• Oogst week 7 — 2026

    Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis

    In Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis bespreekt Alicja Gescinska tien toonaangevende vrouwen in tien biografische portretten. Rosa Luxemburg, Anna Achmatova, Edith Stein, Hannah Arendt, Martha Gellhorn, Simone Weil, Jeanne Hersch, Etty Hillesum, Barbara Skarga en Judith Shklar. Vrouwen die streden tegen onderdrukking, tegen de ontmenselijking en vernietigingsdrang van de twintigste eeuw. Veel van hen werden vervolgd voor hun daden van verzet: ze stierven in kampen of leefden in ballingschap.

    Alicja Gescinska (1981) is een Pools-Belgische filosoof en schrijver. Ze werd geboren in Warschau en vluchtte op zevenjarige leeftijd naar België. Daar groeide ze, na een kort verblijf in een asielcentrum in Brussel, op in het Oost-Vlaamse dorp Lede. Gescinska studeerde Moreelwetenschappen en promoveerde in 2012 tot Doctor in de Wijsbegeerte aan de Universiteit Gent. Sindsdien werkt ze als onderzoeker, docent en schrijver. Ze schrijft zowel fictie als non-fictie en in 2017 won ze de Debuutprijs voor haar roman Een soort van liefde. Vrouwen in duistere tijden is haar meest recente boek. 

    Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis
    Auteur: Alicja Gescinska
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Moet dwalen

    Isi Witlamm snakt naar romantische liefde, naar eeuwige zelfs. Een allesbepalend en misschien wat gevaarlijk verlangen. Want wat kun je redelijkerwijs van het leven verwachten? In Moet dwalen laat Charlotte Mutsaers hem, de titel zegt het al, dan ook hopeloos verdwalen. Met zijn visie van eeuwige liefde als baken blijft Isi geloven dat hij de weg weer zal vinden. Wellicht tevergeefs.

    Charlotte Mutsaers (1942) is beeldend kunstenaar en schrijver. Ze studeerde Nederlands, werkte als docent en volgde de avondopleiding tekenen en schilderen aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (sinds 1968 Gerrit Rietveld Academie). Sinds de jaren tachtig verschenen er veel romans, verhalen, poëzie en essaybundels van haar hand. Haar werk werd genomineerd voor alle grote literaire prijzen, waarvan ze onder andere de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs ontving.

    Moet dwalen
    Auteur: Charlotte Mutsaers

    Uitgeverij: Prometheus

    Meester van de trommels


    In Meester van de trommels laat José Eduardo Agualusa zijn personage Leila Pinto het liefdesverhaal van haar grootouders vertellen. Dit verhaal, over Jan en Lucrécia, is verweven met de geschiedenis van het Koninkrijk Bailundo en het hedendaagse Angola. Agualusa doet hiermee een alternatieve werkelijkheid uit de doeken: antikoloniaal en bedoeld om te laten zien hoe veelvormig de geschiedenis van een land kan zijn.

    José Eduardo Agualusa (1960) is een Angolese schrijver en columnist van Portugees-Braziliaanse afkomst. Hij studeerde landbouwkunde en bosbouw in Lissabon en woont momenteel op Ilha de Moçambique, waar hij werkt als schrijver en journalist. Zijn eerste boek, een roman, verscheen in 1989. Sindsdien publiceerde hij een groot aantal romans, korte verhalen en novelles. Agualusa won meerdere prijzen waaronder, in 2017, de International Dublin Literary Award. Zijn boeken werden vertaald in vijfentwintig talen.

    Meester van de trommels

    Auteur: José Eduardo Agualusa
    Uitgeverij: Koppernik
  • Horror in het alledaagse

    Horror in het alledaagse

    In Een zonnige plek voor sombere mensen van Mariana Enriquez ontstaat de horror door het onverklaarbare: geesten en andere bovennatuurlijke verschijnselen dringen het dagelijks leven van de personages binnen zonder dat er duidelijke oorzaak of logica is. In twaalf verhalen lopen persoonlijke trauma’s, sociale misstanden en bovennatuurlijke verstoringen steeds verder door elkaar heen, tot oorzaak en gevolg nauwelijks te onderscheiden zijn. Het angstaanjagende zit hem in de herkenbaarheid van de situaties: omstandigheden zoals armoede, sociale druk, uitsluiting en eenzaamheid vormen het kader waarin de dreiging langzaam voelbaar wordt.

    Dat is zichtbaar in de openingsverhalen, waarin armoede, geweld en sociale ontwrichting de basis vormen voor het bovennatuurlijke. De geesten die verschijnen, doen geen recht aan morele orde en komen vaak bij personages die nauwelijks iets verkeerds hebben gedaan. Juist die willekeur maakt het kwaad voelbaar en realistisch: het weerspiegelt een wereld waarin lijden zonder logica of rechtvaardigheid wordt verdeeld. Door het bovennatuurlijke zo te verbinden aan sociale ongelijkheid, doorbreekt Enriquez het klassieke horroridee dat angst uiteindelijk altijd betekenis, orde of vergelding onthult.

    Ondermijnd door lijden

    Ook in ogenschijnlijk gewone situaties laat Enriquez zien hoe het alledaagse ongemerkt wordt ondermijnd door lijden. In het verhaal over tweedehands kleding zijn jurken en sieraden geen actieve bedreigingen, maar dragers van pijn, ziekte en aftakeling van eerdere eigenaars. De dreiging zit niet in wat de kleding doet, maar in wat het meedraagt: de ervaringen van anderen drukken zich bijna tastbaar op de nieuwe drager af.

    Die stille overdracht maakt het verhaal verontrustend. De angst sluipt langzaam binnen en manifesteert zich in het lichaam: de kleding zit strak op de huid, veroorzaakt ongemak en confronteert de drager met andermans verlies. Enriquez laat zien dat consumptie nooit volledig onschuldig is; wie iets overneemt, neemt ook sporen van een ander leven mee. Het vertrouwde alledaagse verliest zijn neutraliteit en verandert in een bron van spanning en ongemak.

    Diezelfde strategie keert terug in verhalen waarin ruimtes centraal staan: vervallen buurten, afgelegen kustplaatsen of kleine steden met een beladen verleden. Enriquez laat deze plekken niet enkel als decor functioneren, maar als actieve krachten die gedrag en ervaringen sturen. Personages raken verstrikt in een omgeving die herinneringen bewaart en eerdere vormen van geweld reproduceert, waardoor het verleden letterlijk op hen terugvalt. Het bovennatuurlijke manifesteert zich hier als ruimtelijk geheugen. Gebeurtenissen en trauma’s laten zich niet begraven en dwingen confrontatie van wie er nu leeft. Zo toont Enriquez hoe omgeving, geschiedenis en collectief lijden onlosmakelijk verbonden zijn, en hoe horror ontstaat uit de invloed van plaats op mensen.

    Waar komt het kwaad vandaan?

    Thematisch richt de bundel zich op marginaliteit en lichamelijkheid. In verschillende verhalen koppelt Enriquez psychische instabiliteit aan fysieke aftakeling of transformatie, zonder dit volledig te verklaren. In een opvallend verhaal moet een vrouw een vleesboom laten verwijderen voordat deze mogelijk tot kanker uitgroeit, maar ze vindt een manier om het lichaamselement elders voor zichzelf te gebruiken, waardoor ze opnieuw verbinding voelt met haar lichaam. Soms blijft onduidelijk of ervaringen voortkomen uit ziekte, trauma of een externe, bovennatuurlijke kracht. Door deze ambiguïteit te behouden, dwingt Enriquez de lezer beide mogelijkheden naast elkaar te laten bestaan, waardoor de spanning verschuift van directe angst naar onzekerheid over lichaam en kwetsbaarheid zelf.

    Die openheid vormt tegelijk de kracht en een mogelijke zwakte van de bundel. Veel verhalen eindigen abrupt, op het moment dat een verklaring lijkt te naderen. In de sterkste verhalen, bijvoorbeeld wanneer een personage een ondefinieerbare dreiging voelt, versterkt dit het besef dat kwaad structureel en niet tijdelijk is. In andere verhalen blijft de techniek minder overtuigend, waardoor sommige intrigerende ideeën onvolledig blijven en de lezer eerder gefrustreerd dan geïntrigeerd achterblijft.

    Herhaling of versterking van haar stijl?

    Door de bundel heen blijft de spanning voelbaar. Terugkerende motieven, zoals geesten van vergeten doden, gewelddadige sociale omgevingen, lichamelijke ontregeling, folklore en spiritisme, scheppen interne samenhang, maar kunnen soms het gevoel van herhaling geven. Verhalen volgen vaak een beweging van realisme naar ontregeling, waarbij niet elk verhaal een nieuwe dimensie toevoegt.

    Stilistisch overtuigt Enriquez. Haar proza is zintuiglijk en doelgericht; ze besteedt veel aandacht aan tastzin, geur en lichamelijk ongemak. Zo blijft maatschappelijke thematiek concreet. Armoede, geweld en uitsluiting zijn voelbaar, bijvoorbeeld in de aftakeling van een veel te jonge vrouw. Horrorscènes functioneren als analyse van een gewelddadige en arme samenleving, niet als ontsnapping aan de werkelijkheid.

    Een zonnige plek voor sombere mensen is geen gemakkelijk toegankelijke bundel. Wie enkel schokkende horror verwacht, kan teleurgesteld raken. Wie echter bereid is ambiguïteit te accepteren en herhaling als stilistische keuze te zien, ontdekt een bundel die consequent en compromisloos een somber portret van de wereld schetst. Hier is kwaad geen uitzondering, maar een toestand. Dat maakt de verhalen ongemakkelijk en onvergetelijk.

