeert. Soms is dat geforceerd, zoals in het gedicht terugkerende droom, waarvan alle acht de strofen hetzelfde zijn: ‘ik zat in het café / waar ik altijd kom / en er was iets normaals aan de hand:’
    Dit gedicht keert in een enigszins gewijzigde vorm terug in de bundel onder de titel terugkerende droom (2), ditmaal met acht keer de strofe: ‘ik zat in een café / waar ik nooit kom / en er was iets vreemds aan de hand’

    Een aparte afdeling vormen de twaalf haiku’s die in het Engels geschreven zijn onder de titel Dublin Dreamorama. In haiku IV (Ely Place) ziet Bindervoet kans om zowel aan de Beatles als de Rolling Stones te refereren: Soft morning city / chill, after a hard day’s night: / A red door, ajar.’ De droom van eb inkt diervoer is een bundel om met eenzelfde plezier te lezen als waarmee hij geschreven is.

     

     

  • Een ode aan de taal

    Een ode aan de taal

    Het boek Tractatus Logico-Philosphicus van filosoof Ludwig Wittgenstein uit 1921 staat bekend als onbegrijpelijk. Hetzelfde kan worden gezegd over de roman Wittgensteins minnares, geschreven door de Amerikaanse auteur David Markson (1927-2010), in 1988 verschenen en nu pas vertaald naar het Nederlands door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Lieke Marsman schreef een nawoord waarin ze de inhoud van de roman met de filosofie van Wittgenstein vergelijkt. 

    In Wittgensteins minnares is hoofdpersoon Kate de enige overgebleven mens in de wereld, of althans, dat gelooft ze zelf. Ze woont op een strand en bij gebrek aan anderen om mee te spreken tikt ze alles waar ze aan denkt op een typmachine. Ze is kunstenares en in haar gedachten komen verschillende prominente denkers, schrijvers en schilders langs. Kate weet echter niet zeker of de feiten die ze opschrijft kloppen en verbetert zichzelf regelmatig, soms pagina’s later nog. Deze onzekerheid komt de hele roman lang terug:
    ‘Het is moeilijk voor te stellen dat de bewoners van twee zulke naburige huizen allebei daadwerkelijk geld zouden uitgeven voor hetzelfde boek over honkbal.
    Aan de andere kant, als er een exemplaar van Wuthering Heights in beide huizen had gestaan, is het misschien twijfelachtig of ik zou hebben gespeculeerd dat er in beide huizen mensen woonden die Emily Brontë kenden.’

    Plotloos verhaal

    Wittgensteins minnares heeft geen plot, al is dat geen gemis. De gedachten van Kate zijn de eerste pagina’s namelijk al boeiend, maar daarna nestelen ze zich in je hoofd en kun je niet anders dan je eraan overgeven. Bij een ik-perspectief plaatst een schrijver een lezer heel dicht bij de hoofdpersoon, Markson trekt dit zo ver door dat de lezer Kate wórdt. Wanneer zij een reeks namen van filosofen of kunstenaars noemt, verdwijnt dit effect even en maakt het plaats voor de vraag wie die mensen zijn, waarvan je die namen ook alweer kent, maar Kate zorgt ervoor dat je nooit te lang afgeleid blijft. De misschien werkelijke, misschien verzonnen bespiegelingen worden afgewisseld met humor, bijvoorbeeld wanneer Kate vertelt dat ze met haar auto in het water belandde:  

    ‘Toch begreep ik dat het in deze omstandigheden verstandig zou zijn om het portier te openen en de auto te verlaten.
    Ik kon mijn deur niet open krijgen.
    Ik zat trouwens de hele tijd op het dak van de auto.
    Ik bedoel op de binnenkant van het dak natuurlijk. Met de rubberen automat die boven op me was gevallen.
    Ik weet niet meer in wat voor auto ik reed.
    Nou ja, je kon het hoe dan ook op dat moment amper nog rijden noemen.’

    Ode aan de taal

    Juist in de meer eenvoudige zinnen in het boek, zonder intertekstualiteit of dubbele laag, is deze schrijfstijl het sterkst:
    ‘Toch maakte het hele voorval me doodsbang.
    Ik besef dat ik net heb gezegd dat ik helemaal niet bang was.
    Feitelijk ging het zo dat ik pas bang werd toen het voorbij was.’

