• Oogst week 5 – 2023

    Bij de buren

    De introverte, twijfelende Julia, tegen de veertig, is met haar man vanuit de stad verhuisd naar een dorp aan het Noord-Oostzeekanaal, waar het leven minder duur en hectisch is. Ook hoopt zij dat hun kinderwens alsnog wordt vervuld.

    Julia heeft in het dorp een keramiekwinkel met onlineshop en is een van de twee personages vanuit welk perspectief Bij de buren wordt verteld. Het andere is Astrid, een 60-jarige huisarts die een opvolger voor haar praktijk zoekt en zich zorgen maakt over haar oude tante met verschijnselen van dementie.

    Om de beurt doen Julia en Astrid verslag van hun levens en gevoelens, tegen de achtergrond van een leegstaand huis waaruit een gezin plotseling spoorloos is verdwenen. Het leegstaande huis wordt het middelpunt van de buren. De personages zijn vreemden voor elkaar, ze cirkelen om elkaar heen op zoek naar geborgenheid en intimiteit maar trekken zich toch weer terug in hun eigen innerlijk. De hele dorpsgemeenschap heeft geheimen en verlangens en wordt voortdurend geconfronteerd met angst, die nog wordt gevoed als in de tuin van het leegstaande huis een mysterieus kind verschijnt. Ook met afbrokkelende huizen, ontmoetingen met doden, mysterieuze observaties en anonieme brieven en boodschappen brengt Bilkau een griezelig aspect in het verhaal.

    Kristine Bilkau werkt als journalist voor verschillende bladen. In 2015 debuteerde ze met de roman De gelukkigen. Begin 2019 verscheen Een liefde, in gedachten en nu is daar Bij de buren.

    Bij de buren
    Auteur: Kristine Bilkau
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee 2023

    Geheugen, geschiedenis, beschaving – Lofzang op de bibliotheek

    Mira Feticu (1973) is een Roemeens-Nederlandse schrijfster. Ze studeerde in Boekarest Roemeense en Franse letteren en Vergelijkende literatuurwetenschap. Al jong schreef ze gedichten en later proza. Aan de universiteit leerde ze haar Nederlandse man kennen, voor wie ze in 2003 naar Nederland kwam, waar ze de taal opnieuw moest leren. Ze liep een taalstage bij de Openbare Bibliotheek in Den Haag.

    Haar liefde voor boeken en literatuur komt tot uiting in Geheugen, geschiedenis, beschaving – Lofzang op de bibliotheek. Een bibliotheek is voor Feticu een verheven oord van kennis en inzicht, waar lezers boeken en hun schrijvers treffen, en schrijvers hun lezers vinden. ‘Er is geen betere plek in een land van adoptie voor iemand die zijn boeken achterliet dan de bibliotheek,’ schrijft ze.

    In Roemenië werkte Feticu als radiomaker en publicist, net als in Nederland. Zij bespreekt vooral culturele en sociale onderwerpen. Sinds 2008 publiceerde ze zes boeken in het Nederlands, waaronder het goed ontvangen Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal. Feticu is ook producent bij de Haagse literaire show Literatuur Late Night. Voor de Roemeense Academie van Wetenschappen verricht ze literair onderzoek en ze zit in de redactie van het Algemene Woordenboek van de Roemeense Literatuur. Nederlandse media nodigen Feticu geregeld uit bij onderwerpen op het gebied van Roemenië en Oost-Europa.

    Tijdens het schrijven van Geheugen, geschiedenis, beschaving overleed haar man en is ze ‘veranderd van iemand die Medea wilde schrijven, in iemand die een boek over Orpheus schrijft.’ Daarmee werd het boek behalve voor de bibliotheek ook ‘een klein requiem’ voor hem.

     

     

    Geheugen, geschiedenis, beschaving - Lofzang op de bibliotheek
    Auteur: Mira Feticu
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus 2023

    Shotgun wedding

    Op 18 september 2019 werd stafrechtadvocaat Derk Wiersum voor zijn huis in Amsterdam doodgeschoten. Wiersum was de advocaat van een kroongetuige in een groot proces tegen een criminele organisatie. De daders voerden de moord in opdracht uit en met voorbedachten rade. Wiersums beste vriend Lucas Hirsch, die in de nacht voor de moord nog met hem appte, schrijft in de roman Shotgun wedding zijn gevoelens van rouw en verdriet van zich af.

    Dichter Lucas Hirsch zoekt in Shotgun wedding naar de taal die weer kan geven wat er precies met zijn vriend is gebeurd en welk effect dat op hem heeft. Wat vriendschap en liefde betekenen. Zijn stijl is poëtisch, zijn klaagzang niet minder rauw. ‘September is sinds vorig jaar voor altijd van jou, en dus een dode maand,’ schrijft hij. Hirsch probeert woorden te vinden om zijn emoties weer te geven, maakt een lijstje met pijn- en angstmetaforen. ‘Maar de woorden dekken na een jaar nog steeds de lading niet. (…) Ik ben stuk. Wat ik ook probeer, een gedicht zit er niet in.’ Uiteindelijk berust hij in het feit dat zijn beste vriend er nooit meer zal zijn.

    Hirsch studeerde Amerikanistiek en werkte in het bedrijfsleven. Onderwijl dichtte hij en publiceerde een aantal bundels. Hij was huisdichter van Museum De Hallen in Haarlem, draagt voor op literaire festivals in binnen- en buitenland en verbleef een aantal maanden in onder andere New York voor het schrijven van de dichtbundel Wu wei eet een ei. Hirsch geeft ook workshops over dichten. Shotgun wedding is na De weinigen (2019) zijn tweede roman.

     

    Shotgun wedding
    Auteur: Lucas Hirsch
    Uitgeverij: Uitgeverij De Arbeiderspers 2022
  • Oogst Week 47 – 2022

    Bekentenissen

    Toen in 2008 Bekentenissen van Jean-Jacques Rousseau verscheen in de statige Perpetuareeks van Uitgeverij Polak & Van Gennep met de honderd beste boeken uit de wereldliteratuur, schreef  cultuurfilosoof Doorman in de Volkskrant een prikkelende beschouwing die zo begon: ‘Dat Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) in de kookketel plaste van Mme Clot, was zeker een kwajongensstreek. Dat hij als leerjongen bij een graveur asperges begon te stelen, en appels en gereedschap, is onder het strenge regime van zijn meester ook wel begrijpelijk. Dat hij als jong-volwassene op donkere plaatsen de potloodventer uithing, en vervolgens bij een put waar meisjes altijd water haalden, is op zijn minst opmerkelijk, evenals de diefstal van flessen witte wijn een paar jaar later, bij de familie waar hij dan huisleraar is. Vooral omdat hij telkens zo hoog opgeeft van eerlijkheid en rechtschapenheid. En wanneer je merkt dat deze grote filosoof er op den duur in slaagt met werkelijk iedereen ruzie te krijgen, zelfs met de beminnelijke Diderot, en zich door iedereen achtervolgd waant en tenslotte ook door iedereen daadwerkelijk wordt verstoten en verjaagd, laten zijn Bekentenissen je niet meer los’.
    Van die editie uit 2008 is nu een herdruk uitgekomen. Maarten Doorman schreef er een Voorwoord voor. Bekentenissen is de eerlijke, niets verhullende autobiografie van de Verlichtingsfilosoof Rousseau, die pas na diens dood verscheen. Bekend is de beginzin ‘Ik ga iets ondernemen dat nooit eerder is gedaan en dat, als het eenmaal is uitgevoerd, niet zal worden nagevolgd. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens, dat ben ik zelf.’ Die bewering was niet helemaal waar, want na Bekentenissen voelden velen zich geroepen dergelijke terugblikken op hun leven te schrijven.

    Bekentenissen
    Auteur: Jean-Jacques Rousseau
    Uitgeverij: Polak & Van Gennep

    Dans om het hart

    De joodse Dola de Jong (1911-2003) werd geboren in Arnhem, maar vluchtte in 1940 al voor de Duitse inval in Nederland naar Amerika na een antisemitische ervaring toen ze collecteerde op de Albert Cuyp. Later kwam ze nog wel enkele jaren terug in haar geboorteland, maar ze voelde zich daar niet meer thuis. Ze bleef af en toe nog wel in het Nederlands schrijven. In 1939 verscheen van haar Dans om het hart. De Jong was in die tijd naast schrijver balletdanseres. In de heruitgave bij Cossee siert opnieuw een linosnede van een danseres het omslag. Mirjam van Hengel schreef een nawoord.
    Van Hengel is ook de auteur van Dola. Over haar schrijverschap en de hele mikmak.  Daaruit: ‘Ja, misschien gedroeg ze zich als verloren dochter. Ze verliet haar hele familie, van de ene dag op de andere. Maar dat was niet haar wens geweest, niet echt. Ze had oprecht geprobeerd iedereen mee te krijgen: haar vader, haar stiefmoeder, haar broer Hans en haar lievelingsbroer Jan, die net als zij bezig was in Amsterdam een leven op te bouwen ver weg van het Arnhem waar ze waren opgegroeid.  Ze had geprobeerd haar familie de schellen van de ogen te trekken’.
    Enny, één van de personages uit Dans om het hart leeft volgens Van Hengel, zoals Dola gedaan moet hebben: ‘eerzuchtig, verwachtingsvol, onrustig’.

    Dans om het hart
    Auteur: Dola de Jong
    Uitgeverij: Cossee

    Gevangenispost

    Stichting Blocnotes zet zich sinds 2020 in voor ‘enpowerment en talentontwikkeling van mensen in gevangenissen door hen creatief te leren schrijven. Tien gedetineerden werden daarvoor gekoppeld aan evenzoveel bekende Nederlandse auteurs met wie ze een briefwisseling opzetten. De bekendste onder hen zijn Huub van der Lubbe, Lale Gül, Thomas Verbogt, Hannah van Binsbergen, Marjolijn van Heemstra, Raoul de Jong en Christine Otten. Vorige week verscheen een groot deel van die correspondentie in boekvorm onder de titel Gevangenispost. In de stukken komt het menszijn in de breedste zin aan de orde; gedetineerden en schrijvers inspireerden elkaar tot proza en poëzie. Om privacyredenen staan de eersten er allen met hun voornaam in.