  • Hoe lang houdt de schaamte aan?

    Hoe lang houdt de schaamte aan?

    De moeder van journalist, columnist, econoom en schrijver Sheila Sitalsing (1968) deed aan ‘zwijgen door te spreken. Ze kwebbelde onschuldige oorlogsanekdotes aan elkaar tot een lange woordenslinger die ze om haar geheim heen wikkelde, tot er niets meer van te zien was.’ Wat dat geheim precies was ontdekken haar dochters pas na haar dood, in een nagelaten schrijven. De opa van Sheila Sitalsing, Sjarrel, blijkt ‘fout’ te zijn geweest in de Tweede Wereldoorlog. Daarover is in het gezin nooit gesproken; zelfs de vader van Sitalsing is nooit op de hoogte gebracht van het verleden van zijn schoonvader. Het resultaat van de zoektocht die Sheila Sitalsing vervolgens ondernam is de inhoud van haar nieuwe non-fictieboek Waar ik me voor schaam. Op de voorkant staat een foto van haar moeder. Ze is ongeveer tien jaar oud en lid van de Jeugdstorm, een organisatie die zeer nauwe banden had met de NSB.

    De vragen die het nagelaten schrijven oproepen zijn enorm invoelbaar. Waarom zou iemand bijvoorbeeld jarenlang zwijgen over zo’n groot en gevoelig geheim? Waar moet je beginnen om dat te begrijpen en wat kun je doen om het zwijgen te doorbreken? Het besef dringt zich op dat er inmiddels zeer veel mensen moeten rondlopen die in meer of mindere mate verwant zijn aan een ‘foute’ voorouder. De vorm van het boek is daarom een soort instructieboek, met elf ‘wenken’ hoe je zou kunnen omgaan met die kennis. Dat klinkt wat saai en zakelijk, maar dat is het allerminst. Iedere wenk begint met een bepaald principe dat vervolgens door een kleine toevoeging iets lichts krijgt. Neem bijvoorbeeld de vierde wenk: wees mild voor de gebutsten (we zijn allemaal verkreukeld).

    Bruine dozen

    De zoektocht naar het verleden van haar opa begint voor Sheila Sitalsing in de bruine dozen van het Nationaal Archief. Ze onthullen een aantal belangrijke feiten, bijvoorbeeld dat opa Sjarrel en oma Tootje vanaf 1935 lid waren van de NSB, dat opa een redelijk hoge positie binnen die partij had weten te bemachtigen en dat hij na de oorlog lang gevangen heeft gezeten. Toen was hij inmiddels gescheiden van zijn vrouw. Oma Tootje heeft een poosje vastgezeten in Westerbork (haar dochter woonde toen tijdelijk bij een oma) en heeft na haar vrijlating tien jaar niet mogen stemmen. Naast antwoorden op een aantal vragen blijkt ook dat uiteraard lang niet alles in de bruine dozen terug te vinden is. Waarom haar opa altijd een ‘groot Jodenhater’ (in de nagelaten woorden van haar moeder) geweest is, kan niet worden achterhaald.

    De schaamte waar in de titel van het boek sprake van is, kleeft zoals gezegd mogelijk ook aan andere nazaten van de ongeveer vierhonderdduizend (!) mensen naar wie na de Tweede Wereldoorlog onderzoek is gedaan over mogelijke collaboratie. ‘Het idee dat nakomelingen of verwanten van daders ook een soort daders zijn, blijft terugkeren bij het bekend worden van nieuwe daders en nieuwe verwanten met een hardnekkigheid die verwondert.’ Kinderen van collaborateurs hebben vaak een nare jeugd gehad, doordat ze sociaal uitgesloten werden, gepest werden op school, of uit huis werden geplaatst. Kinderen van NSB’ers lijden daarom soms ook aan trauma’s, vergelijkbaar met die van oorlogsslachtoffers, betoogt Sitalsing. Het punt is alleen dat er weinig aandacht is geweest voor deze groep, aan wie de schande van collaboratie generaties lang is blijven plakken. Eén van de twee motto’s van het boek luidt: ‘Het is wat om kind van ouders te zijn.’ (Pieter Coen Blom, psychiater.) De moeder van Sheila Sitalsing heeft dat beslist aan den lijve ondervonden; het heeft haar hele leven gekleurd.

    Lidmaatschap van de NSB

    De ‘wenk’ waarin beschreven wordt hoe opa Sjarrel is opgegroeid en waarin een mogelijke verklaring gezocht wordt voor zijn lidmaatschap van de NSB is een prettige onderbreking van de ‘wenken’ waarin het vooral gaat om het onderzoek, omdat het silhouet van de tot dan toe wat abstracte opa meer vorm krijgt. Iets verderop in het boek wordt in een andere ‘wenk’ ook ingezoomd op hoe het oma Tootje en opa Sjarrel is vergaan na de bevrijding. Deze biografische beschrijvingen zijn fijn om te lezen. Ze zijn invoelbaar en met compassie geschreven en tegelijkertijd is het overduidelijk dat Sitalsing ze niet inzet als een soort verzachtende omstandigheden.

    Midden in het boek bevindt zich een uitgebreide lijst met zaken ten aanzien van het verleden waarvoor Sheila Sitalsing zich schaamt. Ze schaamt zich ervoor dat ze de letter C in de opsommingslijst eigenlijk het ergst vond (‘Dat mijn moeder zich niet vertrouwd genoeg heeft gevoeld met haar eigen dochters om over haar echte oorlog te praten. Dat ze een lulverhaal heeft opgehangen. Dat de vertrouwelijkheid niet echt was.’), terwijl er bij de andere letters objectief gezien ergere zaken staan.

    Waar ik me voor schaam is rijk aan feiten en inzichten. Zo blijkt de Shoah pas twintig jaar na de bevrijding voor het eerst herdacht te worden op 4 mei. Aan het eind van het boek wordt ook aandacht besteed aan het digitaal openbaar maken van het Nationaal Archief en welke haken en ogen daaraan kunnen zitten voor nabestaanden van die vierhonderdduizend mensen naar wie onderzoek gedaan is. Tegelijkertijd is het fijn om te beseffen dat je als dit soort nabestaande niet de enige bent en blijkt er een Werkgroep Herkenning te bestaan die lotgenotencontact mogelijk maakt. Dat is belangrijk, want ongeveer een derde van de kinderen en een vijfde van de kleinkinderen blijkt ergens in hun leven in enige mate psychische of fysieke klachten te ontwikkelen die gerelateerd kunnen worden aan het collaboratieverleden van hun voorouders.

    De pubers

    Ondanks het gewicht van de thema’s die in het boek naar voren komen is Waar ik me voor schaam geen zwaar boek geworden. Dat komt niet alleen door de heldere, licht ironische stijl waarin het geschreven is, maar zeker ook door de blik die ‘de pubers’, de kinderen van Sitalsing (en dus de achterkleinkinderen van opa Sjarrel en oma Tootje) geregeld werpen op de gebeurtenissen uit het verleden. Het zwijgen van hun oma interpreteren zij niet als jokken. Zij zijn als TikTok- en Instagramgeneratie gewend aan ‘gefilterde werkelijkheden’ en kijken op een ontwapenende manier naar de zaken waar hun moeder zich voor schaamt en waar hun oma over zweeg. Misschien heeft een collaboratieverleden de afstand van enkele generaties nodig om de schaamte voorbij te geraken.

     

  • Idylle en beklemming in een tijdloos landschap

    Idylle en beklemming in een tijdloos landschap

    Het werk van de Italiaanse schrijfster Donatella Di Pietrantonio is diep verankerd in het Italië van de periferie, ver weg van de grote steden, in gemeenschappen waar de tijd niet rechtlijnig verloopt, maar rondcirkelt langs oude gewoonten, rituelen en trauma’s die generaties elkaar doorgeven. Sinds ze debuteerde in 2011 onderscheidt Di Pietrantonio zich door familiegeschiedenissen te verweven met het sociale weefsel van kleine dorpen. Haar nieuwe roman De kwetsbare tijd heeft als decor haar geboortegrond, de Abruzzen, een regio van ruige schoonheid en hardnekkige stilstand.

    Het landschap fungeert als personage op zichzelf. De heuvels zijn ruw en soms onherbergzaam, de valleien breed en stil, de dorpen gesloten en compact. Di Pietrantonio vangt ze in beelden die zowel idyllisch als beklemmend zijn. Het verleden is geen statisch decor maar een levende aanwezigheid, onophoudelijk voelbaar in het heden. Tegen deze achtergrond ontvouwt zich een verhaal over kwetsbaarheid in vele gedaanten: die van ouderdom, jeugd, van herinneringen, liefde, en van het onvermogen uit te spreken wat gezegd zou moeten worden.

    Twee ontwikkelingen in één verhaal

    Hoofdpersoon Lucia is een fysiotherapeute van middelbare leeftijd die haar leven in het dorp, met zijn beperkingen maar ook zijn rust, grotendeels heeft aanvaard. Dochter Amanda studeert in Milaan, een keuze die symbool staat voor ontsnapping en vernieuwing. Wanneer Amanda onverwacht terugkeert, gebeurt dat in een staat van stilzwijgen en apathie. De oorzaak van deze ommekeer wordt door moeder noch dochter benoemd, waardoor er vanaf het begin een sluier over het verhaal hangt.

