• Spanning tussen stijl en inhoud

    Spanning tussen stijl en inhoud

    Recensie door Melchior Vesters

    Het oeuvre van Peter Terrin lijkt een duidelijke poëtica te bevatten. In 2013 schreef Hans Demeyer in het Kritisch lexicon van de moderne Nederlandstalige literatuur: ‘Het werk van Terrin vertoont een grote mate aan consistentie. Telkens schetst hij een wereld- en mensbeeld dat van elke orde of zekerheid ontdaan is. (…) Centraal in Terrins wereldbeeld is dat het bestaan zich niet volgens enige wetmatigheid of logica ontwikkelt.’ Zo’n wereldbeeld zou je postmodern kunnen noemen; in ieder geval is de afwezigheid van orde en logica ontwrichtend voor een lezer. Terrins laatste roman, De gebeurtenis, biedt door abrupte perspectiefwisselingen en veel open plekken een desoriënterende ervaring. De lezer moet moeite doen; het is de vraag of de verhaalinhoud dit waard is.

    Vooraf vermeldt Terrin dat een opinie over romans, geuit door het personage Willem, is ontleend aan Nobelprijswinnaar Olga Tocarczuk. Het betreft: ‘Het is onmogelijk om een consistent, rechtlijnig verloop van oorzaak-gevolg in een verhaal op te bouwen. Op zijn best is dat een benadering van onze ervaring. In de plaats daarvan is het nodig om een geheel samen te stellen uit verschillende deeltjes, die allemaal wijzen op verbondenheid. Constellatie, niet opeenvolging, draagt de waarheid in zich.’ (p.58) Dit citaat sluit ook goed aan bij Terrins genoemde poëtica van werkelijkheid als constellatie. Deze overtuiging is terug te vinden in de compositie van De gebeurtenis. De roman bestaat uit hoofdstukken die de namen van personages dragen: de lezer krijgt steeds vanuit een ander perspectief informatie. Ook binnen hoofdstukken wisselt Terrin veel en abrupt van perspectief. Zo ontstaat inderdaad een constellatie, niet zozeer een toegankelijke opeenvolging.

    Onderbroken hoofdlijn

    De belangrijkste verhaallijn betreft Willem, een inmiddels overleden blinde auteur wiens geest via een weinig aannemelijk gemaakte sci-fi-techniek weer tot spreken kan worden gebracht. Willem heeft ideeën voor zijn laatste roman gegeven aan zijn op hem verliefde typiste Juliette. Zo brengt zij post mortem zijn laatste roman tot stand, tegen de wil van Willems jonge weduwe en voormalige maîtresse Femke. Uit toewijding brengt Juliette de roman uit; zij is bezeten door zijn uitspraak ‘Het is precies zoals ik wil’, totdat zij ten slotte een andere man kust. Zo bezien is deze hoofdlijn een nogal dun plot over een buitenechtelijke affaire.

    De hoofdlijn wordt in drie hoofdstukken vanuit Juliette verteld. De afwikkeling ervan wordt onnodig lang onderbroken door zeven andere hoofdstukken met in wezen onbelangrijke bijfiguren. Deze lijken te zijn opgenomen om nog meer mensen met verlangens te tonen. Juliette woont onder Rosa; Rosa speelt toneel en is de zus van Frederik, die later kinderen krijgt. Kurt is verzorger van bejaarde vrouwen; de lezer krijgt van twee van hen een inkijkje in hun bestaan. Tot slot trouwt Kurt met Rosa en is Juliette op hun feest, waar zij met iemand kust. Centraal in de roman ligt een lang hoofdstuk genaamd ‘Anna’. Dit gedeelte is gebaseerd op een idee dat Willem aan Juliette geeft (p.62): het gaat over Willems eigen leven, zijn terminale vrouw en zijn maîtresse (die later zijn vrouw Femke werd), alleen heten ze in de fictie Michel, Anna en Frouke. Een dramatisch hoogtepunt ligt in Froukes aanwezigheid bij Anna, die te ziek is om de situatie werkelijk te bevatten.

    Toch is De gebeurtenis een roman die zelden kan boeien. Er is te weinig conflict of actie, en wat is nou ‘de’ gebeurtenis? Conceptueel lijkt het te draaien om een idee dat Willem aan Juliette vertelt: Michel en Frouke komen in een museum en stoppen voor een bord met rode stip: ‘U bevindt zich hier.’ Dit concept vindt Willem bijzonder grappig: ‘Ze weet niet waar ze is. Het staat er, voor haar neus, ze is hier. (…) Deze vrouw heeft gereisd, ze denkt dat ze de wereld kent, dat ze heel wat voorstelt. Maar hier kan ze niet vinden. De schat. Ze is er al, ze is hier, iedereen is altijd hier.’ (p.62) Het belang van deze passage wordt onderstreept wanneer ‘U bevindt zich hier’ de titel van Willems door Juliette voltooide roman wordt. Je kunt de passage filosofisch opvatten: wat met ‘hier’ wordt aangeduid, is onzeker – een bekende postmoderne kwestie over (de onmogelijkheid van) het refereren van tekens. ‘De’ gebeurtenis zou kunnen zijn dat iemand hierover nadenkt en zich gedesoriënteerd voelt. Een intelligent concept, maar niet spectaculair.

    Complexe literaire structuur

    Terrins boek valt minder op door de inhoud dan door de vorm. Hij schrijft ‘geserreerd’: gestileerde zinnen die vooral registreren maar juist daardoor een verzwegen diepte suggereren die de lezer erbij kan bedenken. Ingehouden dramatiek en verhalen over verlangens: ze roepen een associatie op met Alles wat is van James Salter. De gebeurtenis is eveneens een zeer literair boek. Helaas gaat bij Terrin op den duur de stijl tegenstaan, bij gebrek aan actie: er is in het hele boek geen dialoog of directe rede te vinden. Door het vele gebruik van de vrije indirecte rede voel je je klemgezet in het hoofd van het ene of andere personage. Hierdoor hebben op zich fraaie zinnen toch een benauwend effect.

    Wel past Terrins stijl goed bij zijn motto, een stukje Flaubert: ‘Naarmate je ouder wordt, raakt het hart als een boom zijn gebladerte kwijt. Tegen sommige windvlagen is niets opgewassen.’ Een ingehouden stijl sluit aan bij stille dramatiek in een ouder hart zoals van Willem, dat wellicht indachtig J.C. Bloem – ‘(…) droef, maar steeds gewender / Zijn heimelijke pijnen draagt.’ Die pijn lijkt met name te vinden in het door Willem bedachte autobiografische hoofdstuk ‘Anna’, maar deze inhoud ligt verstopt in een onnodig complexe literaire structuur. De gebeurtenis vraagt veel inspanning en geeft er weinig voor terug.

     

  • Zoektocht naar een Rus

    Zoektocht naar een Rus

    Roy Jacobsen (Oslo, 1954) schrijft romans, korte verhalen en kinderboeken en wordt gezien als een van de belangrijkste auteurs van Noorwegen. Ogen van de Rigel is het derde deel van een trilogie. De vorige delen zijn: De onzichtbaren en Witte zee. Alle drie de boeken spelen zich (gedeeltelijk) af op het kleine eiland Barrøy, een fictief, bewoond eiland waar de bewoners het harde dagelijkse leven aan den lijve ondervinden. Jacobsen baseert zich op de dagelijkse realiteit van de Noorse eilandbewoners. De drie delen zijn los van elkaar te lezen.

    Ogen van de Rigel speelt zich af in 1946, vlak na het einde van de Tweede Wereldoorlog waarin Noorwegen zwaar heeft geleden onder de nazidictatuur. Hoofdpersoon is Ingrid Marie Barrøy. In deel twee van de trilogie heeft ze kennis gemaakt met Alexander, een Rus die op het eiland aanspoelde nadat het Duitse schip de Rigel, waarop hij als krijgsgevangene werd vervoerd, voor de kust van het eiland verging. Ingrid heeft hem verzorgd en beschermd tegen de Duitsers en de collaborateurs.

