• Stimuleringsprijs voor dichteres Mieke van Zonneveld

    Stimuleringsprijs voor dichteres Mieke van Zonneveld

    Om haar stilistische en formele kwaliteiten kende de jury van de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs deze jaarlijkse prijs unaniem toe aan Mieke van Zonneveld voor haar debuutbundel Leger. Vorig jaar behoorde deze bundel al tot een van de genomineerden voor de VSB Poëzieprijs, die uiteindelijk naar Joost Baars ging voor zijn bundel Binnenplaats. Deze prijs voor literatuur wordt uitgereikt aan een schrijver met een belofte en wordt gezien als een stimulering op deze weg voort te gaan.

    Volgens de Commissie van voordracht (Kester Freriks (voorzitter), Pia de Jong, Gerard Raat en Yves T’Sjoen) ‘balanceert de poëzie van Van Zonneveld op de grens van mysterie en helderheid, tussen duisterheid en toegankelijkheid’. De inzet van Van Zonnevelds dichterschap wordt groot genoemd en haar aandacht voor ‘muzikaliteit van de taal met subtiel gebruik van stijlmiddelen als alliteratie, enjambement, binnenrijm en soms eindrijm’ wordt geroemd.

    ‘Van Zonneveld getuigt in deze bundel van een belangrijk dichterschap waarvan de inspiratiebronnen teruggaan van de klassieke oudheid tot Herman Gorter, van de Bijbel, het Paradijs en zelfs een bijna noodlottig ziekbed. […] haar dichterschap houdt nu al een grote belofte in.’

    In 1925 werd de prijs ingesteld door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en bestaat uit een ‘object’ en een geldbedrag van 7500 euro en wordt afwisselend uitgereikt in de categorieën poëzie en proza aan een schrijver van wie in voorgaande jaren een of twee publicaties zijn verschenen.

    Voor poëzie werd deze prijs al eerder toegekend aan onder meer: Idwer de la Parra, Hanneke van Eijken, Kira Wuck, Lieke Marsman, Ester Naomi Perquin, Thomas Möhlmann, Micha Hamel, Geert Buelens, Erik Menkveld, Piet Gerbrandy, Anna Enquist, Eva Gerlach, H.C. ten Berge, Christine D’haen, Leo Vroman, Ida G.M. Gerhardt, M. Vasalis.

     

  • W.F. Hermans debuteert als personage

    W.F. Hermans debuteert als personage

    Een ontgifting, de debuutroman van Willem Otterspeer (1950) gaat over een schrijver en zijn biograaf. Toevalligerwijs is Otterspeer zelf ook biograaf, namelijk die van Willem Frederik Hermans. Twee kloeke delen van ruim 800 pagina’s schrijven over zo’n nukkig mens, daar moet je vast even van bijkomen. Door het van je af te schrijven bijvoorbeeld. Een ontgifting dus.

    Maar het ligt ingewikkelder. Otterspeer, hoogleraar geschiedenis in Leiden, heeft ervoor gekozen om van Hermans, die hij Lodewijk Schrijver noemt, de hoofdpersoon te maken. Deze Lodewijk Schrijver besluit een roman te schrijven over een biograaf die zijn leven optekent om zo ‘totaal gekend te worden’, terwijl hij daar niet in gelooft. De werkelijkheid is namelijk onkenbaar en de enige waarheid is woede.

    Maar dit paradoxale uitgangspunt heeft een uitweg: de papieren Lodewijk Schrijver kan gekend worden: uit zijn boeken en zijn archief kan een beeld van de schrijver worden geconstrueerd dat misschien niet veel met de werkelijkheid te maken heeft, maar dat gekend kan worden. In de eerste plaats door de biograaf -precies datgene wat Otterspeer heeft gedaan- en indirect door schrijver die de biograaf heeft gecreëerd. Volgt u het nog?

    Vanwaar dit ingewikkelde gedoe, zult u zich afvragen. Is het omdat Hermans de drijvende kracht moet zijn (zonder Hermans, geen biografie van Hermans en geen Otterspeer als biograaf), of vond Otterspeer zichzelf niet belangrijk of interessant genoeg om als hoofdpersoon te fungeren? In deze roman is hij in het eerste deel in ieder geval niet veel meer dan het product van Schrijver en in het tweede deel niet meer dan zijn biograaf.

    Toch zien we het meeste van Otterspeer in het eerste deel. Schrijver bedenkt namelijk dat de schrijver en zijn biograaf aanvankelijk verschillend zijn, maar uiteindelijk met elkaar samenvallen. Dus lezen we een hoofdstuk over de jeugd van Schrijver en vervolgens een hoofdstuk over de jeugd van de biograaf, waarin verschillen maar ook parallellen worden beschreven. Op die manier krijgen we als lezer een samenvatting van de biografie van Hermans: alle feiten kloppen en ook zijn belangrijkste boeken komen voorbij, onder andere titels weliswaar. Zo heet Nooit meer slapen nu De schredenteller, datgene wat hoofdpersoon Alfred doet om zijn weg naar huis te vinden nadat is hij verdwaald in het onherbergzame Noord-Noorwegen.

    De leuke anekdotes, hoe Hermans in zijn Groningse tijd van pure ellende af en toe een ochtend op de roltrappen van de V&D doorbracht, ontbreken evenmin. Maar waar dit in de biografie van buitenaf beschreven wordt, beleven we dit nu vanuit Hermans/Schrijver die terugblikt. Hermans heeft zelf eens een aanzet geschreven tot een autobiografie (Richard Simmilion), maar die is minder geslaagd dan het boek van Otterspeer. In die zin krijgt Hermans, pardon, Schrijver gelijk wanneer hij stelt dat hij een biograaf nodig heeft om gekend te worden.

    Denk echter niet dat dit geestige en luchtige literatuur oplevert. Wie Hermans van een afstandje beziet, kan moeilijk anders dan geamuseerd toekijken naar het gerel, de karaktermoorden en de tegendraadsheid. Wanneer je het vanuit Hermans beziet, zoals in dit boek, wordt het beklemmend en treurig. De lezer wordt voortdurend geconfronteerd met Hermans’ verongelijktheid en gevoelens van miskenning en mislukking (Freudiaans herleid tot frustraties over tekortschietende ouders als voedingsbodem voor het idee van onverdiend slachtofferschap dat voortdurend verdient gecompenseerd te worden met alle teleurstellingen van dien. De zelfmoord van Hermans’ zus is de lont in het kruitvat en ontbrandt het schrijverschap van Hermans).

