• Spooksels

    Spooksels

    Meteen al op de eerste pagina van de historische roman Het huwelijksportret voorvoelt de zestienjarige Lucrezia di Cosimo de’ Medici dat haar man, Alfonso II d’Este, haar wil ombrengen. Het is een later verspreid gerucht, want officieel heet Lucrezia aan bloedvergiftiging te zijn overleden, maar de Britse auteur Maggie O’Farrell neemt het tot uitgangspunt van haar boek. ‘De zekerheid dat hij haar dood voorheeft is als een aanwezigheid naast haar, als een roofvogel met donker verenkleed die is neergestreken op de armleuning van haar stoel,’ schrijft O’Farrell bloemrijk. Soms haast ietwat statig vertaald door Lidwien Biekmann en Tjadine Stheeman.

    Dan zwenkt het verhaal zeventien jaar terug, naar het Florentijnse palazzo waar Lucrezia in 1545 wordt geboren en opgroeit. Een rebels meisje dat als kind al tegenstribbelt wanneer er een portret van haar wordt geschilderd. Een kind dat zich gevangen voelde in het palazzo, net als de tijgerin die haar vader gevangen hield in een kooi in de kelder. Op een dag wordt de tijgerin gedood door de twee leeuwen die Cosimo I ook hield. Zo krijgt dit dier een symbolische betekenis binnen de roman.

    Symbolen

    Net als de nek van Lucrezia, die Sofia, haar min, kindermeisje en kokkin van het palazzo, soms weer recht moet duwen als ze deze te ver naar achter had gedraaid. Uit nieuwsgierigheid, of omdat ze niet direct in haar ogen wenste te worden gekeken. Of omdat een man haar te dicht naderde en ze haar hoofd ver naar achteren moest buigen. Of om te kijken of de ziel van haar overleden, oudere zus Maria al weg was gevlogen door het openstaande raam.

    Mooi is dat in het verloop van de roman de symbolen zoals die van de nek naar binnen keren. Zo ziet Lucrezia op een gegeven moment ‘een paar wolken in de vorm van een aambeeld opdoemen’. De lezer mag het duiden net als de intertekstuele verwijzingen, zoals het toneelstuk dat aan het hof van Ferrara wordt opgevoerd. ‘Over een koning die per ongeluk zijn vrouw vergiftigt.’ Een reminiscentie aan het toneelstuk in het toneelstuk in Hamlet van Shakespeare; niet voor niets Shakespeare, want schreef O’Farrell niet eerder een roman over Hamnet, zoon van Anne Hathaway en William Shakespeare?

    Als een spreeuw die de weg naar buiten niet weet

    Lucrezia moet Maria’s plaats innemen als echtgenote van Alfonso, de zoon van de groothertog uit Ferrara. Zij is pas dertien jaar en nog volop bevangen door kinderlijke ‘spooksels’ die O’Farrell raak weergeeft: ‘Zonder waarschuwing gleed ze tussen de stoel en de tafelrand door en kroop op de tast onder de tafel weg. Dat was de enige manier: ze kon niet zomaar bij de tafel weglopen, want dat ding zou een arm naar haar uitstrekken en haar grijpen.’

    Ze biecht Sofia op wat ze heeft gehoord over het geplande huwelijk, ondertussen aan tafel een spreeuw natekenend die ze eerder dood heeft gevonden, omdat hij de weg uit het palazzo naar buiten niet meer terugvond. Weer zo’n symbool, zo’n doordacht detail. Zo zijn er veel, te veel om op te noemen. Ze geven aan de roman een extra laag, waar het verhaal zelf lang zijn rustige loop neemt en het karakter van Lucrezia en Alfonso genuanceerd wordt weergegeven, met lichte en donkere kanten.

    Het is boeiend, zeker, maar er valt weinig sociale- of politieke context in terug te vinden, wat jammer is. Met uitzondering van terloopse opmerkingen over bijvoorbeeld het waanidee van de hertogelijke familie dat ‘het volk’ van ze houdt, of over de moeder van Alfonso, de protestantse prinses Renate van Frankrijk. Alfonso verandert gaandeweg in een bezetene die nog maar één ding najaagt: een zoon, die zowel het hertogdom Toscane als het hertogdom Ferrara zal erven. Het boezemt Lucrezia angst in, ‘die zich als sneeuwvlagen tegen zich opwerpt’.

    Het portret in wording

    Op een gegeven moment arriveren twee schilderleerlingen, Maurizio en Jacopo, die gaan helpen met het portret van Lucrezia. De een schildert – modern voor die tijd – landschappen op de achtergrond en de ander bekommert zich om de stofuitdrukking. De meester, de maniërist Sebastiano Filippi, doet dan het gezicht en misschien de handen.

    O’Farrell weet de context van het leven aan het hof van Ferrara raak te treffen. Ze schrijft over de schilderleerlingen – waarvan er een verliefd is op Lucrezia –, castraten, schandalen, de kleding en haardracht zoals die in vergelijking tot die in Florence wordt gedragen. Inclusief details als het feit dat Lucrezia’s hoofd haast is ingesnoerd in een hoge kanten kraag, wat draaien ervan moeilijk maakt. Iets dat ze zoveel deed. Wat Alfonso verwacht van het schilderij, zegt hij op een onbewaakt moment: ‘Mijn eerste hertogin’ [lees: Maria]. Wat hij van Lucrezia verwacht, is duidelijk: een mannelijke nazaat. Omdat ze die niet kan geven of omdat hij deze niet kan verwekken (ook zijn volgende huwelijken bleven kinderloos), wordt ze uit de weg geruimd. Of toch niet? De plotwending aan het slot geeft een sprookjesachtige, wat ongeloofwaardige draai aan het verhaal.

    Al met al is het boek een boeiende en mooi vertaalde historische roman waarin met name Lucrezia en Alfonso centraal staan en wat minder aandacht wordt geschonken aan de context van de tijd waarin het speelt. Met een cliché zou je het een pageturner kunnen noemen, net als O’Farrells Hamnet overigens.

     

     

  • Spel met identiteit en werkelijkheid

    Spel met identiteit en werkelijkheid

    Wie de wereld van de tweede roman van de Franse filosoof, romanschrijver en recensent Maurice Blanchot (1907-2003) betreedt, denkt aan de ene kant in die van Franz Kafka terecht te zijn gekomen. Aan de andere kant proeft de lezer in deze roman uit 1942 een vooruitwijzing naar de nouveau roman van bijvoorbeeld Samuel Beckett en verder in de tijd. De invloed op Blanchots werk door met name filosofen als Hegel en Heidegger en de invloed van Blanchots werk op Emmanuel Levinas (de filosoof van de a/Ander) en Jacques Derrida (la différance) is groot, al is zijn naam voor het grote publiek minder bekend. Daar wil uitgeverij Kievenaar terecht verandering in brengen.

    Het is niet een woord als ‘gedaanteverwisseling’ van de bewaarder van een gebouw waar je oog op blijft rusten, meteen al aan het begin van Aminadab. Het is de sfeer van zowel Het kasteel als van Voor de wet van Kafka die het hele boek ademt. Dat niet alleen, ook de thematiek kent overeenkomsten, al kun je het boek van Blanchot uiteindelijk wel anders duiden. Dat is dan meteen de eigen kracht ervan.

    Licht en donker

    Aan het begin geeft een meisje aan de hoofdpersoon van het boek, Thomas, ‘een kort teken met haar hand dat leek op een uitnodiging, om onmiddellijk daarna het venster te sluiten zodat het vertrek weer in duisternis werd gehuld’. Thomas gaat het gebouw binnen en wordt rondgeleid door de bewaarder/conciërge. Deze vertelt dat iedereen binnen mag komen ‘als hij daar een reden voor heeft’. Dat wil zeggen: een appartement wil huren. Het ene appartement is nog aparter dan het andere.
    De rondleiding krijgt een wending wanneer Thomas zonder nadere uitleg aan een andere man, Dom, wordt vastgeketend en zij in een ‘met zorg gemeubileerde en aangenaam verlichte’ kamer worden ondergebracht. Blanchot speelt hier – net zoals in het vervolg van de roman – met donker en licht: de donkere vensterkamer van het meisje, de lichte kamer waarin Thomas en Dom worden ondergebracht.
    Het is ook licht dat valt op het gezicht van Dom, plus daarop nog een gezicht ‘dat door een tatoeëerder was aangebracht’. Hier speelt Blanchot, net als eerder Hegel en later Levinas, met het begrip identiteit. Het zijn allemaal details (licht/donker, een dubbel gezicht) die je aan het denken zetten over vraag of het boek ten diepste over werkelijkheid en waarheid gaat. ‘Zijn ervaring had hem al geleerd dat de bewoners van het pand niet altijd de waarheid spreken’, schrijft Blanchot bijvoorbeeld over Thomas. Het verdiept, maar kan ook afremmen, terwijl de lezer vanaf deze zinsnede nog ruim driehonderd pagina’s te gaan heeft. Pagina’s zonder hoofdstukindeling en zonder witregels om op adem te komen.

