• Het archief, 10 jaar Literair Nederland, 2005: Het kleine meisje van meneer Linh

    Al ‘bladerend’ door het archief van Literair Nederland, stuitte ik op een recensie over Het kleine meisje van meneer Linh. De recensie, – eigenlijk is het meer een samenvatting dan een recensie – is geschreven door Bernadet. Wie deze Bernadet is, weet ik niet. Duidelijk is wel dat ze genoten heeft van dit prachtige boekje van Philippe Claudel. Ze noemt het een aanrader en dat is het ook.
    Het kleine meisje van meneer Linh gaat over een oude, breekbare grootvader die zijn door oorlog getraumatiseerde land ontvlucht om elders een betere toekomst voor zijn kleindochtertje op te bouwen. Zijn toewijding is ontroerend. Het verhaal ook.

    Hartverscheurend mooi – een betere omschrijving voor dit boekje is er niet.

    Lees hier de recensie over Het kleine meisje van meneer Linh, die op 21 november 2005 op Literair Nederland gepubliceerd is. Het boek is nog steeds verkrijgbaar (De Bezige Bij, pocket, € 10,-).

     

    Lees ook Uit het archief, 10 jaar Literair Nederland:
    2011, Knip dan, toe dan 
    2003, De zwemmer van Zsuzsa Bánk


    en: 
    Een herinnering aan 10 jaar Literair Nederland 

     

  • Formidabele bundel met waarnemingpoëzie

    Formidabele bundel met waarnemingpoëzie

    De vierde bundel van Erik Lindner ziet er als volgt uit: over de voor- en achterzijde van de bundel loopt een grote foto. Een rood dienstwagentje met Chinese karakters op de voorruit staat op een parkeerterrein. Achter het wagentje staat een hoge muur, in volle breedte van de foto, de muur is wel een meter of zes, zeven hoog. Boven de muur een stukje lucht, een luidspreker, in de verte een viaduct met verkeer, gebouwen. Meer in de nabijheid een verkeerslicht op rood en een verkeersbord dat verbiedt links af te slaan. Links onderin de foto, aan de achterzijde van de dichtbundel dus, een deur die open staat, met een hek ervoor.

    Nu gaat het om de muur. Op de muur is een veel rustieker beeld geschilderd, of mogelijk zelfs in zeer fijn mozaïek ingelegd. Het is een gezicht op een park, oude bomen, gras, een pad, bankjes aan het water, in de verte – na het water – wel weer een stad.

    Het rode wagentje op het parkeerterrein staat zo geparkeerd dat hij ook geparkeerd kan zijn op het brede pad, dat in het park leidt, naar het vergezicht toe, het water met de bankjes. Wie de bundel vast heeft denkt een ogenblik naar het parkplaatje te kijken, dan verschuift zijn aandacht en ziet hij de muur, de stad die hij erachter vermoedt.

    Zo’n foto op een omslag zegt een aantal dingen: ‘We laten ons in de luren leggen door wat anderen willen dat we zien.’ ‘We hebben geen kennis van wat zich achter de muur bevindt.’ ‘We houden van bomen, maar leven in de stad.’ Maar ook: ‘voor wie goed kijkt staat er een deurtje open’. Of, ‘alleen al iets beter kijken toont in elk geval wat er boven de muur nog aan werkelijkheid overblijft.’

    Het is dit soort denken dat ook in de bundel in 27 gedichten steeds weer gestalte krijgt. De lezer neemt iets waar, maar is het dat wel? De poëzie van Lindner ontwikkelt zich tot een staccato bijna subjectloze waarnemingpoëzie:

    ‘De laadklep van het schip opent boven de kade
    schuift heen en terug over steen

    vlaggentouwen slaan tegen palen
    in een handpalm klikken kralen tegen elkaar

    een man dweilt met opgetrokken schouders
    de door televisieschijnsel verlichte winkelvloer

    een vrouw staat in een stoel om een kaars aan te steken

    wier opgehoopt in een baai
    een bestelwagen draait stationair

    kinderen zitten tussen plastic zakken
    hun knieën tegen de borst

    op de loopbrug rollen mensen koffers voor zich uit

    midden in de passage is een gat
    boven een tafel vol zaagsel

    vanaf een mast schijnt licht op het water
    scheepstouwen spannen voor de boeg.’