    Gevangene Bram (schrijvend aan Huub van der Lubbe) opent de verzameling: ‘Het voelt alsof je thuis bezoek hebt en dat bezoek gaat maar niet weg. Echte nieuwe herinneringen zijn zeldzaam, ze zijn er wel maar af en toe. De oude herinneringen worden kunstmatig beademd. Het is een plek waarvan ik wel eens denk: waar is de nooduitgang? Ook is het een plaats waar je niet direct met de deur in huis kunt vallen. Het vaste moment van luchten is een uur per dag. Dat is niet het beste voor een mens. Het laat je wellicht iets meer voelen hoe de legbatterijkip zich voelt. Je aansteken met corona lukt aardig, het aansteken met kennis haast niet’.

     

    Gevangenispost
    Auteur: Bram & Huub van der Lubbe, Amar & Lale Gül, Richard & Thomas Verbogt, Frank & Hannah van Binsbergen, Rino & Marjolijn van Heemstra, Jamal & Pelumi Adejumo, Melvin & Ronelda S. Kamfer, Job & Raoul de Jong, Mo & Christine Otten, Khalil & Peer Hommel
    Uitgeverij: De Geus
  • Oogst week 20 – 2022

    De doden houden we bij ons – Een moord op Harvard en een halve eeuw stilzwijgen

    Aan de prestigieuze en conventionele Harvard Universiteit studeert in 1969 Jane Britton, een jonge vrouw die geheel volgens de dan heersende cultuuromslag een ongebonden leven leidt. Aan de universiteit wordt ze met haar studie archeologie nauwelijks serieus genomen – net zo min als andere vrouwelijke studenten. Op een dag wordt ze vermoord aangetroffen.

    De omstandigheden zijn duister, onderzoek faalt en een dader wordt nooit aangehouden. Maar de geruchten en roddels zijn veertig jaar later nog niet verdwenen. Jane zou vermoord zijn door haar hoogleraar antropologie, tevens haar minnaar, tijdens een mysterieus ritueel.

    Als Becky Cooper aan Harvard gaat studeren raakt ze geïntrigeerd door het verhaal. De hoogleraar loopt vrij rond. Na haar studie werkt Cooper onder meer als redacteur bij The New Yorker. Ze houdt zich ook bezig met onderzoeksjournalistiek en omdat de dood van Jane Britton haar niet loslaat keert ze terug naar Harvard om de onopgeloste moord te onderzoeken.

    Tien jaar lang speurt ze naar wat er is gebeurd en legt haar bevindingen vast in De doden houden we bij ons. Het resultaat is een verbijsterende inkijk in de al eeuwenlang vastliggende machtsverhoudingen binnen een elite-instituut. Jane Britton leren we kennen als een vrouw die droomde van gelijkwaardig functioneren in een mannenbolwerk.

     

    De doden houden we bij ons - Een moord op Harvard en een halve eeuw stilzwijgen
    Auteur: Becky Cooper
    Uitgeverij: De Geus

    De jacht op het snoekje

    De Finse journalist Juhani Karila (1985) won met zijn debuutroman De jacht op het snoekje meteen twee prijzen en was voor een derde genomineerd. Het boek kwam in 2019 in Finland uit en is inmiddels in dertien andere landen verschenen, waaronder nu Nederland.

    De jacht op het snoekje is een noodlottig liefdesverhaal gecombineerd met magische natuur en een zonderling avontuur. In het oosten van Lapland, waar haar geboortehuis zich bevindt, gaat Elina Ylijaako in drie dagen tijd proberen om volgens de jaarlijkse traditie een snoek te vangen. ‘Een ongelukkige opeenvolging van gebeurtenissen had ertoe geleid dat Elina de snoek ieder jaar vóór 18 juni uit het ven moest halen. Haar leven hing ervan af.’
    Uit het meertje waarin de snoek verblijft, verrijst een watergeest die van wat een eenvoudige opdracht leek een ijzingwekkend avontuur maakt. Elina raakt betrokken bij een magische wereld en mysterieuze wezens die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Zelf wordt Elina gezocht voor moord. Een vloek uit haar verleden moet worden verbroken om haar te redden van een strijd op leven en dood.

    Finse en buitenlandse recensenten reppen van grote fantasie en humor, van originaliteit en virtuositeit, van een verbluffend detectiveverhaal.
    Voor De jacht op het snoekje publiceerde Juhani Karila twee verhalenbundels.

    De jacht op het snoekje
    Auteur: Juhani Karila
    Uitgeverij: Koppernik

    Hebben en zijn

    Malodot is dood. Maar toch niet helemaal. Na een auto-ongeluk waarbij hij overlijdt verhuist hij niet meteen naar het land der doden. In Hebben en zijn van Dimitri Verhulst blijkt hij te zijn beland in een ontwenningskliniek om af te kicken van het leven. Pas als dat is gelukt zal Malodot volledig dood zijn.

    Hij deelt een kamer met drie andere bijna-dode mannen. De ene heeft een lamme linkerarm en ‘een tong die ietwat lusteloos uit zijn mond hangt, als wasgoed uit het raam om te drogen.’ De volgende heeft brandwonden, de meeste in zijn gezicht en meldt: ‘Terpentine op de barbecue is nooit een goed idee.’ En de derde heeft een oog dat met een 9 mm Luger is doorboord door een echtgenoot van wie hij de vrouw op de wasmachine nam. En hoe is Malodot aan zijn eind gekomen, willen ze weten. ‘Daar moet hij nog even over nadenken, eigenlijk, hetgeen normaal schijnt te zijn, iedereen heeft in het begin last van een beetje geheugenverlies.’ Er zijn groepstherapieën en individuele gesprekken met een counselor, allemaal bedoeld om van de verslaving aan het leven af te komen. Als de overledenen dat niet voor elkaar krijgen, moeten ze hun totale leven overdoen, op precies dezelfde wijze.

    Dimitri Verhulst biedt een onvervalste, filosofische blik op de eindigheid, op leven en dood. Hij liet zich voor dit boek inspireren door het Franse existentialisme. Hebben en zijn doet dan ook denken aan Met gesloten deuren – ‘De hel, dat zijn de anderen’ – van Jean Paul Sartre. Daarin discussiëren drie overleden personages in een kamer voortdurend met elkaar om te proberen aan hun situatie te ontsnappen.

    Hebben en zijn
    Auteur: Dimitri Verhulst
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week 15 – 2022

    Te waar om mooi te zijn

    Wat een prachtige combinatie van titel en omslag: Te waar om mooi  te zijn tegen de achtergrond van één van de bekendste werken van Teun Hocks die de meest bizarre scènes ontwierp voor zijn kunst.  In het boek heeft Frank Westerman veertien verhalen gebundeld die ontstonden naar aanleiding van reizen van hem naar Venetië, naar Auschwitz, naar Spitsbergen enzovoort. Het zijn verhalen over de kunst, de mens en de natuur. In zijn Proloog schrijft hij: ‘Toen ik zelf elf was wilde ik landmeter worden. Ik voelde me aangetrokken tot de landmeters bij ons in de straat – mannen in oranje hesjes met reflecterende strepen. Turend door hun kijkers liepen ze alle dingen in de omgeving na; gewoon voor de zekerheid, of alles inderdaad zo was als het leek.
    Van dit nalopen van de werkelijkheid heb ik mijn beroep gemaakt. Wat is Wahrheit, wat is Dichtung? Ik laat me niet graag bedonderen, maar wel betoveren – met als gevolg dat ik al mijn leven lang achter feiten aanhol. Die feiten spreken nooit voor zich. Al rooster je ze boven een vuurtje, ze houden hun mond. Jij bent het die de feiten een stem geeft, leven inblaast. We zijn feitenfluisteraars die de dingen woorden en betekenissen toedichten’. Westerman stemt graag in met wat Antoine de Saint-Exupéry in De kleine prins schrijft: ‘Een kind kijkt niet alleen met zijn ogen. Het weet dat de belangrijkste dingen onzichtbaar zijn.’

    Te waar om mooi te zijn
    Auteur: Frank Westerman
    Uitgeverij: Querido Fosfor

    De schaamte

    Sinds Nederland in 2020 enthousiast kennismaakte met De jaren van Annie Ernaux verschijnen in hoog tempo herdrukken van vertalingen van haar werk zoals Meisjesherinneringen (eerder in 2017) en Het voorval (eerder in 2004). Nu is er ook een herdruk van De schaamte dat in 1998 al eerder verscheen, ook toen in de vertaling van Rokus Hofstede. Al haar boeken zijn autobiografieën van een bijzonder soort. Zeer persoonlijke en schokkende verhalen afgezet tegen de tijdgeest waarin ze leefde. De schaamte begint op 15 juni 1952 toen de twaalfjarige Annie er ’s middags getuige van was dat haar vader haar moeder met een mes wilde vermoorden. Sindsdien was er voor haar een leven daarvóór en een leven daarná: ‘Ik schaamde me voor mijn ouders, voor de gescheiden vrouwen om mij heen, voor de dronken klanten in ons café, voor hun platte taalgebruik, voor al die verstarde gebruiken die hoorden bij mijn sociale klasse; meisjes kregen hun eerste permanentje na de communie, jongens droegen voor het eerst een lange broek op de eerste schooldag, trouwen moest je op die en die leeftijd, alles was vastgesteld. In De schaamte wilde ik onderzoeken wat er in mij nog over was van dat meisje van twaalf. De enige manier waarop ik dat kon doen was door als het ware etnoloog van mijzelf te worden. Ik zocht naar wetten, waarden, rituelen en de taal van mijn milieu, mijn school en mijn familie en ik zette de beelden uit mijn herinnering om in woorden, zodat ze een soort documenten werden. Maar niemand kan zich zichzelf echt herinneren. Het meisje van toen lijkt in niets meer op de vrouw die ik nu ben. Ik zou haar niet herkennen als ik haar tegenkwam’.

