• Jonge Somberman van oude Campert

    Jonge Somberman van oude Campert

    Er zijn mensen die de Volkskrant lazen vanwege de columns van Remco Campert. Columns over Somberman. Ze verschenen tussen juni 2014 en maart 2016. Maar ook niet-lezers van deze krant kenden Somberman al uit Wie doet de koningin (1984) en het Boekenweekgeschenk Somberman’s actie (1985).

    Taalkunstenaar
    We herinneren ons de licht-melancholieke toon van de taalkunstenaar Campert, die het niet over bittere maar verbitterde thee heeft, als had thee menselijke trekken. En woorden bezigt die niet in een woordenboek zijn terug te vinden, zoals een ‘dorste zeurpiet.’ En zó beeldend schrijft, dat je voor je ziet hoe woonboten in een vaart zich aaneen rijgen.
    De columns uit de Volkskrant lijken in een eerder tijdsgewricht te spelen dan Somberman’s actie. Het gaat Somberman daarin nog goed, want hij kan in 1985 nog restaurantbezoeken betalen, die later worden ingeruild voor cafés. Hij is ongetrouwd en werkt bij een warenhuis, terwijl hij in het Boekenweekgeschenk inmiddels getrouwd en werkloos is.

    Tegengestelden
    Wat met deze verschillen qua inkomen en tijd in tegenspraak lijkt, is de veranderde stijl van Somberman op drift. De stijl is moderner geworden, maar dat is in tegenstelling tot het feit dat de gebeurtenissen in een vroeger tijdsgewricht spelen. De zinnen zijn korter, soms op een staccato-toon af: ‘God niet bedankt, want, Prijs de Heer, niet gelovig.’ En de humor is absurdistischer. Somberman zet bijvoorbeeld om een vakantiegevoel op te roepen een tent op in zijn achtertuin. ‘Hij maakt het op zijn manier gezellig in de tent: een foto van een verkeersongeluk, en die van de grafsteen van zijn ouders.’
    Soms is de humor ronduit flauw: ‘Wel probeert hij nog het buskruit uit te vinden, maar ook dat mislukt’ of: ‘”Je bent geen groot prater”, zegt een kennis tegen Somberman. “Je zou een perfecte vertegenwoordiger van de zwijgende meerderheid zijn.”’ Al kun je hier met een beetje goede wil ook de inmiddels nadrukkelijker aanwezige actualiteit in de columns in lezen.

    Oudere schrijver
    De teksten zijn met het klimmen der jaren van de auteur ook meer filosofisch van aard geworden: ‘Lafheid is een van zijn goede eigenschappen. Je kunt er lang mee leven.’ Maar dat laatste wil Somberman eigenlijk niet.
    De filosofische insteek is groter geworden, maar daar staat tegenover dat je je als lezer niet aan de indruk kunt onttrekken, dat er relatief veel herhalingen van zetten in zitten, zoals mantra’s in de trant van: ‘Tot zijn schrik. Anders zou hij Somberman niet zijn’ of: ‘Iets te vredig misschien. Dat moet nu ook weer niet.’

    Glimlach versus grimlach
    Niet dat de lezer af en toe geen glimlach om de lippen zal krijgen. Zo koopt Somberman een lot in de loterij, omdat hij zich de zegswijze ‘Geld maakt niet gelukkig’ herinnert. In dit soort taalspellen die wat meer zijn dan taalgrapjes toont de taalkunstenaar Campert zich op z’n best. Soms slaat de lol door. Bijvoorbeeld wanneer Somberman na allerlei klein leed zijn heup breekt. ‘Zonder moeite weerstaat hij de verleiding een ambulance te bellen. Tevreden ligt hij op de grond. Zijn dag is gemaakt.’ En je hoeft niets met Pim Fortuyn op te hebben, om Somberman’s idee op het Mediapark de netmanager om het leven te willen brengen eigenlijk een beetje ongepast te vinden.

    Het is goed dat dit soort uitgaven bestaan, waarin ons een totaalbeeld wordt gegund van columns uit een afgeronde periode. Ook nog eens in een prachtige uitgave gebundeld, met tekeningen van Stefan Verwey. Om op z’n tijd ééntje te lezen en dan weer weg te leggen. En kleine uitglijders te bedekken met de mantel der liefde in de wetenschap dat ook Somberman op drift behoort tot het oeuvre van een groot schrijver die duidelijk plezier heeft beleefd aan het op hoge leeftijd schrijven van deze nu gebundelde columns.

     

     

     

  • Wat hangt ons boven het hoofd?

    Wat hangt ons boven het hoofd?

    Het gaat slecht met de bijen. Van de 358 soorten wilde bijen in Nederland staat 56 procent op de rode lijst. De honingbij, die in volken leeft, wordt sinds een aantal jaren gedecimeerd door de ‘verdwijnziekte’, ook wel CCD genoemd: Colony Collapse Disorder, een aandoening die hele bijenvolken wegvaagt. De geleerden zijn er nog niet uit.
    Nu gaat het slecht met de hele natuur, maar de massale bijensterfte kan de menselijke soort al op korte termijn het leven zuur maken. Geen bijen, dan geen bestuiving van voedselgewassen, dus voedselgebrek, hongersnood, migratie, strijd – het is gemakkelijk hier een apocalyptisch scenario te schetsen dat helemaal niet denkbeeldig is. Bayer, de grote producent van bestrijdingsmiddelen, lobbyt intussen bij de Nederlandse overheid om een verbod op zijn neonicotinoïden te voorkomen.

    Stof te over voor een spannend verhaal. Over actievoerders die de strijd aanbinden met de makers en gebruikers van het landbouwgif. Of een toekomstfantasie over een wereld waarin bovengenoemd rampenscenario werkelijkheid is geworden.
    De Noorse kinderboekenschrijfster Maja Lunde (de gedachte dringt zich op aan Die Biene Maja – nomen est omen) biedt ons in De geschiedenis van de bijen, haar eerste roman voor volwasseneneen blik op de toestand in onze wereld over tachtig jaar en die stemt niet vrolijk. Haar boek behelst een impliciete oproep tot een ingrijpende koerswijziging in landbouw en economie en daarmee in de hele westerse samenleving. Het is een tendensroman vol maatschappijkritiek, een Max Havelaar van de bijen.

    Het boek bestaat uit drie grotendeels op zichzelf staande verhalen, die aan het eind van de roman losjes met elkaar verbonden blijken. Ze worden om en om verteld, in niet al te lange hoofdstukjes die de naam dragen van de hoofdpersoon, die tevens de verteller is. Jammer dat alledrie de geschiedenissen vanuit een ik-perspectief worden verteld. Dat leidt tot eenvormigheid in toon en verteltrant.

    Tao, China, 2098
    Verhaal 1, van verteller Tao (een Chinese vrouw), begint in 2098 in China, in ‘District 242, Shirong, Sichuan’. De bevolking van de streek werkt in de fruitteelt. Omdat er geen bijen meer zijn, klauteren de mensen de perenbomen in en bestuiven ze de bloesems met een kwastje. Dat is overigens geen futuristische waanzin; er zijn delen van China waar dat nu reeds gebeurt, zoals te zien is in de Zwitserse documentaire More than Honey uit 2012. De dwangarbeid doet denken aan de tijd van Mao. De mensen zijn ondervoed, uitgeput en onvrij.
    Haar verhaal toont een wereld in verval, maar het allerlaatste woord dat Tao spreekt, en daarmee eindigt de roman, is toch ‘hoop’.
    Ze heeft een zoon die op raadselachtige wijze sterft en door de autoriteiten zonder pardon wordt afgevoerd. Tao laat het er niet bij zitten.
    De twee andere verhalen zijn ondergeschikt aan Tao’s geschiedenis.

    William Savage, Groot-Brittanië, 1852
    Verhaal 2 begint in ‘Maryville, Hertfordshire, Groot-Brittannië, 1852′. Hoofdpersoon is William Savage, een tot depressiviteit geneigde winkelier in zaden en kruiden die bezeten is van de wens de perfecte bijenkast te ontwerpen, een kast om bijen te ’temmen’. Daarmee hoopt hij wetenschappelijk aanzien te verwerven. Hij vertegenwoordigt, samen met de verteller van verhaal 3, de verkeerde omgang met de natuur. Hij ontwikkelt inderdaad een nieuw soort kast, maar een ander blijkt hem voor te zijn geweest.
    Ook hij heeft een zoon, waar hij grote verwachtingen van heeft. Het blijkt een nietsnut. Gelukkig heeft hij ook een dochter, Charlotte, door William langdurig genegeerd, die hem helpt en zich eveneens in bijen verdiept. Zij emigreert uiteindelijk naar de Verenigde Staten en neemt de bouwtekeningen van vaders nieuwe bijenkast mee.

    George, Verenigde Staten, 2007
    Verhaal 3, van verteller George, speelt zich ruwweg in onze tijd af. Het begint in 2007 in ‘Autumn Hill, Ohio, USA’. George is boer en imker en ziet zijn bijenvolken te gronde gaan aan onbekende oorzaken, mogelijk de ‘verdwijnziekte’. Naarmate het boek vordert, ontdekt de lezer dat George een verre nazaat is van Charlotte en dus ook van William. Hij heeft Charlottes bouwtekeningen ingelijst aan de muur hangen.
    Ook hier een zoon, Tom. Tussen hem en George botert het niet erg. Hij moet niets hebben van het boerenbedrijf. Later neemt hij de bijenhouderij van zijn vader over en pakt hij alles ‘bijvriendelijker’ aan. Toch zullen ook zijn bijenvolken sterven.

