• Vreugde is niet gemaakt om een kruimel te zijn

    Vreugde is niet gemaakt om een kruimel te zijn

    Geluk. Een woord, of misschien beter gezegd een idee of concept waarbij iedereen direct een beeld zal hebben. Ga je echter kijken hoe dat concreet moet worden ingevuld, dan zullen velen het antwoord schuldig blijven. De ware betekenis van ‘geluk’ is voor de meesten even duidelijk als vluchtig en ongrijpbaar. Het is daarom een uitdagende taak een verzamelbundel poëzie samen te stellen met geluk als leidraad. In Het komt goed; de mooiste gedichten over geluk heeft Elisabeth Lockhorn zich over deze taak gebogen, met zeer bevredigend resultaat. Hier is duidelijk veel zoekwerk aan voorafgegaan: veel lezen, veel afwegen.

    Een van de belangrijkste functies van poëzie is dat het je leert opnieuw, en vooral met een andere blik, naar vaak alledaagse dingen te kijken. Met die notie in gedachte is ‘Grassen van H.H. ter Balkt een treffende keuze. ‘De grassen in boomgaarden onder groen hout, / de grassen op boerenerven, door honden bewaakt’. En welk een geluk er uitgaat van de rust van een stapel hout toont Rolf Jacobsen: ‘Het is goed, dat er in de wereld nog hout is / En dat er nog / Stapelplaatsen genoeg zijn. / Want in hout is een grote rust / En een sterk licht, / Dat ’s zomers ver  /De avond in schijnt.’

    Er is het geluk dat kinderen geven, het geluk van mooie woorden, het geluk van een schilderij, het geluk je in je auto af te sluiten met Mozart. Anderen vinden het geluk in God en via hem in de natuur (Gerald Manley Hopinks). J.C. van Schagen laat zien dat ook in regen geluk kan schuilen: ‘en over de huiverende slootjes danst de regen / hij ritselt stilletjes tussen het helm in het duin’.

    Sta er voor open

    Maar je moet geluk wel durven ervaren, zoals het motto van Anna Kamieńska zo treffend zegt: ‘Joy – it’s not just a gift. / In a sense it is also a duty, / a task to fulfil. Courage.’ En dat is het precies. Het is onze plicht open te staan voor geluk. ‘Aarzel niet, zo zegt Mary Oliver in het gelijknamige gedicht. ‘Hoe dan ook, wat het ook is, wees niet bang voor / de overvloedigheid ervan. Vreugde is niet gemaakt / om een kruimel te zijn.’ Dit gedicht is vertaald door Marjoleine de Vos, die zelf ook met enkele gedichten is vertegenwoordigd, waaronder het erg mooie, Het leven in juni’, met de slotstrofe ‘Dus ben ik alleen in de tuin in de wereld / en om mij heen ademt alles en in huis / zit een man. Dit is het leven, schrijft hij, / deze ochtend in juni, de zwartkop zingt / en in de tuin zit zij.’ Niet geheel toevallig staat naast haar het al even fraaie Dit moment’ van haar ex-man Tom van Deel (1945-2019), met als eerst vijf regels, ‘Er is niets voor te stellen mooier dan / een vrouw die in het strijkend avondlicht / een tuin inloopt, het waait, het blad van / de kastanje gaat tekeer, ze zoekt naar / bloemen, snoeiend, alles als weleer’.

    ‘Om / Onrechtvaardigheid als enige / in het centrum van onze aandacht te zetten is het prijzen / van de Duivel’, aldus Jack Gilbert (wat een ontdekking!) in ‘Een instructie van de pleiter’. Van Jack Gilbert kan een directe lijn getrokken worden naar de Poolse Zbigniew Herbert ‘- vergeef me dat ik alleen aan mezelf dacht terwijl het / leven van anderen wreed onherroepelijk om me draaide / als de grote sterrenklok van Sint-Pieter in Beauvais.’ Misschien moeten we ook de natuur hier als voorbeeld nemen: ‘Dan komt de rust over me van wezens in het wild / die niet hun leven lastig maken met piekeren / over verlies.’, (Wendell Berry).

