Dit is de laatste Oogst van de week voor de zomervakantie, in de eerste week van september verschijnt de volgende ‘oogst’.
‘Wervelend en geestig,’ noemt de Volkskrant de onlangs bij De Bezige Bij verschenen vertaling van de roman All Fours, in het Nederlands verschenen onder dezelfde titel. De veelzijdige Amerikaanse Miranda July is regisseur, screenwriter, acteur en schrijver, All Fours is haar tweede roman.
Een 45-jarige kunstenares neemt in Los Angeles afscheid van man en kinderen om per auto naar New York te rijden. Nog geen twintig minuten later neemt ze een afslag en boekt ze een kamer in een eenvoudig motel. Voor één nacht, maar dat worden er al snel meer. Ze begint zelfs een affaire met een jongere, getrouwde man. Wanneer ze beseft dat ze vlucht van haar realiteit als moeder, echtgenote en het ouder worden, neemt ze opnieuw een afslag in haar leven. Dat blijkt het begin te zijn van een heel andere reis.
Miranda July bewijst opnieuw haar unieke benadering van fictie. Wrang, komisch en met een ongegeneerde nieuwsgierigheid naar menselijke intimiteit en tastbaar plezier in het verleggen van grenzen. July kaapt het bekende om dat te veranderen in iets nieuws en opwindends.
Auteur: Miranda July
Uitgeverij: De Bezige Bij 2024
Boreling – Echo’s van een gebroken jeugd
Bij uitgeverij Lucht verscheen Boreling– Echo’s van een gebroken jeugd, het debuut van Martin Koot (1968). Werkzaam bij onderzoeksbureau MoneyView, daarnaast is Koot muziekproducent, organisator van culturele evenementen en schrijver.
In Boreling schrijft Martin Koot een kwetsbaar en persoonlijke verhaal, over hoe zijn eenzame kindertijd hem heeft gevormd voor de rest van zijn leven. Toen Koot als tiener steun en kameraadschap zocht bij een leraar van zijn lagere school werd hij misbruikt. Wanneer jaren later Martins huwelijk op de klippen loopt en de grond onder hem en zijn kinderen lijkt te verdwijnen, vindt hij de moed om op te staan en het juk van zijn jeugd en de pijnlijke gebeurtenissen te verwerken. Naast die narigheid heeft de auteur ook veel oog voor schoonheid en die schoonheid raakt. Een openhartig en toegankelijk geschreven boek.
Auteur: Martin Koot
Uitgeverij: Lucht 2024
Kairos.
Kairos. van de (Oost-)Duitse auteur Jenny Erpenbeck (1967) was dit jaar de winnaar van The International Booker Prize van de in 2023 verschenen vertaalde literatuur. Erpenbeck wordt gezien als een krachtige stem in de hedendaagse Duitse literatuur.
Veel DDR-romans gaan over het repressieve regime en de periode voor de val van de Muur. In Kairos. schetst Erpenbeck het gewone leven van gewone mensen die liefhebben, uitgaan, gelukkig en ongelukkig zijn door hun zorgen in de privésfeer. Maar op de achtergrond speelt de ingrijpende maatschappelijke en politieke omwenteling van de jaren ’80.
Katharina is een studente van 19, Hans is 34, schrijver, radiomaker en getrouwd. Ze ontmoeten elkaar in de bus en voelen meteen een sterke aantrekkingskracht. Een wervelende affaire is het gevolg, maar gaandeweg verschuift er iets tussen hen. Katharina wordt volwassen en gaat meer haar eigen weg, wat bij Hans jaloezie en agressie oproept, zelfs met sadistische en paranoïde trekken. Een superieure roman over dimensies en lagen in de liefde, macht, verraad en de waarheid.
Volgens de een kan lasagne niet zonder, volgens de ander juist liever wel: bechamelsaus. Bechamel mucho, het 59ste boek van Vlaming Dimitri Verhulst (Aalst, 1972), is in elk geval zo gelaagd als het pastagerecht, maar heeft er verder weinig mee te maken. In meer dan 30 landen is het werk van Verhulst vertaald, van De helaasheid der dingen en De laatste liefde van mijn moeder tot De intrede van Christus in Brussel en De laatkomer. Dit laatste boek gaat over dementie, maar Bechamel mucho zou zomaar net zo onvergetelijk kunnen worden!
We volgen personage Alex, een animator in een hotel op vakantie-eiland Mallorca. Een echte charmeur bovendien, die met de ene na de andere vrouw in bed belandt. Hoe lichtvoetig dit ook klinkt, langzaamaan ontstaat een pijnlijk beeld van lege zomervakanties, die voor de eenzame dames niet meer zijn dan een doekje voor het bloeden. Of dit bloeden nu het weduwschap is, een verloren kind of een nare scheiding. Alex moddert aan en vraagt zich af, waarom de mensen om hem heen niet gewoon hetzelfde kunnen doen.
Auteur: Dimitri Verhulst
Uitgeverij: Atlas Contact
Na de komma – Hindostanen en de erfenis van het kolonialisme
Op 1 juli wordt Keti Koti gevierd: de afschaffing van de slavernij. Langzamerhand ontstaat hierover steeds meer bewustzijn in Nederland, maar het blijft een gevoelig thema. Juist daarom verdient het boek Na de komma van Shantie Singh aandacht. De titel is geen willekeur: Nederland zet graag een punt, terwijl het slavernijverleden tot op heden doorwerkt in de levens van voormalig onderdrukten en hun nazaten. Dit geldt ook voor hindoestanen. Want nadat Afrikanen niet meer gebruikt mochten worden in Surinaamse plantages, liet Nederland gewoon werkkrachten uit Brits-Indië (Pakistan en India) overvliegen.
Shantie Singh (Almelo, 1982) debuteerde in 2014 met Vervoering, een kroniek over een hindoestaanse familie, en schreef in 2020 de liefdesroman De Kier. Intussen had zij zich al aangesloten bij het schrijverscollectief Fixdit, dat zich hardmaakt voor sekse- en gendergelijkheid binnen de Nederlandstalige literatuur. Met de kritiek op het Nederlands kolonialisme geeft Na de komma andermaal blijk van Singhs maatschappelijke betrokkenheid.
Auteur: Shantie Singh
Uitgeverij: De Geus
Friezen in Rome
Atte Jongstra (1956) schrijft essays, dichtbundels en romans. Bovendien is hij redacteur van het Vlaamse literaire tijdschrift DWB en vaste medewerker van NRC Handelsblad. Voor de verhalenbundel De psychologie van de zwavel werd hij in 1989 beloond met de Geertjan Lubberhuizenprijs. Negen jaar later ontving hij de J. Greshoffprijs voor zijn essaybundel Familieportret. Publiekelijke bekendheid verwierf hij definitief met de historische roman De avonturen van Henry II Fix. En nu is daar het geestige, intrigerende Friezen in Rome.
Fries geschiedkundige Atte Sixma werkt aan het Academisch Instituut in Rome, temidden van allerlei wetenschappers en kunstenaars. Hij doet onderzoek naar Friese strijders voor keizers en Vaticaanstad. Maar niet iedereen stelt zijn inbreng op prijs. Vooral vanuit Leeuwarden klinkt steeds hardere kritiek, zijn peers pesten hem en zijn seksuele uitspattingen komen hem ook duur te staan. Ineens wordt alles twijfelachtig: heeft het Friese volk überhaupt wel bestaan? En wat blijft er in roerige tijden over van Sixma zelf?
Drie lezingen en vele weken geduld waren er voor nodig vooraleer duidelijk werd dat er aan Koeiendagen van Kira Wuck weinig valt te grijpen, en nog minder te be-grijpen. Poëzie die vrij als stromend water zichzelf lijkt te vormen, zonder zich te storen aan hoofdletters, leestekens, en wat er verder zoal aan regels zijn uitgedacht om het de schrijver en vooral de lezer makkelijker te maken. Gedichten die soms wat langer, soms wat korter zijn; soms een titel hebben, soms ook niet; en die zijn opgedeeld in zes blokken van ongelijke grootte. De inhoudsopgave alleen is al een feestje. Titels vetgedrukt, titels cursief, of gewoon een eerste regel ingeval er geen titel is.
Wuck hanteert haar taal soepel. Woorden die niet als klinkertjes of kinderkopjes met veel symmetrie en ritmiek in een fraai patroon zijn gelegd in het voorplein van een zestiende-eeuws kasteeltjes, maar hier en daar als ringen in de rotswand geslagen, om met nog iets van houvast een ravijn te kunnen passeren. Met prachtige vergezichten uiteraard, maar ook met peilloze diepten waarvan niemand precies weet wat zich daar afspeelt. Levensgevaarlijk. Maar wel een ervaring die je achteraf voor geen goud had willen missen. Woorden waarvan je niet goed weet wat je ervan moet denken. De titel alleen al: Koeiendagen. In de Dikke Van Dale komt het niet voor. Maar er is iets aan dat woord – en aan andere woorden en zinnen trouwens ook – dat je pakt, dat je raakt, zodat je maar al te graag meedrijft op de melancholie die het oproept.