    Net als op de foto weet de lezer niet wat-er-achter-de-muur-is. Dat wil zeggen: de dichter somt op, dingen die hij ergens hoort en ziet. Het lijkt wat op zo’n omineuze scène in een spaghettiwestern, de wind beweegt het stalen uithangbord van de barbier, een dorre struik rolt door de wind aangedreven door de straat. De hoofdpersoon kijkt met tot spleetjes geknepen ogen hoe vlaggentouwen tegen de palen slaan. Ennio Morricone op de achtergrond. Lindner is de cowboy van hier en nu.

    Maar Lindner doet wat meer dan deze cowboy, Lindner neemt dingen waar die niet helemaal lijken te kloppen. Midden in de passage is een gat boven een tafel vol zaagsel? Dat klinkt als sabotage. En mensen die op een loopbrug koffers voor zich uitrollen. In een stoel staan om een kaars aan te steken?

    In het gehele eerste deel van deze bundel, Steiger en boeg wordt op deze aanstekelijke manier de lezer met een regen van waarnemingen overspoeld, waarvan de druppels tussen nek en kraag belanden. Lindner laat de lezer bijna zelf, authentiek, waarnemen, doordat hij zo gepast op afstand blijft. Dat is een kwaliteit. Dat maakt een verklarend slotakkoord aan die reeks bijna overbodig:

    ‘Herstel wat veraf is. Onderdruk wat
    vooraan staat. Kiept het kantelraam
    en duikelt de kijker in de tuin.’

    Het voorbehoud van  de dichter

    De drie afdelingen in deze bundel, ‘Steiger en boeg’, ‘Hoe je de stad ook uit loopt, je keert terug langs de rivier’, ‘Acedia’, worden elk voorafgegaan door een opmaat, 1 gedicht dat de toonhoogte aangeeft, of juist de lezer ontstemt. Het zijn bijvoegsels die het hooggestemde niet-weten van de bundel wat doorbreken, maar het zijn voor de gelegenheid niet de sterkste. Het sterkste blijkt Lindner in juist de acedia, ook de titel van de laatste reeks. ‘Acedia’ is de benaming voor de gemoedsgesteldheid waaraan asceten en solitair levende monniken wel eens gaan leiden. De staat van desinteresse in de eigen positie in de wereld, die leidt tot verzuim, maar ook goed gedefinieerd kan worden als een slordig soort gelatenheid. Het is in zichzelf al een voorbehoud de naam van deze afdeling. De dichter zegt: ik neem waar maar handel niet.

    ‘Drie ranke hoge bomen voor een laan
    bladeren buitelen er over de grond
    vogeltjes schieten los uit de struiken

    een man loopt met een lijst op de schouder
    zijn arm steekt er doorheen

    de draaiende ventilator bij het open raam
    de gordijnen die over het kleed waaien

    over de helft van de vierkante kamer
    wiegt het licht van een goudvissenkom.’

    Ook dit gedicht toont weer dat de dichter er nauwelijks bij wil zijn. Of in elk geval problematiseert hij nadrukkelijk zijn positie. Waar moet je staan om de drie ranke bomen voor de laan te zien, gordijnen die over een kleed waaien? Door de hele bundel lees je dit: de waarnemer is er wel, en hij ziet en hoort meer dan menigeen, maar zijn positie is onzeker. Ongewis is hoe hij zicht verhoudt tot het waargenomene. Dat is waar Lindner voor te prijzen is. Terrein materialiseert het vraagstuk van je eigen aanwezigheid, het perspectief. Je kunt de bundel lezen als een spervuur van waarnemingen, een tocht door de stad zonder dat je ging. Je kunt de bundel ook lezen als een geformuleerde vraag naar waar je eigenlijk bent als er iets gebeurt, en wat de wijze waarop je ernaar kijkt ermee te maken heeft. Op beide fronten heeft Lindner een formidabele bundel achtergelaten.

     

  • Een verbluffend openhartig boek

    Een verbluffend openhartig boek

    Deze titel laat vanzelfsprekend alle bellen rinkelen. Wil Berthe Meijer op deze manier meeliften met het dagboek dat inmiddels bekend is over de hele wereld? In eerste aanvang bestaat die indruk natuurlijk wel maar dit blijkt niet het geval te zijn. Niets verhullend verhaalt de schrijfster in zesentwintig hoofdstukken over haar emoties, trauma’s, teleurstellingen en haar liefdesleven. Op zeer jeugdige leeftijd verbleef zij samen met haar jongere zusje in het kamp Bergen-Belsen. De daar opgedane ervaringen hebben een stempel gedrukt op het verdere verloop van haar leven. Eigenlijk is het nooit meer goed gekomen ondanks de heldhaftige pogingen die ze hiertoe ondernomen heeft.