    Hier rijst geen vraag op over waarheid of leugens of over de mentale gesteldheid van Kate, haar kwetsbaarheid is oprecht. Aan de andere kant illustreert dit citaat Kates obsessie om wat ze vertelt, góéd te vertellen. Ze zoekt secuur naar de juiste woorden, typt die en bedenkt daarna dat het beter kan, en zichzelf weer verbetert. Juist dat precieze zorgt ervoor dat Wittgensteins minnares geen gimmick wordt, integendeel, het zegt meer over het personage Kate dan alles wat ze zelf vertelt. Dat maakt dat dit boek een ode aan de (on)mogelijkheden van taal is.

    Namen als reddingsboeien

    Kate vergelijkt zichzelf regelmatig met Helena van Troje. Ze benoemt onjuistheden in de Griekse mythologie en legt aspecten bloot die volgens haar vooral zijn toegevoegd om er een beter verhaal van te maken. Het gevaar dreigt dat Wittgensteins minnares te erudiet wordt voor de gemiddelde lezer, zeker doordat er veel namen van filosofen, kunstenaars en schrijvers langskomen. Kate noemt de namen echter niet omdat ze met haar kennis wil pronken, de namen functioneren namelijk als reddingsboeien. Dat past prima bij het personage dat op de universiteit vooral aandacht besteedde aan de niet-verplichte academische literatuur.

    Door de vele intertekstualiteit, de niet-betrouwbare hoofdpersoon en het ontbreken van een klassieke vertelstructuur is het lezen van deze roman een uitdaging. Doorzetten wordt gelukkig beloond: Wittgensteins minnares is hypnotiserend geschreven. Het ik-perspectief wordt hier maximaal benut. Lieke Marsman geeft in het interessante en enthousiaste nawoord handvatten om het verhaal op waarde te schatten. Het is een wereldprestatie dat Markson ruim tweehonderd pagina’s aan feiten zo betoverend heeft kunnen beschrijven, het is even knap dat de vertalers erin zijn geslaagd om Wittgensteins minnares zo vloeiend naar het Nederlands te vertalen.

     

  • Oogst week 9 – 2019

    Uiterste dagen

    De verhalen van zijn Finse grootmoeder over haar vader in een oorlog uit een ver verleden en zijn fascinatie voor ‘geschiedenis en geweld, en vooral de ambivalentie van geweld’ (interview De optimist), vormen de basis voor het debuut Uiterste dagen van Ferdinand Lankamp (1989).

    Een historicus bereist het land van zijn familiegeschiedenis en vertelt het – al dan niet ware – verhaal.

    Uit het eerste hoofdstuk:

    (…) ‘De lente dreigt vooral zwaar te worden vanwege de brief die hij vrijdag heeft gekregen. Die brief had hij al verwacht, hij had haver apart gehouden voor het geval er een beroep op hem zou worden gedaan. De veearts van het leger was in de herfst langsgekomen. Hij bekeek Edvards merries, noteerde hun gewicht, hun leeftijd, stelde vragen over hun karakter. Toen de Russen een paar weken later aanvielen begreep Edvard dat het een kwestie van tijd was. In de brief die hij vrijdag ontving stond het onvermijdelijke: de Finse krijgsmacht vordert Ida, zijn merrie van zeventien jaar, de lieveling van het gezin en vooral van zijn dochter Cecilia. Op maandag, vandaag, zou hij nadere instructies ontvangen. Hij tilt de melkbussen van de kar. Op het licht achter de vensters van de boerderij na is het donker, maar toch denkt hij, kijkend naar het noorden, de boomtoppen in de verte te zien, de heuvel waarover de weg richting de stad loopt en waarvandaan hij vandaag een bode verwacht. Een lente zonder Ida. Wat moet hij zonder Ida?’