    Pure kwaliteit

    We komen veel grote nationale en internationale namen tegen zoals de Zweedse Nobelprijswinnaar Tomas Transtrőmer, uiteraard in vertaling van Bernlef. De voor Transtrőmer zo veelzeggende titel De halfklare hemelis misschien wel de perfecte geluksstaat, op weg naar het ultieme, met nog veel moois op komst. ‘Alles begint om zich heen te kijken / Met honderden tegelijk lopen wij de zon in. // Ieder mens een halfopen deur / Leidend naar een kamer voor allen.’

    Van Kavafis zijn vier gedichten opgenomen (vertaling door Blanken), waarvan ‘Ithaka’ en ‘Antonius door zijn god verlaten’ tot de absolute hoogtepunten van de moderne wereldliteratuur mogen worden gerekend. ‘Houd altijd Ithaka in gedachten. / Daar aan te komen is je bestemming. / Maar overhaast de reis volstrekt niet. / beter dat die vele jaren duren zal, / en dat je, oud al, landen zult op het eiland, / rijk met alles wat je onderweg hebt gewonnen, / niet verwachtend dat Ithaka je rijkdom geven zal. / Ithaka gaf je de mooie reis. / Zonder dat eiland was je niet op weg gegaan. / Verder heeft het je niets meer te geven.’ Het geluk zit in de reis, wat hier staat voor het leven zelf.

    Nog een Nobelprijswinnaar, de Pool Czesław Miłosz is vertegenwoordigd met vijf gedichten, evenals Zbigniew Herbert in de vertaling van Gerard Rasch, een van de grote namen op literair vertaalgebied. De bundel begint direct goed metMiłosz’ zeer fraaie ‘Een Geschenk’, waarvan de kernregels, ‘Er was geen ding op aarde dat ik zou willen hebben. / Ik kende niemand die het benijden waard was. / Wat aan kwaad was geschied, had ik vergeten.’  Ziedaar geluk in een notendop.
    Van Dylan Thomas is een van zijn mooiste gedichten gekozen, ‘Varenheuvel (‘Fern Hill’, vertaald door Bert Voeten). Met die bekende en prachtige openingsregels: ‘Toen ik nu jong en onbezwaard was in de appelgaard / Nabij het jubelend huis en blij om het groen van het gras’. Daar is het groene gras weer.

    ‘Een draagbaar paradijs’ van Roger Robinson is ook een van de parels uit deze bundel. Hier wordt poëzie bijna mindfulness. ‘En als het leven je onder druk zet, / moet je de richels ervan aftasten in je zak, / zijn dennenachtige geur opsnuiven / zijn hymne neuriën onder je adem.’ Verder vinden we onder andere Rutger Kopland, Philip Larkin, Ida Gerhardt, Vasalis en Fernando Pessoa, tussen de vele andere grote namen – en de vaak minder bekende verrassingen.

    Elisabeth Lockhorn ontwijkt vakkundig alle clichés die zo’n bekend referentiekader bieden bij het thema ‘geluk’. Juist door aan de ene kant dichtbij dit kader te blijven, maar het tevens door de kracht van de keuzes vakkundig te omzeilen en overstijgen krijgt deze bundel extra waarde en stijgt daarmee verre uit boven de gemiddelde thematische verzamelbundel. Een heerlijke bloemlezing voor alle poëzieliefhebbers, maar zeker ook voor iedereen die niet zoveel in aanraking is geweest met poëzie maar er wel benieuwd naar is.

     

     

  • Terechte herdruk boeiende biografie Andreas Burnier

    Terechte herdruk boeiende biografie Andreas Burnier

    De biografie over leven en werk van Andreas Burnier Andreas Burnier Metselaar van de wereld geschreven door Elisabeth Lockhorn kwam in oktober 2015 voor het eerst uit. Na diverse herdrukken in datzelfde jaar en in 2016 is er in september 2022 weer een herdruk verschenen, gelijktijdig met Elk boek is een gevaar, een bloemlezing in de privédomeinreeks van niet eerder gepubliceerde teksten van Burnier, samengesteld door Ronith Palache. De biografie van Lockhorn is bij de eerste verschijning in 2015 enthousiast ontvangen en overwegend positief gerecenseerd. Ze is veelomvattend, goed geschreven en nog altijd actueel en boeiend. Burniers turbulente leven en haar literaire en wetenschappelijke werk worden uitgebreid en onderbouwd beschreven. Alleen in haar beschrijving van Burniers ‘gender’ valt op Lockhorns interpretatie iets aan te merken.

