• De dichter van het …en toch

    De dichter van het …en toch

    Op een grafmonument op begraafplaats Ockenburg in Den Haag staat de naam Ellen Warmond. Daaronder haar geboorte- en sterfjaar (1930-2011) en daaronder de aanduiding ‘Dichter’. Dichten was de essentie van haar leven. Trudy van Wijk (1951 – 2020), die in 2003 al een proefschrift over Warmonds dichterschap voltooide, schreef een biografie over haar, ook al vond Ellen Warmond dat haar privéleven niemand wat aanging. Van Wijk overleed voordat ze de biografie helemaal af had. De biografie werd geredigeerd en voltooid door Bertram Mourits, hoofd collecties van het Literatuurmuseum. In Geef niet mee!, staan de eerste dertig jaar van Warmonds leven centraal. De vijftig jaren die er op volgen krijgen veel minder aandacht. Het is niet duidelijk waarom Van Wijk zo weinig aandacht aan de laatste jaren van Warmonds leven schenkt en of ze dit zo bedoeld heeft.

    Ellen Warmond is het pseudoniem voor Pietronella Cornelia) van Yperen. Een naam die ze vrijwel nooit gebruikte. Een verzoek voor een interview, geadresseerd met haar geboortenaam, weigerde ze omdat ze geen interviews gaf. Ze schreef verder: ‘Ik moet u afraden brieven aan mij te adresseren aan ‘Van Yperen’, want die naam gebruik ik alleen voor dingen als de belasting, dus een dergelijke aanhef wekt mijn wantrouwen.’ 

    Kleinburgerlijkheid ontstijgend

    De biografie volgt het leven van Ellen Warmond chronologisch. Ze werd geboren in Rotterdam in een kleinburgerlijk christelijk gezin. Vader probeerde het arbeidersmilieu te ontvluchten, maar slaagde daar niet in. Ze deed laatdunkend over haar afkomst, terwijl er in haar ouderlijk huis toch opvallend veel gelezen en gemusiceerd werd. Het verhaal dat zij over haar jeugd vertelt is beladen met schaamte over ‘nette armoede’. Ze voelde zich niet begrepen en probeerde aan haar milieu te ontsnappen door te gaan dansen. Ze wilde kunstenares worden, boven het alledaagse uitstijgen. Haar danslerares Staluse Pera, die als vrouw haar eigen weg koos dwars tegen burgerlijke conventies in, was haar grote voorbeeld.

    Warmond hield van vrouwen. Als jonge danseres maakte ze kennis met Emmy Hemelraad, die een stuk ouder was. Haar grote liefde in de jaren vijftig was de oudere schrijfster Anna Blaman, die haar volgens Van Wijk wilde modelleren als een Pygmalion. Blaman ontdekte haar als dichteres en was haar moreel kompas, maar zij wilde tot Warmonds verdriet geen vaste relatie met haar. Dat verwerkte ze in haar gedichten. Na de dood van Blaman in 1960 zou het nog lange tijd duren voordat Warmond een vaste relatie kreeg. In 1965 kwam ze in Israël de reisleidster Eveline Witjas tegen, met wie ze jarenlang samenleefde, maar de relatie hield geen stand. Warmond was geen gemakkelijk mens, ze klaagde veel en vaak. De ex-geliefden bleven elkaar wel regelmatig zien, maar waren de laatste jaren van haar leven niet langer samen.

    Ontsnappen aan de werkelijkheid

    Van Wijk schrijft dat het bombardement van en de oorlogstijd in Rotterdam een belangrijke rol hebben gespeeld in Warmonds leven. ‘Waarschijnlijk werd tijdens deze periode de kiem gelegd voor een belangrijk thema in het werk van Warmond: de discrepantie tussen romantische verwachtingen en de ontnuchterende en ontluisterende werkelijkheid.’ Ze kwam tot het besef dat ze het volgende moment dood kon zijn en hield er een levenslange angst voor vuur en een afkeer van geweld aan over. Door de oorlog zag ze het bestaan als zinloos en absurd. Alleen door het schrijven van gedichten kon ze ontsnappen aan de bizarre werkelijkheid. Haar debuutalbum Proeftuin (1953) opent met het gedicht ‘Excuus’: ‘Om het inoperabel tekort / van gebaren die onvoltooid / en gedachten die verzwegen / blijven om alles wat nooit / kan worden prijsgegeven / beroep ik me op het gedicht / als machteloos tegenwicht.’

