• Vloeibaar goud en vloeibaar zilver

    Vloeibaar goud en vloeibaar zilver

    Het romanfragment Aardbeien door Joseph Roth (1894 – 1939) uit 1929 werd pas een halve eeuw later (in 1982) voor het eerst gepubliceerd met een toelichting door Roth’s biograaf David Bronsen. Het manuscript was in de jaren zeventig in een bruine enveloppe tevoorschijn gekomen uit de in 1933 door de Gestapo in beslag genomen documenten van Roth bij uitgeverij Kiepenheuer in Berlijn. Volgens het nawoord van vertaalster Els Snick is de tekst weliswaar niet af, maar wel ‘beeldrijk en ontroerend mooi’.

    Deze door Koen Broucke kleurrijk geïllustreerde uitgave is de derde editie van Aardbeien in het Nederlands. Eerder verscheen het verhaal in het themanummer over Joseph Roth van tijdschrift Het Oog in het Zeil (1989), vertaald door Nicolien van Doorn. Ruim een kwart eeuw later als zelfstandige uitgave bij de kleine uitgeverij Het huis met de drie gedichten (2016), vertaald door Els Snick, die voor deze nieuwe uitgave haar vertaling heeft herzien. 

    Volgens Snick (in het nawoord) staan de zinnen in de tekst ‘losjes achter elkaar (…), zonder doordachte alina-indeling’. De verschillende figuren in Aardbeien zullen de ervaren Roth-lezers bekend voorkomen uit zijn romans Hiob, Hotel Savoy en Radetzkymars. Aan zijn vriend en geldschieter Stefan Zweig schreef Roth in mei 1936 vanuit Amsterdam dat hij het materiaal voor zijn grote roman Die Erdbeeren in een andere roman wilde gooien (‘da werfe ich schnell alles hinein’). Mogelijk in de roman Das Falsche Gewicht uit 1937. 

    Ongeschoold alter ego van Roth

    Aardbeien is een nagelaten fragment van zo’n veertig pagina’s. Het begint als volgt: ‘De stad waarin ik geboren ben lag in het oosten van Europa, in een grote, dunbevolkte vlakte.’  Met de stad verwijst Roth duidelijk naar zijn geboorteplaats Brody, zo’n honderd kilometer ten oosten van het huidige Lviv. De prachtige illustraties beslaan zo’n derde van het boekje, ze zijn roodachtig getinte in tegenstelling tot de omgeving van de geboorteplaats van Roth die vooral groen is. De aardbeien hebben Koen Broucke duidelijk geinspireerd. De verteller van het verhaal is Naphtali Kroj, hij noemt zich zelf ‘een soort oplichter’, met een vals paspoort, geen doopakte, geen stamboom.  

    Perlefter, een ander nagelaten romanfragment van Joseph Roth, heeft een vergelijkbaar begin. ‘Ik heet Naphtali Kroj. De stad waar ik geboren ben, was naar Westeuropese begrippen geen stad.’ Roth deed verschillende pogingen een roman over zijn jeugd schrijven, maar het kwam er uiteindelijk niet van, mede door de opkomst van de nazi’s in 1933. Hij vluchtte in dat jaar uit Berlijn, zijn boeken werden verboden en gingen in vlammen op tijdens de vele boekverbrandingen.  Aardbeien werd door de Gestapo in beslag genomen samen met andere documenten. Het fragment laat wel een mogelijke glimp zien van wat Roth van plan was. Naphtali Kroj is een ongeschoold alter ego van Roth, tegenover de gymnasiast en student die Roth was. Eerst werkt Naphtali Kroj als krullenjongen bij de barbier en daarna als koetsier. Hij zeept de burgemeester in bij de barbier en maakt later op zondag tochtjes met de burgemeester.  

    Verhaal leest als een plattegrond

    Roth geeft een ironisch sfeerbeeld van het stadje, met corrupte gendarmes en grenswachters, ernstige en kleine misdaden die niet werden ontdekt, inbrekers en struikrovers die niet werden vervolgd. Over de kleine pogroms, die ‘in de maalstroom van de gebeurtenissen werden vergeten’. Ook over de gevolgen van de jaargetijden – de sneeuw, de ijspegels en de regen. ‘De wegen werden zacht. Het moeras drong het bos binnen, de kikkers zwommen tussen de bomen.’ En over de natuur waarvan zijn langenoten hielden, ‘niet omwille van de natuur zelf, maar omwille van de vruchten die ze voortbracht’. Zoals de aardappels en de aardbeien.  

    Het taalgebruik in Aardbeien is eenvoudig met korte zinnen en af en toe een poëtische uitweiding. ‘De herfst bestond bij ons uit vloeibaar goud en vloeibaar zilver, uit wind, zwermen raven en lichte vorst.’ Het verhaal leest ook als een plattegrond van het stadje waarin Roth’s geboorteplaats Brody is te herkennen. ‘Onze stad was zeer regelmatig en eenvoudig van opzet. De twee hoofdwegen kruisten elkaar in het centrum. In dat centrum ontstond een rond plein, waar twee keer per week de markt werd gehouden. De ene straat leidde van het station naar de begraafplaats. De andere van de gevangenis naar het bos.’ 

    Het gezin van Naphtali Kroj in Aardbeien is het tegenovergestelde van het gezin waarin Roth opgroeide, opgevoed door een alleenstaande moeder. Dat van Naphtali was een moederloos gezin met acht zonen en een alcoholische vader, die bij 35 graden vorst doodgevroren op een weg werd gevonden: ‘Hij was in dronken toestand van zijn slee gevallen’. 

    Ongecorrigeerd en onvolledig verhaal

    Het verhaal bevat ook tegenstrijdigheden, waaruit blijkt dat Roth het niet meer heeft gecorrigeerd en afgemaakt. In het vervolg gaat Naphtali Kroj na de barbier niet als koetsier werken, maar bij een kleermaker in de leer. Ook hier weer een ironisch verhaal over een kleermaker en een glazenmaker, die Naphtali in navolging van zijn leermeester verachtte. Ondanks dat de glazenmaker hem later beschuldigde van diefstal van een diamant en hem een roofmoordenaar noemde, bewonderde hij ineens de glazenmaker en vond hij de kleermaker een lafaard. Het werk liep niet goed af en hij werd door de glazenmaker de werkplaats uitgezet terwijl de kleermaker niets deed: ‘Hij ving een vlieg, een uitgeputte grijze wintervlieg, hield hem bij de vleugels en telde zijn ziek trappelende pootjes’.

    Na zijn vertrek bij de kleermaker loopt Naphtali bij de begraafplaats een dodenkamer binnen waar doodgraver Pantalejmon ligt te slapen. Dan volgt een hilarisch verhaal over de dief Pantalejmon, die niet stal maar het wel probeerde, en een graaf die in een kasteel vlak bij de stad woonde.  Het eindigt ermee dat de graaf de magistraat van het stadje geld leent om een standbeeld te laten maken van een schrijver en geleerde uit de zeventiende eeuw die in een naburig dorp was geboren. ‘De beeldhouwer vervaardigde een lange man met bril. Een wapperende mantel, een boek in zijn hand en een pen achter zijn oor. Dat was ons monument. Het stond op een sokkel van nepmarmer.’ In de winter werd ter bescherming een houten behuizing gemaakt, die in de lente weer werd verwijderd. ‘Het standbeeld is al bevrijd! Het is lente! zeiden de mensen in april.’

    Laatste tien pagina’s en een abrupt einde

    Hierna volgt een scène waarin Naphtali en Pantalejmon een opgehangen man op de begraafplaats vinden.  Het leidt bij Naphtali tot vragen over het waarom van de zelfgekozen dood en ‘op dat moment nam ik het besluit nooit zelfmoord te plegen. Het was onmogelijk om hangend aan een tak te sterven en door Pantalejmon gevonden te worden.’ Pantalejmon  bedacht intussen dat ze de strop konden verkopen en Naphtali dat ze zelfs meer konden verdienen door hem in stukken te snijden. ‘De mensen bleven komen, we verkochten  kleine stukjes die we sneden van steeds nieuwe touwen’. 