    Ze heeft een dochter van tien maanden, Kaja, die steeds meer gaat lijken op Alexander, die inmiddels van het eiland vertrokken is omdat hij terug wilde naar Rusland. Het is een gevaarlijke tocht en Ingrid weet niet of hij het heeft overleefd. Ze besluit hem achterna te gaan, samen met Kaja.
    Wat volgt is een beschrijving van deze reis dwars door Noorwegen, grotendeels te voet, waarbij Ingrid dezelfde route probeert te volgen als Alexander. Onderweg ontmoet ze veel mensen die ze allemaal naar hem vraagt. Sommigen weten niets, anderen willen niets zeggen of geven vage antwoorden. Iedereen reageert op de ogen van Kaja die sprekend op die van Alexander lijken. De halsstarrige Ingrid vervolgt haar tocht, want ze is er heilig van overtuigd dat Alexander nog leeft en op haar wacht.

    Wantrouwen

    De reden waarom veel mensen afwijzend zijn op de vragen van Ingrid heeft alles te maken met de manier waarop veel Noren gecollaboreerd hebben met de Duitsers tijdens de oorlog. Met andere woorden: wie kun je nog vertrouwen? Ingrid merkt wel dat ze met een aantal mensen te maken krijgt die in de oorlog een dubieuze rol hebben gespeeld.
    Op een gegeven moment komt ze terecht bij vader en dochter Hermann en Mariann. Na veel duwen en trekken willen zij wel iets over Alexander vertellen, hoewel er dan nog steeds raadsels overblijven. Dat stimuleert Ingrid om door te gaan met haar zoektocht. Uiteindelijk arriveert ze bij een oudere man, Henrik, die vertelt dat Alexander een poos bij hem op de boerderij heeft verbleven. Hij vertelt ook dat Alexander een vriendin en een kind heeft in Rusland.

    Na nog een aantal ontmoetingen en treinreizen door Noorwegen om informatie te verzamelen gaat ze ten langen leste onverrichterzake terug naar Barrøy. Daar komt Mariann haar opzoeken en Ingrid hoort van haar dat ook zij met Alexander heeft geslapen in de tijd dat hij bij haar en haar vader in huis was. Daarmee eindigt deze roman, nogal abrupt. In het nawoord wordt nog verteld dat Alexander in Rusland als landverrader werd beschouwd en dat hij naar een werkkamp in Siberië is overgebracht, waarna elk spoor van hem doodloopt.

    Vaag

    De roman geeft prachtige beschrijvingen van de natuur waar Ingrid doorheen loopt; het lijkt Jacobsen soms meer om die beschrijvingen te gaan dan om zijn personage. Hij kent het land met zijn afwisselende landschappen goed en kan dat mooi weergeven. De verhaallijn is wel heel erg dun: de drijfveer van Ingrid om Alexander te zoeken. Is ze nou zo koppig of zo eenzaam, of is ze geestesziek, dat ze de Rus achterna gaat? Wat wil ze nu eigenlijk te weten komen? Dat hij alleen van haar houdt? Dat hij bij haar wil zijn? Waarom is hij dan weggegaan? En waarom gaat ze terug naar Barrøy? Baalt ze ervan dat Alexander een ander heeft/had? Is ze teleurgesteld, boos, verdrietig, wat? Door alles wat Ingrid meemaakt merk je wel dat er iets met haar is, maar niet wat. Ze blijft een uitermate vaag personage, van wie je de drijfveren niet kunt achterhalen.

    In een schetsboek houdt Ingrid bij wie ze onderweg ontmoet en ze maakt wat aantekeningen en schetsen van de natuur. Dat ze dat doet wordt steeds weer genoemd, maar wat daar de functie van is blijft ook ongewis. In een verhaal wil je je graag inleven in en meeleven met de hoofdpersonages. In Ogen van de Rigel krijg je daar de kans niet voor. De roman geeft te weinig antwoorden op de vragen die zowel Ingrid als de lezer zich stellen, waardoor het lezen ervan erg onbevredigend is. Het boek lijkt veel op een streekroman zoals we die in een stereotype voor ogen hebben. Er wordt heel veel beschreven, maar weinig essentieels verteld. Wellicht dat Jacobsen daarom zo beroemd is in Noorwegen: hij is lyrisch over het land.

     

     

  • Verdomme…!

    Verdomme…!

    De averij opgelopen in 2016 blijkt onherstelbaar. ‘Hij was verdomme een van mijn oudste vrienden!‘, verzucht Edgar in 2021 bij de herinnering aan het achtste lustrum van zijn studentenjaarclub Honey Ball. Een negende lustrum zit er niet meer in.

    Terugblik

    Vijf jaar eerder hadden Marcel en hij het achtste lustrum georganiseerd. Ze waren toen nog met zijn vijven over. Hoewel ze elkaar onregelmatig zagen, vormden Edgar, Marcel, Ferdinand, Philip en Xavier altijd een hecht clubje gezworen kameraden. Zij hadden het allemaal min of meer gemaakt in het leven, de een als advocaat, de anderen als wetenschapper, bestuurder en diplomaat. Alleen Xavier zorgde soms voor gefronste wenkbrauwen bij de vrienden. Als politicus was hij verbonden aan een ultrarechtse partij en ventileerde hij zijn standpunten uitvoerig in de media. Hoewel zijn vrienden zijn opvattingen bepaald niet deelden, schaadde dat hun vriendschap niet, want, zo stelden zij, zo is Xavier nu eenmaal. Hij is altijd al erg bezig geweest met politiek en heeft een licht ontvlambaar karakter.

    Edgar had zich verheugd want zo’n lustrum was altijd ‘beregezellig’, er werden herinneringen opgehaald, er werd gezongen, gespeecht en vooral copieus gegeten en natuurlijk veel gedronken. Ook deze keer zou dat vast weer het geval zijn.
    Maar het liep anders: Kyra van Egmond, een politicoloog en onderzoeksjournalist had besloten een onderzoek in te stellen naar de wortels van het extreemrechtse gedachtegoed van Xavier Wiegman en haar oog was daarbij gevallen op Honey Ball. Zij wilde in het kader van haar onderzoek een gesprek hebben met alle leden van de club. Hiervoor had zij ieder van hen persoonlijk benaderd. Vanzelfsprekend leidde dit bij hen tot de nodige argwaan.

    Spookachtig

    In zijn boek De schaduw van een vriend belicht Maarten Asscher zo veel mogelijk kanten van wat vriendschap betekent. Edgar doet dit vanuit een basaal gevoel van eenzaamheid en van weemoed over een verloren vriendschap. Voor de viering van het achtste lustrum spreken de vrienden af alle vijf tijdens het diner een tafelvoordracht te houden van maximaal tien minuten, gewijd aan het thema vriendschap waarin zij elkaar niet mogen onderbreken. Deze opzet is gebaseerd op een romantische gewoonte uit de late 18e eeuw. In zijn voordracht verwijst Ferdinand naar een essay van Montaigne over de vriendschap en diens op de Oude Grieken gebaseerde uitspraak dat iemand zich al gelukkig mag noemen wanneer hij zelfs maar de schaduw van een vriend zou leren kennen. Als Xavier het in zijn voordracht over vriendschap echter gaat hebben over Honey Ball als een soort studentenweerbaarheidsvereniging en opgeeft over een vaderland ‘van vreemde smetten vrij’, is voor Philippe, maar ook voor de anderen de maat vol en is de pret voorbij. De avond eindigt in een ijzige sfeer. Asscher onderzoekt de betekenis van vriendschap echter niet alleen als intellectueel item, maar hij laat het de lezer ook doorvoelen in zijn sfeervolle beschrijvingen van de natuur en van de ambiance waarin ontmoetingen zich afspelen. Zo vindt het hoogtepunt van de lustrumviering plaats in een Edgar Allan Poe-achtige setting. Het diner wordt genoten in restaurant Crusoë op een eiland in het IJ met zicht op Amsterdam en spookachtig belicht door een ronduit spectaculaire zonsondergang. Het gezelschap wordt echter, zonder het te weten, in de bediening geassisteerd door serveerster Kyra van Egmond.