    In het Joodse kindertehuis, de Bergstichting, wordt ze na de bevrijding gevoed en gehuisvest maar alles in haar omgeving is van een deprimerende lelijkheid. Hier begint ook de ontdekkingsreis naar haar identiteit en haar familie, althans wat daarvan overgebleven is. Er duiken Nederlandse, Engelse en Amerikaanse familieleden op, die allemaal op hun eigen manier Berthe en haar zusje Flory proberen te verwennen om zodoende de doorstane narigheid te compenseren. Over hun kampervaringen en over hun ouders werd gezwegen, op de oorlog en de omgekomen familieleden rustte een taboe. Het dagboek van Anne Frank was onbekend in de Bergstichting en pas in 1961, na de geboorte van haar kinderen, heeft Berthe het gelezen. De orthodox Joodse rituelen en feestdagen waaraan ze moet deelnemen, ervaart ze als een last want er gaat erg veel tijd in zitten die ze liever had besteed aan lezen en muziek maken. Een tamelijk uitvoerige opsomming van alle Joodse feest- en gedenkdagen is in het boek opgenomen.

    Leven na het Joodse kindertehuis

    Eenmaal ingeschreven aan de Kunstnijverheidsschool en woonachtig op een klein kaal kamertje te Amsterdam voelt ze zich pas echt eenzaam. Er is voor haar gezorgd maar behalve van haar zus Flory heeft ze tot nu toe nooit echte liefde ondervonden. Inmiddels heeft ze wel, op een soms uitbundige wijze, haar eerste sexuele ervaringen opgedaan, maar die hadden waarschijnlijk meer te maken met hormonale reacties dan met oprechte liefde. De eerste serieuze depressies dienen zich aan, zij zullen zich veelvuldig herhalen en worden pas met succes bestreden nadat Berthe kennis heeft gemaakt met de psychiater Dr. Keilson. Op een feestje in Laren maakt ze, ook weer op stormachtige wijze, kennis met de architectuur student Gerard. Hij zal haar eerste echtgenoot worden en ze wonen geruime tijd aan de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam.

    Er worden vriendschappen gesloten voor het leven met een keur aan schrijvers en beeldend kunstenaars en er worden veelvuldig feesten gehouden waarbij de alcohol een steeds belangrijker rol speelt. Onder hilarische omstandigheden vindt in Londen het huwelijk plaats van Berthe en Gerard en niet lang daarna wordt hun eerste zoon, Saul, geboren. Het jonge gezin verhuist naar Edam en het wordt uitgebreid met een tweede zoon, David. Mede door overmatig alcoholgebruik van Gerard worden de scheuren in het huwelijk steeds groter en het draait, ondanks de manmoedige pogingen van Berthe om het gezin bij elkaar te houden, uiteindelijk uit op een echtscheiding. Tussen alle bedrijven door heeft ze toch een journalistieke carrière opgebouwd. Ze verzorgt een culinaire rubriek in een vooraanstaand dagblad en schrijft over woninginrichting en mode.

    Ontmoeting met het verleden

    Tijdens een boekenmarkt op het Museumplein ontmoeten de journalisten Ischa Meijer en Berthe Meijer elkaar. Eigenlijk zijn ze oude bekenden, als kinderen liepen ze hand in hand en huilend van de honger tussen stapels lijken in Bergen Belsen. Hun hernieuwde kennismaking mondt uit in een drie jaar durende relatie. Ischa stuurt Berthe gedeelten uit zijn dagboek die door haar zeker begrepen en gewaardeerd zullen zijn, maar op de lezer de indruk maken van onsamenhangende flarden. Na enige tijd blijkt dat Ischa en Berthe ondanks hun gezamenlijk verleden, hun liefde voor elkaar en hun gezamenlijke interesses niet samen kunnen leven. Hun wegen scheiden zich.

