• ‘Ik ben er weer’

    ‘Ik ben er weer’

    ‘Je moet niet zo veel piekeren!’, ‘Kom nou gewoon vanavond, wij peppen je wel op,’ ‘Probeer er toch maar van te genieten,’ en ‘Als je eens ging sporten?’. In zijn boek Knecht, alleen (het vervolg op Jasper en zijn knecht) van Gerbrand Bakker zijn het stuk voor stuk goedbedoelde adviezen. De gedeprimeerde schrijver voelt zich het eenzaamst op de momenten dat zijn omgeving hem met deze opmerkingen uit het slop wil trekken. De depressie moet opgelost worden.

    Zijn favoriete auteur J.J. Voskuil indachtig tracht Bakker zo kaal mogelijk het fenomeen depressie te omschrijven. Geen metaforen, geen poespas, geen mooischrijverij. Het resultaat is een kwetsbaar, eerlijk en soms drammerig egodocument dat naast de eigen psyche eveneens de seksualiteit, populaire beeldcultuur en liefde voor taal, flora en fauna een ruime plaats biedt. Bakker staat er alleen voor, zowel in de Eifel, waar hij gedeeltelijk woont, als in Amsterdam, want zijn hond Jasper is overleden.

    (T)issues

    In Knecht, alleen fileert Bakker hardnekkige misverstanden omtrent depressie. Exemplarisch is Romana Vrede, die bij tv-programma DWDD als tafeldame het gedicht November van J.C. Bloem voordraagt. Het vers haalt haar naar eigen zeggen uit haar winterdepressie en de tranen biggelen over haar wangen. ‘Toen werd ik kwaad,’ schrijft Bakker. ‘Je bent gewoon een beetje somber, Romana. Gaat weer over, al is het maar in februari, als je de eerste sneeuwklokjes ziet. Maar hoe durf je dat een depressie te noemen? Je schiet vol als je een gedicht voorleest!’ Later in de uitzending schaart Trijntje Oosterhuis liefdesverdriet onder dezelfde noemer. ‘Of tafelheer Tim Hofman – die zoals gebruikelijk vreemd uit zijn ogen keek – het kende? ‘‘Hou op!’’ riep Tim. En Matthijs zelf? ‘‘Hou op!’’ riep Matthijs. Eelco Bosch van Rosenthal zat op de gastenbank. Eelco? ‘‘Hou op!’’ zei Eelco.’ Depressie is volgens Gerbrand een groot Niets. Je voelt niets, je ervaart niets, je bent niets. Het is onzegbaar, zelfs, of misschien wel juist voor een schrijver. Die eerbiedigt de taal en snapt als geen ander dat een depressie niet te bezweren valt met typeringen als ‘hels’ of ‘vervelend’, laat staan verdwijnt na een potje janken met Van Nieuwkerk. Zoals de schrijver droogjes opmerkt bij het zoveelste bezoek aan de psycholoog: ‘Altijd die doos met tissues op die tafels. Je ziet hem meteen en je vraagt je af: ‘‘Gaat er gehuild worden?’’’

    Schriftsteller, Naturschützer, Kritiker

    Gerbrands boeken zijn ook in Duitsland ongekend populair – om niet te zeggen lesenswert. In het gelijknamige tv-programma wordt hij geïnterviewd over zijn oeuvre. Het interview vindt plaats in zijn woning in de Eifel. Bij de aftiteling van Lesenswert blijkt een functie aan zijn schrijverschap toegevoegd: natuurbeschermer. Als een Hollandse Cesar Millán windt hij namelijk iedere hond om zijn vinger, hij voedert allerlei gevogelte in zijn tuin en ook de botanici onder de lezers halen hun hart op aan Knecht, alleen. Verwacht echter geen monologen à la David Attenborough. Gerbrand Bakker walgt van de Britse borstklopperij. Op een schrijvers- annex yogaretraite waar veelal Engelsen aanwezig zijn, verpulvert hij de Engelse dweepzucht: ‘Dat het wellicht raadzaam is een volgende keer niet uitsluitend Dickens of Shakespeare of Keats als voorbeelden aan te halen tijdens hoog intellectuele gesprekken. (…) Lees eens buitenlands! riep ik. (…) Of ze (…) wel doorhadden dat er elders op de wereld ook boeken geschreven werden? Dat je ook een Thomas Mann kon aanhalen als voorbeeld van het eenofander [sic], of Fernando Pessoa of Arto Paasilinna?’ Ook klaagzangen richting commercials, zoals die van ABN-AMRO, treffen doel: ‘Heeft die de opdracht gekregen zo’n akelig arrogante lul te spelen? (…) ‘‘Hoe ik het doe?’’ En dan die schalkse blik in de camera. Gatverdamme.’

    Machismo

    Toch is de auteur het hardst voor zichzelf. Na een droom waarin Bakker als een Gustav von Aschenbach om erkenning smeekt bij een 15-jarige jongeman die lijkt op de beeldschone Tadzio uit Der Tod in Venedig, schrijft hij: ‘Als dit een verhaal van iemand anders zou zijn, zou ik denken: ja, leuk en aardig allemaal, poëtisch ook, maar die schrijver moet eigenlijk een schop onder zijn reet hebben.’ Zijn latent aanwezige geaardheid speelt volgens hemzelf amper een rol in zijn werk, omdat zij een gegeven is. Het is er gewoon. Tegelijkertijd vindt Bakker het opvallend vaak nodig om films als Moonlight en Call me by your name af te kraken vanwege hun homo-gehalte: ‘Mijn grootste bezwaar was dat als je de homoseksuele component uit de film weg zou laten, (…) er niets van de film over zou blijven.’ Het is een kortzichtige opvatting in dit overwegend zelfbewuste boek; hij had er nooit last van, omdát hij er geen probleem van maakte, ‘zonder enig activisme.’ Oftewel, als je er een thema van maakt, vergroot je het probleem. Die interpretatie is even subtiel als tendentieus. Dat zou namelijk betekenen dat iets pas een probleem wordt als mensen onrecht aankaarten en dat te fanatiek doen. Bakkers poging het beslist níét over homoseksuele geaardheid te hebben doet denken aan mensen die voor anderen bepalen waar “we” het niet over mogen hebben.

    Waarom?

    Gaandeweg wordt duidelijk dat de auteur zich voortaan toelegt op het schrijven van dagboeken en de romans laat voor wat ze zijn. ‘Maar waarom?’ vragen meerdere Duitse toehoorders bij zijn lezingen. ‘Een woord dat port en zuigt, onbekende diepten in wil, een antwoord verlangt dat niemand geven kan. Of een antwoord oproept dat bedacht is, een onecht antwoord, om die priemende vraag tevreden te stellen.’ Een voorlopige reden die hij zelf oppert, klinkt evenwel logisch. Zijn romans oogstten veel roem, maar gaven een verkeerd beeld van wie hij is. Hijzelf werd niet begrepen, hetgeen tot eenzaamheid leidde. Zelfs zijn ouders konden weinig met een depressieve zoon. Uiteindelijk komt het allemaal neer op verbinding. ‘Je veux de l’amour! (…) nee: gewoon keihard de rauwe waarheid uitschreeuwen.’ Tot zijn verbazing concludeert hij dat zijn overleden hond Jasper zijn ware liefde is. ‘Wat schreef ik daar nou? Hij bleek niet de fijne kameraad die ik me gewenst had en toch heb ik erg van hem gehouden. Dat kan dus, met een hond. Waarom kan ik dat dan niet met een mens?’ 