    Eenzaamheid

    Hoewel Edgar de hoofdpersoon is die terugkijkt op het lustrum van vijf jaar geleden, beschrijft Asscher zijn verhaal vanuit een wisselend perspectief. Hij onderzoekt de onderlinge relaties door beurtelings in de huid van een ander te kruipen. Hij hanteert hierbij zowel de ik- als de hij-vorm. Zo schept hij een zekere afstand tot het thema en versterkt hij de algemene geldigheid en actualiteit ervan. Asschers boek is een weerslag van de existentiële eenzaamheid van de westerse mens, wiens liberale maakbaarheidsdenken steeds meer in conflict komt met de problemen van zijn tijd. Zijn boek is een vlucht in de donkere kant van de late romantiek. Het is in zijn opzet ook niet voor niets geschreven als een terugblik van een verbitterde Edgar op een vroegere, niet meer bestaande vriendschap.

    Terwijl Asscher zijn hoofdrolspelers met liefdevolle weemoed portretteert, komen de bijrollen minder goed uit de verf. Zij blijven te veel steken in stereotypen. Dit geldt bijvoorbeeld voor Kyra van Egmond, die door Asscher wordt neergezet als een jonge vrouw, activistisch en verblind door het eigen gelijk om een old boys-netwerk bloot te leggen waarin een fascistisch gedachtegoed zou kunnen ontkiemen. Deze stereotypering wordt versterkt door de gezochte verhaallijn rond het gehannes met een mobiele telefoon waarin Kyra de hoofdrol speelt. Hoewel het boek daardoor een wat onevenwichtig karakter krijgt, versterkt het ook het door Asscher gewenste zicht op het grote gemis van een vriendschap van mannen onderling in clubverband. Oppervlakkig gezien ligt de schuld van de opgelopen averij bij Kyra, maar in werkelijkheid ligt deze natuurlijk in zowel de veranderde tijdgeest, waarvan Kyra slechts de representant is, als in een verstarde opvatting van wat vriendschap eigenlijk inhoudt als het verworden is tot een vorm van nostalgische kameraderie.

    Vriendschap in tijden van openheid

    Asscher heeft een heerlijk boek geschreven, waarin zijn eigen gemis aan oude vriendschapsbanden lijkt door te klinken. In overstijgende zin behandelt hij ook een belangrijk thema waarin de vraag centraal staat: ‘Hoe verhoudt de individuele mens zich tot zijn vrienden en de samenleving, waarin naast begrippen als solidariteit en trouw, ook maatschappelijke betrokkenheid een belangrijke rol spelen?’ Hij raakt daarbij aan verschillende actuele zaken in de maatschappij zoals openheid versus geslotenheid.

     

  • Uiteindelijk moet je het met de dood bekopen

    Uiteindelijk moet je het met de dood bekopen

    Wat is een hivemind? Volgens Wikipedia is ‘hive’ een concept dat gebruikt wordt voor directe communicatie tussen de hersenen van een groep mensen. Hierdoor wordt het mogelijk om snel kennis te delen en ontstaat er zelfs een gezamenlijke intelligentie. Wanneer de techniek ertoe leidt dat de aangesloten individuen hun identiteit en vrije wil verliezen, spreekt men van een hive mind. In de debuutbundel van Maxime Garcia Diaz, Het is warm in de hivemind, wordt het aan de lezer overgelaten om te bepalen of het aangenaam warm is door de veelheid en de verbondenheid van degenen die er deel van uitmaken, of dat die warmte juist drukkend en benauwend is. 

    De bundel laat zich lezen alsof je op internet klikkend en scrollend aan het zoeken bent naar informatie: er komen in korte tijd heel veel fragmenten voorbij waarvan het waarheidsgehalte niet gemakkelijk vast te stellen is, filmpjes, meningen, discussies, plaatjes, ontboezemingen, verleidingen en verdachtmakingen. Om deze indruk te wekken maakt de dichter gebruik van diverse lettertypes, afbeeldingen, emojis, kleurstellingen in de lay-out. Ook het gebruik van uitingen in verschillende talen zoals Frans en klassiek Grieks, maar vooral Engels doen het lezen van deze gedichten lijken op een rit in een achtbaan: in een razend tempo, bijna niet om bij te houden, word je door de gedichten geleid en kom je na lezing snakkend naar adem tot stilstand. 

    Definiëring van vrouw-zijn

    Toch is deze bundel zorgvuldig samengesteld volgens een uitgesponnen thema: in drie afdelingen  – origin stories, baby-faced simulacrum en no wave – die ieder bestaan uit lange gedichten wordt ‘floor wolkenveldt’ als protagonist opgevoerd, een meisje dat op zoek is naar haar eigen identiteit en naar de definiëring van haar vrouw-zijn. De bevestiging van zichzelf zoekt zij in de wereld van de sociale media, waarbij het internet fungeert als spiegel, rolmodel en vriendin. Elke voorbijkomende hype wordt wanhopig omarmd (‘smeer je tandvlees in met kristalletjes/& trek het korset strakker’), maar niets kan de zekerheid bieden dat je nu volmaakt bent.
    Garcia Diaz schildert aan de hand van een enkel individu een verontrustende toekomst, waarin de mens perfect en maakbaar moet zijn en waar het werkelijke leven niet meer te onderscheiden is van ‘virtual reality’. Ze laat zien hoe vooral jonge meisjes zich laten beïnvloeden door de cultuur van Tiktok, Facebook en Instagram en de commentaren van anderen:

    ‘de reiniging dient zich aan
     we hebben een aard en we traceren
     haar contouren
     live through this w/me, meisje’

    Ideaalbeeld nastreven

    De dichter laat zien hoe de moderne maatschappij erin geslaagd is om jonge vrouwen en meisjes te laten twijfelen aan hun zelfbeeld en zichzelf en hun sekse te beschouwen als minderwaardig, doordat ze moeten voldoen aan een ideaalbeeld waarvan ze weten dat ze het nooit zullen belichamen, maar dat ze toch met alle middelen nastreven:

    ‘[…]
     In augustus 2017 steeg het zelfmoordcijfer onder Amerikaanse
     tienermeisjes tot het hoogste in veertig jaar (it was a queer, sultry
     summer) ongeveer vijftien Nederlandse vrouwen overlijden elk jaar
     aan anorexia
     ik zag de beste meisjes van mijn generatie
     hongerend, hysterisch, naakt

    Het cursief gedrukte citaat is van Sylvia Plath, van wie ook een foto is afgebeeld bij dit gedicht. De gedichten verwijzen niet alleen naar Plath, maar ook naar Virginia Woolf (‘er was een meisje dat haar zakken/ vulde met stenen en de rivier inliep’), Christina Rossetti, Allen Ginsberg en talloze andere dichters, schrijvers en filosofen. Garcia Diaz weet de meest uiteenlopende voorstellingen met elkaar te verbinden, van Marie Antoinette tot Disneyland, van de klassieke oudheid tot moderne popmuziek. Achter in de bundel staan verwijzingen naar de webpagina’s die refereren aan de citaten in de gedichten. 

    Een steeds terugkerend thema is het verlangen naar echtheid, naar waarachtigheid in een artificiële leefwereld waarin echt niet meer van nep te onderscheiden is. Is het daarom dat van alle afgebeelde portretten in deze bundel de ogen uitgesneden zijn? Alsof ze alleen maar naar binnen kunnen kijken en de hen omringende wereld niet meer willen zien. Tegelijk maakt het een angstaanjagende indruk, alsof het een andere kant toont van de geportretteerde vrouwen, een grimmige en duistere aard, die ook in de gedichten te bespeuren is. 

    ‘ik wil dromen dat het ochtend is
     en dat het dan ook ochtend is

     en dat de wereld geen gevaar is
     maar een zachte moederadem
     en dat ik niet bang ben
     maar gevaarlijk
     dat ik tanden heb
     dat ik bijten kan

    Uiteindelijk de dood

    Een speciale rol is voorbehouden aan Marie Antoinette in het lange gedicht Artificielle, waarvan gedeeltes onderbroken worden door een plaatje van een stuk taart (‘qu’ils mangent de la brioche’). ‘The saddest queen’ wordt beschreven zoals ze zich in Versailles bezighoudt met haar speelgoedboerderij en de draaiende theekoppen van Disneyland tot aan het moment van executie. Zij staat symbool voor alle vrouwen die zich moeten conformeren aan de heersende conventies, de normen en waarden van de maatschappij die net zo snel kunnen veranderen in hun tegendeel. Hoe je ook je best doet om je zo goed mogelijk aan te passen, het zal nooit goed genoeg zijn, omdat alles sneller verandert dan je kunt bijhouden. Uiteindelijk moet je het toch met de dood bekopen, lijken deze gedichten te zeggen. 