    Na Proeftuin verschenen er nog twintig poëziebundels en drie verhalenbundels van haar hand. In 1999 verscheen Kaalslag, haar laatste bundel. Van Wijk laat zien hoe de gedichten en de verhalen samenhangen met de gebeurtenissen en ervaringen in Ellens eigen leven. Ellen Warmonds poëzie stemt op het eerste gezicht niet bepaald vrolijk. In haar werk is de invloed van het existentialisme merkbaar. Ze kleedde de wereld en zichzelf uit tot op het bot. Ze voelde zich een vreemdeling op aarde. Ellen had geen hoge pet op van de mens, die ze een ‘dom dier’ en een ‘bedroefde blinde’ noemde. Ook van God verwachtte ze niets. De goden zijn volgens haar even machteloos als de mensen. Ook de oosterse goden brengen geen verlichting, want ‘een boeddha bijvoorbeeld in/ dit typisch hollandsch landschap/zou blaffen van hooikoorts.’ Carrière maken heeft geen zin, want ‘het onvermoeibaar draven op de plaats’ is het hoogst haalbare. Zelfs liefde ontmaskerde ze: ‘we houden niet elkaar/maar onze verloren jeugd in de armen.’

    Een van onze grote dichters

    Warmond is een van onze grote dichters, die als geen ander het naoorlogs levensgevoel onder woorden heeft gebracht. Ze wilde niet als specifiek vrouwelijk dichter onderscheiden worden, zo bleek onder meer bij de uitreiking van de Ann Bijns Prijs aan haar in 1987. Die prijs werd uitgereikt aan een ‘specifiek vrouwelijk geluid’. Zij zag hierin een vorm van discriminatie, alsof er een specifiek mannelijk of vrouwelijk geluid bestond. Ze wilde niet in een hokje worden geplaatst. ‘Ze schreef geen doelgroepenpoëzie,’ schrijft Van Wijk. 

    De laatste levensjaren van Warmond waren ontluisterend. Na de scheiding van Eveline Witjas leefde ze als kluizenaar. Ze zag vrijwel niemand meer, zat vol zelfverwijt en dronk veel. Mede doordat zij al meer dan tien jaar geen nieuw werk had gepubliceerd, bracht haar overlijden in 2011 maar weinig journalisten ertoe een necrologie te schrijven. Helaas komen we in de biografie niet te weten of Warmond na 1999 nog gedichten heeft geschreven. Ze hield wel een dagboek bij, maar gaf opdracht dat te verbranden.

    Het leven had voor Ellen Warmond geen van bovenaf gegeven zin. Maar het bood wel een ‘kristal van kansen’, van mogelijkheden om er zin aan te geven. Warmond probeerde – hoe onsamenhangend ook – een eigen wereldbeeld te ontwikkelen. Dichten is voor haar een antidotum tegen het zinloze, toevallige en absurde bestaan. Maar het was niet alleen een persoonlijke behoefte: haar gedichten hadden ook een functie. Ze zag ze als lampen waardoor niet alleen zij, maar ook lezers ‘uitzicht op inzicht’ kunnen verkrijgen. 

    Hoop en verlangen naar betere tijden

    Het laatste wat een mens volgens Warmond moet doen is zich neerleggen bij de gang van zaken. Ze geeft niet mee, verzet zich tegen hokjesgeest, berusting en luiheid. Ze noemt dat ‘het gooien van stenen door de ruit van verstarring’. In de jaren zestig en zeventig keerde ze zich in haar poëzie ook tegen de onderdrukking van mensen en volkeren en tegen oorlog. Haar latere werk werd steeds somberder en kaler. Ondanks de lichamelijke aftakeling bleef ze moedig in haar poging ‘het eigen ik net zo lang /recht in de ogen zien/ tot het een weerwoord weet.’ 

    Van Wijk bekritiseert de feministische literatuurwetenschapper Maaike Meijer die volgens haar een te somber beeld van het werk van Warmond schetst. Meijer plaatst Warmonds werk onder de noemer ‘De Grote Melancholie’, dat als volgt wordt omschreven: ‘een sterk gevoel van onheil en depressie. Het leven wordt als dood, nutteloos en waardeloos afgeschilderd.’ Warmond is voor Trudy van Wijk een dichter die door alle ellende heen verlangde naar lichtheid, overgave en zorgeloosheid. Ze bleef hopen op, en verlangen naar beter. Een van haar mooiste gedichten die dit illustreert is ‘Kleine akte van geloof’:

    ‘Hopende op meer dan dit
     Hopende op geluk
     de lachwekkend ontroerende bloesem
     die geen vrucht draagt

     iedere ochtend een kans
     iedere avond een aanloop
     naar later misschien
     misschien?

     en elke dag opnieuw
     verwachten wat niet bestaat

     dit weten tot in de polsslag
     dit weten met elke vezel
     en toch?

     en toch.’