    Veelvuldig wordt Berthe geplaagd door een grote verscheidenheid aan ziektes en kwalen waardoor ze regelmatig artsen bezoekt, in het ziekenhuis terecht komt en ook nog eens alternatieve genezers raadpleegt. Ook zonder medische achtergrond zal het de lezer duidelijk worden dat er verband moet bestaan tussen haar ervaringen in haar vroegste jeugd en al deze ongemakken. Het is aan te raden om de meer dan twee bladzijden beslaande lijst van geneesmiddelen en vitamine preparaten over te slaan, je zou er ziek van worden. Toch handelt het boek niet alleen over kommer en kwel, er is zeker aandacht, hier en daar, voor humor. Zo is er het verhaal over de Seideravond tijdens welke de deurwaarder aanbelt en de kinderen veronderstellen dat het de langverwachte Messias is. Tenslotte is er toch een Happy end. Er komt een aardige man opdagen die op zoek is naar aandacht en onderkomen en die een begenadigd concertpianist blijkt te zijn. Gary Goldschneider heet de nieuwe echtgenoot waarmee Berthe beurtelings in Frankrijk en in Nederland woont.

     

     

  • Een transatlantische impasse

    Een transatlantische impasse

    Door Rein Swart

    De omslag toont een schaatsende jongen, die aan zijn zwaaiende armen te zien met veel plezier op ijshockeyschaatsen over een meer roetst. Dat zou best wel eens Hans van de Broek kunnen zijn, die zijn jeugdjaren doorbracht in Den Haag en omgeving. Op het moment dat het verhaal begint (in 1999) is hij analist in de Londense aandelenwereld, getrouwd met de Engelse Rachel en staat hij op het punt haar na te reizen naar New York, waar zij al werkt als bedrijfsadvocate en waar ze van plan zijn enkele jaren te blijven. Een senior vice president ziet dat hij op kantoor zijn spullen aan het inpakken is en waarschuwt Hans uit eigen ervaring dat het niet meevalt om weg te gaan uit New York als je daar eenmaal hebt gewoond.
    ‘Maar hij blijkt toch gelijk te hebben, in zekere zin,’ zegt de schrijver een bladzijde verder. ‘Nu ik de stad zelf ook heb verlaten, heb ik er moeite mee om los te komen van het gevoel dat het hele leven een soort naoogst is.’

    Het boek begint dus met een terugblik op zijn New Yorkse jaren, waar Hans zo weinig mogelijk aan wil terugdenken, maar hij moet wel als hij in het voorjaar van 2006 een telefoontje krijgt van een verslaggeefster van de New York Times, die hem ondervraagt over zijn relatie met Chuck Ramkissoon uit Trinidad, wiens lijk gekneveld in een kanaal is gevonden.
    De schrijver trekt ons vervolgens het verhaal in met een boeiende beschrijving van de eerste ontmoeting tussen Hans en Chuck, die als scheidsrechter tijdens een cricketwedstrijd met een pistool bedreigd wordt door een opgewonden toeschouwer en die met zijn rustige stem weet te kalmeren.

    Joseph O’Neill beschrijft met veel gevoel de werk- en sportwereld (cricket) van Hans in New York en verweeft daarin jeugdherinneringen uit Den Haag. De moeilijke relatie met zijn vrouw Rachel was voor mij het meest boeiende aan het boek. Rachel is nogal fel over de Irak-oorlog en wil daarom niet meer in Amerika wonen, waardoor ze enkele jaren een lat-relatie krijgen, die door Hans een transatlantische impasse wordt genoemd en die hij als een absoluut dieptepunt in zijn leven ervaart. Om daar uit te komen bezoeken ze in Londen een huwelijkstherapeute.
    O’Neill schetst een mooi beeld van New York en speciaal van Brooklyn waar een groot deel van het verhaal zich afspeelt. De Irak-oorlog wordt een test voor gewetensvol politiek denken genoemd en dat is nog steeds actueel. Hans geeft eerlijk toe dat hij, anders dan zijn Engelse vrouw, niet weet wat hij ervan moet denken.

    Soms wordt de schrijver wat lang van stof en is het niet helemaal duidelijk waar hij met zijn verhaal naar toe wil, maar de anekdotes zijn vermakelijk, bijvoorbeeld over zijn bijzondere mede-gasten in het beroemde Chelsea Hotel waar ze verblijven, nadat ze niet meer in hun loft kunnen wonen.
    Aan 11 september 2001 zelf maakt Hans weinig woorden vuil, evenmin aan de bevalling van zoon Jake, die volgens mijn berekeningen in oktober 1999, dus vlak na aankomst in New York moet zijn geboren.
    Dat de schrijver zelf ook vaak data invoegt, is mijns inziens te wijten aan de zwalkende compositie. De jeugdherinneringen zijn evenmin organisch ingevoegd.