    Uiterste dagen
    Auteur: Ferdinand Lankamp
    Uitgeverij: Atlas Contact (2019)

    Salomons oordeel

    De nieuwe roman van Robert Vuijsje geeft weer stof tot nadenken en discussie. Het thema identiteit wordt vanuit alle hoeken aanschouwd en beschreven. Het is een eigentijdse roman waarmee Vuijsje de huidige tijd afzet tegen die van een kleine 10 jaar geleden toen zijn boek Alleen maar nette mensen verscheen en zeer uiteenlopende reacties teweegbracht.
    Salomons oordeel gaat over Max en Alissa. Max is een jood uit Amsterdam-Zuid, Alissa is zwart en komt uit de Bijlmer. Hun zoon Salomon is 17 en wil rapper worden.

    ‘Ik heet Salomon, en dan ook nog Cohen?’ vraagt hij aan zijn ouders. ‘Wat denk je dat mijn vrienden daarvan vinden?’ 
    Max en Alissa denken dat ze alle moderne valkuilen van racisme en antiracisme hebben doorstaan. Salomon staat voor de keuze: hoor ik bij de mensen die op mijn vader lijken of bij de kinderen die zwart zijn, net als ik? Max en Alissa denken dat ze op dezelfde manier naar de wereld kijken, tot Salomon door zijn vriendinnetje wordt beschuldigd van verkrachting.

    Salomons oordeel
    Auteur: Robert Vuijsje
    Uitgeverij: Lebowski (2019)

    Vos 8

    In 2017 ontving de Amerikaan George Saunders (1958) de Man Booker Prize voor zijn roman Lincoln in de bardo dat de jury ‘geestig, intelligent en een diep bewegende vertelling’ noemde.
    Saunders vooralsnog vooral bekend om zijn korte verhalen schrijft ook romans en novellen, essays en kinderboeken.

    Vos 8 gaat over een vos die een dromer is. ‘Zijn medevossen nemen hem niet altijd even serieus. Maar hij spreekt mooi wel Mens, een taal die hij zichzelf heeft geleerd door bij een raam naar verhaaltjes voor het slapengaan te luisteren. Vos 8 heeft dus best wat in zijn mars. En wanneer het nieuwe gebouw VosZichtStaete de leefwereld van de vossen bedreigt, vindt hij het geen tijd meer voor dromen maar voor daden.’

    Vos 8
    Auteur: George Saunders
    Uitgeverij: De Geus (2019)

    Als de tijd daar is

    Maurice Blanchot (1907-2003) is zijn leven lang ziekelijk geweest en de dood, zijn eigen of die van de mensen om hem heen, is altijd aanwezig geweest in zijn leven en werk.

    Blanchot lijkt een weinig toegankelijk schrijver. Over Als de tijd daar is schrijft uitgeverij Vleugels: ‘een radicale en bevreemdende roman, die een aantal conventies van de literaire roman doorbreekt. Zelden zal een lezer van een boek zo moeilijk kunnen doordringen in wat de taal beschrijft. En zal deze daardoor beseffen dat taal niet zo’n directe verbinding heeft met een werkelijkheid als men doorgaans denkt. De eerste dertig pagina’s gaan bijvoorbeeld over iets wat misschien drie seconden in beslag neemt: de verteller komt een huis binnen. Hij neemt zoveel tijd om alle indrukken, gedachten én hypothetische mogelijkheden te benoemen dat de taal hier de geschetste werkelijkheid geheel overwoekert. De taal, het vertellen, de manier waarop iets wordt verteld is duidelijk veel belangrijker dan het vertelde zelf. De taal speelt dus eigenlijk de hoofdrol in dit boek, zoals in alle boeken van Blanchot – en de nouveau roman in het algemeen. Het lijkt alsof er meer taal is dan werkelijkheid.’

     

    Als de tijd daar is
    Auteur: Maurice Blanchot
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    De Hollandse reis

    De Hollandse reis verscheen als Le voyage de Hollande voor het eerst in 1964 in Frankrijk en was voorzien van een tekening van Jongkind, een typisch Hollands landschap met windmolens, beemden en scheepjes onder een lage wolkenlucht.
    Het werd een jaar later al herdrukt, en daarna in 1981 en 2005 opnieuw uitgegeven.

    In de zomer van 1963 verbleven Louis Aragon (1897-1982) en zijn vrouw Elsa Triolet (1896-1970) een maand in Nederland. Tussen 29 juli en 26 augustus bezochten ze onder meer Texel, Zuid-Holland (Wassenaar) en Utrecht. De neerslag van die reis vinden we terug in De Hollandse reis, een dichtbundel die bestaat uit zes delen van wisselende lengte (twee tot twaalf gedichten).