    Velen zullen Andreas Burnier, pseudoniem van Catharina Irma Dessaur, ze gebruikt haar hele leven haar onderduikvoornaam ‘Ronnie’, kennen als de schrijfster die vanaf de jaren zestig van de 20e eeuw diverse romans schreef. Een tevreden lach was haar debuut, Het jongensuur uit 1969 is misschien haar bekendste werk, want heel toegankelijk, dun en onder andere over de Tweede Wereldoorlog. Burniers werk is authentiek en eigenzinnig. Ze schrijft openlijk over homoseksualiteit en is heel uitgesproken over ‘seksefascisme’. Lockhorn laat in de bespreking van de romans overtuigend zien dat ze allemaal wortelen in de realiteit van Dessaurs leven. In Het jongensuur is dat onmiskenbaar haar onderduikverleden en haar besef, al van jongs af aan, dat een mens maar beter een jongetje of man kan zijn om vrijheden te hebben, kansen te maken, serieus te worden genomen in het leven. Er is in de biografie ook veel aandacht voor de ontvangst van het literaire werk en recensies van meerdere toentertijd gevestigde recensenten.

    Tijd vooruit

    Burnier/Dessaur blijkt een vrouw die haar tijd ver vooruit was. Ook als intellectueel en wetenschapper, filosofe en criminologe, is ze van hoog niveau, origineel, doordacht en spraakmakend. Ze wordt hoogleraar criminologie in Nijmegen waar ze regelmatig weerstand oproept door afwijkende standpunten. Ze jaagt feministen tegen zich in het harnas door kritisch te zijn over abortus, toont zich een fel tegenstander van euthanasie in de tijd waarin Nederland rijp lijkt voor legalisatie en vergelijkt deze ontwikkelingen met nazi-praktijken. Lockhorn beschrijft deze gebeurtenissen inzichtelijk, duidt de tijdgeest en laat de nuances zien die tegenstanders toen niet altijd zagen.

    Kinderen of kennis

    Nuances zijn er natuurlijk door Burniers levensgeschiedenis. Ze is Joodse, geboren in 1931 en dus negen jaar jong als de oorlog begint. Van 1942 tot aan het eind van de oorlog brengt ze door op zestien verschillende onderduikadressen. Ze is voor de onderduik gescheiden van haar ouders. Volgens haar ouders ‘begreep [ze] dat heel goed’, Lockhorn laat een andere kant zien. Ze haalt een personage uit een toneelstuk van Herzberg aan dat zegt ‘Jullie hadden me mee moeten nemen. Doodgaan is niet erg – losgelaten worden, dat is erg’. Dit ‘loslaten’ blijkt structureel in de familie en werkt intergenerationeel door. Burnier en haar man krijgen twee kinderen. Zij scheiden kort na de geboorte van dochter Ingeborg en als vader Emanuel kort daarna naar Duitsland vertrekt, brengt moeder Burnier de kinderen onder in een pleeggezin. Lockhorn gaat niet uitgebreid in op de relatie tussen moeder en kinderen, omdat de laatsten niet mee wilden werken en zij hun afstand wil respecteren, zoals ze in een vraaggesprek heeft aangegeven. Ze beschrijft wel hoe Burnier opleeft door de scheiding en doordat ze weer gaat studeren en werken. In de eerdergenoemde bundel van Palache, Elk boek is een gevaar, zegt Burnier in 1997, reflecterend op die periode: ‘Mijn hele leven heb ik alleen maar gezocht naar kennis, kennis die mij zou bevrijden. […] Alleen kennis zou mij kunnen verlossen uit de koker van de wereld waarin wij moeten leven.’

    Metselaar

    In haar zoektocht in het leven heeft de mens en professional Dessaur en de schrijfster Burnier vele wegen bewandeld. Lockhorn beschrijft uitgebreid Burniers korte christelijke toewijding, haar heilig geloof in de antroposofie en later haar weg naar belijdend Jodendom. Op wetenschappelijk gebied gaat zij eerst en vooral van puur rationeel positivistische wetenschapstheorieën uit en evolueert ze later naar bredere ethische uitgangspunten. Burnier was een rebel en een ‘lone wolf’. Ze zocht en vond zielsverwanten in ‘herenclubjes’ zoals Castrum Peregrini waarin filosofische en literaire onderwerpen besproken werden in een sfeer van kunst, vrijheid en vriendschap en later in de door haar zelf geïnitieerde cultureel-spirituele Platoclub. Lockhorn geeft veel aandacht aan de duiding, inhoud en impact van deze clubjes, al was het alleen al omdat ze Burniers idiosyncrasie illustreren: als een metselaar onophoudelijk bouwend aan een nieuw wereldbeeld voor zichzelf.