    Verschuivingen

    Zoals Dom een tweede gezicht heeft, zo spiegelen de trappen in het gebouw elkaar en worden antwoorden herhaald als waren het echo’s. Een jonge huisknecht is bijvoorbeeld maar een zwakke afspiegeling van de echte huisbedienden, sommige vrijwilligers imiteren de gewoonten van het personeel. Over identiteit gesproken! Hierdoor ‘werden ze achterbaks, leugenachtig, tiranniek!’
    Op die manier lijkt er bovendien geen sprake te zijn van vooruitgang, zoals er ook wordt vermeld dat bij de inrichting van het gebouw ‘veranderingen uit den boze’ zijn. Er vinden alleen verschuivingen plaats. Ook wat betreft de karaktertrekken van Thomas. Aan het begin laat Blanchot hem vaak diep gekwetst zijn, verbaasd, in zijn wiek geschoten of geërgerd, maar deze aanduidingen blijven gaandeweg de roman achterwege.
    De wereld van het huis is, met andere woorden, verstard, versteend. Wat er ook gebeurt, het huispersoneel en de bewoners leren er niets van. Voor rede is niemand vatbaar. Het is alleen de ervaring die ze wijzer kan maken. De huurders gaan ervan uit dat ze het hele huis huren en niet een appartement. Het zet ze aan ‘tot nieuwe woedeaanvallen en nieuwe wraakplannen, alsof [ze] diep waren beledigd door een vijand die [ze] tot in het diepst (…) had achtervolgd’.

    Straf en wraak

    Op een gegeven moment vindt er een aardbeving plaats en een deel van het plafond bedelft veel mensen en dingen. Een straf die aan duistere machten wordt toegeschreven. Onder de overlevenden zijn huisbedienden die hun werk direct weer oppakken met onnozel overkomende werkjes, te midden van alle puinhopen, zoals het afvegen van een tafel.
    Dit staat in schril contrast tot wat de huisbedienden óók gewoon zijn te doen: ‘zich van bepaalde huurders ontdoen, door hun verblijf buitengewoon ongemakkelijk te maken.’ Die bepaalde huurders zijn ernstig ziek. Geen wonder dat ze de huisbedienden haten. Deze zijn overigens uit alle bewoners van het huis gerekruteerd.
    Beide elementen, het afvegen van de tafel en het rekruteren uit de bewoners, doet denken aan wat in dezelfde tijd dat Blanchot de roman schreef in de concentratiekampen gebeurde: mensen die de straat met een tandenborstel moesten reinigen en bewaarders die onder de joodse kampbewoners werden gerekruteerd.

    Eén van de ziekenverzorgsters heet Barbe. Thomas verbeeldt zich ‘dat als hij haar jurk maar kon aanraken, hij onmiddellijk de slaap zou vatten’. De zieken zijn niets zonder haar. Ze brengt licht, waar de huisbedienden donkerte scheppen. Barbe heeft een boodschap voor Thomas, of was het Dom? Ze beschrijft zichzelf als tussenpersoon, die een beroep kan ‘doen op andere krachten’ dan de hare. Ook ziet ze zichzelf als ‘een nederig dienstmeisje’. Sommige omschrijvingen roepen reminiscenties op aan de Bijbel, namelijk aan Maria, de moeder van Jezus van Nazareth. Net als overigens de titel van het boek, die verwijst naar figuren uit het Oude Testament, maar ook de naam is van een broer van Levinas, die in een concentratiekamp werd vermoord.

    Van boven tot onder

    Barbe kent het huis van boven tot onder en dat is iets dat Thomas ook tot doel heeft: ‘contact te leggen tussen de mensen hierboven en ons’, tussen hemel en aarde of misschien zelfs de onderwereld. Waarbij aangetekend dat op de bovenste verdieping niemand woont en het eigenlijk de bedoeling is dat Thomas zijn bestemming ergens in de souterrains vindt, waar bij werkelijk thuis en vrij kan zijn. Ook hier is er sprake van een veelzeggend detail: de trappen leiden allemaal naar beneden. Geen trap gaat naar boven.
    Uiteraard kun je boven en beneden ook interpreteren als respectievelijk verstand en geest. Met de rede heeft Thomas als gezegd niet veel op, met ervaring des te meer.

    Aminadab is een intrigerend boek, voor avontuurlijke lezers, filosofisch ingestelde lezers, lezers die van Kafka of het surrealisme houden. Méér dus dan je misschien op het eerste gezicht zou denken. Lof aan de vertaler, Peter Bergsma, en aan de uitgever van deze roman.

     

     

  • Stuivertje wisselen

    Stuivertje wisselen

    Droom en werkelijkheid schuiven in de nieuwe roman van de Albanese schrijver Ismail Kadare (1936) over en door elkaar. Het Moskou van Stalin en Boris Pasternak, het Tirana van Enver Hoxha – die wel de Albanese Stalin wordt genoemd – en van Kadare zelf. Heden en verleden doen aan stuivertje wisselen. ‘Een mysterieus telefoongesprek tussen Stalin en Pasternak’ luidt de ondertitel van Onenigheid aan de top. 

    We schrijven 1934 wanneer Stalin Pasternak belt, en zoveel jaar later, 1964 als Hoxha met Kadare belt. Het ene gesprek (Stalin en Pasternak) roept bij de inmiddels 86-jarige Kadare herinneringen op aan een ander, namelijk het gesprek tussen hem en Hoxha. Kadare hoort over het telefoongesprek tussen Stalin en Pasternak in 1959, wanneer hij in Moskou studeert. Een gesprek dat op de achtergrond blijft sudderen en doorwerken, tot hij er in 2022 de vorm voor vindt om het op te schrijven. Overigens eigenlijk meer een essay dan een roman.

    Telefoongesprekken met Stalin

    Het was niet uitzonderlijk dat Stalin naar de telefoon greep. We kennen het fenomeen ook uit bijvoorbeeld de biografie van de Russische schrijver Michail Boelgakov, de dag na de zelfmoord van Majakovski in 1930. De Russische auteur vermengde trouwens in zijn meesterwerk De meester en Margarita op een soortgelijke manier als Kadare fictie met werkelijkheid, twee steden en tijdsperiodes. In Boelgakovs geval Moskou in de tijd van Stalin en het Jeruzalem in de tijd van Jezus. Kadare noemt Boelgakov terloops en gaat verder op diens gesprek met Stalin niet in.

    Kadare schrijft over de drie minuten die het telefoongesprek duurde waarin Stalin aan Pasternak vroeg wat hij van Osip Mandelstam vond en Pasternak het niet onvoorwaardelijk voor de dichter opnam. De auteur probeert te achterhalen wat er waar is van de dertien versies die over het gesprek de ronde doen en waarom die drie minuten hem zo intrigeren. Afgezien van het feit dat het natuurlijk ook met zijn eigen levensloop te maken heeft.

    Dertien versies

    Het grootste deel van het boek, dat soepel is vertaald door Roel Schuyt, bestaat uit het uitpluizen van die versies. Op grond van de archieven van de KGB, de memoires van Galina Nikolajevna von Meck, van Nikolaj Vilmont, een vriend van Pasternak, van Pasternaks vrouw, van de dichter Sergej Bobrov, Isaiah Berlin en anderen.
    Op z’n best zijn het interessante beschouwingen. Vooral de meer uitgewerkte hoofdstukken zijn geslaagd. Dat zijn de stukken waarin Kadare zich inleeft in de gemoedstoestand van Pasternak. Steeds dichter nadert hij de kern. De cirkels sluiten zich gaandeweg steeds nauwer, van buiten naar binnen, naar de naaste familie en vrienden. Een groot verschil tussen de versies wordt op die manier duidelijk: de vrouw van Pasternak, Zinaida, schrijft in haar memoires (1993) bijvoorbeeld tot twee maal toe dat haar man aan de telefoon rustig bleef, in tegenstelling tot wat in de andere versies wordt beweerd. Zinaida is volgens Kadare ‘een uiterst paradoxale figuur: ze is enerzijds zijn trouwe echtgenote en anderzijds een onderdeel van de Sovjet-Unie’.
    De koelste en afstandelijkste beschrijving van wat er gebeurde, is volgens Kadare afkomstig van Nadezjda Mandelstam, ‘de vrouw van de onfortuinlijke dichter’. Koel, vooral richting Pasternak: waarom was hij niet voor haar man opgekomen?

    De geschiedenis opgerekt

    Vervolgens rekt Kadare de cirkels weer wat op, tot de syfilis die Lenin bij een Zwitserse prostituee zou hebben opgelopen aan toe. Het lijkt ver verwijderd van zijn eigenlijke onderzoek, maar je moet als lezer niet vergeten dat het ook Pasternak was die geloofde in keerpunten in de geschiedenis, of in wat hij kwesties van leven en dood noemde. En die ziekte van Lenin zou er zo een kunnen zijn. Magische verbanden zijn het, zoals Kadare die ook beschreef in zijn roman Kroniek in steen, waarvan tegelijkertijd met deze roman een nieuwe uitgave is verschenen in de Perpetua-reeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep.
    Een overeenkomst tussen beide boeken zit in de aandacht die Kadare schenkt aan de noodlotszwangere Griekse mythologie. Bijvoorbeeld met Helena van Troje, degene die net als Pasternak zweeg.