     

     

    De Hollandse reis
    Auteur: Louis Aragon
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels
  • Een aforisme is een waarheid als een kalfje (C. Buddingh)

    Een aforisme is een waarheid als een kalfje (C. Buddingh)

    Des Duivels Woordenboek van Ambrose Pierce is de door het bekende duo Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes vertaalde verzameling van 1851 alfabetisch geordende lemma’s van de satirische en cynische Amerikaanse schrijver Ambrose Bierce (1842 – vermoedelijk 1914).  Om een indruk te geven van het karakter van dit woordenboek, hier drie van de vele definities die er in te vinden zijn, met daaronder het Engelse origineel:

    Geduld – Een lichtere vorm van wanhoop, vermomd als deugd
    Patience – A minor form of despair, disguised as a virtue

    Toekomst – De tijd waarin onze zaken goed gaan, onze vrienden trouw zijn en ons geluk verzekerd is
    Future – That period of time in which our affairs prosper, our friends are true and our happiness is assured

    Plan – Zich druk maken om de beste methode om een toevallig resultaat te bereiken
    Plan – To bother about the best method of accomplishing an accidental result.

    Veelzijdig schrijver

    Ambrose Bierce vocht als jongeman in de Amerikaanse Burgeroorlog en had tot zijn 24e een militaire carrière. Daarna werd hij één van de bekendste schrijvers van zijn land, met korte verhalen, poëzie en satire, maar kreeg ook grote bekendheid als journalist door zijn reportages en columns. Zijn motto was ‘nothing matters’ en die cynische levenshouding drong nergens beter in door dan in de lemma’s van The Devil’s Dictionary, waarvan de afleveringen onregelmatig in Amerikaanse kranten verschenen.
    Deels zijn het aforismen, zoals het drietal voorbeelden hierboven. In vileine gevatheid doen ze denken aan wat Dorothy Parker een halve eeuw later in The New Yorker publiceerde. Maar Bierce hield het niet bij aforismen, hij gooide er net zo makkelijk een kort essay tegenaan of maakte het begrip duidelijk met een korter of langer gedicht.

    Onvertaalbaar geacht werk

    Onder de titel ‘Leven en werken van een beminnelijke sluipmoordenaar’ geven Bindervoet en Henkes na de bijna 400 pagina’s van de vertaling de lezer een overzicht van Bierce’s druistige bestaan. Dat eindigde toen hij op 71-jarige leeftijd genoeg had van alles en naar Mexico vertrok waar de Mexicaanse Revolutie was uitgebroken. Het was de tijd van Zapata en Pancho Villa. In dat geweld verdween hij en wordt geacht ergens in 1914 te zijn overleden of gesneuveld.
    Hij liet een oeuvre van 5 miljoen woorden achter. Het woordenboek omvat daar maar een procent of drie van, maar het zijn niet de eenvoudigste teksten. In ‘Leven en werken van..’ geven Bindervoet en Henkes ook een beeld van de problemen die ze bij het vertalen ontmoetten. Onder meer omdat Bierce graag met woorden speelde die in het Engels een dubbele of driedubbele betekenis hebben, maar in het Nederlands niet:
    ‘(..) arrest’ dat stoppen en arresteren betekent en waarin we tegelijk de ‘rest’ van de heilige rustdag ontwaren. Ga er maar aan staan! Rust kan je wel enige tijd op je buik schrijven als je hieraan begint. Gekkenwerk!

    Gelukkig had het duo bij het vertalen van Ulysses van James Joyce al aardig wat ervaring opgedaan met het in het Nederlands omzetten van onvertaalbaar geacht werk. De Sisyphus-arbeid die zij bij ‘Des Duivels Woordenboek’ hebben verricht, vergde na de vertaling nog 80 pagina’s extra aan notities en varianten. Een bewonderenswaardig werkstuk is het in elk geval geworden. En voor liefhebbers van vertalingen, of van Ambrose Bierce of van aforismen, natuurlijk een must.