    In november 2015 schreef hoogleraar Marc van Oostendorp op de site van het online tijdschrift Neerlandistiek dat de biografie ‘teleurstellend’ is, omdat de lezer geen grip krijgt op loopbaan, literaire werk en leven van Burnier. Hij meent dat er ‘geen poging wordt gedaan een echte ontwikkeling in het oeuvre te schetsen, of een karakterisering te geven van haar schrijverschap [of] zelfs haar stijl’. Hiermee wordt de biografie echt tekortgedaan. Lockhorn gebruikt regelmatig citaten uit Burniers werk waarmee ze haar vaak ironische, hyperbolische, soms provocatieve stijl illustreert. Ze stipt meerdere keren overeenkomsten met Reves stijl aan en ook een overeenkomstig belang voor de ‘homosuele’ lezer. In de reacties op Burniers werk kiest Lockhorn voor uitgesproken recensenten, zoals de lucide beoordelingen van Hans Warren en doorwrochte en scherpe analyses van Maarten ’t Hart. ‘Dit boek is inderdaad anders dan alle andere boeken van Burnier’, zegt Lockhorn over De trein naar Tarascon, waarna ze aangeeft wat er anders is en hoe dit te duiden. De stenen voor het metselwerk van de biografielezer zijn overvloedig aangedragen en zelfs hier en daar wat cement.

    Mensgender

    Op een ander vlak moet er wel een kritische noot gekraakt worden. Lockhorn diagnosticeert Burnier bij herhaling en nadrukkelijk als een ‘transgender avant la lettre’. Ze maakt hier een denkfout. Er zijn veel vrouwen die niet in de vrouwenmal passen en er niet in wíllen. Die zich prettiger voelen als ‘one of the guys’ dan met de meisjes bij het nagellakschap van de Hema, prettiger als hockeyster in korte broek dan met een rokje, die ongelukkig worden in damesgezelschap. Zij bevinden zich niet in een verkeerd lichaam, maar in een beperkte wereld. De prachtige biografie van Jeanne Bieruma Oosting beschrijft nog zo’n vrouw die zich niet wenst te conformeren, Mariken Heitman legt het in haar roman Wormmaan ‘nog één keer’ uit, Anjet Daanje lijkt ook een lichtend voorbeeld: dergelijke vrouwen als transgender neerzetten is niet juist.

    Veelzeggend is in dit verband Maarten ’t Harts reactie op Burniers essay De zwembadmentaliteit waarin hij aangeeft dat er andersom ook jongens zijn die niet in de jongensmal passen en ‘dat hij er zelf vanaf zijn vierde jaar naar verlangd heeft een meisje te zijn’. Lockhorn merkt op dat het bijna lijkt alsof hij ‘een wedstrijd aangaat met Andreas Burnier wie het meest heeft ‘geleden’. Je zou ook kunnen zien dat hij Burniers betoog weliswaar eenzijdig vindt, maar wel ondersteunt en dat zijn invalshoek een breder inzicht biedt. Het valt Lockhorn niet euvel te duiden. De wokebeweging sliep nog toen zij met haar biografie bezig was en zelfs de dames van Fixdit, het schrijverscollectief dat het seksisme in de literatuur wil ‘fiksen’, die Burniers werk enthousiast aandacht geven en Lockhorn geïnterviewd hebben, stellen hierover geen enkele kritische vraag.

    Burnier was in denken, gedrag en durf haar tijd vooruit, dat heeft de biografie overtuigend laten zien. Ze heeft met haar werk en leven velen geïnspireerd en gesteund door te zijn wie ze was: een mensgender.

     

    Lees hier ook de recensie uit april 2016 door Evert Woutersen over dit boek. 

     

     

  • Indrukwekkend levensverhaal van een intellectuele buitenstaander

    Indrukwekkend levensverhaal van een intellectuele buitenstaander

    Andreas Burnier, pseudoniem van Catharina Irma Dessaur (1931-2002), is vooral bekend geworden als schrijfster van Het jongensuur (1969). Elisabeth Lockhorn schreef een knappe biografie met als titel Andreas Burnier, metselaar van de wereld. Het is een nadere kennismaking met de schrijfster en met haar minder bekende werk.