    Ook op een ander front wordt Lucia’s leven opgeschud: haar vader, met wie zij een complexe relatie heeft, wil de familiecamping verkopen. Wat op het eerste gezicht slechts grond met toeristische waarde lijkt, draagt de last van een tragedie die diepe sporen heeft nagelaten in de familie en de gemeenschap. De terugkeer naar dit beladen verleden vormt een tweede verhaallijn, die samenloopt met Amanda’s komst. Het kruispunt van deze twee ontwikkelingen schept een subtiel spanningsveld.

    Variatie in stijl en toon

    Di Pietrantonio hanteert verschillende stijlen: de minimale, terughoudende passages laten stilte en spanning spreken, terwijl de poëtische beschrijvingen van landschap en omgeving een rijke, zintuiglijke ervaring bieden. Deze variatie verleent de roman meerstemmigheid en zorgt ervoor dat personages en emoties tot leven komen. Tegelijkertijd blijft veel emotie impliciet. De lezer wordt uitgenodigd tussen de regels te lezen en zelf verbanden te leggen.

    De uitwerking van de personages is genuanceerd. Lucia is vooral gelaagd in de passages over haar jeugd: kwetsbaar, innemend en overtuigend. In het heden blijven haar emoties vaker impliciet, zeker in relatie tot Amanda en de dreigende verkoop van de camping. Amanda zelf blijft grotendeels gesloten. Haar innerlijke wereld blijft ontoegankelijk, en haar aanwezigheid krijgt vooral gewicht door handelingen en gebaren. Een scherp constrast vormt Lucia’s vader: hij leeft in het verleden, past zich niet aan en weerspiegelt zo de hardnekkige stilstand die het dorp en de familie kenmerken. 

    Het gewicht van verleden en gemeenschap

    De roman overtuigt volledig in de beschrijving van de oudere generatie en de nasleep van de tragedie rond de familiecamping. Eén gebeurtenis, zo laat Di Pietrantonio zien, tekent de direct betrokkenen maar nestelt zich ook in het collectieve geheugen van de gemeenschap. Met enkele scènes maakt ze de emotionele impact voelbaar, en dan niet door spectaculaire details maar een stilte die zwaarder weegt dan woorden.

    In haar landschapsbeschrijvingen wekt Di Pietrantino met zintuiglijke precisie en zonder clichés de Abruzzen tot leven: de zon die traag over de valleien glijdt, de geur van vers gemaaid gras, wind die door de bomen ruist. Poëtische momenten contrasteren met de strakke toon van de vader-dochterrelatie, en versterken zo de spanning tussen uiterlijke schoonheid en innerlijke complexiteit.

    Gebaren en onuitgesproken woorden

    De relatie tussen Lucia en Amanda bereikt bij vlagen een indringende scherpte, vooral in scènes waarin gebaren alles zeggen. Wanneer Lucia haar dochter observeert terwijl die haar kamer ordent, voel je afstand en onbegrip naast een stille verwachting. Zulke momenten tonen Di Pietrantonio’s inzicht in familiebanden: liefde en afstandelijkheid hoeven elkaar niet uit te sluiten, maar kunnen vlak naast elkaar bestaan.

    De titel van de roman, het centrale idee van de kwetsbare tijd – dat ieder mens blootstaat aan risico’s en emotionele breekbaarheid -, is krachtig en universeel. Het zou als motto kunnen dienen van het oeuvre van deze auteur, waarin kwetsbaarheid nooit louter zwakte is, maar een verbindende menselijke conditie.
    De kwetsbare tijd is een subtiel spel van stijlen, van terughoudende passages bij innerlijke spanning, poëtische landschapsbeschrijvingen die emotionele diepte en sfeer brengen. Met zulke tegenstellingen kan Di Pietrantonio de complexiteit van familie, herinnering en kwetsbaarheid verbeelden. Wat het meest blijft hangen, is niet alleen het tijdloze landschap van de Abruzzen, maar ook het besef dat menselijke breekbaarheid en stiltes even waardevol kunnen zijn als woorden en actie.

     

  • Oogst week 25 – 2025

    Waar ik me voor schaam — Over zwijgen en het doorgeven van schuld

    Sinds januari 2025 mogen burgers zelf onderzoek doen in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). Dit betekent dat veel informatie over mensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben gecollaboreerd met de Duitsers voor het eerst naar buiten komt. In Waar ik me voor schaam onderzoekt Sheila Sitalsing de werking van schaamte die van generatie op generatie wordt doorgegeven en de aantrekkingskracht van totalitair gedachtengoed. Haar moeder bleef tot haar dood zwijgen over een deel van hun familiegeschiedenis. Ook onderzoekt Sitalsing, nu het fascisme in Nederland dichterbij lijkt (of is?) dan het sinds de jaren veertig is geweest, de gelijkenissen met de situatie toen.

    Sheila Sitalsing (1968) is journalist, schrijver en econoom. Ze werkte als verslaggever, redacteur en chef redactie voor verschillende bladen en kranten en schreef gedurende elf jaar een column voor de Volkskrant. In 2013 won ze voor die columns de Heldringprijs voor beste columnist van Nederland. In 2024 ontving ze een eredoctoraat van de Universiteit voor Humanistiek voor haar bijdrage aan het maatschappelijk debat. Ze schreef een politieke biografie over Mark Rutte en haar columns over coronajaar 2020 verschenen gebundeld in Dagboek van een krankzinnig jaar.

    Waar ik me voor schaam — Over zwijgen en het doorgeven van schuld
    Auteur: Sheila Sitalsing
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Een familiekwestie


    In Een familiekwestie beschrijft Claire Lynch de strijd van lesbische moeders in het Verenigd Koninkrijk die in de jaren tachtig en negentig massaal de voogdij over hun kinderen werd ontnomen. Lynch stelt het discriminerende rechtssysteem dat daaraan ten grondslag lag aan de orde en geeft de menselijke gevolgen van gerechtelijke uitspraken en de maatschappelijke gevolgen een gezicht. Toch gaat het boek niet over slachtoffers, het gaat vooral over zij die streden voor gelijkheid in een samenleving die hen die onthield.

    Claire Lynch (1981) is hoogleraar Engels en Creatief Schrijven aan de Brunel Universiteit in Londen. Ze verscheen in verschillende podcasts en in 2021 kwam haar memoire Small: On Motherhoods uit, die gaat over de gecompliceerde weg die zij en haar vrouwelijke partner moesten afleggen om drie kinderen te krijgen. Een familiekwestie is haar romandebuut.

    Een familiekwestie

    Auteur: Claire Lynch
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Het goede kwaad

    In Het goede kwaad vertelt Samanta Schweblin verhalen over de breekbaarheid van dat waar wij het meest om geven. Over een vader die zijn verdriet niet met zijn zoon kan delen na een ongeluk dat hij door onoplettendheid niet heeft weten te voorkomen. Over een moeder die wacht op een dochter die zal terugkeren. Over een vrouw die levensmoe is, maar zich vanuit haar rol genoodzaakt ziet door te gaan. Deze vertaling volgt op de vertaling van nog twee verhalenbundels van Schweblin: Mond vol vogels (2023) en Zeven lege huizen (2022). 

    Samanta Schweblin (1978) is een Argentijnse schrijver die momenteel in Berlijn woont. Ze heeft drie verhalenbundel gepubliceerd, een novelle en een roman en haar verhalen zijn verschenen in tijdschriften zoals The New Yorker en The Paris Review. Ze werd genomineerd voor verschillende prijzen, stond op longlists en shortlists, en won er ook een aantal, waaronder in 2022 de National Book Award for Translated Literature voor Zeven lege huizen. 

    Het goede kwaad
    Auteur: Samanta Schweblin

    Uitgeverij: Meridiaan Uitgevers

  • Oogst week 23 – 2025

    De weg

    In de serie Kritische Klassieken publiceert Uitgeverij Schokland na De Slag nu De weg van de Spaanse journalist, radiomaker en schrijver Arturo Barea (1897 –1957), in een vertaling van Mia Buursma. Tijdens zijn dienstplicht in Ceuta en Marokko was Barea ooggetuige van de verschrikkingen in De Spaanse oorlog in Marokko.

    Vlak na de Eerste Wereldoorlog had Spanje het protectoraat over Spaans Marokko, een brede strook rond het Rifgebergte en een smalle strook in het Zuiden van het huidige Marokko. Voor Spanje was het van levensbelang om daar de regie te behouden en jonge dienstplichtige mannen werden erheen gestuurd om te vechten tegen het in opstand gekomen Riffijnse rebellenleger onder leiding van de legendarische Abd El-krim. Tussen hen bevond zich de jonge Spanjaard Arturo Barea die van 1920 tot 1923 in Marokko verbleef.

    Barea wordt al snel bevorderd tot sergeant, waardoor hij niet meer tot de gewone dienstplichtige soldaten behoort, maar ook niet tot de geprivilegieerde klasse van hoge officieren. Dankzij deze positie is hij wel getuige van het door en door corrupte Spaanse leger waar onrecht, omkoping, geweld en machtsmisbruik aan de orde van de dag zijn. Het slecht georganiseerde leger lijdt bloedige en verpletterende nederlagen in de Slag bij Annual en bij Melilla, waarbij honderdduizenden soldaten omkomen. Al snel rijst bij hem het besef dat hij meevecht in een volstrekt zinloze koloniale oorlog en krijgt hij voorgoed zijn bekomst van het leger en het kolonialisme.

