• De jongen in het jurkje

    De jongen in het jurkje

    Voor mijn zesde verjaardag wenste ik een tunica, gemaakt van rode stof met een witte band aan hals, mouwen en onderkant. Het was exact ‘het jurkje’, zoals dat thuis werd genoemd, dat Alex droeg op het omslag van De gouden sfinx. Alex, blonde krullen, stoer, Galliër, stripheld. Bedacht door de Franse striptekenaar Jacques Martin (1921 – 2010). De gouden sfinx kreeg ik van tante Neel, de oudste zus van mijn moeder. Het album heb ik nog steeds. Vouw in het omslag, rug verwoest, resten plakband. Op het titelblad staat mijn handtekening met jaartal. De handtekening van een sprinter.  Klaar om weg te stuiven.
    Ik weet dat ik heb gesmokkeld met het jaartal, 1971 schreef ik er later in, misschien rond mijn tiende jaar. Bij de antedatering hield ik me, inmiddels verzot op tijdbalken en chronologie, aan het copyright-jaartal op pagina twee. Het boek moest ik in 1971 hebben gekregen, vlak voor ik naar de lagere school zou gaan. Want De gouden sfinx heb ik gelezen voor ik kon lezen.

    Heeft het album voor mij daardoor iets magisch gekregen? Liggend op mijn buik in de woonkamer bestudeerde ik elk plaatje tot in detail. Om te begrijpen, om te kunnen fantaseren. De gouden sfinx bood voor dat laatste alle mogelijkheden. De eerste zestien pagina’s spelen zich af in Gallië, woeste sneeuwvlaktes, Romeinse soldaten en Alex met wollen muts, lange broek en cape over een ontbloot bovenlijf. Zo’n stripheld heeft het zelden koud. Dan verschuift op die zestiende pagina het decor naar warmere oorden. Een boot vaart de haven van ‘Alexandria’ binnen, een nieuwe wereld van Antieke schoonheid. Alex draagt nu wel een rode tunica, maar dan eentje zonder de witte banden, van het omslag. Ik noem hier Gallië en Alexandrië, maar ik had – en dat herinner ik me nog goed – geen idee waar Alex vandaan kwam, waar hij was en waarom hij überhaupt de boot had genomen.

    En ik begreep ook niet waarom hij in het album niet de tunica van het omslag droeg, terwijl daar overduidelijk een scene uit het boek op was afgebeeld. (Nu begrijp ik het wel, het omslag is namelijk getekend bij de heruitgave en toen had Alex, die er inmiddels al meer avonturen op had zitten, van zijn tekenaar een vast kostuum gekregen.)
    De gouden sfinx wakkerde mijn liefde voor geschiedenis aan, maar het deed meer met mij. Want was het vanwege hem dat Alex de reis had ondernomen? Op het omslag staat achter Alex een donkere jongen met sluik haar. Hij draagt een blauwe lendendoek en loopt op blote voeten. Zocht Alex hem? Al die tijd? Raakte juist dát een snaar bij mij?  ‘Enak begint van plezier te rennen en Alex gaat achter hem aan. Hij vindt het fijn, dat Enak zo blij is.’
    Naar dat plaatje, waarop de twee vrienden ergens in Alexandrië de trappen oprennen, staarde ik het vaakst. Dat wilde ik ook. Onbezorgd één van twee zijn.
    En de tunica? Ooit heb ik er een proberen te maken van een oud wit laken, maar toen was ik al acht.

     

     

     

     

     

     

     



    Eric de Rooij
    (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

     

     

  • Zwaluwen op de verbindingslijn

    Zwaluwen op de verbindingslijn

    Dat Eric de Rooij een veelzijdig schrijver is, blijkt uit zijn debuutroman De wensvader, dat afsluit met een van zijn gedichten, dat eerder werd gepubliceerd in zijn bundel Hongerklop (2018) onder de titel Jouw hartslag in mijn lies.
    Van zijn hand verschenen onder meer literaire wandelingen (door het Zeeland van Hans Warren en het Gooi van Frederik van Eeden), boeken over de geschiedenis van Hilversum, zijn geboorteplaats, naast Hongerklop nog een dichtbundel en enkele kinder- en leerboeken. De wensvader is zijn romandebuut.

    Drie opties
    De roman begint met drie opties. Leonie wil een kind van Kees de timmerman, van teamleider Joop of van de ik-figuur, Erik Poelman, een oud-collega, geestelijk verzorger en ouderenconsulent bij het verzorgingshuis De Tijdstroom.
    Hoewel, Leonie ziet Erik ‘toch niet als een echte optie’, want ze verdenkt hem ervan, dat hij wil gaan vaderen en ze ‘wil een donor en meer niet’. Erik heeft een man, Aad en een poes, Mia. Alle verlangens zijn vervuld. Maar nu wil hij ook een kind. Aad niet. Hij heeft allerlei praktische bezwaren: Erik werkt maar drie dagen en is de rest van de tijd zondagsdichter en -tekenaar. Een vriend raadt aan dat het díe dromen zijn, die hij moet najagen. Niet die van zaaddonor worden. Een vriendin adviseert om het niet te doen, omdat het zoveel heisa geeft. Waarom eigenlijk? ‘Uit eenzaamheid en de angst voor ouderdom, de gebreken, het stille appartement met drie keer in de week thuiszorg voor mijn steunkousen’?

    Het is een vooruitzicht dat rijmt op het dagelijks werk van Erik in het verzorgingshuis. Met de problemen van mevrouw Van de Heuvel, die elke avond tot God bidt met de bede ‘Neem me. Neem me. Zo red ik het niet meer.’ Van mevrouw Toortelboom, die telkens vergeet of haar broer nog leeft of van mevrouw Bosker, die euthanasie wil; ‘hoogste tijd dat de lichtjes uitgaan’, zegt ze. Of meneer Kleiman, die als een grammofoonplaat telkens herhaalt: ‘Amerika wil eerst weten wat er met zijn jongens is gebeurd’.
    Erik verlangt naar jeugd, leven, frisse adem. Aad naar ‘een eenvoudig, overzichtelijk bestaan. Bescheiden. In harmonie.’ Dat staat op gespannen voet met elkaar, temeer daar Aad ook nog eens jaloerse trekken vertoont.

