• Gaandeweg ontstond een biografie in gedichten

    Deze maand verscheen de dichtbundel Een spoor van mezelf van de Portugese dichter en schrijver Fernando Pessoa (1888-1935). Een keuze uit de orthonieme gedichten van Pessoa die hoofdzakelijk onder vele pseudoniemen (voor Pessoa-kenners: heteroniemen) schreef. De vooral als Portugees vertaler bekend staande Harrie Lemmens (dit jaar een van de zes genomineerden voor de Filter Vertaalprijs met zijn vertaling van Voor wie in het donker op mij wacht van António Lobo Antunes) is verantwoordelijk voor de keuze uit drie bundels en de vertaling. Het vertalen ontdekte hij tijdens zijn studie Nederlands. Zijn afstudeerscriptie maakte hij op grond van het boek van de Curaçaose schrijver Frank Martinus Arion. Afscheid van de koningin speelt in een fictieve staat in West Afrika. ‘Ik heb me toen bezig gehouden met de Afrikaanse literatuur en begon voor mezelf allerlei dingen te vertalen.’

    Literair Nederland sprak met Harrie Lemmens in zijn huis in een van de rustige buitenwijken  van Almere. Een gesprek over de dichtkunst van Pessoa – die volgens Lemmens van een bedrieglijke eenvoud is – over vertalen als langzaam lezen, over Portugese literatuur en hoe Lemmens, van oorsprong Neerlandicus, vertaler Portugees werd.

    Er wordt een pot thee gemaakt, er is Limburgse vlaai, ‘ik blijf per slot een Limburger’, zegt de in Weert geboren vertaler. We nemen plaats aan de grote tafel aan de tuinkant en terwijl Lemmens de thee inschenkt vertelt hij dat het idee om een bundel van Pessoa’s orthonieme gedichten uit te geven, al langer bestond. Het materiaal was aanwezig in drie delen, van elk vijfhonderd pagina’s. Hieruit maakte Lemmens een keuze van honderdnegen gedichten.

     

    Hoe ben je uit zo’n groot aanbod tot een keuze gekomen, wat was de leidraad?

    Al zijn gedichten zijn opgenomen in die bundels en een deel viel al af omdat het niet verder gaat dan een schets. In andere gedichten ontbreken woorden, zijn onaf. Voor de volledige gedichten heb ik me laten leiden door mijn gevoel. Geleidelijk aan merkte ik dat er zoiets als een autobiografie in gedichten ontstond. Door ze chronologisch op te nemen ontstaat er een lijn van zijn ontwikkeling. Uit zijn beginjaren, de jaren tien van de vorige eeuw, zijn heel andere teksten dan die uit de twintiger en dertiger jaren. Zijn werk uit de laatste jaren is directer, eenvoudiger ook. Hoewel eenvoudig hierin een verwarrende term is omdat het toch allemaal vrij ingewikkeld is wat hij schrijft. Het ontsnapt je steeds, als een glibberig iets dat als je het vast hebt, weer uit je handen schiet. Dat is zijn klasse, dat spel beheerst Pessoa als geen ander. Om over wezenlijke zaken als dood en leven, dromen en werkelijkheid bijna opgeruimd te schrijven. Uit zijn beginjaren is het werk veel barokker, toen speelde het symbolisme een grotere rol. Pessoa schreef in beelden, waarin verwijzingen zitten naar zijn eigen leven. Naar zijn kinder- of jongelingsjaren.

     

     

     

    Hoe ben je tot het vertalen van Portugese literatuur gekomen?

    Eind 1981 ben ik in Oost-Berlijn gaan werken. Daar ontmoette ik Ana (zijn huidige vrouw Iv/dG) die op hetzelfde taalbureau werkte als ik. Ik was vertaler Duits – Nederlands en zij vertaalster Duits – Portugees. In 1985 verhuisden we voor drie jaar naar Lissabon. Daar heb ik de Portugese taal geleerd. We spraken in Duitsland, Duits met elkaar. Zodra ik in Lissabon woonde en in contact kwam met Portugezen ben ik Portugees gaan spreken. Ook ben ik meteen de literatuur van het land gaan lezen. Het was in eerste instantie niet Pessoa die me aantrok, maar António Lobo Antunes. In een boekwinkel zag ik een boek van hem liggen met een soldatenhelm en speelkaarten op de omslag: Fado Alexandrino. Een lijvig epos over de jaren zeventig in Portugal en vier ex-militairen die gevochten hebben in de voormalige Portugese kolonie Mozambique. Ik ben begonnen het boek te vertalen, voor mezelf. Op die manier maakte ik me de taal en het boek eigen, vertalen is in eerste instantie lezen. Zo heb ik dat ook met De Judaskus van Lobo Antunes gedaan.

     

    Wat was het dat je aantrok in de schrijver Lobo Antunes?

    Het was puur instinctief dat deze schrijver me aantrok. Pas later kon ik zijn stijl beoordelen. Ik heb hem toen ook vrij snel, nadat ik een jaar in Lissabon woonde, voor het eerst ontmoet. Ik vertaalde hem nog niet voor een Nederlandse uitgever. Pas in 1991 mocht ik De Judaskus voor de toenmalige uitgeverij Amber vertalen. Henk Figee (1948-1994 Iv/dG) was daar redacteur en hij had dat boek ontdekt en vroeg mij het te vertalen. Er zouden meerdere boeken volgen maar toen stapte Figee over naar Van Nijgh & Ditmar en kon Lobo Antunes in eerste instantie niet meenemen. Figee dacht dat later te doen, maar een jaar daarna overleed hij vrij plotseling, wat zeer tragisch was.

    Pas in 1997 werd er weer werk van Lobo Antunes uitgegeven door Eva Cossee die toen bij uitgeverij Ambos werkte. Zij was getrouwd met Christoph Buchwald die in Duitsland de redacteur was geweest van Lobo Antunes en werk van hem had uitgegeven. Het handboek van de inquisiteurs, was het eerste deel van een vierluik dat bij Ambos uitkwam en sindsdien zijn al mijn vertalingen van Lobo Antunes daar verschenen.

    António Lobo Antunes was wel de eerste voltreffer uit de Portugese literatuur die mij persoonlijk raakte. Van Pessoa kende ik wel wat dingen, met Alvaro de Campos (een van de heteroniemen van Pessoa Iv/dG) en met het Boek der rusteloosheid was ik bekend. En eind jaren tachtig vroeg Theo Sontrop me of ik het Boek der rusteloosheid wilde vertalen. Het was voor mij een waagstuk want het was in feite de eerste literaire vertaling die ik vanuit het Portugees maakte. Daarvoor had ik enkel uit het Duits, Engels en Spaans vertaald. Daarbij moest ik de tweedelige Portugese uitgave terugbrengen tot een deel van ruim 300 pagina’s. Dat heb ik met veel plezier gedaan. Vijftien jaar na die eerste vertaling, in 2005, heb ik voor een deel die vertaling mogen herzien en aangevuld met wat toen de volledige uitgave was. Ook daarmee was ik heel blij dat te kunnen doen.

     

     

    In de jaren negentig heb ik nog een ander Privé Domein deel samengesteld Mijn droom is van mij, met meer autobiografische teksten (loopt naar de boekenkast om het deeltje te pakken) en daar staan ook een paar gedichten in, wijst hij terwijl hij het voor me neerlegt. Wim Hazeu heeft in de jaren negentig een Portugese bibliotheek gehad bij uitgeverij De Prom. Daarin verscheen een Spaanse biografie van Pessoa in vertaling van Barber van de Pol. Voor de gedichten die daarin stonden heeft ze voor een deel bestaande vertalingen van August Willemsen gebruikt en voor de andere gedichten heeft ze mij gevraagd. Toen heb ik ook nog de Triomfode van Álvaro de Campos vertaald voor het tijdschrift De tweede ronde. En een paar jaar geleden is nog de bundel De bedelaar en andere verhalen van Pessoa bij De Arbeiderspers verschenen.

     

    August Willemsen heeft Pessoa als vertaler geïntroduceerd in Nederland wordt jullie vertaalwerk ook wel met elkaar vergeleken?

    Dat weet ik eigenlijk niet. Misschien gebeurt dat nu, want er staan ook gedichten in die eerder door hem zijn vertaald. Ik ben uiteraard benieuwd of er vergeleken gaat worden. Juist vanwege de naam die Willemsen heeft. Dat vind ik wel een interessant fenomeen. Niet vanuit een soort rivaliteit tussen hem en mij, maar gewoon, wat de lezer ervan vindt.

     

    Is de Portugeestalige literatuur wezenlijk anders dan de rest van de Europese, de Nederlandse literatuur?

    Ik heb altijd in boeken en schrijvers gedacht, nooit zozeer in landen.

     

    Maar het experimentele en interpunctieloos schrijven, daarmee is Lobo Antunes in Portugal toch geen uitzondering?

    Nee, dat klopt. Violeta en de engelen van Dulce Maria Cardoso is een zin van meer dan tweehonderd bladzijden. Ook de eerste boeken van Saramago zijn experimenteel, tot hij zijn eigen stijl heeft ontwikkeld. Als lezer moet je het experimentele wel kunnen accepteren, dat geldt zeker voor Lobo Antunes. Misschien kun je zeggen dat in de Portugese literatuur de aandacht voor het construeren van mooie zinnen en beeldend proza groot is. Wat terug te voeren zou kunnen zijn naar de 17e eeuwse Jezuïet padre António Vieira. De grondlegger van het Portugese proza en een barok schrijver.

    Dat staat haaks op wat er in calvinistisch Nederland gebeurt, waar het een soort wet lijkt  alles zo karig en kaal mogelijk op te schrijven. De Vlaamse literatuur komt wel enigszins overeen met de Portugese. Zet Claus tegenover Hermans en je ziet het verschil. Daarmee zou je het kunnen vergelijken. Maar goed, het is moeilijk daar in het algemeen iets over te zeggen. Wat ik wel merk is dat, en dat komt misschien door social media, de Portugese literatuur zich steeds meer verhoudt tot hoe hier geschreven wordt. Van uitgevers hoor ik dan ook: je brengt niets nieuws, we hebben zulke schrijvers al.

     

    Zeg je hiermee dat vertalen van buitenlandse schrijvers alleen maar zin heeft als het wat nieuws brengt?