    In de laatste  tien pagina’s van Aardbeien volgen anekdotes over drie rijke familieleden die naar het stadje kwamen. De eerste liet een hotel bouwen en verdween weer omdat er geen gasten kwamen. De tweede was een rijke theehandelaar. Hij bezocht het graf van zijn vader, en hij huurde kamers in het leegstaande hotel. De derde was twintig jaar eerder naar Londen vertrokken. Hij keerde terug als ‘pionier van de Engelse cultuur’ en liet een huis zonder ramen bouwen. De mensen dachten dat hij gek was geworden, maar hij was minder gek dan ze dachten. ‘Het was een warenhuis zoals hij er in Londen vast een had gezien!’

    Hier eindigt het fragment abrupt. Het laat in rudimentaire  vorm zien, samen met de roman Das Falsche Gewicht en een fictieve brief van Naphtali Kroj uit Bueneos Aires die Joseph Roth in dezelfde tijd schreef, wat hij mogelijk voor ogen had met de groots opgezette roman over zijn jeugd.    

     

     

  • Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op

    Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op

    De ‘grensreportages’ van journalist en romanschrijver Joseph Roth (1894-1939) zijn weliswaar zo’n honderd jaar geleden geschreven door de nog maar net beginnende ‘Roter Joseph’ – zoals hij later bekend werd – maar hebben door de oorlog van Rusland tegen Oekraïne bijzondere actualiteitswaarde  gekregen. Ze spelen zich deels af rond het toenmalig oorlogsfront tussen Rusland en Polen, langs de grenzen die aan het eind van WO I niet zo nauwkeurig waren vastgesteld en een bron van conflicten bleken te zijn.

    Roth kwam na zijn vlucht voor de nazi’s in 1933 regelmatig naar Nederland. Zijn eerste bezoek was in 1933 om onder anderen kennis te maken met uitgever Allert de Lange, die een aantal boeken van Roth als Exil-literatuur zou uitgeven. Zijn eerste roman Hotel Savoy verscheen honderd jaar geleden in Berlijn, de eerste vertaling in het Nederlands was zijn roman Job in 1931, daarna volgden er nog vele. De laatste jaren werd zijn werk vertaald door Els Snick, die ook de drijvende kracht is achter het Nederlands Joseph Roth Genootschap. 

    Journalistieke reportages

    De journalistieke reportages zijn weliswaar minder bekend dan zijn romans, maar omvatten zeker de helft van zijn verzameld werk. Deze bundel ‘grensreportages’ heeft een Vlaams tintje: naast de vertalingen door Els Snick (en anderen), is de inleiding verzorgd door auteur Erik Vlaminck en de illustraties zijn van Koen Broecke, allemaal Vlamingen. De verhalen zijn van 1919 tot en met 1924 gepubliceerd in de Oostenrijkse krant Der neue Tag, de Neue Berliner Zeitung en de Frankfurter Zeitung.  De reportages in de Frankfurter Zeitung zijn bijzonder actueel omdat ze zich in Lemberg – het huidige Lviv – en omgeving afspelen. Roth zelf is in 1894 geboren in het Oekraïense stadje Brody, dat honderd kilometer ten oosten van Lviv ligt, indertijd op de grens van de Habsburgse dubbelmonarchie met Rusland. Nu in West-Oekraïne. 

    De eerste reportages in de bundel schreef Roth tijdens een van zijn eerste journalistieke opdrachten in 1919. Een reis naar Heanzenland, het grensgebied tussen Oostenrijk en Hongarije dat na de Eerste Wereldoorlog aan Oostenrijk werd toegewezen.  Het zijn meteen al de persoonlijke reportages waarmee Roth beroemd zou worden. In de eerste persoon en met milde spot in zijn waarnemingen.
    Een anekdote, die zijn stijl laat zien. Roth probeert een hotelkamer te krijgen met een inschrijfformulier van een ander: “Er kwam een kamermeisje, ze las het inschrijfformulier en keek me aan. Toen zei ze met spontane hartelijkheid in haar stem: ‘Ik geef u kamer 52. Maar alleen omdat u uit Matterdorf komt.’ Waarop ik zweeg en met het kamermeisje naar kamer 52 ging. Toen ik mijn spullen had neergelegd en de kamersleutel in mijn zak had gestoken, trok ik mijn revolver en zei heel vriendelijk: ‘Juffrouw, ik kom helemaal niet uit Mattersdorf. Het inschrijformulier is van een andere man.’ ‘ Nou,’ zei ze, ‘dan had ik u de kamer niet gegeven’. ‘U zult er geen spijt van krijgen, antwoordde ik, stak de revolver in mijn zak en gaf haar een briefje van tien kronen.’ Of het zo echt is gebeurd? Hij maakt er verder geen woorden aan vuil. 

    Reportages Pools- Russische oorlog

    In 1920 verhuist hij van Wenen naar Berlijn en maakt in de zomer reportages voor de Neue Berliner Zeitung tijdens de Pools-Russische oorlog. In de bundel is dit de tweede serie die het grootste deel van het boek beslaat. Net als het andere deel wordt deze ingeleid met een korte historische toelichting en een getekend kaartje van de omgeving waar alles zich afspeelt. Geillustreerd met sfeervolle water- en olieverf afbeeldingen van schilder en historicus Koen Broucke, die militairen, oorlogshandelingen en bijna abstracte landschappen laten zien in heldere en sombere kleuren. 

    Roth trekt rond met openbaar vervoer, liftend en lopend, en hij beweegt zich aan beide kanten van de grens. Hij schrijft ooggetuigeverslagen die doen denken aan sommige van de recente  berichten uit Oekraïene. Nu geen spot, ook geen milde, maar eerder mededogen. Hij praat met Poolse en Russische soldaten en Kozakken. ‘Ik kon vaststellen dat Poolse troepen die zich op de terugtocht bevonden, volslagen dronken waren. Het viel me op dat de Russen soms geen mensen gevangen nemen en kleine groepjes laten lopen. Op straat zie je nu overall afgedankte voertuigen en uiteengevallen colonnes, die een troosteloze indruk maken. Vreemd genoeg zijn er bijna geen gewonden te zien. De vlucht lijkt dus zonder al te zware strijd te zijn verlopen.’  

    Er waren indertijd ook buitenlandse soldaten aan het front. Uit verhalen van grensbewoners tekent Roth op dat er Franse artillerieeenheden en Franse officieren in grote aantallen met het Poolse leger meevechten. En aan de andere kant is het ‘niet te bevatten hoeveel jonge mensen zich vrijwillig melden bij het Rode Leger.’ Niet alleen gevluchte, gedeserteerde Polen, maar ook Duitse arbeiders. Deze serie sluit af met een kort verhaal over Oleksa Solonenko, een Oekraïnse boer die in Berlijn overleed op de terugweg van Brazilië naar Oekraïne. Waarom Oleksa vertrok vertelt Roth niet, maar toen hij hoorde dat er een revolutie was in zijn land kreeg hij heimwee naar ‘Katharina, het varken en de jongens’ en wilde na tweeëntwintig  jaar terug naar zijn vaderland. Roth schrijft een kort tragi-komisch portret dat zoals hij zegt een aanvulling is op het politieverslag.