    Rentmeesters
    Tom schrijft een boek, De blinde imker, waarin de deplorabele toestand in de wereld aan het eind van de 21e eeuw wordt aangekondigd en waarin hij de weg naar herstel schetst. Die remedie krijgt de lezer overigens niet met zoveel woorden te horen. Zijn boek verschijnt in 2037 en is in het Chinees vertaald.
    Belangrijk in De blinde imker is de gedachte dat je moet ‘handelen tegen je instinct in, omdat je beter weet; om in de natuur te kunnen leven, mét de natuur te kunnen leven, moest je de natuur uit jezelf halen (…) je moest de natuur in jezelf leren trotseren’.
    Dat is een gedachte die je niet zo vaak hoort in groene kringen; vaak wordt de ‘menselijke natuur’, tezamen met ‘de natuur’ in het algemeen, als intrinsiek goed beschouwd.
    Onder de ‘natuur in jezelf’ moeten we hier onze slechte inborst verstaan, de menselijke hebzucht en geldingsdrang, en het misplaatste gevoel heersers van de schepping te zijn in plaats van onderdeel van het grote geheel en ‘rentmeesters’.
    Het boek bevat meer gedachtegoed van christelijke snit. Het heeft bovendien een lichte anti-technologische strekking.

    Tao zorgt dat de leiding van haar geteisterde land het boek in handen krijgt. Hoop daagt: ‘Eindelijk werd het visioen van Thomas Savage werkelijkheid. We lieten de controle los, het bos kreeg de kans zich te verspreiden. In de aarde zouden andere gewassen geplant worden, grotere gebieden zouden verwilderen.’ Dit lezen we op de voorlaatste bladzijde. Eerder is de lezer al te weten gekomen dat de wereldbevolking terugloopt als gevolg van alle ellende.

    Samenwerking
    De verbindingen tussen de drie levensgeschiedenissen illustreren het motief van ‘verbondenheid’. Naarmate haar verhaal vordert beseft Tao dat ‘het leven van één enkele persoon (…) niet van belang’ is. ‘Mijn dromen over hem waren niet van belang zolang ik niet in staat was het verband te zien, te zien dat dezelfde dromen voor ons allemaal golden.’ Dit is deel van de ‘boodschap’ van de roman: wij zijn, net als de bijen, alleen tot iets constructiefs en duurzaams in staat wanneer we eensgezind opereren, in wederzijdse afhankelijkheid. De drie afzonderlijke verhalen demonstreren dat ook: we zien verbeten individuen die pas in samenwerking met anderen vooruitgang boeken.
    Drie verhalen dus, met in de dystopische geschiedenis van Tao veel spanning, in de negentiende eeuw pijnlijk geestelijk geworstel bij William en het economische slachtofferschap anno nu van George.
    Helaas ook een boel cliché’s, kitsch en sentimentaliteit. Tao’s verhaal bijvoorbeeld doet sterk denken aan de onheilstaferelen die we kennen uit speelfilms.

    Sterke vrouwen
    Tom, onheilsprofeet van een bijenloze toekomst en verkondiger van het verlossende woord, is weliswaar een bijfiguur, maar hij is de enige man in dit boek die een doorslaggevende rol speelt bij het vinden van een oplossing voor de mondiale ramp. Het is daarom jammer dat hij niet beter uit de verf komt. William en George zijn in de eerste plaats slachtoffers en Tao’s man is passief. Het zijn de vrouwen in de roman die werkelijk gewicht in de schaal leggen, van Charlotte tot aan Li Xiara, de vrouw die aan het hoofd staat van de Chinese regering, onverbiddelijk in haar leiderschap maar betrokken bij het volk en vol empathie voor Tao.
    Dit zou je een tweede motief kunnen noemen: vrouwen kunnen niet gemist worden in het bestuur van de wereld.

    Wie dit boek leest, komt veel te weten over bijen en bijenteelt. Ook de geschiedenis van de bijenwetenschap passeert de revue: Swammerdam, Mendel, Darwin en anderen, van wie de lezer graag aanneemt dat ze echt hebben bestaan en gedaan hebben wat dit boek ons vertelt, want de schrijfster heeft haar onderwerp grondig bestudeerd. Alhoewel? William hoort reeds in 1852 de naam Mendel, die toch pas in 1858 met zijn onderzoek begon en wiens eerste publicatie van 1866 dateert.

    Taal
    De geschiedenis van de bijen is hecht gecomponeerd en staat vol betekenisvolle details (tot en met de namen: Tao, Savage). Er zijn boeiende zijsporen en uitweidingen en ook valt er hier en daar wat te lachen. Zonder meer een rijke inhoud, onderhoudend en leerzaam. Toch kleeft er een groot bezwaar aan het boek.
    De taal. Het lezen van deze roman is een bezoeking en dat komt door het erbarmelijke Nederlands. De schrijfster heeft een paar hinderlijke gewoonten en de vertaalster laat steken vallen.
    Maja Lunde rijgt zinnen aaneen waarbij ze het onderwerp na de eerste keer niet meer herhaalt: ‘Ik stapte uit, legde mijn handen op mijn rug om ze te verstoppen. Rick stond al klaar. Maakte kleine sprongetjes. Wilde beginnen.’
    Dit citaat demonstreert meteen haar voorliefde voor hyperkorte zinnetjes. Daarnaast herhaalt ze teveel, soms meer dan eens: ‘Dit ziekenhuis was het laatste op mijn lijst. Ik had de hele lijst afgewerkt, namen doorgestreept, afgekruist.’ De schrijfster is dol op deze stijlfiguur.
    Tenslotte wemelt het van onhandige formuleringen en soms klinkklare onzin: ‘er bleek geen eenvoudigste oplossing’; ‘maakte me aan de ene kant horendol, aan de andere kant ergerde ik me er kapot aan’; ‘ik kon onmogelijk werken met die ademende schaduw van vlees en bloed achter me’; ‘de zelfbestuurbare auto’.

    Als De Bezige Bij dit laat passeren, is het duidelijk dat niet alleen de honingbij maar ook de Nederlandse taal in bescherming moet worden genomen.

  • Buitenlandcorrespondent

    Buitenlandcorrespondent

    In 1930 publiceerde Sigmund Freud Das Unbehagen in der Kultur, volgens velen zijn belangrijkste werk. De auteur laat zien dat we als individu streven naar de vrijheid om te doen waar we zin in hebben en wat in ons opkomt, maar dat de beschaving ons door omgangsvormen en wetten intoomt en ons door conformisme op het ‘rechte pad’ houdt. Het boek werd in het Engels vertaald als Civilization and Its Discontents, een ‘klassieke’ titel uit de wereldliteratuur. De Pakistaanse schrijver Mohsin Hamid heeft de titel overgenomen voor zijn laatste boek, maar heeft hem omgedraaid: Discontent and Its Civilizations. Het werk is net in een Nederlandse vertaling verschenen als Onbehagen en beschaving. Hamid verdedigt de stelling dat we ons onbehagen juist niet moeten onderdrukken omdat de beschaving niet deugt. Daartoe hanteert hij een interpretatie van het begrip beschaving waar Freud van zou hebben opgekeken: beschaving is volgens Hamid een illusie, zelfs een gevaarlijke want krachtige illusie. Tja, zo heb je de discussie snel gewonnen.

    De hybride mens
    Maar uit Hamids toelichting, die uit de inleiding tot zijn boek moet worden afgeleid, blijkt dat beschaving voor hem toch iets meer inhoudt dan een zinsbegoocheling: nationaliteit, etniciteit, religieuze identiteit, in zulke richtingen denkt hij. Tot welke beschaving behoort een Syrische atheïst? vraagt hij zich af. Een islamitische soldaat in het Amerikaanse leger? Een Chinese professor in Duitsland? Wat hem vooral lijkt te storen is dat beschavingen mensen zouden dwingen bepaalde identiteiten aan te nemen, terwijl de grenzen tussen onze identiteiten juist poreus en kwetsbaar zijn. Dat blijkt overduidelijk in het tijdsgewricht van de mondialisering (door de vertaler consequent aangeduid met het bastaardwoord ‘globalisering’) dat heeft geleid tot een groot goed: ‘pluralisme’. Dit proces stelt ons eindelijk in staat onszelf te zijn, luidt ongeveer de redenering, en de beschaving zou dan weer proberen dat pluralisme de nek om te draaien. Hamid omschrijft zichzelf als een ‘buitenlandcorrespondent’, een ‘hybride mens’. Het menstype van de toekomst: hybride mensen tonen aan dat de grenzen tussen groepen fictief zijn (…) een essentiële constatering, want creativiteit komt voort uit mengen, uit het verwerpen van het zielloze karakter van zuiverheid. 