    Dat is natuurlijk niet helemaal zo. Neem bijvoorbeeld het boek Met bloed doordrenkte baard, van de Braziliaanse schrijver Daniel Galera dat ik 2014 vertaald heb. Over een zweminstructeur die zich terugtrekt in een badplaats in het zuiden van Brazilië om allerlei problemen in zijn leven op te lossen. Problemen waar ook jonge mensen in Nederland mee te maken hebben. Het is interessant te lezen hoe iemand hiermee omgaat in Brazilië bijvoorbeeld, op een andere plek in de wereld. Een aantal jaren geleden was er een VPRO radioprogramma over literatuur van de BRI-landen (Brazilië, Rusland en India). Daar kwam ook aan de orde dat vertalen niet alleen gaat om literatuur te vertalen die het verschil tussen culturen laat zien, maar ook wat er tussen verschillende culturen overeenkomt.

     

    Je hebt inmiddels meer dan honderd boeken vertaald, is het belangrijk om in contact te staan met de schrijvers van die boeken?

    Ja, ik vind dat wel belangrijk hoewel ik heel sporadisch vragen stel over een vertaling. Als vertaler moet je het toch zelf oplossen. Meestal gaat het om het Nederlands en niet om wat er staat. Bij de vertaalprijsuitreiking laatst in Utrecht, gaf ik een voorbeeld van zo’n samenwerking tussen schrijver en vertaler. Ik had eens, in de jaren tachtig, een vraag over een bepaalde passage in een boek van Christoph Hein dat ik aan het vertalen was. Toen ik hem tegenkwam in Lissabon, waar Hein op bezoek was om een voorstelling van zijn stuk Die wahre Geschichte des Ah Q bij te wonen, legde ik hem dit voor en zijn reactie was: ‘Ach ist doch Scheiße, schmeiss es raus’. Dat gaf voor mij aan dat je een boek niet als te heilig moet beschouwen.

    Een ander voorbeeld is de vertaling van De bekentenis van Lúcio van Sá-Carneiro, een tijdgenoot van Pessoa. Een roman die boordevol zit met beelden en synesthesieen. In sommige passages  heb ik in de vertaling, als er vier adjectieven in stonden er een uitgehaald. In het Portugees kon het wel, die vier maar in het Nederlands niet. Die vrijheid heb je als vertaler. Soms doe je een boek onrecht door het letterlijk te vertalen. Terwijl je het juist in ere houdt door het niet helemaal letterlijk te doen. En dat is een beetje schipperen. Hoe breng je het boek zo over op de Nederlandse lezer dat die hetzelfde ervaart als de Portugese lezer. Dat is niet te bereiken met een op een vertalen.

     

    Er is een nawoord opgenomen over Pessoa en zijn werk, in hoeverre was dit nog nodig?

    Over Pessoa is natuurlijk al veel geschreven maar ik wilde toch iets duidelijk maken over de opbouw van de gedichten en iets over zijn leven vertellen. Er zijn lezers die hem al kennen, maar ook lezers die met dit boek voor het eerst kennis zullen maken met Pessoa. En omdat er zoveel over hem verschenen en uitgegeven is, hebben we het nu zo opgelost door te verwijzen naar andere nawoorden, en naar het boekje Het Ik als vreemde van Willemsen. En ook door de chronologieen op te nemen die bij het Boek der rustelozen is opgenomen. Om de lezer toch enige houvast te geven.

     

    Wat kenmerkt deze bundeling, waarom zouden we het moeten kopen?

    Ik denk om twee redenen. De ene is om de eenvoud waarmee Pessoa moeilijke dingen verwoordt, de geraffineerdheid waarmee hij dat doet, waardoor je vaak op het verkeerde been wordt gezet. Alsof je een afslag gemist hebt. Hij is ook een soort meester van het syllogisme, een soort sofisme wat ie doet. Redeneringen waarvan je denkt dat het niet helemaal klopt, en dan toch weer wel. Maar dan moet je er wel wat dingen bij denken of je juist van dingen bevrijden. Het tweede waarom je het zou moeten lezen, is de buitengewone rijkdom aan beelden in zijn gedichten. Zijn vermogen om als het ware een soort foto’s te maken. Dat is geweldig. Het grappige is dat Lobo Antunes Pessoa niks vindt. Maar voor mij zijn er veel overeenkomsten tussen hen. Een daarvan is het vermogen om beelden te maken. Dat is ook een van de grote krachten van Lobo Antunes, in een paar woorden een beeld neerzetten. Maar ook in de thematiek, in de wijze waarop ze dingen behandelen, zitten grote overeenkomsten. Ook Clarice Lispector heeft raakvlakken met Pessoa. Dat zit in het formuleren, in hoe ze de dingen zegt. In die zin kun je wel spreken van een Portugeestalige literatuur.

     

    Er is ook een online magazine voor Portugeestalige literatuur opgericht?

    Ja, dat is Zucamagazine. De behoefte een soort platform te hebben voor Portugeestalige literatuur was er al lang. Een plek waar uitgevers en lezers terecht kunnen om zich te oriënteren op de Portugeestalige literatuur. Het is gekoppeld aan fotografie, tekst en beeld is een kenmerk van Zucamagazine. Het biedt ons de ruimte om de ontwikkelingen in de literatuur te presenteren die gaande zijn en uitgevers te laten zien wat er zoal rond gaat.

    Enkel dagen na het interview, de bundel ligt al bij de drukker, mailt Harrie Lemmens me een gedicht van Pessoa dat zich in de krochten van zijn computer verscholen hield.

    Vanuit de plooien van de donkere nacht
    schudt mij ineens een spook met harde hand
    klaarwakker, en ik tuur met al mijn kracht
    maar zie niets, nergens, aan geen enkele kant.

    In mijn hart daalt echter onverwacht
    een angst die ik nog niet heb overmand
    als van een troon omlaag en oefent macht
    uit over mij, de stomme dwingeland.

    En plompverloren voel ik dan mijn leven
    aan een touw van onbewustzijn zweven
    in een duistere hand die mij geleidt.

    Ik voel dat ik niet meer ben dan de schaduw
    van een wezen waar ik bang van gruw,
    en dat ik niet besta, net als de donkerheid.’

     

    Het gedicht had  zeer goed in de bundel gepast, laat Lemmens weten, het geeft voor hem nog eens aan dat een keuze maken uit de gedichten van Pessoa een luxeprobleem is.

     

    Foto: Ana Carvalho


    Fernando Pessoa, Een spoor van mezelf / samenstelling en vertaling Harrie Lemmens / De Arbeiderspers

     

     

  • Oogst week 18 – 2019

    Partizaan Winter

    Partizaan Winter is het debuut van de Italiaanse schrijver Giacomo Verri (1978). Het verscheen oorspronkelijk in 2012 en is nu in een vertaling van Lilian Lotichius bij uitgeverij IJzer verschenen. Partizaan Winter vertelt over de gebeurtenissen uit 1943 in en rond het geboortedorp en de woonplaats van de auteur, Borgosesia.

    Aan de hand van drie sleutelfiguren vertelt Verri het verhaal van de vrijheidsstrijd van partizanen tegen het fascisme in de oorlogswinter van 1943. De drie personages raken op hun eigen manier verwikkeld in de oorlogsgebeurtenissen met als dieptepunt de represaille door het fascistische en berucht wrede Tagliamento-legioen voor de moord op twee van hun kameraden door de partizanen. Na een nacht van gruwelijke martelpraktijken fusilleert het legioen tien inwoners van Borgosesia.

    Een korte documentaire over de roman staat hier.

    Partizaan Winter
    Auteur: Giacomo Verri
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer

    Grote dieven kleine dieven

    Veel van de romans van de Egyptische schrijver Cossery spelen zich af in Egypte. Ze gaan over het contrast tussen arm en rijk, tussen machthebbers en machtelozen. De hoofdpersonen in zijn boeken zijn meestal representanten van de underdog.

    Zo ook in Grote dieven kleine dieven waarin Oessama, een intelligente, ironische, kleine dief, een belastende brief vindt in een door hem gerolde portefeuille. Het boek speelt zich af in een uit zijn krachten gegroeid Caïro, waar haastig en goedkoop gebouwd wordt. Door bezuinigingen op deugdelijk bouwmateriaal en door achterstallig onderhoud van bestaande huizen storten regelmatig panden in.

    Uit de brief die Oessama gestolen heeft blijkt dat een projectontwikkelaar en een politicus schuldig zijn aan het instorten van een gebouw, waarbij minstens vijftig doden vielen.

     

    Grote dieven kleine dieven
    Auteur: Albert Cossery
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    De IJssel stroomt feller dan de Amstel

    Ad ten Bosch is grootgebracht tussen de boeken. Zijn vader was boekhandelaar bij Van Someren en Ten Bosch, een boekhandel die Ten Bosch later overnam. Dat was het begin van een loopbaan in het boekenvak. Hij is drukker, boekverkoper, uitgever en schrijver (geweest).

    In De IJssel stroomt feller dan de Amstel, met als ondertitel ‘Herinneringen van een boekverkoper, uitgever en schrijver’ vertelt hij zijn verhaal.

    Uitgeverij van Oorschot: ‘Zijn memoires lezen als een verslag van een avontuurlijk leven en een geschiedenis van het Nederlandse boekenvak ineen.’

    De IJssel stroomt feller dan de Amstel
    Auteur: Ad ten Bosch
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Onrustige dagen

    Zoals De IJssel stroomt sneller dan de Amstel (zie hiervoor) een beeld geeft van het Nederlandse boekenvak, zo biedt Geniaal is niet direct het woord. Brieven aan Theo Sontrop inzicht in de verhouding van een schrijver en zijn uitgever. Deze speciale uitgave (bezorgd en van een nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs) is in beperkte oplage verschenen bij de Statenhofpers en bevat 73 brieven van F.B. Hotz aan De Arbeiderspers. Oplage: 75 gebonden exemplaren.

    Maar de liefhebbers van verhalenverteller Hotz kunnen ook hun hart ophalen bij Onrustige dagen, de mooiste verhalen, gekozen en ingeleid door Thomas Heerma van Voss die schrijft: ‘Hotz is een grootmeester. Scherpzinnig, grappig, ontroerend, psychologisch bijzonder sterk en, wat echt een unicum is: zijn verhalen voelen niet gedateerd. Als ik bij het schrijven even vastloop trek ik regelmatig een van Hotz’ bundels uit de kast. Om een paar zinnen te lezen. Om me over te geven aan zijn ritme. Ik zou het iedereen aanraden. De beste verhalen van Hotz horen bij het beste wat de Nederlandse literatuur heeft voortgebracht.’