    Een ontgifting is een beklemmend en ontluisterend boek, goed geschreven ook, maar helemaal geslaagd is het niet, want de biograaf komt onvoldoende uit de verf: ‘we [zijn] onderdeel van dezelfde vergelijking, allebei aan de verkeerde kant van de streep. Hij probeert onder iets uit komen waar ik nooit aan had moeten beginnen.’ Maar waarom de biograaf hier niet aan had moeten beginnen, blijft onduidelijk, laat staan invoelbaar. Kennelijk is Otterspeer toch te veel wetenschapper om zichzelf op de voorgrond te plaatsen.
    En hoewel deze mislukking netjes voorspeld en verklaard wordt, is het niet wat de titel belooft. Wie hoopt op een beschrijving van de ontgifting van de biograaf komt bedrogen uit. Jammer.

     

  • Wellust van woorden

    Wellust van woorden

    Benoemen. Dingen om je heen een naam geven. Vastleggen tegen het verdwijnen. Bezweren.
    ‘Almaar meer woorden, waarmee ik het vele niet alleen kan benoemen en opsommen maar ook bedwingen, verkleinen en overzichtelijk maken. Want hoe langer hoe meer zag het ernaar uit dat het in een mensenleven erop aankwam het overzicht te bewaren.’
    Niet toevallig verwijst Leo Pleysier in zijn jongste werk Heel de tijd naar het bekende gedicht van Paul van Ostaijen, Marc groet ’s morgens de dingen, een gedicht dat bij uitstek vanuit een onbevangen, kinderlijk perspectief gaat over het verkennen van de wereld, elke dag opnieuw. Die instelling is Leo Pleysier ook niet vreemd, getuige de woorden: ‘De onbevangenheid van het begin’, uit zijn in 1978 verschenen De razernij der winderige dagen.
    Jeugdherinneringen haalt Pleysier vaak op in zijn teksten en Heel de tijd is hierop geen uitzondering. De Van Ostaijen-verwijzing staat aan het slot van een fragment over de leraar Staf, die hard op weg leek om nog eens bisschop te worden, als niet een fatale ziekte hem de pas had afgesneden. Bitterzoete herinneringen haalt de schrijver in de dop op aan Staf, die hij besluit met ‘Dag Staf. Dag goede maar soms ook lepe en ongemakkelijke Staf. Dag ravenzwartgerokte leraar mijn.’

    Pleysier wil zijn Heel de tijd ook nadrukkelijk plaatsen in een literaire traditie. Het boek opent met een beschrijving van een groepsportret van Vlaamse schrijvers en dichters, van wie de meesten inmiddels al overleden zijn. Het is een vastgelegd moment van een groep literatoren, die evengoed Italiaanse ambtenaren hadden kunnen zijn of Schotse leden van een bridgeclub en die na deze fotosessie ieder huns weegs zijn gegaan. Sommigen heeft de ik zelfs nooit meer gezien. ‘SOMS DENK IK, die Vlaamse schrijvers hier tegen de muur, wat hangen die daar nog te hangen feitelijk? Ik heb toch allang niets meer met ze te maken? Of wel, misschien?’

    De boodschap is duidelijk: het verhaal, of de verhalen die volgen is geen willekeurig verhaal uit de krant, maar een literaire tekst, met (terug)verwijzingen en terugkerende verhaalmotieven, zoals in een symfonie, welke soms reiken tot in vroeger werk van Pleysier, zoals de Brussellaars die tijdens een anti-kruisrakettendemonstratie, waarbij de stad wordt overspoeld door boeren, burgers en buitenlui een uitroep van Venetianen in de mond wordt gelegd die Pleysier ook al als motto gebruikt voor zijn De weg naar Kralingen uit 1981: …poltroni ande arrar (scheer jullie weg, luiaards!)

    Daarnaast haalt hij verstrooid door de tekst ook dichters aan, van wie het werk deel uitmaakt van zijn literaire geheugen en die met zijn teksten door tijd en geografie heen één groot netwerk vormen. Dat daarbij ook de Noord-Ierse dichter Seamus Heaney wordt geciteerd is voor Pleysier en zijn vaste lezers niet meer dan ‘normaal’. Heaney’s werk is letterlijk geworteld in het Ierse landschap, net als dat van Pleysier in de streek van de Belgische Kempen waar hij is opgegroeid en weer is gaan wonen.
    Dat zou bij auteurs van minder kaliber kunnen leiden tot streekgebonden literatuur die het plaatsgebonden anekdotische nauwelijks overstijgt. Maar dat is bij Pleysier in het geheel niet het geval. Bij hem toont zich het universele in de beperking, om de oude Goethe maar eens te parafraseren.
    Met zijn oudere broer ‘onzen Herman’, zit de ik aan tafel, wanneer die een potloodtekening van een uil gaat maken. Herman is daar goed in. Veel gereedschap heeft hij niet nodig: een hard en een zacht potlood, een stukje gom en een puntenslijper.
    Wanneer Herman zich aan het werk zet, blijkt het uiterst secuur werk te zijn. Monnikenwerk zelfs. ‘Welja, want dat vraagt tijd, zegt hij. Daar moet ge zowel tijd en geduld als een vaste hand voor hebben.  (….) Spannend, zeg ik. Heel spannend vind ik het. Al mocht er voor mijn part toch iets meer voortgang in het werk zitten. Niks van, het is een kwestie van gestaag, maar rustig door te werken, zegt onzen Herman.’