    ‘onderweg naar de guillotine
     voelt haar plastic lichaam geen pijn meer,
     lost op in dunne, broze nevel
     fragile magic
     de theekop
     komt langzaam tot stilstand.
     stunned silence,
     dazzled citizens

     een klein hoopje poeder
     op het schavot.

    Optimistische boodschap

    Deze bundel is zowel een feministisch manifest als een aanklacht tegen de wegwerpmaatschappij, een waarschuwing tegen de gevaren van het internet, een hekeldicht op de moderne tijd, een pessimistisch toekomstvisioen, een grimmig sprookje. Woede, vertedering en humor wisselen elkaar af. Hoe vaker je de bundel leest, hoe meer gelaagdheid er te ontdekken valt en overeenkomsten die eerder niet naar voren sprongen. De overweldigende overvloed aan informatie en het kolkende tempo maken het niet gemakkelijk, maar de tour de force die deze (debuut!)bundel is, nodigt uit om steeds opnieuw te lezen. Zeer terecht heeft deze bundel de C. Buddingh’-prijs gewonnen.

    Garcia Diaz sluit af met een optimistische, liefdevolle boodschap: als de moeder van de lyrische ik een sms’je stuurt met de waarschuwing om toch vooral haar medicatie niet te vergeten, luidt de laatste regel van het gedicht in antwoord hierop: ‘ik stuur haar HARTJE HARTJE HARTJE HARTJE’
    Er is dus hoop dat het allemaal nog goed komt.

     

     

  • Brengschuld en haalboete

    Brengschuld en haalboete

    Recensie door Peter Samuel

    In zijn nieuwe roman Brengschuld beschrijft auteur Jan Siebelink een maatschappelijk verschijnsel, dat tot de ondergang van de kwekerij uit zijn succesboek Knielen op een bed violen leidt. Jan Geurt Siebelink, geboren op 13 februari 1938, groeide als Gelderse bloemkwekerszoon op in een streng godsdienstig gezin. Het protestantse milieu vormt zonder twijfel de basis voor zijn schrijverswerk. De streek rond zijn geboorteplaats Velp is voor hem kennelijk een broedplaats vol frustraties. In een sfeer van doem en machteloosheid creëert hij met Brengschuld een deerniswekkend verhaal over schuld en boete.

    Aan zijn meesterwerk Knielen op een bed violen, dat hem de AKO-literatuurprijs en uiteindelijk de Ridderorde van de Nederlandse Leeuw opleverde, voegt de 84-jarige schrijver een puzzelstuk uit zijn jeugd toe. Waar het monstersucces bijna drie keer zoveel pagina’s beslaat (paperback, 446 blz.) als de fraaie hardcover Brengschuld (173 blz.), keert Siebelink terug naar de familie Sievez uit Knielen op een bed violen. Hij voegt als het ware een nieuw hoofdstuk toe. Hans en Margje Sievez zijn hardwerkende ouders in hun bloeiende kwekerij, die het belangrijk vinden dat hun zonen Ruben en Tom het beter krijgen dan de ouders zelf.

    Tennishal

    Werd in Knielen op een bed violen het geloof van vader Hans, onder invloed van een strenggelovige groepering, als oorzaak voor de teloorgang van het familiebedrijf gezien, in Brengschuld werpt een andere gebeurtenis zicht op de ondergang van wat eens een bloeiend bloemenparadijsje was. De bouw van een grote tennishal verstoort het alledaags bestaan van het kwekersgezin, hoewel hun vroegtijdig gestorven buurman, tevens huurbaas – zoon Ruben mocht de huishuur telkens contant in een enveloppe langsbrengen – daar later, via een nagelaten epistel, anders over bleek te oordelen.

    In plaats van de later ontdekte garantie dat zij zonder probleem in hun huis konden blijven wonen, moesten de Sievez’ door geldgebrek een deel van hun grond verkopen. Waar zoon Ruben buiten medeweten van zijn ouders een andere buurman om financiële hulp vroeg, bleek deze bemiddelde aannemer een louche sujet. Hij liet geen beloofde kleine manege, maar een reusachtige sporthal op het door hem verworven stukje grond neerzetten. Vele sporters en bezoekers van wedstrijden bedierven daarmee grondig het leven en werk van de kwekersfamilie. Hoe het mogelijk is geweest om zo’n groot bouwwerk ter plaatse te realiseren, laat auteur Siebelink in het midden. De aannemer heeft mogelijke regels ter zake van een vergunning kennelijk weten te omzeilen. Verwerpelijk, niettemin een vaker in onze maatschappij voorkomend verschijnsel. Rijken trekken immers regelmatig aan het langste eind. Eigenlijk zou dit de ‘patserachtige’ aannemer een fikse ‘haalboete’ moeten bezorgen, al was het maar om de ‘brengschuld’ te vereffenen.

    Herkenbaar decor

    Na het afronden van de kweekschool was Jan Siebelink ruim drie decennia leraar Nederlands en Frans op een middelbare school. Als schrijver was hij niet te stuiten. Sinds 1975 verscheen een waslijst van bijna vijftig boeken van zijn hand. Vaak is het decor in zijn verhalen eender door terugkerende elementen. In de roman Brengschuld blijken gebeurtenissen anders, al zijn de personages dezelfde als in Knielen op een bed violen. Hardwerkende ouders, een vader in de ban van het geloof, waarmee hij een wig drijft tussen de gezinsleden, en een oudste zoon die probeert het gezin bijeen te houden. De leden van de familie Sievez – vader Hans, moeder Margje, zoon Ruben en zijn jongere broer Tom – lijden ieder op hun eigen manier onder de gebeurtenissen en doen ieder hun best om tot oplossingen te komen.

    De schrijfstijl van Siebelink is soepel, zijn verhaallijn in Brengschuld is ontroerend, aangrijpend en indringend tegelijk. Een mooie zin luidt bijvoorbeeld: ‘Zijn broer, in de loop van zijn leven, was de verjaardag als een lichtzinnige aangelegenheid gaan zien’. In andere woorden, een roman om in één adem uit te lezen.

     

     

  • Donkerte met een klein lichtpuntje

    Donkerte met een klein lichtpuntje

    Overrompeld worden door eigen gedachten. Dat is wat Alicja Gescinska (1981) lijkt te overkomen in de bundel Trojaanse gedachten. De Pools-Belgische filosofe en dichteres grijpt de mythologie aan om te laten voelen hoe sterk deze plotselinge stroming kan zijn. Na de overrompeling wordt ze meegevoerd op de inwendige golven van het gemoed – als gevangene in haar eigen hoofd. ‘Gewapend met witte vlaggen en olijftakken / Beginnen de vijandigheden // Het houten paard in mij barst open / Op zelfhaat bedachte woorden breken uit’. Met de metafoor van de uitgekiende aanval op de Trojanen toont Gescinska hoe haar hoofd wordt gevuld met onaangekondigde gedachten die ze vervolgens als gedichten vormgeeft. De sfeer is gespannen, er is sprake van strijd tegen gevoelens die als onzichtbare elementen in de weg staan. De worsteling komt voort uit onzekerheid, wanhoop en het verlangen naar liefde.

    Overlevingsdrang

    De zes delen die samen deze bundel vormen zijn opgebouwd rondom thema’s als: de zoektocht naar identiteit, het verlies van dierbaren, liefdesperikelen en de vergankelijkheid van het leven. Stuk voor stuk gemeenplaatsen waar iedere lezer zich in kan herkennen – voor de dichter een uitdaging om in woorden om te zetten.

    ‘Na een lange stilte

     Ik ben het dichten verleerd,
     Vervreemd van de taal die ik ben,
     Een banneling van mijn gedachten.

     Ik zet me aan de woorden
     Om mezelf weer op te eisen,
     Overlevingsdrang die haar wonden likt.

     Ik schrijf niet, maar boetseer
     Mezelf weer tot een vorm
     Waarin ik me herkennen kan.’