    De schaamte
    Auteur: Annie Ernaux
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Station Tokio Ueno

    De Japanse Yu Miri (1968) is kind van Koreaanse ouders maar schrijft in het Japans en woont met haar zoontje in het Fukushima van na de ramp in 2011. Ze heeft er een boekwinkeltje en een theater. En ze schrijft zo nietsontziend dat haar eerste roman in 1994 in Japan verboden werd.
    Hoofdpersoon en verteller in haar eerste in het Nederlands vertaalde boek Station Tokio Ueno is  Kazu, een bouwvakker uit Fukushima die gesloopt wordt door zijn werk, zijn gezin zelden ziet en tenslotte leeft in het daklozenkamp Tokio Ueno, vlakbij het station. Het toppunt van vernedering is dat het tentenkamp met zijn bewoners tijdelijk ontruimd wordt als de keizer langs komt voor een museumbezoek. Die tragiek wordt nog eens benadrukt doordat Kazu op dezelfde dag jarig is als keizer Akihito en zijn zoon op dezelfde dag als diens zoon en huidige Japanse keizer Naruhito.
    Kazu werkt bij de aanleg van de voorzieningen voor de Olympische Spelen die de aandacht van de wereld moeten trekken, maar mensen als hij vinden geen plek in die gelikte wereld. Pas langzaam wordt de lezer duidelijk vanuit welk perspectief Kazu zijn verhaal doet.

    Station Tokio Ueno
    Auteur: Yu Miri
    Uitgeverij: De Geus
  • Onder vriendschapsschijn schuilt het ergste venijn

    Onder vriendschapsschijn schuilt het ergste venijn

    Als een boek een kind van zijn tijd is, is het afwachten hoe goed het is. Dit geldt zeker voor de coronaroman, die niet geschreven wordt om de eigen creativiteit koste wat kost te uiten, maar om de verveling van een zich voortslepende lockdown te bestrijden. De gelegenheid doet zich nu namelijk voor, dus waarom wagen we het er niet op? Liefst met een verwijzing naar Gabriel García Márquez’ Liefde in tijden van cholera: ‘Schrijven in tijden van corona’. Op het eerste gezicht lijkt De onvoltooide van Peter Nijssen eenzelfde covid-eenheidsworst, maar zijn pen bevat gelukkig een driedubbele booster. 

    Ten eerste maakt Nijssen de huiskamerromantiek van Biedermeier lekker pittig, door een wel heel markant personage ten tonele te voeren. Hoofdpersoon Bern moet zijn gezin wekenlang missen en ontmoet op een van zijn fietsrondjes door Utrecht beroepsfantast Wijnand. Daarbij bevraagt Nijssen het idee van vriendschap, wanneer zij slechts op toeval, tijdelijke spraakzaamheid en geldingsdrang berust. Verder onderzoekt Bern in een interessant essay wat onvoltooidheid en kunst met elkaar te maken hebben. Is niet elke kunst tot op zekere hoogte onafgerond, een belofte op iets beters?

    Biedermeier van een kletsmeier

    Het virus slaat toe in 2020. Berns vrouw Veerle verzorgt haar door covid besmette moeder in Noord-Brabant. Dochter Lynn verkast naar haar vriend in Rotterdam en zoon Morits ontvlucht de pandemie, reizend door Australië. Kortom, de journalist en radiomaker blijft alleen achter in Leidsche Rijn. Omdat het culturele en sportieve leven op zijn gat ligt, pakt hij de racefiets uit de schuur en scheurt de regio rond. Bij Vianen treft hij gewezen filmmaker en wielerfanaat Wijnand Veldert: een combinatie van Nico Dijkshoorn, Martin Koolhoven en Mart Smeets. Een man met vermoeiend veel kennis en een sterke mening, bijvoorbeeld over verengelsing: ‘‘Utrecht Science Park’, ga toch fietsen met je droplullenengels. (…) Onze universiteiten (…) zijn shoppingmalls van de neoliberale dictatuur geworden die zichzelf aanprijzen in bullshitblabla uit de registers van de marketingwereld.’’ In hun daaropvolgende ontmoetingen blijkt Wijnand niet slechts een vat vol zurigheid.

    Huiselijk biedermeiergeluk kent in onze beeldcultuur weinig originaliteit. Die eeuwige, rijkelijk gevulde eettafel met steeds dezelfde disgenoten: een daadkrachtige moeder met een sukkelige, matig knappe vader, één komma acht kinderen, een verweduwde oma en een ongevaarlijke hond, mocht een stukje Jumbo-gourmetgehakt het laminaat besmeuren. Nijssen maakt van veertiger Bern en zestiger Wijnand een knus duo met Berns Vinex-woning als decor. Ze koken, eten, drinken bier of wijn, draaien plaatjes en praten. Eigenlijk praat vooral Wijnand. Over zijn vroegtijdig gestrande wielercarrière, over topfilms en zijn huwelijk. Maar ook over zijn overleden echtgenote en de uit beeld geraakte kinderen. Telkens wanneer de melancholie de overhand krijgt en Bern hierop doorgraaft, doet Wijnand er met een cynische dooddoener het zwijgen toe: ‘Het leven is kut, maar zolang je er bent, is het goed je ziel af en toe te kunnen balsemen. Als jij dat gebiedermeier vindt, soit.’ 

    Vriendschap: in het wiel van je metgezel

    Er kleeft iets vreemds aan het contact tussen Bern en Wijnand, al zijn er flink wat ingrediënten voor een hechte vriendschap: samen eten, dronken worden, muziek luisteren, interesses delen, wielrennen. Maar Bern, die niet voor niets de achternaam Nevens draagt, voelt zich in alles de mindere van Wijnand. Telkens wil hij zijn kameraad aftroeven, hetzij op de pedalen – ‘Ik wilde hem eindelijk eens kleineren, die zwetser, die opsnijder, die ouwe. En dat was me gelukt.’, hetzij qua verdiensten – ‘Hij was door diepe dalen gegaan, maar had ook over grote hoogten gescheerd. En ik? Wat had ik gedaan?’ Af en toe verwordt hun samenzijn tot een soort top-2000-à-gogo, zij het zonder de jovialiteit tussen Matthijs van Nieuwkerk en Leo Blokhuis. Bij elk cd’tje dat wordt opgezet, geeft Wijnand college. Bern verzucht: ‘”Jij weet ook álles.’’ – ‘‘Ik weet maar heel weinig, Bern, maar toevallig weet ik veel van wat jij weet (…) omdat wij zielsverwanten zijn?’’’ Hij moest eens weten.

    Impliciet stelt Nijssen zeer relevante vragen over het concept ‘vriendschap’. Kun je daar bijvoorbeeld van spreken als de één te veel tegen de ander opkijkt, hem zelfs benijdt? Als de één zich heimelijk ergert aan eindeloze monologen van de ander maar dit niet eerlijk tegen hem zegt, hem juist voedt in zijn praatzucht? Het gros van Bern en Wijnands gesprekken is een wandelend uitgevoerde pubquiz: ‘‘‘Koolhaas, Koolhaas,’’ herhaalde ik peinzend. ‘‘Ken ik die niet ergens van?’’ –‘‘Niet van je wandelingen in de natuur, bioloogje. Maar van de literatuur. (…) En dat heeft dan Nederlands gestudeerd.’’’ Het is dan ook niet verwonderlijk dat het contact tussen de twee verwatert, zodra Veerle, Lynn en Morits huiswaarts keren: ‘Het nieuwtestamentische elan dat bezit van me nam zodra ik met hem verkeerde – ik had dat zieltogend en op een waakvlammetje in een hoek van mijn bewustzijn gedeponeerd.’ En eigenlijk gaat Bern op dezelfde manier met zijn schrijfambities om.

    Oefening is kunst

    Intussen werkt Bern aan een essay over onvoltooide literatuur, dat hij uiteraard niet afmaakt. Die onvolmaaktheid, of beter, voorlopigheid schuilt in vele facetten van De onvoltooide. Het mooiste illustreert Nijssen dit door het getal ‘8’ in het laatste hoofdstuk horizontaal af te drukken: het teken der oneindigheid. Eenvoud is het moeilijkste wat er is. Zo ontstaat speelruimte voor intertekstualiteit, die Nijssen (sinds 1995 hoofdredacteur bij De Arbeiderspers) slim benut ten gunste van de inhoud. Talloze dwarsverbanden van Musils Man zonder eigenschappen tot Manns Toverberg, vormen een atoomreactie die interpretatie en semantische duiding van De onvoltooide letterlijk onbegonnen werk maakt. Verwijzend naar Paul Valéry focust Nijssen namelijk niet op afronden: ‘‘Voor hem ging het om (…) spel. Spel omdat het maken doel in zichzelf is en in zichzelf ronddraait. Oefening omdat de definitieve uitvoering altijd ontbreken moet.’’ Oefening báárt geen kunst, maar ís de kunst.

    De onvoltooide is in de beste zin des woords geen product van zijn tijd. Allereerst is het geen product, want onvoltooid. Bovendien werpt Nijssen een kritische, genuanceerde blik op wat vriendschap betekent en creëert subtiel ongemak. Hij stelt ons de vraag: moet je zelfs in de diepste eenzaamheid van een lockdown niet heel goed nadenken waarom je met iemand contact opneemt?