    Twee verhaallijnen
    Er zijn twee verhaallijnen waartussen telkens wordt geswitcht. Van de huiselijke, vertrouwde geluiden en gewoonten bij Erik en Aad thuis, naar de gebeurtenissen in De Tijdstroom. Beide sferen worden raak getroffen, en de personages maken een ontwikkeling door. De gebeurtenissen in De Tijdstroom worden vermeld, zonder dat er al te diep wordt ingegaan en de roman een ideeënroman over leven en dood wordt.
    Er zitten veel komische elementen in het boek, die de sfeer niet al te zwaar maken, en eerder luchtig houdt. Neem bijvoorbeeld de scène waarin Poelman met het Medisch Centrum Kinderwens belt. De mevrouw die de telefoon aanneemt, is verbaasd: een oudere man, een anoniem telefoonnummer, geen 06-nummer, die kan ook wel eens ‘een kuladres in Amsterdam opgeven’. Om te bevestigen, dat hij geloofwaardig is, vraagt Erik of Aad even vanuit hun huisadres wil bellen. Hij doet dit en grijpt daarna de telefoon om Erik ervan te verwittigen. ‘De telefoon. Aad. Met overslaande stem. “Wil je dit nóóit meer vragen. Ik ben nog nooit zo uitgelachen!”’
    Of de scène met mevrouw Bosker, die in hongerstaking is gegaan, in de veronderstelling dat dit een voorwaarde van de Levenseindekliniek is. Maar als ze hoort, dat dit niet zo is, maakt ze zich alsnog op om naar het kerstdiner te gaan, dat echter is afgelast omdat het norovirus is uitgebroken.

    De taferelen bij Erik en Aad thuis geven het gewone gangetje van het dagelijkse leven weer, die worden doorbroken door de gedachtenspinsels van Erik: wel of geen zaaddonor worden, kind wel of niet zelf opvoeden, stoppen alvorens het hele traject in te gaan, en de reacties van Aad en uiteindelijk Leonie daarop, waarbij de praktische bezwaren die Aad eerst had op Leonie lijken te zijn overgaan, en hij zich steeds liefdevoller toont.

    Leonie stopt het traject met Erik, waarna Sonja met hetzelfde verzoek komt. ‘We kenden elkaar al zo lang, we mochten in herhaling vervallen’ is dan een zinnetje met een dubbele lading. Alleen zou het nu een co-ouderschap worden met Erik en Aad als vaders en Sonja als moeder. Reactie van Aad: ‘Begint het weer’, maar in tegenstelling tot de vorige keer, met Leonie, is hij nu ‘heel enthousiast’ en zegt: ‘Nooit gedacht, en toch gekomen!’

    Er komt echter iets tussen: een knobbeltje op Eriks testikels, dat wijst op aderverkalking en lui zaad. Aad schiet weer in de modus dat het voor hem niet meer zo hoeft, een baby. Ook Erik lijkt opgelucht, als blijkt dat Sonja inmiddels een vriend heeft. Ze raakt snel zwanger.

    Beeldende taal
    Het boek is geschreven in een mooie, beeldende taal: ‘Ik sprak met een stem die niet bij mij hoorde, onpersoonlijk en politiek, alsof er zwaluwen zaten op de verbindingslijn tussen mijn hersenen en de spieren van mijn tong.’ Of: ‘een lijf dat in haar rolstoel eruitzag als een stapel slordig opgevouwen handdoeken’.
    Deze omschrijvingen raken de sfeer in het verzorgingshuis trefzeker, zoals ook details als het geborduurde landschapsschilderij naast een kamerdeur op de gang, of de gewoonte die sommige oude(re) mensen hebben om hun hand boven de hoorn van een vaste telefoon te houden en hem zeven keer over te laten gaan; denk niet, dat ik het niet druk meer heb …

    Tegenover het nieuwe leven waar aldoor over wordt gesproken, staat de dood in De Tijdstroom. De dood sluipt overigens ook hun huis en buurt binnen: poes Mia sterft, de buurman (loert hij nu op ze, of Erik op hem?) overlijdt – en dat laatste is misschien een beetje te veel van het goede; alsof hij het verhaal wordt uitgeschreven, zoals een personage uit een film.

    Al met al kunnen we spreken van een geslaagd, tragikomisch debuut dat soms doet denken aan de boeken van Kees ’t Hart.

     

     

  • De kracht van een nylonkous

    De kracht van een nylonkous

    Je hebt landkaarten waar je langs imaginaire plekken kunt trekken. Zoals een kaart die een plattegrond biedt van het mentale welbevinden van mensen: je wandelt via de rotonde van het goede gesprek naar het huis van zin of slaat de weg van het verlangen in. Topografisch mijmeren. Sla je Dragman open dan zie je eenzelfde levensweg uitgetekend: ‘August Crimp en de reis naar mijzelf’. En zoals dat vaak gaat met levenswegen, er zijn zijpaden, doodlopende steegjes en een kluwen aan gedachten. Wie ben ik? Wat ben ik? Met zelfs een spoorlijntje ‘terug naar het begin’. Vanzelfsprekend loopt dat lijntje dood. Er is geen terug. Wel veel verwarring.

    En dan is Dragman, de nieuwste graphic novel van Steven Appleby, nog niet eens begonnen. Dragman biedt een boeiende mix van genres. Het gaat over superhelden. Het is een thrillerachtige detective, in de verbindende teksten zit je in het hoofd van een moordenaar die het op travestieten heeft gemunt. En je volgt de worsteling van een gewone man die graag vrouwenkleren draagt en een huiselijk leven leidt met vrouw en kind. August Crimp heet hij. Het bijzondere aan hem is dat hij superkrachten heeft als hij vrouwenkleren draagt. Dragman zwiert en vliegt op zoek naar onrecht in de stad. Net als Batman – niet geheel toevallig de favoriete superheld van Appleby – heeft ook Dragman een maatje: Doggirl, een meisje dat zich kan transformeren tot een gevaarlijke hond. Alleen niet getekend in een stijl die je bij superhelden verwacht. Je zou Appleby’s tekeningen eerder cartoonesk noemen, eenvoudig, met een vloeiende cameravoering die zijn ervaring met het maken van animatie verraadt.

    Geheim leven

    Maar eigenlijk is het superheldenbestaan voltooid verleden tijd voor hem als het verhaal begint, en ook het dragen van vrouwenkleding heeft hij tot het minimum beperkt: heel soms is hij bij een vriendin waar hij in drag een paar uurtjes in huiselijke sfeer doorbrengt. Crimp leidt een gewoon leven, een gewoon leven waar gewone geheimpjes zijn. Hij zet zijn pruik af en spreekt de lezer aan, een tekst verdeeld over enkele plaatjes, waardoor de woorden ook meer impact krijgen: ‘Mijn naam is Crimp. August Crimp.’  Dit klinkt als James Bond. Alleen het vervolg is minder Bond: ‘En ik leid een geheim leven. Nou ja… iedereen toch? Ik loop graag rond in vrouwenkleren.’ Bij de laatste zin is hij van vrouw weer naar man omgekleed. Nog even veegt hij voor de spiegel de lipstick van zijn lippen voor hij terug naar zijn echtgenote gaat. Het is een leven dat Appleby zelf ook lange tijd heeft geleid.