    Daarom

    ‘Waarschijnlijk moddert iedereen maar wat aan, en zijn er goede, middelmatige en slechte acteurs,’ besluit Bakker. Deze wijsheid moge platgetreden klinken, de schrijver heeft simpelweg niet de pretentie iets nieuws mee te geven. Als antwoord op een negatieve recensie in de Neue Rheinzeitung smaalt de auteur: ‘“Hat er der Welt etwas mitzuteilen?” Nou: nee. En: is dat niet heerlijk?’ Impliciet is Knecht, alleen wel degelijk betekenisvol, krachtig in zijn eenvoud. Na elke periode van depressie doet Bakker de simpele, sterke mededeling ‘Ik ben er weer’. Na het lezen van Knecht, alleen kunnen we concluderen: inderdaad, hij is er weer!

     

  • Oogst week 26 – 2020

    Onderwaterverhalen

    Onderwaterverhalen was volgens schrijver en dichter Ineke Riem niet wat ze aanvankelijk wilde schrijven: ze begon aan een roman, en eindigde met een heel nieuw manuscript, dat van een verhalenbundel. Ze werd onder andere geïnspireerd door een reis naar de Azoren en door het idee van een zogenoemde ‘eenheidservaring’ of verbintenis van afzonderlijke verhalen. Mensen die niet helemaal passen in de tijd waarin ze leven lijken een thema in haar werk: in haar nieuwste bundel hebben alle personages een ‘oude ziel’. Haar boek Rauw hart (2017) handelt over een man die geen binding voelt met het moderne tijdperk. Ook de sprookjesachtige sfeer en onderwatersymboliek keren in verschillende boeken van Riems hand terug: niet alleen in Onderwaterverhalen, maar ook in haar debuutroman Zeven pogingen om een geliefde te wekken (2013) en poëziedebuut Alle zeeën zijn geduldig (2015) – what’s in a name. Riem ontving voor Zeven pogingen om een geliefde te wekken de Bronzen Uil en de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs. Daarnaast werd haar debuut genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs.

    Onderwaterverhalen
    Auteur: Ineke Riem
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het boek der tranen

    Heather Christle schreef met The Crying Book, door Koen Boelens en Helen Zwaan vertaald als Het boek der tranen, een boek over de rol van tranen in onze hedendaagse samenleving. Ze schuwt haar eigen kwetsbaarheid daarbij niet: zelf verloor ze haar beste vriend en maakte ze een emotionele zwangerschap door. Haar ervaringen en beelden vervlecht ze met haar cultuuranalyse. Ze snijdt overkoepelende thema’s en vragen aan die te maken hebben met het fenomeen huilen: scheikunde, poëzie, geschiedenis, feminisme – hoe komt het toch dat huilen als iets typisch vrouwelijks – en (onterecht) zwaks – wordt gezien? –; semantiek – to cry is “luider” dan “to weep, schreien”, dat is het “natst”; esthetiek – Christle constateert wat er mooi en lelijk is aan huilen, en is nu eens droog en humoristisch, dan weer ernstig.

    Het boek der tranen
    Auteur: Heather Christle
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Ness

    Ness van Robert Macfarlane is lastig eenduidig te omschrijven: het verhaal doet zowel denken aan toneel als aan poëzie en is een moderne mythe, een met trekjes van een dystopische novelle. De Ness waarnaar met de titel wordt verwezen is de natuur van een landtong voor de oostkust van Engeland. Vroeger was er een militaire basis gehuisvest waar nucleaire experimenten werden uitgevoerd. Nu is de bunker vervallen en overwoekerd en strijden natuur en De Wapenmeester, een geheimzinnige kracht, om de heerschappij. De intrigerende zwart-witbeelden komen uit de pen van illustrator Stanley Donwood (pseudoniem van Dan Rickwood), die sinds jaar en dag het artwork van de band Radiohead verzorgt.

    Ness
    Auteur: Robert Macfarlane
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Alles is een keuze

    Alles is een keuze

    Terwijl ik De Afwezigen van Lieke Kézér lees, staan er wereldwijd mensen op tegen racisme. Soms overstijgt noodzaak het gezond verstand, verschijnen sommige boeken op het juiste moment in je aandachtsveld. Ik lig op de bank, bevind me afwisselend in Los Angeles en New York. Op de radio de dwingende stem van de interviewer die erom geroemd wordt dat hij zijn gasten het vuur aan de schenen legt. In het boek ben ik op het punt dat Joshua in 1981, (verwaarloosd, muzikaal wonderkind, enkele jaren bij zijn verslaafde vader in L.A. wonend), op zestienjarige leeftijd door zijn vaders vriendin Jessy op het vliegtuig naar New York wordt gezet. Dit gaat over vrijheid, die krijg je niet, maar moet je nemen zogauw de kans zich voordoet. De interviewer laat ondertussen zijn gast, een van de organisatoren van de demonstratie op de Dam, niet uitspreken. Ik vraag me af waar hij naartoe wil.

    En lees, ‘Ik bel een taxi,’ zei Jessy. ‘We gaan naar het vliegveld en dan koop ik een ticket voor je. Je gaat naar New York.’ Ze liep achterwaarts naar de telefoon, alsof ze hem er met haar ogen van zou kunnen weerhouden ervandoor te gaan, maar hij ging aan de tafel zitten en nam de door haar half opgerookte sigaret van de rand van de asbak. Met trillende handen draaide ze het nummer van de taxicentrale. ‘Hij is er over tien minuten,’ zei ze.’

    De interviewer van 1 Op 1 nodigt dagelijks mensen uit die het nieuws hebben gehaald, zet daarbij beproefde technieken in, zoals framing. Het is een spel. Hij ondervraagt zijn gast over de keuzes die tijdens de demonstratie zijn gemaakt. De geïnterviewde zegt, ‘het is een keuze geweest tussen twee virussen: racisme en corona’. ‘Dus je hebt doelbewust de regels overtreden’, hervat de interviewer. Als hij een cabaretier was zouden de lachers op zijn hand zijn. Nu voedt hij latente gevoelens van luisteraars die denken dat het allemaal wel meevalt. Toen kwam de BN’er (vast programma onderdeel) vertellen dat Surinamers, Marokkanen en Turken tot zijn vriendenkring behoren, het onderwerp een bagatel werd.

    In De afwezigen zijn hoofdstukken getiteld met een jaartal, 1978, 1987, 1981, 1996, 1984, 1977 en 2015, in die volgorde. Het heeft iets magisch, heen en weer te bewegen in de tijd, de sfeer van leven. Ieder hoofdstuk toont het beeld van een leven dat verloren raakte, op het punt stond verloren te gaan. Joshua, de spil van het verhaal, beweegt op de achtergrond, aanwezig zoals de afwezigen zich altijd op de achtergrond ophouden. Ze zijn er, ergens. De sfeer uit de jaren zeventig/tachtig is diffuus. In het laatste hoofdstuk, 2015 worden keuzes gemaakt waar dat in eerdere decennia bepaald werd door omstandigheden. Wat tien, twintig, veertig jaar geleden normaal was, is dat in 2015, 2020 niet meer. Zoals tijd voorbij gaat, komen nieuwe inzichten voorbij, worden kansen gegrepen. Dat gebeurde terwijl ik een roman las die schittert in intieme sfeerbeelden, Amerikaanse sfeerbeelden. Een ongekend verhaal, goed geschreven. Het lijkt van belang te moeten zeggen, ‘Lees het’, dus zeg ik het maar, ‘Lees het’.