    Met ‘de taal die ik ben’ doelt Gescinska ongetwijfeld op haar Poolse afkomst. Het uitdrukken in een nieuwe taal betekent niet dat de oorspronkelijke woorden verdwijnen. In het diepe gat tussen die twee werelden verwordt ze tot een ‘banneling van mijn gedachten’. Er is zelfs sprake van overlevingsdrang maar de taalscheiding blijft van grote invloed op de dichteres. Ze eindigt dit vers met ‘en ben ik van mezelf verstoten thuis’.

    Strijd en geweld

    Opvallend zijn de vele verwijzingen naar strijd en geweld. Met woorden als lijkenlucht, flankaanval, veldslag, kogelbaan, kustartillerie, schutkring en bolwerk probeert Gescinska haar onmacht in de beschreven onderwerpen in een tragische, haast brute vorm te dwingen. Die onmacht komt terug in ieder thema, van het verlies van een liefde, de verwarring over identiteit tot de dood van een familielid. Het is wat veel donkerte in Trojaanse gedachten, het maakt zeker niet tot een opbeurende bundel.

    ‘Danse macabre

    Wanneer ik klaar zal zijn met dansen
    Zullen ze me de benen ontnemen,
    Met niets dan misprijzen voor wie ik was.

    Een nekschot voor mijn soepele heupen,
    De strop om mijn sierlijke handen,
    Een fusillade en face als grande finale.

    Ter plaatse blijf ik op bevel bewegen,
    Al hoor ik geen muziek in hun hoongelach
    En ben ik nauwelijks nog mens.

    Onverschillig glimmen ze van trots en schande
    In hun superieure matte uniformen,
    In een kring voor mij bestemde kogels.

    Zodra ik mijn handen laat zakken,
    Worden de geweren aangelegd
    En verdwijn ik met de laatste kracht uit mij.’

    Gescinska schrijft haar gedichten in een eenvormige stijl. Door iedere versregel consequent met een beginkapitaal te beginnen, lijkt het alsof er telkens een nieuwe start gemaakt wordt. Met een minimum aan interpunctie en slechts hier en daar gebruikmakend van enjambement is er geen soepele doorloop in de verzen. De regels vormen zo een opeenstapeling van indrukken die de leesbaarheid niet ten goede komt.

    Hoopvol scenario

    Maar er sijpelt naast alle somberheid ook wat liefde en zachtheid door deze bundel. Kleine lichtpuntjes die de sfeer niet meteen luchtig maken, maar de lezer toch optimistisch stemt. In het gedicht ‘Zeestraat’, aan het einde van de bundel, wordt een bestendige relatie beschreven. Gevat in een prachtige metafoor weet Gescinska tussen alle twijfel toch een hoopvol scenario te schetsen. Gelukkig maar.

    ‘Uit mijn derde oog ontsnapt een traan,
     Van geluk en verdriet en het zijn.

     Ik kijk naar de landkaart van ons bestaan
     En zie ons samen liggen in gedeelde jaren,
     Omgeven door een zee van vroeger
     En sombere golven van wat komen zal.

     Toen ik ooit een eiland was,
     En mijn gebroken gedachten een archipel,
     Vormden je armen een zeestraat
     Tussen wie ik was en wat ik wilde zijn.

     Je zei dat schoonheid geen grenzen kent.
     Ik zwom in jou naar ons toe.

     In de deining van je oksels
     Lagen mijn woorden, ingehouden
     Woest rollend tot het vasteland
     Waar vrede in wijsheid woont.

     Daar stond je in mijn horizon.
     Je handen diepe schelpen
     Waarin het zoute water minzaam zei:
     Jullie zijn een continent in wording.

     

  • Oogst week 37 – 2022

    Waar de wolf loert

    Hoe is het om je niet thuis te voelen op de plek waar je woont? Dit is het thema in Waar de wolf loert van Ayelet Gundar-Goshen. Een serieus thema en Gundar-Goshen heeft er een geraffineerd verhaal over geschreven.

    Op een dag zakt een islamitische klasgenoot Adam op een feestje dood in elkaar. Zijn moeder ruikt gevaar, maar weet niet van welke kant het komt. En dan is het er weer, het gevoel een buitenstaander te zijn. Hoe meer ze over de dood van de klasgenoot te weten komt, des te groter wordt haar ongemak. Adam blijft opvallend zwijgzaam en blijkt meer te weten dan hij toegeeft.

    Over haar boek Leugenaar schreef Marjolijn van de Gender op Literair Nederland: ‘Door de perfecte balans in de verteltoon en de goed uitgewerkte, meeslepende personages is het onmogelijk dit boek weg te leggen.’

    Ayelet Gundar-Goshen (Tel Aviv, 1982) is psychologe en scriptschrijver. Zij ontving voor haar boek Eén nacht, Markovitsj de Sapirprijs voor het beste Israëlische romandebuut. Ook haar tweede boek Leeuwen wekken (2018) was een (internationaal) succes.

    Op 1 oktober gaat Inge Schilperoord bij ILFU Exploring Stories met Gundar-Goshen in gesprek in TivoliVredenburg, Utrecht.

    Waar de wolf loert
    Auteur: Ayelet Gundar-Goshen
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee (2022)

    De laatste witte man

    ‘Toen Anders, een witte man, op een ochtend ontwaakte, ontdekte hij dat zijn kleur was veranderd in een donker en onmisbaar bruin.’

    Dit is de eerste, intrigerende zin van De laatste witte man van Mohsin Hamid.
    Het blijkt dat er elders in het land meer mensen zijn die verkleuren. Schaamte, ongeloof, angst en woede. Emoties die Anders zelf ervaart of waar hij mee geconfronteerd wordt nu hij in zijn nieuwe vel zit.
    Hij voelt zich nog dezelfde man als eerst, maar anderen zien hem niet meer zo. Wat ervaar je dan?

    Op de flaptekst staat: ‘In De laatste witte man zet Mohsin Hamid al onze obsessies en halve waarheden op hun kop om een beeld te schetsen van een toekomst waarin we meer met elkaar gemeen hebben dan we nu denken.’

    Mohsin Hamid is een van oorsprong Pakistaanse schrijver die in de Verenigde Staten studeerde. Hij kreeg o.a. les van Toni Morrison. In 2001 debuteerde hij succesvol met Moth Smoke (finalist voor de PEN / Hemingway Award), dat (nog) niet in het Nederlands werd vertaald. Andere boeken van hem zijn wel in het Nederlands verschenen, bijvoorbeeld De val van een fundamentalist (shortlist Man Booker Prize) en Hoe word je stinkend rijk in het nieuwe Azië. Hamid zou het idee voor De laatste witte man hebben opgedaan na 9/11 toen hij merkte dat zijn medemensen hem anders bekeken en behandelden.

    Mohsin Hamid schrijft, woont en werkt in Londen.

    De laatste witte man
    Auteur: Mohsin Hamid
    Uitgeverij: De Bezige Bij (2022)

    Recitatief

    Kleur is ook het thema in Recitatief, want veranderen mensen in De laatste witte man van kleur, in dit korte verhaal van Toni Morrison gaat het om twee meisjes die bevriend raken als ze acht jaar zijn en tijdelijk in een opvang voor daklozen wonen. De een is zwart, de ander wit. Ze wonen er maar kort en verliezen elkaar weer uit het oog, maar komen elkaar in het verhaal nog wel een paar keer tegen. Tot zo ver vrij gewoon. Het bijzondere zit hem in de vraag wèlk meisje zwart en wèlk meisje wit is, want dat blijft voor de lezer onduidelijk!

    In haar voorwoord schrijft Zadie Smith dat Morrison Recitatief zelf bedoeld had als ‘een experiment met het weglaten van alle raciale codes in een verhaal over twee personages van verschillend ras, voor wie raciale identiteit van cruciaal belang is.’
    Zadie Smith zegt daarover: ‘Dit verhaal is eerst een puzzel en dan een spel. Morrison noemde Recitatief een “experiment”, en dat is het. Maar het onderwerp van het experiment is de lezer zelf.’

    Het lijkt een fascinerend en zinvol ‘experiment’. Oordeel zelf!