    Verhalen over geboortegrond

    De laatste serie is een Reis door Galicië uit 1924 in opdracht van de Frankfurter Zeitung. Deze verhalen spelen zich af in de streek waar Roth is geboren en opgegroeid. In 1982 voor het eerst in het Nederlands uitgegeven door uitgeverij Allert de Lange. De drie verhalen over zijn geboortegrond zijn met liefde geschreven: ‘Over het vlakke land waait onophoudelijk een eeuwig onveranderlijke wind, die nauwelijks waarneembaar is. Heuvels, beloftes van de Karpaten, kleuren blauw in de verte. Raven cirkelen boven de bossen. Ze voelen zich hier altijd al thuis. Sinds de oorlog zijn ze talrijk geworden. Geen enkele fabriek, geen reclame, geen roet. Op de markt worden primitieve houten marionetten verkocht, zoals in Europa tweehonderd jaar geleden. Is Europa hier geëindigd?’

    Het zijn deze verhalen die me in de jaren tachtig verleid hebben naar Roth’s geboorteplaats Brody te reizen, dat indertijd nog onder de knoet van de Sovjet Unie leefde. In het verhaal over Lemberg/Lviv schrijft Roth over de ‘polyglotte kleurenpracht’ van de stad. Hij studeerde hier nog maar een paar jaar eerder en zijn toon is nu al weemoedig. Na 1924 is er nog zoveel vreselijks in Lemberg gebeurd dat het Roth nog  weemoediger zou stemmen naar de buurt rond het theater waar de mensen Jiddisch spreken. ‘Dat hebben ze hier altijd gesproken, en waarschijnlijk zullen ze nooit iets anders spreken.’ Het is dat Roth in 1939 al is overleden, anders zou hij de moord op die Joden hebben meegemaakt.

    Het laatste verhaal van de bundel is het indrukwekkendste. Roth schrijft hier over de rouwstoet voor een Poolse invalide die zichzelf na een toespraak voor zijn kameraden ‘een kogel door de kop schoot.’ De stoet bestond uit duizenden verminkten. ‘Ja, de mensen bleven staan en keken en verroerden zich niet.’ Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op.
    Eric Vlaminck noemt het boek in zijn inleiding ‘een zegen’, omdat zowel Roth als Broucke ook voor ‘mededogen, troost en hoop zorgen.’ Tussen de legers is een prachtige bundel met literair-journalistieke verhalen van de beroemde romancier die de vroege aanloop naar de crisisjaren en WO II laten zien.  

     

     

  • Hij greep zijn pen en schreef verder

    Hij greep zijn pen en schreef verder

    Het is onder kenners van het werk van Joseph Roth een bekend dispuut tussen hem en zijn vriend Soma Morgenstern: wat mag je aan het werk van iemand anders ontlenen en gebruiken in een eigen roman zonder dat het plagiaat wordt? De ruzie daarover tussen de twee vrienden is terug te vinden in de herinneringen van Morgenstern die onlangs in vertaling verschenen, Vlucht en einde van Joseph Roth.

    Wat was het geval? Morgenstern had Roth het manuscript laten lezen van zijn eerste werk, Der Sohn des verlorenen Sohnes (de roman zou pas veel later verschijnen). Die vond hem geweldig. Twee jaar later las Morgenstern in het Pariser Tageblatt een hoofdstuk uit een nieuwe roman, Tarabas, van Roth, die als feuilleton in die krant verscheen. Tot zijn verbijstering kwam hij daarin de naam Janker Christjampoler tegen, de oude man uit Morgensterns eigen manuscript. Hij schreef meteen een woedende brief aan zijn vriend die hem daar niets over verteld had. In zijn reactie kwam Roth met allerlei uitvluchten, waarvan de laatste was dat het geen enkele lezer op zou vallen. Maar voor Morgenstern gold niet het What’s in a name van Shakespeare. Een personage in een roman had volgens hem altijd een naam die past als een handschoen. Roth had in zijn visie dus niet zomaar de naam gejat, maar ook het personage. De kwestie escaleerde toen Morgenstern er achter kwam dat Roth een keer in een soortgelijk geval aan een andere schrijver (Józef Wittlin) had geschreven dat die niet moest zeuren omdat ‘hij, Roth, als een rivier was die, zoals de natuur dat heeft geregeld, wordt gevoed door zijrivieren’. Morgenstern zegde de vriendschap met Roth op. Pas drie jaar later zou die door bemiddeling van Stefan Zweig hersteld worden.

    Acute dakloosheid

    Vlucht en einde van Josep Roth verscheen in Nederlandse vertaling in november 2022, dezelfde maand waarin ook Eindeloze vlucht. Het leven van Joseph Roth door Keiron Pim uitkwam, een biografie die veel gebruikmaakt van het boek van Morgenstern. Dat in beide titels het woord ‘vlucht’ voorkomt is niet toevallig.
    Roth (1894-1939) werd net geen 45 jaar. In dat korte leven was hij bijna altijd op de vlucht. Hij werd geboren in Brody in het huidige Oekraïne, maar vertrok al jong naar Wenen om er te studeren. Daar leerde hij Morgenstern kennen. Roth maakte zijn studie niet af, vocht in de Eerste Wereldoorlog aan het Oostfront en werd daarna journalist. Dat werk voerde hem onder andere naar Berlijn, maar de stad waar hij zich het meest thuis voelde werd Parijs. Roth ontvluchtte Wenen na het uiteenvallen van het Habsburgse Rijk naar Duitsland en daarna in 1933 dat land, toen Hitler aan de macht kwam. Hij vertrok naar Parijs.

    Roth leefde vooral in hotels en café’s. ‘Hij had ‘altijd last van acute dakloosheid’, lezen we. Zijn beste boeken schreef hij met stevige borrels op in horecagelegenheden. Morgenstern schrijft daarover: ‘Roths tafel in de bistro was de zoete inval. Mensen kwamen, gingen zitten en begonnen te praten. Hij legde zijn pen even neer, opende zijn verbaasde ogen en luisterde. Goede en slechte berichten. Op de goede zei hij: “Ongelooflijk!”. Hij greep zijn pen en schreef verder. Op slechte berichten reageerde hij met: “Maar dat is walgelijk!”

    Een roman schrijven in de kroeg met drank op en volk dat je steeds aanspreekt. Hoe is het mogelijk? Terugkijkend schrijft Morgenstern: dat kan ‘alleen door je daar steeds meer in jezelf terug te trekken. En daarvoor zorgde de alcohol’. ‘De alcohol spoelde zijn remmingen weg’. Maar ook de voortdurende dakloosheid past daarin: ‘Reizen was zijn tweede manier om zich te bedwelmen. Zo werd de vlucht zijn thuis’.

    Assimilatie of niet?

    Soma (eigenlijk heette hij Salomo) Morgenstern werd geboren in 1890. Hij was dus iets ouder dan zijn vriend. En hij overleefde hem een aanzienlijke tijd, tot 1976. Ook Morgenstern ontkwam niet aan de vlucht. Eerst uit Duitsland toen de nazi’s de macht grepen en in de Tweede Wereldoorlog toen hij uit een concentratiekamp in Frankrijk ontsnapte en uiteindelijk in Amerika terecht kwam.  Morgenstern en Roth waren beiden Joods opgevoed. Dat thema kwam vaak in hun gesprekken terug en dan met name de vraag of je moest kiezen voor het zionisme of voor assimilatie met het land waar je woont. Maar onderwerpen daarnaast betroffen ook vaak de politiek, vooral de Oostenrijkse na het uiteenvallen van het Habsburgse Rijk, en natuurlijk de literatuur en de muziek. Morgenstern schrijft liefdevol over zijn vriend en is vol begrip voor zijn uitspattingen. Uiteindelijk waardeerde hij hem enorm om wie hij was, ook al zoop hij zich te pletter (Morgenstern zelf dronk helemaal niet). Daarom lukte het Zweig ook de twee gebrouilleerden weer bij elkaar te brengen na de diefstal van het personage Christjampoler. Schrijnend is hoe op deze diepe vriendschap een aanslag werd gedaan doordat Morgenstern niet kon meemaken dat zijn vriend de laatste adem uitblies: een pater in het ziekenhuis waarin Roth was opgenomen claimde dat Roth zich had bekeerd tot het katholicisme (wat niet waar was).