    De biografie van Trudy van Wijk biedt geen nieuwe kijk op Warmonds gedichten, wel plaatst het haar gedichten in een context. Ook schuwt ze de donkere zijden van Warmonds bestaan niet, waarmee ze recht doet aan een dichter die zichzelf genadeloos durfde te analyseren. Warmond bleef ‘met open ogen/in de leegte zien.’ 



     

  • Oogst week 45 – 2024

    Geef niet mee! Een biografie van Ellen Warmond

    De gedichten van Ellen Warmond (pseudoniem van Pietronella Cornelia van Yperen, 1930-2011) waren voor vele lezers de eerste kennismaking met moderne poëzie. Vooral in de jaren zestig en zeventig werden verschillende van haar bundels opnieuw gedrukt in verband met het zich manifesterende feminisme in die jaren en haar ‘vrouwelijke stem’ waarvoor ze in 1987 de Anna Bijnsprijs kreeg voor haar gehele oeuvre. Maar Warmond wilde liever als individu beschouwd worden en niet beoordeeld worden op haar vrouwzijn. Haar existentialistische gedichten zijn getekend door melancholie en het verlangen naar onafhankelijkheid, haar taalgebruik is licht en relativerend. In haar debuut Proeftuin uit 1953 is al de overwegend sombere teneur van haar latere werk te herkennen, haar afstandelijkheid en haar ironie, maar ook haar angst die ontstond nadat zij als kind het bombardement op Rotterdam meemaakte. Ze danste in het Rotterdams Ballet Ensemble en was secretaresse op een handelskantoor, een baan die het noodzakelijk maakte dat zij een pseudoniem koos voor haar bundels. Haar gedichten hebben weliswaar verwantschap met die van de Vijftigers, maar staan toch op zichzelf. 

    Trudy van Wijk schreef eerder een biografie over de poëzie van Ida Gerhardt, Wat zingt het popelend refrein. Na haar dood in 2020 werd de biografie over Ellen Warmond voltooid door Bertram Mourits.

     



    Geef niet mee! Een biografie van Ellen Warmond
    Auteur: Trudy van Wijk
    Uitgeverij: Walburgpers

    We moeten 'misschien' blijven denken

    Esther Jansma debuteerde in 1988 met de bundel Stem onder mijn bed. Sindsdien heeft ze meerdere dichtbundels geschreven, waarvoor ze diverse literaire prijzen ontving, waaronder in 2006 de A. Roland Holstpenning voor haar gehele werk.

    Het verstrijken van de tijd is een thema dat in de poëzie van Esther Jansma regelmatig terugkeert. Ze vraagt zich af waarom de dingen niet kunnen blijven blijven zoals ze zijn. In haar elfde bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken, trekt ze dit thema door tot aan de uiterste consequentie van de eindigheid van tijd, het afscheid nemen van het leven. De drie spreekstemmen die ze al eerder liet horen in haar met de Halewijnprijs bekroonde bundel Picknick op de wenteltrap (1997) leveren door de hele bundel heen in korte, tragikomische dialogen commentaar op wat er gaande is. 

    Als archeoloog en speciaal dendrochronoloog ontwikkelde Jansma een methode om de ouderdom van houten voorwerpen vast te stellen, zoals je bij een boom de jaarringen telt. Ook in haar gedichten graaft ze diep om de herkomst van gebeurtenissen en emoties te herkennen. ‘Het hoefde alleen maar gevonden te worden’, schreef ze in haar gedicht ‘Alles is nieuw’. 

    Haar poëzie is beïnvloed door een moeilijke jeugd, zoals ze zelf aangeeft. Haar vader stierf toen ze zes was en met haar moeder was er geen sprake van een liefderijke band. Ook de dood van haar ongeboren dochter en pasgeboren zoon hebben groeven gekrast in haar werk. Woede en beheersing wisselen elkaar af in een beeldende en sterke taal.