    Deze scène zou je ook een metafoor van het schrijven kunnen noemen, en de opmerking van de ‘ik’ als een lichte zelfspot. Want vertragen is inherent aan het willen vastleggen van wat verdwijnt, van woorden en het universum dat ze belichamen, woorden die door Pleysier aan de vergetelheid worden ontrukt, zoals het prachtige ‘nirken’, een geluid dat koeien maken wanneer ze het gegraasde gras aan het verteren zijn.
    Foto’s zijn voor Pleysier ook een vertrekpunt voor zijn verhalen. Naast het schrijversportret, zijn ook een foto van een kleiput en de trouwfoto van zijn ouders zulke ankers voor het geheugen.
    Een opmerking naar aanleiding van vergeelde familiefoto’s geeft mogelijk ook een inzicht in Pleysiers visie op taal(gebruik). Foto’s verbleken door daglicht en ouderdom, stelt hij vast. ‘En van te lang blootgesteld worden aan menselijke blikken gaan ze op den duur helemaal kapot.’
    Maar geldt dat ook niet voor taal? Teveel gebruikte woorden die hun betekenis verliezen, tot clichés verworden? Daarom pakt Pleysier in zijn werk – het geldt voor zijn gehele oeuvre – woorden op die zeldzaam zijn en hun kracht nog niet hebben verloren. Wat te denken van het mooie ‘aflijvig’ i.p.v. gestorven of het even bijzondere ‘nirken’, dat in de Van Dale wordt omschreven als herkauwen. Maar voor Pleysier is dat woord aanleiding om de lezer uit te leggen wat dat woord precies inhoudt, welke sensatie het is om een koe te horen ‘nirken’.
    Literatuurtheoretici als Roman Jakobson en Victor Sjklovski hebben dit procédé ooit beschreven als ‘vervreemding’, een woord zo gebruiken dat het als het ware in een nieuw licht verschijnt en opnieuw betekenis krijgt.

    Het symfonische werk van Leo Pleysier is een ode aan de taal, wellust van het woord.  Kortom een genot.

     

     

  • Oogst week 50

    Het donderdagtribunaal

    Deze week oogsten we het complete werk (krap 4000 pagina’s) van Marcel Proust in een nieuw jasje, de tweede vertaalde roman van de Braziliaanse schrijver Michel Laub en literair tijdschrift Terras.

    Het donderdagtribunaal van Michel Laub (1973) is een aanklacht tegen het ongebreidelde veroordelen via social media: de aanklachtverspreider bij het minste geringste van de veelal hypocriete aanklager. Philip Roth schreef De menselijk smet, Michel Laub Het donderdagtribunaal. Waarin twee beste vrienden (veertigers) e-mails met elkaar uitwisselen. Wanneer een van de twee in scheiding ligt, worden de mails explicieter en gaan over seks, liefde, trouw en verraad. Dit alles onderschreven met rauwe humor. Een uitlaatklep voor de vrienden. Maar wanneer de ex-vrouw deze mails vindt en openbaar maakt, is het hek van de dam en ontstaat er een groot schandaal.

    Het NRC noemde het een moedige en onthutsende roman. Laatste zin: ‘Van buiten komt het straatrumoer, dat niet ophoudt, nooit zal ophouden: we hebben tijd, net als iedereen.’

    Het donderdagtribunaal
    Auteur: Michel Laub
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    Op zoek naar de verloren tijd

    Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust is eindelijk weer in zijn geheel verkrijgbaar in een prachtige uitgave van De Bezige Bij. Het is een van de grootste triomfen van de wereldliteratuur, maar daarmee ook een van de moeilijkst leesbare boeken van zijn tijd. De romancyclus is een gangenstelsel van sublieme personages, subtiele ironie, in heldere zinnen en scherpe observatie beschreven waar je, voor je het weet, in verdwaalt. De vertaling van À la recherche du temps perdu (bijna 4000 pagina’s) werd het levenswerk van vertaalster Thérèse Cornips (1926-2016). waarvoor zij gelauwerd werd met de Martinus Nijhoff Vertaalprijs.

    Marcel Proust (1871-1922) leidde het leven van een mondaine schrijver. Hij leed aan astma en na de dood van zijn ouders, zonderde hij zich volledig af en wijdde zich aan het schrijven van de romancyclus.

    Sinds halverwege de jaren tachtig werkte Cornips aan de integrale vertaling van de monumentale romancyclus. Haar was niet meer de tijd gegund om In de schaduw van meisjes in bloei van een nieuwe vertaling te voorzien. Dit zevende boek is nu in haar geest vertaald door Désirée Schyns en Philippe Noble.

    Tip: voor wie Op zoek naar de verloren tijd voor het eerst leest: lees eerst Alain de Bottons Hoe Proust je leven kan veranderen. Dan weet je in ieder geval waarom je het zou moeten lezen.

    Op zoek naar de verloren tijd
    Auteur: Marcel Proust
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Terras #15

    Medewerkers van Terras bevinden zich verspreid over de hele wereld en de redactie is immer benieuwd naar wat er aan de andere kant van de grens leeft. Dit samengebracht levert steeds mooie literaire stukken op en zet voor de lezer de deur open naar schrijvers, die (omdat ze zover weg leven, niet vertaald zijn, namen niet beklijven), binnen het bereik komen. En dan is het aan de lezer om verder te zoeken naar werk van deze schrijvers.
    Het in november verschenen nummer is gewijd aan Afrika met daarin veel werk van Afrikaanse auteurs, jonge schrijvers en overleden gerenommeerde Afrikaans schrijvers uit West- Oost- Zuid- en Midden-Afrika.

    Onderbelichte delen van de literatuur zijn het interessantst: voor de lezer die van ontdekken houdt, van ‘zelf doen’, ligt er een mooie weg te aan in het ontdekken van de namen en teksten die deze Terras biedt. Verhalen die – net als westerse verhalen – handelen over liefde, mannen en vrouwen, homoseksualiteit, vlucht en migratie, dagelijks leven, politiek en emancipatie, maar dan anders, omdat de achtergrond anders is. Dat geeft nieuwe ideeën en schept een nieuw begrijpen ‘van’

    Als extra bijlage levert Terras een klein boekje, inmiddels het derde deel in de reeks ‘Schemerschijn’ en bevat de essaybundel Geringere schepsels van Jan Postma die rondom zijn verblijf op de Jan van Eyck Academie in Maastricht ontstond.

    Terras #15
    Auteur: Onder redactie
  • Mussen met longen als vliespinda’s

    Mussen met longen als vliespinda’s

    ‘The more specific you are, the more general it’ll be’ is een citaat van de Amerikaanse fotografe Diane Arbus. Arbus fotografeerde veel kinderen, tweelingen, maar ook reuzen, dwergen, een thema waardoor zij bang was dat ze bekend zou blijven als de fotografe van ‘freaks’. Dat is gelukkig niet gebeurd. Peter du Gardijn wijdt een mooie kleine hommage aan haar in zijn nieuwe bundel Wat huid is. Het goede, gerichte kijken van Du Gardijn in deze bundel is wat ongelijk verdeeld. Er zitten hele goede gedichten tussen, vooral aan het begin en aan het einde van de bundel. Zoals bijvoorbeeld Voorjaarsklassieker:

    ‘In Vlaanderen is de lucht het oudst
    het land zo vlak dat het pijn doet aan je ogen.
    Er is geen donshaar in maart, alleen de wind
    die in koud stamverband de daken schuurt.
    Aan alles, om de boom te tarten
    waaraan geen blad wil groeien, ontsnapt damp.
    Zelfs de mussen op het frietkot,
    longen als vliespinda’s halen zichtbaar adem.
    Maar het gebarsten kruisbeeld weigert.
    Daarom staar ik naar de strepen op het asfalt
    en de ruimte eromheen.’