    Schrijven in oorlogstijd

    Morgensterns herinneringen aan Roth zijn pas na zijn dood uitgegeven. Hij had het plan ooit zijn autobiografie te schrijven met daarin veel aandacht voor zijn vrienden, zoals Roth. Hij bleef dat echter maar voor zich uitschuiven. Tot hij rond zijn tachtigste er de kracht niet meer voor had. Hij sorteerde daarom alle fragmenten die hij ooit op papier had gezet en maakte er twee boeken met herinneringen van: één over zijn vriend de componist Alban Berg en één over Joseph Roth. Morgenstern was tot zijn dood echter vrijwel onbekend, schrijft Georg B. Deutsch in zijn nawoord bij de Nederlandse vertaling van

    Vlucht en einde van Joseph Roth. Pas in de jaren negentig van de vorige eeuw werd de verzameling ontdekt en werden zijn eigen romans vertaald. Het in de aanhef vermelde Der Sohn des verlorenen Sohnes kwam bijvoorbeeld in 2001 in Nederland uit.

    Vlucht en einde van Joseph Roth is een af en toe ontroerend verslag van een vérgaande vriendschap. De beschrijving daarvan is duidelijk de hoofdzaak. Wie verwacht ook veel te weten te komen over de ontstaansgeschiedenis van Roths belangrijkste romans zal wellicht wat teleurgesteld zijn. Die komt slechts zeer zijdelings ter sprake. Dat wil niet zeggen dat er niet over literatuur wordt gedelibereerd. Het levert beschouwingen op waarop je als lezer wel even op blijft doorkauwen. Zoals deze – in 2022 ineens verrassend actueel geworden zinnen – : ‘Ik heb altijd bewondering gehad voor de zogenoemde scheppende kunstenaars die, ongeacht alle onrust van het moment, hun werk als het belangrijkste ter wereld beschouwden en zich niet lieten storen. Deze bewondering bleef niet helemaal onverdeeld. Als ik bedenk hoe zo’n romanschrijver zit te tobben over de vraag wanneer zijn held een sigaret of een sigaar moet opsteken terwijl in Oekraïne honderdduizenden mensen worden vermoord, mengt zich door mijn bewondering een vleugje minachting voor de scheppers en hun werk’.

    Hoe zou Roth, die – zo schrijft Morgenstern – ‘zelfs op zijn sterfbed de pen niet losliet’, daarover gedacht hebben?

     

     

  • Er is niet een waarheid in dit verhaal

    Er is niet een waarheid in dit verhaal

    Veertien jaar geleden verscheen van de Duitse schrijfster Julia Franck de bestseller Der Mittagsfrau (De middagvrouw). Het boek werd vertaald in zevenendertig landen en won de Deutscher Buchpreis. In 2011 verscheen Rücken an Rücken (Rug aan rug), over een familie in Oost-Duitsland in de jaren vijftig en zestig, vanuit het perspectief van een broer en zus, kinderen nog. Toen bleef het tien jaar stil, tot onlangs Werelden uit elkaar in vertaling van Els Snick verscheen. De schrijfster die de gedachte over zichzelf te schrijven walgelijk vond, schreef een autobiografische roman over opgroeien in een disfunctionerend gezin in het Duitsland van de jaren zeventig en tachtig.

    Julia Franck (1970) wordt geboren in Oost-Berlijn, op achtjarige leeftijd verhuist ze met haar moeder en drie zussen (waarvan een haar tweelingzus) naar West-Berlijn, waar ze eerst negen maanden in een vluchtelingenkamp worden opgevangen. Haar moeder schrijft vanuit het kamp alle vrijescholen in Duitsland aan voor een plek voor haar drie oudste dochters. Ze worden aangenomen op een Steinerschool in Sleeswijk-Holstein en de moeder krijgt in die omgeving een leegstaande boerderij toegewezen. Ze leven van een uitkering. Moeder, een getroebleerde actrice, ligt veel in bed of verzorgt met ongewone genegenheid de geiten, kippen en varkens die ze bij het huis houden. ‘s Morgens staan de oudste kinderen alleen op, zorgen voor het kleine zusje en lopen vijf kilometer naar school. ’s Avonds koken ze hun eigen avondeten met wat er voorhanden is. Er is veel ruzie in huis, niemand wordt terecht gewezen, huilen is uit den boze.

    In haar twee voorgaande romans De middagvrouw en Rug aan rug onderzoekt Julia Franck respectievelijk de familieverbanden van haar vader en van haar moeder. Het zijn fictieve verhalen gebaseerd op biografische gegevens van haar ouders. In Werelden uit elkaar onderzoekt ze de wereld waarin zij zelf opgroeide. Een autobiografische roman waarin veel sporen uit de twee genoemde romans bij elkaar komen. Er lijken dingen in elkaar te schuiven, een geheel te vormen. Naast een boek over de schrijfster zelf, is het ook een verhaal over de manier waarop we iets opbouwen uit onze herinneringen en hoe we die herinneringen bevragen.

    Julia Franck was in oktober in Nederland voor haar boekpresentatie van Werelden uit elkaar. We ontmoetten elkaar in een bovenzaal op de eerste verdieping van het Goethe Instituut in Amsterdam. 


    Wat heeft u in de tien jaar tussen u laatste boek en Werelden uit elkaar gedaan?

    ‘Het is niet dat ik heb stilgezeten. Toen ik tweeënhalf jaar geleden aan Werelden uit elkaar begon had ik drie romans onder handen die ik vervolgens niet afmaakte. Het waren fictieve romans met compleet verschillende onderwerpen. In een van die romans probeerde ik te schrijven over de natuur zonder er een individu, een mens in voor te laten komen. Dat was moeilijk en ik realiseerde me dat ik geen boeken kan schrijven zonder personen erin. Op dit moment in ieder geval niet. Maar ik weet niet precies wat er gebeurde toen ik begon te schrijven over dit zeer persoonlijke onderwerp, over ‘Auseinander’ (uit elkaar). Ongeveer tweeëneenhalf jaar geleden realiseerde ik me voor het eerst dat ik misschien in staat was te schrijven over de meest intieme, meest persoonlijke ervaringen uit mijn leven. Naar mijn idee was het nodig dat ik ouder werd, om met meer ervaring en meer afstand er tegen bestand te zijn deze ervaringen tot onderdeel van een boek te maken. Ook om deze ervaringen uit het verleden, een ander leven van ‘Behind the Wall’  aan te kunnen. Elk schrijven is een beslissing te schrijven vanuit een bepaald perspectief.’


    Vanuit welk perspectief heeft u dit boek geschreven?

    ‘Het is een boek geworden over hoe we onze herinneringen bevragen. Hoe respecteren we onze herinneringen maar ook dat wat je vergeten bent. Te schrijven over mijn jeugd is tevens een poging aan een mozaïek te bouwen waarin de herinneringen aan de verhalen die ons verteld zijn door familie of vrienden ook worden opgenomen. Te reflecteren op die verhalen, maar ook brieven van vrienden uit die tijd, mijn eigen dagboeken en die van mijn vader waren belangrijk om mijn herinneringen weer te geven. Mijn interesse lag in het schrijven met al die verschillende materialen.’