    Daarnaast echoot dit boek nog lang na in een veelzijdige symfonie. Nijssen trakteert ons achterin het boek immers op een QR-code: de playlist van Berns Spotify-account, waar alle aangehaalde nummers van Schubert, Buckley, Cohen en vele anderen op staan. De onvoltooide inspireert als een gulle mentor die ondergewaardeerde muziek en interessante boeken aanprijst, alle clichés vertrappend. Het verwijt van name-dropping is te eendimensionaal: experts moeten goed geïnformeerd zijn in hun vakgebied en Nijssen weet nu eenmaal veel van literatuur. Hopelijk is met De onvoltooide de schrijverscarrière van Peter Nijssen nog niet voltooid.

     

     

  • Oogst week 7 – 2022

    Vergeten reis

    De Argentijnse Silvina Ocampo (1903-1993) stamde uit een zeer bemiddeld bourgeoisgezin, waarin ze zich niet thuis voelde. Ze schopte nog al eens tegen zere benen, voelde zich het zwarte schaap, had liefdesaffaires met mannen en vrouwen, ging schilderkunst studeren bij de surrealist De Chirico en mocht, toen ze eenmaal schreef, Borges tot haar vrienden rekenen. Ze heeft tal van werken op haar naam staan, gedichten, kinderboeken en romans en korte verhalen.

    De eerste bundel met 28 sprookjesachtige vertellingen, Viaje Olvidado, verscheen in 1937 en is er nu in Nederlandse vertaling: Vergeten reis. Geen zoetsappige kost. Er staan nog al wat verhalen in over kinderen die, net als Ocampo zelf, het gevoel hebben er niet bij te horen en niet begrepen worden. Vaak zijn ze het slachtoffer van geweld door volwassenen uit hun eigen kring. In het eerste verhaal bijvoorbeeld, ‘Glazen zoldering’, levert dat zinnen vol angst op als een kind op bezoek is bij een oudtante: ‘Er was die dag niemand in de bovenwoning, behalve de lichte snikken van een meisje (dat ze net welterusten had gekust, maar dat niet wilde slapen) en de schim van een rok vermomd als tante, als een zwarte duivel met voeten verpakt in de bottines van een verdorven gouvernante’. Het schilderij van Munch op het omslag, The Gothic Girl, is dan ook treffend.  Annelies Verbeke verzorgde een nawoord.

    Vergeten reis
    Auteur: Silvina Ocampo
    Uitgeverij: Orlando

    Over de bouwkunst

    In de Middeleeuwen bestonden er geen architecten die als zodanig benoemd werden. De ontwerper en bouwkundige begeleider van een gebouw kon iedereen zijn: de toekomstige eigenaar, de handwerksman of iemand anders die verstand had van materialen en constructies. De Romeinen kenden nog wel een beroep als architect – zie de beroemde Vitruvius die al vóór Chr. over bouwen als kunst schreef – maar die leek voor de Middeleeuwers wel vergeten.

    Dat veranderde in de Renaissance toen Vitruvius werd herontdekt en in zijn spoor het beroep van architect een eigen status kreeg. Eén van de beroemdste Italianen die daarvoor opkwam was Leon Battista Alberti (1404-1472). Vanaf dan kennen we de architect als iemand die speciaal is opgeleid voor het ontwerpen van gebouwen in al zijn aspecten. Zijn beroemde traktaat De Re Aedificatoria verscheen in 2010 in het Nederlands als Over de bouwkunst. Uitgeverij Boom geeft er nu een nieuwe druk van uit onder dezelfde titel.

    Over de bouwkunst
    Auteur: Leon Battista Alberti
    Uitgeverij: Boom

    Hubertina

    De vrouw uit de titel van de nieuwste roman van Kristien Hemmerechts, Hubertina, werd geboren als Anna Hubertina Aretz (1893-1973). De schrijfster hoorde over haar via een archivaris van het Rode Kruis. Hubertina was een raadselachtige vrouw. In de Tweede Wereldoorlog hielp ze Joden in de onderduik, ze belandde ervoor in Ravensbrück en kwam zeer vermagerd terug. En dan zet ze zich een paar jaar later ineens in voor de Vlaamse Beweging waarin veel voormalige collaborateurs zaten. Die wending is nog maar één van de raadsel waar Hemmerechts tegenaan liep. Ze ontdekte dat er veel meer was in haar leven waarbij vraagtekens te zetten waren. Om die te beantwoorden dook de schrijfster de archieven in en las getuigenissen uit Hubertina’s leven. Onwrikbare verklaringen vond ze niet, zodat de romanvorm nodig was om inzicht te krijgen in wat er gebeurd kon zijn.

    Hubertina
    Auteur: Kristien Hemmerechts
    Uitgeverij: De Geus
  • Oogst week 48 – 2021

    Nicolien Mizee's Vogelboek

    Nicolien Mizee (1965) schrijft romans en briefbundelingen. Ze werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs en de BookSpot Literatuurprijs. Vorig jaar kreeg ze voor haar boeken De kennismaking – Faxen aan Ger en De porseleinkast – Faxen aan Ger de Henriette Roland Holst-prijs, die driejaarlijks wordt uitgereikt aan een literair werk dat niet alleen van hoog niveau is, maar ook sociale betrokkenheid toont.

    Behalve auteur is Mizee ook vogelspotter. Ze houdt met de precisie van een schrijver bij welke vogels ze al heeft gezien, inclusief rake en grappige beschrijvingen. Daarnaast tekent ze de vogels. In Nicolien Mizee’s Vogelboek zijn deze teksten en illustraties gebundeld.

    Nicolien Mizee's Vogelboek
    Auteur: Nicolien Mizee
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Oktober is de mooiste maand

    Johanna Spaey (1966) debuteerde in 2005 met de misdaadroman Dood van een soldaat. Hiermee won ze de Gouden Strop en de Hercule Poirot-prijs. Vervolgens schreef ze meerdere romans. Oktober is de mooiste maand is haar nieuwste boek. Het gaat over Stefan, die in de jaren tachtig tot levenslang wordt veroordeeld in Duitsland.

    Na twintig jaar komt hij vrij, al mag hij Duitsland niet verlaten. Dit doet hij toch, want zijn vroegere geliefde woont in België. Terwijl hij haar al vluchtend voor de politie probeert te vinden, overdenkt hij zijn leven: ooit was hij een gewone geschiedenisleraar die veranderde in een moordenaar.

    Oktober is de mooiste maand
    Auteur: Johanna Spaey
    Uitgeverij: De Geus

    Een kleine geschiedenis van de (grote) neus

    Caro Verbeek (1980) is kunsthistoricus en geurwetenschapper. In 2021 promoveerde ze op kunsthistorische geuren. Ze werkt als conservator bij het Kunstmuseum in Den Haag en doceert aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Haar boek Een kleine geschiedenis van de (grote) neus is een lofzang op de neus.

    Verbeek leidt de lezer door de geschiedenis, langs grootheden als Rembrandt, maar ook langs speelgoediconen als Barbie. Ook gaat ze in op schoonheidsidealen, zo werden grote neuzen vroeger nóg groter gemaakt, want dat straalde status uit. De neus van Cleopatra blijkt een knap stukje politieke strategie, dodenmaskers werden aangepast (wij zouden nu ‘gephotoshopt’ zeggen) om de neus van de overledenen nóg markanter te doen lijken en zelfs hashtags neemt Verbeek onder de loep.

    Een kleine geschiedenis van de (grote) neus
    Auteur: Caro Verbeek
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Wereldgeschiedenis van een leven

    Wereldgeschiedenis van een leven

    De uit 1987 oorspronkelijke Britse roman Moon tiger van Penelope Lively wordt door The Guardian ‘Een van de beste Booker Prize-winnaars aller tijden’ genoemd. Lively schreef naast vele romans ook werk voor kinderen en sleepte daarvoor de prestigieuze Carnegie Medal voor de kinderliteratuur in de wacht. Destijds keken veel recensenten besmuikt neer op Moon tiger en noemden het een ‘huisvrouwenroman’. In 2021 is de roman in het Nederlands vertaald door Dorien Veldhuizen. We volgen in Moon tiger het verhaal van Claudia Hampton, (omstreden) historicus, auteur en oorlogscorrespondent.

    Moon tiger

    Hoofdpersonage Claudia Hampton ligt op hoge leeftijd in een ziekenhuisbed in Londen en besluit een geschiedenis van de wereld te schrijven aan de hand van haar eigen leven. Het resultaat van deze niet erg bescheiden missie houden we, vermoedelijk, in onze handen. De vorm waarin ze haar wereldgeschiedenis giet, wordt door haar vergeleken met de lagen van gesteente: een verhaallaag als een gesteentelaag. Dit vormt een belangrijk verhaalmotief: ‘waarin ik u allereerst de grote sluimerende rotsen van het cambrium zal laten zien, en vervolgens een overgang maak naar de bergen van Wales, de Long Mynd, de Wrekin, van het ordovicium naar het devoon, rode en corbonide zandsteen’. Toch hebben de verschillende lagen waarin ze haar geschiedenis wil vastleggen meer de vorm van een maalstroom: ‘Mijn lagen zijn minder makkelijk waarneembaar dan die in het gesteente van Warwickshire en in mijn hoofd liggen ze niet eens in volgorde, maar vormen ze een draaikolk van woorden en beelden. Draken en moon tigers en Crusaders en Honeys’. Moon tiger wordt in het verhaal een wierookspiraal genoemd die ’s nachts langzaam opbrandt en uiteenvalt. Het eindigende leven van Claudia kan dus ook gerust vergeleken worden met een moon tiger. De wat onbekende term die de titel van de roman uitdrukt, staat dus symbool voor de structuur (en deels de inhoud) van de roman. Het is jammer dat dit er door Lively zo dik bovenop wordt gelegd; het verband tussen de titel en de roman kunnen we gemakkelijk zelf ontdekken.