    Crimps leven van kleine geheimen wordt door twee gebeurtenissen doorbroken. Zijn vrouw heeft bij het opruimen van de zolder de inhoud van één van zijn geheime dozen gezien: vrouwenkleding, foto’s van Crimp in drag en heel veel knipsels. En de oppas van hun kind vraagt hem om hulp. Nee, ze vraagt Dragman om hulp om de zielen van haar ouders terug te vinden – want door een gebeurtenis uit het verleden weet ze dat Crimp eigenlijk Dragman is.

    Stukje bij beetje onthult Appleby niet alleen hoe Crimp voor het eerst zijn voorkeur voor vrouwenkleding vond en ontwikkelde, maar ook hoe Dragman kennismaakte met Doggirl – ze is weer van de partij bij dit nieuwe avontuur – en waarom Dragman uiteindelijk zijn superheldenbestaan afzwoor om een gewoon leven te gaan leiden. Ondertussen gaan de moorden door, verkopen mensen hun zielen voor een hoop geld (zij leiden vervolgens een leeg leven van vakanties en sleur). Het ligt er niet duimendik bovenop, maar alles heeft betekenis bij Appleby. De superheldenclub, waar Doggirl Dragman introduceert en laat kennismaken met andere superhelden, is op een verborgen locatie. Het is een geheim genootschap waar je niet zomaar binnen komt. De superhelden zien eruit als superhelden maar leiden buiten de deuren van het genootschap een ander bestaan. Het lijkt een verwijzing naar plekken waar drags en homoseksuelen lange tijd ook slechts in het verborgene bij elkaar konden komen. In deze club sluit Dragman vriendschap met Hindsight, het meest ontroerende personage in deze strip.

    Nylonkous

    Als Crimp zich de dag herinnert dat hij Dragman werd, zie je een verveelde puber op een zondagmorgen die met zijn handen tussen de kussens van de bank zoekt en daar toevallig de nylonkous van zijn moeder vindt. Hij trekt de kous aan en vliegt door de ongekende kracht die de kous aan hem verleent, direct tegen het plafond. Je anders voelen geeft kracht, maar doet ook pijn.

    Dat switchen in de tijd, herkenbaar aan de inkleuring van de tekeningen en soms ook de lijnvoering als er een herinnering in een herinnering is, maakt Dragman tot een bijzondere leeservaring. Het superheldenlijntje en het lijntje van de moordenaar worden vakkundig aan elkaar geknoopt, maar belangrijker is dat Dragman, naakt en ogenschijnlijk verslagen door zijn vijand, zichzelf terugvindt: ‘Ik ben nooit erg goed geweest als man. En ik denk niet dat ik me ooit echt vrouw zal voelen. Ik ben iets anders (…). Ik ben ik.’ Die woorden, dit inzicht, geven Dragman de kracht om weer op te staan.

    Persoonlijk

    In het nawoord wordt duidelijk hoeveel er voor Appleby op het spel stond en hoe persoonlijk dit boek is. Appleby wilde geen geheim leven meer leiden, noch voor zijn/haar vrouw, noch voor de kinderen. ‘Ik wilde dat ze opgroeiden met een beeld van hun vader als een compleet mens, en niet als iemand met een enorm geheim dat op een dag toch wel zou uitkomen. (…) In 2007 ging ik mij continu kleden als een transvrouw, en ik heb al jaren geen kledingstuk voor mannen meer aangehad. Ik probeer ik te zijn en voel me goed bij mijn vrouwelijke uiterlijk, maar laat me nog wel Steven noemen. Daar bestaan toch zeker geen regels voor?’

    En de landkaarten? Appleby is er gek op. Je kunt op Appleby’s website uren vertoeven in The land of Steven Appleby, een naakte man als eiland, met opvallende heuvels ter hoogte van de borst, een stadje in de penis en een doolhof in de hersenpan.

     

  • Zwerven door Amsterdam, de letteren, een mensenleven

    Zwerven door Amsterdam, de letteren, een mensenleven

    Wie verwacht dat in de nieuwe roman van Sipko Melissen (1941) weer gehunkerd zal worden naar onbereikbare mannen of jongens komt deels bedrogen uit. De hunkering is gebleven, maar de mannen zijn verdwenen. Met De vierde mei slaat Melissen een nieuwe weg in, al zijn er voldoende ingrediënten die zijn verhaal de vertrouwde kleur geven. Zo is er de geschiedenis van een manuscript. Een variant op dit thema zat ook in zijn vorige boek Oud-Loosdrecht en in Een kamer in Rome, waar het manuscript werd ingeruild voor een novelle van een mysterieuze schrijver. Bekend zijn de vele verwijzingen naar de (wereld)literatuur, waarin de leesvoorkeur van de auteur is terug te vinden, alsook homoseksualiteit blijft een thema. Dat laatste wordt verbeeld in een bijfiguur, omdat Melissen verrassend en voor het eerst in zijn oeuvre een vrouw tot hoofdpersoon heeft gemaakt.

    Ze heet Altea DeWitt, vernoemd naar een kleine badplaats in Spanje, en woont en leeft in de bubbel van de Amsterdamse grachtengordel. ‘Het moet een bijzondere champagne zijn, dat is de enige eis die ik stel. Niet dat goedkope spul van vijftig euro.’ DeWitt draagt een Armani-pak. Het is ook wel met een zweem van ironie hoe Melissen zijn personage neerzet, een verkapt zelfportret zoals Hans Warren dat ooit deed in de novelle Indigo door zichzelf als een oudere schrijfster te portretteren. DeWitt heeft net als Melissen lesgegeven aan een Amsterdamse Hogeschool en is net als hij aan het einde van het jaar jarig. Dit zijn gniffelmomenten, meer niet.

    Paniek

    Belangrijker is dat hij DeWitt laat overkomen wat hem zelf ooit is overkomen, zo bleek uit een interview in Het Parool. DeWitt vindt een oude foto terug en denkt: wie is die knappe jongen die naast me staat? Het is Oliver, de man met wie ze haar leven zou gaan delen. ‘De foto was als een steen door het raam waar een briefje omheen was gewikkeld met de tekst: je was niet bij je eigen leven.’ Die foto en het conflict dat zij en haar man de avond daarvoor hadden over een manuscript van een jonge auteur – zij wil dat het gepubliceerd wordt, hij niet – vormen de opmaat tot een kleine existentiële crisis bij DeWitt. Wat is de zin van mijn leven, vraagt ze zich af. Ze denkt aan het gesprek dat ze ooit had met haar jong overleden jeugdvriendin Riekje: je staat bij de hemelpoort, en op welke grond heb je recht tot toegang? DeWitt had niets in kunnen brengen en nu, op deze vierde mei, slaat de paniek zo toe, dat ze besluit de gewone dagelijkse sleur te doorbreken en door Amsterdam te gaan zwerven, langs de plekken die in haar leven van belang zijn geweest, om antwoorden op haar vragen te vinden.

