• Janken

    Janken

    Mijn tranen zitten nogal hoog. Ik ben gauw ontroerd en huil snel bij zowel goede als slechte dingen, in de woorden van Emily Dickinson: ‘all we know of heaven, and all we need of hell.’ De laatste tijd wordt het alleen maar erger, in een oogwenk stijgt het waterpeil en de oevers van mijn ogen stromen over. Het ligt niet aan mij, denk ik, maar aan de wereld, waarin zoveel meer gebeurt om over te huilen. Er zal wel een heel oud verdriet onder liggen, dat weet ik niet. Gerry van der Linden schreef er een gedicht over.

    Porseleinen tranen

    Op een avond kwam ik aan
    in de werkplaats, in het huis
    van de hoekige dame
    die ronde vormen maakt

    van klei en aarde.
    Ik zag wel vijftig
    porseleinen tranen naast elkaar
    op de vloer gelegd en ze zei:

    ‘Tja, ik weet het ook niet,
    het gaat maar door.
    Misschien als ik suja zeg
    of tot honderd ga…’

    Misschien, dacht ik
    als je ze rangschikt
    naar verdriet.

    Ik had daarom beter moeten nadenken welk boek ik meenam toen ik naar een afspraak met de fysiotherapeut ging. In de wachtkamer waren twee mannen met hun telefoon bezig, ze bromden wat zonder op te kijken toen ik goedemiddag zei. Ik pakte het boek Uit het leven van een hond van Sander Kollaard uit mijn tas, waarin één dag uit het leven van goeierd Henk van Doorn en zijn hond Schurk wordt beschreven. Ik had het bijna uit, moest nog maar een paar bladzijden voordat ik geroepen zou worden. Maar ik had er niet op gerekend dat aan het einde van dit heerlijke boekje de schrijver zijn zelfopgelegde restrictie van 24 uur zou overschrijden door iets in de toekomst te beschrijven: Henk zal weliswaar gelukkig worden, maar zonder Schurk, die hij zeven maanden later moet laten inslapen: ‘[…] nog een keer zijn gezicht in die verrukkelijke Schurkvacht duwen, en nog een keer [..] maar zich dan abrupt omdraaien en weglopen, naar buiten, dat gedrocht van een wereld in.’
    Henk herinnert zich dat de dierenarts die bij het afscheid aanwezig is, een zoon verloren heeft en wil hem omhelzen, maar hij doet het niet. 

    Toen de fysiotherapeut me riep, zaten de tranen me hoog. Ik wilde nog een valse verklaring geven, zo van: wat een gure wind, he? Maar hij was de trap al op. Toen hij tijdens een oefening mijn arm hoog boven mijn schouder tilde, zag ik een kans om mijn tranen ongegeneerd te laten vallen, waarop hij geschrokken vroeg of het echt zo zeer deed. 

    Waarom kan Henk de dierenarts niet omhelzen, waarom kan ik niet gewoon tegen de therapeut zeggen: ik heb een boek gelezen waardoor ik geraakt ben en nou moet ik een beetje huilen. Waarom doen we onszelf altijd anders voor dan we zijn? Waarom moet schaamte altijd de overhand krijgen boven andere emoties? Ik zal toch niet de enige zijn die jankt om een boek?

    Enfin, volgende keer maar een woordenboek meenemen om te lezen in de wachtkamer, of iets anders dat geen tranen kan trekken. Ik sta open voor suggesties.

     

     

    Uit: Gerry van der Linden, Aan mijn veren hand (1993)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Het dunne ik

    Het dunne ik

    In A Quiet Passion, een film over de negentiende-eeuwse Amerikaanse dichteres Emily Dickinson – zij van de streepjes – komt een kitscherige scène voor waarin zij zich tot een baby richt met het volgende gedicht:

    I’m Nobody! Who are you?
    Are you – Nobody – too?
    Then there’s a pair of us!
    Don’t tell! They’d banish us – you know!

    How dreary – to be – Somebody!
    How public – like a Frog –
    To tell one’s name – the livelong June –
    To an admiring Bog!

    Peter Verstegen gaat in zijn omvangrijke vertaling van haar gedichten uit van een variant met ‘advertise’ in plaats van ‘banish us’:

    ‘k Ben Niemand! Wie ben jij?
    Ben jij – ook – Niemand? Wel –
    Dan zijn we een stel! Maar hou
    het stil! Of het wordt doorverteld!

    Iemand – te zijn – hoe akelig!
    Een junilang – gekwaak –
    Als openbare Kikvors – met
    De hele Poel als claque!

    Ik las de ondertitels mee en er viel me iets op aan de slotregel, ik ben vergeten wat, waardoor opeens tot me doordrong dat ‘admiring’ het woord ‘mire’ bevat, dat ‘moeras’ kan betekenen en ook ‘wegzinken in de modder’ en ‘besmeuren’. Allemaal zeer ter zake.