    Atlantic Swimmer
    De plechtige beginselverklaring heeft een beperkte reikwijdte, want na de inleiding gaat het boek verder over het leven van Mohsin Hamid. Hij heeft bijna veertig stukjes, columns en beschouwingen bijeengebracht die hij de afgelopen vijftien jaar in verschillende media heeft gepubliceerd. Dit alles om de lezer in staat te stellen de schrijver te leren kennen, met name zijn opvattingen over kunst en politiek. Het bestaan van Hamid ziet er van buitenaf ongetwijfeld opwindend uit, zijn zelfportret als ‘buitenlandcorrespondent’ lijkt sprekend. Hij is afkomstig uit Pakistan, maar heeft langere tijd in de Verenigde Staten gestudeerd en gewerkt, in Engeland en weer in Pakistan. De ondertitel van zijn boek luidt: berichten uit Lahore, New York en Londen. Maar bij die plaatsen blijft het niet, want hij wandelt over de Amsterdamse grachten, woont een verjaardagspartijtje bij in Manilla, reist door India. In de professionele migratieliteratuur wordt zijn geval wel aangeduid als het type van de Atlantic Swimmer: na de eerste overtocht naar het nieuwe vaderland blijft hij heen en weer reizen en kan zich nergens meer blijvend vestigen. In vrijwel ieder stukje wordt melding gemaakt van opnieuw een beslissing om te verhuizen, aanvankelijk alleen, na verloop van tijd met echtgenote (ontmoet in Londen) en kind. Maar momenteel woont hij met zijn gezinnetje in Lahore, bij zijn ouders in, zoals het een goede zoon betaamt, in het centrum van een reusachtig netwerk van broers, zusters, ooms, tantes, neven, nichten. I accept the blessing of the present, schreef hij een tijdje geleden over deze situatie, this is the gift my city has always given me, a sense of home to sustain me on my travels. Bericht van een hybride mens? Buitenlandcorrespondent? Misschien, maar met onverwacht stevige wortels in een hecht familieverband met grenzen die allerminst kwetsbaar of poreus lijken. Het citaat is afkomstig uit een stukje dat niet in Onbehagen en beschaving is opgenomen. Toeval?

    Pakistan
    De ondertitel van Onbehagen en beschaving is enigszins misleidend, want de ‘berichten’ zijn dan misschien wel verstuurd vanuit verschillende plekken, maar het onderwerp is onverminderd Mohsin Hamid, je komt over de genoemde steden niets te weten, behalve dat het er soms warm of koud is. De Indiase auteur Amitava Kumar schreef zo’n 15 jaar geleden een literary journey met een treffend overeenkomstige titel: Bombay, London, New York–dat was geen egodocument, maar een ontdekkingsreis aan de hand van wat Indiase schrijvers over die steden hadden geschreven. Bij Hamid kom je weinig te weten over zijn literaire voorkeuren. Veruit het interessantste deel van het boek is het laatste deel over de politieke situatie in Pakistan, een explosief land dat verscheurd wordt door de strijd tussen sekten, stammen, religies en tradities, een land van terroristen en militairen, van onmetelijke rijkdom naast bittere armoede. Hij schrijft over Osama Bin Laden, de invloed van de Verenigde Staten, Afghanistan, India, kernwapens, drones en Taliban; veel minder over zichzelf. Maar helaas zijn de analyses te oppervlakkig om te beklijven. De relatie met de inleiding en de hoogdravende gedachten over beschaving is helemaal zoek, vreemd genoeg. Daarvoor in de plaats soms storende slordigheid. Het afgelopen decennium zijn in Pakistan 35.000 dodelijke slachtoffers gevallen door terroristisch en contraterroristisch geweld, zegt de auteur. Een paar pagina’s verder is het aantal gestegen tot 40.000. In 2010 vonden er 128 drone-aanvallen plaats, op een andere pagina zijn het er 118. Sommige uitspraken zijn opmerkelijk dubieus: zou Pakistan in de greep van extremisten zijn vanwege een gespannen relatie met India? De verhouding tussen India en Pakistan is zeker gespannen, maar het typisch voor zowel India als Pakistan om al hun problemen, van welke aard dan ook, daaraan toe te schrijven. Een buitenlandcorrespondent zonder distantie.

     

  • ‘De nauw begrijpbare schoonheid van het menselijke leed’

    ‘De nauw begrijpbare schoonheid van het menselijke leed’

    Op 16 januari van dit jaar werd de Nederlandse FARC-strijdster Tanja Nijmeijer geïnterviewd door NRC Handelsblad. Ze las net op dat moment een boek van Svetlana Alexijevitsj en zei daarover: ‘Ik herken heel veel in dit boek. In een oorlog lopen dingen vaak dwars door elkaar, het is niet zwart-wit. Oorlog kun je niet begrijpen vanuit een vredesperspectief.’
    Alexijevitsj zelf zei ooit over haar manier van schrijven, dat je de grote geschiedenis kruimel voor kruimel bijeen kunt sprokkelen door naar de verhalen van kleine mensen te luisteren.

    Beide uitlatingen passen uitstekend bij het al uit 1985 stammende De oorlog heeft geen vrouwengezicht, het boek dat op Nijmeijer zo’n indruk maakte en nu in Nederlandse vertaling is verschenen. In dat boek zelf verwoordt Alexijevitsj haar werkwijze nog poëtischer: ‘Hoe graag ik ook naar de hemel en de zee kijk, toch zie ik liever een zandkorrel onder de microscoop.’

    De Wit-Russische onderzoeksjournaliste won in 2015 de Nobelprijs voor literatuur. Een jaar eerder was in Nederland al haar Het einde van de rode mens verschenen, dat alom lovend werd besproken en in menig lijstje van ‘Beste boeken van 2014’ voorkwam.

    Mannenzaak
    Het einde van de rode mens en De oorlog heeft geen vrouwengezicht volgen hetzelfde procédé. Alexijevitsj interviewde grote aantallen gewone mensen en rangschikte die getuigenissen tot een boeiend overzicht van wat de geschiedenis teweeg brengt in gezinnen, dorpen en persoonlijke levens. Cirkelde Het einde van de rode mens grotendeels om de vraag wat het uiteenvallen van de Sovjet-Unie de Russische mens heeft gebracht (vooral teleurstelling, desillusie en nieuwe pijn) na de Revolutie, onder Stalin, in de Tweede Wereldoorlog en daarna, in De oorlog heeft geen vrouwengezicht spreekt ze talloze vrouwen, destijds meisjes van 17 tot 20 jaar, die in de Tweede Wereldoorlog vrijwillig naar het front trokken om mee te vechten. Uit haat tegen Duitsland. Uit liefde voor het Vaderland. Zeven jaar lang interviewde ze hen. Aanvankelijk met grote moeite. Bijna niemand wilde er over praten: ‘Oorlog is een mannenzaak. Hebt u voor uw boek niet genoeg mannen om over te schrijven?’, zegt één van hen.

    De rol van die vrouwen werd lang verzwegen. Pas tien jaar na de oorlog viel in de Pravda te lezen dat de Sovjet-Unie ook jonge meisjes aan het front had. En pas dertig jaar na ‘de Overwinning’ van 1945 werden ze uitgenodigd op herdenkingsbijeenkomsten: ‘In het begin hielden we ons koest, droegen zelfs onze medailles niet. Mannen waren winnaars, helden, potentiële verloofden, het was hun oorlog, ons bekeken ze met heel andere ogen (…) Ons werd de overwinning afgepakt’, vertelt een vrouwelijke sergeant.

    Twee oorlogen
    Alexijevitsj lijkt zelf nauwelijks in het boek aanwezig. Natuurlijk is er het eerste hoofdstuk waarin ze met aantekeningen uit haar eigen dagboek duidelijk maakt hoe haar onderzoek te duchten had van de censuur en wat ze zelf besloot weg te laten. Maar alle volgende hoofdstukken bevatten hooguit enkele inleidende regels van haar zelf.

    Haar oogst aan gesprekken staat op kasten vol cassettebandjes. Tijdens de interviews stelde ze vragen, maar die blijven buiten de uitgeschreven tekst. Ze geeft letterlijk, dat wil zeggen ongekuist en zonder in te grijpen, weer wat er wordt gezegd. Dat maakt dat de schuchterheid van de vrouwen en hun pijn niet wordt benoemd, maar de lezer tegemoet komt in de transcripties. Puntjes laten zien waar stiltes vallen; zinnen worden niet afgemaakt, onvoltooid tegenwoordige tijd en onvoltooid verleden tijd worden lukraak afgewisseld en er wordt van de hak op de tak gesprongen. Je ervaart als lezer bijna hoe de spreekster slikt, wegkijkt en het goede woord niet vindt.
    En toch is Alexijevitsj ook voelbaar in die ononderbroken weergaves aanwezig: blijkbaar weet ze vertrouwen te wekken, want uiteindelijk vertellen de spreeksters wat ze tot dan toe verzwegen; sommigen zijn zelfs blij dat het ze eindelijk lukt.
    Af en toe mengt zich een echtgenoot in een gesprek van zijn vrouw. Dan wordt duidelijk hoe ze zelfs elkaar moeilijk kunnen vertellen over frontervaringen: ‘We hebben inderdaad twee oorlogen. Zodra we erover beginnen merk ik dat zij zich haar oorlog herinnert en ik de mijne.’

    Zintuigen
    Ook aanwezig is Alexijevitsj in de selectie die ze maakt. Ze heeft oor voor – wat ze noemt – ‘de nauw grijpbare schoonheid van het menselijke leed’. Ze noteert bijvoorbeeld uit de mond van de een hoe het slaan van takken tegen de vrachtwagen leek op kogelinslagen omdat met de oorlog ‘woorden en geluiden veranderden’ en later zegt iemand anders: ‘we reden op onze paarden en hoorden ineens muziek. Een viool… Voor mij was de oorlog op die dag afgelopen… Dat was zo’n wonder: ineens muziek. Andere geluiden… Alsof ik ontwaakte.’

    Opvallend is dat de vrouwen veel over zintuiglijke indrukken vertellen omdat de werkelijke pijn onzegbaar is. Een vrouw die mitrailleurschutter was zegt dat ze niet onder woorden kan brengen hoe ze huilde als ze vuurde: ‘U bent schrijfster. Verzint u zelf wat. Iets moois. Zonder luizen en vuil, zonder braaksel… Zonder de geur van wodka en bloed…’ En een chirurg over haar verborgen herinneringen: ‘soms hoor ik muziek… Of een lied… Een vrouwenstem. Daarin vind ik terug wat ik voelde.’