    De twee lijnen van het boek, de reconstructie van het telefoongesprek tussen Stalin en Pasternak en de herinneringen die dat bij Kadare oproept aan zijn gesprek met Hoxha, zijn mooi uitgewerkt. De derde lijn, de verwerking hiervan, loopt als een wat dunnere draad er doorheen. Een dunne, maar daarover is het misschien beter niet (te snel) te oordelen. Dat kan hooguit een betrokkene zelf, zoals Boelgakov, die zijn onmacht en lafheid beschrijft. Misschien is de tijd voor een al te diepgravend zelfonderzoek bij Kadare nog niet rijp. Of, zoals hij zelf schrijft: ‘Jullie moesten eens weten hoe dat voelt’, zo’n gesprek, en: ‘Oordeel niet te snel’. Dat moet voorlopig genoeg zijn.

     

     

  • Babystapjes of meer?

    Babystapjes of meer?

    Aan de vooravond van de bekendmaking van de nieuwe Nederlandstalige literaire canon valt het manifest Optimistische woede in de brievenbus. In vergelijking met de top-tien van 2002 staat op de lijst met auteurs een (één!) vrouw, namelijk Hella Haasse, doorgeschoten van plaats zesentwintig in 2002 naar plaats acht nu. Op de lijst met titels prijkt zij op plaats twaalf met Oeroeg. Haar naam wordt de laatste tijd terecht vaak genoemd als de vierde grote Nederlandse schrijver naast de zogeheten ‘Grote drie’: Hermans, Mulisch en Reve.

    En toch blijft er voor het schrijverscollectief Fixdit, de auteurs van Optimistische woede, werk aan de winkel. Veel werk kun je helaas wel zeggen. Fixdit bestaat uit de volgende Nederlandse en Vlaamse schrijvers: Yra van Dijk, Sanneke van Hassel, Rachida Lamrabet, Jannah Loontjens, Munganyende Hélène Christelle, Christine Otten, Gaea Schoeters, Shantie Singh, Fleur Speet, Manon Uphoff en Annelies Verbeke.

    Met twee maten meten

    De titel van het manifest, met het woord ‘woede’ erin, is opvallend. Immers: werd een vrouw niet lang neergezet als onsympathiek als zij kwaad wordt? Woede was lang not done, want een vrouw moet beheerst en liefst gelaten zijn. En aan het andere woord, ‘optimistisch’ werd tijdens een door De Balie in Amsterdam georganiseerde avond ook wat getwijfeld. Daarover straks meer.

    Het boek bestaat uit elf over het algemeen sterke stukken tekst van de schrijvers van Fixdit en het wat schreeuwerig opgemaakte Fixdit Manifest in het hart van de uitgave. Met onderaan de pagina’s doorlopend namen van vrouwelijke auteurs. Wat ontbreekt zijn korte biografieën van de schrijvers, al zijn de meeste namen wel bekend. Misschien valt dit in hetzelfde genre als ‘die vermaledijde verklarende woordenlijsten’ die Rachida Lamrabet de deur uit wil doen, omdat je een roman primair met ‘een literaire blik’ moet lezen? Al is dit natuurlijk geen roman.

    Op de vraag waarom vrouwen zoveel minder literaire prijzen dan mannen winnen (iets waaraan Marja Pruis tijdens genoemde avond in De Balie overigens twijfelde), worden in het boek verschillende antwoorden gegeven: door structureel seksisme of door ‘vooroordelen en beelden die we collectief geïnternaliseerd hebben [over] hoe een schrijver eruitziet’ (Shantie Singh). En ook door de vooroordelen van witte lezers ten aanzien van vrouwelijke auteurs van kleur, zoals Rachida Lamrabet schrijft.
    Ook op een andere vraag, of vrouwen minder goed zouden schrijven dan mannen, volgen verschillende antwoorden: nee, maar er wordt in de literaire kritiek met twee maten gemeten en dit idee is een culturele erfenis van eeuwen. 

    Wat is een vrouwenboek?

    Verschillende auteurs zoeken een andere insteek. Zo vraagt Sanneke van Hassel zich bijvoorbeeld af wat een ‘vrouwenboek’ eigenlijk is en concludeert dat het woord gewist moet worden. Fleur Speet vraagt zich af waarom er zo weinig historische romans zijn met een vrouw als hoofdpersoon. Zij stelt dat dit ‘een verdacht genre’ is en de auteurs vaak als ‘vertelster’ worden geafficheerd. Vervolgens komt ze met de vraag of het komt omdat ‘velen van ons niet weten hoe boeiend de geschiedenis van vrouwen is?’ Misschien leidde dit tot het ontberen van een rijke traditie van verhalen op dat terrein. Ze stelt voor ‘trots te zijn op de onderwerpen en thema’s die vrouwen juist vanuit hun eigenheid in de geschiedenis te berde hebben gebracht’. Manon Uphoff noemt gelukkig heel wat uitzonderingen, zoals Jeanette Wintersons Frankusstein, Anne van Eekerens Mary, Hemelse mevrouw Frederike van Maaike Meijer en Het lied van ooievaar en dromedaris van Anjet Daanje.

    De vooruitgang gaat met babystapjes. Zo is er dit jaar weer een vrouw (Lize Spit) aan de beurt om het Boekenweekgeschenk te schrijven en won als zeventiende vrouw Annie Ernaux dit jaar de Nobelprijs voor Literatuur. Maar, schrijft bijvoorbeeld Gaea Schoeters: begin bij jezelf. Als recensent, als lezer, door meer aandacht te schenken aan vrouwen in de letteren om ‘door hun ogen, op een andere manier naar de wereld te kijken’. Jannah Loontjens doet het in dit manifest. Zij gaat in haar eigen werk perspectieven na en perspectiefwisselingen, van man naar vrouw, of liever naar ‘meer ervaringen die bij vrouwenlevens horen’. Of zoals Munganyende Hélène Christelle, die in haar bijdrage komt met enkele namen van ‘intersectionaliteit’, zoals Gloria Wekker die zowel als vrouw als zwarte wetenschapper op de barricaden klimt. Om het noemen van namen gaat het natuurlijk, zoals Gustaaf Peek terecht opmerkte tijdens de avond in De Balie. Pas als er geen namen meer worden genoemd, is iemand echt dood en vergeten. 

    Avond in De Balie

    Die avond viel op de dag na het lanceren van de nieuwe canon en werd georganiseerd in samenwerking met Fixdit. Zo’n avond is een goede zaak, want de canon is iets om over te blijven discussiëren. Het mag geen gestolde opvatting zijn. Praten over literatuur, gendergelijkheid, diversiteit en inclusie is winst. In De Balie mochten onder anderen drie mensen een naam noemen die zij in de canon hadden gemist. Gustaaf Peek kwam met Dé-Lilah (pseudoniem van Lucie van Renesse), Marja Pruis met Patricia De Martelaere, en Nikki Dekker met Andreas Burnier. 

    Wat deze drie sprekers deden, was opmerken wat Fleur Speet in het manifest schrijft: het werk van vrouwelijke auteurs moet in hun eigenheid worden gelezen, ‘niet in vergelijking tot mannelijke auteurs, niet met de huidige canon als maatlat, maar in vergelijking tot henzelf’. Als ‘autonome kunstenaars’, schrijft Manon Uphoff. Door mannen en vrouwen die zich niets aantrekken van welke canon dan ook. In de uitgeverswereld, door auteurs, de literaire kritiek, docenten, bibliothecarissen en lezers. Dan zijn we meer dan een babystapje verder.

     

  • Tweelingzussen

    Tweelingzussen

    De in 1966 geboren Syrisch-Koerdische schrijfster Maha Hassan verbleef in 2007 een jaar als writer in residence in Amsterdam. In het huis van de familie Frank aan het Merwedeplein. Dan weer beschrijft ze de hoofdstad als een stad met ‘een sympathieke uitstraling’, dan weer ‘als een saaie, bezadigde oma die je liefdevol omarmt’, maar ook als ‘mysterieus, geheimzinnig en verontrustend’.

    Je bent geneigd te denken: hoe kan dát nou? Het is toch het een of het ander? Maar dan doe je geen recht aan de kijk van Hassan. Temeer daar ze op een gegeven moment zelf opmerkt, wanneer ze hardop tegen zichzelf praat, dat ze zich ‘gedraagt alsof ze uit twee of meer personen bestaat’. Niet dat ze schizofreen is, maar ze is ‘als een geopende kast, vol uiteenlopende personages’. Het lijkt wel een kwaal: ‘Het gevoel dat je iemand met je meedraagt en door zijn ogen naar het leven kijkt en omgekeerd.’