    Wirwar aan verhaallijnen

    De opbouw van het verhaal is niet chronologisch; periodes in het ziekenhuis wisselen periodes in het oorlogsgebied in Egypte af, en stukken waarin Claudia nog kind is wisselen stukken af waarin ze een kind heeft. De verschillende verhaallijnen zijn desondanks goed te volgen. De verteller in het verhaal is vaak Claudia zelf, maar die vertelstem wordt afgewisseld door andere stemmen, waaronder die van haar broer Gordon, haar dochter Lisa en haar (ex)vriend Jasper. Al deze andere stemmen draaien alsnog om Claudia, en geven je daarmee een completer beeld van haar persoonlijkheid. Alhoewel dat op zichzelf een interessante constructie is, voegt het in deze roman niet zoveel toe. Al die verschillende stemmen bevestigen namelijk het beeld dat Claudia al duidelijk van zichzelf laat zien: ze is zelfingenomen, hard en beeldschoon. Ook als er een verteller optreedt die zich buiten het verhaal bevindt, heeft dit eigenlijk geen interessant effect omdat het geen nieuwe informatie of een boeiende invalshoek oplevert, waardoor het een holle constructie blijft.

    Geen sympathie

    Claudia Hampton wordt niet bepaald neergezet als een prettig mens. Natuurlijk hoeft de hoofdpersoon in een boek ook helemaal niet sympathiek te zijn, maar het is dan wel de kunst om de lezer ertoe te bewegen toch met het hoofdpersonage mee te leven. Sommige schrijvers lukt dit, maar Lively niet. De roman is scherp van toon, net als Claudia zelf. Ze toont Lisa nauwelijks liefde, en laat maar al te goed merken dat ze de vrouw van Gordon niet kan uitstaan door haar stelselmatig te negeren. De korte verhaallijn waarin Claudia zich bekommert om Laszlo, een buitenlandse jongen die tijdelijk in Londen verblijft en niet meer terug kan gaan naar Hongarije vanwege de onrustige situatie daar, laat eindelijk een prettige kant van haar zien. Ze neemt Laszlo in huis, zorgt voor hem, en ze ontwikkelen een hechte band. Blijkbaar heeft Claudia wel een zachte kant. Dit roept dan wel de vraag op waarom ze zich zo weinig bekommert om haar eigen dochter, en de lezer blijft met die vraag zitten omdat deze personages niet voldoende worden uitgediept, evenals andere personages in de roman. Ook al kan dat begrepen worden in de context van de roman als flarden levensgeschiedenis, de personages blijven zo te oppervlakkig om ze echt te begrijpen.

    Voorspelbaar gehalte

    Eén verhaallijn in Moon tiger gaat over de relatie tussen Claudia en haar broer Gordon. Ze lijken altijd met elkaar te concurreren, voeren non-stop discussies maar zijn tegelijkertijd met niemand zo hecht verbonden als met elkaar. Het is boeiend om over deze band tussen broer en zus te lezen. Het is echter onnodig en ongeloofwaardig in de romancontext dat deze twee zich tijdens de pubertijd ook seksueel tot elkaar aangetrokken voelen, en daarnaar handelen. Onnodig, omdat het de vermakelijke verhaallijn tussen broer en zus verpest en het ook geen rol in het verdere verhaal speelt. Daarnaast wordt deze plotwending ook niet goed uitgewerkt: al na enkele passages in het begin van de roman over Claudia en Gordon, voel je deze incestueuze romance aankomen. Toch moeten we tot bijna het einde van het boek wachten tot dit onthuld wordt. Zo’n lange ‘spanningsboog’ werkt niet als het voorspelbaar is, en daarnaast voegt de kortstondige relatie tussen volbloed broer en zus niets aan het verhaal toe.

    Geschiedschrijving

    Interessant aan het verhaal is dat er voldoende ruimte wordt geboden aan reflectiemomenten. Zo wordt er gereflecteerd op het schrijven van geschiedenis (‘Argumenteren is nu juist het wezen van de geschiedschrijving’), op de taal (‘onze taal is de taal van alles wat we niet gelezen hebben’) en op het vermogen te herinneren (‘Wat daar gebeurde, gebeurt nu alleen nog in mijn hoofd’). Vooral dat laatste krijgt een boeiende invulling als Claudia beweert zonder kleerscheuren of trauma’s uit de oorlog te zijn gekomen. Toch lezen we iets heel anders: het verlies van haar geliefde Tom Southern tijdens de oorlog heeft voor een diepgeworteld verdriet gezorgd bij Claudia. De manier waarop ze dus achteraf over de oorlog vertelt, vanuit de door haar gevormde en bewerkte herinnering, komt niet overeen met de manier waarop ze de oorlog echt ervaren heeft. Ook al doet ze alsof ze onfeilbaar is, ook zij is door de oorlog geschaad. De verhaalscènes die gaan over de oorlog zijn in dat opzicht belangwekkend voor de manier waarop herinneren ‘werkt’, ook al ontbreekt een duidelijke contextualisering van de oorlogscènes.

    Moon tiger laat veel te wensen over. Wel is het een toegankelijke ontsnapping uit de realiteit: als je niet te hoge verwachtingen hebt is het een geschikt boek voor op de bank, met je benen over elkaar en je voeten op tafel.

     

  • Als je Homerus niet hebt gelezen is je bagage te licht

    Als je Homerus niet hebt gelezen is je bagage te licht

     

    Schrijfster Mira Feticu (1973) groeide op in Roemenië tijdens de dictatuur van Ceaușescu (1967-1989). Als jong meisje schreef ze al gedichten, in 1993 debuteerde ze met een dichtbundel. Ze studeerde  Roemeense en Franse letteren en Vergelijkende literatuurwetenschap in Boekarest, waar ze later werkte als radiomaker. In 2001 werd ze met haar verhalenbundel Femei cu veverite (Vrouwen met eekhoorntjes) genomineerd voor de prijs van de Unie van Schrijvers uit Roemenië en voor de speciale Laurențiu Ulici-prijs. Aan de universiteit in Boekarest leert ze ook haar Nederlandse man kennen waarmee ze in 2003 naar Nederland komt.

    Na vijf jaar in Nederland ging Mira Feticu in het Nederlands te schrijven, in 2012 debuteerde ze met Lief kind van mij bij De Geus, een jaar later volgde De ziekte van Kortjakje. In 2019 verscheen haar grote roman Al mijn vaders bij uitgeverij Jurgen Maas en dit jaar kwam het non-fictie boek Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal uit  bij De Geus

    Voor Literair Nederland sprak ik de schrijfster via Zoom. We spraken over wat je achterlaat en wat je niet geworden bent. Over de boeken die ze hier schreef. Welke kansen een schrijver geboden worden in een nieuwe taal en de heftigheid in haar proza. Over haar worstelingen met de taal, heimwee dat nooit voorbij gaat, en is schrijven therapie of moet het meer zijn?


    Hoe was het voor jou om de Nederlandse taal te leren? 

    ‘Toen we naar Nederland kwamen was mijn dochter twee jaar. Ik vond het heel moeilijk te accepteren dat ze een taal zou gaan spreken die ik niet zou kennen. Dat ik de nuances van wat mijn dochter zegt, niet zou begrijpen. Dat was een verschrikkelijke gedachte. Mijn man sprak Nederlands met haar, ze leerde snel. Maar ik was tweeëndertig toen ik hier kwam, voor mij ging het moeilijker. Ik raakte geobsedeerd, was alleen maar met taal bezig. Ik moest Nederlands praten zodat mijn dochter zich niet hoefde te schamen voor mij. En via de Nederlandse taal kon ik weer literatuur schrijven. Het was voor mij de sleutel naar het leven, dat ik weer mee kon doen.’


    In Roemenië had je al enige erkenning verworven, hoe zag je het leven als schrijver in Nederland?

    ‘In Roemenië besefte ik niet hoe verwend ik was te kunnen schrijven in mijn moedertaal. Hier probeerde ik te schrijven wat ik niet kon zeggen, het echte werk. Ik leefde met woordenboeken, met vragen en steeds opnieuw schrijven, herschrijven. Mijn eerste boeken hadden drie versies. Van Joseph Conrad die van oorsprong Pools is, weet ik dat het bij hem automatisch ging. Bij mij was dat niet zo, bij mij was het een beslissing. Ik wist dat als ik wacht, ik te oud zou zijn om het te leren. Dus ik moest de sprong wagen, wat wel typerend is voor mijn leven. Sommige mensen zeggen, “Jij durft”. Maar ik zeg, “Niemand heeft mij geleerd daarover na te denken.” Ik ging gewoon voor de dingen. Zo heb ik dat ook met de Picasso gedaan, (over de teruggevonden (nep-)Picasso schrijft ze in Picasso’s keerzijde Iv/dG), met de emigratie. Ik ging gewoon. Ik volgde mijn man zonder te weten wat dit voor mij zou betekenen. Dat is mijn karakter, ik volg mijn hart, mijn instinct. Dat is niet altijd goed, ik betaal daar een rekening voor die ik mijn hele leven moet afbetalen.’


    Wat bedoel je met, ik betaal daar een rekening voor?

    ‘Als je emigreert leef je een tweede leven en laat je een onvoltooid leven achter. Het emigreren heeft mij veel goeds gebracht, ik heb veel kansen gekregen, maar er zijn ook veel dingen weggevallen. Ik ben totaal veranderd door de nieuwe taal, door de geografie. En het is moeilijk iemand anders te worden in hetzelfde leven. Af en toe spreekt de Roemeense geest in mij. Als mijn vader dan met Pasen belt, of ik zie op Facebook hoe vrienden Pasen vieren, dan denk ik aan mijn vorige leven dat zich daar afspeelde. Ik voel daardoor een pijn die ik mijn hele leven met mij mee zal dragen.’


    In je romans schrijf je over die pijn. Het is heel heftig. Zo nu en dan moest ik het boek even wegleggen. 