Wachten op Vertraging
Verwacht bij die weidse panorama’s overigens geen scherpe adelaarsblik. Die past niet bij deze gedichten, noch qua vorm, noch qua inhoud. Eerder is het als wachten op een vlucht met vertraging, ergens op een vliegveld ver van huis; met een beker te dure koffie in de handen. Halfslaperig, tussen je wimpers door, kijken naar de andere reizigers. Allemaal wachtend op harde stoelen, aan formica tafeltjes, met hun rolkoffers, hun blèrende kinderen.
‘de man die met zijn hoofd tegen het beslagen raam bonkt zoekt een uitweg hij wordt door antidepressiva aan elkaar geregen’
Hoe kan taal die zo fragmentarisch wordt gebruikt, zo zonder kop of staart, toch zo’n compleet verhaal vertellen? Nee, eerder nog alsof de verhaal-fase in een rotvaart wordt gepasseerd, in één keer door naar het beeld. De gedichten van Wuck lezen als korte films. En die films zijn van een dermate niveau dat ze moeiteloos internationale prijzen zouden binnenslepen; verbluffend van eenvoud en tegelijk geraffineerd complex.
Naar believen wordt er in- en uitgezoomd, van cel naar heelal en vice versa, door een ik-figuur waarvan niet zeker is of dat een mens is of een dier. Zelfs niet of het een zoogdier is; mogelijk een amfibie, een weekdier, een visje. Het is allemaal zo diffuus als wat, doorschijnend en zonder materie bijna. En daar tussendoor plaatst Wuck woorden van een onontkoombare en welhaast alledaagse concreetheid: bril, pillen, sinaasappels, kopje, suiker, melk.
‘Zure melk
Als de aarde is opgebrand / hoelang duurt het dan voordat er opnieuw leven ontstaat / bossen zijn teruggegroeid eencelligen voeten krijgen / rechtop leren staan / beschutting zoeken misschien is er voor een lange tijd / alleen heel veel zwart / doet iemand vanaf een andere planeet / met zaklampen de sterren na’
Huidloos naakt
Een paar jaar terug was er een film met de intrigerende titel Kan door huid heen. Bij het lezen van deze bundel krijgt de lezer bij tijd en wijle het gevoel dat er helemaal geen huid is. Wucks gedichten zijn van een haast lichaamloze transparantie, en tegelijk zijn ze zo lichamelijk als het maar kan; aards, naakt, en op een meer dan gebruikelijke manier nabij. Intiem, op een soms ongemakkelijke wijze.
Als een peepshow waar niet het platte, directe bloot wordt bekeken, maar de werkelijke intimiteit die zich onder dat evidente bloot afspeelt. De intimiteit van mensen die voor hun geliefde niets te verbergen hebben. De zelfloosheid waarmee iemand zich overgeeft, om te worden uitgehold, verslonden, met huid en haar. Of – het is maar net hoe de verhoudingen liggen – om met de ander te versmelten, zoals slakken paren, traag, langdurig, en ja, huidloos naakt. Niet meer zichtbaar waar de een ophoudt en de ander begint. Voor de betrokkenen zelf mogelijk ook niet.
Los van de vraag of de lezer hier op zit te wachten – zo ongevraagd en onbedoeld voyeur te zijn van zo’n verregaande intimiteit – verdient Wuck alle lof voor deze bundel, want ze krijgt het toch maar op papier. Als een goocheltruc waarbij je je als toeschouwer alleen maar afvraagt: Hoe dan?
‘Ineens besefte ik dat je geurloos was / alsof je jezelf tot nu toe ongemerkt door het leven bewogen had / toch wist ik je steeds te vinden en te verleiden / om op lelies te gaan staan / misschien ben je wel een engel / want je huid is ook intact // nog geen doorn heeft in je enkels geprikt / geen scherf heeft je ooit geraakt’
Herinnerd lichaam
Wie de door Wuck geschetste en geschilderde intimiteit uitsluitend wil opvatten als liefdespoëzie in positieve, wellicht zelfs romantische zin, komt bedrogen uit. Veel gedichten zijn geschreven vanuit negatief oogpunt. Niet in de betekenis van somber, depressief, zwartgallig, maar als een fotonegatief, als omgekeerde aanwezigheid. Afwezigheid dus; na het vertrek, na het verlies van de geliefde, op welke wijze dan ook.
Herinnering van aanraking die derhalve niet-aanraking is geworden; gemis, leegte, en de rouw die nu, na het heengaan, om dat ontbreken wordt geleden. En uiteraard met dezelfde intensiteit, wat bijna onvermijdelijk doet denken aan dat prachtige Shakespeare-vers: love is not love which alters when it alteration finds. Ofwel: de liefde is altijd wat ze is, ongeacht de omstandigheden; met een aanwezige of afwezige geliefde; met een levend lijf, of met een herinnerd lichaam dat er in puur stoffelijke vorm allang niet meer is.
Verval en dood gaan hand in hand, de dood van dingen, het verval van mensen. Of omgekeerd, wie zal het zeggen. Zonder aarzeling wordt in dat bederf gewroet en gezocht naar de gaafheid van het begin. Als tijd niet bestaat – en die indruk wordt veelvuldig gewekt in de gedichten van Wuck – is het er allemaal tegelijk, geruststellend nabij, en pijnlijk afwezig.
‘Vintage is hip
Vannacht droomde ik dat ik in je huis was/ maar het servies was al opgehaald / dus omhelsde ik de aangevreten bank / dievanbinnen zo hol moest zijn / als een oude ezel // overeind gehouden met telefoonboeken uit de jaren negentig / toen je nog gewoon iedereen bellen kon // de lelijke kopjes zocht ik in elke kringloopwinkel / net als je kleren die hipsters nu dragen’
Kaarten met spreuken
Tot slot het allerlaatste vers; daarna komt er niets meer, enkel nog het schutblad. Woorden die iedereen aan het begin van een nieuwe liefde aan de nieuwe geliefde zou moeten toesturen. In sierlijke letters gekalligrafeerd, als op zo’n kaart die je vindt in een molentje, tussen spreuken van Rumi, Rilke of Inayat Kahn. Zo’n kaart die niet zelden eindigt in een mooi lijstje; vanwege de compacte maar o zo waardevolle levenswijsheid. In dit geval als een gebruiksaanwijzing, een manifest:
‘je kan met me gooien maar niet op me gaan staan ik veer niet terug en vertrek maar één keer’
Het boek verscheen in het Nederlands in 2020. Toen heb ik het niet gelezen. Soms ben ik allergisch voor een hype. Uit een soort recalcitrantie wil ik dan niet lezen wat iedereen leest. Maar de titel is me bijgebleven. Zo’n titel die iets in het ruggenmerg raakt: Jaag je ploeg over de botten van de doden. En dan ook nog van een Nobelprijswinnaar: de Poolse Olga Tokarczuk. Jarenlang heeft het boek naar me gefluisterd, ik kon het niet langer negeren.
Op de omslag wordt het een gothic detective genoemd. Het hoofdpersonage zou doen denken aan Miss Marple, de bejaarde hobbyspeurder van Agatha Christie. Onzin wat mij betreft. Het is gewoon een grote, zo niet briljante ‘Roman’. De hoofdletter is geciteerd. Tokarczuk gebruikt namelijk op een ongebruikelijke manier hoofdletters in haar tekst. Hoewel, eigenlijk doet het vertellende personage dat, mevrouw Duszejko. Een stevige vrouw van een jaar of zestig, geregeld gekweld door ‘Kwalen’, nauw verbonden met de ‘Natuur’, de ‘Dieren’ en de ‘Sterren’: ‘Ik geloofde niet dat iemand het überhaupt zou afdrukken, maar misschien dat iemand erover zou Nadenken’.
Het nadenken betreft hier haar ‘Theorie’ dat er overeenkomsten bestaan tussen de stand van de sterren en de filmprogrammering van televisiezenders. Mevrouw Duszejko heeft vele theorieën, allemaal tamelijk wezensvreemd, vaak gebaseerd op haar fenomenale astrologische kennis. Dat maakt haar een buitenstaander. In de ogen van anderen een gek maar ongevaarlijk oud wijf. Toch zijn sommige van haar overwegingen zo gek nog niet. Bijvoorbeeld als ze aankomt met de theorie dat het cerebellum niet correct is verbonden met de hersenen: ‘Was die verbinding goed aangelegd, dan zouden we volledige kennis hebben van onze anatomie, van wat er in ons lichaam gebeurt. Het kaliumgehalte in mijn bloed is gedaald. De derde halswervel staat wat onder spanning. Lage bloeddruk vandaag, ik moet bewegen, en na die eieren met mayonaise gisteren is het cholesterolniveau te hoog, dus moet ik letten op wat ik eet.’