    Onrustige dagen
    Auteur: F.B. Hotz
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 10

    Nachtouders

    Saskia de Coster schreef een roman over het ouderschap, een  status waar veel over geschreven is maar nog niet zo openhartig als De Coster in haar roman dat doet. Hoewel het een roman is maakt ze zelf de aantekening dat dit haar verhaal is, ‘maar het is, denk ik, ook het verhaal van iedere ouder die wel eens gewankeld heeft.’

    Het ouderpaar Saskia en Juli gaan met hun baby zoontje naar een Canadees hippie-eiland waar Karl, de biologische vader van het jongetje vandaan komt. Het is een wifiloze wereld waar de natuur de overheerst en waar een geheim over Karl rondwaart. Voor Saskia, die niet de draagmoeder was van het kind, komt alles onder spanning te staan: haar relatie met Juli en haar schrijverschap. Is ze wel een echte moeder, als niet-biologische ouder?

    Fragment uit Nachtouders: ‘Waar je als jonge moeder het verst mee komt, volgens Juli’s moeder, zijn praktische raadgevingen. ‘Koop maar een goede wasmachine,’ heeft ze ons al tijdens de zwangerschap op het hart gedrukt. Ze vertelde over moeders die heel hun leven achter hun kinderen aan lopen om met een vaatdoek vlekken te verwijderen, scherven voorzichtig bijeen te vegen en hun kroost op te vangen met troost en warme chocomelk, en toch zouden ze geraakt worden en bloeden, hoe dan ook.’

    Nachtouders
    Auteur: Saskia de Coster
    Uitgeverij: Das Mag (2019)

    Straf

    De Duitse schrijver en rechter Ferdinand von Schirach voegt aan zijn verhalenbundels Misdaden en Schuld, nu de verhalenbundel Straf toe. Twaalf verhalen over evenzovele menselijke lotgevallen beschrijft Ferdinand von Schirach in zijn nieuwste boek. Zoals in de eerdere bundels  laat hij zien hoe moeilijk het is een mens recht te doen en hoe vooringenomen onze begrippen van ‘goed’ en ‘slecht’ zijn.

    Als schrijver veroordeelt Ferdinand von Schirach niet. Met distantie, maar ook met  empathie vertelt hij over eenzaamheid en vervreemding, over hoe we streven naar geluk en daarbij falen. Wat is waarheid? Wat is werkelijkheid? Hoe zijn we geworden wie we zijn?

     

    Straf
    Auteur: Ferdinand von Schirach
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2019)

    Wolf

    Een vrouw is een maaksel. Je wordt ‘niet als vrouw geboren maar, maar tot vrouw gemaakt,’ schreef Simone de Beauvoir al in 1949. Maar wát is het dat tot vrouw maakt? In Wolf ondernemen de dertien schrijfsters Merel Bem, Basje Boer, Anaïs Van Ertvelde, Bo van Houwelingen, Emy Koopman, Maartje Laterveer, Nelleke Noordervliet, Marja Pruis, José Rozenbroek, Maral Noshad Sharifi, Naema Tahir, Yaël Vinckx en Herien Wensink een zoektocht naar een antwoord. In persoonlijke en analytisch essays die zijn geschreven vanuit diverse achtergronden en invalshoeken.
    Zoals de vrouw in kunst, film en muziek, de vrouw als moeder, rolmodel of lustobject. De vrouw als sekse en als gender, als vrouw – wat dat dan ook is. In Wolf worden geen definitieve conclusies getrokken maar vormt een prikkelende bijdrage aan het feministische debat, en kan  de aanzet zijn tot een open gesprek.

    Wolf
    Auteur: Samengesteld door Maartje Laterveer
    Uitgeverij: Atlas Contact (2019)
  • Oogst week 5

    De hoogste tijd

    In 1919 wordt het algemeen kiesrecht in Nederland van kracht. Precies 100 jaar geleden dus.
    In het voorwoord schrijven de auteurs dat Hoogste tijd ‘gaat over de strijd voor het vrouwenkiesrecht én over de gevolgen van het verkrijgen daarvan. Wat doen de vrouwen die zich actief hebben ingezet met het veroverde kiesrecht? Gaan ze stemmen en zo ja: op welke partijen stemmen ze en in hoeverre verschilt hun kiesgedrag van dat van mannen? Gaan ze de politiek in en zo ja, wat gaan ze daar doen? Zijn ze wel welkom in de politieke arena? Hebben ze een andere politieke agenda dan de mannen die ze hebben bestreden, of voegen ze zich netjes in de rijen van de politieke partijen waar ze nu eindelijk deel van mogen uitmaken? En hoe staat het met de vele vrouwen die zich niet hebben gemengd in de strijd voor het vrouwenkiesrecht, maar die vanaf 1919 wel mogen gaan stemmen?’

    Het is niet het eerste boek dat over vrouwenkiesrecht geschreven is, dat is de auteurs ook duidelijk, daarom geven ze aan: ‘Nu, bij de honderdste verjaardag van het vrouwenkiesrecht, doen wij het nog eens over omdat iedere generatie nu eenmaal anders tegen het verleden aankijkt, maar bovendien omdat wij het niet alleen over de strijd willen hebben, maar ook over wat er daarna is gebeurd.’

    Om dit 100-jarige feest te vieren wordt er dit jaar een aantal evenementen georganiseerd. Op dit moment is tot en met 21 februari 2019 in het Atrium, de grote centrale hal van het stadhuis in Den Haag, de tentoonstelling ‘100 jaar Algemeen Kiesrecht’ te bezichtigen.

    De hoogste tijd
    Auteur: Monique Leyenaar, Jantine Oldersma, Kees Niemöller
    Uitgeverij: Athenaeum (2019)

    Ons leven in de bossen (2019)

    De Franse schrijfster Marie Darrieussecq won in 2013 de Prix de Médicis met haar roman Je moet veel van mannen houden. In 2015 verscheen op deze site een bespreking van het boek Zeewee, die recensent Joost van der Vleuten de titel meegaf ‘hermetisch maar indrukwekkend’. Hij schreef dat ‘het leidt tot heftig proza, op het hallucinante af.’

    Op de website van uitgeverij Vleugels is te lezen dat Darrieussecq ‘is gefascineerd door de tussenwereld, de grens tussen de werkelijkheid en het fantastische. Daar houden zich schimmen op, maar daar kunnen mensen ook ineens zomaar verdwijnen. Dat vaste en vervloeiende gebied bestrijkt zij in haar romans.’

    In de dystopische roman Ons leven in de bossen heeft een vrouw zich teruggetrokken in de bossen, op de vlucht voor een vijandige maatschappij. Ze zit er te schrijven. En ze heeft daar haast mee, want haar lichaam en de wereld om haar heen verkeren in een staat van afbraak. Voorheen was ze psychologe. De mensen met wie ze zich in de bossen heeft verschanst zijn drop-outs die offline zijn gegaan en hun geïmplanteerde chip hebben verwijderd. Ze behoren tot de geprivilegieerde groep die in het bezit is van een andere helft. Een kloon.

    Ons leven in de bossen (2019)
    Auteur: Marie Darrieussecq
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Een kamer met een tafel met schrijfgerei

    Ivo van Strijtem (1953) is dichter, literair vertaler en leraar Engels. En een groot poëzieliefhebber. Hij vertaalde gedichten en schreef ze zelf.

    Hij schreef ook enthousiasmerend over poëzie door al dan niet in samenwerking met anderen boeken en bloemlezingen te publiceren zoals bijvoorbeeld de reeks De mooiste van… samen met Koen Stassijns, of de bloemlezing Van Heer Halewijn tot Hugo Claus en Iedereen dichter, met als ondertitel Poëzie is een manier van leven. Zijn drijfveer: ‘Poëzie wordt onterecht als wereldvreemd, moeilijk en bovenal totaal nutteloos ervaren. Hoog tijd om het roer om te gooien.’

    Zijn nieuwste bundel met eigen gedichten Een kamer met een tafel en schrijfgerei is net verschenen. De uitgeverij over deze bundel: ‘wanneer voor de dichter alle zekerheden wegvallen, blijft dat gereedschap over. In de bundel gaat het om wat er echt toe doet. In taal die de lezer niet op afstand wil houden, schrijft de dichter over de grote onderwerpen, over wat echt belangrijk is: liefde, mededogen, het onbegrijpelijke, en – onontkoombaar – de dood.’

    Een kamer met een tafel met schrijfgerei
    Auteur: Ivo van Strijtem
    Uitgeverij: Atlas Contact (2019)
  • Interessante beschouwingen over schrijven en kunst

    Interessante beschouwingen over schrijven en kunst

    Schrijver (en vooral essayist) Cyrille Offermans kreeg van zijn uitgeverij De Arbeiderspers het verzoek in het jaar 2017 het hele jaar door een kroniek bij te houden over alles wat hem dat jaar bezighield en inviel. Het zou een uitgave worden in de prestigieuze serie Privédomein. De titel Een iets beschuttere plek misschien ontleende hij aan het gedicht ‘Voor wat het is’ van Hans Tentije.

    Mini-essays

    Het werd een bundel van liefst 564 pagina’s aan informatie en denkwerk. Wat er in de wereldpolitiek gebeurde in 2017 komt af en toe naar voren als het gaat om de verkiezing van Trump of de ellende in Syrië. Maar merendeels is een culturele actualiteit (tentoonstelling, lezing, boek, film) aanleiding voor een overpeinzing, herinnering of beide.
    Voor een lang essay leent deze vorm zich niet, merkt Offermans in een februari-tekst op als hij zich afvraagt hoe hij verder wil met dit journaal, dat toch enigszins gekoppeld moet zijn aan de actualiteit. Voor zijn doen moeten het dus vrij korte teksten worden. Hij hoopt wel dat op de één of andere manier de stukken over de onderwerpen die zich aandienen toch verband met elkaar zullen hebben.

    En dat is gelukt. Het zijn circa 150 mini-essays van gemiddeld 4 boekpagina’s en alhoewel ze gaan over 150 verschillende onderwerpen is de verbindende factor de schrijver zelf.
    Stuk voor stuk zijn het goed geschreven en interessante beschouwingen van een erudiet en gevoelig mens. Persoonlijke details schuwt hij, en zijn ook niet nodig als het – zoal meestal – gaat over schrijvers en kunst. Vrienden die hem ergens op wijzen of vergezellen naar een tentoonstelling of voorstelling of bijzondere plek worden alleen met hun voornaam aangeduid, om ze toch enige anonimiteit te geven maar tegelijk erkenning en dankbaarheid te tonen.

