• Van Haren speelt een fijnzinnig spel met taal

    Van Haren speelt een fijnzinnig spel met taal

    In 1988 debuteerde Elma van Haren (1954) met de bundel De reis naar het welkom geheten, die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie. In 1997 ontving ze de Jan Campert-prijs voor haar bundel Grondstewardess. Het gedicht Het schitterende uit de bundel Eskimoteren werd gekozen als een van de drie beste gedichten van 2000. Ze schreef ook een verhalenbundel en een roman en is naast schrijver ook beeldend kunstenaar.

    Haar veertiende bundel, Uit de klatergouden boot gevallen, laat zich lezen als een uitbundig sprookje, een scheppingsverhaal uit een zelfgeschapen mythologie, waarin de realiteit een ondergeschikte functie heeft. Er klinken echo’s door van de Japanse godenverhalen en de Griekse mythologie, met een vleugje van de Noorse.

    In haar ‘Aantekeningen’ vertelt Van Haren dat de bundel ontstond naar aanleiding van een zin die ze maar niet uit haar hoofd kreeg: ‘In de parels rond de ranke hals van meisjes zit de adem van ama’s…’ Vanuit deze zin schreef ze een verhaal dat zich afspeelt in Japan, waar jonge vrouwen, ama’s genoemd, al eeuwenlang parels opduiken uit zee. Het is een gevaarlijk beroep, omdat er geen gebruik wordt gemaakt van apparatuur en de vrouwen vertrouwen op het inhouden van hun adem. 

    Parelduiksters en pareldraagsters

    Van Haren verdeelt de wereld in parelduiksters en pareldraagsters, ‘heldinnen en slechteriken’, twee groepen die erg ver van elkaar afstaan. Degenen die de parels opduiken met gevaar voor eigen leven, zijn immers nooit degenen die de parels dragen. Een van de ama’s, die later Shinju genoemd wordt, ontvoert een van de pareldraagsters, Madelief, die later Meri genoemd wordt. Meri – met gouden krullen en blauwe ogen- is het tegenbeeld van Shinju, maar toch ontwikkelt zich tijdens hun vlucht een liefdesrelatie tussen beide vrouwen, die later weer dreigt te verzanden als te veel ruzies de liefde afzwakken.

    ‘Twee boeken opengeslagen op elkaar. Copulatie.
     Stijlen vervloeien, verdrinken, zinken. Hier en daar
     sterke trampolinewoorden.
     Het beste zuigt zich gretig in elkaar, weefseltaal, stijlvampier,
     op de tenen wordt om het meest herkenbare heengelopen
     en met een handgebaar,
     verdwenen!
     De tweesprong: één snelweg naar de einder. Perfectie.
     Alice met de appelwangen en Cleopatra met haar slangen.
     Een plaatje paradijsgewijs. Klassiek.
     Wij, liefdespaar.
     Uiteindelijk.’

    Spinnenkoningin regeert de wereld

    Het verhaal wordt bezongen door acht verschillende stemmen, waarvan de verteller het vaakst aan het woord is, maar ondanks dat is hij/zij niet de belangrijkste. Dat is namelijk de stem van de Spinnenkoningin die alle touwtjes in handen heeft. Zij regeert de wereld en weeft het noodlot voor iedereen: ‘Tussen de planeten heb ik ieders naam in het sterrenstof geschreven.’
    Ook is er een koor als in Griekse tragedies dat commentaar levert op de gebeurtenissen, maar er zelf niet bij betrokken is. Alle stemmen hebben een eigen teken meegekregen dat naast de titel van elk gedicht geplaatst is waardoor meteen duidelijk wordt wie er aan het woord is. Het teken voor de Spinnenkoningin lijkt op een web. 

    Een belangrijke rol is weggelegd voor de Dood/Man met de zeis, maar hij wordt in de tweede afdeling van de bundel vervangen door een vrouwelijke dood, Hella genaamd, of ‘Hare Heftigheid’: ‘Dat mijn baas bazin is, Spinnenkoningin, gaf me goede hoop/ toen de [positie van Magere Hein voor het grijpen lag./ Deze tijd is rijp voor vrouwelijk beleid.’ Hoe het verhaal afloopt, wordt door de dichter in het midden gelaten. Dat kan de lezer zelf bedenken. 

    In sprookjes kan de werkelijkheid ondersteboven worden gezet, evenals de volgorde van de gebeurtenissen en de wetten van de logica gelden hier niet. Belangrijker dan het verhaal is de wijze waarop Van Haren het vertelt. Haar poëzie kenmerkt zich door een bonte schakering van fragmenten, losse hersenspinsels die door middel van associaties aan elkaar geregen worden. Deze bundel is een overweldigend geheel van verschillende stijlen, lettertypes, typografieën, dialogen, haiku’s, zelfs van talen, omdat er ook Japanse gedichten in afgedrukt staan. 

    Ingewikkeld web met vaste patronen

    De versvormen zijn heel divers, voornamelijk vrije gedichten die uitwaaieren over de pagina en lange gedichten die uit één zin kunnen bestaan. Alleen de Spinnenkoningin heeft een eigen versvorm gekregen, alleen voor haar, een sonnet van een octaaf en een sextet met een strak gehouden schema voor het eindrijm. Dat is ook passend voor een spin die zelf een ingewikkeld web weeft met vaste patronen. 