    Zo volgt de lezer DeWitt het gehele boek op die vierde mei in Amsterdam, een trip down memory lane, om ’s avonds te eindigen bij de twee minuten stilte op de Dam.  Een soms pijnlijke reis met herinneringen aan een seksuele escapade op Terschelling en het tekort schieten in haar vriendschap met Riekje, kleine tragiek in een gewoon leven.

    De boeken

    Haar eerste stop is het Amstelveld. Deze bekende plek in Amsterdam staat ook op het weinig onderscheidende omslag – de zwakste schakel in (of van) deze roman. Het Leidseplein (Americain) volgt, de Bosboom Touissantstraat, de De Clercqstraat, dan met de tram naar Centraal Station, de pont naar Noord, weer terug, de Hartenstraat. Elke plek is zwanger aan herinneringen. Is het Melissen zelf die een reis door zijn leven maakt, dat toch ook grotendeels zich afspeelt in Amsterdam? Als lezer van zijn werk kun je je bijna niet aan die indruk onttrekken. Niet alleen de herkenningspunten in de stad lijken dit te bevestigen, maar misschien nog wel meer de overpeinzingen die DeWitt heeft bij de boeken die haar in haar leven hebben gevormd. De Beatrijs-legende komt voorbij (gesneden koek voor de docent Nederlands die Melissen was), Coetzee, Jacobson, Tsjechov, de dagboeken van Victor Klemperer, Kafka’s parabel van de Poortwachter (toch ook een soort hemelpoort) en Carrolls Alice in Wonderland, met de deels geparafraseerde dialoog tussen Alice en de Cheshire Cat. Als Alice vraagt welke weg ze moet nemen en de kat op zijn beurt haar vraagt waar ze naar toe wil, antwoordt ze: ‘O, dat maakt niet uit.’ ‘Dan maakt het ook niet uit welke kant je op gaat,’ zegt de kat snedig. ‘Als ik maar ergens kom,’ vult Alice aan. ‘Oh, dat zal je zeker lukken,’ zegt de kat, ‘als je maar lang genoeg doorloopt.’ Over levenspaden gesproken!

    Troost

    Er gebeurt in De vierde mei niet veel. Prettig weinig, zelfs. Maar saai is het nooit en larmoyant wordt het zeker niet. Leg je zijn debuut Jonge mannen aan zee uit 1997 naast De vierde mei dan zie je dat de zinnen meer ritme hebben, vloeiender zijn geworden. Dat is misschien wel het geheim van de nieuwe Melissen. Omdat het allemaal zo eenvoudig en uit de mouw geschud lijkt, herken je bij nauwgezet lezen de stilist, de ervaren auteur. Met mooie observaties, zoals de volgende:
    ‘Ze volgde de pont op weg naar het ndsm-terrein. Er viel haar iets bijzonders op. Er was een opmerkelijk verschil tussen voor- en achterplecht. Op de overvolle voorplecht stond iedereen, met of zonder fiets, strak voor zich uit te kijken, onbeweeglijk als een terracottaleger, klaar om aan wal te gaan zodra de klep neer werd gelaten. Op de achterplecht was het minder druk. Er werd alle kanten op gekeken, heen en weer gelopen, en men was met elkaar in gesprek alsof het een receptie was.’

    Er is wel een plot – uiteindelijk weet DeWitt wat haar toegang gaat verlenen bij de hemelpoort. De lezer krijgt ook de epiloog voorgeschoteld van de nog uit te brengen roman over een aanslag tijdens de Dodenherdenking. Maar uiteindelijk is dat allemaal van minder belang in De vierde mei, waar het, om met K.P. Kavafis te spreken, vooral gaat om de reis en niet de bestemming. En Melissen, kenner van de hunkering, tussen de regels aan de lezer de vraag stelt: en jij, ben jij bij je eigen leven?

     

     

  • Feit of fictie? Nee: stijl!

    Feit of fictie? Nee: stijl!

    Begint H.C. ten Berge (1938) aan een tweede jeugd nu hij sinds kort onderdak heeft gevonden bij Koppernik? De uitgeverij heeft in korte tijd een eigenzinnig fonds opgebouwd met auteurs als Cynan Jones, Giorgio Bassani, Huub Beurskens en Wessel te Gussinklo. Niet vreemd dat Ten Berge met zijn eveneens eigenzinnige werk hier een welkome plek gevonden heeft. In 2019 verschenen bij Koppernik dan ook twee boeken van hem: De beproeving van Álvar úñez Cabeza de Vaca, een poëtische weerslag van een dramatisch verlopen Spaanse expeditie naar Amerika in 1527, waarbij Ten Berge zich baseerde op het verslag dat Cabeza de Vaca voor keizer Karel V schreef; en Notities van Nemo: een verzameling verhalen en novellen, geschreven tussen 1965 en 2012.

    Verhalen die een schrijversleven markeren 

    Notities van Nemo bevat geen nieuw werk. Wellicht kun je de verzamelde verhalen en novellen zien als piketpaaltjes in de schrijversloopbaan van Ten Berge, proza dat je zowel als realistisch, bijna journalistiek zou kunnen noemen, als wel surrealistisch, waarbij de lezer verre van een kant en klaar verhaal voorgeschoteld krijgt. In de laatste categorie kan het openingsverhaal ‘De honden’ en het titelverhaal, het tweede in deze bundel, geschaard worden.

    Voor liefhebbers van meer toegankelijk proza geldt daarom: eerst het zuur dan het zoet. Het derde verhaal, ‘Marble Island. Een reconstructie’, uit 1976, laat een geheel andere kant van Ten Berge zien. Een geschiedenis over zeevarende Europeanen, hun overwintering op Marble Island, het contact met Eskimo’s. Waarschijnlijk stuitte Ten Berge op deze geschiedenis toen hij in 1974 in Canada verbleef en werkte in het Volkenkundig Museum van Ottawa. De toon blijft vervreemdend. Het lijkt erop alsof een historisch verhaal wordt verteld, gebaseerd op bronnenonderzoek, maar is dat ook zo? Verbeelding lijkt deze wrede geschiedenis een extra dimensie te geven. Daarnaast openbaart zich voor het eerst – maar in deze bundel zeker niet voor het laatst – Ten Berges kritische blik op kolonialisme, politiek en macht. ‘Wat veroveraars en ontdekkingsreizigers delen is de gewoonte elke onbekende kust plompverloren “in bezit te nemen” namens een of andere imperialistische macht, die op plundering en uitbreiding gericht is.’