Haar belangrijkste theorie is dat de ‘Dieren’ wraak nemen op de mens, op de vaak gedachteloos wrede mens die reeën en zwijnen naar believen dood schiet, die bomen omhakt en vossen in een pelsfokkerij opsluit. Die wraak bestaat uit moord, vandaar de annotatie met een detective of thriller. En inderdaad, de moorden vormen een voortstuwend element in het boek; ze zijn in eerste instantie een aanleiding om mensen en gebeurtenissen in een afgelegen en geïsoleerd gebied van Polen te beschrijven. Zonder nadruk is het boek ook nog eens buitengewoon geestig. ‘Eunjer was waarschijnlijk geschapen voor een leven in eenzaamheid, net als ik, maar onze eenzaamheden waren op geen enkele manier verenigbaar’, schrijft mevrouw Duszejko bijvoorbeeld. Ze heeft trouwens een hekel aan haar naam, aan de meeste namen. Daarom verzint ze voor iedereen een treffende bijnaam. Eunjer is zo’n bijnaam, net als Grootvoet en Goednieuws.
Nu het boek uit heb, weet ik waarom het door mij gelezen wilde worden. Zelden ben ik zo diep geïnspireerd geraakt door een schrijver. Als ik twee alinea’s had gelezen dan wilde ik al naar mijn eigen schrijftafel rennen. Niet om een pastiche op Tokarczuk te maken (dat zou niet alleen onmogelijk, maar zelfs potsierlijk zijn), maar wel om te proberen eveneens een meeslepend verhaal te vertellen. Om ook origineel te zijn, theorieën tot leven te wekken en personages te laten schitteren in hun eigen universum.
Jaag je ploeg over de botten van de doden / Olga Tokarczuk / vertaling: Charlotte Pothuizen en Dirk Zijlstra / De Geus
Jan Kloeze schrijft maandelijks een column. Begin maart verscheen zijn debuutroman Starfighterbij uitgeverij Palmslag.
Bambi. Iedereen kent de naam van het reebokje. Veel mensen zagen de Disneyfilm uit 1942, die nog steeds via streamingsdiensten valt te bekijken. Maar weinigen zullen weten dat het verhaal erachter (1923), dat oorspronkelijk als feuilleton in een Weense krant verscheen, is geschreven door de Oostenrijks-Hongaarse Felix Salten (1869-1945). Eigenlijk heette hij Siegmund Salzmann en was theatercriticus, redacteur, schrijver, jager én dierenbeschermer. Het verhaal is niet – zoals vaak wordt gedacht – als kinderverhaal bedoeld, al verscheen het ook als Gouden Boekje.
Nu is er bij De Geus een herdruk (als Salamander klassieker) verschenen van de Rainbowuitgave (2017) in de soepel lopende Nederlandse vertaling van Jet Quadekker. Aangevuld met een voorwoord van Arnon Grunberg en een nawoord van de vertaalster. Geschikt voor mensen die de film maar niet het originele verhaal kennen. En voor lezers die geen van beide kennen en er nieuwsgierig naar zijn. Of voor mensen die zonder meer een boek willen lezen dat volgens Grunberg ‘uiteindelijk over eenzaamheid en de dood gaat’. De vreugde over de hernieuwde kennismaking met het origineel wordt alleen wel een beetje (te?) ver doorgevoerd: ‘Salten (…) doet daarbij niet onder voor bijvoorbeeld Tolstoj in De dood van Ivan Iljits’, meent Grunberg. De novelle uit 1886 gaat over het stervensproces van gerechtsdienaar Iljitsj Golowin na een eenzaam leven. Thematiek die inderdaad overeenkomt met Bambi, maar verder lijkt Tolstoj toch een maatje groter.
Zien, voelen en ruiken
Laten we daarom Bambi van Salten zelf bekijken en op zijn eigen waarde schatten. Het gelijknamige reetje wordt diep in het struikgewas van het bos geboren en wil al jong van het gebaande pad afwijken. Hij schrikt van de eerste ‘moord’ die hij ziet: een bunzing die een muis vangt. Dat zou híj nooit doen! Net zomin als ruzie maken over eten, zoals twee Vlaamse gaaien. Nee, hij, Bambi zal genieten van ‘de hoge, wijde, blauwe hemel’, de gloed van de zon ‘en het weidse groen’. Zien, voelen en ruiken.
Maar zijn moeder is altijd op haar hoede. Op klaarlichte dag zullen ze bijvoorbeeld nooit naar het veld gaan. Dat is te gevaarlijk. De grote herten boezemen de reetjes ontzag in. Familie en toch ook weer niet. Van je familie, die grote herten, moet je het hebben! Een bosuil adviseert dat ze zich niet met dat volk moeten bemoeien. Moeder ree heeft het tot twee keer toe over ‘Dat … was … Hij!’; een vertegenwoordiger van de mensensoort, een jager, begrijpt de lezer. Al gaat het verhaal ‘dat Hij op een dag bij ons [de dieren, vS] zal komen en goed zal zijn als wij. Hij zal met ons spelen, het hele bos zal gelukkig zijn en we zullen vrede sluiten’.
De (volwassen) lezer begrijpt meer. Bijvoorbeeld over bladeren aan de bomen die op een gegeven moment doodgaan en naar beneden vallen. Vraagt het ene blad aan het andere: ‘”Wat is daar beneden?” Het eerste blad antwoordde: “Dat weet ik niet. De een zegt dit, de ander dat (…). Van degenen die beneden zijn is er nog nooit iemand teruggekomen”.’ Bambi beleeft de wisseling van de seizoenen. Een zware wintertijd breekt aan. Voedsel vinden wordt steeds moeilijker en Hij waart rond, de roep van de reeën imiterend. Tot overmaat van ramp sterft Bambi’s moeder. ‘Verdwijnt’ zegt Bambi eufemistisch. Bambi geeft op dat moment niets meer om de ontluikende natuur.
Horen, zien en ruiken
Die natuurbeschrijvingen zijn prachtig, bijvoorbeeld over het ontwaken van de vogels. Zodanig dat je het hoort en ziet: ‘De vinken sloegen en ook de roodborstjes en puttertjes lieten zich horen. Met veel vleugelgeklapper vlogen de duiven van de ene plek naar de andere. De fazanten gaven een luide schreeuw (…). De zon was opgekomen (…). Het veld fonkelde van de dauw, rook naar gras, naar bloemen en natte aarde’. Horen, zien en ruiken. Ook de angst voor een groot hert wordt invoelbaar beschreven: ‘Niet ver van hen’ [de kudde] ‘was er geritsel. Ze stonden meteen stil en tuurden naar die kant. Daar schreed langzaam een enorm hert door de bosjes op de open plek af. In de kleurloze schemering leek hij op een reusachtige grijze schaduw.’
Toen het boek uitkwam was de ontvangst redelijk koel. Disney kwam in 1942 met zijn film, die een groot succes werd en het originele verhaal overschaduwde. Vond de Weense uitgever nog dat Salten de ziel van het Duitse woud had opgeroepen, Disney toonde een beeld van een lieflijker natuur.
Metafoor voor het interbellum
Toch is het niet moeilijk om Bambi als een metafoor te lezen voor wat er in het interbellum tussen de Eerste- en Tweede Wereldoorlog in de Europese politiek gebeurde. Het bos staat voor nationalisme, zoals dat vanaf de vroeg-romantiek in Duitstalige kunstuitingen het geval is. Het veld (of de wei, in andere vertalingen) voor het beloofde land en de reeën zou je als vervolgden kunnen zien, ten prooi aan de pogroms die plaatsvonden. ‘Uiteindelijk gaat boek over eenzaamheid en de dood’, schrijft Grunberg terecht. En niet primair over liefde, zoals de Disneyfilm ons wil doen geloven: ‘Liefde is als de zon’ klinkt het meermalen in de film. Het is een mooie boodschap, maar wel wat ver van het originele verhaal verwijderd.
Er zijn van die boeken waar je na het lezen ervan even stil bent. De bundel Plooi van Babeth Fonchie Fotchind is zo’n boek. Poëzie die bij tijd en wijle binnenkomt als een stomp in de maag. Niet alleen vanwege de inhoud, ook vanwege de taal. Het Engelse woord bold is het eerste dat te binnen schiet: stoer, stevig, kordaat. Maar nooit grof of plat. Dat zou in het ergste geval een zekere oppervlakkigheid kunnen maskeren, en oppervlakkig is de poëzie van Fonchie Fotchind allerminst, noch qua inhoud, noch waar het gaat om de wijze waarop zij reflecteert op hetgeen zij te zeggen heeft. Die inhoud liegt er niet om, die gaat om niets minder dan acceptatie, bestaansrecht, voorwaardelijke versus onvoorwaardelijke liefde.