    Ondanks een veelbelovend begin blijft het drama teveel op afstand. Hans laat niet het achterste van zijn tong zien; hij kan dat misschien vanuit zijn beperkte gezichtspunt ook niet; hij geeft toe dat de relatie-crisis een ‘unilateraal falen van zijn kant’ is.
    Het blijft daardoor te beschouwend, er vindt geen echte loutering plaats en daarom is er ook geen echt nieuw begin. Een bodyzeurver, noemt Rachel Hans als ze na alle perikelen op vakantie zijn in Kerala, India en Hans haar aandacht wil voor de mooie hoge golven waarop zij met hun lichaam kunnen surfen, terwijl zij diepgang zoekt.

    Een niet geheel overtuigende winnaar van de PEN/Faulkner Award for Fiction 2009.

     

  • Beperkte houdbaarheid

    Recensie door Coen Peppelenbos

    Vroeger was Gerrit Komrij een literaire held voor mij. Ik spreek nu over zo’n vijfentwintig jaar geleden. Die man kon alles. Poëzie schrijven, een prachtige autobiografie schrijven, toneelteksten maken, een musical vertalen (Cats), maar bovenal vlijmscherpe columns schrijven. Zijn beste verzameling gaat over de televisie: Horen, zien en zwijgen.

    Ik koop nog steeds elk boek van Komrij, maar een held is hij niet meer. Zijn nieuwste verzameling columns, Gouden woorden, vind ik zelfs van een slaapverwekkende saaiheid. Komrij schrijft wekelijks een column over een actuele gebeurtenis, de ondertitel van dit boek luidt dan ook ‘of  De jongste vaderlandse geschiedenis.’ In de boekenweek werden ze zelfs met zo’n buikbandje in de winkel gelegd, want geschiedenis verkoopt.

    Het procédé is vrij eenvoudig. Komrij citeert een uitspraak, meestal van een politicus, en vervolgens spreekt hij de desbetreffende persoon in zijn stukje bestraffend toe. Meestal noemt hij de personen bij de voornaam en als die te lang is, of als hij de persoon nog meer te kakken wil zetten, dan maakt hij er een naamgrap van. Zo heet Balkenende ‘Balkje’ en Bolkenstein ‘Bolkje’. Je moet er maar opkomen.

    Veel ruimte heeft Komrij niet tot zijn beschikking, in het boek zijn het net twee pagina’s en soms haalt hij zelfs dat niet. Tijd voor enige verdieping van het onderwerp is er niet, dus wordt kort het onderwerp geïntroduceerd, waarna overgegaan wordt tot enige smalende opmerkingen en dan is het al weer tijd voor een harde afsluiter: ‘Is Jozias op de zwarthemdentoer?’

    De jongste geschiedenis. Dat betekent de vogelpest, de affaire Oudkerk, het verbod op wonen in vakantiehuisjes en andere belangrijke zaken van de afgelopen jaren. Gelukkig staat er onderaan de bladzijde vaak waar de column een reactie op is, want de houdbaarheid van actuele columns blijkt uiterst beperkt te zijn.

    En wat misschien nog erger is: de meningen van Komrij stellen niet veel voor: niet meer dan sarcasme zonder een eigen visie. Over iedereen kun je smalend schrijven en iedereen kan met het grootste gemak belachelijk gemaakt worden. Als je als schrijver daar niets tegenover zet, worden je eigen woorden net zo hol als de uitspraken van anderen die je onderuit probeert te halen.

     

    Gerrit Komrij: Gouden woorden. De Bezige Bij. 160 blz. €14,90

     

  • Biografie Jan Arends 'Angst voor de winter' – Nico Keunings

    Op dinsdag 21 januari is het precies 29 jaar jaar geleden dat zijn tweede bundel werd gepresenteerd. En dat hij een einde aan zijn leven maakte door uit het raam van zijn flat te springen. Volgende maand verschijnt bij De Bezige Bij zijn biografie Angst voor de winter, geschreven door neerlandicus Nico Keunings.

    Jan Arends wordt op 13 februari 1925 in Den Haag geboren als vaderloos kind van Gerardina Elizabeth Arends. Van zijn achtste tot zijn dertiende zit hij op de (antroposofische) Vrije School, waar hij zich een buitenstaander voelt en wordt gepest door de andere leerlingen. Op zijn dertiende gaat hij naar een katholiek jongensinternaat in Rijswijk en vanaf zijn achttiende probeert hij in zijn onderhoud te voorzien met de meest uiteenlopende baantjes, waaronder reclame-copywriter, schoenmaker, huisknecht, hotelportier, krantenbezorger, broodbezorger en ijscoman. Terwijl het hem niet lukt een enigszins geslaagde maatschappelijke carrière op te bouwen, leest en schrijft hij als een bezetene. Het tweede deel van zijn leven brengt hij grotendeels door in psychiatrische inrichtingen.