    Ondertussen is er op het Spaanse vasteland ook al jaren sprake van politieke chaos, met onmachtige regeringen die elkaar voortdurend opvolgen. Als Barea in 1923 afzwaait, pleegt generaal Primo de Rivera een succesvolle staatsgreep, terwijl ook elders in Europa duistere machten hun schaduw vooruitwerpen.

    Barea neemt geen blad voor de mond en net als in De slag toont hij zich in De weg een vlijmscherp waarnemer van het leven van de gewone soldaten en de officieren. Francisco Franco, de latere Spaanse dictator, is één van hen. Hij zal deze koloniale ervaring later gebruiken om in 1936 in opstand te komen tegen de Spaanse Republiek. De militaire exercitie in Marokko is daarmee niets meer en niets minder dan de opmaat tot de Spaanse Burgeroorlog en de tot 1975 durende dictatuur van Franco.

     

    De weg
    Auteur: Arturo Barea Ogazón
    Uitgeverij: Uitgeverij Schokland, Kritische Klassieken 24

    Sjees en paella

    De roman Sjees en Paella van de Spaanse veelschrijver Vicente Blasco Ibañez  (1867 – 1928) verscheen in 1894 in het Spaans als Arroz y tartana en is nu door Nobelman opnieuw uitgegeven in de vertaling van Frans Oosterholt. Het is een realistische roman over het booming Valencia van de tweede helft van de negentiende eeuw.

    Het hart van de roman wordt gevormd door een stoffenzaak die in 1832 wordt opgericht door een arme immigrant uit Aragon, Don Eugenio. De lezer wordt meegenomen naar het begin, vervolgens de glorietijd, en ten slotte de ondergang van deze winkel doordat de laatste eigenaar zijn hand overspeelt op de beurs.

    De weduwe Manuela Peña trouwt met haar jeugdliefde, de charlatan Rafael Pajares, die weldra het fortuin van haar eerste echtgenoot erdoor jaagt. Als ook hij overlijdt, na een leven vol uitspattingen, blijft Manuela alleen achter met haar twee zonen en twee dochters. Wanneer de laatsten de huwbare leeftijd bereiken, zet hun moeder alles op alles om de high society van Valencia ervan te overtuigen dat ze de begeerlijkste prijsdieren op de huwelijksmarkt zijn.
    Maar dan slaat het noodlot toe. Brillante, het dappere paard dat de sjees van de familie trekt, gaat plotseling dood. Geld voor een nieuw paard heeft Manuela niet, maar haar dochters kunnen zich niet in hoge kringen van Valencia vertonen zonder rijtuig. Wat nu?

    Vicente Blasco Ibáñez kwam uit een arm immigrantenfamilie uit Aragon. Hij werkte zich uit het milieu van kleine middenstanders in Valencia op tot een populaire en wereldvermaarde veelschrijver en invloedrijk politicus. Deze veelschrijver publiceerde verhalenbundels, historische romans, sociale, psychologische en avonturenromans en reisverhalen.

    Sjees en paella
    Auteur: Vicente Blasco Ibañez
    Uitgeverij: Uitgeverij Nobelman

    De kwetsbare tijd

    Donatella Di Pietrantonio won met L’età fragile de belangrijkste Italiaanse literatuurprijs, de Premio Strega 2024. Nu is de Nederlandse vertaling van Hilda Schraa, De kwetsbare tijd verschenen. Lucia’s dochter Amanda keert terug uit Milaan, waar ze studeert. Lucia is verontrust, want het lijkt alsof Amanda alleen maar wil verdwijnen: ze sluit zich op in haar kamer en wil met niemand praten. Lucia heeft haar dochter altijd voor alles willen behoeden, maar nu kijkt ze hulpeloos toe. Er moet in Milaan iets afschuwelijks zijn voorgevallen, want het licht is uit Amanda’s ogen verdwenen.

    Tegelijkertijd ruziet Lucia met haar oude vader over de verkoop van hun verlaten familiecamping in de bergen. Dertig jaar geleden heeft daar een tragedie plaatsgevonden waardoor de camping is gesloten, en Lucia voorgoed naar de kust is verhuisd. Klemgezet tussen haar koppige vader en haar zwijgzame dochter moet Lucia onder ogen komen dat dit de onherstelbare wonden zijn die je oploopt in het leven.

    Donatella Di Pietrantonio (1962) werd in Arsita in Italië geboren. Ze schreef eerder de zeer goed ontvangen romans Teruggeworpen en Mijn zusje en de zee. Romans voor liefhebbers van Elena Ferrante.

    De kwetsbare tijd
    Auteur: Donatella Di Pietrantonio
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Vrijheid is ongrijpbaar als lucht en net zo onmisbaar

    Vrijheid is ongrijpbaar als lucht en net zo onmisbaar

    Dat de wereld zich uitgerekend tachtig jaar na het einde van WOII in een hachelijke situatie bevindt, is van een ironie die zelfs de Griekse goden niet hadden kunnen bedenken. De vrijheid die op 5 mei dit jaar gevierd wordt en die aanleiding was tot het samenstellen van Stip op de horizon, is daarmee allesbehalve eenduidig en eenvoudig geworden. Zoals de meeste abstracte begrippen laat vrijheid zich gemakkelijker omschrijven in negatieve dan in positieve zin door op te sommen wat het allemaal niet is. Daarvan hebben de meeste mensen desgevraagd redelijk snel een definitie klaar. De dichters in deze bundel zijn opmerkelijk lang van stof, en dan nog wordt er vaak geëindigd in iets vaags, een voorlopige conclusie, een werkhypothese, voor zolang het duurt.

    Wat het niet is

    Ongeacht de voorlopigheid zijn de omschrijvingen van vrijheid talrijk en veelkleurig. Voor de een is vrijheid het ontbreken van dwang, belemmering, gevangenschap; voor de ander is het vrij zijn van honger, armoede, tekort. Weer een ander verstaat vrijheid als ruimte om te zijn wie men wil zijn, niet beperkt of ingevuld door regels en verwachtingen waaraan moet worden voldaan. Soms is vrijheid simpelweg een dag waarop niets moet, zoals in ‘Zondag’ van Sophia Blyden. ‘(…) dagen waarop de boeken lonken in de kast, er tijd / is om gedichten te lezen, de wijnglazen van gister / nog op tafel … de lp-speler / overuren maakt en we dansen, de bank langzaam / verslijt, druppels op het dakraam, het enige wat ik / wil doen is niets( …)’

    Bibi Dumon Tak beschrijft vrijheid gezien door de ogen van een kalf. ‘(…) wij tweetenen / werden opnieuw bijeengedreven / en we voelden de wind in onze haren de zon / onderweg / de geur van gras die in onze neuzen drong / we knepen met onze ogen we strekten bij aankomst onze poten / voor de eerste keer / en waren voor heel even / uitbundig jong.’

    Die veelkleurige ideeën en invullingen vinden we terug in de gedichten van tachtig Nederlandstalige dichters. Om niet in de valkuil te trappen een orde van belangrijkheid te moeten aanbrengen – welke invalshoek heeft prioriteit, welke thematiek de meeste urgentie – is er alfabetisch gerangschikt. Juist dat doet de veelkleurigheid des te sterker uitkomen, omdat er geen chronologie of senioriteit is die de thematiek bepaalt: Tweede Wereldoorlog, de ‘vrije’ jaren zestig, de dichters die vanaf de jaren negentig in Nederland een veilig heenkomen zochten en hier een nieuw leven opbouwden.

    Hoe vrij is vrijheid eigenlijk

    Vanuit al die hoeken en windrichtingen worden ervaringen aangedragen die stuk voor stuk vertellen over wat vrijheid betekent zonder afbreuk te doen aan de beleving van een ander die, als een lichtstraal op een prisma, weer een ander aspect doet oplichten. Wie enigszins thuis is in de Nederlandse poëzie, herkent de unieke stijlkenmerken van deze of gene. Of de toon, de vorm, woordkeus, gedichten met een heldere cadans, of bijna als proza neergeschreven.

    Terecht merkt Stella Bergsma op dat gedichten over vrijheid tralies zijn voor dichters. ‘ieder jaar weer / rond dezelfde tijd / mag je je hok uit / metaforen smijtend / over het blad razen // ieder jaar de zinnen uit de dwangbuis / laten galopperen / zich te buiten buitelen / (…)’
    Want zo vrijblijvend en vanzelfsprekend is vrijheid niet als ze op gezette tijden en binnen strakke kaders moet worden bezongen. Als een dier dat even uit zijn hok mag. Het is niet iedereen gegeven om onder die druk werkelijk iets nieuws en geïnspireerds tot stand te brengen.

    Toch geeft dit thema een breed palet aan pennenvruchten te zien omdat elk vogeltje nu eenmaal zingt zoals het gebekt is. En omdat elk van de deelnemende dichters zingt vanuit een eigen culturele achtergrond en met een eigen geschiedenis, of dat nu de persoonlijke geschiedenis is, of geschiedenis zoals geleerd op school. Die is er hoe dan ook altijd.

    Herinnering aan vrijheid

    Opmerkelijk vaak gaat het over herinneringen. Een moeder die haar zoon niet wil belasten met de herinnering aan de dictatuur waaruit zij is gevlucht, om hem de kans te geven een nieuw leven te kunnen leven. Of omgekeerd, de herinnering aan vrijheid koesteren als een visioen, als een baken om op te koersen. En om het besef levend te houden hoe kostbaar die vrijheid is, en kwetsbaar ook. Noch de geschiedenis, noch de herinnering blijkt een gaaf, afgerond geheel, maar altijd rafelig, en pijnlijk onvoltooid. Zoals in ‘Aardse ochtend’ van Jan Backe.