    En dan zijn er de schrijnende beelden die blijven hangen, zoals dit, beschreven door een verzetsstrijdster in een getto, die uit het raam keek: ‘Dinsdag… De datum en de maand weet ik niet meer. Maar het was een dinsdag.’ Ze zag op een bank een jongen en een meisje die elkaar zoenden: ‘Rondom waren pogroms en executies aan de gang. Maar zij waren aan het zoenen! Ik was kapot van dat vredige tafereeltje.’ Er kwam een Duitse patrouille uit een zijstraat, knalde het stelletje neer, en liep door: ‘Dat moet je begrijpen: ze zoenden niet thuis maar op straat. Waarom? Zo wilden ze kennelijk sterven… Ze wisten dat ze toch in het getto zouden omkomen en wilden op een andere manier sterven.’

    Inderdaad: oorlog kun je niet begrijpen vanuit een vredesperspectief. Svetlana Alexijevitsj sleept je aan de hand van vrouwenstemmen mee terug in de drek, de verlatenheid en de persoonlijke crises door alleen maar te luisteren en wat ze vernam aan ons door te geven.

     

  • De liefde voor Henri

    De liefde voor Henri

    Sebastiaan Welsend is een geboren conformist van goede burgerlijke komaf. Zijn vader heeft hem geleerd altijd afstand te houden tot mensen en onaangename confrontaties uit de weg te gaan. Dat is hem goed gelukt, maar tegelijk voelt hij zich nergens bij betrokken. Hij leeft het leven niet zelf, het leven overkomt hem. Hij is een beschouwer, niet iemand die zijn leven in eigen hand neemt.
    Maar dan verandert er iets: vlak voordat hij zestig jaar wordt, wordt hij ontslagen bij de bank waar hij werkt. Eigenlijk had hij gedacht dat hij een leidinggevende positie zou krijgen. De boodschap dringt dan ook niet tot hem door, hij raakt er van in de war; de volgende dag gaat hij gewoon naar de bank en vindt op zijn bureau de brief waarin staat dat hij niet langer op het werk wordt verwacht. Via een zijdeur vlucht hij het gebouw uit.

    Roken roept herinneringen op
    Hij begint weer te roken –na 20 jaar- en tijdens zijn eerste sigaret komt de herinnering boven  aan zijn jeugdliefde, Henriette die Henri genoemd wil worden. Met haar heeft hij in zijn jeugd veel tijd doorgebracht. Henri wordt opgeleid tot pianiste en moet veel oefenen, Sebastiaan luistert daarnaar in de tuin van haar huis. Henri weet dat; na afloop van de les gaan zij samen naar Het Leesmagazijn van meneer Perelman en genieten ze van de boeken die ze mogen lezen. Sebastiaan blijft langer kind dan Henri en ze verliezen elkaar uit het oog.
    De passage waarin Sebastiaan zijn eerste sigaret in 20 jaar opsteekt, is prachtig om te lezen; het laat goed zien wat een taalvirtuoos Allard Schröder is.

    Hij inhaleerde diep.
    Terstond vulde zijn hoofd zich met een weldadige, rozige mist, het was alsof het opzwol tot het wonderlijk groot was en bijna gewichtloos als een ballon, ook zijn maag dijde uit tot hij tegen zijn huig drukte; op hetzelfde moment gebeurde er een wonder; weg was ineens die onbestemde zwaarte, die in de loop der jaren nachtzwart in hem was neergedaald en hem een neerdrukkende last was geworden; hij was hem als een onvermijdelijk deel van zichzelf gaan beschouwen, die alleen met rode bourgogne doeltreffend te bestrijden was. Gulzig zoog hij de rook naar binnen en wachtte tot die zich reinigend in hem verspreidde, het was alsof hij een oude, nog altijd willige liefde in de armen sloot, die hij veel te lang had verwaarloosd. (…) De nicotine leek zijn geheugen te scherpen, ze trok het doek op en toonde hem een toneel, waarvan hij niet wist dat hij het in zich droeg. Helder er zonnig verscheen hem het panorama van een vroeger leven voor de geest, alsof het nog maar pas geleden verleden was geworden – licht was het en schuldeloos, verleidelijk en leugenachtig, maar tegelijk ook diep en intens waar. Misschien was alles wel zoals het had moeten zijn, het drukte het getroebleerde heden weg en gaf zich over aan dat zoet, gloeiend, zonovergoten landschap van vroeger. 

    Telkens wanneer hij er een opsteekt, komt er een herinnering aan Henri naar boven. Dan vindt hij op zijn zolder van zijn huis een oude foto van Henri; op de achterkant staat: Wanneer kom je nou? H. Dat is voor hem de aanleiding om naar haar op zoek te gaan.

    Van die zoektocht doet Schröder magistraal verslag. In mooie, meanderende zinnen vertelt hij van de jeugd van Sebastiaan en Henri, en dan vooral hoe Sebastiaan zich die herinnert. De zoektocht van Sebastiaan duurt lang, heel lang voordat hij erin slaagt haar te ontmoeten. Ondertussen is er bij hem een gezwel in zijn hersenen verwijderd waardoor hij lijdt aan geheugenverlies. Zijn geheugen speelde hem al parten en na de operatie is hij het vrijwel geheel kwijt. Dat maakt zijn zoektocht naar Henri nog meer bijzonder omdat hij niet meer precies zijn relatie met haar kan reconstrueren. Gelukkig heeft hij genoeg verbeelding om er iets van te maken.

    In de VS
    Wanneer Sebastiaan uiteindelijk heeft ontdekt dat Henri in de VS woont, besluit hij haar daar te gaan opzoeken. Wat dan volgt, is een prachtige en wonderlijke reis door de VS, die eindigt in het dorp waar ze blijkt te wonen. Maar het zit Sebastiaan niet mee: ze blijkt niet thuis; ze is in Nederland vanwege de dood van de tante die haar heeft opgevoed. Sebastiaan is besluiteloos: zal hij wachten tot ze terug is of zal hij naar Nederland reizen met het risico dat ze elkaar kruisen? Na lang aarzelen vliegt hij terug en gaat naar het huis van de overleden tante van Henri. Daar ontmoeten ze elkaar dan eindelijk. Sebastiaan schrikt zo van deze, toch nog onverwachte, ontmoeting dat hij flauw valt.

    Terug in Nederland
    Sebastiaan heeft een zoon, die in Engeland woont. Wanneer die door zijn vrouw het huis wordt uitgegooid, keert hij terug naar Nederland en wil hij bij zijn moeder gaan wonen. Die vindt dat geen goed idee en wil dat Sebastiaan hem in huis neemt. Sebastiaan voelt daar niets voor, hij heeft weinig met zijn zoon, maar staat machteloos. De zoon is een nietsnut, ligt de hele dag op de bank en viert ’s avonds feest. Hij maakt van het huis van Sebastiaan een puinhoop. Wanneer Henri Sebastiaan vraagt om bij haar te komen logeren, zegt hij geen nee. Daardoor kan hij de confrontatie met zijn zoon uit de weg gaan. Vanaf dat moment halen Sebastiaan en Henri jeugdherinneringen op en vertellen elkaar hoe het ze in het leven is vergaan. Dan blijken de grote verschillen in karakters maar ook de bijzondere band die ze in hun jeugd met elkaar gehad hebben. De verlegen en schuchtere Sebastiaan, met zijn monstrueuze neus, bewonderde Henri. Voor Henri was Sebastiaan een manier om het huis van haar tante te ontvluchten.

    Terug naar de VS
    Wanneer Henri het overlijden van haar tante heeft afgehandeld, gaat ze terug naar de VS. Sebastiaan blijft in Nederland. Een paar weken later ontvangt hij een CD met pianomuziek, gespeeld door Henri; dat was de muziek die zij vroeger speelde en waar Sebastiaan, staand in de struiken naast haar huis, altijd naar luisterde.

    Waardering
    Er valt nog veel meer over dit rijke boek te vertellen, maar beter is het zelf te lezen.
    Sebastiaans neus is een schitterend verhaal, de mooie zinnen en prachtige taal rijgen zich aaneen, vol rake typeringen, evocatieve beschrijvingen en opvallende woorden (zoals wegdeemsteren).
    Een waar genot om te lezen! Wanneer je wilt ervaren wat literatuur is: lees dit boek en je bent voor altijd een liefhebber.

     

  • ‘Wat is al dat wit daar?’

    ‘Wat is al dat wit daar?’

    Dat de Engelse keramist en schrijver Edmund de Waal ons, volgens de achterflap, gaat vertellen dat ‘porselein meer is dan een verhaal van serviezen en beeldjes’, blijkt al uit het motto dat hij koos voor zijn ‘Verslag van een obsessie’: ‘Wat is al dat wit daar?’ (uit: Moby Dick van Herman Melville); we weten immers dat de witte walvis méér is dan alleen een dier.

    Het spoor van een idee
    De witte weg is eigenlijk een soort pelgrimstocht naar China, Duitsland en Engeland. Naar de bronnen waar porselein werd uitgevonden, ‘de bron van die rivier van wit.’ Alle drie op een witte heuvel. En is een berg niet een heilige plaats?
    De zoektocht wordt afgewisseld door verhalen over ervaringen met het zelf maken van porseleinen objecten, ‘mijn pogingen om iets duidelijk te maken’, aldus de auteur. Veertig jaar lang. Zoals hij de reizen die hij onderneemt ziet als ‘het spoor van een idee volgen.’ Wit staat immers voor het begin: een wit vel papier, een wit schilderdoek. Voor De Waal bestaat er geen einde, maar alleen telkens een nieuw begin. Immers: ‘Pelgrims weten niet wat ze moeten doen als ze eindelijk hun doel bereiken.’ Dat blijkt ook uit dit boek. Waarover straks meer.