     

  • Virtuoos en onbegrijpelijk

    Virtuoos en onbegrijpelijk

    Het vertalen van een van de  moeilijkste boeken uit de literatuurgeschiedenis is een uitdaging die de schrijvers, vertalers en polemisten Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes aan het eind van de vorige eeuw aangingen. Dit resulteerde uiteindelijk in 2002 in een bewierookte vertaling van Finnegans wake, het laatste boek van James Joyce (1882-1941).

    Nu is een deel, een hoofdstuk, van hun vertaalprestatie (volgens de ophemelende ondertitel is die niets minder dan ‘briljant’), onder de naam Anna Livia Plurabelle los verschenen, om mensen die zich nog niet durven te wagen aan de hele tekst toch een indruk te geven van de bedoelingen en virtuositeit van Joyce. Want virtuoos is de tekst zeker. Jammer genoeg niet echt begrijpelijk, maar virtuoos zonder meer. Dit geldt zowel voor de ook opgenomen Engelse tekst als voor de versie van Bindervoet en Henkes. Het is een spel met neologismen, archaïsche woorden en algeheel vreemde taal dat boeit, maar de lezer niet de tekst intrekt.

    Bindervoet en Henkes omschrijven in hun uitleiding de door Joyce gevolgde methodiek als volgt: ‘Joyce schreef volgens de herzie-&-vul-aan-methode, ook wel de acccretive of aanslibmethode genoemd: er kwam doorgaans alleen maar bij en ging zelden wat af. Hij schreef zijn eerste kladversies van de hoofdstukken vrij snel achter elkaar- uit zijn hoofd, zonder zijn aantekenschriftjes te gebruiken – en vooral de eerste versie van de eerste hoofdstukken, toen het boek vorm moest krijgen en lag te te gisten en te pruttelen, is vrij goed te volgen.’ (96) Deze aandacht voor de gevolgde werkwijze is interessant en het is boeiend hoe de vertalers met het ontstane taalmonument zijn omgesprongen. Een zoektocht naar en omgang met de verschillende versies van een meesterwerk is fascinerend en Bindervoet en Henkes laten er iets van zien.

    Om een indruk te geven van wat hun vertaling heeft opgeleverd, volgt hierna een vrij willekeurig gekozen passage uit het begin van Anna Livia Plurabelle: ‘Wie water was zal stroomloop oogsten. O, wat een rakase rauser! Geminxt huwejuk en leaves doen verdrijven. Sherrive Koosje had het bij het rechtse eind en Sherrive Droggerd was sinister! En die snit van hem! En die tred van hem! Hoe hij zijn hoofth hoogh hield, dien fameuze owen knar van een duke ellejan, met ene prachtpralende bult bezet als een waddelende Heer Merlijn.’ (11) En zo gaat het de hele tekst. Nergens biedt Joyce de lezer enig respijt. Nergens geeft hij een meer traditioneel verhaalverloop dat de moderne gehaaste lezer begrijpt en bij de lurven vat. Een verhaal wordt eigenlijk niet verteld, echte communicatie met de lezer lijkt niet te zijn nagestreefd. Het is puur het speelse gebruik van taal dat boeit, maar de vraag is of Joyces taalspel (en dat van de vertalers) eeuwig zal blijven bekoren, zoals het andere werk van deze grote Ierse schrijver. Het nu apart gepubliceerde hoofdstuk is naar verluidt een dialoog tussen twee wasvrouwen aan een rivier die veranderen in een boom en een steen. Het was bedoeld als een poging ‘woorden ondergeschikt te maken aan het ritme van het water.’  (78)

    Joyce verwerkte in zijn tekst de namen van honderden rivieren. Op bladzijde 137 tot 148 zijn alle Nederlandstalige rivieren  (en ‘waterigheden’) die zijn opgenomen in de vertaling genoemd, van de Aa tot ’t Zwin. Het verwerken van deze 1052 aardrijkskundige namen moet een heidens karwei zijn geweest, die de tekst statuur geeft. Maar het is ook een prestatie die je doet afvragen: waartoe al die moeite? Hoeveel mensen zullen deze arbeid echt kunnen waarderen? Finnegans wake is ongetwijfeld een prachtprestatie (ook in vertaling), maar zal voor menig lezer een gesloten boek blijven.