    De geest van Anne Frank

    Zo is het ook in deze in twee delen uiteenvallende roman. In het eerste, dat zich afspeelt in 2007 in Nederland, draagt Maha Anne met zich mee. Maha is, schrijft ze, ‘een metafysisch wezen’ dat gelooft in geesten die in het huis aan het Merwedeplein rondwaren. Zoals die van Anne. ‘Ja,’ legt ze uit, ‘ik ben iemand die bestaat uit sprookjes en bijgeloof, iemand die op de rand van de realiteit leeft.’ En van de rationaliteit. Een mythisch wezen, schrijft ze elders. Dit valt niet alleen te herleiden uit Hassans culturele achtergrond, maar ook uit haar psyche: ze is ‘bang voor alles’. Om het even of het nu een muis of een jood is, ‘taboe in de Arabische cultuur’. 

    Voor het gemak vermengt ze in het eerste deel het jodendom met Israël, de vijand van Syrië. Ze vraagt zich af of ze recht kan doen ‘aan de Joden in de geschiedenis, bijvoorbeeld aan Anne Frank, die me als gast in haar huis ontvangt.’ Ze zit in een stil huis dat bedoeld lijkt ‘om na te denken en te schrijven’ en ze verlangt naar de drukte van Parijs, waar ze woont. Ze is bang. Voor Anne. Ze droomt over haar, ziet haar schim, haar geest waart rond. Waarbij de auteur in dit verband het woord ‘geest’ gebruikt en niet, zoals een keer aan het begin van het boek (en later in een ander verband) ‘djinn’, een bovennatuurlijk, onzichtbaar wezen dat bezit van je kan nemen. Mooi dat Djûke Poppinga dit verschil in de vertaling laat staan. Want Maha snapt wel dat de geest van Anne niet terugkomt om wraak te nemen, want ze heeft haar niets misdaan en is niet verantwoordelijk voor haar dood. Wat wil die geest dan? Dat ze schrijft. Anne terughaalt uit die dood. Met haar bevriend raakt. Dat ze in elkaars hoofd kruipen, terwijl Anne nog nooit iemand uit een moslimland had ontmoet en Maha nog nooit een joodse.

    Ze schrijven elkaar in de vorm van een dagboek. Als een gemeenschappelijk verhaal, een groeidiamant. Anne is bang, Maha ook. Maar mag en kun je hun angst wel vergelijken? Angst om opgepakt te worden en – in het geval van Maha – omdat ze zich gedeisd moet houden, ‘om de bewoners niet te storen’? Dat wil zeggen de geesten van de bewoners. Al raakt ze die angst gaandeweg kwijt: ‘Er is veel met me gebeurd (…). Ik kan gaan schrijven zonder te hoeven denken dat ik misschien iemand stoor.’ En toch: het voelt als verspilling van het leven, dat schrijven. Liever bezoekt ze het Achterhuis, omdat ze ‘meer te weten [wil] komen over die tijd’. Hetgeen ‘samenvalt met de wens om ermee te versmelten’. Een mystieke wens die (wat te?) ver gaat. Of is het een manier van inleven in de wereld van een meisje dat wij gewoon te heilig hebben gemaakt? 

    De prijs voor het schrijven

    Het is niet gezegd dat dit gemakkelijk is. Hassan betaalt ‘dagelijks de prijs voor de woorden’ die ze schrijft ‘om elke dag de pagina van de veiligheid te kunnen sluiten’. Ze kan niet anders, want ze wil de wereld al schrijvend veranderen. De nieuwe wereld die Maha Hassan leert kennen, maakt haar minder eenzaam en het gevoel over het onrecht dat haar is aangedaan wordt erdoor verzacht; in 2000 werd haar een schrijfverbod opgelegd vanwege haar ‘moreel verwerpelijke ideeën’. Vier jaar later week ze uit naar Parijs.  

    Het tweede deel van de roman speelt zich twaalf jaar later af, in 2019 in Frankrijk, Egypte en Palestina. ‘Ik weet dat Palestina bezet is en dat er een permanente dreiging heerst die Israël heet.’ Ondertussen is haar vader gestorven, zijn er een opstand en een oorlog in Syrië uitgebroken en heeft Maha Hassan lichamelijke klachten gekregen zoals hoge bloeddruk, vooral – schrijft ze – omdat Anne in haar was komen wonen. Ze kan er zich van bevrijden door te schrijven, maar merkt dat er nog iets ontbreekt aan het eerste deel van het boek: de joden uit Koerdistan in Haifa en de Arabische joden. Ook Anne wijst haar daarop. Maha herpakt zich en maakt het boek af.

    Marc Chagall en Mohammed Al-Hawajri

    De verschillen tussen de twee vrouwen lijken onoverbrugbaar, tot Maha een zin uit 1944 uit het Dagboek van Anne leest: ‘En toch, als ik naar de hemel kijk, denk ik, dat alles zich weer ten goede zal wenden.’
    Een opmerking die, net als de intentie en de sfeer van het boek van Hassan, doet denken aan de fotocollage Above the City van de Palestijnse kunstenaar Mohammed Al-Hawajri (1976) die momenteel op de documenta 15 in Kassel valt te zien en stof doet opwaaien. Hij nam de vliegende man en vrouw, de schilder en diens vrouw Bella, over van Chagalls beroemde schilderij Over the Town (1913). Het Vitebsk van Chagall is bij Al-Hawajri vervangen door diens geboortestad Gaza, het rode huis op de achtergrond bij Chagall door een in vlammen staande woning. Je ziet dat de schuttingen uit Vitebsk de beruchte muur langs de Gazastrook werden, maar je ziet ook de hoop van de twee verstrengelde mensen die er in een droom overheen vliegen, alle fysieke barrières overstijgend. Zoals Anne en Maha in Hassans fantasie verstrengeld raken en in elkaars dromen verschijnen.

     

  • Hoop op heruitgave: De koning van het puin

    Hoop op heruitgave: De koning van het puin

     

    Els van Swol zou graag De koning van het puin van Judicus Verstegen opnieuw uitgegeven zien worden.

     

    VOLLEDIG MENS WORDEN

    Tijdens mijn studie kreeg ik opeens de geest en kocht op één dag meteen maar liefst vier boeken van de schrijver Judicus Verstegen (1933-2015). Waar ik het geld als student vandaan haalde, is mij een raadsel. Hoe ik opeens op het spoor van Verstegen kwam iets minder. Het had waarschijnlijk te maken met een opmerking van docent Kees Fens (1929-2008) die een jaar daarvoor over Verstegen had gepubliceerd. Er zal een trigger zijn geweest tussen de thematiek van Verstegen in het verlengde van het existentialisme waar ik mij, zoals veel negentienjarigen, mee bezighield.
    Die vier boeken waren zijn debuut de roman Legt uw hart daarop, de verhalenbundel Een zon bij nacht, een boek dat verschillende genres overschrijdt, De vloek van het schema en tenslotte nog een verhalenbundel, De koning van het puin.

    De schrijver Judicus Verstegen

    Ik beperk mij hier tot die laatste bundel, maar eerst: wie was Verstegen eigenlijk méér dan de man die aanleiding gaf tot ophef rond een al dan niet vermeende sleutelroman (De koekoek in de klok, 1969) en de schrijver met een treurig levensverhaal? Ik ontleen enkele gegevens aan het proefschrift van Susanne Janssen: In het licht van de kritiek (1994).
    Verstegen werd in 1935 in Den Helder geboren. Hij studeerde scheikunde en was werkzaam als chemicus in Nederland, Noorwegen en Israël, waar hij ook fotografeerde. Zijn foto’s worden bewaard in het Literatuurmuseum. Als schrijver debuteerde hij in 1967 in Maatstaf. Van 1967-1982 verschenen dertien romans of verhalenbundels van hem. Daarna werd het stil. Op zijn vijftigste werd hij opgenomen in psychiatrisch centrum Willibrord in Heiloo. Hij overleed in 2015.

    Zijn debuutroman Legt uw hart daarop kreeg voldoende aandacht. Janssen telt tien recensies: vijf in landelijke- en vijf in regionale bladen. Alle tien ‘overwegend positief’. De auteur ontving er twee (regionale) prijzen voor: de Debuutprijs van de Groot-Kempische cultuurdagen en de Debutantenprijs van de gemeente Hilvarenbeek 1968. Bij herlezing komt het boek mij inmiddels helaas wat gedateerd over.

    Janssen constateert dat sommige recensenten na 1970 niet meer op Verstegens nieuwe publicaties reageerden. Zo vielen ze tussen wal en schip. Ook het ontbreken van interviews in literaire tijdschriften en bijlagen heeft hier volgens haar aan bijgedragen.
    Een uitzondering leek Joris van Casteren te worden. Hij bezocht Verstegen in Heiloo. Bijna, want Van Casteren mocht de kamer niet in; hij zou Verstegen naar eigen zeggen maar storen bij het schrijven. Van Casteren memoreert het voorval in zijn boek Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf (2006), portretten van vergeten schrijvers. 