    Kaoling
    De eerste witte heuvel is Kaoling bij de Chinese stad Jingdezhen. De Waal is verliefd op het porselein daar, wat blijkt uit een omschrijving als: ‘Ze pakt een kom en tikt ertegen. Het geluid is als een afbeelding van geluidsgolven in de lucht.’
    Als de vorm hem niet aanstaat (door een te nauwe hals bijvoorbeeld), ziet de auteur het als personificatie van de maker: kortademig, smakeloos. Een beetje doorgeslagen is de obsessie wel van een pottenbakker die ook potten in plaats van schaapjes telt als hij de slaap niet kan vatten…
    In ieder geval reden genoeg voor de auteur om te bekennen dat hij geen kunsthistoricus en sinoloog kan zijn, omdat hij verstikt is ‘in porselein als recept, porselein als beheersing.’ Porselein moet ‘perfect, evenwichtig en harmonieus’ zijn. Net als de verhalen die er de ronde over doen.

    Dresden en Meissen
    De Waal neemt zich voor om als tweede porseleinsteden Dresden en Meissen te bezoeken. Maar niet nadat hij eerst Versailles heeft aangedaan, waar de invloed van China aan het hof van Lodewijk XIV groot was. Aan de ene kant is het leuk dat en passant ‘ons’ Delfts blauw en ‘onze’ Spinoza ook even worden genoemd. Maar aan de andere kant werkt een dergelijke hang naar volledigheid ook vermoeiend. Het doet denken aan de detaillistische dossiers over Joh. Fr. Böttger die aan het hof van Dresden werkte. Haast voorlopers van Stasidossiers, als we De Waal mogen geloven. Böttger was arcanist, in beide betekenissen van het woord: bezitter van geheime kunsten en arbeider in de porseleinfabriek van Meissen.

    Plymouth
    De derde plaats waar De Waal wit porselein en de geheimen daarvan wil vinden, is zijn thuisland Engeland. De obsessie gaat door. Met het kopen van een boek van de groothandelaar in benodigdheden voor artsen en apothekers en quaker William Cookworthy hoopt De Waal uit een soort bijgeloof dat deze aanschaf ‘misschien een tremor kan overbrengen van alle aspiraties van de oude man.’ Maar de auteur raakt het boek kwijt. Zijn angst is dan of hij de kennis van porselein maken ook zal verliezen. De subtiel-symbolische beschrijving daarover die dan volgt, komt in zijn eenvoud sterker over dan de soms al te idolate verhalen over porselein die worden uitgesponnen. Al lijkt er een diepere laag onder te zitten, die je proeft in het levensverhaal van William dat De Waal besluit met: ‘Williams obsessie (….) was een manier om op de wereld gericht te blijven, om afstand te houden tot alle afwezigheden in zijn leven. Obsessies kunnen nuttig zijn.’

    Doel bereikt?
    Op zijn reizen heeft De Waal niet alleen wit porselein gevonden en zich in de levens van enkele makers daarvan verdiept, maar ook porselein dat in donkere tijden zoals onder het nazibewind in Dachau werd gemaakt. Eén van de vele zwart-witfoto’s in het boek toont Himmler met dit porselein. De Waal beschrijft hoe de vervaardiging hiervan de mist in kan gaan. Dat accepteerde Hitler niet; hij wilde louter vakkundig gemaakt werk. Af. Zoals hij een wereld met mensen zonder gebreken wilde. Deze context maakt ook dat dit hoofdstuk een symbolische lading heeft. Bovendien is het beklemmend geschreven.
    Alleen: waarom is dit hoofdstuk toegevoegd? Weer uit volledigheidsdrang, of omdat hij niet weet wat te schrijven nu hij zijn doel heeft bereikt? Er bestaat toch altijd, zoals De Waal schrijft, een nieuw begin?

    Al met al een boek dat soms in wat idolate beschrijvingen, maar soms ook subtiel en symbolisch, de lofzang van porselein bezingt.

     

  • Obsessie voor een oorlog die niet de jouwe was

    Obsessie voor een oorlog die niet de jouwe was

    Een schizofrene tobberd. Een schlemiel die als geschiedenisleraar voor de klas begon, maar nu zijn dagen doorbrengt in een achterafkamertje van de school. Waar hij mag bijhouden welke leerlingen spijbelen. Wiens voelsprieten, zo werkt dat nu eenmaal bij tobberige types, haarfijn signalen oppikken van jongetjes die óók geboren zijn voor tegenslag. Een jongetje bijvoorbeeld dat met een suède portemonneetje rondloopt waarop in glitterletters het woordje diva is geplakt. Die er bijna om smeekt gepest te worden.

    Abel Kaplan, zo heet de gesjeesde leraar, is ook nog eens een mislukt schrijver, die zijn dagen slijt in dat vergeten kamertje op een islamitische middelbare school. Hij is de hoofdpersoon in de nieuwe roman van Daan Heerma van Voss (1986), De laatste oorlog. Beschouw die oorlog maar gerust als de heilloze strijd die Kaplan voert met zijn omgeving. Anderen op stang jagen, vaak zonder echte reden, daar is hij goed in. Zonder veel moeite slaagt hij er in om ruzie te krijgen met zijn ex, met zijn nieuwe vriendin en met zijn nieuwe schooldirecteur. De laatste stuurt Kaplan met een schorsing naar huis. Niet zo heel verrassend: op een beveiligingscamera van de school staat Kaplan die de fiets van een leerling in elkaar trapt.

    Abel Kaplan raakt geobsedeerd door de oorlog. Als zijn joodse vriendin hem het kampdagboek van haar grootvader laat zien, raakt hij ervan overtuigd dat het document zijn redding is. Hij heeft zelf de oorlog niet meegemaakt en dat ervaart hij als een gemis. Hij vraagt zich af wat voor mens hij zou zijn als hij de oorlog wél had meegemaakt. Het dagboek biedt hem twee kansen. Hij schrijft het over en zet de inhoud naar zijn hand. Dichter bij iemand komen die de verschrikkingen van de oorlog aan den lijve heeft meegemaakt, kan hij bijna niet. Zo ervaart hij de oorlog toch nog bijna zelf. Tegelijk kan hij zijn schrijverscarrière, behoorlijk in het slop geraakt, een nieuwe boost geven. Ondertussen houdt hij op zijn flatje een zigeunerjongetje verborgen, een vluchtelingetje dat het land uitgezet dreigt te worden. Dat is een vage poging van de schrijver om Kaplan wat minder narcistisch te laten lijken en tegelijk een wat gekunstelde poging om het verleden van het kampdagboek met het heden te verbinden.

    Soms heb je de neiging om je hand in dat boek te stoppen en die egocentrische hoofdpersoon aan zijn haren eruit te trekken. Om hem vervolgens eens flink door elkaar te schudden. Als zo’n emotie je tijdens het lezen van een boek bekruipt, is dat boek in zeker opzicht geslaagd. Het doet iets met je. Maar als je na het lezen van de laatste bladzijde de som opmaakt en concludeert dat het bij die emotie, ergernis over de hoofdpersoon, is gebleven, dan valt het eindoordeel mager uit.

    Heerma van Voss is een goed verteller. Maar in dit boek wijdt hij wel erg veel uit. In een paar lijntjes waren het karakter van de hoofdpersoon en diens houding ten opzichte van de wereld wel geschetst. Maar de schrijver kiest voor herhaling en detaillering. Steeds weer die scènes van Kaplan die op dat flatje die jongen verborgen probeert te houden voor zijn buren… De hoop op een daverend slot maakt dat je doorleest. Maar ja.

     

  • Literatuur als leidraad

    Literatuur als leidraad

    In Het verdriet van anderen maakt Philip Huff, bekend van coming-of-age romans als Dagen van gras en Niemand in de stad, de lezer deelgenoot van zijn persoonlijke leeservaringen. De boeken die Huff sinds zijn middelbare schooltijd heeft gelezen, maakten hem los van zijn vertrouwde omgeving, met de bijbehorende tradities en verwachtingen en hielpen hem bij het volgen van zijn eigen weg. Volgens Huff kunnen romans daarom juist in deze tijd, waarin jonge mensen moeten vechten om een plaats in een maatschappij die succes hoog in het vaandel heeft staan, een moment van rust, bezinning en reflectie bieden, mits de lezer bereid is om daar de tijd voor te nemen.

    Je eigen leven
    Dat Huff in zijn eigen leven veel van literatuur heeft opgestoken, maakt hij overtuigend duidelijk. De romans van Sylvia Plath, Virginia Woolf, John McGahern en Jon Krakauer verkenden perspectieven, mogelijke manieren van leven, die Huff inspireerden om zijn eigen perspectief te ontwikkelen en niet dat van anderen klakkeloos over te nemen. Huff besteedt veel aandacht aan Krakauers Into the Wild, dat is gebaseerd op het tot de verbeelding sprekende leven van Chris McCandless, die zijn comfortabele leven in de Amerikaanse consumptiemaatschappij achter zich liet en zich terugtrok in de natuur van het ongerepte Alaska. McCandless is bij uitstek iemand die de normen en verwachtingen van de maatschappij naast zich neer legde en de moed had om een ‘authentiek’ leven te leiden. Dat de student hierin nogal overdreef en daarmee zijn eigen leven beëindigde, getuigt volgens Huff van naïviteit, maar McCandless werd wel een inspiratiebron voor een generatie twintigers en dertigers die ‘authenticiteit’ nastrevenswaardig vond. ‘Het is mogelijk in de korte tijd die je is gegeven een verhaal van je eigen leven te maken, een ander verhaal dan je is meegegeven, en jezelf te vinden.’