    Een buitengewoon sterk gedicht waar vrijwel alles aan klopt. Een taalmachine die onmiddellijk aanslaat. Daar staan er een aantal van in deze bundel. Wanneer echter in het middendeel de wat biografische toon de overhand krijgt, over zusje en broertje, en moeder in een Biblebeltdorp B(arneveld) waar God tegen de plinten klotst, dan werkt het veel minder goed in de gedichten van Du Gardijn. Schaffelaar en Jezus en de HEMA weet hij dan niet tot poëzie te verheffen. Hij is daar in de woorden van Arbus hoewel particulier toch niet specifiek genoeg. Laten we eerlijk zijn, verzen larderen met ‘grazige weiden’ of een ‘hijgend hert der jacht ontkomen’ vallen in de Nederlandse poëzie in zulk een rijk beplant bloembed, dat ze onzichtbaar worden. Je moet er iets bijzonders mee aanvangen. En dan niet ‘ Onze vader die in de zemelen bijt, Uw raam worde gereinigd.’ Puberale humor is – hoewel het vast hier en daar een grinnik ontlokt – niet goed genoeg voor een dichtbundel. In veel van deze gedichten, grofweg de afdeling ‘Omstandigheden I’, staat ook steeds iets meer dan nodig is voor het gedicht. En de licht humoristische toon waarmee de dichter zich op afstand tracht te zetten van zijn jeugdjaren in religieus Gelderland slaat de plank dan mis. ‘Ook Zijn bijbelbeladen Alpenkreuzer past in het plaatje/ en nooit bleef de vrucht uit van Zijn arbeid.’

    Du Gardijn heeft zeker een oog voor het juiste aforisme op de juiste plaats. ‘Elke mens is zijn medemens een boeme rang’ is er zo een. Condooms als ‘rubberen vruchten van de vooruitgangsindustrie.’ ‘Amerika is het christendom vloeibaar gemaakt op een hammondorgel.’ Ook in de mindere gedichten vind je nog vaak een raak beeld of iets wat bijna een maxime is. Of in het sterke gedicht Tussenuur:

    ‘In het openbaringslicht van de supermarkt opgenomen
    weet ik dat ik in een tussenuur leef.
    Omdat ik geen varken ben, hoef ik niet in het schap.
    Hoeveel kruisingen wij ook overleven, altijd wacht ons de honger.
    en de eigengereidheid van de geproduceerde dingen
    aardappelpuree in cellofaan, nagemaakte jus of soja
    om mij het gescharrel van wie er ook zijn, de mensen
    die naast mij de stad bewonen.’

    In een flankerend vers warmt de ‘ik’ zijn handen aan de magnetron en trekt in het licht van het 8-uurjournaal het cellofaan los ‘zodat de puree kan dampen bij het oorlogsfront’. Dit is goed gedaan en toont wat Du Gardijn kan: in aardse regels met sterk beeldgebruik een moment vastleggen en duiden. Niet teveel duiden. ‘Een kanaal is een streep door het landschap die haast nooit bevriest.’ Misschien wreekt zich in het wat verhalende middendeel de romanschrijver die Du Gardijn ook is. In 2007 verscheen Nachtzwemmen, over een groep middelbare schoolvrienden in een dorp in Nederland in 1983. Die sfeer herken je in sommige gedichten. In het gedicht ‘Joy Division’ wil deze verhalenverteller dan toch weer de overstap maken naar poëzie maar springt niet ver genoeg. Wat volgt zijn maar liefs 4 pagina’s die je misschien lankmoedig ‘vormvernieuwing’ kunt noemen omdat er nogal wat socialmedia namen in voorkomen en wat Engels, maar eigenlijk is het gewoon, ja, wat: pathetic: ‘i dance with you Ian/ He looks like Frodo!/ Ian can read this. Froooodoooooo! Loooooony!’ Dat werk.

    Du Gardijn maakt de beste gedichten als hij zijn ogen volgt en heel goed kijkt en nadenkt en dat op schrift stelt. Verwijzingen naar helden als Dèr Mouw, Nijhoff, Kousbroek slaan steeds stuk als teveel in het oog springend. Verhalende, persoonlijke geschiedenis haalt het hier niet bij een goed aantal afgeronde, niet te veel weggevende gedichten die toch zeker wel een belofte inhouden. Want hoe specifieker hij kan schrijven, hoe alomvattender het wordt.

     

    Deze recensie verscheen eerder in Poëzietijdschrift Awater, wintereditie 2015.

     

  • Bookspot Literatuurprijs en Lezersprijs voor Tommy Wieringa

    Voor wie het even niet helemaal gevolgd heeft, de ECI Literatuurprijs, (eerder AKO Literatuurprijs) is niet meer. Daarvoor in de plaats is er sinds maart van dit jaar de BookSpot Literatuurprijs, een nieuwe naam voor een jaarlijks literair prijzenconcours die – zo gisteren bekend werd-  dit jaar gewonnen is door Tommy Wieringa met zijn boek De heilige Rita (Bezige Bij, 2017). Naast de BookSpot Literatuurprijs (50.000 euro)was er ook een Lezersprijs die ook door Wieringa gewonnen werd. Opmerkelijk is dat de winnaars van de (toen nog) ECI Literatuurprijs, Martin Michael Driessen (2016) en Koen Peeters (21017), ook de publieksprijs van 10.000 euro hebben gewonnen.

    Tommy Wieringa (1967) ontving al eerder Ferdinand Bordewijk Prize (2006) voor zijn debuutroman Joe Speedboot (2005), en in 2015 won hij de Libris Prijs voor zijn roman Dit zijn de namen (2012).