    De verhalen van De koning van het puin

    De negen verhalen in De koning van het puin hebben als gemeenschappelijke noemer verlies op allerlei mogelijke manieren.
    Het eerste, beklemmende verhaal is een oorlogsverhaal dat in de verste verte niet onderdoet voor de vele, bekendere verhalen over de Tweede Wereldoorlog. Het gaat onder meer over een fabriek die soldaten niet prijs willen geven – nog akelig actueel. Er restten alleen puin, doden en zwarte melk; een reminiscentie aan het gedicht Todesfuge van Paul Celan.
    In het tweede verhaal staan Harry en diens vrouw centraal. Hij wordt opgeroepen voor Vietnam, waar hij omkomt. Zijn vrouw weigert een begrafenis met militaire eer. Een eerlijk en indrukwekkend verhaal.
    Het derde verhaal stelt Mozes Mendel en diens kraai voor. Mozes had zijn gezondheid in Mauthausen verloren, daarna zijn vrouw en toen ook nog eens zijn kraai. Het verhaal geeft schrijnend weer hoe joden uit de kampen bij terugkomst in Nederland in de mallemolen van de bureaucratie terechtkwamen. Ook dat is op andere terreinen nog steeds actueel.

    In het vierde verhaal draait het om Henri en Eliza uit Frankfurt (Frankfort schrijft Verstegen), maar vooral ook over de verhouding tot Henri’s broer David. Op een dag besluit Henri naar Israël te emigreren. David zag het zionisme niet als een oplossing, omdat het onrecht doet aan anderen ‘die ons geen strobreed in de weg hebben gelegd’. Het verlies is in dit verhaal niet alleen het verlies van het bedrijf in Frankfurt en de dood van David, maar ook dat van de Arabieren, waarvan er een tegen Henri zegt dat hij hoopt ‘dat Allah in zijn wijsheid ons nog eens als broeders zal samenbrengen’. Een hoop die nog steeds leeft.
    Het vijfde verhaal. Een schrijver is gestorven. De ik-figuur, die geen hoge dunk van hem heeft, moet voor de krant een necrologie over hem inleveren. Hetzelfde thema als in het verhaal over Harry die in Vietnam omkwam duikt op: over waarheid en leugen. De chef van de krant vindt dat de journalist ‘niet meer in staat [is] tot objectief oordelen’ en stuurt hem met ziekteverlof. Dan gebeurt er iets verrassends.

    Het zesde verhaal gaat over de zoektocht van een vader naar een fonds dat de studie chemie van zijn zoon kan financieren, wat lukt. Omdat de mevrouw die het fonds beheert meent dat de zoon ook een ‘volledig mens’ moet worden, moet hij met een groep medestudenten De meeuw van Tsjechov instuderen. Volledig mens zijn of worden is, naast het centrale thema verlies, een belangrijk neventhema in het werk van Verstegen.
    Het volgende, zevende verhaal, is filosofisch van aard. Het gaat ten diepste over machteloosheid en machtswellust.
    Het op een na laatste verhaal, ‘Het onderzoek’, stelt een groep onderzoekers in Iran centraal. Qua sfeer doet het denken aan Nooit meer slapen van W.F. Hermans: pessimisme, angst en dood.
    Het laatste verhaal speelt zich daadwerkelijk af in het Noord-Scandinavië van Hermans. Een personage, Marvie, wordt bedreigd door haar vader. Met de ik-figuur vlucht ze, maar valt aan iets anders ten prooi. 

    Existentialistisch denken

    Meteen na het herlezen van vooral de eerste verhalen wist ik weer wat mij destijds zo in het werk van Verstegen moet hebben aangetrokken en nu wéér raakt: literatuur die als gezegd gedrenkt is in het existentialistische denken. Verlies zal mij als adolescent minder hebben gezegd, maar volledig mens worden des te meer. En filosofie sprak mij ook toen al aan.

    De verhalenbundel die in 1970 verscheen bij Querido is antiquarisch nog ruim verkrijgbaar (in bibliotheken aanzienlijk minder), maar een herdruk zou niet misstaan, hoewel Verstegens boeken later door De Bezige Bij werden uitgegeven. Verstegen was onmiskenbaar een groot schrijver en zijn nog steeds actuele thematiek van in ieder geval deze bundel spreekt ook heden ten dage nog aan. 


    Dit is een bijdrage in het kader van de rubriek Hoop op heruitgave. Gedurende de zomer van 2022 zullen onze recensenten bijdragen leveren over boeken die zij opnieuw onder de aandacht willen brengen, of waarvan ze vinden dat ze het waard zijn om heruitgegeven of vertaald te worden.

     

  • Uit het script geschrapt

    Uit het script geschrapt

    ‘De wereld is een schouwtoneel elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel’ zei Vondel in navolging van Shakespeare al. Recent verscheen in een Nederlandse vertaling van Eline Jongsma de verhalenbundel Bijrollen van de Zweedse auteur en vertaler Ninni Holmqvist (1958). Jongsma schreef ook een nawoord. In Bijrollen zijn het mensen die een bijrol spelen in de wereld van het schouwtoneel: ondergeschikten of buitenstaanders. Slechts in één verhaal gaat het om bijrollen in een toneelstuk, die ‘fungeren als schaduw’ en ‘onderstrepen wat de hoofdpersonages zeggen en doen. En dat je ze gewoon uit het script kunt schrappen als ze daar niet in slagen, zonder dat dat ook maar enig verschil maakt voor het stuk als geheel.’ 

    De verhalen in het kort

    In de twaalf psychologische verhalen zijn die buitenstaanders achtereenvolgens Berit, een schele wees die laatdunkend wordt behandeld door haar broer Bert uit de grote stad. Vervolgens gaat het over de liefde tussen twee kibbelende, lesbische vrouwen, waarvan de een wordt omschreven als subject en de ander als object, waaruit al blijkt dat de een macht heeft over de ander. Daarna is er het echtpaar Linda en Ulf en diens zus Jill. Of een nieuwe cursist, Camilla, die op een engel lijkt. Zij volgt een cursus abstract schilderen bij de Volksuniversiteit. De ik-figuur wil Camilla helpen met haar trauma na de dood van haar tweelingzus. Dan zijn er de vrouwen van de thuiszorg en hun cliënten, Softenonkind Robert met ‘vijfvingerige vleugeltjes [die] uit zijn schouders steken’.

    Een kort verhaal gaat over Anna die op school buiten de boot valt door haar afwijkende kleding maar van zich afbijt en wordt geaccepteerd. Is ze weerbaarder geworden, of gebeurde er iets anders? Een volgend  verhaal gaat over een vrouw die verkering heeft met een getrouwde man en zwanger raakt. ‘Toren’ handelt over de verstandelijk gehandicapte Emmy, haar moeder en zus. In ‘Keerpunt’ verlaat een man zijn vrouw voor een hond. In het verhaal ‘IJs’ heeft Sonja alleen maar aandacht voor haar baby en niet voor haar nichtje. In het laatste verhaal vindt een jongetje na lange tijd de aktetas van zijn overleden vader terug.
    De bijrollen zijn allemaal herkenbaar en maken het mogelijk je als lezer in de personages in te leven. Vrijwel iedereen heeft namelijk wel eens iets dergelijks ervaren.

    Terugkerende elementen

    Er zijn verhalen waarin veel gebeurt en verhalen waarin nauwelijks iets voorvalt en soms allebei, zoals in het sterke ‘Zomerkind’ over twee thuiszorgmedewerksters. De levens van hun cliënten staan nagenoeg stil, in tegenstelling tot de drukte die de thuiszorgmedewerksters zelf ervaren.
    Er zijn elementen die in verschillende verhalen terugkomen en er samenhang aan geven; de ene keer de lichte en mooie kant van het leven vertegenwoordigend, de andere keer de donkere en sombere zijde ervan. Daarvoor gebruikt Holmqvist vaak metaforen, zoals vogels of ontbrekende vleugels. In ‘Brandhout’ zijn dat kraaien en kauwen die ‘krassend en krijsend in de linden en in de oude dode iep’ zaten. In scherp contrast met de eronder geparkeerde ‘glanzende, roomwitte Mercedes’. In ‘Zomerkind’ zijn het ‘merels en tjiftjafs, mussen en vinken’ die de eksters en kauwen gezelschap houden en het evenwicht terugbrengen. Camilla wordt door de ik-figuur in het verhaal ‘Engel’ inderdaad als een engel gezien, maar dan zonder vleugels op haar rug. 