    ‘Net zoals in het stilstaan, wat ik ben er nog betekent
    als één van hen, een onbekende getuige, een dader, overlever

    die toevallige waarheid, die op dezelfde manier bestond
    als die hele geschiedenis voordat ze geschiedenis werd.

    Zoals mededogers in gedachten, tegen de deur van een heldere nacht
    een aardse nacht, de mensen die zijn weggegooid, die ontbreken.

    Er is geen neutrale of heldere nacht, er is een aardse ochtend
    een afwezige ochtend, het verdriet van verdunde families.
    Kijken naar de mensen die er dan zijn, dan weer niet
    die in het verleden worden vrijgelaten

    die de omtrek van het slachtoffer moeten bewijzen
    de omtrek van het slachtoffer dat er niet had moeten zijn –

    en de sterren die er nog zijn, staan aan de hemel die er ooit was
    verlichten het speelgoed en de familiefoto op het dressoir

    dat er niet meer is in het huis dat er ooit was, een foto
    zonder zwaartekracht, de verwaaide zwarte rook en het puin

    van een huis zonder zwaartekracht, de stilte
    van de stad zonder stad, in een leegte die altijd al stilte was.’

    Een taak die nooit af is

    Reeds in de opzet van deze bundel gaat het om vrijheid tegenover de bezetting die eraan vooraf ging. Ergens in die reeks elkaar opvolgende gebeurtenissen zit het kantelpunt waar onvrijheid overgaat in vrijheid. Al die momenten van voor, tijdens en na dat kantelpunt worden door de diverse dichters op indringende wijze beschreven. Door Rosa Schogt bijvoorbeeld:

    ‘En na het verzet kwam daar de vrijheid aangelopen, maar / we aarzelden: was zij het echt? Zo hadden wij haar / niet bedacht, ze zou toch in een mooie jurk, / met blossen op haar wangen komen? We hadden het idee / van haar toch al die tijd gevoed, hoe kwam ze dan / zo mager en zo stil?’

    Eerst een ideaal, een verlangen dat aanzette tot verzet, nu een realiteit die moet worden vormgegeven want de steden liggen in puin. Er moet hersteld worden, aan materie èn aan mensen. Terecht merkt Anna Enquist op dat vrede makkelijker hanteerbaar en voorstelbaar is dan vrijheid. Vanwege de rust die vrede brengt; vanwege de strijd die vrijheid vraagt. Verantwoordelijkheid ook om die kwetsbare vrijheid te behoeden, om tot een consensus te komen over hoe en wat en vooral wie. Uiteindelijk gaat het om de ruimte die de ene mens bereid is aan de ander te geven, zoals Vrouwkje Tuinman beschrijft in ‘Opstelling’:

    ‘Het gaat tussen mensen die om zich heenkijken en degenen die
    alleen zichzelf zien.
    Dat laatste klinkt negatief, maar kan gunstig zijn: zij zijn het die
    hun vierkante meter steeds groter maken en de rest moet daarom
    opzij. …

    Tussen de hoge heren die de rest een beetje lopen te regeren, en
    de rest. En dan zijn er nog hen, hun, hullie die zich niet ophouden
    in de uitersten, maar ergens in de grijswaarden schuilen. …

    Je hebt degenen die kiezen, en degene die als laatste gekozen
    wordt, wat geen kiezen is, maar een verlies. Het gaat tussen mij en jou.’

     

     

  • Oogst week 7 – 2025

    Oogst week 7 – 2025

    Postkamer

    Ingmar Heytze (1970) schrijft brieven in zijn nieuwe bundel Postkamer. De dichter richt zich tot alle mogelijke wezens, dingen en begrippen. Het resultaat is een verzameling brieven in dichtvorm aan de mist, presentatoren, het stotteren, halfvergeten feestdagen, dasspeldmicrofoons en zo verder. Zelden kroop een dichter in één bundel in zoveel verschillende huiden, want wie je een brief schrijft ben je zelf. Het resultaat is een even breed als bont brievenboek in gedichten; Postkamer is de meesterproef van een van de vitaalste dichters van Nederland. Echtgenote en dochters spelen een prominente rol in zijn gedichten, evenals het dagelijkse leven, de dood en het kleine geluk.

    Heytze begon met dichten toen hij vijftien was. Zijn debuut De allesvrezer dateert van 1997 en sindsdien heeft hij een groot aantal dichtbundels gepubliceerd en enkele prozawerken. Bovendien was hij sportcolumnist, is medewerker van de Eenzame Uitvaart en trad op een een band. In 2009 werd hij de eerste officiële stadsdichter van Utrecht. Hij kreeg in 2008 de C.C.S. Croneprijs toegekend, de literatuurprijs van de stad Utrecht voor zijn gehele oeuvre, en in 2016 de Maartenspenning.

    ‘Ik denk wel dat ik van je hou, regen,
     omdat je nu al zolang valt en niemand
     raapt je op. Het stormt vandaag. Zojuist
     veranderde je mijn geschminkte dochters

     in verlopen clowns. Ze huilden, ze begrepen niet
     wat voor geschenk je bent geweest, de avond
     dat hun moeder maar bleef slapen
     toen jij viel en viel en viel

     tot na de laatste trein.

    Uit: Liefdesbrief

     

     

    Postkamer
    Auteur: Ingmar Heytze
    Uitgeverij: Van Oorschot

    De weg naar huis

    Juliën Holtrigter (1946), pseudoniem van Henk van Loenen) is dichter en schilder. Tot 2007 was hij leraar Beeldende Vorming in het middelbaar onderwijs. Hij publiceerde gedichten in Maatstaf, Tirade, Liter, Awater en de Poëziekrant en debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij Mozaïek. Daarna volgden zes dichtbundels die in toenemende mate getuigen van zijn melancholie, zijn hang naar mystiek en zijn gevoel voor humor en ironie, samengebracht in lucide, beeldrijke taal die bij het lezen meteen beelden oproept. Gedichten van hem werden in meerdere bloemlezingen opgenomen.

    In De weg naar huis schrijft Juliën Holtrigter met humor en zelfspot over zijn dagelijks leven. Met verwondering maar ook met steeds meer verbijstering kijkt hij naar de wereld. Daarbij refereert hij aan Bijbelse figuren: ‘We hebben de dromer verkocht, onze zakken gevuld, wat smerig is noemen we schoon, we stelen, verhullen, misbruiken.’ Jeugdherinneringen moeten de dolende dichter thuisbrengen, maar de weg daarnaartoe zit vol gaten.

    ‘Van alles wat je onthoudt weet je dat het voorbij is,
     vergeeld, achterhaald. Wat je vergeet kom je
     onverwacht tegen: de donkere kant van jezelf.

     Schrijf het allemaal op voordat het verdwijnt.
     Wat al staat geschreven, heeft plaatsgevonden:
     in een stad, in een straat, in je hoofd.’

    Uit: Wat geschreven staat

     

    De weg naar huis
    Auteur: Juliën Holtrigter
    Uitgeverij: De Harmonie

    René Huigen

    In Noem mij David biedt René Huigen aan de meest uiteenlopende personen een podium, waaronder de Chinese dichter Yu Jian en John Milton. Ook klinken het lied van de o’O, de uitgestorven honingvogel, en de stem van David, niet de Bijbelse koning met zijn lier, maar het standbeeld dat Michelangelo van hem maakte. Verlangen naar onsterfelijkheid als opstap naar het tegendeel, zo worden we aangeraakt door het paradoxale bewustzijn dat in de bundel tussen de regels waart. De toon van de gedichten van Huigen zijn wisselend: soms grappig, soms anekdotisch, af en toe filosofisch, bespiegelend of ernstig.

    René Huigen (1962) is naast dichter ook romancier en in de jaren negentig doceerde hij aan de Schrijversvakschool ’t Colofon Amsterdam poëzie en proza. In 1999 doceerde hij poëzie aan de universiteit van Michigan. Hij maakte oorspronkelijk deel uit van de groep De Maximalen, maar verliet deze al snel. Hij concentreerde zich steeds meer op de vraag wat poëzie eigenlijk is en waarom poëzie betekenis heeft.

    Tussen 2013 en 2019 verscheen het poëtisch drieluik Steven!, in 2021 gevolgd door de roman De man die alles zag. De bundel Geen muziek & geen mysterie (2003) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs.



    René Huigen
    Auteur: Noem mij David
    Uitgeverij: De Bezige Bij
  • Jonathan Coe blaast klassieke thrillergenre nieuw leven in

    Jonathan Coe blaast klassieke thrillergenre nieuw leven in

    Niet alleen Britten zijn dol op hun ‘knusse’ detectiveverhalen, die toevalligerwijze vaak rond de kerst of oud en nieuw spelen. Historische periode vaak het interbellum of de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog. Locatie meestal een lieflijk dorpje, omringd door weelderige natuur, plus een kasteel met een heuse lord. En laten we de dominee niet vergeten, in de oude pastorie naast het nog oudere kerkje. Onmisbaar zijn de rustieke winkeltjes en tearooms met de roddelende dames, de authentieke pubs met de roddelende heren. Dan is er een moord! Liefst in of nabij het kasteel, dan wel de kerk. Favoriet hierbij is een gesloten kamer (de moordenaar kon er in noch uit en toch…), verborgen gangen of trappen. En het wemelt van rode haringen.