    De andere genomineerden voor de BookSpot Literatuurprijs waren Arjen van Veelen met Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken, Aukelien Weverling met In alle steden, Suzanna Jansen met Ondanks de zwaartekracht, Peter Middendorp met Jij bent van mij en Peter Verhelst met Voor het vergeten. Zij wonnen elk een bedrag van 5000 euro.

    De Lezersprijs werd toegekend door een jury van  lezers uit Nederland en Vlaanderen. De Bookspot Literatuurprijs door een jury die bestond uit de beroepsrecensenten Daan Stoffelsen, Jeroen Vullings, Jos Geysels, Sofie Gielis, Sebastiaan Kort en Jelle van Riet.

     

     

    Foto: Wikipedia

  • Snippers vol belofte

    Snippers vol belofte

    In een kort filmpje uit de VPRO-serie ‘DichterBij’ – waarin dichters worden gepresenteerd in hun dagelijkse omgeving – zien we Vicky Francken aan het werk. Ze is uiterst geconcentreerd bezig met het knippen van tekstfragmenten uit kranten en tijdschriften. In een speciaal plakboek plakt ze zorgvuldig alle snippers tekst op lege pagina’s, zodanig dat bijzondere samenstellingen ontstaan en verrassende woordcombinaties tot nieuwe inspiratie leiden. Leve de Prittstift. Het is een ontroerend inkijkje in de werkwijze van de ’talige’ dichter die Francken is. Onder die filmbeelden draagt Francken het volgende gedicht voor:

    En toen begon het te regenen, eerst zacht maar al snel harder
    de miezerfase was kort, het kwam nu al met bakken uit de hemel
    een gigantische hoeveelheid van enorme proporties werd over ons
    uitgestort zodat de planten die in de periode van droogte
    hun bloemen hadden laten vallen nu ineens weer baadden
    even dan, want al snel werd baden waden en niet lang daarna
    hun kopjes tegen de grond gewerkt, geen redden meer aan (…)

    Een gedicht over een regenbui, een gedicht áls een regenbui. Francken knoopt de regels aan elkaar als een doorlopende waterval. Telkens lijkt een uiteindelijke punt de regel af te sluiten, maar dan gaat het toch weer verder. De kracht van deze registratie krijgt een grote impact door het ellenlange verloop zonder pauzemoment. Zo wordt taal ingezet om een dynamiek vorm te geven, om de motor van een gedachtestroom in woorden te vatten.

    Röntgenfotomodel, de debuutbundel van Francken, staat vol met gedichten die een eenvoudige ervaring beschrijven waarbij de zintuigen van de lezer tot het uiterste opgerekt worden. Zo moet het zijn in de poëzie: de opschudding van het vooringenomen brein van de lezer door een verzameling tekstregels die ontregelen, die nieuwe vergezichten tonen. Het is Vicky Francken op het lijf geschreven. Niet uit effectbejag, maar door te blijven zoeken naar combinaties van woorden die weer nieuw licht werpen op een haast vanzelfsprekende situatie. Vandaar die plakboeken.

    We hebben allemaal recht op een rug
    een graat waarrond we bestaan

    een marionettendraad die we oppakken
    als we onszelf bijeenrapen

    geen mens kan tippen aan vissen
    die zwemmen in de golven van hun wervelkolom

    maar stel dat een vin verlangt naar aaien
    wie troost de vis wie pakt hem vast

    wie streelt de schouder
    uit de kom

    Hoe deze vis ‘zwemt in de golven van zijn wervelkolom’, overeind gehouden door het water dat hem omgeeft, vormt een mooi contrast met onze menselijke kwetsbaarheid. Wij moeten maar zien hoe we ‘onszelf bijeenrapen’ in momenten van zwakte, proberen rechtop te blijven staan in de lucht die ons omringt. Daarentegen is er niemand die de vis kan troosten door hem vast te pakken, dat hebben wij dan weer voor op de vis. Vindingrijk en kernachtig in dichtvorm gevat, toont Francken haar doel in de poëzie: een simpele observatie leidt van een grondige overdenking tot een sterke uitdrukking

    Toch laat Vicky Franken zich hier en daar iets te veel leiden door haar knipsels en tekstfragmenten. De onverwachte wendingen en gelaagde betekenissen gaan dan een soort gevatheid uitstralen waardoor de gedichten te geforceerd worden. Maar opeens, halverwege de bundel is er dan het vers ‘Blijven bewegen, blijven verplaatsen’: een aangrijpende verslaglegging van hoe een liefde tot een einde komt:

    Aan mijn schavot genageld sta ik en sla kraters,
    heb alle wegen overwogen, over mogelijke routes
    uitgeweid en tegen je vermoedens

    in een jurk over omwegen gesproken. Ik draai
    schroeven als mijn voeten in het grindpad en loop
    op niet meer boven te komen bewijs: steeds minder

    dan een minnaar zijn. Nooit genoeg om in vroeger
    voor te mogen komen. Je hoort me als een vonnis aan
    en werpt een mes naar mijn gezicht, gebukt is misschien

    een wijze manier maar vooral
    een wijze van gaan.

    Pijnlijk en confronterend: ‘steeds minder dan een minnaar zijn. Nooit genoeg om in vroeger voor te mogen komen’. Dat is een schokkende vaststelling; zonder twijfel een definitief einde van een relatie. Toch blijft de dichter het drama op een beeldende manier belichten, ze onderzoekt de mogelijkheden om het niet zover te hoeven laten komen. Zonder resultaat. Op gebukte wijze de aftocht blazen is dan de enige uitweg. De fijnzinnige toon maakt dit gedicht bijna sympathiek, ondanks de tragiek die eruit spreekt. Er zijn geen verwijten en andere ergernissen, de ik-persoon is zich bewust van een gedeelde schuld.

    Tegen het einde van deze avontuurlijke bundel laat Francken nóg eens zien hoe het werkt in haar dichters-laboratorium. Het gedicht ‘Naast’ sluit af met een strofe die lijkt op een handleiding, maar vooral toont hoe een beloftevol dichterschap tot uitdrukking komt:

    (…) Om te kunnen schrijven moet je niet nadenken over de geboorte van je gedachten
    anders worden ze dood geboren.
    Je moet handschoenen aantrekken, de instrumenten zien blinken.
    Je moet geloven dat je kinderen niet zullen slissen, weten dat jij het bent
    die ze wakker maakt.