    In de verantwoording bij de biografie legt Lockhorn uit hoe ze te werk is gegaan bij het beschrijven van het levensverhaal van Andreas Burnier. Naast schriftelijke bronnen heeft ze zich gebaseerd op gesprekken met tijdgenoten uit diverse perioden uit het leven van de schrijfster. Lockhorn: ‘Het zwaartepunt van deze biografie ligt in de reconstructie van de interactie tussen leven en literair werk […]’.

    Het levensverhaal van Catharina Irma Dessaur begint op 3 juli 1931. Scheveningen, in de jaren dertig een dorp met ‘bakkers en melkboeren met handkarren’, vormt het decor van de eerste tien jaar van haar leven. Voor Irma is het een onbezorgde kindertijd, een tijd waarin ze veel leest. Een tijd waarin, erop terugkijkend, de zon altijd schijnt.

    Onderduikperiode
    Kort na het begin van de oorlog wil de Joodse familie Dessaur per boot vluchten naar Engeland. De koffers staan klaar, maar, ‘op de avond voor het vertrek kwam de Scheveningse visser vertellen dat zijn vrouw de zaak toch te gevaarlijk vond en werd de tocht afgeblazen.’ Op 3 mei 1942 wordt het voor Joden verplicht de Jodenster te dragen. In juli van dat jaar duikt de familie onder in Eindhoven waar Irma en haar ouders op verschillende adressen verblijven. Irma herinnert zich later: “Als ik ergens op straat zou komen en iemand van de politie of een Duitser zou naar mijn naam en adres vragen, dan moest ik voortaan zeggen dat ik ‘Ronnie van Dijk’ heette en dat ik woonde in de Stationsstraat, want iedere plaats van enige omvang heeft wel een Stationsstraat.”

    Irma is elf jaar oud als ze voor het eerst moet onderduiken. In totaal zal ze op zestien adressen verblijven. Op sommige plekken is ze maar enkele dagen of weken. ‘Het overgrote deel van de oorlog zal ze alleen doorbrengen, op allerlei plekken, zonder te weten waar haar ouders verblijven en of ze nog in leven zijn.’

    In 1969 verschijnt onder het pseudoniem Andreas Burnier Het Jongensuur, de roman over haar onderduikervaringen. Het romanpersonage Simone, alter ego van Ronnie van Dijk, heeft het gevoel in het verkeerde lichaam te zijn geboren. Ze vraagt zich af waarom juist zij een meisje moet zijn: ‘Het was een kwestie van geluk. Je had bij je geboorte vijftig procent kans dat je een jongen werd. Waarom had ik pech?’ Vanuit meerdere bronnen wordt bevestigd dat het boek sterk autobiografisch is. Burnier vertelt later dat vrijwel alles in Het Jongensuur echt is gebeurd.

    Intellect
    Na de oorlog doet Irma afstand van haar Joodse naam. Ze kiest definitief voor Ronnie, de naam die zij als onderduikkind kreeg. Lockhorn schrijft dat Ronnie zowel een jongens- als een meisjesnaam is en dat dat wel eens een uitkomst zou kunnen zijn ‘voor een meisje dat zich dag en nacht vragen stelt over haar seksuele identiteit.’

    De oorlogservaringen en de opvang na de oorlog hebben grote invloed op het leven van Ronnie. Het gezin waarin ze terugkeert kent nauwelijks warmte en affectie. Een aangenomen weeskind en Ronnies jongere broertje Joost worden in kostgezinnen geplaatst als zij te ‘lastig’ worden gevonden. Lockhorn verwijst hierbij o.a. naar het werk van schrijver-psychiater Hans Keilson, Sequentielle Traumatisierung bei Kindern, waarin hij beargumenteert dat traumatische oorlogservaringen en de opvang daarna het leven van een kind ernstig beïnvloeden. Ronnie kopieert jaren later het gedrag van haar moeder Rosa. Als haar huwelijk uitloopt op een scheiding, brengt zij haar twee kinderen ook onder in een pleeggezin. Lockhorn citeert een nichtje van Ronnie: ‘Het afstand doen van kinderen loopt bijna als een rode draad door de familie Dessaur.’ Ronnie voelt zich ‘bevrijd na die zwarte koker van tien jaar huwelijk’ en richt zich volledig op haar studie. Ze studeert cum laude af in de filosofie in Leiden en werkt later als hoogleraar criminologie in Nijmegen. In de woorden van Keilson: ‘Haar intellect is haar huis geworden.’ In therapie is zij overigens nooit geweest. Burnier daarover: ‘Sommige slapende honden kun je beter laten liggen.’