     

    We moeten 'misschien' blijven denken
    Auteur: Esther Jansma
    Uitgeverij: Prometheus

    Verzamelde gedichten

    Jean Pierre Rawie is een van de weinig dichters in Nederland die nog traditionele gedichten schrijft, vormvaste sonnetten met eindrijm. In 1979 debuteerde hij met Het meisje en de dood. Hij is met Annie M.G. Schmidt, Nel Benschop en Toon Hermans een van de meest geliefde dichters, die vaak geciteerd wordt in rouwadvertenties. Daardoor duurde het tot 1989 voordat Rawie met zijn bundel Woelig stof ook erkenning kreeg van de literaire kritiek. Uiteindelijk ontving Rawie in 2008 de Charlotte Köhler Prijs voor zijn gehele oeuvre

    Dat het zo lang geduurd heeft eer men het werk van Rawie op waarde schatte is nu nauwelijks meer voor te stellen. Zijn thema’s zijn al even klassiek: verval, dood, melancholie en verloren liefde. Zijn grote eruditie blijkt uit zijn vertalingen uit negen verschillende talen van poëzie vanaf de dertiende eeuw tot aan het midden van de vorige eeuw. Deze vertalingen werden opgenomen in afdelingen in zijn bundels. Ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Rawie werden een groot aantal van zijn vertalingen opgenomen in Een luchtbel in een vluchtige rivier, voorzien van zijn eigen commentaar. Ook werd er in 2006 Verzamelde verzen uitgebracht.

    Nu is er een uitgave verschenen waarin alle gedichten van Rawie zijn verzameld vanaf het begin van zijn dichtersloopbaan tot en met de bundel met vertalingen. Een absolute must have  voor de talloze bewonderaars.



    Verzamelde gedichten
    Auteur: Jean Pierre Rawie
    Uitgeverij: Prometheus
  • Geweldig boek, dat geef ik je op een briefje!

    Geweldig boek, dat geef ik je op een briefje!

    Goede columnisten en dichters hebben met name één talent gemeen: bondigheid. Waar de columnist met een handvol rake zinnen de maatschappij in haar hemd zet, roept de poëet met een enkel woord een nieuwe wereld op. Als deze twee schrijverstypen een intensieve briefwisseling onderhouden, mag het een doodzonde heten die brieven te laten vergelen in archiefkasten. Bertram Mourits, werkzaam in het Haagse Literatuurmuseum, en Trudy van Wijk, gepromoveerd op het werk van Ellen Warmond (1930-2011), brengen Lief Museum uit: een prikkelende correspondentie tussen Simon Carmiggelt (1913-1987) en Ellen Warmond, (pseudoniem van Pietronella Cornelia van Yperen). De briefwisseling omvat grofweg vijftien jaar.

    In de inleiding vermelden Mourits en Van Wijk dat Carmiggelt als eerste columnist van Nederland de P.C. Hooftprijs won, maar ook Warmond werd gelauwerd: voor haar gehele oeuvre ontving ze de Anna Bijns Prijs. Niettemin is deze compilatie gespeend van alle gewichtigheid. Lief Museum is lichtvoetig, parlando en cynisch als het werk van de Vijftigers uit de naoorlogse literatuur, ongegeneerd twistziek over het literaire circuit – wie houdt niet van roddelen? – en de brieven bevatten een hoge mate van zelfkritiek, wat stijl aangaat. Dit is echter een karige greep uit al het moois dat dit boek te bieden heeft.

    Verrukkelijke schrijfsels

    Wie inspiratie wil opdoen, hoeft slechts ergens te gaan zitten, luisteren en observeren. Voor zijn Kronkels en kroeganekdotes doet Carmiggelt niet anders: het absurde van alledag komt dan vanzelf zijn pen uitgevloeid. Soms achterhalen zelfbenoemde literaire talenten zijn adres en overstelpen zij hem met hun penoefeningen. Hierover uit Carmiggelt zijn ergernis bij Warmond, zij het met een lichte toets: ‘De naam van het werkje was Hoeperdepoep – geen titel om watertandend op af te vliegen dus. Na het lezen van tien bladzijden bleek de inhoud aan de gewettigde vrees te beantwoorden.’ Als dit flutstuk een jeugdzonde van Warmond zou zijn, zo vervolgt Carmiggelt, ‘(…) dan spring ik in de Stadhouderskade die ’s avonds vlak voor mijn deur ligt te flonkeren als een Gardameer van minvermogenden.’