‘de man van tante agathe / had zijn renault 5 uitgeleend aan mijn moeder en vader / en ook zijn tijd, hij wachtte al dagen in onze woonkamer / dat is niet normaal bij een dochter / iedereen had hoop dat / ik zou uitblinken in vrijwel alles / zodat de familie erop vooruit zou gaan’
Meerledige kloof
Soms is de kloof tussen twee culturen zo groot dat het eerder lijkt te gaan om een andere planeet dan om een ander continent. Weliswaar bereikbaar en bereisbaar, maar evengoed ver en vreemd. In het levensverhaal van Fonchie Fotchind blijkt die kloof ook nog eens meerledig. Niet alleen is dit het verhaal van een Afrikaanse vrouw die op haar vijfde naar Nederland kwam en daar als zwart meisje in een overwegend witte omgeving moest aarden. De kloof wordt vooral gevoeld waar haar geaardheid niet wordt geaccepteerd door haar ouders, want niet verenigbaar met de mores en opvattingen van haar geboorteland Kameroen. Deze kloof, – die na haar coming-out dat zij op vrouwen valt – onoverbrugbaar bleek en die bij elke volgende beweging alleen maar groter wordt, komt in deze bundel veelvuldig ter sprake. Niet als een eentonige dreun, maar even veelkleurig als de gevoelens die erdoor zijn losgemaakt, zodat het ene gedicht leest als een aanklacht, het ander als een afscheidsbrief. De ene keer voeren eenzaamheid en pijn de boventoon, de andere keer woede en onbegrip; een enkele keer als een gelaten ‘ach, laat ook maar’.
‘tijdens mijn functioneringsgesprek geeft mijn leidinggevende mij terug dat ik niet voldoe aan het ideaal. ik heb dit eerder gehoord, maar verloor toen een moeder in plaats van een baan’
De diepste kloof is wel die tussen zijn wie je mág zijn – van anderen, je familie, je cultuur – en wie je móét zijn, vanuit een innerlijke bepaaldheid waaraan niet valt te tornen: deze mens, deze vrouw, zo, nu, hier, en niet anders, wat de rest van de wereld er ook van meent te moeten vinden. ‘even niet denken / aan uitgaansnachten waarin ik me minder bloot / had moeten kleden om te voorkomen dat een gezwollen geslacht / zich tegen mijn rug aan drukte / in een steegje // proberen te begrijpen dat mijn moeder / alleen kan begrijpen / dat ik op vrouwen val vanwege het voorval / in het steegje’
Pendelend tussen uitersten
Misschien is dat ook wat de afbeelding op het omslag wil zeggen. Een ovale vorm, naar alle waarschijnlijkheid een menselijke hoofd, gewikkeld in een soort zijde, of vloeipapier. En voor de persoon in kwestie de hamvraag: blijf je verborgen in je omhulsel – het titelwoord plooi is voor velerlei uitleg vatbaar – of scheur je het open en toon je het gezicht dat waarachtig het jouwe is, maar dat door sommigen misschien niet graag gezien zal worden? ‘een week / de tijd gehad om / zichzelf op te vouwen / tot het meest geschikte formaat / dat uit de lessen van haar vader volgde. / zou hij trots zijn / op hoe ze haar grenzen wegplooit? // iri, nog een keer / maar zelfs in een voor het blote oog / vrijwel onzichtbare gedaante / is ze nog te veel.’
Niet alleen waar het gaat om de beleving en de bijbehorende emoties wordt er gependeld tussen uitersten. De taal beweegt daarin mee. Taal die af en toe fijn en zacht is, elegant, met een exotische sensualiteit waarbij de lezer de kleurige ‘waist beads’ bijna letterlijk ziet deinen. Op andere momenten een taal die zo hard is als een grove schets in houtskool, tzak-tzak-tzak. Vooral waar de andere realiteit van vrouwzijn wordt getoond, en de afwijzing van een lesbische lichaam in een Afrikaanse cultuur even direct en meedogenloos wordt beschreven als die in werkelijkheid plaatsvindt.
‘grootmoeder denkt alles goed te hebben gedaan: mijn moeder als zuigeling op de vlisco-doeken gelegd / scheermes in vuur / gloeiend scheermes tegen zuigeling / bepaald dat zuigeling volmaakt zou zijn als minder gevoelig
zulke vrouwen gehoorzamen hun husband nu eenmaal beter, leveren een grotere bruidsschat op,’
Klare taal en exotische mystique
Het is een taal die geen medelijden vraagt. Dat heeft de schrijfster ook met zichzelf niet. Wel compassie. Dat maakt dat deze poëzie geregeld het gangbare, herkenbare ritme van poëzie verlaat om – meer als een dagboek welhaast – de hartslag van het moment te volgen. Omdat datgene wat gezegd moet worden, de urgentie voorgaat op de wijze waarop het wordt gezegd – de vorm, de taal – en al helemaal op de bedenktijd waarin woorden worden gezocht en gewogen, zinnen geproefd, en het papier halen, of niet.
Toch is de poëzie van Fonchie Fotchind afgewogen en serieus doordacht, ondanks de spontane flow die een zekere impulsiviteit, zelfs een gehaastheid suggereert. Zonder meer met veel talent, intelligentie en integriteit gecomponeerd, maar tegelijk ook heel dicht bij het leven van deze ene specifieke vrouw. Zodanig dat het meer universele uitzicht op de wereld, de tijd, en in dat alles ‘de mens’ in zijn/haar algemeenheid wat in de verdrukking komt.
‘wij zijn de ouders van het kind dat in groep vijf op de vraag hoe lief haar oma’s zijn moet antwoorden dat ze die nooit heeft gekend’
Individueel en particulier
Onvermijdelijk rijst de vraag wat de houdbaarheid is van poëzie die zo is geworteld in het individuele levensverhaal – en in een actuele situatie die aandacht vraagt en verdient – maar die precies daarom niet door alle tijden heen dezelfde urgentie zal hebben. Hetzelfde mag gevraagd worden met betrekking tot de vele woorden en begrippen die nu misschien en vogue zijn, maar waarvan je mag aannemen (en zelfs hoopt) dat ze over niet al te lange tijd door iets fraaiers worden vervangen: datingapp, mindfulness, AZC, zelfzorgzondag, stufi, tinder, twitteraccount, captcha-code, lg-lcd-scherm.
Staande blijft uiteraard de basispremisse dat de mens het recht heeft zichzelf te zijn en zich naar eigen aard moet kunnen ontplooien in vrijheid en veiligheid. De concrete inkleuring kan echter – zoals in deze bundel – zo particulier zijn, en bij vlagen zelfs modieus, dat terecht de vraag gesteld mag worden wat daar van overblijft als met het verstrijken van de tijd de kleur van die persoonlijke aspecten verbleekt. ‘de voicememo / over waarom geaardheid geen keuze is / komt niet binnen op haar frequentie, jullie raken / de verbinding kwijt. zij is niet geprogrammeerd om zonder voorwaarden / te houden van de mens achter het scherm, terwijl zij / zowel jouw genen als de pixels zelf bedacht.’
Tot slot een tip die niet altijd gegeven kan worden. Niet elke dichter is immers even gecharmeerd van andere media dan het geschreven/gedrukte woord. Sommigen staan niet graag voor een publiek; anderen hebben niet die présence om op een aantrekkelijke wijze hun eigen werk voor te dragen. Babeth Fonchie Fotchind, millennial en kind van haar tijd, duidelijk wel. Zoek haar op en geniet van haar optreden bij bijvoorbeeld, ‘De Nacht van de Poëzie’.
Voor de Pullitzer prijswinnaar Annie Proulx (1935) is de tijd rijp om een activistische boodschap te laten horen met haar bundel essays Veen, dras, moeras.Het onderschatte belang van veengebieden voor onze planeet. Waar ze hiervoor in het veelomvattende Schorshuiden al had geschreven over ontbossing, gaat het nu voornamelijk over het verdwijnen van de moerasgebieden en de grote ecologische gevolgen daarvan. Ze had naar eigen zeggen altijd al iets met geschiedenis, en deze keer duikt ze diep onder in de materie van vennetjes, turf en kwalijke dampen. Ze doet dit met groot enthousiasme, maar lijkt af en toe even de draad kwijt te raken.
In coronatijd besloot Proulx de boeken in te duiken, dit resulteerde in haar ‘uitwaaierende gedachten’ over hoogveen, laagveen en broekland. De bundel gaat over het ecologische en cultuurhistorische belang van de moeras- en drasgebieden. Daarbij maakt ze uitstapjes naar het mesolithicum, de Amazone, Doggerland, iconische veenlijken en het Teutoburgerwoud. Telkens keert zij terug op een basaal thema: de mens is goed in het vernietigen van natuur maar minder goed in herstellen. ‘Veenvorming is een proces van duizenden jaren, het wegsteken van veen een kwestie van weken of hooguit jaren.’ Proulx onderstreept hierbij het belang van het veen voor de soortenrijkdom en de opslag van co2. Het draineren van het veen laat die broeikasgassen weer los in de atmosfeer. In de plaats van het veen komt vaak landbouw, wat leidt tot het uitsterven van diersoorten en de verschraling van het ecosysteem. Het veen verwerkt dode plantenresten en is zo een bron van voedsel en grondstoffen voor de omliggende flora en fauna.