    Het leven van anderen
    Literatuur laat je delen in het leven, de pijn en het verdriet van anderen. Op die manier ontstijgt de lezer zijn eigen, beperkte ervaringen en leefomgeving en is hij in staat om een keuze te maken voor een andere manier van leven. Zo is Philip Huff schrijver geworden na het lezen van romans die indruk op hem maakten, terwijl zijn ouders wilden dat hij een reguliere, vaste baan zou krijgen. Bovendien kunnen romans je steunen in moeilijke tijden, omdat ze herkenning bieden. Toen Huff werd geopereerd aan zijn hart en zelfs vreesde voor zijn leven, wankelde zijn wereldbeeld. Hij keek op een afstand naar zijn eigen leven, zoals Helmer zich in Boven is het stil realiseert dat hij –na een leven vol teleurstellingen- het heft in eigen handen moet nemen. Omdat Huff zijn eigen beleving koppelt aan de verhalen waarover hij vertelt, krijgen die verhalen een nieuwe betekenis.

    De enige kanttekening die je bij Het verdriet van anderen kunt plaatsen, is dat de strekking niet zo verrassend is. Huff schrijft dat literatuur je stimuleert om je eigen weg te gaan, ‘je hart te volgen’, maar daar hoef je geen romans voor te lezen. Eenzelfde advies kom je tegen in popliedjes, reclames en Hollywoodfilms. De ironie wil dat de commercie de hang naar authenticiteit heeft eigengemaakt, waardoor het gemeengoed is geworden. Maar dat maakt Huffs nieuwste boek er niet minder overtuigend op.

     

  • ‘een ongrijpbare pracht ‘ 

    De Familie telt vijf personen, de Vader, de Moeder, de Dochter, de Oom en de Zoon. De laatste verblijft al een tijdje in het buitenland. Ze wonen in een huis met een stenen trap, zeven luiken en vijf deuren. Modesto dient het huis al negenenvijftig jaar. Iedere ochtend wekt hij ‘van oudsher’ de leden van de Familie. Aan het licht van de dageraad ziet hij wat voor dag het zal worden. Als een priester verkondigt hij het begin van de dag: ’Goedemorgen. Versluierde zon, lichte bries.’ Of: ‘Goedemorgen, drukkende hitte en hinderlijke vochtigheid.’ De gezinsleden ontbijten zeer uitgebreid, al dan niet in het gezelschap van talloze bezoekers.

    ‘Uiteindelijk trekken ze zich tegen drie uur ’s middags terug naar hun kamers en een half uur later komen ze daar stralend en fris uit tevoorschijn. […] De centrale uren van de middag besteden we aan zaken.’ Het avondeten is de inleiding voor de nacht. ‘Zonder afscheid te nemen gaan we vervolgens naar het onbekende van de slaap, dat ieder op zijn eigen wijze bezweert. Al honderddertien jaar lang is namelijk iedereen ’s nachts gestorven in onze familie.’

    Op een dag staat er een jong meisje met een koffer voor de deur: ‘Zij werd niet verwacht op deze dag, of misschien ook wel, maar dan waren ze het vergeten. Ik ben de Jonge Bruid, zei ik.’

    De Zoon en de Jonge Bruid hebben elkaar leren kennen, toen zij vijftien en hij achttien was. De wederzijdse families hebben afgesproken dat zij zullen trouwen ‘zodra haar achttiende jaar voltooid was’. Alleen, de Zoon is nu in Engeland: `Het was irritant te moeten toegeven dat de Zoon feitelijk gezien niet aanwezig was.’

    De Familie stuurt de Zoon een telegram: ‘Jonge Bruid teruggekeerd. Opschieten.’ Wachtend op zijn terugkeer slaapt zij zo lang bij de Dochter. De Zoon ‘begint met arriveren’ – er komen allerlei spullen aan uit Engeland, een ‘Deense pianola, in onderdelen’, de volgende dag ‘twee rammen van het ras Fordshire uit Wales’. De Jonge Bruid vraagt zich af of hij nu wel of niet komt. Volgens de Dochter arriveert ‘hij elke dag een beetje, over een maandje zal hij klaar zijn met arriveren.’

    De Jonge Bruid leert alle huisgenoten en hun geschiedenis kennen. Modesto met zijn betekenisvolle kuchjes, de Dochter met haar handicap, de Moeder met haar ‘syllogismen’. Als de Familie op hun jaarlijkse vakantie gaat, blijft de Jonge Bruid alleen achter in het huis om op de Zoon te wachten. De Oom die de hele tijd slaapt, komt eerder terug van vakantie: ‘Hij kon zich al slapend scheren, en niet zelden had men hem zien slapen terwijl hij pianospeelde, al kwamen de staccato noten wel met een lichte vertraging. Er waren zelfs mensen die beweerden dat ze hem diep in slaap hadden zien tennissen: kennelijk ontwaakte hij alleen wanneer er van speelhelft werd gewisseld.’

    Bij al deze ontmoetingen verschuift het vertelperspectief van de derde persoon naar de eerste persoon. Meestal is de ik-figuur De Jonge Bruid, soms ook de schrijver van het boek. Hij licht zijn verteltechniek toe. Hij meldt dat hij ‘om redenen die [hem] op dat moment geraffineerd technisch voorkomen’ van vertelstem verandert, met als resultaat dat hij ‘het leven voor de lezer compliceert.’ Van ‘sommige paginaatjes’ verwacht hij dat die op de redacteur ‘als volkomen nutteloos en helaas weinig functioneel voor het verloop van het verhaal’ zullen overkomen: ‘Met gepaste hoffelijkheid zal hij me aanraden ze te schrappen. Ik weet nu al dat ik dat niet zal doen […]’.

    Het is een knap spel met de lezer. De schrijver laat zijn boek over De Jonge Bruid aan zijn minnares L. lezen: ‘Ze zei intelligente dingen over wat ik schreef, terwijl we ons terugtrokken in hotelkamers om elkaar lief te hebben.’ Zij vindt dat hij wel erg veel over seks schrijft: ‘[…] al die seks […] hier is het een obsessie.’ Als ze bij hem weggaat, zegt ze: ‘Jij verandert ook nooit, he?’. De schrijver vraagt zich af wat het verhaal van een familie die tot drie uur ’s middags zit te ontbijten, of van een oom die de hele tijd slaapt, in godsnaam te maken kan hebben met ‘de plotselinge verbrokkeling die bezig is mij van de aardbodem weg te vagen.’ Hij besluit op reis te gaan naar het Zuiden. Daar verliest de schrijver zijn laptop met zijn boek erop. Maar hij heeft het hele verhaal nog in zijn hoofd. Het is een ‘gelaagde optelsom van alle zinnen’ die eerst zijn bedacht, daarna opgeschreven en vervolgens herinnerd. ‘Objectief gezien was ik niet alleen mijn boek niet kwijtgeraakt, maar in zekere zin had ik het juist in al zijn volheid teruggevonden, nu het onstoffelijk was geworden en zich had teruggetrokken in het winterverblijf van mijn geest. Ik kon het op elk gewenst moment naar de oppervlakte halen […] en dan kwam het tevoorschijn met een ongrijpbare pracht tegenover welke de nette orde van een gedrukte pagina blijk gaf van de starheid van een grafsteen.’

    Het boek bevat meer mooie vergelijkingen, o.a. over de schoonheid van de vrouw. De Dochter heeft de schoonheid van de Moeder, en bovendien nog ‘het gulden patina van de fortuinlijke leeftijd’. Dit beeld komt indirect terug in een langere beschrijving. De schrijver observeert zijn minnares terwijl zij zijn manuscript leest: ‘Al die tijd zat ik naar haar te kijken terwijl ik zocht naar een naam voor dat dunne laagje dat achterblijft op de vrouwen die we hebben liefgehad wanneer de tijd is verstreken, terwijl we nooit echt uit elkaar zijn gegaan, of elkaar gehaat hebben, of ruzie hebben gehad […]’. Die naam ontglipt hem al jaren: ‘Telkens als ik hem bijna te pakken heb kruipt hij in een onzichtbare spleet in de muur.’ Een soortgelijk beeld komt terug: ‘We zaten verstopt in een plooi van de schepping.’ Gebeurtenissen worden opgetekend in ‘het grootboek van het leven.’ Een combinatie van de twee beelden is een herinnering van De Jonge Bruid aan een vreemde nacht, ‘die door de scheur van de wereld was gekropen, onvindbaar in het grootboek van de levenden […]’. Fraai ook is de beschrijving van een herinnering aan een nacht in het bos: ‘De rest van de nacht lijkt me nu, als ik hem in mijn herinnering laat opkomen, een meer zonder begin of einde, waarin elke weerschijn nog altijd ligt te glinsteren, maar elke oever verloren is, en de bries onleesbaar.’

    Mooie beelden en herinneringen. Maar het belangrijkste motief van het boek is het wachten op de Zoon. De vraag of hij een Godot is of niet wordt pas op de laatste bladzijde van dit prachtige boek met een onvergetelijke slotzin beantwoord.

    Alessandro Baricco (1958) is een succesvolle hedendaagse Italiaans auteur. Zijn werk is meermaals bekroond met internationale prijzen. Oceano mare (vertaald: Oceaan van een zee, 1995) won de Premio Viareggio in 1993. Voor Châteaux de la colère (de Franse vertaling van Castelli di rabbia, 1991), in het Nederlands vertaald als Land van glas (1996), ontving hij in 1995 de Prix Médicis étranger. Zijde (1997) werd in 1998 uitgeroepen tot Booksellers International Book of the Year.