     

     

    De afwezigen/ Lieke Kézér / De Arbeiderspers (2016)


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met mondkapje en schrijft over bewegingen aan de randen van de literatuur

  • Oogst week 23 – 2020

    Terug naar Tarvod

    Boris Dittrich werd vooral bekend als Tweede Kamerlid en fractievoorzitter van D66. Hij was advocaat en rechter en is wereldwijd actief op het gebied van mensenrechten voor LHBT’ers bij Human Rights Watch. Daarnaast is hij schrijver. Inmiddels kennen velen zijn thrillers. Nu is daar Terug naar Tarvod, een roman over het leven in een Israëlische kibboets in de jaren zeventig. Hoofdpersoon Sophie werkt voor een Rijksvastgoedbedrijf en spoort eventuele erfgenamen van eenzaam gestorven personen met een nalatenschap op. Oud-rechter Roman Ronnes is zo iemand, bovendien overleden onder raadselachtige omstandigheden. Sophie vindt zijn memoires waaruit blijkt dat Ronnes in de tijd dat hij in de kibboets woonde verwikkeld was in een onstuimige liefdesgeschiedenis. Hiermee maakt Dittrich van de roman een raamvertelling. Omdat Sophie zelf nog treurt om een verloren liefde raken Ronnes belevenissen haar zo dat ze zich vastbijt in de vraag of hij nog nabestaanden heeft en hoe hij is overleden. In hedendaags Israël doet ze daarover een onverwachte ontdekking.

    Terug naar Tarvod
    Auteur: Boris Dittrich
    Uitgeverij: Ambo|Anthos

    De zwarte klok

    Een onderwijzeres, een politiecommissaris, een kinderpsychiater en een meisje van dertien. In een vredig Oostenrijks dorp aan het begin van de zomer worden deze vier mensen ongerust over een aantal vreemde gebeurtenissen. Er wordt een kind mishandeld. Iemand probeert zelfmoord te plegen. Een man maakt een dodelijke val van een bouwsteiger. Een speeltuin wordt verwoest en de etalage van een speelgoedwinkel wordt vernield. Er is iets gaande, er schijnen problemen te zijn, maar iedereen heeft het te druk met zijn eigen leven om ze te zien. Onafhankelijk van elkaar proberen de vier die het wel zien te begrijpen wat er gebeurt. Er zijn aanwijzingen, maar een duidelijk beeld van een misdaad ontbreekt. Wel blijkt dat mensen blind kunnen zijn voor het idee dat er iets mis is en dat agressie en redeloosheid kunnen opspelen zonder dat iemand de gevolgen ervan doorziet.
    Paulus Hochgatterer (Oostenrijk, 1961) is schrijver en kinderpsychiater in Wenen. Hij schreef tientallen boeken en won vele literatuurprijzen waaronder de EU Prijs voor Literatuur voor Die Süsse des Lebens.

    De zwarte klok
    Auteur: Paulus Hochgatterer
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Knecht, alleen

    In 2016 verscheen in de serie Privédomein Jasper en zijn knecht van Gerbrand Bakker, dagboekaantekeningen over zijn dagelijks leven in de Duitse Eiffel. Jasper is de ‘enigszins gedragsgestoorde, nauwelijks te disciplineren hond’. Maar in het wederom autobiografische Knecht, alleen, het vervolg op dit boek, is Jasper dood en Bakker weer alleen waardoor hij zijn leven als leeg ervaart. Want er is behalve geen hond ook geen mens als levensgezel te bekennen. Via onaantrekkelijke landen als Albanië en Bosnië-Herzegovina maakt hij een roadtrip naar Griekenland en belandt in een depressie. Somber vraagt hij zich af hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. Ondertussen werkt hij in de tuin, praat hij met vrienden en zijn ouders en probeert hij zijn leven weer in beter vaarwater te krijgen.
    Op zijn website dingetjes enzo schrijft Bakker over Knecht, alleen: ‘Ik heb gevraagd om een omslag in een paarstint. De vorige was oranje, maar dit voelde niet als een oranje boek. Dit is een paars boek.’ En: ‘Ik heb mijn moeder min of meer verboden het te lezen.’ Bakker daagt uit tot lezen.

    Knecht, alleen
    Auteur: Gerbrand Bakker
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 22 – 2020

    De verhalen die we onszelf vertellen

    De verhalen die we onszelf vertellen is een verzameling essays van Joan Didion (1934) over Californië, New York en de jaren zestig. De keuze maakte Joost de Vries uit haar eerder gepubliceerde werken als Slouching Towards Bethlehem, The White Album en Where I Was From. Joan Didion schrijft al sinds de jaren zestig over het leven in Amerika op onconventionele wijze. Haar overdenkingen lezen alsof je je onder de huid van een samenleving en haar persoonlijke leven bevind. Eerder verscheen van haar Het jaar van het magisch denken (2006 Prometheus), over het verlies van haar man, en Blauwe nachten (2012 Bezige Bij) over het verlies van haar dochter. Boeken die integendeel treurig zijn, of adviezen bevatten om verlies van geliefden te overleven. Het is essayistisch proza wat Didion schrijft.

    Haar essays gaan over het vrije leven in de jaren zestig, revolutionaire politiek, beroemdheden en persoonlijke reflecties. Haar stijl en observaties oefenen doorgaans een grote aantrekkingskracht uit op de lezer.

     

     

    De verhalen die we onszelf vertellen
    Auteur: Joan Didion
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het failliet

    Dichter Arnoud van Adrichem (1978) debuteerde in 2008 debuteerde hij met de dichtbundel Vis, die bekroond werd met de Hugues C. Pernathprijs 2009 en het Charlotte Köhler Stipendium 2009. In 2010 verscheen een bundeling essays, gedichten en vertalingen onder de titel Stemvork, in samenwerking met Jan Lauwereyns maakte. In 2015 publiceerde hij zijn derde dichtbundel, Geld. Zijn nieuwe dichtbundel Het failliet. Dichten over een faillissement, ervandoor gaan, op de vlucht voor schuldeisers. Wisselend vind je de dichter terug op een eiland, aan zee, opgesloten in zijn atelier. Maar waar hij zich ook bevindt, imaginair gaat hij gewoon naar kantoor en neemt plaats achter zijn bureau, dat overigens allang geveild. Ondertussen wordt alles waargenomen.

    Het eerste gedicht ‘Schelp’ begint zo, ‘Een open einde? / Nee, het is net begonnen /met een hondse grom.’

    Het failliet
    Auteur: Arnoud van Adrichem
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf

    Dichter Lamia Makaddam is geboren in Tunesië waar ze Arabische taal en letterkunde studeerde. Ze publiceerde drie dichtbundels in het Arabisch en won in 2000 de El Hizjra literatuurprijs. Op twintig jarige leeftijd kwam ze naar Nederland. Haar derde dichtbundel is nu naar het Nederlands vertaald is door Abdelkader Benali en kreeg de intrigerende, haast strijdlustige titel mee, Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf. Naast dichter is Makaddam ook journalist en vertaler.

    In de poëzie van Lamia Makaddam worden rauwe beelden opgevolgd door opwellingen van tederheid. Geliefden en minnaars worden vastgehouden, weer losgelaten en ten grave gedragen. In haar poëzie is niemand onschuldig in de liefde. Lamia Makaddams poëzie raakt aan haar sentimentele gevoelens maar gaat evenzeer om wraak, wraak als sentimentele aangelegenheid.