    Dingen en mensen

    Soms beschrijft Holmqvist mensen als dingen: ‘Evy heeft alle cliënten opgeruimd’, soms dingen – zoals de aktetas – als mensen die zijn afgedankt, uit het script geschrapt. Alles in een sobere, onopgesmukte stijl.
    Een enkele keer is het de vraag wie nu een bijrol heeft en wie een hoofdrol, wat in de meeste gevallen te maken heeft met wisselende machtsposities. Bijvoorbeeld de zachte man die door zijn als lelijk omschreven vrouw wordt mishandeld en zelf de beslissing neemt het huis te verlaten alvorens hij eruit wordt gezet. Niet om te gaan samenwonen met een andere vrouw, maar met een hond; een absurdistisch trekje dat past in de traditie van de Zweedse literatuur vanaf Strindberg en dat zelfs tot in thrillers als van Håkan Nesser terug valt te vinden. Holmqvist paart de absurdistische trekjes in deze verder realistische bundel aan humor waardoor de thematiek iets minder zwaar wordt. Overigens komt Strindberg nog even voorbij in het verhaal ‘De zwaktste’. Als auteur van Freule Julie en De sterkste, waarin de ik-figuur bijrollen had gespeeld. 

    Sterke verhalen

    Ninni Holmqvist is een Zweedse schrijver die tot de groten uit haar taalgebied behoort. Bijrollen is het eerste boek van haar dat uitgegeven wordt door Wilde aardbeien, de uitgeverij van de Stichting Scandinavisch Vertaal- en Informatiebureau Nederland (SVIN). Holmqvist won in 2016 de Sixten Heymans pris, een belangrijke Zweedse onderscheiding en besloot haar eerdere voornemen om te stoppen met schrijven niet gestand te doen. ‘Nu moet ik natuurlijk doorgaan met schrijven,’ zei ze.

    Dat is goed nieuws, want in deze bundel zitten sterke verhalen. Sterk, om drie redenen: er zitten verschillende lagen in, zoals in ‘Engel’ (sadomasochisme en liefde), ze bevatten contrasten, zoals in ‘Brandhout’ (zwart-wit, over kinderen die hun vader hebben begraven, Bert en Berit, de zeurder en de doener) en in ‘Zomerkind’ (de tegengestelde levens van cliënten en thuiszorgmedewerksters), of het thema bijrollen wordt omgekeerd, zoals in ‘Keerpunt’, het verhaal over de man en zijn hond. Je moet veel in huis hebben om dit psychologisch zo sterk en in een eenvoudige schrijfstijl te kunnen uitwerken. Holmqvist is daar in negen van de tien gevallen in geslaagd. 

     

     

  • De aarde roept

    De aarde roept

    Aarde eten – geofagie. Het gebeurt. Onder andere in Afrika en Zuid-Amerika, door zwangere vrouwen en hun baby’s. Om gezondheidsredenen. Het zou de stofwisseling bevorderen en infecties tegengaan. De ik-figuur in de korte debuutroman Aarde eten van de Argentijnse schrijfster, lerares en activiste Dolores Reyes eet ook aarde. Eerst om mensen die het vies vinden dwars te zitten, later ‘voor anderen die wilden praten. Anderen die er niet meer waren’. Ze internaliseert ze, zoals in de Bijbel profeten als Jeremia en Ezechiël het Woord van God aten. De opdracht van het boek laat niets aan duidelijkheid te wensen over: ter nagedachtenis aan Melina Romero, die in 2014 op zeventienjarige leeftijd verdween en een maand later dood werd teruggevonden, en aan Araceli Ramos, die door wurging om het leven werd gebracht. 

    Internaliseren

    De ik-figuur in Aarde eten kan weinig meer doen dan aarde eten, nu haar moeder is overleden en onder die aarde was gestopt, ‘de onbekende aarde van dit kerkhof waar we nooit hebben gelopen, mama of ik.’ Internaliseren, ‘om in het donker mijn dromen te zien. (…) Het voelt goed, ze onthult dingen, laat me zien.’ Zoals profeten zieners waren én onrecht aan de kaak stelden.
    Ze woont na de dood van haar moeder enige tijd bij een tante die niets van haar begrijpt en verhuist daarna samen met haar broer Walter, op wie ze gek is, naar een achterbuurt in een niet nader aangeduide stad. Ze leven van het salaris dat Walter in een garage verdient. Naar school gaat ze niet meer, zoals veel kinderen uit de buurt. Veel contact met de buitenwereld hebben ze niet en een telefoon hebben ze ook niet meer. Alleen enkele vrienden van Walter komen over de vloer om met zijn PlayStation te spelen.  

    Op een dag duikt een vrouw op die aan de ik-figuur vraagt of ze soms helderziend is. De vrouw zegt hulp nodig te hebben van iemand zoals zij, die aarde eet waarop een lichaam had gelegen. Ze zoekt Ian, haar zoon, zoals zoveel vrouwen in Argentinië doen. Ook Ian wilde nog steeds praten vanuit de buik van de ik-figuur, waarin de aarde als een foetus lag. Een man met een soortgelijke vraag volgt. Zijn nichtje María was nooit aangekomen op de verpleegkundeopleiding waar ze studeerde. De naam van de man is Ezequiel. Hij is politieagent en valt daarom volgens de ik-figuur niet helemaal te vertrouwen.

    Flesjes met aarde

    Mensen lieten in de tuin van de verder naamloze ik-figuur flesjes met aarde achter en een kaartje waarop de naam van een familielid stond. Mensen gaven geld, veel geld voor ‘het consult, ongeduldig vragend wat ze ziet’. Wat ze zag was vooral ‘heel veel licht’, antwoordde ze dan. Of een glinstering die veranderde in twee zwarte ogen. Een keer zag ze letters op een muur, maar ‘lezen in dromen was praktisch onmogelijk.’

    Zou María nog leven? Om haar te vinden, springt de ik in een rivier. Tevergeefs, want María blijkt verdronken. Ontvoerd en verdronken. Ezequiel, die dus wel degelijk een goed hart heeft, redt de ik-figuur uit het water van de immense rivier.
    De ik droomt veel. Gaandeweg het boek ook – zowat om het meestal korte, soms zelfs heel korte hoofdstuk – over haar oud-lerares juf Ana die haar steeds nader komt. Zij was op een dag ook verdwenen en werd vermoord teruggevonden in een fabrieksloods. Zo lopen werkelijkheid en droom telkens in elkaar over. 

    Latijns-Amerikaanse literatuur

    De sfeer van deze debuutroman doet dan ook denken aan die van andere Latijns-Amerikaanse schrijvers, waarin aarde en water vaak ook een grote rol spelen, evenals licht en donker. In die zin komt het boek aan de ene kant vertrouwd over, maar aan de andere kant is er ook een duidelijk verschil: Reyes schrijft niet in de barokke stijl die we kennen van veel Latijns-Amerikaanse schrijvers, maar in een uitgebeende, kale stijl. Zij paart het magisch-realisme uit de Latijns-Amerikaanse literatuur aan een politieke realiteit die ze slechts aanduidt. En al duidt ze deze alleen maar aan, het gaat je al lezend onder de huid zitten. Haar symbolische taal en de soms religieus geladen beelden zijn uiteindelijk één roep om de levenden en de doden bij name te (blijven) noemen, mannen en vrouwen. Een boodschap die zowel klein als groots is. Net als deze debuutroman zelf. 

     

     

  • Momenten van inzicht

    Momenten van inzicht

    De vijfentwintigjarige Lisette kruipt door het oog van een naald, wanneer ze in haar auto op de snelweg tussen Brussel en Breda in een slip raakt, op de vluchtstrook belandt maar niet wordt aangereden. De gebeurtenis in Muilperen van Maria Stahlie maakt ‘een coherent plan’ in haar wakker, dat achteraf helemaal niet zo coherent blijkt te zijn. Ze wil weer gaan studeren en samen met haar bijna tweejarige zoontje Wout verhuizen. ‘Het was tijd om volwassen te worden.’

    In het eerste deel van deze roman verhuist ze naar Amsterdam, naar een straat met een flauwe bocht, zoals haar leven tot nu toe bochtig was verlopen. Het is haar geboortehuis en nog steeds het werkhuis van haar vader Alex. Maar nu was hij voor twee jaar writer in residence in Rome en mochten zij en Wout er hun intrek in nemen.
    Het is de omgekeerde gang die Lisette gaat. In veel recente literatuur, zoals in Juli Zehs Ons soort mensen, zwenkt de aandacht weg van de grote stad naar het platteland. Stahlie richt haar aandacht echter op Amsterdam Nieuw Zuid, een samenvoeging van Oud-Zuid en Zuideramstel. Een buurt van yuppen en penoze zoals buurman Rinus de Ruijter, ‘maar we hebben niets van hem te vrezen […] als we hem met rust laten’, had Alex haar verzekerd.

    Een leeg en tegelijk vol hoofd

    In het tweede deel van het boek wordt ingezoomd op Lisettes tijd als vrijwilliger bij The St. Thomas Free Medical Clinic in Miami, waar ze niets wisten van haar allergie voor de geur van zieke mensen, over haar twijfel of ze haar studie geneeskunde wel zou voortzetten. Ze logeert bij gynaecologe Sarah Mae en haar man Adam Parker. In flashbacks denkt Lisette terug aan haar leven, dat ze vertelt aan hond Morris van haar gastheer en -vrouw, waarmee ze gaat joggen.
    Op een dag raakt de hond los en rent de tuin in van Leonard Karakantas (Lenny), met wie ze ‘ervaringen uitwisselde over hun uit het lood geslagen gemoedsbewegingen’ – een rake omschrijving die kenmerkend is voor de weg die Lisette gaat. Lenny en Lisette, Brussel en Breda; alliteraties die je vaker in de boeken van Maria Stahlie tegenkomt.