     

     

    Recitatief
    Auteur: Toni Morrisson
    Uitgeverij: De Bezige Bij (2022)
  • Gelukkigheid

    Gelukkigheid

    Opeens valt het op (voor wie omhoog durft te kijken) dat de vliegtuigstrepen tegen het azuurblauw toenemen. Er blijkt geen andere remedie tegen te bestaan dan een lockdown. Maar goed, als het geluk per easy jetplane te bereiken is, ja, wie wil dat niet. Te gaan waar een ieder gaat, bereikbaar voor ieders budget. In onze uniciteit willen we allen dezelfde doelen bereiken, toch? Vliegen naar een land waar altijd de zon schijnt, waar we nooit geweest zijn, of al zo vaak, of omdat het nu eenmaal kan. Gedreven door een soort in het vooruitzicht gesteld geluk, ergens, ver weg. De biografie Hemelse mevrouw Frederike (prachtige titel), van Maaike Meijer, over kunstenaar en dichter F. Harmsen van Beek (1927-2009), lees ik met groot genoegen. Harmsen van Beek liet zich niet lauweren, schreef brieven in de vorm van een vlinder, gepriegel in leesbaar handschrift. Creëerde taferelen in een halve notendop, maakte van heel haar huis een kunstwerk. Geluk, daar deed ze niet aan. Ze had vele liefhebbers, geliefden, vrienden, maar geluk? Nee, dat zocht zij niet, en zo ze het vond, stootte ze het van zich af. Toen ze in mei 1994 was uitgenodigd voor ‘picknicken op de dijk’ met vrienden, schreef ze:

     ‘Waarom ik niet etc.’

    Goedzo: niet mee picknicken maar de hond
    wel, ja, gelukzalig de hond. ‘en wat
    doe jij dan, tijdens het niet picknicken’
    ‘Nou, een hoop in te halen enzo en vooral
    niet picknicken-‘
    ‘Waarom eigenlijk niet?’

    Ik kan niet meer tegen gelukkigheid en
    nog minder tegen het op je netvlies (die
    zon) ingebrande tableau van hoe het
    eigenlijk, van huis uit zelfs, hoorde:
    gewoon met hond en al gelukkig
    op weilanden. Zijn.

    En terwijl jullie Bo en Lifa in het gras
    zitten, ben ik bezig, in beeldschoonloze
    duisternis en stof een vlinder te ver
    worden. en later, als ik
    mijn vleugels heb opgeblazen,
    vlieg ik weg over alle weilanden
    waar lievelingen en hun
    honden picknicken.

    Denk dan: zie je nou wel!

    Dit gedicht werd voor het eerst gepubliceerd in deze biografie. Harmsen van Beek is een tot de verbeelding sprekende persoonlijkheid, mijn verbeelding zeker. Haar gedichten maakten toendertijd grote indruk, maar zij wilde haar gedichten niet geïnterpreteerd krijgen. Ze heeft het opgeschreven zoals het gebeurde, niets verzonnen of verwrongen.  Kees Fens, die haar eerst niet zo kon plaatsen, is helemaal om na een tv uitzending van Hans Gomperts in gesprek met haar in 1981. Daarin heeft ze het over haar inzet voor het vergankelijke: ‘Scheppen is zinvoller dan het geschapene. In een bevroren ruit met eindeloos geduld en heel veel inspanning een heel fijne tekening maken […] je uiterste best doen en toch weten: als direct de zon  komt, is bijna meteen alles weer weg.’ Het is van een verterende simpelheid der dingen, zonder winstbejag of doel, altijd gaande blijven. Geluk veroorzaakt een genadeloze passiviteit, maakt handen tot nutteloze wapperaars. 

    Haar eerste liefde, Jan Hooglandt, schreef achter op een foto van haar, ‘she was too young to throw herself under the wheels of happiness’. Wat van een geweldig inzicht getuigt. Mooi is dat je er ook te oud voor kunt zijn om je onder de wielen van het geluk te gooien. Kijk naar geluk als naar een vlieger tegen het azuurblauw, blijf op de grond.

     

     

    Hemelse mevrouw Frederike / Biografie van F. Harmsen van Beek (1927-2009) / Maaike Meijer / De Bezige Bij


    Inge Meijer is een pseudoniem met een boekenkast.

  • Metamorfose

    Metamorfose

    Zul je net zien, werd ik op de avond van het boekenbal ziek, twee roze streepjes in een kakelwit kadertje, een mooi accessoire om de dresscode van dit jaar te eren. Nog een geluk dat ik niet was uitgenodigd. Vier dagen in bed met zakdoekjes, kruik, paracetamol, boek en potlood. Ik droomde veel, hoorde Portugese stemmen, zag een ontvelde haas naast een geplukte haan liggen. Ik keek naar de felrode spierbundels van de haas tot de haas zich oprichtte, wegsprong, de oren geschulpt als kano’s op zijn rug. Tussendoor las ik Veranderen: methode van Édouard Louis. Telkens wanneer ik ontwaakte, greep ik ernaar. Onderstreepte zinnen, krabbelde in de kantlijn (‘waarom ontfermt iemand zich over de ander?’; ‘wiens naam geschreven staat, bestaat’), bij de passage waar de directeur van het cultureel centrum in Amiens hem vraagt of het ‘Eddy’ of ‘Édouard’ moet worden op het kaartje van zijn kluisje. Het wordt Édouard, voor het eerst weg met Eddy. ‘Zijn metamorfose is zichtbaar, daar, voor de hele mensheid.’

    De onderwerpen in zijn vier voorgaande boeken, komen opnieuw voorbij. ‘Dat verhaal, die odyssee, wil ik hier proberen te vertellen.’ Hij beschrijft de laatste keer dat hij zijn moeder in zijn ouderlijk huis bezoekt. Tegen wie hij zei, ‘Trouwens, je bent geen moeder, je bent geen moeder, je verdient het niet om een moeder te zijn, (…) waarom ben ik in de dit gezin terecht gekomen en op dat moment schreeuwde ze Stop!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!’ en begint hem te stompen, schreeuwt dat ze nooit eens rust heeft met die klootzakken van kinderen. Door de ontmoeting met de schrijver Didier Eribon, van Terugkeer naar Reims, begrijpt Louis hoe hij definitief kan breken met zijn verleden. Hij moet schrijven. Waardoor ik me aan hem verwant voel, weer wegdommel. Droom van een brandend fornuis waar de poes met driepoten bovenop springt, er kats een oortje afbrandt. Ik zag het liggen, zo’n mooi aandachtig kattenoortje. Ik legde het poesje, dat steeds kleiner werd in mijn handen, in een hoedendoos, het oortje ernaast. 

    Louis eindigt met, ‘dat ik soms spijt heb afstand te hebben genomen van het verleden, (…) dat ik door te vluchten heb gevochten voor een geluk dat ik nooit heb gekregen.’ De verschillende vormen die Louis gebruikt om dit verhaal te vertellen, maken het tot verlichtende literatuur. Waaronder de (fictieve) ‘monoloog van Elena’, zijn eerste vriendin uit de middenklasse, in de vorm een hommage aan de Franse komiek en toneelschrijver Jean-Luc Lagarce (19571995). Ik lees wat Louis, Elena in de mond legt. ‘Ik wilde je plaats van bestemming zijn en ik was alleen maar het vertrekpunt. / (…) Jij zou geschiedenisleraar worden en ik journalist of kunstenaar, / (…) een kunstenaar zonder publiek, / Maar we zouden gelukkig geweest zijn.’ Als alles bereikt is, zijn tanden rechtgezet, zijn haarlijn aangepast, zijn naam veranderd, zijn studie voltooid, het eerste boek geschreven, blijft het stomme verlangen, ‘Naar de tijd dat mijn moeder haar schouders ophaalde en zei Wat een rotleven hebben we toch. Naar de tijd dat ik nog met haar kon praten. Naar de tijd dat ik droomde.’ Blij dat ik dit boek in huis had, het schudde mijn dromen. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest in bed.

     

     

     

  • Tussen kitsch en kunst

    Tussen kitsch en kunst

    Het verhaal van Het laatste kind is snel verteld. Een moeder neemt afscheid van haar jongste zoon die op kamers gaat. Hoe laat je je kind los en wat betekent het vertrek van het laatste kind voor je eigen leven? Deze worsteling wordt door Philippe Besson zeer gedetailleerd beschreven. Zo gedetailleerd, dat zijn proza soms naar kitsch neigt. Toch boeit Het laatste kind, ondanks het wat larmoyante slot.