    Het is nog even wachten op deze bundel, verschijnt 5 juni.

    Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf
    Auteur: Lamia Makaddam
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas
  • Teruggevonden manuscript laat vroege ambities zien

    Teruggevonden manuscript laat vroege ambities zien

    In 1989 bezocht David Bellos, de biograaf van Georges Perec, Belgrado. Hij was er om Joegoslavische vrienden van de schrijver op te zoeken waarmee hij in het midden van de jaren 50 in Parijs was omgegaan. Eén van die vrienden, Mladen Srbinović, bleek een doorslag te hebben van de tekst van De aanslag in Serajevo van Perec. Bellos wist uit correspondentie van Perec dat het er moest zijn, maar had het tot dan toe niet kunnen vinden, ook niet bij de uitgevers die het hadden afgewezen. In 1992 vond hij in een archief in Parijs nóg een exemplaar. Het bleek te gaan om een versie die door een toenmalige schoolvriendin van Perec, Noëlla Melut, was uitgetypt. In beide versies stonden doorhalingen en tekstsuggesties die niet met elkaar overeenstemden, maar duidelijk wel van Perec’s hand waren. In 2016 verscheen de roman daarom met annotaties. Nu is er de Nederlandse vertaling door Edu Borger. Daarin is, net als in het Franse origineel, te zien wat in de verschillende versies is geschrapt.

    De aanslag in Serajevo is de vroegste roman van Perec die in druk verkrijgbaar is. Een nog eerdere novelle die Bellos eveneens in 1989 terugvond, Manderre, een pastiche op Paludes (Moerassen) van André Gide, is wel in het Frans maar nog niet in het Nederlands verkrijgbaar.
    Dat uitgevers destijds De aanslag in Serajevo afwezen is wel begrijpelijk, maar dat we het boek postuum alsnog kunnen lezen is evenzeer terecht, deze roman laat zien hoe Perec al vroeg (hij was 21 jaar toen hij hem schreef) nadacht over structuur en thema’s die in zijn latere werk sterker terugkomen. Daarover straks.

    Machtsstrijd

    De ‘ik’ in de roman raakt in Parijs verzeild in een groepje Joegoslavische vrienden, waaronder Branko, een filosofiedocent en zijn maitresse Mila, op wie hij verliefd wordt. Mila vindt hem beslist aardig maar blijft toch enigszins op afstand. Niettemin wil ze de ‘ik’ graag blijven zien en ze nodigt hem, als het groepje studenten is teruggekeerd naar Belgrado, uit om haar daar een paar weken op te zoeken. Daar worden zijn gevoelens voor Mila intenser en hij stelt zich ten doel haar nu daadwerkelijk te veroveren. Daarbij is Branko een sta-in-de-weg, hetgeen leidt tot een machtsstrijd die uiteindelijk uitmondt in een plan om Branko’s vrouw Anna zover te krijgen dat ze haar man vermoordt zodat de ‘ik’ Mila alleen voor zichzelf heeft. De climax vindt plaats in Serajevo, de stad waar in 1914 de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand en zijn vrouw door Gavrilo Princip werden vermoord met de Eerste Wereldoorlog als gevolg.

    Grote Geschiedenis

    Zoals gezegd: in De aanslag in Serajevo zijn diverse elementen te herkennen die in later werk van Perec veel meer uitgewerkt worden. Het meest opvallende daarvan is de structuur waarin het microniveau van het liefdesverhaal wordt verbonden met de grote Geschiedenis. Dat zal Perec later het overtuigendst doen in W of de jeugdherinnering. Daarin vervat hij zijn poging om zijn jeugd (met het allesoverheersende thema van het verlies van zijn moeder tijdens de jodenvervolging) te reconstrueren in hoofdstukken die steeds afwisselen met een gruwelijke parabel over de vernietiging van de joden.
    In De aanslag in Serajevo komt de koppeling van de kleine en grote geschiedenissen nog wat geforceerd over. Je zou met wat moeite parallellen kunnen zien tussen de rol die de ‘ik’ Anna toebedeelt en de rol die Servië aan de aanslagplegers toedichtte. En het zal ook niet toevallig zijn dat de ‘ik’ net zo jeugdig is Gavrilo Princip en zijn kornuiten. Maar erg overtuigend is dat niet.

    Analyse

    Vrijwel alles wat Perec later zou schrijven heeft een sterk autobiografisch karakter. Dat is ook hier het geval. Branko is duidelijk gemodelleerd naar de Joegoslavische docent kunstgeschiedenis Žarko waarmee Perec in Parijs bevriend was en Mila naar Žarkos maitresse Milka. In de ‘ik’ op zijn beurt is erg veel van Georges Perec zelf te herkennen.
    De analyserende manier waarop hij zijn eigen gedachten en gevoelens jegens Branko en Mila beschrijft, is moeilijk los te zien van zijn levensfase op dat moment. Zijn behandeling bij psychiater Michel d’Uzan blokkeerde en Perec voelde zich zowel in de liefde als in het schrijverschap falen. Je kunt je afvragen of de ‘ik’ in de roman bezig is te bewijzen dat hij wel degelijk in staat is een vrouw te veroveren of juist eerder dat hij een man de baas kan. Een aanwijzing voor dat laatste is misschien zijn terugblik: ‘Uiteindelijk is het zo dat ik me altijd Branko herinner en Mila nooit’.

    Precedent

    Er zijn ook kleinere elementen waarin de latere Perec al doorschemert. Zijn ironie bijvoorbeeld in een zin als: ‘Want in Serajevo kan het gebeuren dat de zaken niet altijd gaan zoals je zou mogen wensen en dat de kleinste handelingen overweldigende gevolgen hebben’. En een aantal pagina’s verder lezen we (als hij zint op zijn plan om Branko uit te schakelen): ‘Het was toch wel iets raars om naar Serajevo te gaan om er een aanslag te plegen. Er waren zonder enige twijfel precedenten geweest’.
    Voorts zullen minieme details, zoals de aanduidingen ‘Marie-Dinges’ en ‘Marie-ik-weet-niet-meer-wie’ voor een eerder liefje van de ‘ik’, Perec-kenners doen denken aan de kolderieke benamingen Karathoestra, Karakinkel, Karavaggio enz in Wat voor brommertje met verchroomd stuur achter op de binnenplaats?
    En we zien hier al de toespelingen op andere literaire werken, zoals Cyrano de Bergerac, en van Racine, Lamartine, Stendhal en anderen, zoals Perec dat later veelvuldig zal doen. De inleider bij De aanslag in Serajevo, Claude Burgelin, ziet in het ‘ik’/Mila-scenario tenslotte ook nog een Hamlet/Ophelia-motief.

     

     

  • Oogst week 15 – 2020

    De kunst van het nietsdoen

    Volgende week verschijnt De kunst van het nietsdoen, de eerste Nederlandse vertaling van Tsurezuregusa van de Japanse boeddhistische monnik Yoshida Kenkō. Hij leefde van ongeveer 1283 tot circa 1352 en was dichter, essayist en kalligraaf. Hij doorliep een strenge kloosteropleiding, maar bleef midden in het wereldse leven staan. De kunst van het nietsdoen bestaat uit 243 veelzijdige schetsen, anekdotes en essays waarin hij zijn gedachten over leven en dood, schoonheid en natuur, omgangsvormen en de geneugten van het leven uiteenzet. Langere en kortere gedachten, soms maar eenregelig, wisselen elkaar af. De dertiende begint zo: ‘Geen groter soelaas dan in je eentje bij een lamp te zitten met een opengespreid boek en bevriend te raken met iemand uit lang vervlogen tijden die je nooit hebt ontmoet’. Dat lijkt wel een aanbeveling om in coronatijd Kenkō ter hand te nemen.