    Werelden uit elkaar is een mooi gecomponeerd boek geworden over opgroeien in een vrouwenfamilie, vaders en grootvaders ontbreken. Kinderen worden aan hun lot overgelaten. Het zijn de jaren zeventig en tachtig, de jaren van de seksuele revolutie, leve de vrijheid. Franck schrijft, ‘In mijn herinnering is er geen enkele gebeurtenis waarbij Anna (de moeder, Iv/dG) pedagogisch, streng of boos optrad. Het woord grens had voor haar alleen te maken met de scheiding van de twee Duitse staten.’ Dat haar grootmoeder Inge, een vrouw met een sterk karakter, niet meer leefde, maakte het voor Franck eenvoudiger over haar eigen leven te schrijven, maar ook, benadrukt ze, ‘Ik moest ouder worden, ook om met mijn eigen dagboeken te kunnen omgaan. Ik schreef die dagboeken toen en kan het nu pas lezen.’


    U begon op u twaalfde met dagboekschrijven en werd een nogal obsessief dagboekschrijfster.

    ‘Het was voor mij de enige betrouwbare relatie die ik in mijn jeugd ontwikkelde, mijn dagboek was alles voor me. Als ik schreef, kwam er altijd een volgende zin, en nog een. Dat gaf me zekerheid. Ik dacht er niet aan te schrijven over dingen die zo duidelijk voor me waren. Ook niet dat ik wat ik schreef later zou gebruiken. Ik schreef omdat het een uitweg was uit het leven waarin ik zat. Achteraf is het altijd een streven te schrijven over dingen die diffuus zijn, die niet zo gemakkelijk te begrijpen of te verklaren zijn. Ik wilde ook die beelden die toegedekt waren laten zien, zonder verdere uitleg. Herinneren heeft de intentie iets te verklaren, iets uit te leggen, te interpreteren. Te doen alsof er een regel, een structuur voor is om te vertellen hoe ons leven was. Het is veel interessanter die kleine tussenruimtes te vinden, het onbeschrevene te vinden.’ 


    In hoeverre was het anders om dit boek te schrijven vergeleken met uw vorige boeken?

    ‘Ik was gewend aan de opbouw van een roman, waarin ook biografische details zaten, maar waarin de karakters onder mijn regieaanwijzingen werden gecomponeerd. Met dit boek wist ik vanaf het begin dat ik op vele manieren  over mijn eigen verhaal zou kunnen schrijven. Er is niet één manier om het verhaal van mijn leven te vertellen, er is niet één waarheid in dit verhaal.’


    U bent in Oost-Duitsland geboren, op achtjarige leeftijd verhuisde u tegen u zin naar West-Berlijn.

    ‘Ik was daar opgegroeid, al onze familie en vrienden waren daar. Een typisch verlangen van een kind is te blijven waar ze is, als het niet al te slecht is. Omdat er geen visionair ideaal is van een ander leven, van een andere wereld aan de andere kant van de muur. Later, in mijn tienerjaren, toen ik wel een visionair beeld begon te ontwikkelen, kreeg ik langzaamaan een idee over een leven buiten mijn moeders huis. Er ontstond in mij het sterke gevoel dat ik niet hoorde in het leven waarin ik zat. Ik was ervan overtuigd dat ik daar weg moest.’


    Als dertienjarige ging u bij vrienden van uw moeder in Berlijn wonen. Hoe was het om uw tweelingzusje te moeten achterlaten?

    ‘Ik voelde me schuldig dat ik alleen aan mezelf dacht. Maar ik wilde me niet verantwoordelijk voor haar voelen. Ze was altijd achter me, liet me nooit met rust. We waren niet gelijkwaardig, ik moest haar beschermen. Daarvoor voelde ik me niet sterk genoeg, het was een rol die ik niet aan kon. Ik voelde me ook verantwoordelijk voor mijn moeder en mijn jongste zusje. Maar ik kon dat niet meer. Ik ontwikkelde dwanghandelingen, kreeg wratten aan mijn handen en angst voor alles. Ik vroeg me af waar het met mij naartoe moest, ik wilde verdwijnen.’


    Hoe was uw relatie met u moeder?

    ‘Mijn moeder en mijn grootmoeder, waren geen zorgende vrouwen. Om daarop te reflecteren, zoals ik in mijn boek doe, moest ik ook ouder worden. Niet per se vijftig, maar toch… Toen ik drieëntwintig was, ontwikkelde er zich wel een bijzondere relatie met mijn grootmoeder. Ik begon haar vragen te stellen, hoe het was toen ze jong was en de oorlog uitbrak. Hoe het was om uit Duitsland weg te moeten, door haar Joodse moeder naar Italië gestuurd te worden. Daar ontmoette ze een jonge kunstschilder met wie ze niet mocht trouwen vanwege de raciale wetten van de nazi’s. Mijn grootmoeder had nooit nagedacht over haar Joods zijn, ze was een bourgeois, een geassimileerde Joodse vrouw. Pas door de nazipolitiek kwam het besef bij haar dat ze er niet bij hoorde. Om diezelfde reden werd ze niet toegelaten tot de kunstacademie. 

    Enerzijds kon mijn grootmoeder er heel open over spreken, maar er was ook een diep verborgen pijn in haar over het verlies van haar verloofde, over de vraag waarom hij in maart 1945 op die trein is gegaan. Het was bijna het einde van de oorlog en hij kwam door een ongelukkig ongeval om het leven. Dat maakte haar tot een ongehuwde weduwe, maar ze had geen rechten, er bleef haar niets over van hun relatie.’

    Het lijkt of de geschiedenis zich in de vrouwelijke lijn herhaalt. Francks grootmoeder verloor op jonge leeftijd haar geliefde door een ongeluk, haar moeder verloor haar geliefde broer op jonge leeftijd door zelfmoord, en Franck zelf verloor op jonge leeftijd haar geliefde, Stephan. Ze woonden samen toen hij door een vrachtwagen werd overreden. In het boek beschrijft ze het overweldigende gevoel niets meer te hebben, niets waardoor gezegd kan worden, ‘hij was van mij’. 


    Was de ontmoeting met Stephan het begin van geluk dat een tragedie werd?

    ‘Toen ik Stephan ontmoette, was er een geweldig gevoel van geluk. Hij was heel zeker over zijn liefde voor mij, dat was zo nieuw voor mij. In die tijd had ik ook een relatie met een ouder iemand, een filmmaker. Ik voelde geen noodzaak te moeten kiezen. Maar ik voelde ook een grote onzekerheid. Ik vond het moeilijk me over te geven aan zijn liefde, ik had nooit ervaren hoe er van je gehouden kon worden. Ja, het was tragisch dat hij verongelukte. Maar ik moet nu denken aan de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie. Aan haar essay Trauer ist das Glück, geliebt zu haben, dat onlangs verschenen is. Over de dood van haar vader tijdens de pandemie, en dat rouwen ook betekent dat er is liefgehad. En dat blijft.’


    U beschrijft een voorval dat speelde tijdens uw tienerjaren, u werd bestolen door twee klasgenoten.

    ‘Het voorval zelf was ik vergeten. Tot ik het in mijn dagboek las. Op die manier zijn mijn dagboeken mij ook van dienst geweest. Ik was ontsteld te lezen hoe ik reageerde. Ik paste op een huis van iemand, er was geld aanwezig om eten voor de kat te kopen. Er kwamen twee klasgenoten op bezoek en na hun vertrek was het geld verdwenen. Ik voelde me gekwetst, maar ook schaamde ik me voor hen, dat ze dit gedaan hadden. Ik voelde geen woede dat ze me bedrogen hadden. Ik kon niet boos worden. Toen ik het teruglas was het interessant voor me te zien hoe verlegen, hoe onzeker ik was. Ik verzon zelfs verhalen hoe het geld weggeraakt zou kunnen zijn om hen te ontlasten. Het bewerkstelligde een integriteit tussen het meisje dat ik was en de vrouw die ik nu ben.’

     

    In de proloog van Werelden uit elkaar schrijft Julia Franck: ‘Hoe nieuwsgierig we ook naar elkaar zijn en hoe graag we elkaar ook willen ontmoeten, het is juist het andere en de zienswijze van de ander die ons fascineren, de ander van wie we willen houden of die we ook willen minachten. Het is precies datgene waarin onze individualiteit tot uiting komt. De vreemdelinge ben ik zelf.’ Een fascinerende passage die door het hele boek blijft meeklinken.