    De waarheid van de ‘oral historian’

    In ‘Lege stoelen, vijf novellen’ (dat de meeste ruimte inneemt in deze bundel) krijgt maatschappijkritiek ook de melancholieke ondertoon van de zestiger die terugblikt op een lang leven. ‘In Nederland knaagde de tand des tijds feller en sneller, omdat er geknoeid werd met ongeveer alles: de taal, de spelling, de scholen, de media. Alles moest altijd anders, minder en slechter.’ Aan het woord is M., de hoofdpersoon die in vier van de vijf novellen verhalen vertelt, maar vooral naar verhalen luistert over schrijvers van vervlogen tijden. M. keert terug naar Zeedorp, de plek waaraan hij goede herinneringen koestert, maar waarvoor hij ook tegenstrijdige gevoelens koestert (‘Als hij er niet gewoond had, zou het een prachtig oord zijn om doorheen te rijden.’). Kunstenaarsdorp Bergen aan Zee staat model voor Zeedorp.

    Met Betty praat M. over kunstenaars die in het dorp en in hun leven een rol hebben gespeeld: Tilman Hovius, Rieks Verwoold van Zanegeest zijn schuilnamen, maar andere personages worden onder hun eigen naam opgevoerd, zoals schrijver en journalist Jean Lenglet die onder het pseudoniem Édouard de Nève enkele romans schreef, en de Britse dichter Lawrence Durrell. Zo speelt Ten Berge met feit en fictie. Het lijkt allemaal op waarheid te berusten, maar het is de waarheid van de ‘oral historian’ die interviewt en uitsluitend met behulp van herinneringen, van ooggetuigen, geschiedenis weergeeft. Blijf je gefocust op dat historisch perspectief, wat is waar en wat is minder waar, dan mis je het belangrijkste aspect van deze bundel: en dat is de stijl van Ten Berge die je in korte verhalen als De honkvaste reiziger en Schimmen in de kloostertuin, maar vooral in Lege stoelen zo prominent bij de les houdt.

    Het beste verhaal voor het laatst bewaard

    Tot twee keer toe wordt William Faulkner aangehaald: ‘Houd drie dingen voor ogen (…): ervaring, waarneming en verbeelding’. Alleen een schrijver die voor zichzelf ook deze heilige drie-eenheid als adagium hanteert kan zijn personage het volgende laten denken, wanneer M. naar zijn gastvrouw kijkt: ‘Hij besefte dat hij urenlang in haar gezicht naar het gelaat van vroeger had gekeken. Haar echte leeftijd was voor hem een fictie die ineens werkelijkheid werd.’

    Save the best for last, alleen al het lezen van het slotverhaal ‘De vleeswolf’ maakt Notities van Nemo tot een waar avontuur. Uit de verantwoording blijkt dat de ‘De vleeswolf’ deel uitmaakt van De stok van Schopenhauer, een documentaire roman die Ten Berge in 2012 in eigen beheer uitgaf. Het is de geschiedenis van Fritz Haarmann, een seriemoordenaar die het vooral op jonge jongens had gemunt. Hij misbruikt en vermoordt ze niet alleen, maar stilt er ook zijn honger mee. Het decor is Hannover ten tijde van de Weimarrepubliek, de prille Duitse democratie van na de Eerste Wereldoorlog, maar de uitwerking van het drama is wellicht meer universeel.

    Het opnemen voor de eenzaat, de machtelozen

    Het dedain van machthebbers voor mensen van eenvoudige afkomst, tunnelvisie bij de politie, vriendjespolitiek. Zo werd er niets gedaan met de zorgen van de ouders van de vermiste jongens, noch met de verslagen van de buren van Haarmann – zij spraken over het verdachte rumoer in zijn huis, maar ook van verdachte handelingen buitenshuis. Sigarenboer Clobes en zijn vrouw zijn getuige hoe Haarmann met grote, zware zakken uit zijn huis wandelt om die in de rivier de Leine te gooien. Als het uiteindelijk tot een rechtszaak komt, is het de kritische berichtgeving van de journalist Theodor Lessing waar de rechtbank meer mee worstelt dan met de handel en wandel van Haarmann.

    Dan keert terug wat Ten Berge tot schrijven motiveert is het opnemen voor de eenzaat, de onmaatschappelijke (die eigenlijk juist heel maatschappelijk betrokken is), de machtelozen (van Eskimo’s tot ‘kleine luyden’). Het kan niet anders of het is zijn eigen woede als hij zijn alterego M. Louis Paul Boon laat citeren: ‘Men moet de mensen een geweten schoppen.’ Laat dit de opmaat zijn voor Ten Berges tweede jeugd.

     

  • In twee werelden

    In twee werelden

    Op het omslag van Schemerland van Berthe Spoelstra slaat een donkere vogel zijn vleugels uit. We zien hem op de rug: de archaeopteryx lythographica, bekend als de Oervogel, en miljoenen jaren geleden uitgestorven. Een onheilspellend beeld bij een onheilspellende titel.

    De hoofdpersoon heet Jeanne. Ze woont helemaal alleen in een appartement in Parijs. We volgen haar een ruime week van zondag tot de volgende zondagnacht. In die week wordt haar huis door haar kinderen ontmanteld. Jeanne is oud, hulpbehoevend, spreekt niet meer. Ze krijgt in plaats van thuiszorg dagelijkse ondersteuning van Boudou, de vriendelijke conciërge. Maar er is meer ondersteuning nodig en daarom gaat Jeanne verhuizen naar een plek waar die extra zorg wel gegeven kan worden.

    Met Schemerland debuteert Berthe Spoelstra (1969) als romanschrijver. Theaterliefhebbers kennen haar al langer: meer dan tien jaar is zij huisdramaturg bij Theater Frascati in Amsterdam. Door de eenheid van plaats (de huiskamer), tijd (een week) en handeling (de gedachten van Jeanne) zou Schemerland het uitstekend kunnen doen in het theater, met multimediale hulpmiddelen om haar gedachten te verbeelden.

    Thomas Moore

    Omdat je als lezer het gehele boek uitsluitend in haar hoofd zit, blijft het gissen wat er precies met Jeanne is gebeurd. Is ze dementerend? Daarvoor componeert ze in haar hoofd eigenlijk te prachtige zinnen en consistente gedachten. Kan ze niet praten, of wil ze niet meer praten? Haar kinderen, die in deze week de verhuizing gereed maken, zoeken vergeefs naar ingangen om haar te bereiken. Hoe onbeholpen dat soms ook gebeurt.

    Zonder dat het woord valt, is er eigenlijk sprake van een existentiële crisissituatie. Filosoof Thomas Moore zou het de donkere nacht van de ziel noemen. Er is verlies, rouw, een diep weggestopt verdriet. Zwijgen, je geestelijk terugtrekken en je vervreemd voelen van anderen horen daarbij. Jeannes huis wordt onttakeld, de basis van haar leven wordt haar ontnomen. Niet zijzelf maar haar kinderen maken de keuze welk dierbaar object wel en welk niet mee kan naar het verzorgingshuis. De oude vrouw ondergaat het gelaten.