    Zelfs in zijn teksten die geen literair doel dienen, schrijft Carmiggelt verrukkelijk. Steeds bewaart hij de balans tussen zwarte humor, zelfspot en frivoliteit. Wanneer Warmond hem namens het Museum uitnodigt de Heijermans-tentoonstelling met een praatje te openen, weigert Carmiggelt: ‘Los van het feit dat ik dan in Parijs hoop te zijn, hou ik in mijn leven nog maar één redevoering, namelijk mijn dankwoord voor de Nobelprijs. Ik zie er nu al tegenop, omdat het in het Scandinavisch zal moeten.’ Mulisch doet het hem niet na… Bij wijze van revanche geeft Warmond hem twee ‘sick jokes’ om te verwerken in zijn column voor het Parool, en zo stapelen de brieven zich in rap tempo op.

    Gekronkel wordt gekonkel

    Van oudsher worden pseudoniemen gekozen om de eigen naam te behoeden voor schande. Dat werkt uiteraard averechts, als de schuilnaam je duistere kant eerder typeert dan verdoezelt. Ellen ontpopt zich binnen de schrijverswereld tot gevreesde spraakwaterval: Warmond, met de warrige mond, hoeft maar een slokje wijn te slurpen of ze schoffeert het zoveelste groepje omhooggevallen schrijvers op het Boekenbal. Carmiggelt verkneukelt zich om haar onhandigheid en noemt de uitglijders ‘een punaise venijn.’ Warmond ziet dit heel anders, maar weigert in te binden, ook in haar columnreeks die ze afwisselt met Carmiggelt: ‘Als ik mag schrijven op dezelfde egocentrische restrictieloze geen-teen-ontziende manier waarop ik brieven schrijf, dan dolgraag.’ En er zijn nogal wat tenen die ze tot moes trapt.

    Bij een bedrijfsborrel van uitgeverij Querido botst Warmond op tegen Hendrik Marsmans voorganger, Herman van den Bergh. Hij vindt dat zij te weinig publiceert, waarna Warmond opmerkt hem voor het laatst bij een Maatstaf-avond ontmoet te hebben: ‘aangezien de goede man in dat tijdschrift de laatste maanden steeds wegens plagiaat aan de kaak gesteld wordt, ging hij wat stijfjes doen.’ De kruiperige recensent Willem Brandt moet het eveneens ontgelden: ‘een uit Gods moede hand gegleden blindganger.’ Bevuilen de penvrienden niet een beetje het eigen nest? Nee. Vooral schrijvers die niet twijfelen over eigen kunnen, bekritiseren zij. Wie zichzelf afbrandt, blijft buiten schot. Warmond is toch al uit de gratie geraakt, zo blijkt uit een slotgroet aan Carmiggelt: ‘Na al deze oeverloze roddel en prietpraat de geruststellende mededeling dat ik geen griep heb. Het is lepra.’

    Ken uzelve

    Warmond en Carmiggelt leren ons het volgende: wie expliciet zegt over zelfspot te beschikken, oogst argwaan. Een zelfkritische natuur blijkt namelijk uit terloopse, spontaan uitgebrachte terzijdes. Ellen Warmond leest met de precisie van een ‘sniper’ haar schrijfsels aan Carmiggelt na en komt tot de gruwelijke ontdekking dat ze haar penvriend met eindeloze bijzinnen en komma’s ademnood verschaft: ‘(komma, ik schrijf met een snorkel blijkbaar)’. Als ze in haar rol van medewerker voor het Letterkundig Museum Carmiggelt om een gunst moet vragen, ridiculiseert én continueert ze haar eigen opdringerigheid: ‘Horen we eens wat? Heeft geen haast. (Tenminste: …een klein beetje haast maar) (Ruimte voor het doen van verwensingen)’. Al lonkt natuurlijk altijd een effectief middel om de eigen scrupules te overwinnen.

    De drankconsumptie van enerzijds de dichteres en anderzijds de columnist ontwikkelt zich omgekeerd evenredig. Zelfbenoemd papierfetisjist Carmiggelt was vast verbaasd over de rode verkleuringen op Warmonds brieven: ‘Al die vlekken zijn niet van tranen, maar van sherry.’ Waar Warmond beter schrijft naarmate ze meer drinkt, remt Carmiggelts onthouding zijn spontaniteit – funest voor de Vijftiger, die gedijt bij kinderlijke invallen. In een poging zijn gedachten te verwoorden, wanneer hij wederom de verleiding van alcohol weerstaat, walgt hij van zijn wijdlopigheid: ‘Verkeerd. Zulke lange zinnen denk je niet.’ Zoals het auteurs met writer’s block betaamt, toont de Vijftiger zich andermaal zijn eigen strengste recensent: ‘Die geheelonthouders zitten toch ook maar lelijk uit hun nek te zwetsen.’ Wie blijk geeft van zo veel zelfkennis, heeft geen critici nodig.