    Steevast wordt de moord onderzocht door een excentrieke speurder die toevallig in de buurt is, of door een locale politieman die meestal slimmer is dan degenen die hij ondervraagt. Wanneer het verhaal zich ontwikkelt, blijken dikwijls personages anders te zijn dan wie wij dachten dat ze waren. Uiteindelijk is de dader iemand van wie de lezer het in het geheel niet heeft verwacht, maar door de uitleg van de slimme speurneus wordt die onmiddellijk overtuigd. 

    Steeds dezelfde misdaadformule

    Bovenstaande formule is duizenden malen gehanteerd, in boeken, toneelstukken en films. Tot de laatste categorie behoort de ondraaglijke tv-serie Midsomer Murders. Een schoolvoorbeeld. Honderdtweeënveertig afleveringen sinds 1997 en de opnames voor de tweehondervijfentwintigste zijn bezig. Kennelijk kunnen de kijkers daarvan geen genoeg krijgen of zijn ongeneeslijke masochisten. Voor hen bestaat een hele serie boekjes als Your Guide to Not Getting Murdered in a Quaint English Village, waarin de lezer zelf een moord moet oplossen. Tips hierin: kijk niet in de vijver, blijf uit het doolhof en vertrouw de dominee niet. Alleen al over Midsomer Murders verschenen twee van dit soort boekjes.

    Daarom is het hoogst interessant dat een belangrijke auteur als Jonathan Coe zich op het genre lijkt te hebben geworpen met The Proof of My InnocenceDe Nederlandse vertaling van de titel, Het bewijs van mijn onschuld, mist de dubbelzinnigheid van de originele. ‘Proof’ betekent namelijk eveneens ‘drukproef’ en die laatste vormt een belangrijk motief in het boek. Het bewijs van mijn onschuld begint met een raadselachtig tekstje van twee bladzijden over een witharige speurder in een trein die op het punt staat een medepassagier te arresteren. Wie is zij en wie is de arrestant?  Wanneer vindt dit plaats en wat is de misdaad precies? Pas daarna begint de roman met een ‘Proloog’ over Phyl, die net is afgestudeerd. 

    Vriendschap en ‘Friends’

    Ze woont bij haar ouders Andrew en Joanna in een dorpje bij Heathrow. Op dat vliegveld heeft ze een lullig baantje in een Japans fastfoodrestaurant. Haar moeder is dominee en haar vader een gepensioneerde landmeter met veel te veel boeken. Begrijpelijk dat ze zich ongelukkig voelt en zelfs dat ze als troost altijd kijkt naar de tv-serie FriendsDan komt Christopher Swann, een interessante studievriend van haar moeder op bezoek, vergezeld van zijn dochter Rashida. Een wetenschapper die al decennia de radicalisering van de Britse conservatieven volgt op zijn blog. Een aantal conservatieve sleutelfiguren hadden hij en Joanna decennia geleden al in Cambridge ontmoet, onder wie ene Roger Wagstaff. Dat vindt Phyl allemaal interessant.

    Het klikt tussen de twee dochters, ook omdat Rashida evenzeer verslaafd is aan Friends. Phyl vertrouwt haar toe dat ze ervan droomt een roman te schrijven. Ze twijfelt tussen drie genres: ‘cosy crime’, ‘dark academia’ en autofictie. Eigenlijk een gewone Coe, denkt de lezer tijdens deze ‘Proloog’, want de actuele politiek speelt weer een belangrijke rol – Liz Truss wordt premier – en dit soort personages kennen we uit eerder werk van Coe. In Deel 1 wordt het dan toch echt een ‘cosy crime’, zelfs ‘voorzien’ van een passend, beduimeld omslag. Swann is aanwezig op een congres van een conservatieve denktank in een kasteel met een echte lord (de elfde van die naam). In een liefelijk dorpje bovendien. Voor de keynote speech was Kwasi Kwarteng aangetrokken, maar die is zojuist door Truss tot minister benoemd. Hij wordt vervanger door een professor gespecialiseerd in een literaire auteur die een paar decennia geleden een eind aan zijn leven maakte, en mede door hem populair werd als een conservatieve voorloper. Swann raakt geïntrigeerd door deze schrijver Peter Cockerill en diens laatste roman, Mijn onschuld.

    De Britse koningin sterft

    Tussen de bedrijven door heersen er spanningen tussen Swann en de al genoemde Wagstaff. Het congres moet echter stoppen door een ‘Nationale Ramp’: de Britse vorstin overlijdt. Dan is er opeens een moord, plus een geheime gang en een – excentrieke – lokale inspecteur die de zaak moet oplossen: Pru Freeborne (lees de naam hardop!). Authentiek ‘dark academia’ – inclusief omslag – is Coe’s tweede deel. Brian, een studievriend van Joanna en Christopher, heeft zijn herinneringen aan die jaren geboekstaafd. Daarin is meer informatie te vinden over genoemde sleutelfiguren. Wagstaff bijvoorbeeld bleek al in 1980 te pleiten voor het afbouwen van de ‘National Health Service’ en andere publieke voorzieningen. Brian staat ook stil bij Cockerill. Met name bij diens obsessie met een zeventiende-eeuws volksliedje, dat ook al in de twee vorige delen een rol speelt. Een rode haring?

    Het genre is bekend geworden met Donna Tartts De verborgen geschiedenis (1992) en ook het Cambridge van Coe biedt de lezer statige oude zalen, bruine pubs en een heus geheim genootschap, de Processus Group. Maar bij hem is dat uiteraard politiek en met de Brexit is dit aartsreactionaire gezelschap in het centrum van de macht belandt.
    Wat zou Coe doen met autofictie, het derde deel, waarmee hij als auteur in het geheel geen ervaring heeft? Hij laat de vriendinnen Phyl en Rashida afwisselend vertellen over hun speurtocht naar het verband tussen de nieuwe moord en de oude zelfmoord. Die brengt hen achtereenvolgens bij een Londens antiquariaat, een stokoude voormalige redactrice van Cockerills uitgeverij plus een steenrijke Britse miljonair die om fiscale redenen in Monaco woon, en…de drukproef van de roman Mijn onschuld bezit. Hun autofictionele wegen kruisen die van inspecteur Freeborne, met wie ze enthousiast gaan samenwerken. 

    Politieke ontwikkelingen

    Heeft Cockerill werkelijk zelfmoord gepleegd? Het antwoord op die vraag zou het plezier voor de lezer bederven. Idem bij Coe’s ‘Epiloog’, die de recente misdaad oplost. Wel exit Liz Truss. Zelf heeft hij een cameo à la Alfred Hitchcock als een onopvallende student die nooit enig blijkt heeft gegeven van een politieke interesse, maar later als auteur van verhalen en romans ‘een bescheiden succes heeft’. Maar Het bewijs van mijn onschuld blijft, ook ondanks de soms hilarische en aanstekelijke humor, een bloedserieus boek over een tragische politieke ontwikkeling waarbij giftig ultra-conservatisme en het grote geld de macht overnemen. Terwijl de genoemde genres just druipen van de nostalgie naar de tijden dat Engeland nog gezellig was en de universiteit een bolwerk van conservatieve tradities. 

    Als illustratie van het groeiende complot verwijst Coe naar de werkelijkheid: het pamflet Brittania Unchained uit 2012. Een pamflet dat niet overal bekend is, maar alle usual suspects droegen eraan bij: onder anderen Truss, Kwarteng, Patel en Raab. Desondanks heeft Coe overduidelijk veel plezier gehad in het zich eigen maken van de verschillende genres, die hij superieur onder de knie blijkt te hebben. Wat een genoegen om te lezen!



  • Oogst week 4 – 2025

    Oogst week 4 – 2025

    Bloedboek

    Met hun debuut Bloedboek viel de Zwitserse Kim de L’Orizon meteen in de prijzen. Het boek won de Deutscher Buchpreis, de Schweizer Buchpreis en de Literatuurprijs Jürgen Ponto Stichting. De non-binaire verteller van Bloedboek is opgegroeid in een klein en conservatief dorp in Zwitserland, in een familie waarin vooral gezwegen wordt. Nu hun oma haar geheugen verliest, neemt de verteller hun jeugd onder de loep. Wat kan die ontdekken over het verleden van hun oma en haar jong overleden zusje? Bloedboek gaat over volwassen worden en over intergenerationeel trauma, over het doorbreken van een familiaire zwijgcultuur.

    Kim de L’Horizon (1992) is (toneel)schrijver en -acteur. Die werd geboren in Ostermundigen (Bern) en studeerde Duits, Film- en Theaterstudies aan de universiteiten van Bern en Zurich en Literair Schrijven aan het Zwitserse Literaire Instituut in Bern. Die is redacteur van literair tijdschrift Delirium, speelde in meerdere toneelstukken en was in 2021 en 2022 residentschrijver bij het Bern Theater. Naast de prijzen voor hun debuutroman, die L’Horizon in een periode van tien jaar schreef, won die meerdere prijzen, waaronder prijzen voor poëzie en voor een korte film.

    Bloedboek
    Auteur: Kim de L’Horizon
    Uitgeverij: De Geus

    Monique ontsnapt


    ‘Ze belde me halverwege de avond. Ze huilde. Ik was achtentwintig jaar toen ze belde en het was pas de derde, misschien de vierde keer sinds mijn geboorte dat ik haar hoorde huilen.’ Zo begint Monique ontsnapt van Édouard Louis. Het is zijn moeder die belt, hijzelf is in Griekenland. De man met wie ze samenwoont is dronken en agressief, hij scheldt en tiert. Helaas geen nieuwe ontwikkeling, ze heeft het geweld van haar partner lang verborgen gehouden voor haar zoon. Alleen gaat dat niet langer, ze heeft zijn hulp nodig, ook omdat ze jaren eerder zijn vader is ontvlucht vanwege huiselijk geweld. Het is echt het verhaal van zijn moeder dat Louis vertelt, een vrouw die vastzit in een wrede en onrechtvaardige wereld.