Draslandvocabularium
Proulx weet te enthousiasmeren voor haar onderwerp. Ze gaat niet alleen in op de ecologische kant van het verhaal maar gaat ook in samenspraak met de bronnen op zoek naar de oorsprong van onze denkbeelden over het moeras. Vaak haalt ze particuliere dagboeken aan, literaire passages uit het werk van uiteenlopende schrijvers en historische verslagen om bijvoorbeeld het verschil met de hedendaagse tijd aan te duiden. Een van de grootste verschillen is wel hoe schrikbarend snel sommige van deze gebieden verdwijnen. Zoals in Engeland, waar als resultaat van de grote ontwateringsprojecten nog maar één procent over is van de veengebieden. Saillant detail is wat Proulx daaraan toevoegt: ‘analoog daaraan sijpelde ook de taal en de kennis van de venen weg.’ Als een rode draad loopt de impact van de mens door al deze gebieden. Het is duidelijk aan Proulxs thema’s te merken dat deze veranderingen haar aan het hart gaan.
Zo trekt Proulx van de Engelse laagvenen naar de historische Noord-Europese hoogvenen met vele antropologische en historische uitstapjes. Wat hierbij opvalt is dat haar interesse enorm breed is. Met de poten in de klei banjert Proulx gestaag door, zich bedienend van het ‘draslandvocabularium’, iets wat voor een leek geen sinecure is zoals ze zelf toegeeft. ‘Veen is geen eenvoudige materie.’ Zo komen woorden als oligotroof voorbij, regenwater is oligotroof, dat wil zeggen arm aan voedingsstoffen. Ze raakt aan antropologie als ze het over het idool van Sjigir heeft, of het geluid van de lure, een blaasinstrument uit de bronstijd. Dit alles om inzichtelijk te maken hoe de veenbewoners door de eeuwen heen geleefd moeten hebben. En zo leren we over veenmos, duizenden jaren oude veenboter en wat er verder zoal boven komt drijven.
Herinnering aan haar eerste avontuur
Dat de draslanden bedreigd worden is zeker. Deze gebieden werden over vele duizenden jaren gevormd maar verdwijnen nu zo snel dat de gevolgen ervan moeilijk zijn te overzien. Het huidige natuurbeleid lijkt minder respect voor de natuur te hebben, getuige bijvoorbeeld de houtkap in de Amazone. Proulx schrijft dat draslanden als een soort buffer kunnen werken om de schokken van ecologische veranderingen op te nemen. Maar de natuurlijke wereld verandert simpelweg te langzaam voor de mens om op te merken. ‘Eeuwen en millennia zijn de uren en dagen van een hoogveen.’ Proulx schrijft over onze voorouders dat ‘hun herinneringen de emotionele trossen waren die hen verbonden met de voorouderlijke geografie.’ Zoals ook natuurvorser Henry David Thoreau een grote voorliefde had voor de ruige achtertuin van het broekland volgens Proulx. Dit zou je in de context van haar romans kunnen zien die vaak sterk verbonden zijn met een bepaalde plek en soms meerdere generaties overspannen. Zo is dit boek ook het resultaat van het goed kijken naar haar directe omgeving.
Zo bezien staat Proulx in een zekere traditie van natuurschrijvers, als een soort hedendaagse Thoreau, die trachtten om de overvloed van de natuurlijke wereld in woorden te vatten en zo hopelijk veilig te stellen voor komende generaties. Ze is daarbij vrij activistisch en schrijft over ‘ecologische rouw’ en ‘klimaatdepressie’, en het dubbele gevoel dat ze tegenwoordig heeft bij het genieten van de natuur. Ze maakt hierbij gebruik van de metafoor van het web van het leven, een inzicht dat gedeeltelijk ook teruggaat op de Duitse naturist Alexander von Humboldt. Bij Proulx begon het allemaal bij de herinnering aan haar eerste avontuur als kind in het veen, waarbij ze bijna terechtkwam in het zigzagvormige web van een moerasspin. Door de sporen van het verleden te volgen helpt ze vorm te geven aan het verhaal van het veen. Deze sporen leiden haar naar de ‘oneindige complexiteit van de natuurlijke wereld.’ En vlak daarachter naar de mens die deze natuurlijke wereld plundert en ontregelt.
Griezelige schoonheid
Draslanden hebben een sleutelrol in het ecosysteem. Leven met het water is zoals veel dingen in de natuur een kwestie van geven en nemen. Zoals de mangrovebossen die een gedeelte van de tijd nat moeten zijn en voor de rest droog. Het herstellen van natuurgebieden is ook een ingewikkelde onderneming, zoals Proulx laat zien. Toch is haar tocht wel een bochtige. Hij weerspiegelt de aard van haar persoonlijke interesse, en de geschiedenis van het behoud of de vernietiging van deze gebieden. Zo overtuigt Proulx als het op het belang van de draslanden aankomt, maar blijven we achter met de vraag of het inmiddels niet al te laat is voor behoud en herstel. De opsomming van bedreigde broeklanden en natuurgebieden op het eind van het boek waarvan sommige tot de verbeelding spreken met namen als ‘Limberlost’ en de ‘Dismal swamp’, biedt een somber vooruitzicht. Rentmeesterschap van deze waardevolle gebieden lijkt in de meeste gevallen ver te zoeken. Het besef van de ‘broze aarde’, zoals Antjie Krog het noemt, moet eerst op aanhoudende wijze doordringen.
De frisse duik in het veen levert een belangwekkend beeld op van deze liminale overgangszones. ‘Wanneer we er voor het eerst voet zetten, bekruipt ons het unheimische gevoel dat we ons bevinden in een vreemde overgangszone tussen het leven en dat wat vergaat en wegrot.’ Net als de rivier van Heraclitus is ook het veenland geen twee keer hetzelfde. Het gebied is enorm divers, en Proulx beslaat op deze pagina’s dan ook maar een stukje. Een probleem hierbij is wel dat haar bronnen vaak verouderd zijn en dat er geen of weinig contact is met het wetenschappelijke veld. Het rommelige karakter van het boek resulteert in meer een bloemlezing van aanverwante feitjes of een pamflet over veengebieden dan een echte studie. De passie en liefde voor het onderwerp zijn wel duidelijk aanwezig. Proulx haalt op enerverende wijze de nodige curiosa op ‘van zeldzaam vreemde zaken en griezelige schoonheid’. Omdat ze er zoveel dingen bijhaalt en af en toe afdwaalt blijft het gelukkig geen lesje biologie maar is het een levend document van haar betrokkenheid.
Verhalen als Romeo & Julia scoren altijd. Al in de Middeleeuwen bezingt Diederic van Assenede in Floris ende Blanchefloer de liefde tussen een moslima en een christen. Zie ook modernere werken als De Verstotene van Naima el Bezaz, waarin een Marokkaanse vrouw vreemdgaat met een Joodse man, of Hajar en Daan van Robert Anker. Maar alleen een Française steekt Shakespeare werkelijk naar de kroon: Marguerite Duras. In 1984 schrijft zij L’amant, De Minnaar. Duras – pseudoniem van Marguerite Donnadieu – wint met dit boek de Prix Goncourt.
De Minnaar gaat over de verhouding tussen een Frans pubermeisje en een Chinese man. In het huidige Ho Chi Minh-stad, dat vroeger Saigon heette, blaast het Frans kolonialisme zijn laatste adem uit. Dit continentale controleverlies loopt parallel aan een destructieve, doch verleidelijke relatie, die bol staat van begeerte, angst, nabijheid en afstand. ‘Naar geen enkel boek keer ik zo vaak terug, als De Minnaar‘, zegt Connie Palmen in haar voorwoord. Geen gekke aanbeveling… in elk geval een stuk verstandiger dan steeds weer terug te keren bij een foute ex-minnaar.
Auteur: Marguerite Duras
Uitgeverij: De Geus
Ik zeg geen vaarwel
Han Kang is allang niet meer de dochter van. In dit geval van Han Seung-won, een van Korea’s grootste auteurs. Met daarnaast broers die allen schrijven voor de kost, komt Han Kang uit een echt schrijversnest. Ze heeft zo’n beetje de helft van alle Koreaanse literatuurprijzen gewonnen en sleept de International Booker Prize in de wacht voor De Vegetariër. Dit werd in 2007 zelfs verfilmd, wat natuurlijk wel vaker een boost voor beroemdheid betekent. Ze is zelfs de favoriete auteur van de Brit Max Porter.
In Ik zeg geen vaarwel trekt hoofdpersoon en schrijfster Gyong-ha naar het Jeju-eiland. Kangs oeuvre resoneert in meerdere werelddelen, wat waarschijnlijk te maken heeft met een gothic setting en magisch-realistische verteltrant. Dit geldt althans voor Ik zeg geen vaarwel: op het Jeju-eiland gebeuren onheilspellende, occulte zaken, piept en kraakt het huis onder een sneeuwstorm en wordt het dodenrijk nadrukkelijk opgezocht. Han Kang zegt bepaald geen vaarwel; des te beter voor miljoenen lezers!
Auteur: Han Kang
Uitgeverij: Nijgh en Van Ditmar
De vriend van Matisse
De lijst beroemde Haagse schrijvers loopt lekkâh lang door. Van Birney, Brakman en Bomans tot Campert, Carmiggelt en Couperus. En zo kun je het alfabet nog driemaal moeiteloos door allitereren met literators. Een minder bekende, maar wel degelijk zeer begaafde ‘Windhapper’ luistert naar de naam Theo Monkhorst (1938). Van zijn hand verscheen reeds menig roman, poëziebundel en toneelstuk. Met De vriend van Matisse rondt Monkhorst een project af dat hij in Noord-Frankrijk begon, begin 2023. Een roman over de impressionist, fauvist en beeldhouwer die in de leer gaat bij een boer.