     

     

  • Laat varen alle hoop

    Laat varen alle hoop

    We kwamen thuis. Ik deed alles uit, al mijn kleren die ik daar gedragen had, gooide ik in de vuilnisstortkoker. Maar ik gaf mijn veldmuts aan mijn kleine jongen. Hij smeekte me erom. Hij droeg hem de hele tijd. Twee jaar later stelden ze een hersentumor bij hem vast…’

    Is het moreel verwerpelijk een boek dat uit louter lijdensverhalen bestaat langs de literaire meetlat te leggen? We houden van Tsjernobyl is een meer dan voortreffelijk boek, dat zeker, maar het is in de allereerste plaats een schreeuw van verontwaardiging en een getuigenis van de wijze waarop mensenlevens te gronde kunnen gaan door toedoen van menselijk falen en door domme pech.

    Op 26 april 1986 ging het grondig mis in de Sovjet Unie. In het plaatsje Tsjernobyl brak brand uit in een deel van een grote kerncentrale. Eén reactor ontplofte, drie andere bleven gespaard dankzij de zelfopoffering van de rampenbestrijders van het eerste uur. Binnen enkele dagen dreef een radioactieve wolk over Oost- en West-Europa. Tuinders in Nederland werd aangeraden hun zelfgeteelde spinazie niet te eten en het  woord ‘becquerel’ (de eenheid waarin radio-activiteit wordt gemeten) lag op ieders lippen. Wat er zich in het directe rampgebied afspeelde, werd vol spanning gevolgd en de Sovjet-autoriteiten hielden de werkelijke toestand zo veel mogelijk geheim. De wolk dreef verder, via Turkije richting India, China, de Verenigde Staten. De plaats des onheils dijde uit totdat hij vrijwel de hele wereld omvatte en de media gingen over tot het nieuws van de dag.

    Tsjernobyl ligt in het uiterste noorden van de Oekraïene, vlak bij de grens met Wit-Rusland. In het eigenlijke rampgebied – de ramp bleek groter en groter naarmate de tijd verstreek – geldt tot op de dag van vandaag de noodtoestand. Een groot gebied is ontvolkt en tot verboden terrein verklaard. Wel kun je er een dagtochtje naar toe maken, om op veilige afstand de spookstad te bewonderen waar de was van weleer nog aan de lijnen hangt.

    Dit is het derde boek van Svetlana Alexijevitsj dat bij De Bezige Bij verschijnt (in 2006 verscheen het al bij Uitgeverij Mets en Schilt). Zij won vorig jaar de Nobelprijs voor literatuur (een al even onconventionele toekenning van de prijs als die aan Bob Dylan dit jaar, want ze is verslaggeefster, interviewster, schrijfster van oral history en niet in de eerste plaats literator). Ze laat vele tientallen stemmen klinken: voormalige inwoners van het stadje, rampenbestrijders en militairen, nabestaanden, artsen, kinderen, vaders en moeders, geleerden, partijmensen, journalisten. Allen vrijwel zonder uitzondering getekend door het lijden dat ze hebben doorstaan en meegemaakt: de sloop van geliefden en naasten door de straling, de machteloosheid, de verwoesting van hele dorpen, boerderijen en landschappen als gevolg van de pogingen het stralingsgevaar te beteugelen. De onwetendheid ook omtrent de gevaren. De leugenachtigheid en incompetentie van de autoriteiten.

    Bovendien is er nog steeds de angst voor wat de toekomst zal brengen, want de door een ‘sarcofaag’ omhulde reactor smeult door, het is ‘een overledene die ademt. Hij ademt de dood.’ Hoeveel kerncentrales zijn er niet nog in bedrijf, zelfs na het Duitse besluit ze stil te leggen?
    In het voorwoord, dat de auteur in 2011 naar aanleiding van de ramp in Fukushima toevoegde, schrijft ze bitter: ‘Ik schreef over het verleden, maar het bleek de toekomst’.
    Momenteel zijn bouwwerkzaamheden gaande om de ‘sarcofaag’ op zijn beurt te omhullen met een ‘Ark’. De constructie wordt 150 meter hoog en moet 100 jaar soelaas bieden, maar wat is een eeuw vergeleken bij de levensduur van nucleaire straling?

    Wit-Rusland, het land waar de schrijfster vandaan komt, kreeg de grootste klap. Een kwestie van nabijheid en pech: de heersende windrichting dat voorjaar. 23 Procent van het grondgebied is besmet; 264.000 hectare landbouwgrond is onbruikbaar geworden; 485 dorpen en gehuchten zijn vernietigd, waarvan er 70 letterlijk begraven zijn om de straling te dempen. Uitgestrekte gebieden zijn afgegraven en toegedekt: maanlandschappen op aarde. Eén op de vijf Wit-Russen woont op besmette grond. De statistieken van misgeboorten, kindersterfte en kanker spreken boekdelen.

    Tsjernobyl en de wijde omgeving werden in allerijl ontruimd, wat voor de bewoners op zichzelf al een ramp was. Niets mocht men meenemen, geen bezittingen, geen dieren. Helemaal niets. Denkt u het zich even in. Huisdieren en vee werden door speciale jagerseenheden afgeschoten, wild ook. Het waren meest plattelanders, die in één klap ook hun land, hun boerderij en hun gemeenschap kwijt raakten. Volslagen ontworteling plus een overdosis straling. Povere schadevergoedingen.
    Meteen na de evacuaties begonnen de plunderingen. Bewoners van dorpen die niet werden geëvacueerd zagen hun kans schoon en roofden voedsel en huisraad, landbouwmachines, televisies, alles, tot en met de deuren van de huizen. Zo verspreidde de straling zich nog verder.

    Toch wonen er nog steeds mensen in het gebied. Zij die het vertikten zich te laten afvoeren en zich schuil hielden. En, uiterst bizar, mensen die dit niemandsland opzoeken om zich er clandestien te vestigen. Ze zijn ontkomen aan de oorlogen die in de voormalige sovjet-republieken woedden, aan de terreur tegen minderheden en de geloofsvervolgingen. Voor hen is dit dodenrijk een oase. Ze leiden een leven even primitief als dat van de plattelanders in Toergenjevs Jagersverhalen, maar zijn er veilig voor hun medemens.