    De kunst van het nietsdoen
    Auteur: Kenko
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot

    Duizend manen

    De nieuwste roman van Sebastian Barry, Duizend manen, begint met de simpele zin: ‘Ik ben Winona’. Zij is een indiaans meisje dat oorspronkelijk Ojinjintka (roos) heette, een naam die haar adoptievader echter niet kon uitspreken. Al snel na deze openingszin zet ze de toon voor haar verhaal: ‘Zelfs als je voortkomt uit bloedvergieten en rampspoed moet je uiteindelijk leren leven. Je moet om je heen kijken, zien hoe het ervoor staat, dingen verbouwen of dingen kopen, afhankelijk van het geval’. Het bloedvergieten en de rampspoed verwijzen naar de Amerikaanse Burgeroorlog die Winona als wees heeft overleefd. Ze figureerde al in Dagen zonder eind dat in 2016 verscheen. In Duizend manen heeft de auteur haar, zoals hij zelf in een interview zei, een stem willen geven.

    Duizend manen
    Auteur: Sebastian Barry
    Uitgeverij: Querido

    De aanslag in Serajevo

    In Nederland komt steeds meer werk van Perec in vertaling beschikbaar. Na De Condottiere in 2014 is er nu opnieuw een vroeg werk De aanslag in Serajevo. Het verscheen in Frankrijk pas in 2016, ver na Perecs dood. De aanleiding voor de roman was een ervaring van Perec zelf. Hij verbleef in 1957 in Joegoslavië en raakte daar verzeild in een driehoeksverhouding. Zijn daarop geïnspireerde verhaal verweefde hij met de moord op aartshertog Frans Ferdinand en zijn vrouw in 1914, die de aanleiding zou vormen voor de Eerste Wereldoorlog. In de roman zijn stukken uit het proces tegen de schutter Gavrilo Princip opgenomen. Door het verhaal van de geliefden te verbinden met de gebeurtenissen in 1914 legde hij daarin al vroeg (De aanslag in Serajevo is Perecs eerste roman) een verband tussen de wereldhistorie en zijn persoonlijke joodse geschiedenis.

    De aanslag in Serajevo
    Auteur: Georges Perec
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Oogst week 14 – 2020

    Het kind

    Christine Lavant (1915-1973), pseudoniem van Christl Thonhauser, was een Oostenrijkse schrijver. Vanaf haar geboorte kampte ze met verschillende gezondheidsproblemen. Toen ze aan longtuberculose en als gevolg daarvan scrofulose leed, werd ze behandeld met röntgenbestraling. De tuberculose genas, maar ze hield er afschuwelijke verbrandingen in haar hals en gezicht aan over. Onder meer haar ogen en oren waren beschadigd en daarnaast werd ze na de behandeling gekweld door zenuwpijnen.

    Deze ervaringen vormden de inspiratie voor Lavants novelle Het kind, nu naar het Nederlands vertaald door Ria van Hengel. Ondanks Lavens fysieke en later ook psychische problemen was ze gelukkig zolang ze schreef en dat geluk maakt deze novelle heel levendig.

    Het kind
    Auteur: Christine Lavant
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Sensorium etc.

    De eveneens Oostenrijkse auteur Friederike Mayröcker (1924) publiceert proza en poëzie. Daarnaast werkt ze mee aan hoorspelen en schreef zelfs een libretto. In het Duitse taalgebied won ze talloze prijzen en in 2001 kreeg ze een eredoctoraat van de Universiteit van Bielefeld. Ze staat bekend als de grand dame van de Oostenrijkse literatuur.

    In Sensorium etc. is voor het eerst een groot aantal gedichten van haar hand gebundeld het Nederlands. Annelie David en Lucas Hüsgen waren verantwoordelijk voor de vertaling. Het oeuvre van Mayröcker, en dus ook deze poëzie, wordt gekenmerkt door haar liefde voor het leven en de wereld. Zelf beschrijft ze haar werk als afbeeldingen die ze in taal verandert door in de afbeelding te klimmen en erin rond te lopen tot die taal wordt.

    Sensorium etc.
    Auteur: Friederike Mayröcker
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Het land van de handen

    Luuk Gruwez (1953) schrijft proza, poëzie, korte verhalen en columns. Deze columns werden onder meer gepubliceerd in De Standaard en De Morgen. Eén van de bekendste werken van Gruwez is het in 1998 verschenen Het land van de wangen. In dit autobiografische verhaal staat het Oosten van Vlaanderen centraal.

    Nu, meer dan twintig jaar later, schrijft hij over de plaats waar zijn wortels liggen: het Westen van Vlaanderen. Het resultaat hiervan is Het land van handen, een mengeling van brieven, dromen en dagboekaantekeningen, allemaal geschreven met een nostalgische ondertoon. Critici loven Gruwez’ stijl, compositie, humor en mededogen.

    Het land van de handen
    Auteur: Luuk Gruwez
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Leven zoals een boom leeft, zonder verwondingen

    Leven zoals een boom leeft, zonder verwondingen

    De Beierse stad Augsburg ligt op het punt waar de rivieren Lech en Wertach samenvloeien. Een eind verder stroomopwaarts aan de Wertach ligt Nesselwang. Deze twee plaatsen en rivieren vormen het decor van Omstandigheden, de jongste roman van Koos van Zomeren. Maar ze zijn meer dan een decor. Ze zijn ook de aders en ankerpunten, de metaforen, van de gedachtenstroom van hoofdpersoon Ronald Walraven die op zijn tweeënzeventigste zijn leven overziet en nadenkt over ouderdom, dood en hoe zaken anders hadden kunnen lopen.

    Het heden van de roman is 2018, Walraven heeft twee kinderen, dochter Debbie en zoon Leo. Hun namen vormen de titels van de twee delen van de roman. Het kortste eerste deel, ‘Ach Debbie’, draait om een laatste bezoek van vader en dochter aan het gebied van Lech en Wertach, waar het gezin zoveel vakanties doorbracht. ‘Wat verwacht je daar te zien?’, vraagt Debbie vóór hun vertrek. ‘Nou, niet veel misschien’, is het antwoord van Walraven: ‘een rivier en nog een rivier en hoe die als één rivier verdergaan – dat is waarschijnlijk alles’.

    Wegenkaarten

    Walraven hecht aan wegenkaarten. Hij is zeer precies in het uitstippelen van routes. In de roman worden de kaarten compleet met nummer, jaar van uitgave en schaalgrootte genoemd. Ze zijn Walravens houvast: ‘Dan is daar dat punt op de kaart en dan weet ik: daar ben ik geweest’.
    De reis van vader en dochter is een tastend onderzoek naar wat Debbie bezighoudt: ‘Ik heb steeds het gevoel dat je me iets wilt vertellen en dat het er maar niet van komt’. In feite is het een zelfonderzoek van Walraven die zich afvraagt waarin hij ten opzichte van zijn dochter is tekortgeschoten. Want wat in dit eerste deel een normale vakantietocht van vader en dochter zou kunnen lijken, komt in het tweede deel met de titel ‘Beste Leo’ in een heel ander licht te staan. Dat tweede deel kondigt hij tegenover zijn dochter in het eerste al aan als hij zegt te overwegen zijn zoon een brief te willen schrijven.