    Édouard Louis (1992) is een Franse schrijver en socioloog. Hij werd geboren in Hallencourt in Noord-Frankrijk en groeide daar op in een arm gezin dat, nadat zijn vader ernstig gewond raakte tijdens zijn werk als fabrieksarbeider, afhankelijk is van overheidssteun. Zijn moeder vond af en toe werk in de ouderenzorg. Hij is de eerste in zijn familie die naar de universiteit ging. Louis schrijft autobiografisch. Zijn boeken gaan over thema’s als armoede, racisme, alcoholisme en homoseksualiteit.

    Monique ontsnapt

    Auteur: Édouard Louis
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Het passeren van onmeetbare ruimten


    In haar eerste essaybundel, Het passeren van onmeetbare ruimten, onderzoekt Hester van Gent in vijftien essays de ruimte om ons heen. Ze werpt een onalledaagse blik op alledaagse dingen en laat zich meeslepen door visioenen, waardoor ons beeld van de werkelijkheid kantelt. Ook gaat ze op zoek naar het verborgene, naar onbekend terrein. Op zoek naar avonturen dus, naar kinderen die hun stad verkennen. Het boek is voorzien van afbeeldingen die zich op verschillende manieren tot de tekst verhouden. Verrassend bijvoorbeeld, of verhelderend.

    Hester van Gent (1971) is schrijver van journalistieke stukken en essays. Ook schrijft ze recensies over stedenbouw, architectuur en kunst. Ze werkt als stedenbouwkundige en studeerde Stedenbouw aan de Technische Universiteit Delft. Aan de Hogeschool Utrecht rondde ze de postacademische opleiding Wetenschapsjournalistiek af en ze volgde de masterclass Architectuurkritiek die werd georganiseerd door het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie en het Vlaams Architectuur Instituut. 

    Het passeren van onmeetbare ruimten

    Auteur: Hester van Gent
    Uitgeverij: In de Knipscheer
  • Schaevers als aangename gids door de turbulente levens van Hugo Claus

    Schaevers als aangename gids door de turbulente levens van Hugo Claus

    Van nare pestkop, heulend met de Duitse bezetter, tot uitgedoofde dementiepatiënt – dat zijn nog maar twee van de levens die in de biografie van Hugo Claus door Mark Schaevers besproken worden. Zijn onderwerp wekt niet veel sympathie op bij de lezer. Gelukkig maakt Schaevers het niet mooier dan het is en krijgen we in De levens van Claus een zuiver en volledig beeld van een van de grootste naoorlogse Nederlandstalige schrijvers. 

    Hugo Claus’ zelfgekozen dood vond plaats op 19 maart 2008. Het was zijn eer te na de ziekte van Alzheimer haar fysieke en geestelijke sloopwerk te laten afmaken, ‘hij wilde niet in duisternis sterven, maar waardig in het licht,’ aldus Bezige Bij-redactrice Suzanne Holtzer, die bij de euthanasie aanwezig was. Claus’s einde en de deerniswekkende maanden van aftakeling die eraan voorafgingen, worden door Schaevers zeer uitvoerig beschreven. De vraag die Schaevers zich te weinig stelt is of alle bijeengegaarde biografische details even relevant zijn. Zo vermeldt hij wat Claus in zijn dagboek schrijft na een etentje bij een bevriend advocaat: ‘Ik at: 1 meter geroosterde darm, gevuld met gerookte tong, ham en hart (na 3 vodka’s) met vijf glazen wijn, daarna wat gebakken darmen (die te keurig geschrobd waren, het beestachtige was totaal zoek) toen gebakken grouse (Schotse sneeuwhoen of korhaan) met frites en appelmoes en een halve liter Gevrey-Chambertin, daarna twee flinke stukken vla (gemaakt van mastellen en peperkoek) en een flinke brok geflambeerde pudding. […] Vanmorgen broeierig en broos in het hoofd.’

    Onmatig karakter van een brute jongen

    Tijdens de verbouwing van (alweer) een nieuw woonadres in de Provence logeren Claus en zijn vrouw Veerle de Wit, ‘in Le Mas de Curebourse, een achttiende-eeuws koetshuis in de boomgaarden bij L’Isle-sur-la-Sorgue. De keuken was er prima – heel Frans, kokkin met de toque op de kop’. Zou het eerste citaat nog kunnen gelden als indicatie van Claus’ onmatige karakter, het tweede lijkt pure bladvulling. 

    Maar goed, Schaevers pakt het werk nauwgezet aan en presenteert een nuchter, chronologisch feitenrelaas. Van de levens die hij beschrijft liegt het eerste, over Claus’ jeugd tijdens de oorlogsjaren, er niet om. Een klasgenoot: ‘Claus was een onaangename kerel. Hij was ambetant. Hij nam mijn potlood af. En hij had een reukske, zijn kleren stonken.’ Een buurmeisje noemt hem later een ‘lokale verschrikking’. ‘Hij was een brute jongen met veel geweld in zijn lijf.’ Als stoere puber in een Vlaams-nationalistisch en daarom Duitsgezind gezin zou hij graag naar het oostfront zijn gegaan, maar daarvoor was hij te jong. In plaats daarvan trad hij toe tot de NJSV, een uiterst rechts, radicaal-nationalistisch scholierenverbond, vergelijkbaar met de Hitler Jugend. Het is niet de fraaiste fase in het leven van Claus. Erg open is hij dan ook nooit geweest over zijn oorlogsverleden. Zoals hij trouwens graag mythes, vaagheden en aperte leugens over zichzelf rondstrooide.

    Schaevers citeert de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, die het mythologiseren van het verleden ‘zelfs een van [Claus’] belangrijkste drijfveren’ noemt. Claus beleefde zijn wereld volgens Schaevers ‘als een claustrofoob universum’. ‘En was erover schrijven niet de beste manier om te pogen zich van alle klemmen te ontdoen?’ Het resultaat is een versnippering van zijn persoonlijkheid, of – in Claus’ eigen woorden – ‘een bombardement van veranderingen’, met als resultaat ‘een man in scherven’. Ook qua activiteiten: dichter, romanschrijver, kunstcriticus, dramaturg, regisseur, librettist, vertaler, filmer, scenarist, tekenaar, schilder.

    Verandering van koers na de oorlog

    Claus schakelt na de oorlog wonderlijk snel over naar dat heel andere facet van zijn persoonlijkheid, het kunstenaarsschap. Ook de biograaf lijkt opgelucht te zijn de zwarte oorlogsbladzijden om te kunnen slaan. Claus werpt zich op de beeldende kunst en schrijft zijn eerste serieuze verzen. Als prille twintiger vertrekt hij naar Parijs, waar hij aansluiting vindt bij een opwindend gezelschap van avant-garde kunstenaars als Corneille, Karel Appel, Remco Campert, Simon Vinkenoog, Lucebert en Hans Andreus. Hij maakt er kennis met het surrealisme, publiceert zijn eerste verhalen en waagt zich aan het schrijven van toneelstukken. Het verblijf in Parijs en zijn omgang met al die boeiende, eigenaardige geestverwanten wordt mooi door Schaevers beschreven, zoals hij überhaupt de hele dikke biografie door een aangename gids door de turbulente levens van Hugo Claus is. Schaevers is een ingewijde die zich nochtans niet op zijn persoonlijke nabijheid bij zijn onderwerp laat voorstaan en op een prettige manier op de achtergrond blijft. 

    Eenmaal erkend als buitensporig talent en veelzijdig kunstenaar gaat het hard met de carrière van Claus. Als dichter breekt hij door met De Oostakkerse gedichten, geworteld in zijn West-Vlaamse geboortegrond (‘land van mest en mist’), zoals die in feite in heel het oeuvre van Claus zijn weerklank vindt. Zo komt zijn proza pas echt goed op gang als hij de zangerigheid van de streektaal erin verwerkt. Toch verloopt Claus’ carrière als kunstenaar bepaald niet zonder horten en stoten. Regelmatig voelt hij zich geblokkeerd of ‘uitgebloed’ – door te hoge ambities, een hardnekkig gevoel van miskenning, gebrek aan inspiratie en een fatalistische levensvisie. Claus is een moeilijk mens, die hoge eisen stelt aan zichzelf en aan anderen. Hij brandt de debuutroman van zijn (toen nog) vriend Simon Vinkenoog radicaal af: ‘Er spreekt geen sensibiliteit uit, geen perceptie, aanvoelen van dingen, woorden, mensen. Er is alleen jij, Simon, die klaagt, jankt om iets dat je niet aan kan.’

    Schaevers voegt hieraan toe dat Claus’  conclusie ook iets zegt over wat hemzelf voor ogen stond als schrijver: ‘…wat wil je dat het mij kan schelen als het niet dwingend en heet als een schreeuw op mij afkomt?’ Hoewel kritisch op zichzelf kon Claus slecht tegen kritiek van anderen. Ook al deed hij voorkomen alsof het hem niet raakte, ‘in werkelijkheid leed hij eronder dat hij zo’n dunne huid had’, aldus Schaevers. Claus maakt een hele lijst ‘van de zgz progressieven die mij met al hun rancune – want anders kan het niet zijn – bespat hebben’. Zo noopt Claus in de loop van zijn leven vele collega’s, getrouwen en vrienden afstand van hem te nemen. 