    Dit boek lees je voor de verhalen. Het zijn er veel en ze zijn hartverscheurend. Je voelt je bijna verlegen er in je leunstoel kennis van te nemen. U bent gewaarschuwd. Maar voor wie in staat is deze reality check te ondergaan, is het eigenlijk verplichte lectuur: zó is het leven dus buiten de polder. Wat hebben deze mensen niet allemaal over zich heen gekregen in de loop van de twintigste eeuw – en nog steeds! – en wat zijn wij Nederlanders daarbij vergeleken gezegend.
    Aangrijpend zijn de verhalen in hun rauwheid en boeiend door hun vreemdheid: al dat geloof en bijgeloof, die levende herinneringen aan Stalin en de ‘Grote Vaderlandse Oorlog’, de verwijzingen naar de klassieke Russische literatuur, de dierenliefde, de communistische maatschappij met zijn leugens en corruptie, de invasie in Afghanistan, de uitzichtloosheid. De helden, die hun heldhaftigheid vaak duur hebben betaald. De bittere moppen.

    De Nederlandse vertaling van Jos Vonhoff en Arjen Uijterlinde is uitstekend. De weergave van het gesproken woord klinkt levensecht. Dat geldt trouwens ook voor Alexijevitsj’ Het einde van de rode mens, vertaald door Jan Robert Braat, eveneens een aanrader van de eerste orde.
    De schrijfster gaat schuil achter de geïnterviewden, die ze ieder aan het woord laat in een  ononderbroken monoloog. Drie keer heeft ze een ‘koor’ samengesteld: een veelstemmig relaas, een polyfone jammerklacht.

    Haar eigen stem klinkt alleen in het voorwoord en aan het slot en ook in een ‘Interview van de auteur met zichzelf over de verloren geschiedenis en over de vraag waarom Tsjernobyl ons beeld van de wereld in twijfel trekt.’ Het is een gekweld stuk. Ze noemt Tsjernobyl ‘de belangrijkste gebeurtenis van de twintigste eeuw, ongeacht de vreselijke oorlogen en revoluties die ons aan deze eeuw herinneren.’ Terloops verwijst ze naar Dante. Diens beschrijving van de hel steekt bijna aandoenlijk af bij de taferelen in dit boek. Maar zijn waarschuwing boven de hellepoort blijft ook hier van kracht: ‘Laat varen alle hoop, gij die hier binnen treedt.’

     

     

  • Je verraadt alleen van wie je houdt 

    Je verraadt alleen van wie je houdt 

    Panter in de kelder van de Israëlische schrijver Amos Oz (1939) verscheen in Nederland voor het eerst in 1998 en is nu opnieuw uitgebracht. De boeken van de fabelachtig schrijvende Oz kunnen niet vaak genoeg opnieuw in roulatie worden gebracht, maar nu levert het een bijzondere leeservaring op. Althans voor wie Oz’ jongste roman, Judas, heeft gelezen. Die roman, vorig jaar verschenen, heeft verraad als thema. Verraad, maar dan beschouwd door de ogen van een twaalfjarige jongen, is ook het onderwerp van Panter in de kelder. 

    Apostel
    In Judas laat Oz een student in het Jeruzalem van de jaren zestig het vergrootglas leggen op de historische figuur Judas Iskariot. De apostel van wie wordt gezegd dat hij Jezus heeft verraden in de tuin der olijven, Getsemane. Een joodse student die Judas probeert te doorgronden, dat levert een intrigerend verhaal op; één waarin ons een Judas wordt gepresenteerd die waarachtiger lijkt te zijn dan alle andere apostelen. Die, als we de student of de schrijver mogen geloven, de enige discipel van Jezus was die van meet af aan onvoorwaardelijk geloofde dat Jezus de zoon van Christus was. Een apostel die er vast van overtuigd was dat Jezus tijdens de kruisiging zijn ware gezicht zou laten zien. Dat aan het kruis een wonder zou geschieden en dat zijn verraad even onvermijdelijk was als de kruisiging zelf.

    Panter in de kelder speelt zich ook in Jeruzalem af, maar dan in de zomer van 1947. De staat Israël is nog niet gesticht en het gebied is bezet door de Britten. Overdag heersen de Engelse soldaten in de straten, ’s nachts probeert de joodse ondergrondse door middel van sabotages en militaire acties een eigen staat af te dwingen. Een twaalfjarige jongen die de bijnaam Profi draagt, omdat het een boekenwurm is, zo slim is als een professor, ziet zichzelf als een groot vrijheidsstrijder. Samen met twee vriendjes speelt hij in de huiskamer militaire acties na en het drietal verbeeldt zich ook een tak van de echte ondergrondse te zijn. Op een ochtend staat er ineens een leus op zijn huis gekalkt. Profi wordt beschuldigd van verraad. Een beschuldiging die overduidelijk van zijn twee ‘medestrijders’ afkomstig is, door wie hij ook ter verantwoording wordt geroepen. Wat heeft Profi fout gedaan? Hij spreekt wekelijks een Britse soldaat. In een achterkamertje van een café leert hij hem Hebreeuws, in ruil voor Engelse les.

    Gluren
    In wat volgt, lezen we hoe de jongen worstelt met het vraagstuk van verraad. Terwijl voor de twee vriendjes het leven doorgaat en het voorval snel vergeten wordt, blijft voor Profi de vraag onbeantwoord: wat is het wezen van verraad eigenlijk? Zelfs bij relatief onschuldige acties, zoals die keer dat hij vanaf het dakterras ziet dat een buurmeisje zich omkleedt en hij zijn hoofd niet wegdraait, beschouwt hij dat gluren al als verraad aan het meisje en het vergroot zijn schuldgevoelens. Pas jaren later, als het jongetje een oude man is geworden die de gebeurtenissen van die zomer nog eens aan zich voorbij laat gaan, realiseert hij zich dat degene die verraad pleegt, iemand is die werkelijk houdt van degene die hij verraadt. Het is degene in het centrum: die de meeste gelijkenis toont, het meest betrokken is en het meest bij de zaak hoort. Dat is gecompliceerd, zo zegt de ik-verteller ook. Maar het is wel een conclusie die Amos Oz in zijn latere roman Judas verdiept en daarmee is de verbinding tussen beide romans een feit.

    Zoals we van Oz gewend zijn, tekent hij ook in Panter in de kelder een wereld die, hoe ver ook van ons vandaan, op elke bladzijde tot leven komt. Of het nou de hitte in de benauwde straatjes van Jeruzalem is of het eten dat in de keuken wordt bereid, je voelt de vochtige warmte en ruikt de kip die aan het garen is: ‘Het hele huis stond versteld van de bataljons van doordringende geuren die zich vanuit de keuken verspreidden en als massa’s vurige oproerkraaiers alle hoeken van de woning overspoelden, die sinds de dag dat ze gebouwd was zulke geuren nog niet gekend had.’