    Een andere vriend van Lisette, die ze al langer kent, is Bram – net als zij wat angstig uitgevallen. Hij gaat naar Brazilië (Bram – Brazilië) om baby’s die lijden aan microcefalie (een te kleine schedel) ten gevolge van het zika-virus te helpen. Lisette denkt aan hem op het moment dat ze Sarah Mae helpt bij het uitvoeren van een zuigcurettage die zo plastisch wordt beschreven dat je bijna tegen abortus zou worden. Lisette realiseert zich opeens dat haar geurallergie van binnenuit komt. ‘Het was haar eigen lafheid die ze rook.’ Weer een moment van inzicht. Van binnenuit kwam ook een ervaring tijdens de priesterwijding van Bram: ‘Haar hoofd werd leeg en tegelijkertijd heel erg vol. […] En voor het eerst in tien jaar snapte ze weer, […] dat er niets was wat mooier was dan dat alles en iedereen was. En samen was.’ Een typische Stahlie-conclusie. Even later heeft ze gemeenschap met Lenny, wat ‘een kras op de zorgeloosheid van hun vriendschap’ aanbracht. Ze wist zeker dat het eenmalig was, maar niet dat hij kort daarna met zijn auto zou verongelukken. Hij kruipt niet door het oog van een naald, maar overlijdt. Nog voor hij de kans kreeg om naar zijn broer Zach in Griekenland te gaan om samen met hem een reis te maken.

    Elementair inzicht

    In het derde en laatste deel van het boek keren we weer terug naar het werkhuis van Alex (Amsterdam – Alex), nu de nieuwe woning van Lisette en Wout. We komen wederom Rinus de Ruijter tegen, door wie Lisette zich tegen alle adviezen in laat benaderen. Wat volgt zijn bedreigingen en ongewenste toenaderingen. Of is hij toch niet zoals Lisette denkt dat hij is?

    Lisette denkt terug aan de tijd dat ze zelf in het ziekenhuis lag en een vlieg zag zitten; de vlieg die we, net als Lisette en Alex, al eerder tegenkwamen in de roman Boogschutters. En voornoemde conclusie, die in Boogschutters als volgt wordt omschreven: ‘Dat ze samen met alle mensen en met alle dieren en zelfs met alle dingen WAS’. De vlieg brengt haar tot zelfbesef, een volgend moment van inzicht. Zo’n moment noemt ze ‘een luwte, een moment waarop ze niet aan iets anders kan denken’. Momenten die werden ‘doorkliefd door bliksemschichten van onrust’. Of zoals haar vriend Bram even verderop over een vergelijkbare ervaring spreekt als was hij ‘zwanger van een rudimentaire bewustwording, van een elementair inzicht’.

    Eigen genadeloosheid

    Op een dag krijgt Rinus op de stoep voor zijn huis een hartstilstand. Lisette reanimeert hem, ondanks zijn reanimeerpenning. Haar reukallergie speelt al doende weer op. ‘De stank […] was niet afkomstig van Rinus de Ruijter, maar kwam van binnenuit. Het was een zinsbegoocheling. Het was haar eigen genadeloosheid die ze rook en haar onvermogen om zich tegen haar vergeldingsdrang te verzetten.’ Om muilperen uit te delen, en te incasseren tijdens het volwassen worden.

    Zo komen telkens elementen in dit boek terug, als motiefherhalingen. En niet alleen in dit boek, maar door alle boeken van Maria Stahlie heen. Ze geven een eenheid aan haar boek én aan het inmiddels omvangrijke oeuvre van de gelauwerde schrijfster. Ergens tegen het eind zakt de spanningsboog van het verhaal een beetje in – of liever, van de vele verhalen die Stahlie vertelt en door middel van die motieven samenbindt – om deze tegen het eind weer op een verrassende manier te hernemen. Muilperen is een boek om de aandacht bij te houden en niet in de bochten die de auteur neemt af te zwenken.

     

  • In levenden lijve

    In levenden lijve

    Zelfs wie tijdens de middelbare schoolopleiding geen klassieke talen heeft gehad, kent de meeste van de traditioneel genoemde eerste twaalf Romeinse keizers wel. Bijvoorbeeld uit de geschiedenis (Augustus), de literatuur (Julius Caesar en Caligula) of een tentoonstelling (Domitianus, zoals momenteel in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden). Enkelen zijn bij het grote publiek minder bekend, met name die uit de tijd van de burgeroorlog (Galba, Otho, Vitellius), maar, schrijft de bekende classicus, historicus en docent Mary Beard in het voorwoord van haar boek Twaalf keizers: ‘Hun invloed reikt veel verder’ dan hun naamsbekendheid.

    Wat zij zich in dit lijvige en rijk geïllustreerde boek afvraagt, is hoe die beeldvorming is ontstaan. Ze is daarbij ook geïnteresseerd in hoe wij ernaar kijken. Een originele invalshoek, die de basis vond in een serie lezingen die zij in 2011 in Washington gaf. De rode draad in de beeldvorming wordt telkens gevormd door ‘ontdekkingen, foutieve identificatie, hoop, teleurstellingen, controverses, interpretaties en herinterpretaties’ als het gaat om afbeeldingen van de keizers in allerlei kunstuitingen vanaf de renaissance tot nu toe.

    Keizer x of y?

    Het is Beards bedoeling om de keizers ‘hun rol in het verhaal terug te geven’, zoals ze wat onscherp formuleert. Dat wil zeggen: duidelijk maken waarvoor al die afbeeldingen op munten en beeltenissen eigenlijk dienden. Enige scepsis is haar daarbij niet vreemd: is dit nu wérkelijk keizer x of y? Enige zelfgenoegzaamheid ook niet: schrijvers x, y en z zaten er hélemaal naast, maar eureka, ik heb het gevonden! Dan bleek er sprake te zijn geweest van onder meer verdraaiingen, toe-eigening van het klassieke verleden of perspectiefwisselingen. Bovendien werden de keizers zonder een attribuut afgebeeld en werden eventuele gebreken weggepoetst, wat toeschrijven er natuurlijk ook niet makkelijker op maakt.
    Uitzonderingen vormden karakteristieken als een geplooide hals en een prominente adamsappel bij Julius Caesar, en beschrijvingen van tijdgenoten als bron. Wat overigens ook weer lang niet altijd alles zegt, want veel keizerbeelden werden na identificatie alsnog ontmaskerd. Of liever misschien: pasten niet meer in de onderhavige tijd.

    Politiek en continuïteit

    Het was misschien niet eens de bedoeling ze als individu te beschouwen, omdat ze geacht werden een politieke identiteit en continuïteit weer te geven. Zoals Beard het beschrijft, doet het een beetje denken aan het televisieprogramma In levenden lijve, waarin Derek de Lint probeert te achterhalen hoe een historisch persoon er nu werkelijk uitgezien zou kunnen hebben. Al gaat het daar misschien niet primair om, ook in de Romeinse tijd niet. Volgens Petrarca bijvoorbeeld moeten de keizerlijke koppen worden gezien als de belichaming van een morele les. Welke, blijft in duister gehuld, al heeft Beard het elders over de klassieke deugden en Caesars ‘genade’ (clementia).

    Illustraties bij de geschiedenis

    Waren al die keizerskoppen niet eerder gewoon illustraties bij de geschiedenis van het Romeinse Rijk of een levensbeschrijving van een bepaalde keizer? Niet meer en niet minder. Ook Beard zwalkt daar een beetje. Dit heeft misschien te maken met het feit dat haar boek niet zo strak is opgebouwd, wat na tien jaar werken daaraan ook een beetje valt te begrijpen.

    In ieder geval valt het verschijnen ervan min of meer samen met de grote tentoonstelling over keizer Domitianus in Leiden, ‘Een vergeten keizer’ genaamd. Dat kan wel kloppen want ook bij Beard vind je opvallend weinig over deze laatste van de twaalf keizers. Morele vragen roept dit boek ook op, gezien de levens en handelingen van de keizers, maar de antwoorden zullen we zelf op het spoor moeten zien te komen. Daarvoor is Beards stellingname te neutraal en te veel beperkt tot museale objecten. Maar een mooi boek blijft het, voor iedereen die in de klassieken is geïnteresseerd.