    ‘Dat heb ik van anderen vaak gehoord: “Mira, probeer minder heftige verhalen te vertellen want je laat de lezer schrikken.” Maar bij het schrijven gebeurt er iets in mij. Woorden en betekenissen komen vanuit mijn hoofd en mijn hart. Het personage Myra, (in Al mijn vaders Iv/dG) kan geen softe verhalen gebruiken. Ik heb een moeilijke jeugd gehad in Roemenië, wat ik pas besefte toen ik in Nederland kwam. Ik werd als kind weggerukt uit mijn dorp. Op het internaat waar ik werd geplaatst leek het huis van mijn ouders een paradijs, wat het helemaal niet was. Dat meisje dat heimwee heeft naar het paradijs, dat zit nog steeds in mij.’


    Is je derde roman, Al mijn vaders een afsluiting van deze periode? 

    ‘Ik zal hier nooit meer over schrijven. Het is mijn meest pijnlijke boek geweest om te schrijven. Ik werkte in een schuur bij ons vorige huis. Drie jaar lang bleef ik in die schuur, het was heel moeilijk voor mijn gezin. Bijzonder is dat ik door de nieuwe taal en geografie, toegang kreeg tot wat er toen speelde. Als kind probeerde ik me te redden zo goed als het ging, zonder te beseffen wat me allemaal overkwam. Ik had in mezelf iets uitgeschakeld om te kunnen overleven. Het was verschrikkelijk, ook pijnlijk, maar ik kon er opeens over schrijven. Niet dat ik mijn verleden door mijn boeken een plek kon geven. Maar toch, tijdens het spelen van Al mijn vaders (er is een toneelvoorstelling van gemaakt Iv/dG), met Hans Dagelet, gebeurde er iets. Ik werd  mij bewust van het kind in mij. Op het podium stonden twee foto’s van mij als kind. Voor ik op ging zei ik tegen die foto’s, “Nu gaan we weer vertellen.” Tijdens het spelen word ik weer het meisje dat ik was. Het meisje is daar, en we kunnen vertellen, zonder schaamte. En door dat spelen, ik ben geen actrice, het was allemaal nieuw voor mij, doet de wond minder pijn. Het krijgt een gezicht, dat je dan kunt zien dat het niet zo verschrikkelijk is.’


    Aan het eind van het boek schrijf je een lange brief aan de vader, een vergevingsgezinde brief.

    ‘Ik hou veel van mijn vader, elke dochter houdt van zijn vader. Omdat ik dat wist, en om mijn kind een vader te geven, heb ik mijn leven in Roemenië achter gelaten. Zodat mijn dochter niet op de verkeerde knieën zou gaan zitten zoals ik gedaan had. Daarom ben ik mijn man gevolgd, om mijn kind dat te besparen. Ik weet niet of ik daar goed aan heb gedaan. Ik deed het vanuit een obsessie, vanuit mijn trauma’s. 


    Je vader had ook willen studeren, hij hield van boeken maar kreeg niet de gelegenheid.

    ‘Mijn vader is een slimme man, maar ook een zwakke man. Als kind heeft hij veel geweld meegemaakt. Wij hebben allebei veel geweld meegemaakt (zucht diep). Ik kan hem nu begrijpen, ik ben nu oud genoeg om niet meer boos te zijn, niet meer zo gekwetst. Eigenlijk heb ik voor een deel de droom van mijn vader waargemaakt. Ik moest hard studeren. Gelukkig vond ik studeren leuk. Nog steeds moet ik tijd maken om te lezen, anders heb ik het gevoel dat ik niet mezelf ben. Zonder lezen en studeren heb ik het gevoel dat ik mijn tijd verdoe. Ik moet bezig zijn, iets nieuws maken, ideeën uitwerken.’

    Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal bestaat uit drieënveertig essayistische stukjes waarin Feticu schrijft over haar worsteling met de taal, de ontdekkingen en valkuilen, haar overwinningen daarin. Het laat zien wat het betekent als je een nieuwe taal moet leren, dat daarmee ook een nieuwe identiteit ontstaat. Sprankelende stukjes, die vertellen hoe het is om die nieuwe taal te gebruiken, gecorrigeerd, niet begrepen te worden. Deels is het boek ook een pleidooi voor het anders omgaan met nieuwkomers en het leren van een nieuwe taal. Ze pleit voor meer taalprogramma’s op radio en tv, voor zowel Nederlanders als nieuwe Nederlanders, om ze meer kansen te geven de taal op en top te kunnen gebruiken. 


    Hoelang heb je aan Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal gewerkt?

    ‘Ik heb dit boek in verschillende landen geschreven. In Italië, Zuid-Afrika en Roemenië. Maar ik kon alleen thuis in afzondering de juiste toon vinden. Afgezonderd van mijn gezin, dag en nacht alleen met mijzelf. Een column kan ik overal schrijven, maar met een boek is het alsof ik in een soort trance raak. Dat was met Liefdesverklaring ook zo.

    In Italië was ik in residentie en deelde een huisje met een andere schrijfster. Zij schreef op onregelmatige tijden en ik moest van mijzelf om 9 uur beginnen, om 14.00 uur een pauze en weer verder. Dan deed ik de deur van het huisje op slot omdat ik niet gestoord kon worden. Je moet mij met rust laten als ik schrijf, niet binnenlopen omdat je even iets wilt pakken, dat vind ik erg moeilijk.’


    Gaat het schrijven van non-fictie makkelijker dan een roman schrijven?

    ‘Bij een roman werk ik meer als een architect, ik denk in constructies, de verschillende onderdelen, de puzzel. Ik denk aan alle details die soms belangrijker zijn dan het personage zelf. Het is een metafoor, groter dan mezelf, een sisyfus werk, alles van die roman draag ik als een berg op mijn rug. Als ik non-fictie schrijf, is het alsof ik ergens ga zitten en begin te vertellen.’


    In Lief kind van mij zegt een oom, ‘Schrijven is eerst therapie en dan de American Dream’. Wat bedoel je hiermee?

    ‘Schrijven is creëren, is therapie om meer redenen. Het houdt je actief. Als ik drie pagina’s heb geschreven ben ik gelukkig, als ik vijf pagina’s heb geschreven, mag ik leven. Al schrijvende geef je een plek aan wat je hebt meegemaakt, maar om een trauma echt te verwerken moet je naar een therapeut. En misschien gaat de ‘American Dream’ over iets in jezelf, dat je weet dat je iets hebt opgebouwd. Maar schrijven moet meer dan therapie zijn. Het moet groter zijn, het moet de lezer boeien, het moet iets doen met de lezer.’


    Hebben jouw ouders een beeld van jou als schrijfster in Nederland?

    ‘Nee, dat beseffen ze niet. Als we bellen hoor ik wel eens dat ze iets via Facebook hebben gezien over mij. We leven in parallelle werelden, zij weten niets over mij. Het heeft geen zin om hen, dertig jaar later, iets over mijzelf te vertellen. Soms is het moeilijk te beseffen dat ze er over misschien tien, twintig jaar niet meer zullen zijn. Ik weet hoe mijn vader en moeder reageren, hoe ze denken, zich bewegen. Maar ik kan niet zeggen dat ik een vader en een moeder heb gehad.’


    Zou je deze boeken hebben geschreven als je in Roemenië was gebleven?

    ‘Sommige dingen kan ik alleen in het Nederlands schrijven. Alleen in het Nederlands kon ik zeggen, “Hij heeft mij naar zijn kamer gebracht”. Ik heb geprobeerd deze zin in het Roemeens te zeggen, maar dat is moeilijk. Het krijgt ook een andere betekenis in het Roemeens, ik moet mezelf verstoppen na zo’n zin. Ik leun op deze nieuwe taal, zij heeft mij kracht gegeven deze zin te zeggen. Het is heel interessant wat een vreemde taal met je doet. Ik dacht ook aan Nabokov, die eerst in het Russisch schreef, in de jaren dertig schreef hij in het Frans, en daarna, toen hij naar Amerika verhuisde, ging hij in het Engels schrijven. Pas op zijn vijftigste schreef hij Lolita. Dan vraag ik me af, wat was Nabokov zonder de Engelse taal. Dat vind ik ongelofelijk interessant.’


    Wat betekende literatuur voor jou?

    ‘Het leven was hard waar ik opgroeide. Alle dieren die we hadden aten we op, de kip, het varken. Eerst aaide je het varken op zijn buik en het volgende moment werd er een mes in zijn rug gestoken. Dat was hard voor een kind, er was geen medelijden. Dat vond ik wel in de literatuur. Homerus is ontzettend menselijk, over iedereen heeft hij iets moois te zeggen. Iets waardoor je begrijpt hoe die persoon was. Hij heeft medelijden met iedereen. Op mijn twaalfde kreeg ik Het verhaal van St Michele, van de Zweedse schrijver Axel Munthe. Dat boek heeft mijn leven veranderd, dat boek heeft mij geleerd dat ik niet de enige ben die niet tegen het doden van een varken kan. Schrijvers die ik in mijn kindertijd belangrijk vond, waren schrijvers die menselijkheid en zachtheid toonden.’


    Welke boeken blijven altijd bij je?

    ‘Ik vind houvast bij de klassiekers, Homerus, Cervantes en Dante. Hoewel Dante hard lijkt, toont hij ook medelijden. In de Divina commedia smeekt hij om woorden. Hij zegt, “Geef mij het juiste woord om dat te kunnen beschrijven.” Dante die smeekte om het juiste woord, wie ben ik om niet te smeken voor het juiste woord in het Nederlands? De grootste dichter van de Europese literatuur heeft dat gedaan, dan kan ik dat ook doen in een andere taal.’ 


    Hoe belangrijk is het deze klassiekers te lezen?

    ‘T.S. Elliot heeft eens gezegd dat wij niets zijn zonder onze voorouders, wij bestaan omdat onze voorouders hebben bestaan. Zo bestaat poëzie al vele eeuwen en schrijven we al 4000 jaar. Dit is belangrijk te weten. Je kunt geloven dat je door gewoon aan tafel te gaan zitten kunt beginnen met schrijven, dat alles uit je hoofd komt. Maar dat is niet zo, het komt uit je ervaring met lezen, uit boeken. En het feit dat je iets doorgeeft, je moet iets doorgeven.’