    Volgens Moore kan zo’n crisissituatie ervoor zorgen dat je het gevoel hebt je tussen twee werelden te begeven. Zo’n ‘liminale’ toestand creëert Jeanne ook. Om pijn niet te voelen zoekt ze haar heil in fantasieën.

    ‘Ik verzin een zevenjarig meisje, een Lilou. Best wel goed, denk ik met de stem van mijn liefste kleinkind. Best wel goed. Glinsterend als zon op zomerwater zal dit fijne meisje de stilte doen trillen. Een verzonnen kind, een menselijk schild tegen alles wat komen gaat.’

    Terugblikken

    Fantasie als schild tegen de pijn van het heden, de verhuizing, en tegen de pijn van het verleden. Want zo zittend in haar stoel, terwijl op de televisie aanslagen in het journaal zijn, de Tour de France zijn etappes heeft of een serie wordt uitgezonden over een politiespeurhond, dwalen haar gedachten af naar het ongemak dat haar leven kleurde: de verhouding met haar zus, de pijnlijke scheiding van haar man, de relatie met haar kinderen:

    ‘Stilte drijft voorbij en wordt gevolgd door stilte, dit keer in een ander kleurenpalet. In welke vuurgloed moet ik mij wentelen om tot loutering te komen? Zo’n berg fietst de mens niet zomaar even op. Hoever is het klimmen en weer dalen voor ik toe kan geven, voor ik rusten kan? Ik ben bang dat ik te weinig liefde heb gegeven.
    Zo, het is gezegd. Is de leeuw nu verslagen?’

    Het zijn geen wereldschokkende gebeurtenissen die de hobbels in haar leven vormen. Ze heeft een klein leven geleid, een gewoon leven zoals de meesten van ons doen, met het gewone verdriet en onvermogen dat daarbij hoort. Als Jeanne naar haar kinderen kijkt, denkt ze: ‘Hebben zij keuzes gemaakt of zijn de dingen bij hen ook gewoon gebeurd?’ Zo blikt ze terug op haar eigen geschiedenis.

    Spoelstra weet dat een mens ook het gewone verdriet en onvermogen – bijna onbereikbaar – diep kan wegstoppen. Soms duren de fantasieën over het verzonnen kind net iets te lang om de aandacht vast te houden. Maar wanneer de herinneringen aan haar voorbije leven het schild van de fantasie doorboren, wordt het verhaal meer invoelbaar, meer urgent.

    Met Schemerland heeft Spoelstra vooral een poëtisch debuut geschreven. Verzamel maar eens de eerste zinnen van de opeenvolgende hoofdstukken: ‘De nacht morst zwart.’ ‘Zacht dient de dag zich aan.’ ‘Boudou draagt de dag onder haar arm.’ Mooie zinnen. Later in het boek beginnen de hoofdstukken met meer reguliere openingszinnen, zodat er ook vaart in het verhaal ontstaat. Knap is hoe Spoelstra haar hoofdpersoon langzaam naar de pijnpunten in haar leven voert tot de dood als een nachtelijke gestalte verschijnt en Jeanne haar vleugels mag uitslaan naar een ander bestaan.

     

  • Ook in jou huist een nerd

    Ook in jou huist een nerd

    Het omslag en de omvang wekken de indruk van een graphic novel. Maar nee, Nerds! is een gewoon leesboek dat hier en daar ondersteund wordt door cartoonachtige tekeningen en ‘verdiepende informatie’ in grijze kaders. Sterker nog, halverwege Nerds! wordt duidelijk dat de term graphic novel voor echte nerds werkelijk uit de gratie is: een ‘aanstellerig woord voor dikke, serieuze strip’ dat gebruikt wordt door mensen die ‘niet durven zeggen dat ze een strip hebben gelezen’. Je leest een strip of een comic of een manga. Zo schrapt een echte nerd de term graphic novel uit zijn woordenboek en legt hij ondertussen voor niet-ingewijden fijntjes uit wat nu precies het onderscheid is tussen strip, comic en manga. Schrijft u mee: een comic is een Amerikaanse strip, een strip een Europese strip en de manga komt uit Japan. En dan is dit nog slechts een onderscheid gebaseerd op geografie.

    Encyclopedische kennis van de nerd

    Nerds! is vooral een vrolijk en humoristisch boek. Emilio Guzman, cabaretier, en  Thijs van Domburg, voormalig cabaretier, pakken het onderwerp luchtig, persoonlijk en gedegen aan. De eerste vraag die zij willen beantwoorden is wat nu precies een nerd is. Zelf noemen zij zich hipster-nerds, die zijn op sociaal vlak ‘over het algemeen iets behendiger dan de gemiddelde nerd. De hipsternerd houdt vooral van complexe bordspellen, retrogames en indiefilms.’ Verder zijn er onder andere de metal-nerd, de game-nerd en de otaku (een nerd die van Japanse nerdy dingen houdt). Was vroeger nerd een scheldwoord, nu is toch eerder een compliment. Dat is wat dit boek de lezer ook leert: veel nerdhobby’s en interesses zijn minder obscuur dan een buitenstaander wellicht denkt, een breed publiek laaft zich inmiddels aan nerdy interesses. Denk hierbij aan films als Superman, Batman, X-men, Avengers, die begonnen als comic, sommige zelfs voor de Tweede Werelddoorlog, maar die als blockbuster een breder publiek bereiken.

    Naast een vrolijk en humoristisch boek is Nerds! een encyclopedie én reisgids. Alle soorten nerdhobby’s en nerdgenres worden uitgebreid beschreven, je leert er, zoals dat bij een encyclopedie hoort, toch iets van. Wat is bijvoorbeeld het onderscheid tussen een nerd, knurd of geek? Wat is het onderscheid tussen een Marvel-fan of een DC-fan? Als het met weetjes te gek wordt, lassen Guzman en Van Domburg een ‘nerd-alert’ in, een adempauze voor de gewone lezer.

    Weekendje larpspelen

    Vervolgens nemen Guzman en Van Domburg de lezer mee naar plekken waar nerds graag komen: beurzen (voor games en comics) en larp-verenigingen. Larp-verenigingen koesteren het kind in ons dat vroeger graag verkleed als ridder, indiaan of cowboy de buurt onveilig maakte met zijn rubberen zwaard, klappertjespistool of pijl en boog. Hier verzamelen volwassenen zich die, verkleed als fantasyfiguren, met elkaar een spel spelen, waarin land veroverd wordt en tegen elkaar gevochten wordt. ‘Zo’n larp-vereniging is een hechte gemeenschap en bestaat vaak uit spelers die elkaar al heel lang kennen.’ Guzman en Van Domburg maken het allemaal mee: ‘En als je dacht dat nerds niet van sport houden moet je zeker eens gaan larpen: aan het eind van de dag ben je helemaal kapot. Niet alleen wordt er tijdens zo’n queeste net als in The lord of the Rings heel veel gewandeld, al die gevechten gaan je ook niet in de koude kleren zitten.’ Er zijn larpspelen die een week kunnen duren.