     

     

     

    Foto: ©Matthias Bothor


     

     

     

     

     

     

     

    Werelden uit elkaar / Julia Franck / vertaling Els Snick / 320 blz. / Uitgeverij Wereldbibliotheek

     

  • Vreemdelingen

    Vreemdelingen

    Hoe we worden als je niet behoort ‘tot de beschermden en gelukkigen van hun eigen geschiedenis’. Ik lees het nieuwe boek van Julia Franck, waarin ze over zichzelf schrijft. Iets wat ze verafschuwde. ‘Dat iemand gedichten en dagboeken niet alleen voor zichzelf schrijft, maar ze ook wil publiceren, vindt het meisje walgelijk.’ In 1978, Franck is acht jaar, verhuist haar moeder, een actrice, met haar vier dochters van Oost- naar West-Berlijn. Het is het geboortejaar van mijn eerste kind. Een tijd waarin we niet bijzonder mobiel waren, geen online leven kenden, deuren gesloten bleven. Ik herinner me het als een verstikkende tijd, als vrouw, moeder. In het Westen zoekt de moeder vrijheid, ze schrijft  alle vrijescholen in Duitsland aan. In Sleeswijk-Holstein worden de kinderen aangenomen. Ze betrekken een verlaten boerderij, vijf kilometer lopen van school. Vanaf dat punt is de moeder incapabel voor haar dochters te zorgen. Ze leven in een verslonsd huishouden, alles is kapot, niets wordt hersteld. 

    Als kind wordt ze een geobsedeerd dagboekschrijver, wil ze weg. ‘Het enige wat ik wil is weggaan, al op mijn twaalfde, het eerste wat ik moet doen is daar weg zien te komen. Waar moet het met mij naartoe?’ Op haar dertiende woont ze bij vrienden in Berlijn. Ze correspondeert met haar zussen, niet met haar moeder, ‘Na een paar pogingen schreef ik haar dat ze mij te vreemd was om haar te schrijven.’ Het eerste boek dat ik van Franck las was de Middagvrouw, indrukwekkend verhaal over haar familie van vaders kant. Haar vader werd als zesjarig jongetje door zijn moeder Helene Würsich, in de chaos na de Tweede Wereldoorlog moedwillig achtergelaten op een station. Franck onderzoekt de beweegredenen van deze vrouw door de geschiedenis van Duitsland in beeld te brengen. In Rug aan rug schreef ze over haar moeders familie. Haar joodse grootmoeder Inge, beeldhouwster en communiste, werkte voor de Stasi. Toen bleef het lange tijd stil. De schrijfster moest iets overwinnen, ‘de gebeurtenissen en omstandigheden in mijn familie waren nauwelijks in literatuur om te zetten, zo onwaarschijnlijk en heftig waren ze. Hoe zou het mij ooit toegestaan zijn mijn stem te verheffen voor het eigene en mijn eigen verhaal, een vorm te vinden, taboes te omzeilen of ze onder ogen te zien.’ 

    Met dit boek vernauwt zich alles, de geschiedenis van Duitsland, haar beide families, tot het bestaan van de schrijfster. Al lezend nader ik steeds dichter de levens uit haar voorgaande boeken, hoe die zich om de schrijfster heen plooien. Ze opent het boek met een verklaring, ‘Ook in het echte leven heb ik een moeder, vier zussen en vrienden van wie ik hou. Ook in dat echte leven heb ik geliefden veel te vroeg verloren aan de dood, terwijl ik tot in lengte van dagen met hen verder leef. Ik kende ze, ken ze en zal ze voortaan een beetje anders kennen. Noch zij noch ik blijven dezelfden. Onze ervaringen veranderen ons en onze kijk op de dingen.’ Vele verhalen moeten er nog gehoord worden om werelden bij elkaar te brengen. Ik blijf de vreemdeling als ik niets van de ander weet. 

     

    Citaten uit: Werelden uit elkaar / Julia Franck / vertaling Els Snick / 320 pag. / Wereldbibliotheek (2021)

     

    Lees hier het interview met Julia Franck n.a.v. haar boek Werelden uit elkaar.


    Inge Meijer is een pseudoniem, luistert graag aan de keukentafel naar een goed verhaal.

     

     

     

  • Oogst week 50 -2019

    Zon

    ‘Als ik in het donker wacht
    houd ik een zakdoek aan mijn mond
    om mij ervan te vergewissen dat ik bloed
    want enkel wie kan bloeden kan ook dromen.’

    Het zijn de eerste regels van het openingsgedicht van Peter Verhelst in zijn nieuwe bundel Zon. Verhelst heeft een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan aan poëzie, proza en theaterteksten en kijkt thuis uit op een indrukwekkende prijzenkast. Zon gaat over begeerte, eenzaamheid en verlies in apocalyptische tijden: ‘De zon is prachtig en mededogenloos’, zei hij in een interview op de Belgische radio, waaraan hij zijn kwaadheid toevoegde over de klimaatconferentie in Madrid: ‘ik probeer boven mijn kotsgeluid uit te komen (…) Mijn woede wordt te groot’. Een woede die in Zon meeklinkt als Verhelst bijvoorbeeld teksten van Bart de Wever verwerkt.

    Zon
    Auteur: Peter Verhelst
    Uitgeverij: Bezige Bij b.v., Uitgeverij De

    Het gewicht van de woorden

    De Zwitserse filosoof Peter Bieri schrijft romans onder het pseudoniem Pascal Mercier. Zijn Nachttrein naar Lissabon uit 2004 was zijn definitieve doorbraak in Nederland. Het werd in 2013 verfilmd en een jaar later liep in Nederland een theaterproductie naar de roman. Geeft de 57-jarige Gregorius in Nachttrein plotseling zijn oude leven in Bern op om in Portugal het leven van de arts Prado te onderzoeken, in zijn nieuwste roman Het gewicht van de woorden lijkt de inzet vergelijkbaar. Nu gaat het om de zestiger Simon Leyland die nog maar kort te leven heeft en besluit zijn uitgeverij in Triëst achter te laten om terug te gaan naar Londen waar hij in de vroegere brieven aan zijn vrouw duikt. De roman begint met een motto van de Portugese schrijver Pedro Vasco de Almeida Prado (een ander dan de fictieve Prado uit Nachttrein): ‘…als je de juiste woorden vindt, is het alsof je wakker wordt bij jezelf, er ontstaat een nieuwe tijd: het heden van de poëzie’.

    Het gewicht van de woorden
    Auteur: Pascal Mercier
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De Warnow

    Een man, een schip, een droom is de veelzeggende ondertitel van De Warnow. NRC-journalist Hans Steketee deed in 2013 in zijn krant verslag van de zoektocht naar een gammele loodsboot waarop schipper Arnoud Brinkman met onder andere zijn vriendin Tirza via Schotland naar Noorwegen was vertrokken om daar het Noorderlicht te zien. Ze werden in een storm nog maar net gered. Er ontstonden felle discussies die er toe leidden dat een aantal opvarenden aan wal ging. Maar Brinkman besloot door te gaan. Zijn schip raakte vermist.
    Steketee besloot dieper in het leven van de schipper te duiken in een mengeling van verbazing over diens roekeloosheid en bewondering voor de overgave aan avontuur en kameraadschap. De Warnow is een spannend verslag geworden van een onderzoek naar wie Brinkman was en naar wat er gebeurd kan zijn met zijn boot.