    Schrijven is lezen?

    Je moet de grote literatuur kennen. Als je Homerus niet gelezen hebt, is je bagage te licht. Dan heb je iets wat belangrijk is, niet meegenomen. Ik zie de literatuur als een tuin waarin grote bomen staan, maar ook sneeuwklokjes en gras. Ik wil graag in die tuin zijn. Niet als grote sequoia of baobab, maar belangrijk is dat je weet wat er allemaal in die tuin staat, dat je weet wat literatuur is. Zonder lezen kun je niet schrijven.’


    Taal is een getuige schrijf je in Liefdesverklaring. Waar wil jij van getuigen? 

    ‘Weet je, ik zal je iets vertellen wat ik nog nooit in een interview heb gezegd. Ik kom uit de armoede, voorbestemd geen kansen te krijgen, maar ik heb er veel gekregen. Daarvoor heb ik betaald met mijn gezondheid, ik doe alles om te schrijven, om te getuigen dat mensen zoals ik… Ik heb nog nooit verteld dat ik wil schrijven voor degenen die geen kans krijgen. Voor degenen die denken dat het niet lukt. Ik wil laten zien, dat hoe ik in Roemenië, uit de armoede kwam. Dat ik een fantastische baan bij de radio achterliet, hier opnieuw begon. Hier ben ik een buitenlander, ik zal de taal nooit perfect leren spreken. Toch wil ik laten zien dat het kan. Dat mensen zoals ik iets te zeggen hebben. Dat mensen zoals ik ook een rijkdom bezitten.’

     

    In Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal schrijft Mira Feticu: ‘De Nederlandse taal is voor mij wat voor de bouwvakker het hout, de stenen of het  cement is. Ik ben een bouwvakker in de Nederlandse taal en af en toe, midden in mijn boeken, bij vlagen, een ingenieur. Ooit zal ik volleerd ingenieur worden. Misschien ook architect.’

     

     

     

    Foto auteur: Irwan Droog


  • Het voortdurend verlangen geaccepteerd te worden

    Het voortdurend verlangen geaccepteerd te worden

    In de verhalen van Treinen en Kamers van Annelies Verbeke duikt steeds dezelfde constatering op: Of de personages nu onderweg zijn of aangekomen, zich in treinen of kamers bevinden, ze zijn allemaal hartstochtelijk op zoek naar liefde en begrip en stuiten keer op keer op een vijandige wereld. Ieder mens is in wezen eenzaam, al doen we nog zo aandoenlijk ons best, volledig geaccepteerd door onze soortgenoten worden we nooit. ‘Het stemt radeloos’, verzucht de auteur in het eerste verhaal, ‘ten volle te beseffen hoe weinig mensen voor elkaar kunnen betekenen’. Verbeke beschrijft de tragische zoektocht van de mens met humor, wat de boodschap nog wranger maakt. 

    Het verlangen naar eenwording – de orewoet van Hadewijch in één van de verhalen – , deze hunkering naar wederzijdsheid en verzoening mag een diepgewortelde behoefte van de mens zijn, het gebrek aan empathie en de daaruit voorvloeiende confrontatie en competitie staan deze harmonie in de weg. De personages in de verhalen reageren hier verschillend op. De één geeft het op en laat zich vernietigen door het wapen dat hem door de vijand geboden wordt (‘Mantel der liefde’) en een ander verliest het geloof in de mensheid en verandert in een dier (‘Ezel’). Weer anderen blijven zich verzetten, maar zijn gedoemd eenzaam en buitengesloten te blijven, zoals het meisje in ‘Wétiko’. Na een krachtmeting met haar geschiedenisleraar begrijpt ze dat ze zich aan de heersende norm zal moeten aanpassen om niet vermalen te worden. En de ontspoorde jongen in het verhaal ‘Matroesjka’s’ die door het goede te ontmoeten zich bekeert, eindigt als De Vreemdeling van Camus, onbegrepen en onterecht veroordeeld in de gevangenis. Allemaal vreemdelingen met een onstilbaar verlangen om geaccepteerd te worden zoals ze zijn. 

    Vernuftig spel met perspectief

    Ook Verbeke zelf voert dit gevecht. Je werk, dat ‘bekletst en bezoedeld’ kan worden, maakt je kwetsbaar. De wereld kan je afwijzen, vernederen en breken. Maar ook jijzelf kunt jouw schrijverschap aardig ondergraven: Stanislav Poepmans uit het verhaal ‘Deserteren’ is de verpersoonlijking van een vijandschap die in ieder mens zit. Je angst voor falen, voor een writer’s block, kan je doen opgeven, zeker als je het gevoel hebt dat niet alleen jij, maar ook de wereld aan de vooravond van een apocalyps staat.

    ‘Deserteren’ is een knap geconstrueerd, complex verhaal. De auteur, zelf hoofdpersoon, wordt bijgestaan door haar schaduwzijden, de zachte, de zorgzame en de strenge, de eisende en door vijf  tijdreizigers, fictieve en bestaande figuren uit de literatuur. Dan is er nog een in hoogsensitiviteit gespecialiseerde psychologe als gespreksleider. In deze komische Spiegel im Spiegel-setting wordt het schrijverschap, en daarmee het leven, onder de loep genomen.

    Verbeke speelt vernuftig met het perspectief van de personages en van het verhaal. Alles fluctueert en loopt in elkaar over en is afhankelijk van de invalshoek. Zoals de tijdreiziger Goethe: Is hij nu ‘de echte [Goethe] of die van Mann’, vraagt de auteur. Over die vraag is Goethe ‘zelf ietwat … in de war’: Lotte in Weimar (geschreven door Thomas Mann in 1939) ‘is zo’n doorwrochte biografische schets geworden dat [hij] zelf niet meer weet wat klopt en wat niet, en “welke Goethe [hij is]” ‘. 

    Literatuur in de hoofdrol

    Annelies Verbeke zet al schrijvend alles in beweging. Ze verstrengelt fictie met werkelijkheid, beschrijft puntig en met humor een diepe pijn, laat weg wat de lezer zelf kan invullen. Dat betekent wel dat de lezer moeite voor dit boek moet doen. Verbeke plaatst literatuur in de hoofdrol door te putten uit verschillende genres en verhaaltechnieken. Theater of een voorleesverhaal voor kinderen, het poëtisch metrum van Homeros, allegorie, stream of consciousness van een tastende ik-figuur of een tot inleving dwingende ‘jij’, de schrijfster beheerst ze allemaal. Hier en daar schemert onze hedendaagse wereld door de wereldliteratuur heen: de tragedies van vandaag, of het nu de vluchtelingencrisis is, of de actuele pandemie, ze zijn van alle tijden.  

    Een hoofdpersoon in het ene verhaal kan een figurant zijn in een ander verhaal. In ‘Force Majeure’ is de vrouw die in een treincoupé ‘bezig is haar immer aandampende brillenglazen schoon te wrijven’ de hoofdfiguur in ‘Mantel der Liefde’. Deze vrouw blijkt, juist omdat ze inlevend en van goede wil is, ter dood veroordeeld. De mantel keert zich tegen haar.  In ‘Lijst’ leest treinbegeleidster Natasja bij wijze van informatief vermaak haar lijst van opbeurende dingen voor aan de passagiers. Dat is komisch en verdrietig tegelijkertijd. In het verontrustende verhaal ‘Limbo’ is dezelfde Natasja een reddende engel die een zondaar uit het voorgeborchte leidt. Allemaal gekleurde scherfjes in een caleidoscoop die bij elke kleine draaibeweging een nieuwe constellatie vormen. Het plaatje is elke keer weer aangrijpend. 

    Verbeeldingskracht en schoonheid

    Alles is een kwestie van perceptie. Het subject wordt door middel van schrijven een object en krijgt de touwtjes in handen. De eigen angst wordt dan hanteerbaar en Stanislav Poepmans kan weggeblazen worden. Maar bovenal komt zo de weg vrij voor iets dat ‘fundamenteel mooi’ is. Verbeeldingskracht helpt om de geestdodende ‘normaliteit’ te ontstijgen en dichter bij schoonheid te komen. Dat zou als een redding geïnterpreteerd kunnen worden, die literatuur – en kunst in het algemeen –  vermag te brengen. De witte walvis uit het slotverhaal ‘Mer à boire’ illustreert dit beeld. Alle reden dus om jezelf een hart onder de riem te steken:  ‘ce n’est pas la mer à boire’ is de Franse uitdrukking die zoveel betekent als ‘het valt allemaal wel mee’. Met dit geweldige boek, dat de ziel streelt, soms lachwekkend is en ten diepste ontroert, is de redding inderdaad nabij.

     

     

  • Een gecompliceerde en machtige roman

    Een gecompliceerde en machtige roman

    De Poolse auteur Olga Tokarczuk (1962) won de Nobelprijs Literatuur 2018, die in 2019 bekend werd gemaakt. Eerder werd haar werk bekroond met de Man Booker International Prize en meerdere malen met de Nike-prijs, de belangrijkste literaire prijs van Polen. Jaag je ploeg over de botten van de doden, haar tiende roman, is een feministische en ecokritische roman met thrillerelementen.
    Het verhaal wordt verteld door Janina, een oudere vrouw die in een afgelegen dorp woont. De eerste zin zet meteen de toon, ‘Ik ben al op zo’n leeftijd en er bovendien zo aan toe dat ik voor het slapen altijd goed mijn voeten hoor te wassen voor het geval de ambulance me ’s Nachts moet komen halen.’ De hoofdletter in deze zin is niet verdwaald, Janina is gul met hoofdletters. Zo krijgen ook woorden als Mens, Schemering en Teefje een hoofdletter. 