    Bewonderende toon

    Bij Offermans essayettes – als je ze zo mag noemen – over kunst en kunstenaars is de toon bijna altijd bewonderend, de uitleg to the point, en zijn de daarna volgende redenering en conclusies logisch maar zelden verrassend.
    Hij schrijft eerder als een zeer belezen leraar (wat ook zijn vak was) voor zijn leerlingen dan dat hij de lezer verrast met een tegendraadse opvatting of een bijzonder inzicht zoals bijvoorbeeld Rudy Kousbroek dat graag deed.
    Kwaad maakt hij zich maar zelden, al komt het wel voor. En dan gaat het natuurlijk over taalgebruik. Zoals in het stuk over de CDA-politicus die tot driemaal toe ‘het parlement die’ in plaats van ‘dat’ zegt.

    Moderne clichés

    Het mondt uit in een opsomming van moderne cliché’s waar men bij Offermans niet mee aan moet komen: ‘(….)woorden en uitdrukkingen waar ik om uiteenlopende redenen allergisch op reageer: ervan afspatten, het cliché van de enthousiaste boekbespreking, het vertelplezier, het talent, het vakmanschap spat ervan af; het schuurt of het schuurt niet, eveneens geliefd in besprekingen; bij de lurven / de strot nemen of grijpen, idem; losgaan; een uitdaging; nu komt het wel heel dichtbij; een plekje geven; getriggerd; genereren; episch; iconisch; legende (van geromantiseerde beschrijving van een heiligenleven sinds kort vooral gebruikt voor de ‘heilige’ zelf); voor meer dan honderd, voor tweehonderd, driehonderd procent (door sporttrainers geëiste ‘passie’ en inzet); agendatechnisch (en andere combinaties met -technisch); cultuurgerelateerd (en andere combinaties met -gerelateerd); ingewikkeld; apart; een punt hebben; dat is (niet) haar ding; je ding doen; heftig; super; impact; insteek; woedend (als gewoon kwaad of verongelijkt wordt bedoeld); om heel eerlijk te zijn.’

    Persoonlijke eigenaardigheden

    Een enkele keer geeft Offermans een inkijkje in zijn persoonlijke eigenaardigheden. Zijn liefde voor wielrennen bijvoorbeeld, dat hij zelf beoefent:

    ‘Sinds we in Sittard wonen, ruim twintig jaar inmiddels, heb ik mijn gêne voor de racefiets in fasen overwonnen. Het begon ermee dat ik het exemplaar van mijn broer leende, allez, probeer het eens, je zult zien dat je ineens vliegt – en ja, dat gevoel had ik inderdaad. Aanvankelijk fietste ik nog in gewone, sportieve kleding, een korte broek en een T-shirt. Ik heb een hekel aan die oude dikke mannen in te strakke lycrapakken die groepsgewijs de weg onveilig maken, daar wilde ik voor geen geld bij horen.
    Liefst fiets ik alleen. (…) het gaat me op de fiets uitsluitend om het geluk van het fietsen: het ritme, de pedaaltred, het lege hoofd, de ideeënstroom. En de inspanning, als intrinsiek onderdeel van dat geluk: het beklimmen van een pittige helling en voelen dat je een paar honderd meter voor de top nog eens flink kunt aanzetten – om vervolgens loeihard omlaag te knallen, de wind in de oren te horen suizen, sneller dan een auto door de bocht te vliegen – en er dan natuurlijk niet uit te vliegen.’

    Rantsoeneren

    De mooiste stukken zijn die waarin de dood of het naderende einde van een bevriende en/of bewonderde kunstenaar aanleiding geeft tot herinneringen. Zoals de stukken over Jacq Vogelaar en Anton Quintana in de november-notities.

    Bij alle complimenten die Een iets beschuttere plek misschien verdient, past ook een waarschuwing aan de lezer. Offermans pakt elk onderwerp aan met een grote hoeveelheid informatie en her en der verzamelde meningen. En dat kan bij het lezen van een groot aantal stukken ineens teveel van het goede worden, en daardoor later wellicht een reden het boek niet meer op te pakken. Dat zou zonde zijn. Daarom: rantsoeneer het lezen van deze bundel!

     

  • Leven tussen twee stemmen en twee tijden

    Leven tussen twee stemmen en twee tijden

    Het hoofdpersonage uit Joke J. Hermsens nieuwste roman, Ella Theisseling –  en ook haar zoon Tobias, kennen we al uit onder meer haar roman De profielschets. Kunsthistorica Ella Theisseling is in Rivieren keren nooit terug nog even zenuwachtig dan in De profielschets, waarin ze bij een psychiater liep omdat ze toen al niet goed bij haar herinneringen kon komen.

    Herinneringen
    Die poging onderneemt ze in Rivieren keren nog steeds. En het moet gezegd: met meer succes. Had Ella in De profielschets een schriftje waarin ze haar herinneringen opschreef, in Rivieren keren is het schriftje in twee delen opgedeeld: Herinneringen’ en ‘Reisjournaal’. Een verdeling waarvan Ella hoopt dat ze ergens bij elkaar zullen komen, net zoals ze hoopt de twee kanten van haar vader – de leuke en agressieve kant –  gedurende een reis door Frankrijk bij elkaar te brengen.
    In Rivieren keren nooit terug begint Ella aan een zoektocht naar de schilderijen van Vladimir Cazals.

    Ella put hoop uit herinneringen en uit tal van kunstuitingen, die in dit boek over elkaar heen buitelen en met die herinneringen samenvallen. Kunst als big mind en herinneringen als small mind. Taal, beelden, muziek, dat alles is familie’ concludeert Ella op het eind van het boek.

    Reisjournaal
    Je zou het boek, van Parijs naar de Gard, aan de hand van het boek kunnen nareizen, naar de streek waar Ella als kind kwam en haar herinnert aan haar ouders en haar vriendje Marc. De Gard met het aquaduct, met de Gardon ook, de rivier die je over kunt zwemmen, de ene oever (de kindertijd, de dood van de vader, de kloof met de moeder) achterlatend, maar ook nog niet wetend wat er aan de overkant wacht. Ella voelt zich op die manier een tussenwezen, want: ‘hier gaat het om, om dit tussen twee oevers staan, tussen twee tijden, twee stemmen, met mijn blote voeten in het water, balancerend op gladde keien.’ De tijd stroomt de ene kant op, de herinneringen de andere kant.

    Ella droomt veel tijdens haar reis die ze met haar auto onderneemt, waarin ze net zoveel tijd lijkt door te brengen als ze ook in De profielschets deed. Op een gegeven moment hoort ze het suizende geluid van een vallende man van een brug. Dat lijkt op een detectiveachtig element in het boek, zoals ook een zinnetje als ‘Ook Ella dacht dat ze het ergste nu wel achter de rug zou hebben’ aan een cliffhanger doet denken, maar beide elementen, deze droom en dat zinnetje, wordt niet op terug gekomen. Op die manier werkt het beeld van die vallende man eerder als een intertekstuele verwijzing naar in dit geval Camus’ La chute, waarin hoofdpersoon Jean-Baptiste Clemence een luide plons en een gil hoort nadat een vrouw van een brug de Seine is ingesprongen.

    Kunstgeschiedenis en filosofie
    Bij de keuze om een andere richting in te slaan, speelt het getal vijf een grote rol. Niet alleen de vijf zintuigen, waaronder horen en zien zoals ze symbolisch voor komen op de zestiende-eeuwse tapijten van de Dame met de eenhoorn in het Musée de Cluny, maar ook doordat de kerkklokken vijf uur slaan op het moment dat het Ella duidelijk wordt dat ze niet verder komt met louter herinneringen. En tenslotte natuurlijk in de opbouw van de roman, doe uit vijf delen bestaat: Het afscheid, Onderweg, Het zwart beweegt, Altijd het zuiden en Rots, steen, rivier.

    Zien komt natuurlijk duidelijk naar voren in het feit dat we Ella kunsthistorica is. Zo laat ze zich ook in deze roman kennen, zoals ze over het houtwerk in de St. Jean le Baptiste in Autun schrijft: ‘Begin veertiende eeuws, schatte ze het (…), maar ze kon er een halve eeuw naast zitten.’ Maar ze is ook in filosofie geïnteresseerd, gezien niet alleen het onderwerp van haar proefschrift, maar ook door haar stellingname als tussenwezen. Zij lijkt dit begrip namelijk te hebben ontleend aan de filosofie van Hannah Arendt. Arendt wees daarbij op het contact tussen mensen, Hermsen in de persoon van Ella op het contact tussen verschillende families, taal, beelden en muziek. Deze kunnen volgens Arendt een nieuw begin vormen. Dat doen ze ook in dit boek. ‘Je moet altijd een ander “tussen” opzoeken’, meent Ella, ‘als je met een nieuw verhaal op de proppen wilt komen.’

    Tijd en hoop
    Dat nieuwe verhaal vertelt Hermsen en het is een verhaal dat hoopvol eindigt. ‘Is tijd iets als “hoop” (Bloch)?’ was een vraag die de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden plaatste in een aankondiging van een cursus die Joke J. Hermsen er in 2010 gaf. In deze roman laat Ella Theisseling de lezer zien dat dit zo is: tijd is hoop.
    In Leusden zei Hermsen op een gegeven moment: ‘Zonder hoop geen verandering, weet ook Obama in de voetsporen van de filosoof van de hoop, Ernst Bloch.’ En: ‘We moeten ons over de hoop buigen, omdat de wereld niet klaar is.’  Het personage Ella Theisseling is nu niet alleen onderdeel geworden van een groter verhaal dat in verschillende romans wordt verteld, maar ook het verhaal van taal, beelden en muziek als één grote familie. Ella lijkt niet alleen haar doel te hebben bereikt, maar ook – met dank aan Hannah Arendt – aan een nieuw begin te staan. Ze keert niet terug naar haar jeugd, waaraan zowel gelukkige als nare herinneringen kleven, zoals rivieren nooit terugkeren, maar is een ander geworden. Misschien zelfs minder zenuwachtig als ooit tevoren.

     

  • Soepel en licht vallende poëzie

    Soepel en licht vallende poëzie

    Bij de confrontatie met poëzie van een schrijver die vooral van zijn romans en verhalen gekend is, moet men weerstand kunnen bieden aan de neiging de doorgewinterde prozaschrijver te willen ontmaskeren in de gelegenheidsdichter. Onder die laatste noemer mag Abdelkader Benali zich misschien wel scharen, want iets minder dan de helft van de 57 gedichten uit zijn bundel Wax Hollandais blijkt in opdracht geschreven. Maar wat is er op tegen, een prozaïst die wat bijklust in de poëzie?