    Bovenal blijft de nerd het liefst thuis, omringd door zijn spullen, zoals dat op het omslag heel precies wordt afgebeeld. Games, bordspelen, comics lezen of series kijken. ‘In het huis van de nerd is alles meestal zo ingericht dat niets zijn liefhebberijen in de weg staat.’ Bij de inrichting van zijn huis, is zijn hobby leidend, eventuele huisgenoten zijn gedwongen dit te accepteren. Verzamelen hoort bij een nerdactiviteit. Of het nu comics, action-figures of Warhammer-miniatuurtjes zijn, stel telkens de vraag, zeggen Guzman en Van Domburg: is het echt een verzameling of heb je er gewoon veel van? Heb je er tijd voor, hoeveel ruimte heb je, heb je het geld er wel voor over en hoe graag wil je het nou echt hebben? Wie een beetje verzamelaar is, kent de dilemma’s.

    De Nerd viert de verbeelding

    Soms is Nerds!, hoe onderhoudend en bij vlagen grappig, toch een beetje als die man die je aanschiet op een borrel met een geslaagde openingszin maar je vervolgens niet meer loslaat en overlaadt met een teveel aan weetjes. De schaduwzijde komt nauwelijks aan de orde. Bij nerds kun je ook denken aan gameverslaving, aan de zonderling die zich terugtrekt op zijn kamer, sociaal verkeer vermijdt, geen relaties aan durft of kan gaan. We zien eigenlijk vooral de vrolijke kant, want wat Nerds! duidelijk maakt, is dat een echte nerd de verbeelding viert en kiest voor een kleurrijk, wellicht zelfs een wat meer overzichtelijk, bestaan.

    Stilistisch is het boek vlot geschreven. Ook dat de auteurs zichzelf in de derde persoon opvoeren stoort niet: ‘[Thijs] is getrouwd met een vrouw die grotendeels dezelfde hobby’s heeft als hij, dus als Thijs een Transformer of Ninja Turtle wil kopen, is er niemand die hem tegenhoudt.’ Duidelijk is dat Guzman en Van Domburg bijzonder veel plezier moeten hebben gehad bij het maken van dit boek. Helder wordt ook dat in ons allemaal, al is het maar met één been, een nerd huist.

    Toch wringt het. Hoewel de auteurs graag niet-nerds willen aanspreken, lijkt Nerds! vooral voor de liefhebbers. Wil je eindelijk weten hoe het nu zit met al die Star Warsfilms en in welke volgorde je ze moet bekijken, of ‘alles’ over Star Trek en trekkies, dan is dit je boek.

     

  • Vakantierubriek 2013 – Machiel Jansen

    Nederland

    Deze zomer reis ik in de tijd en blijf ik op mijn plaats. Niet dat ik stil zit. Minstens één keer in de week ren ik mijn huis uit, het dorp door en beklim ik de heuvel die ‘Hoog Baarn’ genoemd wordt. ‘Hoog’ betekent hier in meerdere opzichten verheven boven de rest van het dorp en de omgeving. Grote villa’s, hoge bomen, ware woonkastelen, een ouderwetse watertoren en een prachtige vijver zijn te vinden op een plaats die iets dichter bij de hemel lijkt te liggen dan de rest van de omgeving.

    Het dorp is Baarn en de villawijk heet officieel Wilhelminapark al is er van een echt park geen sprake. Dit is een dure, prachtige wijk op een zandheuvel met huizen die veelal gebouwd zijn rond de voorlaatste eeuwwisseling. Wie er rennend doorheen gaat en door de inspanning  een zuurstofschuld heeft opgebouwd, waant zich even in die tijd.

    Vlak onder het hoogste punt van de heuvel staat een wat kleinere villa. De weg er langs is stil en schaduwrijk. De villa zelf is okergeel geschilderd en ligt op een hoek. De zijstraat waar de ingang zich bevindt, loopt na een tiental meters dood. De lucht ruikt hier altijd naar degelijke, ietwat prijzige rust. Hier heerst een stilte die niet iedereen zich kan veroorloven.

    De tuin van deze relatief bescheiden villa is niet eens zo groot of is er misschien aan de andere kant nog een deel dat ik niet zien kan? Er is een klein balkonnetje aan de voorkant en al met al lijkt me dit een ideaal huis om in te schrijven. Hier woonde Lodewijk van Deyssel. De muren waren toen wit in plaats van okergeel en het asfalt in de straat zal er ongetwijfeld nog niet gelegen hebben. Maar de schoonheid en de rust die Van Deyssel zo op prijs stelden zijn gebleven.

    Van Deyssel schreef hier Uit het leven van Frank Rozelaar en het huis zelf wordt een aantal keer beschreven:

    Van-ochtend vroeg weer thuis komend, werd ik getroffen door de schoonheid van mijn huis, zoo als het daar stond, wit, door de zon licht goud beschenen, onder het diepe blaauw van de lucht. Indien het niet mijn huis ware geweest, zoude het mij niet deze gewaarwording hebben gegeven. Toch weet ik zeker, dat ik niet vooraf gedacht had: “hoe heerlijk, daar is mijn huis”.

    Zoo dat de gemoedstrilling zich buiten mij om met het uiterlijk voorkomen van het huis verenigd had, en zij als een geheel mij stonden te wachten.

    Wie leest Van Deyssel nu nog? Zelfs de Baarnse boekhandel Den Boer verkoopt zijn boeken niet meer. Van Deyssels biograaf Harry Prick heeft de schrijver lange tijd nog overeind gehouden en met veel liefde en toewijding ervoor gezorgd dat er geen woord van de grote Tachtiger verloren ging. Telefoonbriefjes, aantekeningen, dagboekfragmenten, brieven; elk woord van Van Deyssel is gepubliceerd. Maar zijn echte literaire werk, wie leest dat nu nog?

    Van Deyssel is een merkwaardig figuur. Op mij maakt hij de indruk van een schrijver die voortdurend bezig is zich voor te bereiden op het schrijven van een meesterwerk. Alles, bijna alles, wat ik van hem ken, maakt de indruk een voorproefje te zijn, een vingeroefening op iets werkelijk groots en meeslepends. Maar aan het echte, grote werk is hij vervolgens niet toe gekomen. In plaats daarvan schreef hij uitvoerige aantekeningen over de manieren waarop hij de vliegen uit zijn schrijfkamer hield en hoe hij de rust probeerde te bewaren die voor het werkelijke schrijven noodzakelijk was.