    Imponerende en charismatische verschijning

    Hoewel rancuneus, onberekenbaar, onevenwichtig, ijdel en recalcitrant was Claus ook charmant, trouw en onderhoudend genoeg om altijd het middelpunt te zijn van een grote vriendenschaar. In het boek staan foto’s van Claus in gezelschap van Harry Mulisch, Cees Nooteboom, Fons Rademakers, Remco Campert, Kees van Kooten, Tom Lanoye, Henny Vrienten, Guy Mortier en de Belgische premier Guy Verhofstadt. Claus’ imponerende verschijning en zijn magnetisch charisma zogen alle aandacht naar hem toe, waar hij ook was. Hij had op vrouwen een onweerstaanbare aantrekkingskracht. De levens van Claus doet zijn vele amoureuze allianties (vaak meerdere tegelijk) uitvoerig uit de doeken. Makkelijk was het niet altijd om levensgezellin te zijn van de overweldigende auteur. Net zo onbestendig en onrustig als in zijn vele relaties was Claus ten aanzien van zijn woonsituatie. Tientallen verhuizingen komen in de biografie voorbij, en vele daarvan uitgebreid beschreven. 

    Die uitvoerigheid, ook in andere onderwerpen, is een aspect dat het boek soms parten speelt. Zeker, De levens van Claus is een boeiende, goed geschreven, meeslepende biografie. Maar Schaevers heeft een beetje hetzelfde euvel als Claus zelf: onmatigheid. Hij ontspoort hier en daar in zijn zucht naar volledigheid. Gerrit Komrij schreef over Claus’ roman Schola Nostra, ‘Het lezen ervan maakte op mij de indruk van het moeten uitzitten van Wagners Ring der Nibelungen.’ Zo erg is het zeker niet, maar enig kordaat redactioneel snoeiwerk zou de biografie beslist ten goede gekomen zijn. 

     

     

  • Lees het of leg het weg

    Lees het of leg het weg

    Bijna driekwart van alle Nederlandse vrouwen wordt ooit slachtoffer van seksuele intimidatie. Dit blijkt uit onderzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ook staat er dat seksueel geweld binnen huiselijke kring het meest voorkomt. Geen gezellige data. De één vraagt zich af hoe dit in ’s hemelsnaam kan, de ander verbaast het allang niet meer. De één een gemiddelde man, de ander massa’s Nederlandse vrouwen, onder wie Alma Mathijsen. Zij schreef Onderland, een roman over traumaverwerking na seksueel misbruik. Hiervoor sprak ze daadwerkelijk met negen andere slachtoffers en ontdekte hoe elk heeft leren omgaan met een pijnlijk verleden. ’Ze zijn vreselijk gul geweest. Zij hebben me alles gegeven, hun levens en hun gereedschappen, zonder hen was ik ten onder gegaan in alle mogelijke werelden,’ zegt hoofdpersoon Harper over haar medeslachtoffers.

    Ongemak

    Onderland is geen lekkere lectuur. Het bevat kunstgrepen die afstotend werken, maar gaandeweg wordt duidelijk dat Mathijsen dit bewust doet. Lezen over trauma hoort namelijk geen plezierige ervaring of een traktatie te zijn. Geldt dat immers niet ook voor praten en schrijven over trauma? Het helpt niet, het heelt niet, het behaagt al helemaal niet. Mathijsen laat geen ruimte voor relativering en luchtigheid. Trauma is een eeuwig etterende wond, humor een handvol zout dat je er niet in moet wrijven. Niet-misbruikten kunnen er beter hun empathie mee op smaak brengen.

    Geen moment pleaset Mathijsen. Ook qua tempo en souplesse zet ze de lezer flink aan het werk: ze vertelt nu eens traag en stroef, dan weer gehaast en associatief. Een koortsdroom die nuchter beschouwd nergens op slaat en geen samenhang vertoont. Onbegrijpelijk, kortom, voor wie nooit misbruik meegemaakt heeft. Bovendien vult Mathijsen haar roman met groteske afbeeldingen die de gruwel nog eens benadrukken. Dan is literatuur maar een keer geen lolletje of een esthetische hobby, maar een onverteerbare brok stinkende waarheid… de statistieken geven Mathijsen gelijk.

    Trauma om te lachen

    ’Een druppel bloed rolt over de binnenkant van mijn been het doucheputje in,’ begint hoofdpersoon Harper. Terug in bed herbeleeft ze haar verkrachting. Ze zakt door haar matras heen en landt op de zachtste bodem die ze ooit zal bereiken, Onderland: ’Hier durven we de gruwelijkheden van vroeger recht aan te kijken, alle monsters leven samen met hun prooi, niemand is meer bang voor wat ons is overkomen. De mensen die gebroken zijn, die zelf van brokstukken, huid en bloed een nieuwe persoon moesten bouwen, hebben zich verzameld in een land dat verborgen blijft voor ieder die niet hetzelfde heeft meegemaakt. (…) Ik ben hier en ga nooit meer weg.’ Want terug naar Bovenland, waar ze de niet-misbruikten telkens weer moet uitleggen hoe misbruik vóélt, wil Harper niet. Ze doorleeft, vecht terug en barst.

    Zoals mensen soms kunnen huilen van geluk, zo kunnen ze ook lachen van woede en verdriet. Harper doorleeft haar trauma opnieuw en slaat haar verkrachter uit het verleden van zich af. Met lotgenoot Mieke ontsteekt ze in een sardonische lach, die echter weinig met humor te maken heeft: ‘Ik flapte mijn polsen wild heen en weer om hem na te doen en barstte nog harder uit elkaar. Nu was Mieke helemaal mee. We gierden. Ik geloof niet dat twee mensen, in de bovenwereld en in dit land, ooit eerder zo hard om een verkrachting hadden gelachen. Ik rolde.’ Eenmaal tot bedaren voelt Harper zich uitgeput als na een huilbui: ‘“Ik ben doodmoe’’, zei ik en woog elk woord, “doodmoe, en niet bang.’’’

    Herstel nou maar

    Of het nu gaat om Teun, Texas, Mieke, Levi, Sanna of Mandy, iedereen in Onderland heeft met het eigen misbruikverleden leren leven. Niemand wil er meer weg, want in Bovenland – de wereld die hun het misbruik aandeed – stuiten ze op onbegrip en afstand. Buitenstaanders verwachten daar dat slachtoffers met een quick fix over hun pijn heen groeien. Gewoon een paar keer met een professional sparren en weer lekker meedraaien in het systeem. Mieke zegt hierover tegen Harper: ‘Soms ben ik bang dat al die therapie vooral daders ten goede komt. (…) Dat mannen vrolijk door kunnen gaan met kinderen verkrachten. Het kan toch allemaal weggehaald worden. Paf! Opgelost.’ En die ‘oplossing’ steekt zelfs in het veilige Onderland de kop op.

    Er paradeert een knuffelploeg door de omgeving, ook op zoek naar Harper: ‘Het had een ritme. Ik herkende het ergens van. Gesynchroniseerde voetstappen, gepaard met gesynchroniseerde mannenstemmen op lage toon. (…) ”Hé, het is oké!” Hun voetstappen kwamen dichterbij. Het soppende geluid dat alleen legerkisten voortbrengen. “‘Zit je ergens mee? Praat erover! Laat ons doen waar we het beste in zijn. Wij staan altijd voor je klaar.”’ Harper wil geen therapie: ’Ik wilde bij de anderen blijven, de mensen die ik niets hoefde uit te leggen, de lieverds. Waar niemand ooit zou zeggen: ik kan het me zo goed voorstellen.’ Precies die lege claim – ik kan het me zo goed voorstellen – stelt Mathijsen ter discussie.

    Onvoorstelbaar

    De auteur maakt identificatie met haast ieder personage uit Onderland onmogelijk. Bewust, want je inleven in een slachtoffer van seksueel misbruik, dat gáát niet. Niet echt. Ook niet als je denkt over buitengewoon veel fantasie te beschikken. De personages spreken regelmatig in raadsels over wat ze is overkomen en de omgevingen binnen Onderland veranderen sneller van gedaante dan in de wildste dromen. Er is zelfs een eufemismetuin vol bloemen, die stuk voor stuk misbruik bagatelliseren. Dan beginnen ze vanuit hun ‘genuanceerde midden’ Harper uit te schelden: ‘“Hoe moet ik je dan noemen? #MeToo-miepje? Is dat beter? #MeToo-aanjaagster? Verspreider van vage beschuldigingen van veertig jaar geleden die kant noch wal raken?’’ Ineens wist ik wat ik moest doen. “Ik kan jullie plukken.” Alle bloemen waren meteen stil. “Ik kan jullie allemaal een voor een plukken.” Ze bewogen niet meer.’

    In Onderland zijn deze boze stemmen wat lullige chrysantjes die je met wortel en al uit de grond rukt. In Bovenland, de ‘echte’ wereld, zijn ze dominante stemmen die nog altijd de definitie van misbruik bepalen. Het is te hopen dat deze dominantie op den duur terechtkomt bij mensen als Alma Mathijsen, die met Onderland het effect van misbruik laat zien. Zonder tranentrekkerij, een geruststellende lach of een bemoedigend knikje schotelt ze het ons voor: dit is het. Lees het of leg het weg, maar zeg nooit meer dat je iemand begrijpt. Want wat je niet kunt beloven, kun je ook niet menen.