    Emily Dickinson was domweg niet in staat ‘iemand’ te zijn. Althans, dat is het gangbare beeld van de dichteres dat ook deze film laat zien. Enerzijds waren er de beperkingen van samenleving, godsdienst en ouderlijk huis, anderzijds was ze nu eenmaal zo gebakken: veel te afwijkend, veel te eigenzinnig, veel te schuw ook. Amper in staat tot compromissen. Ze kon niet anders. Ontmoetingen met vreemden beperkte ze graag tot brieven en briefjes, ook wanneer de ander zich in het belendende vertrek of huis bevond. Tijdens haar leven publiceerde ze vrijwel niets.

    Inmiddels is ze een reuzin in de Amerikaanse literaire canon, een ‘Iemand’ als geen tweede, maar wel op eigen voorwaarden, naar eigen maatstaven. Haar gedichten ogen nog altijd modern, om niet te zeggen vreemd (met al die streepjes en hoofdletters en dat ongebruikelijke vocabulaire) en zijn vaak niet gemakkelijk te doorgronden.

    Zou iemand in onze tijd zich er op willen laten voorstaan ‘Niemand’ te zijn? Let wel, Dickinson noemt zich niet ‘a nobody’; dat is een aanduiding van maatschappelijke onbeduidendheid, van gebrek aan status. Nee, kortweg ‘Niemand’, en onmiskenbaar in gunstige zin.

    Wij leven in het tijdperk van wat filosoof Harry Kunneman in 2005 het ‘dikke ik’ heeft gedoopt: het autonome individu dat zich de kaas niet van het brood laat eten en meer wil, altijd meer, koste wat het kost. In Dickinsons beeldspraak: een kikker die onophoudelijk ‘ikke-ikke-ikke’ roept en zich onsterfelijk waant terwijl zijn leven toch heus slechts een zomer duurt.

    Toevallig (nou ja, ‘toevallig’, een pensionado moet ook z’n tijd maar zien te vullen) zag ik kort daarop een andere film waarin de hoofdpersoon ook al beweert ‘niemand’ te zijn. Het Joods Historisch Museum vertoonde Zelig van Woody Allen, een mengeling van diepzinnigheid, humor en parodie, een meesterlijke mockumentary uit 1983. De hoofdpersoon gaat door het leven als ‘menselijke kameleon’. In gezelschap van mannen verandert hij, zowel geestelijk als lichamelijk, in ieder opzicht in de ander. Hij wordt een Chinees, een rabbi, een psychiater, een Spanjaard, een nazi, een afro-amerikaan – compleet met passende kleding, motoriek, taalgebruik, alles. In het echt – maar wat is ‘echt’  in dit geval? – is hij een joodse man van eenvoudige komaf.

    Hij valt in handen van de massamedia en van de medische stand. Zijn psychiater brengt hem onder hypnose en Zelig biecht op wat hem scheelt: ‘I want to be liked.’ En hij voegt er aan toe: ‘I am nobody. I am nothing.’

    Het verschil met Dickinson kan niet groter zijn. Bij haar gaat het om het afwijzen van een confectie-identiteit teneinde de eigenheid te beschermen; bij Zelig om het zich radeloos conformeren aan zijn omgeving, als een tweede natuur, teneinde geaccepteerd te worden. ‘Innere Emigration’ in de meest radicale vorm; een allegorie van hét Joodse vraagstuk van de diaspora: wel of niet assimileren.

    ‘Niemand zijn’ is een oud motief in de literatuur. Odysseus is de cycloop Polyphemus te slim af door hem wijs te maken dat hij ‘Niemand’ heet. Hij steekt hem zijn enige oog uit en de domme reus roept tegen zijn vrienden dat niemand hem z’n oog heeft uitgestoken. Dat zal destijds, rond 800 voor het begin van onze jaartelling, een lachsucces van jewelste hebben opgeleverd. Of neem My Name is Nobody, de spaghettiwestern van Sergio Leone uit 1973.

    Blijft de vraag of Dickinsons advies aan de boreling verstandig is. ‘Niemand’ zijn is een onmenselijk zwaar lot. Alleen de mystici, die verlangen ernaar. Meester Eckhart, in zijn preek naar aanleiding van ‘Zalig zijn de armen’: ‘wil de mens waarlijk arm zijn, dan moet hij zo leeg van geschapen wil zijn als hij was toen hij er nog niet was.

    Aan de andere kant, het ‘dikke ik’ willen we evenmin. Ik moet er nog eens over nadenken: waar plaats ik mezelf op een schaal van 1 tot 10?