    Broer Joost Dessaur citerend: “Haar wetenschappelijke loopbaan en haar schrijverscarrière heeft ze fanatiek opgepakt. Ronnie deed nooit iets ‘een beetje’. Het enige wat Ronnie ooit ‘een beetje”’heeft gedaan in haar leven, is haar moederschap.”

    Actueel
    Ronnie neemt in haar essays over homoseksualiteit, euthanasie en feminisme een eigen positie in. Ze durft af te wijken van gangbare opinies. Chris Rutenfrans met wie ze in 1986 het pamflet Mag de dokter doden? schreef, vertelt dat Burnier ‘package deals’ verafschuwde: “als je op grond van bepaalde standpunten ingedeeld kunt worden in een ‘kamp’, dan word je min of meer gedwongen ook alle andere standpunten van dat kamp te delen. Daar voelde zij niets voor.”

    Veel onderwerpen waarover Burnier schreef zijn nog steeds actueel. Ze waarschuwt in haar stuk ‘Euthanasie: De zelfmoord op zieken en bejaarden‘ voor het gevaar dat criteria voor actieve euthanasie, louter bedoeld om een einde te maken aan iemands fysieke lijden, steeds ruimer kunnen worden. Het aanleggen van een norm voor de kwaliteit van het leven wijst ze stellig af.

    Zij is ook kritisch op bezuinigen op de kunst (in haar woorden: ‘De asfaltering van het kunstbeleid’ ), de ongewenste invloed van politiek en bedrijfsleven op onderwijs en wetenschappelijk onderzoek: ‘Zij (de overheid) bedient zich daartoe van ‘ombuigingen’, een zeer onschuldig lijkende term, vermoedelijk ontleend aan het loodgieterswezen. In het nog resterende wetenschappelijk onderzoek is de staatsoverheid steeds drastischer aan het infiltreren.’

    Burnier maakt zich sterk voor het feminisme, maar distantieert zich ervan als ze vindt dat de beweging dogmatisch trekken krijgt.  ‘Massabewegingen zijn per definitie na korte tijd onverdraaglijk.’ (in een interview met Willem M. Roggeman, september 1975).

    Zij zal altijd bekend blijven om Het Jongensuur. Uit deze biografie komt naar voren dat ook haar essays het waard zijn herlezen te worden. Burnier krijgt in 1983 de Annie Romeinprijs voor haar ‘vele eigenzinnige, originele, altijd interessante en tot nadenken stemmende publicaties op het gebied van de vrouwencultuur.’

    Buitenstaander
    Er niet bijhoren is een terugkerend thema in leven en werk van Andreas Burnier. Als meisje hoort ze niet bij de jongens. Als hoogleraar criminologie werkt ze met alleen maar mannen, maar wordt nooit ‘one of the guys‘. Een mooie typering geeft Karel Soudijn als hij haar gedichten bespreekt. Burnier is iemand die, ‘als een buitenstaander van buitenaf gadeslaat; ze registreert in een toeschouwersrol, maar heeft zich tevens ingedekt tegen kwetsbaarheid door niet te veel aan de gebeurtenissen deel te nemen.’ Lockhorn: ‘Een treffender omschrijving van de waakzame instelling van een voormalig onderduikkind valt bijna niet te geven.’

    Knappe biografie
    Elisabeth Lockhorn heeft meerdere jaren aan de biografie over Burnier gewerkt.  Om de leesbaarheid te vergroten gebruikt ze af en toe vooruitwijzingen: ‘En Ronnie, die een nieuwsgierige blik werpt op het huis aan de overkant, heeft geen flauw idee dat ze daar de man zal ontmoeten die de vader gaat worden van haar twee kinderen.’