    Ondertussen weet Van Deyssel toch de indruk te wekken dat hij een groot, zeer groot schrijver is. Die indruk maakte hij ook op zichzelf. De gewaarwording dat hij veel, zo niet alles kon, was hem niet vreemd. Dat wil niet zeggen dat hij dacht dat hij alles ook echt kon, maar hij beweerde te ervaren wat iemand die alles ook echt kan, ook ervaart. En omdat daden in die tijd door veel intellectuelen werden gezien als slechts een uiterlijk en minderwaardig bijverschijnsel van het innerlijke leven, was die gewaarwording op zich al genoeg. Waarom iets doen dat uiteindelijk een ervaring oplevert die je al hebt voordat je ook maar iets gedaan hebt? Voor Van Deyssel werd de gewaarwording dat je iets kunt, belangrijker dan het handelen zelf. Met andere woorden: het zijn van een God in het diepst van de eigen gedachten was bijna hetzelfde als een God te zijn.

    Zoals ik al zei, Van Deyssel was een merkwaardig figuur.

    Een aantal van deze ideeën beschreef hij in Het ik, heroïesch-individualistische dagboekbladen, uitgegeven in de reeks privé-domein en nu alleen nog antiquarisch te krijgen. Het is het beste dat ik van Van Deyssel ken. W.F. Hermans noemde het boek een meesterwerk en dat zegt zowel iets over het boek als over Hermans zelf.

    Het ik, is een uitermate zelfbewust boek. En met zelfbewust bedoel ik dat de schrijver niet alleen zijn gedachten weergeeft, maar ook zijn gedachten over die gedachten. Die zelfbewustheid doet bij Van Deyssel af en toe opmerkelijk modern aan. De stijlvormen die hij in zijn werk kiest zijn die van zijn tijd, maar het denken erover zorgt ervoor dat hij, makkelijker dan zijn tijdgenoten, de ene vorm voor de andere inruilt. Zijn roman Een liefde (1887) is een fraai voorbeeld van een laat-negentiende-eeuwse, impressionistische roman, inclusief een heus schandaal. Wie het leest moet overigens eens opletten hoe Van Deyssel de eens zo beruchte masturbatie-scène van Mathilde beschreven heeft: bijna uitsluitend in termen van licht, kleur en beweging.

    Uit het leven van Frank Rozelaar (1911) is een heel ander boek. Het is kalmer, beschouwend en bevat passages die lijken op het Natuurdagboek van Nescio, maar veel eerder geschreven zijn:

    Ik was verheugd over den zachten dag. Er was iets, dat mij heel oplettend stil deed staan. Ik weet niet wat het was, dat mij zoo stil deed staan. Vreemd was het. Een ochtend, die als een avond was. De maan, wel bleek, maar klaar. Onder de maan kwam daar een heele groote vogelzwerm aan, die mooi vloog met de vele vleugeltjes en telkens anders werd in groote licht-zwarte figuren.

    De nadruk die Van Deyssel legt op de schoonheidservaring is waarschijnlijk het meest opvallende kenmerk van zijn werk. Maar vooral in dat ene merkwaardige boek, Het ik, laat Van Deyssel zien dat hij meer kan. Dit boek verheft hem een beetje boven zijn vrienden en collega’s uit die tijd.

    ***

    Herman Gorter had de plaats hoog op de heuvel voor Van Deyssel uitgezocht. Hij was het die deze villa vond. Gorter zelf woonde in Amersfoort, even verderop, en aan de andere kant woonde Frederik van Eeden, in Bussum. Ook Willem Kloos woonde een tijdje in Bussum. De Tachtigers konden met een beetje goede wil naar elkaar toe wandelen en als dat te vermoeiend was, konden ze de trein nemen. Maar Van Deyssel moet behoorlijk lui zijn geweest. In één van zijn briefjes zegt hij een bezoek aan Van Eeden af omdat hij het te vermoeiend vindt naar het station te lopen. …Het is nog steeds een kippenendje.

    Het briefje staat in het boek Het beste mijner paradijzen van Ronny Boogaart en Eric de Rooij. Het is een wandelgids door het Gooi in de resten van de wereld van de Tachtigers. Villa Viletta, zoals het huis op de heuvel heet, staat er uiteraard ook in.

    De heuvel moet Van Deyssel goed hebben gedaan. Een plek, verheven boven de omgeving, pastte wel bij zijn levenshouding. Dat moeten zijn vrienden ook gedacht hebben, want in 1899 boden ze hem op diezelfde heuvel een nieuw huis aan, ter gelegenheid van zijn twaalfenhalfjarig huwelijksfeest met zijn vrouw Cato. Tegenover Van Deyssels villa lag een stuk grond braak waar bremstruiken groeide en Van Deyssels literaire vrienden zorgden ervoor dat daar een nieuwe, grotere villa speciaal voor hem werd gebouwd. Architect K.F.C. de Bazel, nu vooral bekend van dat grote gebouw in de Vijzelstraat in Amsterdam waar het stadsarchief gevestigd is, werd gevraagd het te ontwerpen.

    De Bremstruik heet het, en het is naar mijn mening wat minder fraai dan Villa Viletta. Het is te groot voor het formaat van een schrijver als Van Deyssel. Het mist de intieme schoonheid die zo opvallend is in het werk van de Tachtigers. Maar misschien is het van binnen fraaier dan van buiten – De Bazel schijnt veel aandacht aan het interieur te hebben besteed.

    Wie de heuvel afdaalt komt op de plek waar Van Deyssel zijn nieuwe Bremstruik aangeboden heeft gekregen. Alle Tachtigers waren in 1899 aanwezig in Hotel Groeneveld dat nu Restaurant Greenfields heet. Men at er o.a. schildpadsoep en pudding met ‘rhum sauce’. Nu ligt het aan de drukke Amsterdamse straatweg, een doorgaande autoweg die honderd jaar eerder nog een breed bospad was. Een foto van de locatie staat in Het beste mijner paradijzen afgedrukt. De stilte en schoonheid van de omgeving doet weemoedig aan. Tijdens het kijken in het verleden, vraag je je af of Van Deyssel zich bewust was van de schoonheid die hem omringde. Maar het antwoord is duidelijk te vinden in zijn werk: ja.

    Ik blijf thuis deze zomer. En natuurlijk kan ik altijd nog een uitstapje maken naar Bussum waar Van Eeden en Kloos zaten. Daar begon Van Eeden zijn kolonie Walden naar voorbeeld van de Amerikaan Henry David Thoreau. Het paradijs op aarde dat maar geen paradijs wilde worden. Maar daarover misschien later meer.

    Machiel Jansen

     

    In de Vakantierubriek 2013 stellen recensenten een aantal boeken aan u voor, uit de landen die zij op hun vakantie zullen bezoeken, of inmiddels hebben bezocht.
    Wilt u ook een bijdrage leveren aan de Vakantierubriek 2013? Klik dan hier.

    Wilt u alle bijdragen van alle recensenten lezen, klik dan hier.