    ‘Ingesponnen

     Mijn acht spinnenogen haken zich aan alle kanten vast,
     Soms gevangen door kleinigheden van grote onbelangrijkheid
     En hoe ik ook mijn best doe, ik raak het maar niet kwijt,
     Het drukt op de doorluchtigheid van mijn weefsel, een grote last,

     Waardoor het patroon verwart als ik niet oppas, dus tot mijn diepe spijt
     Eist dit soort onbenulligheid dat het al mijn aandacht
     Krijgt, het klemt zich als een weerhaak aan mijn kantkloskracht
     Tot de juiste oplossing met eindelijk van deze marteling bevrijdt.

     Dit! Ik zie een lieve en een agressieve, toevallig samengesmeed,
     Behept met machteloze mensgevoelens, vluchtend voor het onvermijdelijke lot.
     Vechten, rennen, vrijen. Doden? Als het zo uitkomt, zullen ze het zeker doen.

     Een raadsel waarom deze twee beklijven, maar mijn professioneel fatsoen
     Dwingt me het serieus te nemen ook al voel ik mij beknot tot op het bot.
     Weet dat ook een Spinnenkoningin  heftig lijdt onder menselijk leed.

    De gedichten in deze bundel lijken ongeordend, maar wie goed leest merkt dat schijn bedriegt. Van Haren speelt een fijnzinnig spel met de taal, dat levert knappe vondsten op waarbij een soort droge humor eruit springt. Heel bewust haakt ze aan bij dramatische clichés, om daarna zelf een loopje te nemen met wat ze geschreven heeft. Een bundel als een achtbaan: heftige emoties vliegen van hoog naar laag en omgekeerd, het geschreeuw kan oorverdovend zijn en regelmatig gaan de gedichten ‘over the top’, zowel wat inhoud als uiterlijk vorm betreft. Het is aan het verhaal om te bepalen wat het wordt, schrijft de dichter in de ‘Aantekeningen’. Geen bundel om te analyseren of te ontleden, dit is een bundel om je te laten overrompelen door het taalplezier dat van de pagina’s afspat en dat nog lang in je hoofd blijft nadenderen.



  • Met een knipoog van Roald Dahl

    Met een knipoog van Roald Dahl

    Je wilt nu natuurlijk weten hoe het afloopt. Want waarom stoppen verhalen eigenlijk, waarom zouden ze ophouden? Ze kunnen niet ophouden, dat doen verhalen niet.
    Ze gaan door, eindeloos grenzeloos door. Er is altijd een vervolg, hoe je het ook wendt of keert. Iedereen wil altijd weten hoe het afloopt. Goed of slecht, vragen ze dan, maar daar gaat een afloop niet over, een afloop gaat over een einde dat onmogelijk plaats kan vinden.’

    Deze woorden luiden het einde in van ‘Wisselkind’, het laatste verhaal in de bundel Walsen, het prozadebuut van dichteres Elma van Haren.
    Het gaat in de verhalen van Van Haren ook niet om het einde. Wat aan dat einde voorafgaat is veel belangrijker, en vaak verrassend origineel.

    De meeste verhalen in deze bundel hebben in eerste instantie iets ongrijpbaars, ze ‘wringen’ soms een beetje. Dat is waarschijnlijk de dichter in Van Haren. Een tweede lezing doet ze ‘passen’. Dan vallen gebeurtenissen op hun plek en komen personages uit de verf en blijkt dat de auteur daarentegen ook kort en krachtig karakters en situaties weet te schetsen die meteen ‘staan’. De dialogen zijn eerlijk en sterk, en hebben niets gekunstelds en kunnen ongemeen direct zijn. Op de vraag ‘Is hij aardig, die vriend van je?’ antwoordt Peggy in het verhaal ‘De keerzijde’: ‘Hij is net een paprika […]. ‘Veel zaad, verder leeg vanbinnen.’

    Rohald Dahl
    Gevoel voor (wrange) humor en veel fantasie heeft Van Haren ook. In ‘Man en minnaar’ lees je grinnikend over het serieuze probleem van een overspelige man: wat te doen met de roze onderbroek die hij van zijn minnares kreeg? Veel vriendelijker is de verrassende wending in ‘Achter de grens’ waarin een vrouw succesvol, – ze vindt hem, maar dan! – op zoek gaat naar haar oude vlam. En de wat labiele Jeanne uit ‘De boodschap’ is toch niet gespeend van een vermogen tot relativeren: ‘Het hielp altijd wel, dat mediteren en nagaan wat er in  haar omging. De dokter had gelijk gehad, ze gaf het met tegenzin toe. Als het zo simpel was, op voorschrift van een dokter mediteren en daar nog baat bij vinden ook, verloor het gevoel van speciaal zijn de glans. Het diepere vinden door middel van het hogere bleek gewoon een kwestie van het jezelf aanleren en werd klaarblijkelijk door hele hordes beoefend.’ Vervolgens ontpopt zij zich tot een berekenende vrouw die wel heel inventief reageert op de stiekeme sterilisatie van haar echtgenoot.
    Roald Dahl had het niet beter kunnen verzinnen.

    Geestig creatief
    Van Haren laat de personages zich bewegen in een niet-geijkte, ook wel ongemakkelijke werkelijkheid. Soms zijn zij daar zelf verantwoordelijk voor, soms hun omgeving. De sterkste verhalen zijn die waarin de lezer even op het verkeerde been wordt gezet en die vervolgens een verrassende wending nemen.

    Gemiste liefde, oude liefde, onbegrepen liefde, kinderliefde, broederliefde, overspelige liefde, al deze vormen van liefde worden op een oorspronkelijke manier in Walsen vertegenwoordigd. De worsteling aan het begin van elk verhaal wordt in de meeste verhalen ruimschoots goed gemaakt door de geestig creatieve uitwerking van de plot.