    De Warnow
    Auteur: Hans Steketee
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Ik heb mijn eigen stem gevonden als zijn vertaler

     


    Het driehonderdste Privé-domein deel is het brievenboek, Joseph Roth en Stefan Zweig, Elke vriendschap met mij is verderfelijk, Brieven 1927-1938. Hoewel de correspondentie door beide schrijvers gevoerd werd, zijn in het brievenboek maar enkele brieven van Stefan Zweig te vinden. De Joods-Oostenrijkse journalist en schrijver Joseph Roth (1894-1939) heette lange tijd een ‘Writers writer’ te zijn. In de afgelopen tien jaar is daar verandering in gekomen, onder meer door publicaties over en vertalingen van zijn werk door Els Snick. Dat begon ruim tien jaar geleden met de vondst van een zeer oude uitgave van de roman Job, op de boekenmarkt op het Spui in Amsterdam. Hoewel Els Snick al eerder werk van Joseph Roth had gelezen, werd ze tijdens het lezen van Job gegrepen door zijn herkenbare en consequente stijl waarop ze besloot te promoveren op het werk van Roth. In 2011 verscheen haar proefschrift Joseph Roth en zijn bemiddelaars in de Lage Landen. In 2014, ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van het overlijden van Joseph Roth, richtte ze samen met enkele Roth-vrienden het Joseph Roth Genootschap voor Vlaanderen en Nederland op.

    In de tweede week van februari was Els Snick (1966) In Nederland voor de presentatie van het brievenboek bij boekhandel Scheltema. Een mooi moment om haar te spreken. We ontmoeten elkaar bij Grand Café 1e Klas op het centraal station Amsterdam. Voor de herkenbaarheid zou ik een gele sjaal dragen, maar die had ik in de haast de trein te halen thuis aan de kapstok laten hangen. Dus nam ik het brievenboek onder mijn arm en liep het Grand café binnen. We herkenden elkaar op hetzelfde ogenblik: ik haar aan het tafeltje waarop verschillende boeken van Roth en aantekenbriefjes, zij mij door het brievenboek.

    Els Snick kent de biografie van Joseph Roth van voor naar achter en weer terug en toont zich een enthousiast verteller. Haar ogen beginnen te schitteren zo gauw ze over het werk en leven van Roth begint. Elke vraag roept een verhaal op dat haast onstuitbaar vertelt wordt.


    Wat was de reden om voor de Duitse taal te kiezen in een land waar Frans de tweede taal is?

    ‘Na de middelbare school heb ik een jaar in Brussel toneel gestudeerd. Veel theaterliteratuur was in het Duits uitgegeven en dat las ik allemaal. Mijn ouders waren ook wel gericht op de Duitse cultuur. Ik ben opgegroeid met Duitse componisten en met respect voor de klassieke Duitse cultuur. Ik was jong in de tijd van New Wave en Punk en las Kafka. De Duitse literatuur vond ik heel mooi. Misschien ook het gevoel dat ik daarmee een niche kon bespelen die niet zo gewild was. Het wekte om een vreemde reden bij veel mensen een afkeer op. Als ik op de vraag wat ik deed, ‘Duits’ zei, dan kon men geschokt reageren.’


    Door het beeld vanuit de Tweede Wereldoorlog?

    ‘Precies. Ook goede vrienden van mij, die echt links waren, zeiden dingen over Duitsers die ze nooit zouden tolereren als dat over willekeurig welke buitenlander dan ook gezegd zou worden. Dat fascineerde me, hoe er op gereageerd werd.
    In Belgïe is het wat moeilijker een uitgever te vinden voor Duitse literatuur dan in Nederland. Mijn eerste publicaties heb ik bij Bas Lubberhuizen, die ook een grote liefhebber is van Joseph Roth, uitgegeven. Lubberhuizen gaf in 1984 al een boekje uit over Joseph Roth in Nederland. Dat ontdekte ik toen ik voor mijn onderzoek naar het leven van Joseph Roth in Oostende (hij verbleef daar lange tijd, Iv/dG), stuitte op het verhaal van Roth in Nederland, door Lubberhuizen.
    De allereerste keer dat ik over Roth heb gesproken was in het kleine winkeltje van Lubberhuizen, voor een paar liefhebbers. Ik stond op een ladder, wijnglas in de hand, en de mensen om mij heen. Iemand vroeg, “Wanneer gaat u daar een boek over schrijven”. Ik zei, “dat weet ik niet”. Toen zei Bas Lubberhuizen, “Kom maar eens langs.” En zo is het dan gegaan.’


    Was het een moeilijke taak deze brieven te vertalen?

    ‘Het was een grote klus. Ik ben er toch wel acht tot negen maanden mee bezig geweest. Wat me het meeste werk heeft gekost is de voetnoten inkorten. Omdat ik het werk van Joseph Roth zo goed ken, wist ik wat ik kon weglaten. Zo’n tweehonderd bladzijden aan bijlagen en voetnoten heb ik weggelaten. Indirect ben ik jarenlang aan het voorbereiden geweest, heb veel van hem vertaald, over hem gepubliceerd. Als dit brievenboek mijn eerste kennismaking met Roth was geweest, had ik veel langer moeten zoeken. Zijn biografie ken ik helemaal dus ik weet wanneer hij die en die brief geschreven heeft, met welke roman hij intussen bezig was. Maar ook zijn taal ken ik daardoor goed, ik heb daarin mijn eigen stem gevonden als zijn vertaler. De meeste brieven in het boek zijn van Roth, de brieven van Zweig zijn verloren gegaan. Hij hield niets bij. Zweig hield alles bij, had een archief, Roth was een zwerver.’


    Wie zijn de bezorgers van de brieven?

    ‘Frederieke, de ex-vrouw van Stefan Zweig, was tijdens de laatste dagen van Joseph Roth in 1939 bij hem in Parijs. Ze heeft na zijn overlijden al zijn teksten verzameld. Een groot deel is terecht gekomen in het Leo Baeck Institute in New York. Zij heeft ook een selectie gemaakt van zijn brieven. Er waren brieven aan haar gericht, die ze dus niet heeft bewaard. Dat prikkelt soms de fantasie over de relatie tussen hen, sommigen denken dat er sprake was van liefde.
    De bezorgers van de Duitse versie van het brievenboek in 2011, waren de Amsterdamse Roth specialiste Madeleine Rietra en de Leipzigse Roth bibliograaf Rainer Joachim Siegel. Madeleine Rietra werkte in de Koninklijke Bibliotheek en had toegang tot veel materiaal van Roth. Ze heeft twee Duitse boeken uitgegeven met briefwisselingen van Roth met zijn Nederlandse uitgeverijen. Het is weinig bekend dat Madeleine Rietra veel onderzoek heeft verricht voor het notenapparaat.
    Na de oorlog is er tamelijk veel uitgegeven van Joseph Roth. In de jaren zestig zijn zes delen verzameld werk en de brieven uitgegeven. Dat is toen nogal slordig gebeurd. Rietra heeft bijvoorbeeld ontdekt dat daar brieven in stonden waarvan maar één beschreven kantje van de brief was opgenomen, de achterkant van de brief was niet daarin meegenomen.’


    Wat tekende de verbondenheid van deze twee Duitse schrijvers?

    ‘Als gevluchte joden hadden ze natuurlijk het jodendom als verbindende factor, dat was de rode draad in hun vriendschap. Toen Stefan Zweig in 1936 schreef aan de symbolische Joodse legende, De verborgen kandelaar, had hij Roth nodig. Roth was veel beter thuis in de Oost-joodse volkse tradities, en ook het jiddisch kende hij beter dan Zweig. Hoe weinig belijdend ze ook waren, ze gingen nooit naar de synagoge, maar ze deelden de cultuur en het lot van de joden in Europa. In de brieven gaat het veel over het Europa dat uit elkaar valt. Ook de onzekerheid van Zweig als schrijver komt daarin naar voren. Het gaat met Zweig bergaf, hij pleegt tenslotte in 1940 zelfmoord. Ooit was hij wereldwijd beroemd en dan slaat het om, dat maakte hem onzeker. Hij vraagt raad aan Roth en deze schrijft heel openhartig: ‘Je moet schrappen, je moet minder adjectieven gebruiken.’ Zweig zocht bij hem erkenning en Roth vertelde hem dan dat hij in Nederland mensen had ontmoet die zijn boeken geweldig vonden.’