     

  • Niet altijd herkenbaar maar met liefde getekend

    Niet altijd herkenbaar maar met liefde getekend

    Zoals er mensen zijn die de titel noteren van de boeken die ze hebben gelezen, zo noteert schrijfster Nicolien Mizee in opschrijfboekjes de namen van vogels die ze heeft gezien. Soms ingefluisterd door haar man Rob, een fervent vogelaar. Sterker nog: ze schrijft niet alleen de vogelnamen op, maar ze tekent ze met kleurpotlood ook na, aan de hand van een vogelgids. En ze geeft er ook nog eens korte beschrijvingen bij. Zelf vindt ze, dat ze niet kan tekenen. ‘Die vogels van mij leken nergens op’, schrijft ze. Maar ook, ‘de ogen waren mij geopend’. En daar gaat het primair om, en zoals het veel mensen in coronatijd overkwam. Vogelbescherming Nederland spon er garen bij. ‘God zegene de stilte van de lockdown’ schrijft Mizee nadat ze de grote lijster heeft gehoord.

    Oké, technisch zijn de tekeningen lang niet allemaal geslaagd te noemen. Dat hoeft ook niet, want Mizee is natuurlijk vooral schrijfster. Maar het zijn wel tekeningen die aandoenlijk zijn. Neem die grote zaagbek met als het ware een waterhoofd en een te klein uitgevallen lijf, of een Nijlgans die wel vetgemest lijkt, of een platgewalste wilde eend. Zelf verzuchtte ze: ‘Zo’n mooie, metallic vogel – en nou teken ik hem zo lelijk!’
    Mizee is eerlijk, ook over welke vogels haar hart hebben gestolen en welke niet; de merel is haar lievelingsvogel, terwijl ze ook kuifvogels (kuifeenden, kuifmezen, reigers, kieviten) fraai vindt. De bergeend vindt ze weer niet zo mooi en de meerkoet zelfs lelijk.

    Leuk zijn de korte teksten bij de soms toch werkelijk wél goed gelukte tekeningetjes. De verontschuldiging is op zich ook leuk: ‘Deze heb ik van Lars Jonsson nagetekend en die maakte de vogels altijd wat boller, omdat Lars een Zweed is. In Zweden is het kouder dan hier, dus die vogels zetten hun veren op.’ Mooi geslaagd is een slechts schetsmatig weergegeven kleine zilverreiger, ja: een kuifvogel. Misschien schuilt in de beperking toch ook hier de meester?

    We lopen mee met Nicolien, Rob en op een gegeven moment ook een logé, Robinson – of is dit zo’n leuk Mizee-grapje en is het ‘gewoon’ Rob? Zo zitten er meer leuke dingen in de tekstjes, want waren die ooievaars langs de snelweg naar Den Haag wel echt (vast!), of was het gewoon de ooievaar in het wapen van ’s-Gravenhage?
    Geestig is ook die ene vogelbeschrijving zonder tekening: de balts van een houtsnip speelt zich namelijk af in de lucht, en niet op de grond waar Mizee naar zat te turen.

    Het is geen boek om onderweg mee te nemen om vogels te leren (her)kennen; de ekster is bijvoorbeeld in verhouding zó klein uitgevallen, dat dit beslist niet zou lukken. Maar dat doe je denk ik ook niet met de recent verschenen facsimile met vogeltekeningen van Peter Vos: 333 Vogels. Laten we wel zijn: Vos is een geschoold tekenaar, Mizee niet. Hij ging naar Artis, Mizee ging de natuur in en tekende met veel liefde. En dat bepaalt de waarde van de getekende vogels.

     

     

  • Over William de ex-man van Lucy Barton

    Over William de ex-man van Lucy Barton

    De recent verschenen roman Het verhaal van William van Pulitzerprijswinnaar Elizabeth Strout begint een jaar na de dood van David, een mank lopende cellist en tweede echtgenoot van de ik-figuur, schrijfster Lucy Barton. Met zijn dood komen de herinneringen weer boven aan haar ex-man, William, een academicus. Over William gaat dit boek, vanuit het gezichtspunt van Lucy, vanaf het moment dat hij negenenzestig jaar is.

    Lucy Barton kent de doorgewinterde Strout lezer al van de boeken, Ik heet Lucy Barton en Niets is onmogelijk. Lucy heeft iets mysterieus over zich, waarbij het broeit onder de oppervlakte. Ze is onsentimenteel, onuitgesproken in haar behoeften. Strout verwijst in Het verhaal van William soms naar haar eerdere boeken: ‘Dat heb ik al eens gezegd’. Zo schept ze een band tussen haar boeken over Lucy en een eenheid in haar oeuvre. 

    Kleine en grote angsten

    William is half Duits, half Amerikaans. Hij is voor de derde keer getrouwd met Estelle. Zij hebben samen een dochter, Bridget. Uit het huwelijk van Lucy en William zijn er twee dochters: Chrissy en Becka. William lijdt ’s nachts aan angstaanvallen. Sommige daarvan hebben te maken met de oorlog. Zijn vader was een Duitser en had in de oorlog gevochten aan de kant van de nazi’s. Andere angsten zijn gerelateerd aan zijn moeder, Catherine. Lucy is ook niet vrij van bange gevoelens sinds haar moeder haar langs de kant van de weg liet staan en wegreed. Ze wil zich ‘onzichtbaar’ maken – een omschrijving die doet denken aan de essaybundel Herinneringen aan mijn onzichtbaarheid van Rebecca Solnit. ‘Ze wil’, zo schrijft Solnit (Strout vult het niet in) ‘een zo klein mogelijk gebiedje dat niet opviel’ innemen om veilig te kunnen zijn.

    In vergelijking tot William zijn het ‘kou en kiezeltjes angst’ waar ze zelf last van heeft. Of is het zo dat William een man van het kinderachtige soort is, die van een beetje een boel maakt? Terwijl Lucy door periodes van depressie gaat, haalt hij zijn schouders daarover op. Ze laat William gaan, en denkt: ‘Ach, William’ – wat een adequatere vertaling van de Engelse titel Oh William was geweest. Ook William zegt het: ‘Ach, Lucy’. Op momenten dat ze elkaar nog steeds na staan, alsof er spiegelneuronen werkzaam zijn.

    Spiegelingen en harmonie

    Op een gegeven moment vraagt William aan Lucy of ze met hem op zoek wil gaan naar het kind dat zijn moeder voor hem had bij een andere man. En dan komt het: zijn moeder had het kind, een meisje dat Lois Trask heet, achtergelaten om met zijn vader te gaan leven. Dat hebben we eerder gelezen. Lucy’s moeder reed weg, Williams moeder wandelde zomaar de deur uit en liet haar dochtertje achter. Bovendien doet het denken aan de manier waarop Estelle, Williams derde vrouw, hem verliet en daarvoor hoe Lucy hem had verlaten om zijn buitenechtelijke relaties. 

    Het zijn die grote en kleine spiegelingen die Strout zo vernuftig door haar verhaal weeft. William droomt op een nacht van hun baby Beckya. Op Luzy’s vraag of hij wel goed had geslapen, antwoordt hij: ‘Als een baby’. Het spiegelt ook een beetje de manier waarop ze als vrienden met elkaar omgaan; ‘voor ons klopte het helemaal’ meent Lucy op een gegeven moment, zoals ze denkt dat Houlton, een stadje ‘al jaren in harmonie was met zichzelf’. En de halfzus Lois, wanneer ze is gevonden, in harmonie was met zichzelf is, ‘zoals iemand is, denk ik, wanneer allebei zijn ouders van hem hebben gehouden’. Dit harmonieus-zijn, wat voor Lucy een gemis betekent, is een centraal thema in Strouts boeken. We komen het ook tegen in Olive Kitteridge (2015), waar Denise en apotheker Henry’s wezen zich even gemakkelijk met elkaar verbonden, ‘als aspirine met het enzym COX-2’. 

    Determinisme en vrije keus

    Je kunt je afvragen, of het niet iets met determinisme te maken heeft, omdat William zich op een gegeven moment afvraagt: ‘Hoe vaak kiest iemand echt iets?’ Lucy had geen keus om haar gezin achter te laten, ze moest wel. William had naar eigen zeggen, geen  keus om vreemd te gaan. Bovendien – zo lezen we – leek het huwelijk tussen Lucy en David, haar overleden tweede man, ‘made in heaven’Je kunt je óók afvragen of dit ook voor de negatieve uitingen opgaat. Lucy’s schoonmoeder Catharine zegt bijvoorbeeld tegen haar: ‘Donder op!’ Haar dochter Chrissy (beide namen met een C) zegt tegen haar: ‘Ik kan je niet uitstaan’, zoals William opbiecht dat hij zijn moeder niet kon uitstaan. Inleven in elkaar lijkt niet de sterkste kant van de personages in Strouts roman. In die zin hebben ze allemaal een rafeltje, zijn ze allemaal gecompliceerde ‘round characters’.  

    Tot in detail vertelt Strout haar verhaal. Zo sabbelde William als kind op de kraag van zijn jas, en later op zijn snor. Een snor die hij op het eind afscheert. Je kunt als lezer lang op de betekenis hiervan kauwen. Valt wat je overkomt en wat je kiest niet gewoon soms samen, omdat het niet anders kan ? Zo is dit een boek dat je bijblijft, dat is een ding dat zeker is.