    Philippe Besson (Frankrijk, 1967) is een literair multi-talent. Naast romans schrijft hij ook voor theater en film. Een aantal van zijn boeken is in het Nederlands vertaald, zoals zijn veelgeprezen debuut uit 2001 Bij afwezigheid van mannen, en het autobiografische Lieg met mij dat in 2020 bij De Bezige Bij verscheen. Het zijn kleine romans van nog geen tweehonderd bladzijden. Ook Het laatste kind kent een ruime bladspiegel en veel wit tussen de hoofdstukken. Besson heeft het opgedragen aan zijn moeder. Wellicht dacht hij bij het schrijven aan de dag dat hij zelf het ouderlijk huis verliet. Het verrassende is dat in deze roman niet het perspectief wordt gekozen van de vertrekkende zoon Théo, maar dat van de moeder die achterblijft.

    Stereotype man

    Hoofdpersoon is dus moeder Anne-Marie. Ze is getrouwd met Patrick, heeft drie kinderen. De twee andere kinderen komen niet of nauwelijks aan bod en echtgenoot Patrick is de stereotype man die het niet kan hebben als zijn vrouw autorijdt met hem als bijzit. Anne-Marie past zich aan ‘zodat hij geen maagzweer ontwikkelt’. Daarnaast is hij nauwelijks een serieuze gesprekspartner voor zijn vrouw. Théo zelf is een wat ondoorgrondelijke jongen. Hij schermt zijn leven af voor de blikken van zijn moeder. Een enkele keer kiest Besson voor Théo’s perspectief, als hij bijvoorbeeld naar zijn moeder kijkt die helpt bij het tillen en dragen van zijn spullen. ‘Ze doet zich stoerder voor dan ze is (…). Ze moet geen hernia oplopen (…).’

    Zoals moeders kunnen

    Met de verhuizing van haar zoon wordt Anne-Marie geconfronteerd met de tijd die voorbij is en met haar angsten voor een toekomst die op dat moment leeg en kleurloos lijkt, zonder de dagelijkse zorg voor haar zoon. Ze stelt dan ook het daadwerkelijke afscheid geraffineerd uit, zoals moeders dat kunnen, door voor te stellen na de verhuizing gedrieën nog iets te gaan eten. De ‘Amerikaanse diner’ wordt uitgebreid beschreven, en dat Anne-Marie ‘het altijd leuk heeft gevonden om met haar kinderen in een restaurant te lunchen, waarschijnlijk omdat het zelden gebeurde’. Dit wordt nog verder uitgelegd, waardoor de vaart helemaal uit het verhaal verdwijnt: ‘Ze hadden nooit echt tijd en ze hadden niet echt de middelen. En bovendien kan Anne-Marie uitstekend koken: waarom zou je geld over de balk smijten om minder lekker te eten dan thuis.’ Et cetera.

    Terwijl de scène zo goed begon met de opstelling aan tafel, wie zit naast wie, vader alleen of zoon alleen tegenover de andere twee? Krampachtig wordt naar een gezellig gespreksonderwerp gezocht. Ze komen uit bij vakanties die voorbij zijn, zo’n onderwerp waar ook niet iedereen zin in heeft, tot het gesprek gaat over hoe de ouders elkaar hebben ontmoet.

    ‘Théo verwacht meer van zijn toekomstige liefdes en van de beslissende ontmoeting al weet hij niet veel van hartstocht en emoties.’ Het zijn deze zinnen die verraden dat Besson misschien toch liever dat verhaal van Théo had willen vertellen, dan verder gaan met de besognes van de moeder. Zijn liefdesleven blijft onbesproken. Dat zorgt ervoor dat het verhaal gefocust blijft op afscheid nemen en hoe onafwendbaar de terugkeer is naar het lege huis. Het verhaal gaat niet over de coming out van een stille zoon.

    Buurvrouw

    In de auto terug naar huis denkt Anne-Marie aan haar relatie met haar zoon, heeft ze spijt van de dingen die ze niet heeft gedaan: samen naar de film of zich verdiepen in zijn muzieksmaak (Ed Sheeran wordt genoemd). Eenmaal thuis zoekt ze haar buurvrouw op om uit te huilen. Françoise maakt thee voor haar en voor zichzelf Nescafé, serveert een boterkoekje. Het zijn dit soort truttige details die de gewoonheid van deze levens kenschetsten. Anne-Marie vindt weinig troost bij Françoise. In tegenstelling tot de gescheiden buurvrouw blijft zij niet alleen achter. Het wordt haar fijntjes onder de neus gewreven.

    ‘Françoise zal nu aan het woord blijven. En Anne-Marie zal alleen een beetje knikken. De een weet dat de ander zich er niet van kan weerhouden te blijven malen, het is sterker dan zij. (…) Ze praat in de woonkamer die schommelt, (…) terwijl Anne-Marie haar een verstarde glimlach toewerpt.’ Dit zijn mooie momenten in het boek, dan weet Besson in enkele zinnen het contrast tussen twee levens neer te zetten. Dan vergeef je hem zinnen als ‘De een is de vergaarbak van de ontmoediging en de angst van de ander, en aanvaardt dat.’

    Cliffhanger

    ‘Zo was het drama op gang gekomen’ is de cliffhanger voordat het eerste hoofdstuk aanvangt. Aan het einde blijkt dit zinnetje toch meer effectbejag te zijn geweest, dan dat er een daadwerkelijk drama heeft plaatsgevonden. Toegegeven het slothoofdstuk wil er nog wel een spannend schepje bovenop doen, maar het is een toevoeging aan het verhaal die onnodig blijkt. Anne-Maries gedachtestroom over het leven, over haar zoon, over dat werkelijk alles haar is ontglipt en dat de persoonlijke vrijheid die Théo’s vertrek met zich meebrengt haar weinig bevalt, is voor de lezer invoelbaar en daardoor prachtig genoeg.

     

  • Meisje

    Meisje

    Nadat ik een plaatsje had weten te vinden in de overvolle trein, werd ik me bewust van het gesprek dat een meisje met haar mobieltje voerde. Ze zat tegenover me: een tenger, blond meisje van een jaar of vijftien, zestien, gekleed in een spijkerbroek en een legerjack. Het was duidelijk dat ze met haar vriendje aan het praten was en uit het gesprek, waarvan ik slechts één kant kon horen, kon ik al gauw opmaken waar het over ging: hij had het uitgemaakt en zij smeekte hem om weer bij haar terug te komen. Haar stem klonk jammerend hoog toen ze maar bleef vragen waarom hij niet meer met haar wilde? Had ze iets verkeerds gezegd, iets fout gedaan? Maar ze konden het toch opnieuw proberen, ze zou veranderen, ze zou alles doen wat hij maar wilde, als hij maar weer van haar zou houden. Het verdriet had haar onverschillig gemaakt voor het feit dat iedereen haar kon horen. Ze keek niet naar ons, de andere passagiers in de trein, maar bleef maar uit het raam staren alsof ze haar vriendje daar buiten zag staan.

    De tranen stroomden over haar bleke gezicht en ze had een snotneus. Ze zag er moe en gebroken uit, maar ze bleef dezelfde woorden herhalen, alsof hij op het laatst wel zou toegeven als ze maar bleef volhouden. Het deed me pijn dit aan te horen. Ik wilde mijn armen om haar heen slaan en in haar oor fluisteren dat ze mooi en jong was en dat ze die jongen niet nodig had om gelukkig te zijn; Plato had gezegd dat geluk bestond uit jezelf genoeg zijn. Dat ze vast wel een ander zou tegenkomen, en dan leefden ze nog lang en gelukkig. En als er geen sprookjesprins voorhanden was, dan zou ze wel gelukkig zijn in haar eentje. Dat haar toekomst stralend zou zijn, ongeacht welk pad ze zou kiezen. Over vijftien jaar, als ze dertig of daaromtrent was, zou ze lachen om wat dan niet meer zou zijn dan een beschamende herinnering. Ik had als de goede fee aan haar wieg willen staan en het gedicht van Erik Menkveld als een toverspreuk over haar willen uitspreken:

    Alles mag je worden

    Het springzaad knapt, de brempeulen
    knallen open en jij ligt er in je wieg
    als een popelend boontje bij.