    Op we
    lk vlak schuurde het tussen hen.

    ‘Zweig hield zich altijd op de vlakte wat openlijke kritiek tegen de nazi’s betrof. Roth deed het tegenovergestelde, die stond met zijn voeten in de modder om mensen te helpen. Richtte vluchtelingen comités op en als hij geld had, deelde hij het uit aan mensen die nog armer waren dan hij zelf. Hij vond al die bezwaren van Zweig, over stoppen met drinken en dat hij in een normaal huis moest gaan wonen, onzin. Die brieven van Zweig gaan veel over Roth’s alcoholisme.’


    In zijn brieven na 1933 komt Roth als een getormenteerde man naar voren. Hij wordt wantrouwig naar uitgevers, vrienden. Zijn brieven aan Zweig worden ruzieachtig.

    ‘Dat is niet helemaal vreemd. Toen hij in 1933 ervoor koos uit Duitsland te vluchten, stond hij op het punt een succesvol schrijver te worden. Als vluchteling is hij afhankelijk van anderen geworden. En ja, in die brieven zeurde hij altijd maar om geld, om een goed woordje bij uitgevers. Dat is dan misschien ook wel weer het nadeel van het inkor

    ten van die voetnoten, want daaruit blijkt dat hij wel belazerd werd. Al die Joodse schrijvers zochten contact met uitgevers in het buitenland die Duitse boeken wilden uitgeven, zoals Querido in Amsterdam. Maar er werd ook gesjoemeld met die contracten. Zo ontdekte Roth dat zijn contract voor De Radetzkymars verkocht was aan een maatschappij in Zwitserland. Daar heeft hij nooit een cent van gezien. Hij had dus wel reden om zich verlaten te voelen, wantrouwig te zijn. En door zijn alcoholisme, werd zijn aura van onbetrouwbaarheid natuurlijk groter. Dan was er de gewoonte elkaar te ontmoeten als ze beiden in dezelfde stad waren, Berlijn of Parijs. Als Zweig in 1938 in Parijs is en Roth niet heeft opgezocht, kan Roth dat niet begrijpen en ontstaat er een breuk. Er komen nog een paar brieven maar de toon is dan een stuk killer. Daarna stokt de briefwisseling.’


    Op het persoonlijke vlak is het een pijnlijke relatie merk je uit hun brieven.

    ‘Joseph Roth had een ellendig leven. Hij had vreselijke pech met zijn eerste vrouw, (Friedl Reichler, werd een paar jaar na hun huwelijk voor de rest van haar leven in een instelling voor geesteszieken opgenomen, Iv/dG). Dan schrijft Zweig op een bepaald moment aan hem dat hij hem zijn ellende benijdt. Ik denk dat Roth hem heeft geschreven over een bepaalde scene in de roman Job, waarin de dochter des huizes waanzinnig wordt, gebaseerd op zijn ervaringen met zijn vrouw. Zweig schrijft, ‘Want waar moet ik het altijd maar vandaan halen. Mijn leven verloopt zo vlekkeloos. Ben je je er wel van bewust dat die ellende ook een cadeau is?’ Het is een wat eigenaardige reactie. Natuurlijk kon Roth al die ervaringen gebruiken in zijn romans. Hij kende het nachtleven, prostituees enzo. Maar als Zweig schrijft dat hij hem benijdt, weet ik niet hoe dat voor Roth aanvoelde.’


    Het werk van Roth wordt nog steeds actueel genoemd. Is dat om de vluchtelingen thematiek?

    ‘Neem het essay Juden auf Wanderschaft uit 1927, (Joden op drift, 2016 vertaling Els Snick, IvdG). Als je daarin Oost-joden vervangt door Syriërs, dan gaat het gewoon over nu.
    Op het moment ben ik een boek aan het vertalen met reportages over Albanië uit 1927 en Italië uit 1928. in Italië kwam Mussolini aan de macht. Het gaat over Europa dat na de Eerste Wereldoorlog overeind probeert te blijven, er zijn spanningen op de Balkan. Het nieuwe staatje Albanie wordt bedreigd door Italië en Joegoslavië dat later Servië wordt. Als je dat leest, lijkt het over vandaag te gaan. Over corruptie in Albanië, de mafia, Amerikanen die daar proberen de markt te verov

     

    eren, met scheermesjes van Gillette bijvoorbeeld. Ongelooflijk actueel. Over Mussolini vertelt Roth dat als hij door de straten van Italië loopt er overal afbeeldingen van Mussolini zijn, en in de kranten de censuur. Zoals nu met Trump is gebeurd, die door fakenieuws aan de macht kwam.’


    Na tien jaar met Joseph Roth te zijn bezig geweest, ben je nog iets nieuws op het spoor gekomen?

    ‘Omdat er zo weinig brieven behouden zijn van Zweig aan Roth, is er de keuze gemaakt om in deze uitgave brieven van Zweig – waarin hij over Roth aan derden schrijft – op te nemen. Dat is wel verhelderend, hoe anderen over Roth spreken. Dat is nog harder dan Zweig doet in zijn brieven. Over zijn alcoholisme, zijn gemoedstoestand, je krijgt daardoor wel een vollediger beeld van Roth. En de naam van een Vlaams meisje, waar Roth in 1931 in Antibes een affaire mee had, heb ik kunnen achterhalen.
    In die eerste brievenuitgave was haar naam verkeerd gespeld. Er was daardoor niets over haar te vinden. Roth beschrijft haar in een brief als de dochter van een burgemeester uit Brugge. Toen heb ik alsnog die familie kunnen achterhalen. Het was een opstandig meisje uit adellijke kringen. Als haar ouders over deze relatie horen, wordt ze binnen een jaar uitgehuwelijkt aan een Brusselse zakenman en krijgt in vijf jaar tijd vijf kinderen. Ze dronk en mishandelde haar kinderen. Drie van die kinderen zochten een jaar geleden contact met mij. Ze dachten dat het om een relatie met Stefan Zweig ging. Een van die kinderen heeft alles van Zweig gelezen, in de hoop een spoor van zijn moeder daarin te vinden. Hij ging zelfs naar Brazilië om het graf van Zweig te bezoeken. Toen bleek het dus om Roth te gaan. Ze wisten niet van het bestaan van die brieven waarin Roth over ‘die kleine’ schrijft. Ze hebben die brieven toen gelezen.’


    Hoe zou je zelf Joseph Roth als persoon omschrijven?

    ‘Door mensen die hem gekend hebben werd hij omschreven als een sympathieke en charmante man, maar ook als iemand met nare kantjes als je ruzie met hem kreeg. Hij voelde zich snel in het nauw gedreven als men niet op zijn wensen inging. Hij kon ook overdrijven: het geld had hij niet alleen voor zichzelf nodig maar voor ‘hele negerstammen ‘ die hij zogenaamd moest onderhouden.
    Ik denk dat zijn karakter sterk getekend was door de drank. Hij kwam op voor zijn principes en sloot geen compromissen. Hij schreef de dingen altijd heel goed op. Ondanks de drank was hij een wakkere geest, dat is ongelofelijk. Als je bedenkt dat De legende van de Heilige drinker, dat mooie boekje dat hij op het einde van zijn leven, als hij al bijna dood is door de drank, heeft geschreven. Ondanks de alcohol, bleef hij trefzeker formuleren, dat is het werk van een kunstenaar.’

     


     

     

     

     

     

     

     

    Foto: Annie Boedt