    Illusie van de poëzie
    Benali komt in zijn derde uitstapje naar de poëzie in 21 jaar prozaschrijverschap in ieder geval met een magistrale openingszet in prozavorm! In de treffende anekdote De ontdekking van de poëzie verschijnt opeens een deurwaarder om huisraad in te vorderen wegens een fiscale schuld. De piepjonge Benali die enkel in termen van speelgoed denkt ziet anders dan zijn vader weinig gevaar. Uit een huis waarin zich immers nagenoeg geen speelgoed bevindt valt toch weinig te halen? Dat is echter buiten deze gewiekste deurwaarder gerekend. Als een heuse magiër toont hij hoe eenvoudig je ‘met kleine aanpassingen’ van allerlei spulletjes speelgoed kan maken. Het opent de ogen van het ventje. Het huis is opeens rijk aan speelgoed! Maar die rijkdom is maar een vluchtige illusie, want de deurwaarder komt de boel meteen inpikken. Die het wonder toont, laat het maar even duren. Moraal: alles kan in ons leven ‘met kleine aanpassingen’ meeliften op de illusie van de poëzie.

    Omwille van de aanpassingen
    Welnu, soms is het met die ‘kleine aanpassingen’ in Wax Hollandais heel aardig gelukt, als in de eerste drie regels van Leeuwarden, waar de woorden zich direct thuis lijken te voelen in het gedicht:

    Vrouwen twee keer zo groot als de mannen,
    Mannen twee keer zo groot als dit gedicht.
    In het binnenland ontdekt men een buitenland’

    Wanneer echter omwille van de ‘kleine aanpassingen’ uit een ander vaatje wordt getapt is het resultaat minder geslaagd, zoals in de eerste drie regels uit Bleekgezicht:

    Wanneer in uitgeklede gedachten verzonken
    ik de garderobekast van mijn vergeetachtige
    gehemelte leeghaal (…)’

    In dienst van de leesbaarheid
    Door overdaad overwoekerd houdt de poëtische illusie het hier verder voor gezien. Maar dit betreft gelukkig een atypisch citaat voor de dichter Benali. Hij bedrijft namelijk niet het soort poëzie waarbij de lezer gauw de draad kwijt raakt. Hij breekt de taal niet open noch stelt hij de gangbare grammatica op de proef. Hij is er de man niet naar om in zijn poëtische overspel al te pretentieus te werk te gaan. Leesbaarheid voorop. In Dieter, Rams een gedicht over de Duitse architect en industrieel ontwerper, lijkt Benali ook voor zichzelf te spreken als hij schrijft: ‘goede vormgeving is zo min mogelijk vormgeving / de schil om de mango die meegroeit met wat binnen is / dat is goede vormgeving.

    In deze bundel valt het dan ook nauwelijks op dat men hier gedichten leest. Qua vorm zie je hier en daar een sonnet en de bladspiegel verraadt meestal wel dat het om gedichten gaat, maar Benali laat de taal soepel en licht vallen om zijn verhaallijn. En hij laat het verhaal daarbij ook het meeste werk doen. Hoewel hij schrijft dat de mensen zich hem herinneren ‘als de man die leefde / uit zijn wond’, lijkt deze poëzie vooral te leven uit de beelden en verhalen die de dichter in de loop van zijn leven heeft verzameld. Benali, je tikt er tegen en hij verhaalt.

    Autobiografisch
    De illusie die Benali’s poëzie veelal wekt is dat de inhoud ervan enigermate autobiografisch is. In enkele gedichten (o.a. het mooie, lange gedicht De luit van mijn oom) doemt Marokko het geboorteland van Abdelkader Benali (1975) op. Al komt Benali zelf met een pesterijtje:

    ‘Een poging tot een autobiografie’
    In het dorp waar ik geboren ben
    staat een huis, in dat huis ben ik
    geboren, in dat huis waar ik
    geboren ben, is een kamer waar ik
    geboren ben, waar vóór mij nog niemand
    geboren was, totdat ik er
    geboren ben, en sinds die geboorte zijn er nog meer
    geboren maar nu staat het leeg
    wat wil je er nog meer over weten?

    Vaderschap
    In de afdeling Op vaderlijke toon lezen we hoe de schrijver zich in zijn gezinnetje van zijn vaderrol kwijt. Terwijl de atletiekliefhebber Benali om de hoek komt kijken in de reeks Studio Sport. Hij snijdt begrippen als ‘migrant’ en ‘inburgering’ aan met de lichte tred van de lange afstandsloper. Ondanks dat deze dichter het hier en daar laat regenen en men op regels stuit als ‘Ik smeekte de huisarts om pillen die de vreugde weer terug zouden brengen’, overheerst in deze bundel een vitale, luchtige, zonnige, speelse maar ook beheerste toon. Het wordt nergens echt gevaarlijk of dreigend, al worden hier en daar aardige oneliners geserveerd als ‘omdat de tijd verveling minus hobby’s is’.

    Het is wat het is
    Echt lastige vragen worden niet hardop gesteld en God blijft gewoon met een hoofdletter geschreven. Een zin als ‘ergens in het midden dobbert de hoop als een eendje’ wordt dan ook niet geschuwd. De gedichten worden al met al niet veel groter dan de gevoelens, de gedachten die eraan ten grondslag liggen. 1+1 wordt hier zogezegd geen 3.
    In het gedicht Dordrecht uit de stedenreeks Urbi et orbi, komt ook de humor nog even om de hoek kijken. Hierin deelt Benali in de beginregel mee het Dordtse stadsschoon in eerste instantie te hebben opgesnoven van een ingezonden foto van een gracht aldaar uit een Wibrafolder. Om aan het eind te bekennen: ‘Wanneer ik er voor het eerst kom / zie ik alleen geen gracht, wel een Wibra.’

    Al met al een bundel waarin de waarde van het leesgenot enige graden hoger ligt dan de poëtische waarde. Eerlijk is eerlijk: de meeste gedichten lezen gewoon lekker weg. Poëzie die men dus gerust cadeau kan doen aan wie niets met poëzie heeft. Te aardig om er iets onaardigs over te zeggen.

     

     

  • Van Saulus naar Paulus 

    Van Saulus naar Paulus 

    ‘Zeg maar ja tegen het leven’

    Ilja Leonard Pfeijffer heeft in Brieven uit Genua zijn brieven uit de jaren 2012-2015 bij elkaar gebracht, die gericht zijn aan werkelijk bestaande personen, onder meer zijn vroegere geliefde Gelya, zijn moeder en officiële instanties, waaronder zijn uitgever. De auteur heeft dit brievenboek geconstrueerd tot een roman van het echte leven van Ilja Leonard Pfeijffer. De lezer neemt aanvankelijk deze constructie voor lief, totdat er een wending plaatsvindt, die de geloofwaardigheid van het boek enigszins op losse schroeven zet.

    Aanvankelijk is het lezen van dit brievenboek een spannend avontuur. In majestueuze brieven stelt de auteur allerlei zaken aan de orde die hij belangrijk vindt: zijn schrijverschap, zijn leven in Genua, zijn reizen, naar Nederland en naar Italiaanse steden, zijn liefdes en zijn vriendschappen. Verder becommentarieert hij belangrijke en minder belangrijke kwesties, zoals de Nederlandse politiek en het koningslied. In enkele, kort na elkaar geschreven brieven rond de kerstdagen van 2014, gericht aan zijn jongere ik, slaat hij een ronkende toon aan over zijn drankgebruik, zijn liefdesleven en zijn schrijverschap. Wie deze brieven als maatgevend neemt voor het geheel –zoals Volkskrantrecensent Arjan Peters doet – kan niet anders dan met afschuw over dit boek spreken. Maar het boek bestaat uit veel meer dan deze – vermoedelijk later toegevoegde – brieven aan zijn jongere ik.

    Gegrepen door de stijl
    Pfeijffers stijl is meeslepend en rijk, zijn taal versiert, betovert, omfloerst, stelt aan de kaak, ontwricht, snijdt, steekt, verfraait en spiegelt. De lezer die zich door hem laat meevoeren komt overal. Pfeijffer neemt de tijd om zichzelf en de wereld om zich heen, met name Genua, breedvoerig aan de orde te stellen, en hij lokt uit tot tegenspraak, instemming, overdenking, schouder ophalen. Hier is een schrijver aan het woord die de ruimte van het volledig leven tot uitdrukking wil brengen met alle literaire instrumenten waarover hij beschikt.

    De achtbaan van zijn leven in deze brieven is geloofwaardig tot de grote wending, die wel aangekondigd wordt als literair-compositorisch middel, maar niet onvermijdelijk wordt gemaakt vanuit de ontwikkeling van de auteur die zich tot ons richt. Die omslag kan simpelweg worden weergegeven met de regel ‘Zeg maar ja tegen het leven’, verwijzend naar een liedje dat Wim Sonneveld in de jaren zestig zong. Na de omslag is de lezer niet meer onder de indruk van de prachtige zinnen, scherpe gedachten, ironische oprispingen en intellectuele opmerkingen uit de eerste 630 pagina’s van het boek, maar vraagt hij zich af of deze omslag wel geloofwaardig is.

    Teleurgesteld door de constructie
    De omslag houdt in, dat Ilja Leonard Pfeiffer, volgens een brief, gedateerd 31 maart 2015, helemaal gegrepen is door de liefde voor ene Stella (haar achternaam komen we niet te weten), waardoor hij eindelijk een echt mens wordt, in plaats van de geschreven, onechte persoonlijkheid die hij daarvoor was. Mede door haar uitdrukkelijke wens stopt hij met drinken, waardoor hij de gelukkigste mens ter wereld wordt omdat hij eindelijk ‘bij zijn gevoel kan’, zonder de deken der ironie die de drank hem verschafte. Stella is de nieuwe verslaving waardoor hij onaantastbaar wordt.