    Lockhorn plaatst het levensverhaal van Burnier in historische context. Een enorme klus omdat Burnier over talloze onderwerpen heeft gepubliceerd. Als Burnier bijvoorbeeld schrijft over de achterstandspositie van de vrouw in de jaren zestig en zeventig, dan geeft Lockhorn uitleg over de betekenis van de ‘tweede feministische golf’ die duurde van 1965-1985, wat ze op zeer verhelderende wijze doet.

    Metselaar van de wereld is een evenwichtig portret van Burnier en haar werk. De titel is goed gekozen. ‘Metselaar van de wereld’, een typering van een vriendin van Andreas, slaat op het vermogen van Burnier ‘om telkens een nieuw wereldbeeld voor zichzelf op te bouwen.’ Met deze biografie heeft Lockhorn een indrukwekkende prestatie geleverd.

    Elisabeth Lockhorn interviewde voor Vrij NederlandOpzij en Marie Claire Nederlandse schrijvers. Deze interviews werden gebundeld als Geletterde mannen en Geletterde vrouwen. Haar biografie over Andreas Burnier staat op de longlist van de Erik Hazelhoff Prijs voor de beste biografie 2016. De shortlist haalde het boek helaas niet. Op 18 maart 2016 werd bekend dat de Henriëtte de Beaufortprijs aan haar is toegekend voor haar biografie over Andreas Burnier.

     

     

  • Oogst week 7

    Andreas Burnier

    Zou het echt zo zijn dat er niet eerder een biografie verscheen over Andreas Burnier, vraag ik mij af? Een vrouw, voor de oorlog geboren in een liberaal joods gezin, die ondergedoken zat, trouwde en kinderen kreeg, promoveerde en hoogleraar werd. Die uiteindelijk openlijk lesbisch was, fel feministisch, maar ook een fel tegenstander van euthanasie en abortus en last but not least daar ook nog eens over schrijven kon in gedichten, essays en romans?
    Er zijn biografieën geschreven over mensen die minder meegemaakt, gepresteerd en te vertellen hadden.

    Maar het is nooit te laat. Andreas Burnier,  Metselaar van de wereld is de biografie die Elisabeth Lockhorn schreef over Andreas Burnier (pseudoniem van Catharina Irma Dessaur, 1931 – 2002).

     

    Andreas Burnier
    Auteur: Elisabeth Lockhorn
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De weg naar Little Dribbling

    Bill Bryson is een Amerikaan die met humor en zelfspot over Groot-Brittanië schrijft, het land waar hij al decennia woont en waar hij jaren geleden over schreef in Een klein eiland. Op zijn twintigste ontdekte hij al dat hij van dat land hield:

    Langzaam drong het tot me door dat ik een land had ontdekt dat volkomen vreemd voor me was en me toch wonderlijk goed beviel. Het is een gevoel dat ik nooit meer ben kwijtgeraakt.’

    Twintig jaar later, op het moment dat hij dacht Groot-Brittanië door en door te kennen, komt hij tot de ontdekking dat hij woont ‘in een land dat ik helemaal niet meer herken.’ […]
    ‘Ik weet me constant geen raad in deze nieuwe wereld.’ Dat gebeurt precies op het moment dat hij een inburgeringsexamen gaat doen om Brits staatsburgerschap te verkrijgen.

    Hij besluit een nieuwe reis te maken om het land te herontdekken.

    De weg naar Little Dribbling
    Auteur: Bill Bryson
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Ver weg van het stadsgevoel

    Engelser dan Thomas Hardy (1840 -1928) kan je het nauwelijks krijgen. Ver weg van het stadsgewoel (Far from the Madding Crowd) is wonderlijk genoeg nog nooit in het Nederlands vertaald. Het is een romantisch verhaal over een sterke, eigengereide vrouw, Bathsheba Everdene, met drie aanbidders. Het boek wordt geprezen om de dichterlijke taal. Collega schrijver Henry James was bij verschijnen minder enthousiast Hij had het over een ‘… redundant style. It is inordinately diffuse, and, as a piece of narrative, singularly inartistic. The author has little sense of proportion, and almost none of composition..’

    De Engelse lezers waren het niet met hem eens. Het boek werd een groot succes. In 2015 werd het onder regie van Thomas Vinterberg (opnieuw) verfilmd.

     

    Binnenkort volgen recensies.

    Ver weg van het stadsgevoel
    Auteur: Thomas Hardy
    Uitgeverij: Athenaeaum