    Paarden

    In de brief aan ‘Beste Leo’ wordt al snel duidelijk dat de zojuist beschreven tocht met Debbie een heel andere dimensie heeft. Hij was niet wat hij leek en niet voor niets blijkt de naam in de titel te zijn voorafgegaan door ‘Ach’ – maar laten we hier een spoiler vermijden.

    De aanleiding voor Walravens brief vormt een een kranteninterview met Leo, die als kunstenaar grote bekendheid geniet om zijn schilderijen van paarden. Daarin maakt hij zijn vader ernstige verwijten. Hij blijft, net als in andere openbare optredens, obsessief vasthouden aan gebeurtenissen die in het gezin zouden hebben plaatsgevonden die voor hem een ongeneeslijk trauma vormen. Het interview is des te pijnlijker omdat Leo tien jaar geleden resoluut heeft gebroken met vader, moeder en zus en hen nooit meer iets heeft laten horen. Maar is dat echt zo? Walraven begint er aan te twijfelen als uit een boek een ansichtkaart dwarrelt van Leo aan Debbie die ruim na de breuk te dateren is.

    Het is één van de vele betekenisvolle aanleidingen die Walraven dwingen tot zelfonderzoek. Hij moet de raadsels waarvoor het verleden hem stelt onder ogen zien. Dat mondt uit in overdenkingen als deze: ‘Het is voorbij, dat besef ik maar al te vaak. Maar het zou niet voorbij zijn als het er niet was geweest, en als het er geweest is moet het ergens gebleven zijn, en als het ergens gebleven is moet ik het kunnen vinden. In de tussentijd moet ik maar zien te leven zoals een boom leeft: er zijn geen verwondingen, er zijn alleen maar omstandigheden’.

    Woordenangst

    Ronald Walraven was in zijn werkzame leven boekhandelaar. In 2006, een paar jaar voor de financiële crisis, heeft hij zijn zaak verkocht, maar zijn liefde voor boeken en kaarten is gebleven. Hij strooit in zijn mijmeringen volop met boektitels en zijn oordelen daarover; onder de gewaardeerde boeken zijn die van W.G. Sebald, die in het dorp Wertach aan de gelijknamige rivier werd geboren. In de brief aan Leo haalt Walraven herinneringen op aan zijn vakanties, zijn wandelingen, zijn relatie met zijn eigen vader en zijn honden. Bij die laatste spelen vooral de herinneringen aan de verdrinkingsdood van de ene en de ziekte van een andere hond een belangrijke rol. Daartussendoor lopen hinderlijk (voor hem) zijn ouderdomsklachten aan de lies en zijn ‘woordenangst’, de vrees in een gesprek te stokken omdat hij niet op de simpelste woorden kan komen.

    In Walraven herkennen we veel van de auteur van Omstandigheden, Koos van Zomeren zelf: zijn politieke verleden, zijn liefde voor de natuur, maar ook zijn relativering en zijn ironie. Een sterk voorbeeld van het laatste is dat hij Walraven laat zeggen dat hij romans met een gestaag toegenomen wantrouwen leest, vooral als die trauma-literatuur zijn: je vermoedt als lezer al gauw waar het heen gaat, maar dat geeft de auteur in het laatste hoofdstuk pas prijs. Omstandigheden zelf is echter precies zo’n roman. Pas aan het slot wordt de lezer de ware aard duidelijk van het conflict dat door kleine voorafgaande details gedoseerd is uitgeserveerd.

    Toespelingen

    De ironie gaat, zoals in veel werk van Van Zomeren soms gepaard met een grimmigheid en een relativering die zijn hoofdpersoon tot een sikkeneur lijken te maken. Er zijn tal van toespelingen die bij de lezer een glimlach van herkenning oproepen. Zo memoreert hij een bezoek van uitgever Geert van Oorschot aan zijn voormalige boekwinkel die hem (hem aansprekend als ‘Mijnheer Walschap’!) overhaalt om meer boeken uit de Russische Bibliotheek in voorraad te nemen; het is een bekende anekdote over de befaamde uitgever. En welke lezer krijgt niet meteen een beeld van een zekere politicus bij ‘de aanstichters van de rechtse revolte’: ‘Die beloven niks. Alleen maar afbraak. Wollt ihr die totale Vernichtung? Nou, dan gaan we dat regelen! Hoor je ze juichen, Leo?’ En zuur is hij, bijna op zijn Komrijs, als hij over de televisie vaststelt dat die ‘een venster op de wereld [had] zullen zijn, maar alles wat je krijgt is een venster op Volendam, inteelt’.

    Omstandigheden (op het omslag gezet als Omstandig heden, zonder afkortingsteken en met spatie, zal een verwijzing zijn naar het heden vanwaaruit Walraven zijn hele leven overziet) is een boek waarvan de plot zich moeizaam ontvouwt, mede door de springerige gedachtenstroom van de protagonist. Er valt echter volop te genieten van stijl, associatieve sprongen en wisselende stemmingen. Van Zomeren bewees al eerder (Sneeuw van Hem en De man op de Middenweg) dat hij veel meer kan dan reportages en columns schrijven. Omstandigheden is er een mooi nieuw voorbeeld van.

     

  • Nagelaten werk van Emmanuel Bove

    Nagelaten werk van Emmanuel Bove

    Van de Franse schrijver Emmanuel Bove (1898-1945) verscheen postuum het boek Un caractère de femme dat vorig jaar door Mirjam de Veth als Vrouwelijk karakter werd vertaald. De lezer wordt gedwongen zich af te vragen wat Bove met deze omschrijving beoogt. Mirjam de Veth rept in haar nawoord van ‘de pejoratieve betekenis van vrouwelijk: zwak, passief, grillig’. Hiermee wordt verwezen naar het romanpersonage Jacques met wie hoofdfiguur Colette een moeizame relatie heeft. Wanneer in die tijd een man als vrouwelijk werd neergezet, was dat meestal niet positief bedoeld en dat geldt ook hier. Het is misschien anachronistisch om over seksisme te spreken omdat de tekst oorspronkelijk uit de jaren dertig stamt, maar veel sympathie voor de ‘vrouwelijke’ Jacques roept de auteur niet op. Volgens De Veth is Colette echter sterker en heeft zij wel karakter. Met andere woorden: de titel is ambigu, het kenmerk van veel literatuur.

    Lethargisch bestaan

    Het verhaal gaat over de liefde van een jonge vrouw voor een Franse jongeman die in de Eerste Wereldoorlog een granaatscherf in zijn hoofd krijgt, opnieuw dienst wil nemen na de dood van zijn broer en wanneer dit niet wordt toegestaan de legerarts vermoordt. Hij wijkt uit naar Zwitserland en zijn geliefde Colette volgt hem. Ze leven een lethargisch bestaan, vervallen in een slachtofferrol waaraan ze niet lijken te kunnen ontsnappen.
    De thematiek herinnert aan Dostojewski: kan een mens boete doen voor zijn zonden? Is het werkelijk mogelijk om na ondergane straf terug te keren naar de oorspronkelijke situatie? Een ander thema is de onvolmaaktheid van alle menselijke communicatie. Soms benoemt Bove het expliciet als de personages elkaars drijfveren niet begrijpen. Dan is er meer sprake van ‘telling’ dan van ‘showing’.
    Volgens de theorie van het neurolinguistisch programmeren kan een tekst verschillende representatiesystemen hebben. Wanneer een schrijver veel tastwoorden gebruikt, zou deze appelleren  aan de emoties, wanneer er veel woorden voorkomen die met de uiterlijke verschijning van zaken en personen te maken hebben, dan roept hij vooral beelden op, wanneer het de stijl is die op de voorgrond treedt, gaat het vooral om de klanken die de toon  van het werk bepalen. Als een schrijver deze drie verschillende representatiesystemen allemaal gebruikt, dan zou er sprake zijn van een tekst met een universele aantrekkingskracht.