De schilders vervlochtenheid met zowel het fauvisme als impressionisme kenmerkt De vriend van Matisse. Enerzijds vertelt Monkhorst zijn verhaal met lichte toets, anderzijds smijt hij met ferme verfstreken over Matisses, die een vrouw tot muze kiest. En niet zomaar een… de dochter van de landpachter bij wie hij inwoont. Die keuze leidt in het kleine Noord-Franse gehucht tot de nodige onrust. Toevalligheidje: de boer heet Theodore, zoals Monkhorst. De boer vreest weliswaar voor het welzijn van zijn kind, maar Monkhorst kan er gerust vanuit gaan dat zijn geestelijke kind (De vriend van Matisse) een gunstig lot tegemoet gaat.
Het lange antwoord is de debuutroman over de vele vormen van moederschap van Anna Hogeland. Alle aspecten komen voorbij: zwangerschappen, miskramen, bevalling, complicaties bij de bevalling, doodgeboren kinderen, abortus, eiceldonatie, ivf-behandelingen, onvruchtbaarheid enzovoort. Centraal in de roman staan de twee zussen Margot en Anna. De roman begint met een telefoongesprek tussen de twee dat al meteen duidelijk maakt dat er een zekere afstandelijkheid is tussen hen. Anna, die in verwachting is van haar eerste kind hoort via de telefoon van Margot (die al een zoontje heeft en voor de tweede keer in verwachting was) dat ze een miskraam heeft gehad. ‘We hoefden er verder geen woorden aan vuil te maken, zei ze, ze wilde gewoon liever dat ik het van haar hoorde dan van onze moeder. En ze wilde dat ik me vrij bleef voelen om tegenover haar over mijn zwangerschap te praten – toen ze belde zat ik op negen weken (…) Daarna wist ik niet zo goed of ik haar nog eens moest bellen, of ze het nog verder over haar miskraam wilde hebben, ook al beweerde ze van niet. Eigenlijk was ik verbaasd dat ze het me überhaupt had verteld. We waren nooit het type zussen geweest dat hun diepste geheimen met elkaar deelt en aangezien ik altijd het gevoel had dat die dynamiek bewuster van haar kwam dan van mij deed ik mijn best om dat te respecteren’.
Die afstandelijkheid verandert als zij in een later gesprek komen op Elizabeth, wier verhaal het onderwerp van het eerste hoofdstuk vormt.
Auteur: Anna Hogeland
Uitgeverij: De Geus
Moedermelk
Nora Ikstena (1969) is een Letse schrijver, die studeerde in Engeland en Amerika, maar werkzaam is in haar geboorteland. Ze heeft al een twintigtal boeken op haar naam staan, maar Moedermelk is het eerste van haar dat we nu ook in het Nederlands kunnen lezen. Het verhaal gaat over drie generaties vrouwen die op verschillende manieren te maken hebben met de Sovjetonderdrukking. Globaal bestrijkt de roman de periode tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog en de val van de Muur, de tijd dus dat Letland deel was van de Sovjet-Unie. Vertellers zijn afwisselend een moeder en haar dochter. De moeder is arts. Haar carrière wordt gesmoord als ze het opneemt voor een vrouw die door haar echtgenoot wordt mishandeld. Ze weigert haar dochter haar moedermelk te geven omdat die (door haar verbitterdheid over de Russische onderdrukking) doordrenkt is van onderdrukking. Daartegen wil ze haar dochter beschermen, die later een afkeer ontwikkelt van de melk die de kinderen op school gedwongen moeten drinken. Toch is er hoop via de derde vrouw in de roman, de grootmoeder van de dochter, wier optimisme het niet-onderdrukte Letland vertegenwoordigt.
Auteur: Nora Ikstena
Uitgeverij: Koppernik
Teer
Hoofdpersonages in Teer van Toni Morrison zijn het verliefde zwarte stel Jadine en Son. Ze komen beiden uit totaal verschillende werelden. Jadine is een beeldschoon fotomodel, ze heeft gestudeerd aan de Sorbonne en wordt financieel gesteund door een rijke familie. Son is een voortvluchtige man man, die zijn vrouw heeft vermoord. ‘Teer’ uit de titel verwijst naar een benaming (‘Tar baby’) die blanken volgens Morrison vroeger gaven aan zwarte meisjes. Son vertelt Jadine het mythische verhaal van de teerpop. Omdat teer in de geschiedenis werd gebruikt om materialen aan elkaar te hechten, zoals het biezen mandje van Mozes, staat het beeld van de teerpop voor de zwarte vrouw die dingen bij elkaar weet te houden. In het Nawoord bij de roman van Neske Beks lezen we meer over: ‘Handig is te weten dat dit een Afro-Amerikaanse mythe [over Broer Konijn, Broer Vos en de teerpop] is die oorspronkelijk door totslaafgemaakten werd verteld’. Morrsison zei erover: ‘In het boek (…) gebruik ik dat oude verhaal omdat het, ondanks het grappige, vrolijke einde, mij vroeger bang maakte. In het verhaal komt een teerpop voor voor die door een witte man wordt gebruikt om een konijn te vangen’.
Het uit 1981 stammende Teer van Toni Morrison is nu verschenen in de statige Perpetuareeks van Athenaeum.
Toon Tellegen (1941) schreef een bijna ontelbaar aantal boeken, vooral kinderboeken. Het eerste was Er ging geen dag voorbij – Negenenveertig verhalen over de eekhoorn en de andere dieren (1984). Daarna volgden er nog talloze andere verhalen; grappig, ontroerend, met een filosofische inslag en soms een beetje moraal. Ook volwassenen lezen ze graag.
Daarnaast publiceerde Tellegen meer dan twintig poëziebundels, en proza voor volwassenen. Bovendien schrijft hij teksten voor film en toneel. Hij ontving vele prijzen, waaronder Gouden en Zilveren Griffels, en voor zijn gehele oeuvre de Constantijn Huygens-prijs, de Theo Thijssen-prijs en de Hendrik de Vries-prijs.
Dieren spelen vrijwel altijd de hoofdrol in zijn kinderenboeken. Allerlei dieren komen voorbij, vooral Tellegens mier en eekhoorn zijn beroemd. Ook de krekel, olifant, bij, egel, kikker, walvis en nog veel meer dieren fungeren als personages in de korte verhaaltjes waarin een probleem of vraag wordt opgeworpen. Het zijn metaforen voor menselijk gedrag en emoties. Olifant bijvoorbeeld wil graag vliegen en egel wil iemand anders zijn. Bij Tellegen komen ze na een klein avontuur en een ervaring rijker weer met de voetjes op de grond.
De verzamelde verhalen in Voor elkaar gaan over dieren die elkaar troosten en helpen als er iets verkeerd is gegaan of als iemand verdrietig is. Zo heeft de sprinkhaan in zijn winkel nóg een dag voor de eendagsvlieg en kunnen schildpad en slak niet zonder elkaar bij het wedden wie van hen het langzaamst is.
Auteur: Toon Tellegen
Uitgeverij: Uitgeverij Querido
Gebied 19
Tijdens de coronapandemie met lock-down en avondklok stelde Esther Gerritsen zich voor hoe het zou zijn als er steevast weinig mensen op straat zouden zijn. Toen ze haar hond uitliet, was ze vrijwel alleen buiten en haar fantasie ging aan het werk. Daar is Gebied 19 uit voortgekomen, een psychologische sciencefictionroman. Sciencefiction is een ‘oude liefde’ van Gerritsen, vertelt ze in een interview op Libris.nl. Ze leest het nog steeds graag.
In Gebied 19 heeft op aarde een grote verandering plaatsgevonden. Niemand is daar erg verrast over, behalve hoofdpersoon Thomas, die niks heeft zien aankomen. De dag na zijn bruiloft laat hij de hond uit en blijkt hij alleen op straat te zijn. Wel ziet hij een groep mensen bij een buurthuis. Hij piekert, want hij had bij het wakker worden zijn vrouw niet in huis aangetroffen. Een soort depressie maakt dat hij niet kan geloven dat gelukkig zijn voor hem mogelijk is. Het leven voelt onecht, Thomas kan de werkelijkheid niet aanvaarden zoals die is. Uiteindelijk verhuist hij naar een andere planeet waar hij nieuwe inzichten verwerft en leert met de realiteit om te gaan.
Gerritsen liet zich inspireren door onder meer boeken van Kurt Vonnegut en Ray Bradbury waar aliëns en andere planeten in voorkomen. Maar ‘Gebied 19 gaat uiteindelijk gewoon over relaties,’ zegt Gerritsen.