    Deze wending is zo totaal dat het leven dat hij voordien leefde er eigenlijk niet meer toe doet. Die ‘oude mens’ kan hij en wil hij niet meer worden. Al is de cold turkey hem op sommige momenten te veel en wordt hij hierdoor meerdere malen tot een zielig hoopje mens. Hij zal echter niet terugkeren naar zijn oude ik, dat is voorbij, voorgoed voorbij, zoals alleen een bekeerling kan zeggen dat het verleden voorbij is. De wending komt voor de lezer als een verrassing omdat de lezer in de eerste 630 bladzijden nergens het idee heeft dat Pfeijffer niet verder kan met zijn oude leven. In de eerste 630 pagina’s van het boek is hij in literair-theoretische zin op zoek naar de liefde, maar dit verlangen is ingebed in een kathedraal van taal zodat je ver moet zoeken naar de pijn die er blijkbaar al die jaren onder heeft gelegen. Hij lijkt gelukkig en overtuigd van zijn bestaan. Daardoor lijkt de wending op de bekering van een boef in Arendsoog, een serie jongensboeken van de rooms-katholieke schrijver C.P. Nowee. De omkering gaat zover dat Pfeijffer de dronkaard Don die hij een paar jaar geleden opvoerde als een held in zijn met de Libris Literatuurprijs bekroonde roman La Superba nu afbeeldt als een loser, een aan lager wal geraakte man die eenzaam sterft op een ziekenhuisbed: ‘Op de dag van Dons dood heb ik beseft dat ik niet net als hij wil leven van de bijval voor mijn fictie, maar echt leven.’ Pfeijffer wil niet bekend blijven als de mythe die hij zelf heeft gecreëerd, maar als een echt mens. Hij zegt ja tegen het leven.

    Het brievenboek is de tegenhanger van La Superba waarin hij het leven van de hoofdpersoon Ilja Leonard Pfeijffer in Genua benadert vanuit de fantasie. Nu is de werkelijkheid het uitgangspunt, maar dan wel de werkelijkheid van deze schrijver die de taal en de drank hanteert om de werkelijkheid draaglijk te maken. In een brief aan zijn vroegere geliefde en huidige vriendin Gelya zegt hij dat de ware schrijver het werk niet modelleert naar het leven, maar omgekeerd. En dat doet hij inderdaad: hij laat Stella in zijn leven komen, omdat zijn brievenroman haar nodig heeft. Doet het ertoe of Stella echt bestaat? Doet het ertoe of hij echt gestopt is met drinken? Uiteindelijk is dat onbelangrijk, zolang de constructie voor de lezer geloofwaardig is. En op dat punt schiet het tekort. Hoe verpletterend mooi het brievenboek ook begint, de wending lijkt een literaire constructie, beter gezegd een deus ex machina, zonder een gerede aanleiding. Pfeijffer krijgt de compositie niet goed rond en de lezer blijft zitten met de paradox dat de persoon die hij leerde kennen, niet meer bestaat. Pfeijffer is als romanfiguur niet geloofwaardig als het personage dat hij van zichzelf heeft gemaakt.

     

  • Lotgenoten op weg naar hun loutering

    Lotgenoten op weg naar hun loutering

    De linkshandigen, de nieuwe roman van Christiaan Weijts, trekt in elk geval qua vormgeving meteen de aandacht. Het omslag is zo geconstrueerd, met de rugtekst rechts, dat je niet meteen ziet hoe het boek open moet – behalve als je je eventuele linkshandigheid zou volgen. En heb je het boek eenmaal open, dan blijken titel, paginanummers en colofon ook al rechts uitgelijnd. Zoals het stuur in een linksrijdende auto rechts zit.

    Inderdaad rijdt Simon Sinkelberg, de ene hoofdpersoon, een Engelse auto, met het stuur rechts dus. Hij is linkshandig (net als de schrijver zelf) en groeide op in Engeland. Daar verdiende hij zo goed en zo kwaad als dat ging zijn brood met tekeningen van straatgezichten, portretten en landschappen. Die tekende hij met zijn rechterhand omdat linkshandigheid op Engelse scholen rigoureus de kop werd ingedrukt.

    Als hij in de twintig is verhuist hij na een dramatische gebeurtenis naar Nederland, het geboorteland van zijn vader. Hij becommentarieert er, heel anders dan met zijn vriendelijke tekeningen in Engeland, voor de krant De Spiegel, op een venijnige en eigenwijze manier de actualiteit onder de cartoonistennaam Zink. Die spotprenten maakt hij met zijn linkerhand; noodgedwongen want bij het drama in Engeland is hij aan zijn rechterhand gewond geraakt.

    De roman begint als de hoofdredacteur van De Spiegel een vinnige prent van hem over de expansie van het telecombedrijf Stones & Middleton weigert. Het Britse bedrijf slaat zijn vleugels over het vasteland uit en Zink vergroot die greep bijtend uit in zijn prent. Als de hoofdredacteur bij zijn weigering blijft, neemt Zink/Sinkelberg zelf abrupt ontslag. Als hij wegrijdt pikt hij de liftster Katarina Landaart (zo verstaat hij de naam; later blijkt die Katharina l’Andart te zijn) op. Ze zeult een cellokist mee en wil naar België.

    Met elkaar geconfronteerd halen Simon en Katharina elkaars verleden naar boven, waarin de nodige parallellen zitten. Ook zij is linkshandig en ook zij is kunstenares. Zoals de cello haar verhaal met haar eigen verleden en het ongeluk van haar moeder verbindt, zo is de ene dure rechterschoen die Simon nog altijd bij zich draagt (de linker (!) heeft hij ooit kapot gestoken) de verwijzing naar het tragische einde van zijn zus Emma. Daar komt nog eens bij dat zowel Emma als Katharina een verleden hebben in een psychiatrische inrichting, maar om heel verschillende redenen.

    In de loop van het verhaal wordt duidelijk waarom de tekening van Zink die tot zijn ontslag leidde zo vol haat zat. Het blijkt alles te maken te hebben met het verleden van Simons zus Emma bij Stones & Middleton. Ook blijkt Katharina niet naar België te moeten, maar naar Frankrijk. Daar ligt haar moeder, die met de cello roem vergaarde, in coma. Katharina wil de cello nog éénmaal voor haar bespelen. Onderweg loopt Simon opnieuw een blessure op, nu aan zijn linkerhand, waardoor hij – opnieuw noodgedwongen – weer met de rechter moet gaan tekenen. Omdat hij zich daar in Engeland al in heeft bekwaamd, slaagt hij daar uitstekend in. Hij stelt vast dat hij tweehandig is en bovendien dat de tekeningen die uit zijn rechterhand vloeien weer milder zijn.

    Na de laatste ingrijpende verwikkelingen in Frankrijk, in het huis waar Katarina’s moeder wordt verzorgd, beleven zij en Simon hun loutering. Voor het zover is krijgt de lezer, tegen de achtergrond van het Carnaval dat gaande is, een cascade aan geheimzinnigheden te verwerken waarin recente maatschappelijke problemen als afluisterpraktijken, de grenzen van spotprenten (let wel: de roman is van vóór de aanslag op de burelen van Charlie Hebdo), hacking en privacyschendingen het verhaal zijn actualiteit verlenen. Weijts gebruikt daarbij zijn protagonist Simon ook nog eens om de val van de dagbladpers (de krant waarbij hij ontslag heeft genomen noemt hij ‘de slijpsteen van de geest’) voor de commercie hekelt – af en toe op een nogal obligate manier trouwens.

    De linkshandigen is knap opgebouwd en leest af en toe als een thriller. En het is onnodig te zeggen dat Christiaan Weijts kan schrijven. Toch zijn er ook mindere punten. Je wordt op den duur een beetje narrig van de grapjes met het woord ‘sinister’ (dat immers naast ‘onheilspellend’ in het Latijn ook ‘links’ betekent) en er wordt nogal wat van de goedgelovigheid van de lezer gevergd als Simon een geheim dat hij nooit met iemand heeft willen delen, wél vertelt aan Katarina, die voor hem dan nog een vreemde is en die hij nota bene voor geen cent vertrouwt!

    Er gebeurt ook wel erg veel toevallig in de roman. Al doet Weijts dat waarschijnlijk met een bedoeling. Over Simon lezen we namelijk: ‘Hij geloofde niet in God, maar had wel de overtuiging dat zijn leven de goede kant uit ging, dat het een steuntje in de rug kreeg. Vaak had het toeval hem op het juiste moment, soms op het nippertje, geholpen’, waarna een alinea volgt vol toevallige gebeurtenissen uit zijn leven tot dan toe. Dergelijke opsommingen komen trouwens vaker in de roman voor, over verschillende vormen van lachen, over mensen op straat in Parijs, over gebeurtenissen die een moment markeren, lijsten van linkshandige kunstenaars enzovoort.

    De linkshandigen is al met al een zeer onderhoudend boek over twee mensen in wier ontmoeting hun verleden voorbijtrekt in een spannend verhaal. Maar veel meer dan die spanning beklijft toch niet lang. Of het zou het liefdevolle laatste optreden van Katarina voor haar moeder moeten zijn, vlak voor haar (verwachte) dood. Of het gedicht van Wordsworth dat Simon zo graag voor zijn zus Emma had willen voordragen – wat niet kon door haar (onverwachte) dood.


    De linkshandigen

    Auteur: Chistiaan Weijts
    Verschenen bij uitgeverij: De Arbeiderspers (2014)
    Aantal pagina’s: 144
    Prijs: € 18,95

  • Voel het water gestaag tot aan je lippen komen

    Voel het water gestaag tot aan je lippen komen

    Tussen al het wit, grijs en blauw – de oranje Van Dis daargelaten – ligt een opvallend rode kaft. Drie witte bergtoppen in vuurrode wolken waarboven robuuste letters prijken: HOOGVLAKTE. Het is de nieuwste pennenvrucht van Naomi Rebekka Boekwijt (1990), een roman deze keer. Hoogvlakte een titel die nauw aansluit bij de verwachtingen, want já, ook die zijn hoog na haar indrukwekkende debuut nu bijna twee jaar geleden.

    Boekwijt debuteerde veelbelovend met de verhalenbundel Pels (2013). Zeven ijle vertellingen – meer nog karakterschetsen – over buitenstaanders en vrijheidsdrang. De bundel werd genomineerd voor de Academica Literatuurprijs (shortlist) en bejubeld in de pers. NRC vond het debuut ‘reden tot een feestje’, De Volkskrant was ‘benieuwd naar wat deze jonge schrijfster nog ontketenen zou’, De Standaard bestempelde haar als ‘dé verrassing van 2013’ en ook Literair Nederland was onder de indruk van de jonge schrijfster, sprak van ‘een prachtig debuut’. Unaniem was de roep om meer van haar te zien, bij voorkeur een roman.

    En daar is ie dan: de roman waar we zo nieuwsgierig naar zijn. ‘Het is altijd feest als je jong bent, zeggen ze’, zo schreef Boekwijt zelf – in Pels notabene. En? Heeft ze het bij het rechte eind? Mogen de slingers opnieuw uit de doos?