    Dat maakt Panter in de kelder behalve een even speelse als intrigerende beschouwing over het thema verraad, ook een plezier voor alle zintuigen.

     

  • Haasje over met het leven

    Haasje over met het leven

    De in 2015 bij De Bezige Bij uitgegeven verhalenbundel van Elke Geurts, getiteld Lastmens & andere verhalen omvat volgens Esther Gerritsen in haar voorwoord: ’….de beste verhalen van Elke Geurts uit haar bundels Het besluit van Dora Korstjens (2008) en Lastmens (2010) samen met drie gloednieuwe verhalen.’

    De huidige Lastmens start met het aangrijpende verhaal Hier waak ik dat meteen de toon zet: vader is op een congres in IJsland waar een vulkaan is uitgebarsten wat hem belet aanwezig te zijn als moeder in erbarmelijke omstandigheden bevalt; het veertienjarige dochtertje neemt het voortouw, hoewel het zelf niet helemaal koosjer is. Zij oogt fysiek niet bepaald aantrekkelijk. Zij droomt ervan kapster te worden en laat dit herhaaldelijk blijken in de beurtelings hilarische en schrijnende manier waarop zij mensen en vooral hun haartooi kritisch bekijkt. Zij is sterk en breekbaar tegelijk, dynamisch en ontredderd. Haar werkelijkheid en haar droom zijn eenzelfde elan, wat trouwens geldt voor de meeste zo niet alle personages die de bizarre en tevens beklijvende wereld van de schrijfster bevolken en teisteren.

    Onzichtbare scheidslijnen
    Realiteit en verbeelding glijden op zowat elke bladzijde geruisloos in elkaar. Zo ook dood en leven en het mediteren over elk van beiden vanwege de betrokkene, de dode dus. Dat stoort de auteur niet in het ontplooien van de ritmiek en van de waarachtigheid van haar verhalen. Zij is immers ergens in een al bestaand verhaal binnengestapt en stapt er even verder weer uit, zonder al te zeer rekening te houden met wat logisch zou moeten zijn volgens onze normen. Er is geen sprake van een ‘alsof’ en ook geen aankondiging van wat als fictie zou moeten worden begrepen. De lezer belandt gewoon in een voortschrijdende geschiedenis die even tastbaar als etherisch oogt, even begrijpelijk als verwarrend.

    Het jonge meisje Erika, de hoofdfiguur uit ‘Hier waak ik’; bekijkt de wezens rondom haar met een vranke, ontluisterende en licht gestoorde blik die cynisch lijkt te zijn maar gewoon geen rekening houdt met regels van welvoeglijkheid of van wat dan ook.
    Het verhaal groeit en ontvouwt zich aan de hand van ogenschijnlijk nonchalante en rake zinnen in een vinnige, geïnspireerde en veelzeggende stijl die een veelheid aan nuances bevat en geleidelijk aan het gehele gebeuren zijn frappante realistische allure verleent.

    Zo is ieder verhaal een verbazingwekkende en wonderbaarlijke tocht in een wereld waarin frustraties, angstbeelden, onvervulde betrachtingen, bizarre gedragingen, bitterheid en ontroering, behoefte aan zelfbehoud en tegelijk uiteindelijk vertederend gedrag elkaar verdringen.

    De personages van Elke Geurts dragen op persoonlijke wijze het verhaal, in die zin dat zij vanuit het ik-beeld reageren op de hen omringende wereld van ‘andere’ mensen. Een buurvrouw adopteert mentaal een baby omdat zij geen kleinkind heeft. Voor een keer een heel menselijke en in hoge mate positieve geschiedenis. Een koppel pleegt op amateuristische wijze abortus in ‘groezelig blauwe’ omstandigheden in een bizar kasteel in de Pyreneeën waar een Nederlandse misdaadacteur samen woont met een diep gefrustreerde Aziatische vrouw. Wat de ene hartstochtelijk en bijna ziekelijk wenst drijven de anderen af. Een koppel met een baby brengt een blitzbezoek aan een oom in een beklemmende sfeer die de baby bedreigt met als onheilspellende getuigen drie zwijgzame zusjes in rubberlaarzen. Dora Kerstjens sterft op een bouwwerf en leeft verder in een waanbeeld van dood zijn en daaromtrent verder fantaseren. Een jonge moeder doet zich voor als de au pair van haar eigen nukkig dochtertje en belandt in een typisch Geurtsiaanse krabbenmand.

    Een van de constanten in het oeuvre van de schrijfster bestaat erin dat sterven aanleiding is tot een spontaan en ogenschijnlijk evident beschrijven van hoe het voelt dood te zijn en naast de levenden te blijven vertoeven zoals in het laatste korte verhaal ‘Het schot’ waarin een jonge neurologe met de fiets op weg naar huis door een kogel wordt getroffen, sterft en even later weer verder fietst na enige zelfanalyse.

    Verontrustende familie
    Moeders, grootmoeders en daar tussenin een dochter/kleindochter staan centraal in het heerlijk theatrale universum van Elke Geurts waarvan de vaak korte geladen en vaak vrij cynische zinnen de zegging van Herta Müller evoceren. Moeders worden veelal met achterdocht en enig misprijzen behandeld en benaderd. Ook de ooms bij gebrek aan vaders. De oma’s genieten echter een voorkeursbehandeling. Echtgenoten zijn inderdaad quasi onbestaanden. Ooms daarentegen incarneren het begrip familie met zijn talrijke vaak onwelriekende uitwassen.

    De wereld van Elke Geurts is er een van vrouwen en opgroeiende jonge meisjes. Dat wil zeggen van evenzeer verrukkelijke wezens als van zelfzuchtige gefrustreerde harde tantes die de hypocrisie als een bos giftige bloemen met zich meezeulen.

    Sommige brave en weldenkende lezers zullen zich ongetwijfeld storen aan de harde en realistische of noem het naturalistische ondertoon in de beeldende evocaties van wat mensen overkomt. Anderen zullen enthousiast en vol verwachtingen de twee vorige verhalenbundels opzoeken ook al botsen zij fataal op enkele reeds gelezen taferelen van dood en verder leven, van lumineuze beslissingen en hun onvermijdelijke narigheden.