    Arends debuteert in 1949 als schrijver in het tijdschrift Ad Interim. Zijn eerste boek, Lente/Herfst, verschijnt in 1955 als Maatstafdeeltje 14, nadat het eerder dat jaar als verhaal werd opgenomen in het juni/juli-nummer van literair tijdschrift Maatstaf. Een jaar later publiceert hij zijn eerste gedichten in Vertoning, een tijdschrift dat na zijn eerste jaar ophoudt te bestaan. In 1962 plaatst Gard Sivik één bedrijf van Arends’ nooit opgevoerde toneelstuk Smeer of De weldoener des Vaderlands en verschijnen zijn gedichten nog in Podium en Tirade, maar pas in 1965 brengt De Bezige Bij zijn debuutbundel Gedichten uit.

    Met de verhalenbundel Keefman (1972) verwerft hij nationale bekendheid. In uiterst geladen taal beschrijft hij hierin de ervaringen en gevoelens van mensen voor wie het leven tot een hel geworden is. Vooral het titelverhaal ‘Keefman’, waarin de patiënt Keefman zijn psychiater in een lange monoloog verwijtend toespreekt over de voortdurende vernedering tijdens zijn behandeling, maakt diepe indruk. Het verhaal is in 1977 verfilmd en later ook bewerkt voor televisie en toneel. Tijdens het schrijven van de meeste verhalen in Keefman is Arends geen vrij man: ‘Keefman’ en ‘Het ontbijt’ schrijft hij in het Willem Arntsz Huis in Utrecht en ‘Vrijgezel op kamers’ in de Jelgersma-kliniek in Oegstgeest. In de Nieuwe Revu van 5 mei 1973 zegt hij hierover: ‘Ik schreef het toen om de psychiater duidelijk te maken, hoe het met mij gesteld was. Maar het werd niet serieus genomen. De psychiater zou zèlf wel uitmaken, wat de beste therapie voor mij was.’

    Zijn werk speelt zich vooral af ‘in de schaduw van het gekkengesticht’, in de innerlijke belevingswereld van de psychiatrische patiënt. In zijn verhalen verzet hij zich tegen de strenge scheidslijn tussen ‘normaal’ en ‘gek’ en probeert hij de afstand te verkleinen tussen patiënt en maatschappij. Hij doet dat op een weinig orthodoxe, weinig verheven, maar bijzonder indringende manier. Ook Arends’ zeer geconcentreerde gedichten zijn nauw met zijn persoonlijke ervaringen en omstandigheden verbonden en worden beheerst door waanzin, ziekte, drank en angst.

    Op 21 januari 1974, de dag waarop zijn nieuwe gedichtenbundel Lunchpauzegedichten verschijnt, pleegt Jan Arends zelfmoord. Om acht uur ’s avonds springt hij uit het raam van zijn flat aan het Amsterdamse Roelof Hartplein. Eigenlijk is hem dan al de Multatuliprijs 1973 toegekend, maar op het moment van zijn overlijden is het juryrapport nog niet klaar. Het doel van de prijs is ‘het bevorderen van de scheppende kunst’, en omdat bij een overleden auteur de productie niet meer te stimuleren valt, ziet men van uitreiking af.

    Bibliografie:
    1955 Lente/Herfst (verhaal; Maatstafdeeltje 14)

    1965 Gedichten (poëzie)
    1972 Keefman (verhalen)
    1974 Lunchpauzegedichten (poëzie)
    1974 Ik had een strohoed en een wandelstok (verhalen)
    1975 Nagelaten gedichten (poëzie; samengesteld door Remco Campert)
    1984 Verzameld werk (verhalen en poëzie; samengesteld door Thijs Wierema en ingeleid door K. van Weringh)

    Citaat:

    Als
    iedere niksnut
    wordt geprezen
    als
    een groot dichter
    wat
    blijft er dan
    over
    voor
    een arme schooier?

    (‘Voor Remco Campert’, in: Lunchpauzegedichten, p. 51)

    Aanvullende bi(bli)ografische gegevens:
    www.ongebonden.nl/auteur/arends/mainw

    www.geocities.com/Athens/Ithaca/2249/arendsjan

    www.kunstbus.nl/verklaringen/jan+arends