    Nadrukkelijk klankenrepertoire

    Bove introduceert het hoofdpersonage als volgt: ‘De ogen van de jonge vrouw gingen schuil achter een donkere tocque met een smalle rand die zwaar neerhing van de regen. Ze droeg een lichte droeg een lichte gummi regenjas, waarvan de kraag net als de kraag van een officiersjas omhoog werd gehouden met een riempje, en die van voren recht naar beneden viel, alsof ze geen boezem had.’ Woorden als ‘zwaar’ , ‘neerhing’ en ‘gummi’ zijn tactiel en appelleren aan de emoties, volgens de theorie, terwijl ‘ogen’, ‘donker’ en ‘lichte’ visuele woorden zijn. Qua toon is het een sober verhaal; Bove probeert de lezer niet te bedwelmen met een nadrukkelijk klankenrepertoire maar geeft een vrij zakelijke omschrijving van wat er gebeurt, zonder een staccato stijl te hanteren.
    Omdat Bove alledrie de registers gebruikt, zou men kunnen stellen dat er een universele werking van zijn tekst uitgaat. Deze tekst is echter enigszins onevenwichtig opgebouwd. In het begin herinnert de stijl aan negentiende-eeuws vertellersproza, terwijl de rest van het boek meer sober modernistisch is. Het is een tekst geput uit een koffer van nagelaten geschriften van Bove en helemaal ‘af’ voelt het boek niet aan. Toch is Vrouwelijk karakter de moeite waard, Bove weet namelijk de personages met sobere middelen tot leven te wekken en al zal de lezer hen niet helemaal begrijpen of sympathiek vinden, hij leeft wel sterk met hen mee. Bove weet de behoefte om door te lezen op te wekken. 

     

  • Een roman zoals enkel Maarten ’t Hart die schrijven kan

    Een roman zoals enkel Maarten ’t Hart die schrijven kan

    Het kan als aanmatigend worden beschouwd om Maarten ’t Hart een ras-ouwehoer te noemen, maar het is hier wel degelijk als compliment bedoeld. In De nachtstemmer doet ’t Hart deze naam eer aan. Zijn verhaal mag niet geïnterrumpeerd worden, moet doorgelezen worden tot het volgende hoofdstuk, pas dan mag er even gepauzeerd worden. En je weet: vroeg of laat, soms na vele omzwervingen keert de verteller terug naar het verhaal waar het uiteindelijk om gaat. Die manier van vertellen, met vele (vermakelijke, leerzame, stichtende) terzijdes maar tegelijk ook het in detail volgen van  elke stap van de hoofdpersoon waarbij onderweg elke vogel, vis of kruid op zijn pad vermeld moet worden, is zijn handelsmerk. Dat is even wennen, maar al snel voert
    ’t Hart de lezer mee in zijn bijzondere wereld.

    De kerkorgelstemmer

    In De nachtstemmer gaat het om Gabriel (roepnaam Gabe) Pottjewijd die kerkorgels stemt en wel – om precies te zijn – Schnitger en Garrelsorgels. Hij is vijftig jaar, was eens getrouwd met een Duits meisje dat omkwam bij een treinongeluk en leeft sindsdien voor zijn beroep. Meestal werkt hij in Duitsland maar in dit verhaal is hij ingehuurd om een orgel te stemmen in een klein Zuid-Hollands havenplaatsje waarin Maassluis valt te herkennen, de plaats waar’t Hart opgroeide. Na een lange treinreis vanuit zijn woonplaats Heiligerlee (Groningen) komt Pottjewijd er aan en ziet dat iedereen die uit de trein stapt zich hollenderwijs uit de voeten maakt. Het blijkt één van de vele eigenaardigheden van deze plek en zijn inwoners.

    Waar hij in Duitsland gewend is voorkomend behandeld te worden, heeft men in het Calvinistisch georiënteerde plaatsje een rechttoe-rechtaan aanpak die grenst aan het onbeschofte. Hotels kent men niet, hij komt na een zoektocht door straten met vreemde namen als Het Wijde Slop – ‘Zoiets noemde men toch deftig een contradictio in terminis, per definitie was een slop nauw, dus een wijd slop, dat kon helemaal niet, en het was een zijstraat van normale breedte. Dus wat nou, Wijd Slop?’ – terecht in het Zeemanshuis. Een café met enkele huurkamers en een stuurse waard die Boetekees heet en een grote bril zonder glazen draagt. Daar maakt hij meteen kennis met leden van de mannenvereniging Schrift en Belijdenis. Zij vergaderen over het waarheidsgehalte van het verhaal in Numeri 21 over de ezelin die, nadat zij driemaal door Bileam geslagen was, had gezegd: ‘Wat heb ik u gedaan dat gij mij driemaal geslagen hebt?’

    Kenner van de Schrift

    Maarten ‘t Hart zou Maarten ’t Hart niet zijn als hij zijn kerkorgelstemmer niet had voorzien van een zeer degelijke kennis van de Schrift. En in de kortste keren legt Pottjewijd dan ook aan de belijders uit waarom dit verhaal onzin is. Een dier dat niet alleen kan tellen maar ook praten, dat is toch niet geloofwaardig?
    ‘Ik keek naar al die ernstige mannenbroeders, ik dacht: hoe is het toch mogelijk dat al deze kerels die zotte, onwaarschijnlijke bijbelsprookjes zo moeiteloos accepteren als waargebeurd, hoe kan dat nou, pratende slangen, muren van water, drijvende bijlen, sprekende ezels, klokken die opeens achteruitlopen, Jona drie dagen in de buik van een vis, raven die je ontbijt aandragen, ja, het hele heelal plotseling stilgezet alsof het maar niks is, wonderbare spijziging, wandelen op water, opstanding uit de doden, mensenlief, zo’n hele Bijbel zotternij en apekool, en toch wordt het klakkeloos geloofd.’
    De aanwezigheid van deze ongelovige bijbelkenner deert de mannenbroeders niet, want voor zo’n discussie zijn ze bijeen en hij weet kennelijk waar hij het over heeft.
    ’t Hart trakteert de lezer ruimhartig op psalmen en bijbelteksten en ook is het hoofd van Gabe Pottjewijd gevuld met talloze muzikale herinneringen, van Bach tot Vivaldi, die hij royaal in het verhaal rondstrooit.