    Meerdere moorden

    Op een nacht maakt de buurman haar wakker, hij heeft een andere buurman, door Janina Grootvoet genoemd, dood gevonden. Dat is het startschot voor meerdere moorden in het dorp. Alle slachtoffers vormden een bedreiging voor de dieren in de omgeving. Over Grootvoet vertelt Janina, ‘Heel wat keren was ik achter hem aan gelopen en had ik de primitieve stroppen van ijzerdraad voor de Dieren weggehaald, de lussen die zo aan de kromgespannen jonge boompjes waren vastgemaakt dat het gevangen Dier als gekatapulteerd omhoogvloog en in de lucht bleef hangen.’
    De politie doet weinig, dus Janina begint met haar eigen onderzoek en houdt de politie op de hoogte, ‘[…] ik heb besloten om bepaalde, heel karakteristieke informatie die we uit de kosmogrammen (beter bekend als Horoscopen) van de slachtoffers kunnen halen, wat beter te bekijken, en zowel in het ene als in het andere geval lijkt het duidelijk dat een aanval van Dieren hun fataal is geworden.’ Het lijkt alsof de dieren wraak nemen op de mensen, dat is in ieder geval wat Janina gelooft. Maar is dat wel zo? 

    Mens en dier

    Janina is een excentrieke, zorgzame verteller. Ze rouwt om dode dieren, denkt constant aan haar overleden dorpsgenoten en vermenselijkt zelfs de vakantiehuizen waar ze een oogje in het zeil houdt als de bewoners er niet zijn: ‘Nu ik er gerust op was dat de huizen weer waren toevertrouwd aan de zorg van hun eigenaren, schiep ik er plezier in om steeds verder te lopen en die wandelingen nog steeds mijn rondes te noemen.’ Ze heeft moeite met mensen die vlees eten en nog meer moeite met het feit dat niemand haar serieus neemt als ze er iets van zegt. Toch heeft Jaag je ploeg over de botten niet altijd een serieuze toon, bijvoorbeeld wanneer Janina meekijkt met de openluchttandarts en diens patiënt:
    ‘”Wat is er loos?” vroeg de Tandarts. Als antwoord deed hij zijn mond open, en de Tandarts keek erin. Hij sprong direct terug en zei ‘Sodeju’, wat waarschijnlijk de beknoptste beoordeling van de staat van het gebit van de patiënt was.’

    Maatschappijkritiek

    Jaag je ploeg over de botten is sterker als roman dan als thriller. Wie de moorden heeft gepleegd, is voor de geoefende detectivelezer gauw duidelijk. Toch is dat niet erg, het verhaal is zo bijzonder en gelaagd dat de ‘whodunnit’ slechts één element is van het geheel. Er blijft genoeg over, met name in de verhouding tussen mens en dier, oud en jong, man en vrouw. Het boek vormt een sterke maatschappijkritiek.
    Ook tegenover godsdienst staat Janina sceptisch, bijvoorbeeld in de scène die zich afspeelt in de kerk: ‘Pastoor Geruis liep nu in het gezelschap van een misdienaar langs de ballustrade en voedde hen weer met vlees, deze keer in symbolische vorm, maar toch vlees, het lichaam van een levend Wezen.’ Tijdens zijn preek, waarin hij jagers verheerlijkt, loopt Janina naar hem toe en vraagt ze hem op te houden. Zijn reactie: ‘Nou, nou.’

    Oud en onschuldig

    Omdat ze een oude vrouw is, is niemand bang voor haar, maar kan ze ook niets veranderen. Dit wordt geïllustreerd door de manier waarop de gemeente haar behandelt: ‘Elk jaar protesteer ik bij de burgemeester tegen de rally’s met die vreselijke wagens en stuur ik petities. Ik krijg dan een nietszeggend antwoord dat de burgemeester mijn opmerkingen te zijner tijd zal behandelen, en dan is het stil.’ Ondertussen leeft Janina in haar eigen werkelijkheid, waarin ze zelfs haar auto Samurai vermenselijkt, ‘Samurai gedroeg zich alsof hij reukvermogen had – hij bleef staan.’ Toch heeft ze hobby’s, zo vertaalt ze bijvoorbeeld poëzie, en maakt ze tijdens het verhaal vrienden, niet in de minste plaats bij de lezer zelf.

    Dit gecompliceerde verhaal levert een machtige, verrassend vlot lezende roman op. Janina is uitermate sympathiek, haar stem is een kaarslichtje in de koude, Poolse bossen. Juist doordat zij als oude vrouw niet bedreigend is, slaagt zij erin je bij de hand te pakken en je de misstanden van haar wereld te laten zien. Charlotte Pothuizen en Dirk Zijlstra hebben Jaag je ploeg over de botten meesterlijk vertaald, waardoor dit een onvergetelijk verhaal is geworden.

     

    Lees hier een interview met Olga Tokarczuk voor Literair Nederland.

     

  • OK boomer

    OK boomer

    ‘ROMAN’ staat er in drukletters op de kaft van Alfred Birneys In de wacht, en het is niet zo gek om je na het omslaan van de laatste bladzijde af te vragen waarom. De namen van de personages zijn veranderd en hier en daar zal wellicht nog wel iets zijn gefictionaliseerd, maar in grote lijnen gaat het toch om een egodocument van een hoofdpersonage dat vrijwel geheel samenvalt met Birney zelf, zowel wat zijn achtergrond betreft als wat hij meemaakt. Alan Noland, zoals Birneys alter ego heet, ligt immers in het ziekenhuis te wachten op een hartoperatie waar zijn geestelijke vader zelf van is hersteld in 2019, had ook een getraumatiseerde militair als vader die zijn gezin mishandelde, was eveneens gitaarleraar enzovoort.

    Ondertussen houdt hij een lange innerlijke monoloog over zowat alles wat hem bezighoudt, en dat is nogal wat. In de wacht gaat over van alles en nog wat. En dat is meteen ook het probleem: Birney kan er moeilijk een onderwerp uit kiezen om zich op te focussen zodat het boek alle richtingen uitwaaiert.

    Kijk op multiculturele samenleving

    Maar laten we beginnen met de positieve punten, want die zijn er wel degelijk. Zo is het vertelstandpunt alleszins origineel. Noland (of Birney dus) is een man van middelbare leeftijd van gemengde afkomst (Chinees, Indisch, Schots en Brabants om precies te zijn) en heeft in die hoedanigheid wel een originele kijk op de netelige kwestie van de multiculturele samenleving en de identiteit van de mens die zich daarin beweegt. Dat maakt hem op zich al bijzonder, want er is veel eenheidsworst in de hedendaagse Nederlandstalige literatuur, die wel erg vaak draait om de first world problems die de gemiddelde witte middenklasser uit de randstad bezighouden.

    Noland noemt zichzelf een ‘Brindo’, een verzonnen woord dat hij verkiest boven ‘allochtoon’: ‘Wat een bespottelijke term hebben die Batavieren toch verzonnen: allochtoon. In Amerika ben je immigrant, je directe nakomelingen zijn immigrantenkinderen en die daarna komen zijn Amerikanen. Punt. Maakt ze nog geen lieverdjes, dat tuig, ze doen alleen wat minder nodeloos ingewikkeld. Ik was hier een Indische jongen, vanaf de Molukse treinkapingen was ik een Indo en toen de allochtonenwet werd ingevoerd – ik denk in 1994 – was ik opeens een allochtoon. Waarom? Omdat mijn vader uit het buitenland kwam. Het buitenland was een gekoloniseerde eilandenreeks met de door Multatuli bedachte term Gordel van Smaragd.’

    Het komt opvallend vaak terug, die afkeer van betutteling onder het mom van antiracisme, en ook de affiniteit van Birney met het gewone volk komt goed uit de verf. Liever heeft Noland nog het gewone, eerlijke volksracisme van bijvoorbeeld de Haagse kastelein met wie hij een ziekenhuiskamer deelt, dan het omfloerste, in bedekte termen geformuleerde superioriteitsgevoel van de witte middenklasse: ‘Andersom stel ik me voor dat mensen die voortaan over witten spreken niet per definitie een gedekoloniseerd brein hebben. Ze volgen braaf de dynamische terminologie zonder zich te verdiepen in de inzichten die daartoe hebben geleid.’

    Gruwelen van het ziekenhuisleven

    Birneys onvrede met de huidige samenleving, gekenmerkt door materialisme en consumptiedrang, vervuiling, hufterigheid (‘scheldkanonnades van halve analfabeten over en weer op socialemediaplatforms’) en andere ellende, zit erg diep. Het boek vormt ook aanleiding om het steriele, anonieme, onmenselijke ziekenhuissysteem aan te kaarten, met zijn overwerkte verplegers, arrogante dokters die op vijf minuten het lot bezegelen van patiënten die al weken liggen te wachten, en liefdeloos neergekwakt, smakeloos voedsel. ‘Het moet werkelijk een gruwel zijn iemand op te zoeken in een ziekenhuis,’ verzucht Noland, en geef hem eens ongelijk. Wie wil er nu zijn laatste dagen doorbrengen zoals de oudjes die je daar soms door de gangen ziet schuifelen, ‘Bijkans verschrompeld tot wandelende takken lopen ze achter hun rollators aan, vastbesloten om hun zonen of dochters nog eenmaal te bezoeken eer zijzelf als stofhopen achter die rare karretjes blijven liggen, gereed om opgeveegd te worden’?

    In de wacht is een boek met pieken en dalen. Het is alsof je in het café naar een man van middelbare leeftijd zit te luisteren die heldere momenten vol puntig geformuleerde inzichten afwisselt met troebel gedram en gezeur. ‘OK boomer,’ denkt de brutale lezer, die aan de drang moet weerstaan om een paar bladzijden over te slaan, op zo’n moment. Een strengere selectie ware dus beter geweest, en ook dat fictiesausje hoeft eigenlijk niet. Als In de wacht dan toch niet echt een roman, maar een egodocument is, zoals het in de reeks Privé-Domein verschenen Niemand bleef, heeft het geen zin om de schijn op te houden.