    Alles mag je worden van mij: zeeman,
    boswachter, archeoloog. Of –
    als je leven ingewikkelder loopt –

    gesponsord ontdekker van aangroei
    werende stoffen voor scheepsverf,
    alleenstaand paddestoelenfotograaf,

    pacht- en beestenlijstenonderzoeker
    van verdwenen Drentse keuterijen…
    Behalve ongelukkig. Beloofd?

    Maar natuurlijk deed ik niets van dat alles. Bij het volgende station stapte ik uit de trein. En terwijl ik naar huis liep, dacht ik aan een vergelijkbaar voorval lang geleden, toen er ook niemand zijn armen om me heen geslagen had toen ik dat zo heel erg nodig had. Maar zie me hier gaan: meer dan twee keer dertig, en blij met mezelf. Het meisje zou het ook wel redden.

     

    Uit: Schapen nu! / Erik Menkveld / De Bezige Bij (2001)


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

  • Originele maar vervreemdende roman over deze tijd

    Originele maar vervreemdende roman over deze tijd

    Olivia Wenzel (Weimar, 1985) werd geboren als kind van een zwarte vader uit Zambia en een witte moeder uit Oost-Duitsland. Ze studeerde Culturele Studies aan de universiteit van Hildesheim en vestigde zich daarna in Berlijn. Ze heeft zich ontwikkeld als een culturele duizendpoot: ze werkt als dramaturg, muzikant, performer, zangeres en songwriter en schreef in 2020 haar debuut 1000 kronkelwegen angst, dat door Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen in het Nederlands werd vertaald. In Duitsland werd haar eerste roman goed ontvangen. Het boek belandde onder meer op de longlist van de Duitse Boekenprijs.

    Wenzel karakteriseert haar eersteling als autofictie en als een “coming-out of not being white”. In het eerste deel van 1000 kronkelwegen angst getiteld ‘Points of view’ draait het om een jonge vrouw die is geboren uit een kortstondige relatie tussen een jonge punkster uit de DDR en een Angolese man. De avontuurlijke moeder had zich een leven samen met deze man voorgesteld in Angola, maar haar uitreisvisum wordt enkele maanden na de geboorte van haar tweeling geannuleerd. In plaats daarvan belandt ze in de gevangenis en krijgt de vader van haar kinderen een nieuw gezin in het verre land. De relatie van de ik-figuur met haar moeder is moeizaam. Zo liet haar moeder haar en haar broer soms maandenlang achter bij een vriendin, terwijl ze zelf met vakantie ging. Met haar Angolese vader heeft ze nauwelijks contact en haar tweelingbroer pleegt op zeventienjarige leeftijd zelfmoord. Na zijn dood gaat de ik-persoon op reis naar de Verenigde Staten.

    Afstand tot Duitsland

    Hoewel ze soms last heeft van hartkloppingen voelt ze zich bijzonder thuis in New York en vraagt ze zich af wat daarvan de oorzaak zou kunnen zijn. De vrijheid en onbevangenheid die ze in de Verenigde Staten ervaart, laten haar vanuit een ander perspectief kijken naar haar geboorteland Duitsland. Ze ontdekt dat ze in haar jeugd veel meer dan ze zich aanvankelijk realiseerde te maken heeft gehad met allerlei vormen van racisme, tegelijkertijd beseft ze dat ze meer privileges heeft dan iemand in haar familie ooit heeft gehad.

    Ze herinnert zich dat ze een keer met haar vriend in een Berlijns park was en dat ze niet op durfde te treden tegen een viertal neonazi’s die een gezin terroriseerde. Ze denkt terug aan een theaterzaal waarin ze opmerkte dat ze de enige zwarte vrouw was in het publiek. Door de afstand tot haar vaderland ontdekt ze parallellen tussen de haat die haar vader indertijd in de DDR moet hebben ervaren en de haat die zij en haar broer hebben ondervonden. Ze ziet dat zwarte mensen in de Verenigde Staten systematisch eenzelfde haat meemaken als vluchtelingen die permanent en wereldwijd beleven. Feitelijk raakt ze in de Verenigde Staten steeds meer verscheurd over haar identiteit. De zelfmoord van haar broer is de druppel die ervoor gezorgd heeft dat ze haar greep op de realiteit steeds meer verliest en ten prooi valt aan angsten.

    Ingewikkelde stijl

    Wenzel hanteert in het eerste deel van het boek een originele maar ingewikkelde stijl. Ze construeert een dialoog tussen haar hoofdpersonage en een onbekende voice-over, waaraan ook nog Engelstalige oneliners worden toegevoegd.

    “HEB JE OOIT EEN MISDRIJF BEGAAN?
    Nee.
    GEEN WINKELDIEFSTAL, GEEN RIT ZONDER KAARTJE, GEEN GRAFFITI GESPRAYD?
    … Misschien.
    Three strikes and you’re out!
    Wat zeg je?
    Als je drie keer gepakt en veroordeeld wordt, kun je in sommige gevallen levenslang krijgen – three-strikes law.
    Voor graffiti en een lippenstift jatten?
    DE VERSCHILLENDE AMERIKAANSE STATEN INTERPRETEREN DE WETTEN NIET ALLEMAAL EVEN STRENG.
    All good things go by three!
    This is amazing, this is amazing, this is amazing!”

    Deze manier van schrijven illustreert de verwarring en de angsten van de ik-figuur. Wenzel laat het aan de lezer over om te ontdekken waar het in haar boek over gaat. De thema’s die ze aansnijdt en weer laat vallen en de zijweggetjes die ze kiest en verlaat zijn zo talrijk, dat het een ware tour de force is om door het eerste deel heen te worstelen. De passages in het Engels vormen door hun oppervlakkigheid een schril contrast met de vaak vergeefse pogingen van de hoofdpersoon om ergens bij te willen horen.

    Angststoornissen en slaapproblemen

    Het tweede deel van het boek, ‘Picture this’, is wat stijl betreft eenvoudiger te volgen; de schreeuwerige stemmen uit het eerste deel zijn verstomd. Wenzel beschrijft aan de hand van zwart-wit foto’s van de moeder en grootmoeder van de ik-persoon hoe hun verhalen en verleden het heden van de ik-persoon beïnvloeden. Deze beschrijvingen worden afgewisseld met de ervaringen van de ik-persoon met verschillende therapieën en therapeuten. Haar vrienden hebben haar namelijk dringend geadviseerd om hulp te zoeken voor haar angststoornissen en slaapproblemen waar ze in toenemende mate onder lijdt. De toon van het boek is in het tweede deel wat luchtiger en is hier en daar zelfs humoristisch. Alhoewel dit deel beduidend prettiger leest dan het eerste blijft de stijl anekdotisch en is het nog steeds lastig om de verhaallijn vast te houden.

    In het derde deel, ‘Vluchtpunten’, herpakt Wenzel de stijl van het eerste deel, met dat verschil dat de Engelstalige stem nauwelijks meer te horen is. Het gaat in het laatste deel van het boek over een reis naar Vietnam. Er lijkt onder invloed van de therapieën wat meer rust te zijn gekomen in het leven van de hoofdpersoon en ze leeft meer mindfull in het hier en nu. De echte reden daarvoor wordt pas helemaal aan het einde van het boek duidelijk.

    Origineel maar vervreemdend

    1000 kronkelwegen angst is zowel een zeer originele als een vervreemdende roman over de tijd waarin we nu leven. Olivia Wenzel is er de kunstenaar niet naar om platgetreden literaire paadjes te bewandelen. Het wemelt in het boek van bijzondere metaforen over bijvoorbeeld schildpadden en snoepautomaten, maar het is binnen de veelheid van verhaallijntjes en gedachtegangen lastig om ze te kunnen volgen en plaatsen. Het is duidelijk dat ze een scherp oog heeft voor de huidige tijd en dat ze op een vernieuwende manier thema’s als racisme, privilege en afkomst wil aansnijden. De verwarring van het hoofdpersonage is tastbaar en de talloze vragen die zij stelt en die haar gesteld worden zetten ook de lezer aan het denken. Het vraagt echter veel van de lezer om de duizend kronkelwegen die bewandeld worden ook allemaal te volgen.