  • Er is een touw om je nek

    Er is een touw om je nek

    Poëzierecensie door

    Jan Arends (1925-1974) heeft, onder meer door zijn uiterst kale taalgebruik, veel bewonderaars. Een van hen is Oscar van Gelderen, uitgever bij Lebowski. Bij die uitgeverij verschenen vorig jaar verschillende (her)uitgaves van Arends’ werk. Naast twee verhalenbundels en een biografie, zijn er ook weer gedichten van Arends verschenen. Lunchpauzegedichten (1974) is heruitgegeven, en er is een nieuwe poëziebloemlezing uitgebracht: Roofbloem.

    Roofbloem is een ietwat overbodige uitgave. De selectie kent namelijk een aanzienlijke overlap met Lunchpauzegedichten, en is ongeveer even dik. Roofbloem had daarom beter een dikkere bundel kunnen worden, met meer werk dat niet in de eerstgenoemde bundel staat. De meest geïnteresseerden zullen Lunchpauzegedichten immers aanschaffen wegens de goed reputatie van die bundel, en wellicht Roofbloem als supplement kopen.

    9200000036183455De toegevoegde waarde van Roofbloem zit in de reeks fraaie liefdesgedichten voor Haleine, en ook in Arends’ vroege werk. Die eerste gedichten missen scherpte en zijn vrij traditioneel, rijmende gedichten, maar ondertussen zijn ze wel duidelijke voorecho’s van de latere Arends:

    Vandaag ben ik mijzelf niet meer,
    ik ben het geraamte van mijn broer,
    die gisteren is dood gegaan;
    de dood staat altijd op de loer.

    De dood staat altijd op de loer
    en met hem zeven zonden,
    die mij wel slepen naar de hel
    als zij mij vinden konden.

    Maar ik sta illegaal op straat
    te wachten in de regen,
    te wachten tot mijn zonden gaan,
    maar straks zijn het er negen.

    Ik durf mijn huis niet in te gaan;
    de dood staat altijd op de loer;
    ik sta in de regen op de straat
    in het geraamte van mijn broer
    .

    Een fantastisch gedicht is het allerminst (let op de rare zinsvolgordes, onnodige herhalingen en de rijmdwang ‘regen’-‘negen’). Bovendien zit het tegen Hendrik de Vries-epigonisme aan. En toch, ‘[het] geraamte van mijn broer’ is een aangrijpend beeld, veel aangrijpender dan dat matige ‘de dood staat altijd op de loer’ (bovendien, men staat niet maar ligt op de loer). Daarnaast doet de dood in dit gedicht ook gelijk denken aan een van Arends’ latere, mooiste gedichten: ‘Je / ligt in bed. // Er / is een touw / om je nek. // Het / leven is goed. // Het / brood is vers. […] Je / gaat naar bed. // Er / is een touw / om je nek.’

    Arends bedient zich van een opvallende, om niet te zeggen merkwaardige verstechniek. Elke strofe is bij hem een zin en andersom. Elke regel bevat hoogstens vier, vijf woorden. Dat doet enigszins denken aan de manier waarop poëzie vaak geparodieerd wordt: woord enter woord enter woord enter woord. (Zie ook Jules Deelder: ‘Ge- / dich- / ten / zijn / vaak / lang / en / smal’.) Arends weet echter heel goed wat hij doet. Hij zet de lange, smalle vorm op uitstekende wijze in: hij bouwt vaak langzaam een gedicht op en gebruikt daarbij vaak herhalingen (zie bijvoorbeeld ‘Zo / is hout’ en ‘Zo / is het woord’). Daardoor krijgen de gedichten iets mantra-achtigs. Rustig bouwen de beelden zichzelf op, en ze worden nergens vaag.

    Wat overigens ook verloren gaat bij Roofbloem: het poëticale openingsschot van Lunchpauzegedichten. Weliswaar is ‘Voor Gerrit Kouwenaar’ in beide bundels opgenomen, maar in Lunchpauzegedichten wordt rond beelden uit dat gedicht een duidelijke poëzieopvatting naar voren geschoven: de poëtica van de destructie. Laten we het gedicht erbij pakken (en let ook op die fraaie mantra-achtige herhalingen):

    Wie / een boom / tekent / laat / het weten / zien.

    Een / boom / is geen taal.

    Een / getekende boom / is taal.

    Een / bijl maakt hout / van de boom.

    Zo / is / een omgehakte boom / een daad / van de taal.

    Alles / wat zegt / dat de boom / bestaat / is / taal.

    Een / bijl / maakt hout / van de boom.

    Zo / weet / de bijl / van boom / en hout / en bijl.

    Zo / spreken / de handen / van de mens / van de boom.

    Zo / is hout / de taal / van het huis.

    Zo / is het woord / de woning / van / de / mens.

    Als je / eindelijk kunt zien / hoe de boom / vertakt / dan is het winter.

    Het gedicht roept de associatie op met bomen die gekapt worden om tot papier verwerkt te worden: als ondergrond voor taal. Om te scheppen dient er vernietigd te worden. Vervolgens duiken er steeds vaker bomen en bijlen op in Lunchpauzegedichten, waarbij het beeld van de boom gelijkgesteld lijkt te worden aan de poëzie zelf. Arends heeft het verderop in de bundel immers over ‘Ik / schrijf gedichten / als dunne bomen.’ Deze strofe wordt dan ook geregeld geciteerd als er over Arends geschreven wordt (zo ook in de nawoorden bij Lunchpauzegedichten én Roofbloem). De bijl duikt onder meer op in een indringend titelloos gedicht:

    Wat
    geeft dat toch
    een angstig gevoel
    van vrede
    als vader
    zijn bijl slijpt.

    Het fijne aan Lunchpauzegedichten is dat er allerlei dwarsverbanden gelegd kunnen worden. Een gedicht als bovenstaande zorgt op zichzelf voor vragen (waarom slijpt de vader de bijl? waarom geeft dat een angstig gevoel van vrede? wat is een angstig gevoel van vrede?), en daarin zit voor een deel de charme van het gedicht, maar lees het eens in het licht van een andere Arends-klassieker, die begint met de regels ‘Ik ben / vijftig jaar / en geen / aardige man.’ Over deze man leren we dat hij geen vrouw en kinderen heeft, dat hij ‘veel geonaneerd [heeft]’,  het brood besmeurt en ellende bezorgt waar hij komt. En dan volgt de wending van het gedicht:

    Misschien
    kom ik morgen
    bij u
    met een bijl.

    Maar
    schrikt u niet
    want ik
    ben god.

    Alweer een bijl die opduikt. En wijst die ‘schrikt u niet’ op een angstig gevoel van vrede? Er heerst een constante dreiging in Arends’ poëzie, die van de opzichtig aanwezige dood is veranderd in bijlen en stroppen, die tegelijkertijd concreet en ongedefinieerd is. Dat maakt deze gedichten behoorlijk beklemmend, maar tegelijkertijd zijn ze door hun verrassende vorm en opbouw ook erg uitnodigend.


    Lunchpauzegedichten
    en Roofbloem

    Jan Arends

    Blz.: 67
    Prijs: € 12,50
    Uitgegeven door De Bezige Bij en Lebowski

     

  • Zeven dagen uit het decadente leventje van een jonge, wanhopige schrijver

    Zeven dagen uit het decadente leventje van een jonge, wanhopige schrijver

    Enkele weken geleden stond er in De Volkskrant een interessant interview met de Amerikaanse psycholoog Barry Schwarz over ‘keuzestress’. Schwarz vertelde dat vrijheid niet per se meer welzijn betekent, maar mensen ook ongelukkig kan maken. ‘De bevoorrechte generatie ervaart doelloosheid en heeft moeite om van de drugs af te blijven,’ zei hij. ‘Een fatsoenlijk leven leiden is tegenwoordig niet genoeg meer. Waarom zou je daar genoegen mee nemen als alles mogelijk is?’

    De nieuwe roman van Philip Huff, Boek van de doden, wordt bevolkt door leden van deze bevoorrechte generatie. Hoofdpersoon Felix Post, een jonge schrijver die enkele succesvolle boeken op zijn naam heeft staan, maar nu kampt  met een gebrek aan inspiratie en de gevolgen van een verbroken relatie, vult zijn dagen met het ophalen van herinneringen aan zijn ex-vriendin Victoria en het maken van afspraakjes met vrienden en gewillige vrouwen. Felix, het alter ego van Philip Huff, heeft weinig te klagen, zou je denken. Terwijl andere, meer ‘middelmatige’ mensen zich dagelijks afmatten met een negen-tot-vijf-baan en een stel eigengereide kinderen, werkt Felix aan zijn creatieve projecten en schuift hij aan tafel bij Matthijs van Nieuwkerk om zijn visie op de Amerikaanse schrijver Salinger te geven. Toch heeft hij de cocaïne van zijn ‘vriend’ Seth nodig om zijn lege dagen door te komen. ‘We nemen onze pillen en we leven nog.’