    Hoogvlakte speelt zich af op een boerderij in Zwitserland. De keuze is niet zo verrassend als je weet dat Boekwijt zelf – na haar studie Wijsbegeerte – naar Zwitserland is getogen en daar een boerderij bewoont. Ook hoofdpersoon Maite van Veen besloot Nederland te verlaten. Ze kreeg het er benauwd, dacht dat het afstand was die ze zocht. In het Zwitsere Feldi – eenzaam bergoord of all places – weet ze die te vinden. Op een ouderwets boerenbedrijf, gerund door de zwaar godsdienstige Moser (gelovend in God als straffende instantie: ‘toegeven dat hij ergens van genoot was voor hem als het begaan van een zonde’), gaat ze als knecht aan de slag. Stront scheppen, aardappels sorteren, koeien melken, de hele rataplan. Kortom handen uit de mouwen en werken geblazen.

    Tussen stugge Zwitsers, suikerbietensnippers, beesten en hooi – probeert Maite letterlijk werk te maken van het beklemmende gevoel. Wat het behelst? Dat blijft gissen. Dichtbij laat ze ons niet komen: ‘Er was iets wat het hoofd geboden moest worden. Het harde werken hielp daarbij. Het hield de boel ingedamd, zoals de dijken de Thur.’ Al gauw heb je zo’n donkerbruin vermoeden dat het probleem niet zozeer in Nederland ligt, als wel in de bevroren – louter in hoofd en handen levende – Maite zelf. Gevoelens zijn er wel degelijk, maar die mogen niet gevoeld en worden linea recta rationeel afgeserveerd, zoals indringend mooi beschreven bij de dood van een koe: ‘De brok in mijn keel was zo groot dat het zeer deed. Ik had nu wel genoeg beesten zien sterven om te weten dat je ze niet helpt als je ernaar staat te kijken. Dus ik wendde mij af.’ Veelzeggend zijn de scènes met ‘de grauwe’ – een robuust werkpaard – in wie Maite veel van zichzelf herkent. Via het beest krijgen we iets van haar binnenwereld te zien: ‘Hij herkende mij. Hij wist dat we wat met elkaar te maken hadden. […] Mooi of elegant zou hij niet worden, maar hij kon toch wat waard zijn vanwege zijn karakter. […] Zijn bestaan ging in ledigheid voorbij.’ Dat de identificatie met dieren behoorlijk ver gaat, blijkt uit de wijze waarop ze zichzelf beschrijft: haar handen zijn ‘klauwen’ en als ze straalt van geluk krijgt ze haar ‘bek niet terug in de plooi.’

    Veel spectaculairs gebeurt er niet in Maites leven. Het zijn vooral lange, elkaar opvolgende, monotone dagen die Boekwijt beschrijft. Werkdagen vol handelingen – zonder kleur en emotie – die zich bewegen naar het ritme van de beesten. Gaandeweg krijgt dit eentonige bestaan ook vat op de lezer. Maar gelukkig, op het moment dat de suikerbieten en het zurig kuilvoer je zo ongeveer de strot uitkomen, de landerigheid je aanvliegt, je net als Maite aan verveling ten onder dreigt te gaan, weet Boekwijt trefzeker het tij te keren. Een witte Volvo rijdt het erf op. Een charmante dame stapt uit met ‘een lach groot en gul, bijna te veel van het goede’. Leven op de boerderij! Spanning alom.

    Met de komst van deze vrouw wordt Maite duidelijk wat het werkelijke probleem is, beseft ze dat de oplossing niet in de afstand moet worden gezocht maar juist heel dichtbij: ‘Ik wist dat ik niet jankte omdat ik zo graag bij haar wilde zijn. Het was om de eenzaamheid die ik opnieuw verworven had. […] Dit oord benauwde me evenzeer als Nederland, alleen op een andere manier.’ Lukt het Maite los te breken, een wak in het ijs te slaan? Durft ze eindelijk de wereld binnen te stappen?

    Ondertussen dreigt het water van de Thur buiten zijn oevers te treden, is de buurman een egocentrische aasgier en schreeuwt God almaar harder in Mosers hoofd. Temidden van hoge bergen wapent eenieder zich op zijn eigen manier tegen dat wat is of nog kan komen …

    Boekwijts werk moet het overduidelijk niet hebben van kleurrijke scènes, een sprankelende dynamiek en hoogdravend taalgebruik. Het is de stilistische ingetogenheid – de resonantie van het verzwegen woord – die haar proza kenmerkt en zo krachtig maakt. Een knap staaltje ‘show, don’t tell’ waarbij de show vooral niet al te letterlijk dient te worden genomen. Boekwijt observeert, registreert, denkt zo nu en dan hardop na en laat de rest graag aan de lezer.

    Ze schrijft in kale, afgemeten zinnen – bijvoeglijke naamwoorden zijn een zeldzaamheid. Prachtig is hoe Boekwijt de klankkleur van de tekst mee laat groeien met de persoon. Waar in aanvang de taal overwegend gecontroleerd, ruw en stug is, wordt deze naarmate Maite meer ontdooit vrijer, rijker en warmer van toon. Ja, dat doet Boekwijt verdomde goed, evenals het beroeren van al de zintuigen, zie je de ploegen gestaag in de aarde zakken, hoort God tekeer gaan en voelt het water aan je lippen.

    En dan na 174 pagina’s verlaat je de bergen, ligt het boek dichtgeslagen op schoot. Je kijkt nogmaals naar de kaft. Ineens zie je iets anders: topjes van de ijsberg en een vurige, kolkende binnenwereld. Waarachtig, daar ligt Maite. De titel Hoofdvlakte was ook mooi geweest, schiet het door je heen. ‘Het is altijd feest als je jong bent, zeggen ze.’ En of!

     

     

  • Legpuzzel van een vervalsingscarrière

    Legpuzzel van een vervalsingscarrière

    Liefhebbers van Perec stond in 2012 een aangename verrassing te wachten. Éditions du Seuil besloot ter gelegenheid van de dertigste sterfdag van de schrijver diens Le Condottière uit te geven. Dat dit boek, één van de eerste onuitgegeven romans van Perec, bestond was bekend. Het was bij een verhuizing een tijd zoek geraakt nadat Gallimard publicatie ervan in 1960 had geweigerd. Nu is er ook de Nederlandse vertaling De Condottiere door Edu Borger, die in de jaren 90 van de vorige eeuw al drie andere romans van Perec voor Nederlandse lezers toegankelijk maakte.

    Waarom Gallimard de verschijning in 1960 niet zag zitten is gissen, want de roman is een waardige vertegenwoordiger van Perecs hele oeuvre. Alle thema’s van zijn latere werk zijn er al in aanwezig, soms prominent, soms in de kiem. Het duidelijkst geldt dat voor zijn obsessies met herinnering, identiteit, geworteldheid, leegte, ambities en het verschil tussen echt en namaak. Daarentegen zien we in De Condottiere nog nauwelijks de vormexperimenten, zoals de zelfgekozen beperkingen (‘contraintes’) die later zo kenmerkend voor hem worden. In de roman komen we al wel in embryonale vorm de autobiografische toespelingen tegen die in zijn hele oeuvre zo herkenbaar zijn.

    Maar eerst het verhaal in het kort.

    Gaspard Winckler raakt na een aanstelling tot restaurateur in een museum in Genève betrokken bij een netwerk van kunstvervalsers. Hij levert in opdracht van verschillende bazen twaalf jaar lang perfecte werken af. Tot hij van één van de kunsthandelaren uit het netwerk, Anatole Madera, de opdracht krijgt om een nieuwe Condottière te maken. Dat is de naam waaronder het doek  Portret van een man van Antonello da Messina uit 1475 bekend staat; het hangt in het Louvre. Winckler wordt gevraagd een schilderstuk te maken dat de expressie en de kracht van het origineel uitstraalt, maar géén kopie is. De vervalsers willen de wereld verbazen met de ‘ontdekking’ van een tweede portret van da Messina van dezelfde condottiere (een condottiere was in het Italië van de 14de en 15de eeuw een leider van huurlingen). Deze keer slaagt Winckler niet in zijn opdracht omdat de blik en de vastberadenheid van het voorbeeld hem confronteren met zijn eigen zelfbeeld. Langzaam beseft hij dat hij twaalf jaar lang een leven heeft geleid in de houdgreep van de handel in vervalsingen en nooit zichzelf is geweest. Hij faalt. En als dat besef hem in volle omvang aanvliegt vermoordt hij in een impulsieve daad zijn opdrachtgever Madera door hem in diens kantoor het hoofd af te snijden. Daarna sluit hij zich op in het aangrenzende atelier waar de Condottière op de ezel staat. Hij weet dat Otto Schnabel, de kamerheer van Madera, anderen uit het netwerk zal bellen om deze daad te vergelden. In grote haast en vervuld van een chaos aan gedachten graaft hij zich een weg naar de vrijheid en belandt bij zijn vriend Streten. Aan hem legt hij uit hoe zijn twaalf jaar als meester-vervalser zijn verlopen, voor welke keuzes hij stond en welke inzichten zijn daad en zijn falen hem hebben gebracht.

    Georges Perec (1936-1982) was kind van joodse ouders, die hij beide in de Tweede Wereldoorlog verloor. Vooral het verlies van zijn moeder en de Jodenvervolging komen in verschillende vormen terug in zijn werk, vooral in La Disparition (in het Nederlands vertaald als ’t Manco) en in W of de jeugdherinnering. Hij wordt lid van Oulipo (Ouvroir de Littérature potentielle, de Werkplaats voor potentiële literatuur), een genootschap van schrijvers (en puzzelaars) dat gelooft dat onvermoede creatieve bronnen kunnen worden aangeboord als je jezelf bij het schrijven strenge verboden en beperkingen (‘contraintes’) oplegt. Dit procedé beïnvloedt vooral de vorm van de romans van Perec, maar die vorm staat altijd in dienst van wat hij wil vertellen. Zo is La Disparition uit 1969 niet alleen een krachtproef om een boek te schrijven waarin de letter E niet voorkomt, maar ook een poging om uiting te geven aan het gevoel geen verleden te kennen waarin je geworteld bent. Hij vervatte de verbreking van de band met zijn joodse verleden (en lot) en met zijn vergaste moeder in verhalende vorm door de contrainte dat hij de meest voorkomende letter in zijn belangrijkste instrument, de taal, niet kon gebruiken.

    Voor wie De Condottiere nauwgezet leest zijn veel elementen uit later werk al te herkennen. Allereerst is er de hoofdpersoon Gaspard Winckler, die ook weer zal opduiken in W of de jeugdherinnering (1975) en in zijn omvangrijkste roman Het leven een gebruiksaanwijzing (1978), waarin hij de aquarellen van Bartlebooth verknipt tot bedrieglijke legpuzzels.