    ‘Platoniese’ P.S.

    Hoe langer de correspondentie aanhoudt, hoe vertrouwelijker ze elkaar groeten. Waar eerst ‘hart. gr.’ volstaat, wordt het algauw ‘liefs’. In de aanhef maakt ‘Beste’ plaats voor ‘Lieve’ en Warmond beëindigt haar brieven zowaar met ‘je Ellen’. Toch is de onderlinge band te speels, te luchtig voor een daadwerkelijke liefdesgeschiedenis. Verder dan de humoristische oneliner over een echtpaar in de trein komt het niet: ‘Ze hield van haar man, dat kon je zien aan de pull-over die ze voor hem gebreid had. En hij hield van haar, dat kon je zien aan het feit dat hij hem droeg.’ 

    Zoveel zoetheid vraagt om een grove tegenhanger. Carmiggelt roemt het op-en-top Britse informatiebordje in Madame Tussauds over de vrouwenmoordenaar Dr. Crippen en schrijft Ellen: ‘‘‘Dr. Crippen. Hij vermoordde zijn vrouw. Zij dacht dat zij zingen kon.’’ Dat niveau bereiken wij nooit – geloof me.’ Dat is waar. Lief Museum overtreft het niveau.

     

  • Bewaarde klanken

    Bewaarde klanken

    Om het inoperabel tekort
    van gebaren die onvoltooid
    en gedachten die verzwegen
    blijven om alles wat nooit
    kan worden prijsgegeven
    beroep ik me op het gedicht
    als machteloos tegengewicht.

    Dit zijn regels van Ellen Warmond (uit: ‘Excuus’, Proeftuin, 1953) die soms worden gestuurd als troost na het overlijden van een naaste. Ze werden ook getwitterd in dezelfde week dat ik in het Amsterdamse Concertgebouw dirigent Michael Tilson Thomas van het London Symphony Orchestra enkele, soms terugkerende en veelzeggende gebaren zag maken tijdens de uitvoering van de zesde en zevende symfonie van Jean Sibelius. Hij hief zijn linkerhand in de lucht, als pakte hij de klank van het orkest af, en bracht zijn gebalde vuist tot achter zijn rug. Hiermee leek hij te willen zeggen, en nu op naar een volgend, mooi klankmoment, dat ik weer in mijn vuist zal vangen en zo, als in een doosje, bewaren zal.
    Raadselachtiger, haast ritueel was het wat er tussen de twee symfonieën in gebeurde. Hij legde het dirigeerstokje waarmee hij de zesde symfonie had gedirigeerd neer en pakte, voor hij de eerste inzet van de zevende aangaf, een ander stokje. Met één vinger leek hij de weerstand van het stokje aan de bovenkant te testen. Waarop leden uit het orkest hard begonnen te lachen. Tilson Thomas haalde zijn schouders op als wilde hij zeggen: ‘Laat me nu maar. Het hoort erbij’.

    Gebaren – ze kunnen soms juist zovéél zeggen. Bij het lezen van Warmond moest ik ook denken aan dat herhaalde gebaar van Dame Judy Dench tijdens de monoloog van Lady Macbeth van Shakespeares (op dvd van de Royal Shakespeare Company, 2004). Een vriend had me erop gewezen. En, ja – daar was het moment: met één hand veegde ze meerdere keren laag, als het ware over de grond – gelijk een van de heksen aan het begin van het stuk – op de volgende woorden, kort na de briefscène:

    …. Kom, gij geestenschaar
    Die moordgedachten zaait, ontvouw mij thans,
    En giet mij boordevol, van kruin tot tenen,
    Met ijselijke wreedheid. [Ze heft haar handen ten hemel en gaat daarna weer vegend verder]
    Stol mijn bloed,
    Sper elke weg en toegang voor erbarmen.

    (vertaling Willy Courteaux):

    Twee dichterlijke frases, van Warmond en Shakespeare en gebaren van Tilson Thomas en Dench. Gedicht als these – toneel als antithese. De synthese vind ik in mijn hart, waar ik het bewaar.

     


    Els van Swol leest alles wat los en vast zit en slaat als het even kan geen toneelvoorstelling van Shakespeare over. Zij bezoekt regelmatig het concertgebouw waar ze dan weer over schrijft in haar columns.