    ‘De Avonden, maar dan in het nu’, staat op de achterkant van de roman. Nrc.next presenteerde Huffs nieuwe roman als ‘het portret van een generatie’ en wijdde er een uitgebreid artikel aan dat met een grote foto op de voorpagina werd aangekondigd. Maar Boek van de doden is geen portret van een hele generatie (die van eind twintigers en begin dertigers), omdat het boek over een select clubje gaat. De aanstormende schrijvers, acteurs en andere creatieve geesten zijn kinderen van rijke investeerders of bemiddelde bankiers. Ze hebben allemaal hoge verwachtingen, proberen een voet tussen de deur te krijgen in de ogenschijnlijk aantrekkelijke wereld van de media, omdat ze anders ‘mislukt’ zijn. Het zijn de mensen uit  ‘Alles wat we wilden’, de documentaire over de gefnuikte dromen en verwachtingen van creatieve twintigers en dertigers. Huff werkte daar ook aan mee. Het is jammer dat geen enkel personage in Boek van de doden werkelijk op zijn bek gaat en wordt gedwongen om verder te kijken dan het zichzelf feliciterende wereldje waar de personages rondjes in draaien. ‘Felix, denk je niet dat het tijd wordt dat je dat schrijven naast iets anders gaat doen, zoals docent?’ probeert Felix’ moeder nog. ‘Mam,’ reageert Felix, ‘wil je in mijn bijzijn alsjeblieft geen smerige woorden gebruiken?’

    Net als De Avonden speelt Boek van de doden zich af tijdens de laatste dagen van het jaar. De dagen zijn kort, het is koud en de straten zijn uitgestorven. Huff heeft veel aandacht voor Felix’ gevoelens en beschrijft die op een gedetailleerde en beeldende manier (‘Mijn hard klopt hard en hoog in mijn borstkas. Mijn benen en billen voelen klam aan’). Maar door het gebrek aan humor en distantie, die zo kenmerkend zijn voor Reve’s meesterwerk uit de jaren veertig, krijgt de roman op een gegeven moment een benauwend, langdradig karakter. De verteller Felix registreert alleen, maar levert nooit commentaar. Felix neemt zichzelf erg serieus, er is geen moment waarop hij zijn eigen toestand relativeert. Daardoor lijkt alles heel zwaar en ernstig. Er is geen licht aan het einde van de tunnel, of het moet de mooie, getalenteerde Victoria zijn. Maar die is onbereikbaar.

    Tijdens een feestje spreekt een meisje haar bewondering uit over de romans van Felix. ‘Je eerste boek was zo prachtig. Het enige goede van de crisis. Het gaat om verloren materiële rijkdom, de zoektocht naar moraliteit in een immorele wereld.’ Felix heeft geen boodschap aan deze loftuiting, zoals hij zelden een boodschap heeft aan de complimenten die hij krijgt of de kansen die hem in de schoot worden geworpen. Is het valse bescheidenheid van de auteur? Want Huff werpt zich in de krant en op tv maar al te graag op als vertegenwoordiger van een ‘lost generation’. Niettemin heeft deze bewonderaarster een punt. Huffs tweede roman, Niemand in de stad (2012), was een prachtige, geslaagde roman vanwege de treffende beschrijvingen van het corporale studentenleven en de wanhopige pogingen van de personages om een zinvol leven te leiden. De spanning tussen de verwachtingen van de omgeving (ouders, studentenvereniging, vriendin) en de grillige, chaotische en verleidelijke realiteit (vrouwen, homoseksualiteit, literaire ambities) zorgde voor een tragiek die in Boek van de doden afwezig is. Hier heerst de volledige vrijheid en daarmee ook de zinloosheid. Huff doet er goed aan om wat meer om zich heen te kijken, want hij kan zoveel meer.

     

     

  • Waarom schrijvers drinken

    Waarom schrijvers drinken

    ‘Zou dit de zoveelste sensatie-uitgave zijn over schrijvers aan de drank?’, vraag je je af als je dit boek ter hand neemt. Immers, er is de laatste jaren erg veel gepubliceerd over alcoholische auteurs.
    Gelukkig ontbreken in dit boek de bekendste drinkebroers zoals Malcolm Lowry, Jack Kerouac en Bukowski. Over hen zijn al vuistdikke biografieën geschreven. Maar de lijst van aan de drank verslaafde kunstenaars en vooral schrijvers is eindeloos.
    Een greep: Faulkner, Baudelaire, Dylan Thomas, Brendan Behan, Verlaine, Trakl, maar dichter bij huis: Reve, Connie Palmen, Johnny van Doorn, Hanna Bervoets en Van der Heijden. En zo kan je nog een hele tijd doorgaan.

    Wat Olivia Laing, de Britse redactrice en schrijfster, probeert te doen is de plekken te bezoeken waar zes alcoholverslaafde schrijvers zich bevonden of waar ze elkaar ontmoetten of schreven. Ze mengt dit met stukken tekst uit hun boeken. Zo ontstaat een soort traveloque/literaire biografie en dat maakt het boek interessant. De vraag, die ze in de titel opwerpt, waarom schrijvers drinken, beantwoordt ze echter niet want ze heeft helaas het weinig originele uitgangspunt gekozen om uit wetenschappelijke, gortdroge literatuur van medici en andere alcoholbestrijders te citeren. Maar het is een kleine smet op een overigens gesmeerd lopend boek.

    Laing is bovendien zelf ervaringsdeskundige, want ze meldt ons dat haar ouders flink dronken en dat ze de verschrikkingen van alcoholisme van dichtbij meemaakte in haar jeugd.
    De zes schrijvers Cheever, Scott Fitzgerald, Carver, Berryman, Hemingway en Tennesee Williams waren verstokte drinkers. Drie van hen pleegden uiteindelijk zelfmoord, twee raakten van de drank af en één, Hemingway, won de Nobelprijs voor Literatuur in 1954.

    We zien Cheever en Carver rondrazend in een auto onder de invloed van veel whisky. Ze hadden elkaar ontmoet in een hotel in 1973 toen Cheever op een willekeurige deur naast de zijne had geklopt met de vraag: ‘Kunt U mij wat whisky lenen?’ Carver herkent de door hem bewonderde schrijver en drukt hem een magnumfles wodka in de hand, die hij zelf al voor de helft had genuttigd. Ze besluiten later nog wat extra drank te gaan halen en moeten de volgende dag lesgeven op de universiteit van Oregon. Ook dat lukte nog. Laing bezoekt het New York van Cheever en het Port Angeles van Carver. Cheever is vooral bekend door het schitterende verhaal The Swimmer, waarin de hoofdpersoon van zwembad naar zwembad trekt om uiteindelijk te ontdekken dat bij zijn eigen huis het zwembad is overwoekerd en zijn vrouw is vertrokken. De totale aftakeling door alcohol van de hoofdpersoon Neddy Merrill komt op een sluipende hallucinerende manier tot ons. Cheever komt uiteindelijk, hetzij gehavend, van de alcohol af.
    ‘Mijn geheugen zit vol kraters en gaten.’ staat in zijn dagboeken. En Laing beschrijft de verschrikkelijke gevolgen van hardnekkig alcoholisme met een zekere doelmatigheid. Onbetrouwbaarheid, ontrouw, agressie, lichamelijke malheur, depressies en geheugenverlies en de ontkenning van veel drankmisbruik vormen de uiteindelijke treurige ingrediënten van het alcoholisme.

    Ze komt ook in het gedeeltelijk verdwenen New Orleans van Tennesee Williams. Hij werd vooral vooral bekend met A Streetcar Named Desire  (Tramlijn Begeerte, 1947) en werd  een van de belangrijkste naoorlogse Amerikaanse toneelschrijvers. Dit stuk werd in 1951 verfilmd, met in de hoofdrol Marlon Brando. Ook Cat on a Hot Tin Roof werd op celluloid vastgelegd, met Paul Newman en een jonge Elizabeth Taylor in de hoofdrollen. Een film met een hoog alcoholgehalte. Williams excuseerde zich voor zijn excessieve drankgebruik met de mededeling: ‘Van schrijven wordt men zenuwachtig en alcohol kalmeert!’

    De andere vriendschap tussen Scott Fitzgerald en Hemingway heeft een veel ingewikkelder karakter. Hemingway bewondert Scott, vooral om zijn eruditie en  beleefde omgangsvormen als hij niet heeft gedronken. Als Scott sterke drank drinkt, slaan alle stoppen los en kan hij zomaar met een auto tegen een gevel rijden. En de aanvankelijke successen van Scott in de vorm van The Great Gatsby en als scriptwriter die in Hollywood goud verdiende, vindt Hemingway minder geslaagd. Is hij jaloers? Hij wordt hoe langer hoe meer cynisch over zijn vriend. ‘Hij kon met een glas whisky in zijn hand voorlezen over de gevaren van alcohol!’ Scott Fitzgerald voelt zich door Hemingway behandeld als een soort  ’troetelalcoholist.’  Wat hij in zijn boeken toeschreef aan zijn alcoholische hoofdpersonen, dicht Hemingway hem toe. Hemingway, verreweg de meest agressieve van de zes schrijvers, jaagt, doodt luipaarden, buffels en vist als een bezetene op zwaardvissen. Hij trouwt drie maal en vecht met iedereen als hij dronken is. Laing schetst een ontroerende scène waarin Hemingway het pistool waarmee zijn vader zelfmoord pleegde in een meer gooit.
    Bij Key West is een soort museum in zijn villa ingericht, maar Laing mag niet in de werkkamer van haar idool kijken. Verboden voor publiek!

    Werkelijk ontluisterend en bovendien zielig tenslotte zijn de verhalen over dichter John Berryman, de schrijver van de onvergetelijke sequens Dream Songs, gedichten van een serene pracht. Hij was als enige aanwezig toen Dylan Thomas letterlijk zijn laatste adem uitblies in St.Vincent’s Hospital in New York in 1953. Maar uit zijn dagboekaantekeningen komen we andere dingen te weten: ‘In Londens hotel in bed gepist, manager woest, moest nieuwe matras betalen.’ Ontslagen uit een ontwenningskliniek en ongeneeslijk verklaard, springt hij vanaf een brug op de bevroren Mississippi-rivier en overlijdt. Iets triesters kan je je nauwelijks voorstellen, maar zijn verzen blijven. Glaasje karnemelk?