    We maken eveneens kennis met de stijlwisselingen die Perec vaak zal gaan toepassen. Al in de eerste twee pagina’s van De Condottiere wordt Wincklers verhaal bijvoorbeeld gedaan in drie persoonsvormen: de eerste, de tweede en de derde. Daarnaast wordt die geschiedenis op meerdere manieren verteld, eerst in de vorm van een monologue intérieur, daarna in een soort verhoor (zie hierna) en tenslotte in een korte documentaire beschouwing over da Messina en zijn schilderij.

    Bovendien wordt het boek aan de lezer voorgeschoteld als een legpuzzel. Tijdens het graven van een uitweg uit het atelier tuimelen de gedachten van Winckler als een chaotische waterval over de bladzijden: herinneringen aan zijn leven, de paniek om op tijd weg te komen, de ervaringen tijdens het schilderen, eerdere vervalsingen enzovoort. Er is voor de lezer nauwelijks een touw aan vast te knopen. Het dwingt je om terug te bladeren en zelf verbanden te leggen alsof je de stukjes van een legpuzzel op hun plek probeert te leggen. Dat is geen vreemde vergelijking als we bedenken hoezeer puzzels een rol in Perecs werk speelden. Het leven een gebruiksaanwijzing draait grotendeels om de al genoemde legpuzzel voor Bartlebooth. Maar het past evenzeer in de stelling van Perec die hij ooit in een interview verkondigde: ‘Schrijven is een spel dat je met zijn tweeën speelt’. Of, zoals Manet van Montfrans schrijft in haar prachtige Georges Perec, een gebruiksaanwijzing: ‘Zelden zal een oeuvre zozeer geschreven zijn geweest vanuit de behoefte om met de lezer een maatschappelijk duel aan te gaan’. In De Condottiere vergelijkt Gaspard Winckler zelf zijn werk aan de vervalsing ook enkele keren met een puzzel.

    Aan het eind van de roman blijkt aan het verhaal een heel precies tijdschema ten grondslag te liggen. Dat wordt vooral duidelijk als Winckler de gebeurtenissen aan Streten vertelt in een dialoog die veel weg heeft van een verhoor en een gewetensonderzoek. Dan vallen de puzzelstukjes voor de lezer heel precies in elkaar. Winckler begon, blijkt dan, in 1943 met zijn opleiding tot restaurateur en werd in 1947 vervalser. Twaalf jaar later, op 28 februari 1959 (het jaar vóór Perec de roman voltooide) vermoordt hij Madera. Zelfs het tijdstip wordt exact gegeven: om 3 uur.

    Tegenover Streten maakt hij duidelijk dat de karakterisering van de Condottière door da Messina hem confronteerde met zijn eigen gezicht en zijn eigen lafheid. Twaalf jaar lang had hij zich afhankelijk gemaakt van zijn opdrachtgevers en zijn eigen gevoelens genegeerd. Plotseling was er het inzicht dat hij zijn eigen leven diende te leiden. Als Streten hem bij herhaling vraagt of hij dan geen andere keuzes had kunnen maken, leidt dat tot het inzicht dat hij dat niet kon zonder Madera te doden:

    Ik leefde alleen dankzij hem, maar ik had de kracht in opstand te komen en hem te vermoorden, de kracht om me van hem te ontdoen… om me tegen hem te verzetten, tegen alles wat van hem afkomstig was, zijn hulp, zijn vergiffenis, zijn poen, zijn voedsel en zijn begrip… Hij zwierf als een gier om mij heen, maar ik heb hem de nek omgedraaid, ik heb hem de strot afgesneden… Hij maakte me het leven mogelijk, maar ik bestond niet. Ik was de gevangene van mezelf, maar hij was teveel cipier.

    We herkennen in De Condottiere ook al biografische gegevens van Perec. Het is niet toevallig dat Winckler zijn carrière begint in 1943 (het jaar waarin Perecs moeder naar Auschwitz werd gedeporteerd) en dat hij geen contact met zijn ouders meer heeft (die van Winckler leven nog wel – in tegenstelling tot Perecs eigen ouders –, maar hij weet zelfs niet waar ze wonen).

    ‘Heb je je verleden nodig om te kunnen leven?’, vraagt Streten hem. Winckler reflecteert daar een paar pagina’s later op met: ‘Het [vervalsersleven] was een raar bestaan. Zo ontzettend onecht. (…) Een leven zonder wortels. Zonder bindingen. Met als enige verleden het verleden van de wereld, abstract en verstard, als een museumcatalogus. Een bekrompen wereld. Een kamp. Een getto’.

    Een dergelijk citaat brengt je onmiddellijk bij een existentiële kwestie in het leven van Perec zelf. Die deed in zijn werk verwoede pogingen (onder andere in de verzamelbundel Ik ben geboren) om persoonlijke herinneringen minutieus te beschrijven. Hij wil op die manier vat krijgen op zijn leven omdat hij het gevoel heeft alleen die ‘museumcatalogus’ ter beschikking te hebben van de wereld waarin zich dat leven moet hebben afgespeeld. En hoe opvallend is in bovenstaand citaat niet de keus voor woorden als ‘een kamp’ en ‘een getto’ in het licht van de Jodenvervolging die Perecs familie trof?

    De keuze voor Le Condottière van Antonello da Messina als uitgangspunt voor de vervalsing is al evenzeer deel van Perecs eigen leven. We weten dat hij diep onder de indruk was van het doek en het vaak ging bekijken in het Louvre. De prachtige beschrijving ervan op pagina 135 en volgende van de roman geeft zijn eigen persoonlijke beleving weer. Een reden temeer voor zijn identificatie met het doek is een klein detail, een litteken op de bovenlip van de condottiere. Perec had in zijn jeugd zelf een dergelijk litteken overgehouden aan een ruzie met een medeleerling tijdens het skiën. Niet voor niets verwijst Winckler in de roman dan ook een paar keer naar een skivakantie uit zijn jeugd.

    Inderdaad: De Condottiere is volkomen terecht alsnog toegevoegd aan de beschikbare romans van Perec.

     

    De Condottiere

    Auteur: Georges Perec
    Titel: De Condottiere
    Vertaald door: Edu Borger
    Uitgever: De Arbeiderspers (2014)
    Prijs: € 15,00

  • Recensie door Machiel Jansen

    Recensie door Machiel Jansen

    In de lijstjes van beste boeken van het afgelopen jaar kwam Peter Terrin’s De bewaker regelmatig voor. Begin dit jaar kwam het terecht op de longlist van de Librisprijs, die in mei zal worden uitgereikt.

    Twee bewakers, Harry en Michel, bewaken een ondergrondse parkeergarage die ze niet verlaten. Ze slapen er. Ze wachten op een aflossing die misschien wel nooit zal komen. Ze slapen om beurten, bakken hun eigen brood en wachten op proviand die ze vervolgens met getrokken pistolen in ontvangst nemen.  Buiten is er gevaar en het kan alleen door grote oplettendheid buiten gehouden worden. Nieuws van buiten komt er niet. Het enige wat er van buiten binnen dringt zijn wat schaduwen, boomtoppen, een vlieg, het geluid van een fiets. Daar moeten ze het mee doen. Ze hoeven ook niets te weten, ze dienen hun werk zo goed mogelijk te doen. De organisatie waarbij ze in dienst zijn zorgt voor hun. Procedures dienen grondig nageleefd te worden, elk moment van verslapping kan fataal zijn.

    Dat is, kort gezegd, de basis van Peter Terrin’s De bewaker. Het is een uiterst vernuftig verteld verhaal waarin de spanning als een mist tussen de zinnen op komt zetten. Terrin’s werk is al vaker vergeleken met dat van Kafka, Beckett en Pinter. Het behoort zeker tot die traditie. Ook bij deze auteurs vind je onbenoemde dreigingen, het wachten op iets of iemand die niet komt, het vertouwen op procedures en onzichtbare en machtige instituten. Maar misschien interessanter dan de overeenkomsten met de genoemde auteurs, zijn de verschillen. De bewaker is vooral een verhaal van Terrin. Door het taalgebruik, zijn stijl, maar ook door er heel subtiel een eigentijdse draai aan te geven is Terrin erin geslaagd een heel indringend boek te schrijven.

    Het verhaal is helemaal in de tegenwoordige tijd geschreven en bestaat uit korte, genummerde hoofdstukjes. Het is Michel die vertelt en beschouwt. Hij is niet veel meer dan een toeschouwer en wanneer hij handelend optreedt doet hij enkel wat van een plichtsgetrouwe bewaker verwacht mag worden. Het is Harry die verklaringen zoekt, de buitenwereld probeert te reconstrueren en vermoedens uitspreekt. Hij is het ook die de situatie uiteindelijk ondraaglijk vindt en tot actie overgaat.

    Michel bekijkt en beschrijft. Zijn observaties van de omgeving en de dagelijkse gebeurtenis worden afgewisseld met nauwkeurige, zintuigelijke beschrijvingen van geuren, smaak en de nabijheid van Harry. Het is zeldzaam intens proza waarin je als lezer bijna fysiek kan opgaan. Neem bijvoorbeeld de beschrijving van het scheren. De bewakers hebben niet de beschikking over een scheermes en scheren zich met een aardappelschilmesje. Terrin weet het te verwoorden alsof je in close up het botte mes over de huid ziet gaan. En ja, soms voel je de beschrijving ook zintuiglijk. Zo krijgen de bewakers tot hun verrassing een pot jam in hun proviand. Een luxe die ze niet gewend zijn. De glazen pot valt kapot, maar Michel weet het merendeel te redden. Als je leest hoe hij de jam proeft met mogelijke scherven en splinters in zijn mond, krimp je ineen.

    In het begin van de roman gaan de ontwikkelingen traag zonder dat het verhaal aan spanning inboet. Maar op ongeveer twee derde van het boek gaat Harry tot actie over en verandert het karakter van de roman. Wat eerst een plotloos, vervreemdend boek over twee wachtende bewakers leek, wordt nu een bijna surrealistische thriller die me af en toe zelfs een beetje deed denken aan het werk van J.G. Ballard, de vorig jaar overleden Britse schrijver wiens werk nogal eens tot de science fiction wordt gerekend. Maar Terrin is vooral zichzelf en in daarin ligt ook de kracht van het boek.

    De bewaker is een duister verhaal dat je niet snel weglegt en dat lezers verdient. Een grote prijs zoals de Librisprijs zou Terrin dan ook niet misstaan.