Auteur: Esther Gerritsen
Uitgeverij: Uitgeverij De Geus
Nagenoeg
De Belg Filip Rogiers (1966) werkte dertig jaar in de journalistiek, onder meer als redacteur en columnist bij De Standaard. Maar nu verruilt hij dat werk voor het onderwijs. Vanaf september gaat hij op een middelbare school Nederlands en Engels geven. De reden is dat hij op zijn zevenvijftigste nog nieuwe dingen wil leren, zegt hij. Eerder gaf hij al lessen journalistiek aan de Erasmushogeschool in Brussel.
In 2011 publiceerde Rogiers een bundel literaire verhalen, Nauwelijks lichaam, die werd bekroond met de Debuutprijs 2012. In 2015 kwam Verman je uit, zijn eerste roman waarin de hoofdpersoon door overmoed twee keer onderuit gaat. Het boek werd genomineerd voor De Bronzen Uil. In 2018 verscheen de roman Angel over een Canadese Navo-militair die in Noord-Frankrijk is gelegerd tijdens de koude oorlog.
Nagenoeg is Rogiers’ poëziedebuut. Tussen het eerste en het laatste gedicht zit dertig jaar, de dichter liet zijn werk rijpen. Sommige gedichten verschenen eerder in de Poëziekrant en Het Liegend Konijn. Ze ademen een sombere atmosfeer. Onderwerpen zijn gevreesde intimiteit, gedwarsboomde liefdes en moeizame levens. Dagblad De Morgen bestempelt de teksten als donkere maar glasheldere gedichten. De flaptekst heeft het over ‘meedogenloos hard’.
Tussen 2001 en 2023 schreef Jannah Loontjes vijf dichtbundels en zes romans. Hoewel zij geboren werd in Kopenhagen en opgroeide in Zweden, zijn haar boeken Nederlandstalig. Naast literair talent bezit Loontjens wetenschappelijke kwaliteiten. In 2012 verschijnt haar proefschrift over modernisme en tussen de bedrijven door schrijft zij voor De Groene Amsterdammer, de Volkskrant, de NRC en Trouw.
In een interview merkte zij recent op: ‘Vertrouwen in de mens, ik zou willen dat dat nog bestond.’ Een duistere opmerking. Is dit pessimisme ook te vinden in haar nieuwste boek, En toen ging hij? Loontjens, geboren in het land van hygge, mikt met dit werk niet bepaald op knusheid. Eerder gaat de roman over verdwijnende vanzelfsprekendheden, geknakte hoop en – het blijft een Scandinavische pageturner – een politieke moord.
Naar aanleiding van de aanslag op sociaaldemocraat Olof Palme wordt de moeder van hoofdpersoon Ebba gearresteerd. Het boek geeft een mooi beeld van de Zweedse couleur locale uit de jaren ’70 en ’80, zonder te behagen. In het licht van de voorgaande kritieken op Loontjens’ oeuvre zou dit verhaal een nieuw exportproduct kunnen worden voor Noord-Europa. Eerst had het de Edda. Toen was daar ABBA. En nu het verhaal van Ebba.
Auteur: Jannah Loontjens
Uitgeverij: De Geus
Waar ik ophoud – psychoanalytische essays
De laatste jaren trekken nogal wat dubieuze beroemdheden de aandacht van jongemannen. Via non-fictieboeken, TikTok en Instagram bieden ”echte” mannen sturing in deze verwarrende tijden, waarin klassieke rolpatronen opgeheven dreigen te worden. Goede voorbeelden hiervan zijn atleet Andrew Tate (A Top G Story) en psycholoog Jordan B. Peterson (12 Rules for Life). Zij wijten de toegenomen onzekerheid onder jongemannen vooral aan de te ver doorgeschoten feminisering van de maatschappij.
Wie een volwassener kijk op de wereld en tóch een beetje sturing verlangt, wende zich beter tot Arthur Eaton. Waar ik ophoud – psychoanalytische essays zou hierbij weleens heel nuttig kunnen zijn. Eaton heeft een psychologenpraktijk in Amsterdam en verkent het gebied van de psychoanalyse. Hierop promoveerde hij reeds in 2017 én De kleine Freud is ook van zijn hand. Welke onderbewuste processen beïnvloeden ons denken, gedrag en dus ons leven?
Zijn eerste advies is dat meer mensen in therapie moeten gaan. Dit levert namelijk zelfkennis op die veel kan opleveren en leed kan voorkomen. Volgens Eaton is de psychoanalyse de enige vrijplaats waarin alle ideeën en gevoelens oordeelloos en vrij kunnen worden gedeeld. De mens is veel irrationeler dan hij over zichzelf wil toegeven. Een belangrijke voorwaarde om de gevaren van die onredelijkheid te ontmantelen, is haar te erkennen in onszelf. Daarom lijkt de aanschaf van Waar ik ophoud alleszins redelijk.
Auteur: Arthur Eaton
Uitgeverij: Athenaeum
Ei, foetus, baby – Een nieuwe geschiedenis van zwangerschap
Trudy Dehue (1951) wordt in 2011 benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau voor haar wetenschappelijke relevantie en maatschappelijke invloed. Haar vakgebieden zijn de psychologie, wetenschapstheorie en wetenschapsgeschiedenis. Vooral De Depressie-epidemie en Betere mensen verstevigen Dehues academische reputatie. Tot haar emeritaat in 2016 is zij hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen en sindsdien gaat Dehue gestaag door met belangwekkende publicaties.
Ei, foetus, baby werpt een nieuw licht op zwangerschap en hoe de mensheid deze fase behandelt. Eigenlijk is ‘mensheid’ een te neutrale term, in ogenschouw genomen wie die bewuste behandelingen bepalen en altijd bepaald hebben. Bovendien staat abortus tot op de dag van vandaag in het Wetboek van Strafrecht onder bepaalde voorwaarden én krijgt de Nederlandse antiabortuslobby vanuit Amerika fikse financiële steun. Nog steeds zijn de vrouwelijke ervaring en realiteit niet leidend in het beleid.
Met de zachtheid van harde feiten brengt Dehue in kaart hoe we omgaan met zwangeren en zwangerschap. De huidige cultuur vormt geenszins het humane eindpunt van een lineaire ontwikkeling, zo laat haar perspectief vanuit de vrouw zien. Vooral de pas sinds kort afnemende godsvrucht stelt het belang van de ongeboren vrucht steevast boven het belang van de vruchtdragende vrouw. Hoe dit zo ver heeft kunnen komen en wat dit betekent voor de vrouw, zet Dehue uiteen in een zeer belangrijke pennenvrucht.
Deborah Levy begon in 1981 als toneelschijver, in 1985 debuteerde ze met de verhalenbundel Ophelis and the Great Idea, gevolgd door haar eerste roman Beautiful Mutants in 1987. Daarna verschenen er nog zeven romans, twee verhalenbundels en een dichtbundel. De romans Swimming Home (2011) , Hot Milk (2016) en The man Who Saw Everything (2019) werden genomineerd voor the Man Booker Prize, en verschenen in Nederland als Terug naar huis (2013), bij Signatuur, Warme melk (2017) en De man die alles zag (2019), bij De Geus.
Tussendoor schreef ze aan haar, ‘Living’ autobiografie waarvan het eerste deel, Things I Don’t Want to Know in 2013 werd gepubliceerd. In 2020 verscheen Dingen die ik niet wil weten, in vertaling van Astrid Huisman en Roos van de Wardt bij uitgeverij De Geus. Het tweede deel, The Cost of Living (2018), vertaald als De prijs van het bestaan verscheen eveneens in 2020 in Nederland. Het laatste deel, Real Estate verscheen in 2021, tegelijkertijd met de vertaling, Onroerend goed bij De Geus. De boeken zijn, net als de originele uitgave, ook in Nederland in drie primaire kleuren blauw, geel en rood uitgegeven.
Deborah Levy (1959) werd geboren in Johannesburg, Zuid-Afrika. Haar vader was een anti apartheid aanhanger en werd van 1964 tot 1968 gevangen gezet. Nadat haar vader vrijkwam, kreeg hij huisarrest opgelegd. Ze was negen jaar oud toen haar ouders besloten naar Londen te verhuizen waar ze in exil leefden.
In het weekend van 25 februari is Levy voor een kort bezoek in Rotterdam. Op uitnodiging van Guiding Voices is ze die avond te gast in het Bibliotheektheater waar Ernest van der Kwast haar zal interviewen. Ze overnacht in het Marriott Hotel en zal de volgende ochtend weer vertrekken naar haar schrijversappartement in Parijs. ‘Het is een drukke tijd. Mijn nieuwe roman August Blue verschijnt in mei in Engeland, en een verhalenbundel verschijnt er in Frankrijk. Ik moet dus morgen weer terug in Parijs zijn.’ Als we elkaar die middag spreken in de lounge van het Marriott Hotel, komt ze net terug van een fietstocht met Ernest van der Kwast naar de rivier de Maas en een broodje bal in een café aldaar. Het is haar eerste keer in Rotterdam, en de stad bevalt haar.
We spreken over de gedachten van de vrouw die volgens Levy nog te weinig uitgesproken worden. Over het waarom van een ‘levende’ autobiografie. Hoe schrijven haar als kind hielp zich te uiten, dat daar misschien wel haar schrijverschap begonnen is. Welke plaats de vrouw in de literaire wereld inneemt en reizen als voorwaarde om te schrijven.
Als vijfjarig kind, nadat haar vader door de politie uit huis was opgehaald, werd Deborah Levy steeds stiller. ‘Het was heel vreemd. Ik was niet echt een stil kind, ik ging alleen steeds zachter praten. Zachter en zachter, tot ze me niet meer konden horen.’ In het eerste deel van de trilogie, Dingen die ik niet wil weten, schrijft ze daarover. Later, op school was er een lerares die haar aanmoedigde om haar gedachten dan maar op te schrijven. ‘Ik schreef in korte zinnen en ontdekte dat mijn gedachten erg luid waren. Schrijven hielp me om te zeggen wat ik dacht, wat er allemaal in mijn hoofd zat.’
U heeft een ‘levende autobiografie’ geschreven. Wat bedoelt u met ‘levende’?
‘Het was een uitdaging om een autobiografie te schrijven in de tegenwoordige tijd. Gewoonlijk wordt deze aan het eind van een leven geschreven, waarin er achterom gekeken wordt. Ik vroeg me af hoe het zou zijn er een te schrijven terwijl je er nog midden in zit, in de storm van het leven. Schrijven vanuit het oog van die storm. Ik was niet geïnteresseerd in een chronologisch verloop van een leven. Ik wilde een autobiografie waarin de verteller zich dingen herinnert terwijl zij bezig is met leven en deze met elkaar verweven. Om deze levende autobiografie te schrijven moest ik wel ergens doorheen. Ik moest er wel in geloven dat mijn gedachten en herinneringen interessant genoeg zijn om over te schrijven.’
‘Het is vrij radicaal om te schrijven over hoe de verteller, die veel op mij lijkt, zich voelt en denkt, over hoe zij het leven ervaart. Het was een nieuw project. Ik moest een stem vinden voor dit vrouwelijke personage die niet te direct maar ook niet te formeel mocht zijn. Een denkende stem die haar emoties de wereld instuurt.’
Was dit idee er al voor u aan het eerste deel ging schrijven?
‘Het eerste deel schreef ik in een reactie op George Orwells’ essay Why I Write. Ik gebruikte de vier punten die hij in zijn essay gebruikte: Politieke doeleinden; Historische drijfveren; Puur egoïsme en Esthetisch enthousiasme. Als eerste zin schreef ik ‘Politieke doeleinden’ op mijn scherm. En ik dacht: het is erg persoonlijk, is dat oké? En ik vond van wel. De stem die ik voor deze drie boeken vond was van groot belang voor mij en ik moest er in geloven dat het op de een of andere manier ook interessant zou zijn voor anderen. Ik moest gaan schrijven om dat uit te vinden.’
De eerste zin in het eerste boek luidt, ‘Dat voorjaar, toen het leven me zwaar viel en ik in oorlog was met mijn lot en gewoon niet zag welke kant ik op moest, leek ik nog het meest te huilen op roltrappen in treinstations.’ Wat gebeurt daar?
‘Ik zocht naar een structuur om herinneringen een plaats te kunnen geven. De verteller ontdekt dat, wanneer ze op de roltrap omhoog gaat, ze moet huilen. Ze weet niet waarom ze huilt. Later ontdekt ze dat het verleden met haar meereist op de roltrap, haar kindertijd in Zuid-Afrika. Het gaat over dingen die we niet willen weten, maar die we toch wel weten. Ze zijn weggedrukt en komen op onverwachte momenten naar boven; daar zijn ze, klaar om ons iets te vertellen.’
In het gele boek schrijft Levy, ‘Het grote avontuur van het schrijvende leven is dat je door alle dimensies van de tijd heen een eindeloos aantal ideeën kunt uitwerken.’ Haar levende autobiografie begint in de tegenwoordige tijd waarin Levy gefragmenteerde tijdsbeelden uit het verleden aan toevoegt. Zoals de waarschuwingsborden uit haar kindertijd in Zuid-Afrika, om zwarte mensen de toegang tot de openbare ruimte te verbieden.
U herinnert zich die waarschuwingsborden uit uw kindertijd?
‘Op dat moment was ik in Brazilië. En daar was opeens het kind van zes jaar dat de verteller was, en net heeft leren lezen. Ze leest alles wat ze ziet. Als ze naar het strand van Durban gaan leest ze: “Dit strand is uitsluitend toegankelijk voor leden van het blanke ras”. Ik wist het niet, maar die waarschuwingen zijn me dus bijgebleven, de wreedheid van die woorden. Op die manier stop je een paar echt slechte dingen in de taal die voor de hele mensheid bedoeld is.’
Vandaaruit gaat de verteller terug naar Zuid-Afrika. Het verhaal wordt vanuit het kind gepresenteerd , dat eerst naar de nonnenschool in Durban gaat, en later naar Engeland.
Op u negende vluchtte uw familie naar Engeland. Hoe was dat?
‘Het was nogal een overgang. Opeens waren de ochtenden donker en koud en werd er erg veel thee gedronkem. In Zuid-Afrika leerde mijn moeder mij zwemmen in de Indische Oceaan. In Engeland kregen we schoolzwemmen in van die oude Victoriaanse gebouwen. Het was er ijzig koud, met kille stenen vloeren. De Engelsen zwommen met hun hoofd ver boven het water uit. Ik maakte daar grappen over. Dat als het zwembad vol thee zou zijn, elke zwemmer zijn hoofd er wel in zou onderdompelen.’
In een interview citeerde u de dichter Allen Ginsberg. ‘Notice what you notice’. Wat betekent dit voor u?
‘Ik vind het een hele slimme zin. Er is nogal een behoorlijke druk op ons om niet te noteren wat we zien. Het moet mooier of anders gemaakt. Ik vind dat je jezelf de vrijheid moet geven om dat wat je ziet, te noteren. Dat is de taak taak van de schrijver.’
U noemde de jaren waarin u uw twee dochters opvoedde, de meest vormende jaren voor uw schrijversschap. Hoe dat zo?
‘Het was niet zo dat ik in die tijd alleen maar thuis aan het koken en opruimen was. Ik gaf les op de kunstacademie en deed journalistiek werk. Maar ik kon niet schrijven aan een roman in die tijd. Wel schreef ik korte verhalen maar een roman lukte me niet. Toen begon ik ‘s nacht te schrijven aan Swimming Home. Als iedereen in bed lag, schreef ik tot vier uur in de ochtend. Ik deed er twee jaar over. Nog steeds als ik op een literair festival moet voorlezen uit dit boek, voel ik op bepaalde bladzijden de nachtelijke stilte, het alleen zijn met mezelf en het schrijven aan dit boek. Het heeft me geleerd om door te schrijven, al was het in de nachtelijke uren.’
In uw boeken vraagt u zich af wie bepaalt hoe vrouwen moeten leven. Wie bepaalt dit?
‘Vanuit de samenleving is er een bepaald beeld van hoe de vrouw zich zou moeten gedragen, hoe we eruit moeten zien, wat we mogen zeggen. In die zin is er zeker al veel veranderd, maar we zijn er nog lang niet. Vrouwen krijgen nog steeds niet dezelfde waardering voor hun werk als mannen. Het beeld van hoe een vrouw zich zou moeten gedragen zit nog sterk verankerd in de samenleving, en dat wilde ik onderzoeken. Tegelijkertijd heb ik groot respect voor vrouwen die overal een ‘thuis’ kunnen creëren. De vrouw is de architect van de huiselijke ruimte. Dat vind ik groots, dat een vrouw dit doet voor anderen, ook al zijn het haar kinderen en haar man. Dat interesseert mij, hoe de vrouw denkt en hoe zij zich in de wereld begeeft.’
U werd op een literair feestje eens onbeschoft bejegend door een bekend schrijver. Hij ondermijnde uw schrijversschap. U schrijft: ‘De waarheid was dat hij alle vrouwelijke schrijvers beschouwde als pachters van zijn land.’ Is dit nog steeds zo?
‘Ook hier is er wel wat veranderd. Er publiceren nu zoveel vrouwen. Toen ik op mijn vijftiende dacht dat ik misschien wel schrijver wilde worden, had ik geen voorbeeld. In ons huis stond een rij boeken met schrijversinterviews met de namen op het omslag. Daar stond geen vrouw bij. Dat was de boodschap aan mij, geen vrouwen in de literatuur. Gekleurde mensen zullen dezelfde ervaring hebben gehad, mensen van kleur stonden er ook niet bij.’
U reist veel, is dat voor u belangrijk om te kunnen schrijven?
‘Het een kan niet zonder het ander voor mij. Ik kan niet vanuit een plek werken, om te kunnen schrijven moet ik de wereld in. Deze levende autobiografie is daarvan het resultaat. Ik draag mijn vertalers, die mijn boeken aan de wereld bezorgen, dan ook een warm hart toe.’
Levende autobiografie door Deborah Levy: Dingen die ik niet wil weten De prijs van het bestaan Onroerend goed
Verschenen bij uitgeverij De Geus