    De Braziliaanse weduwe

    Bij het stemmen krijgt Pottjewijd hulp van Lanna, de dochter van de bloedmooie Braziliaanse weduwe van een scheepskapitein. Het meisje wordt beschouwd als achterlijk, maar blijkt van onschatbare waarde voor de orgelstemmer. Toch gaat er al snel iets ernstig mis: ‘Want toen ik op woensdag echt aanstalten wilde maken om de stemming van het hoofdwerk af te ronden, en het meisje had gevraagd eerst eens even achter elkaar alle toetsen van het middenklavier in te drukken om een indruk te krijgen van de klankverhoudingen en de staat van die Dulciaan 16 voet, was er, terwijl ze nog maar drie toetsen had ingedrukt, en nadat de klok van de kerk plechtig negen slagen had laten horen, een verbijsterend lawaai losgebarsten – gerinkel van ankerkettingen, het gierend geluid van pneumatische boren, en nog allerhande andere daverdreunen – tot aan klinkhamers toe die zo te horen neerkwamen op ijzeren scheepsrompen.’

    Het orgelstemmen blijkt overdag onmogelijk te zijn door het lawaai van de nabijgelegen scheepswerf. Pottjewijd moet uitwijken naar de vroege ochtend, de avond en het weekend om aan het orgel te werken. De Braziliaanse 45-jarige weduwe neemt hem onder haar hoede. Over haar gaat het verhaal dat zij ‘(…) op een stralende zomerdag poedelnaakt midden in de Vliet, voorbij de Weverskade, door agent Kippenek werd aangetroffen en op de bon werd geslingerd. Met een speer in haar hand.’
    Niet dat de dominee  die Gabe dit verhaal vertelt het echt gelooft. Maar toch. De weduwe heet Gracinha en omdat zij ziet dat Gabe haar dochter serieus neemt en niet als achterlijk beschouwt, mag hij elke dag bij haar eten in plaats van een VGA-tje (vlees, groente, aardappels) te nuttigen in het Zeemanshuis.
    In ruil daarvoor leert hij haar beter Nederlands te spreken en stort zich daar met overgave op. De weduwe heeft moeite met het woordje ‘er’ en zegt zinnetjes als ‘heb nu wel vrede mee.’ 

    Een zeer ’t Hartiaans slot

    Waar de lezer van De nachtstemmer wel genoeg van kan krijgen, is het onophoudelijke corrigeren van de weduwe van haar Nederlands door Gabe in de tweede helft van de roman. Maar die ergernis wordt ruimschoots gecompenseerd door de steeds terugkerende herinneringen van Gabe aan Drieke, een reusachtige witte geit die in zijn kinderjaren verliefd op hem was en die telkens wegliep van de boerderij waar de geit woonde om bij hem te zijn. Toen Gabe als kind eens onaangekondigd de geit opzocht, zag hij hoe boer Ai Stront de geit bereed op een manier die Wim Kan ooit beschreef als ‘dat ene hondje heeft zand in z’n oogjes gekregen en dat andere duwt hem nou naar huis.’
    Deze herinnering is een van de vele zijsporen in de roman die breeduit worden uitgeschreven. Maar uiteindelijk draait het verhaal om de relatie tussen Gabe Pottjewijd en Gracinha die in het kleine plaatsje niet onopgemerkt blijft en de woede oproept bij een anonieme bewonderaar van de weduwe. Gabe ontvangt een dreigbrief en wordt achtervolgd en zelfs aangevallen. Hij maakt zich ernstig ongerust en wie zou dat niet zijn in zijn geval? De afloop van dit alles kan hier niet verraden worden. Maar het is een zeer ’t Hartiaans slot van dit fraaie en met kennelijk plezier geschreven ouwehoerverhaal.

     

  • Oogst week 3 – 2020

    Bowie's Boekenkast

    Ook mensen die niet zo bekend zijn met de muziek van David Bowie, weten vast wat een markante man het was. Dat hij heel veel las, zal echter niet iedereen weten. Hij zou ‘lezen’ zelfs genoemd hebben als zijn ultiem idee van geluk.

    Welke boeken hebben hem het meest beïnvloed? Bowie stelde zelf, drie jaar voor zijn dood, een lijst samen van boeken die zijn leven hebben veranderd. Dat zijn dus niet per se de boeken die hij het mooiste vond, maar juist die hij het belangrijkste en meest invloedrijk vond voor zijn leven, en die dus die iets over hem vertellen. Deze lijst is tijdens de grote ‘David Bowie Is’ tentoonstelling al gepubliceerd en ging toen meteen ‘viral’.

    De lijst in op internet al in te zien. Er staan beroemde boeken op van beroemde schrijvers, maar ook minder beroemde werken van (minder) beroemde auteurs.
    Per boek is een kort essay opgenomen over inhoud en auteur, je krijgt suggesties over welk (Bowie)-nummer je daarbij het best kunt beluisteren en nog vervolg-leestips. Het boek wordt daarmee een schier eindeloze lijst.

    Uitgeverij Orlando speelt slim in op Bowie’s lijst met o.a. de publicatie van De beste jaren van juffrouw Brodie (december 2019) van Muriel Spark en Circusnachten van Angela Carter (januari 2020).

    Bowie’s boekenkast is geïllustreerd door Luis Paadín.

    Bowie's Boekenkast
    Auteur: John O'Connell
    Uitgeverij: Uitgeverij Orlando

    Leugenaar

    Een van de grootste vertalers uit het Hebreeuws was Shulamith Bamberger (1947 – 2018). Zij was geboren in Israël en verhuisde als jonge vrouw naar Nederland waar zij vertaalkunde ging studeren. Zij vertaalde o.a. proza van onder meer David Grossman, Alon Hilu en Hila Blum, maar vertaalde o.a. ook Arthur Japin, Harry Mulisch en Willem Elsschot vanuit het Nederlands naar het Hebreeuws.

    Ook Leugenaar van Ayelet Gundar Goshen (Tel Aviv, 1982) heeft zij vertaald.

    Leugenaar gaat over de vriendelijke, altijd dienstbare, 17-jarige ijsverkoopster Noefar Sjalev.
    Als op een dag een beroemde zanger haar beledigt, loopt zij de zaak uit. Hij gaat haar achterna in de veronderstelling dat ze er met zijn geld vandoor gaat. ‘Noefars gil alarmeert de buurtbewoners en tot haar verbazing is iedereen ervan overtuigd dat de man haar seksueel probeerde lastig te vallen. En zij besluit hen dat te laten geloven. Met zwarte humor en diep inzicht in de menselijke aard beschrijft Leugenaar hoe een klein leugentje een groot verschil kan maken. In een wereld van mediahypes en alternatieve feiten laat de schreeuw van een meisje een hele stad twitteren.’

    Leugenaar is in verschillende landen een groot succes en zal ook verfilmd worden.

     

     

    Leugenaar
    Auteur: Ayelet Gundar Goshen
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Vuurgeesten

    Prachtige recensies kreeg het boek Vuurgeesten van de van oorsprong Zuid-Koreaanse schrijfster R.O. Kwon. Het is een debuut waar de schrijfster tien jaar aan schreef voordat ze het goed genoeg vond, maar daarna denderde het dan ook de bestsellerlijsten in.

    Vuurgeesten gaat over twee jonge mensen, Phoebe en Will, waarvan er één vanuit een schuldgevoel in de ban raakt van een sekte. De ander kent de aantrekkingskracht van het geloof, maar heeft er mee gebroken en worstelt vervolgens met de leegte die dat veroorzaakt.
    De religieuze groepering waarbij Phoebe zich aansluit wordt geleid door een charismatische oud-student met een twijfelachtig verleden en radicale opvattingen. Als de groep een aanslag pleegt en Phoebe verdwijnt, stelt Will alles in het werk om te achterhalen wat er gebeurd is

    Michael Cunningham zei over dit boek: ‘Spannend, angstaanjagend en diep ontroerend; een juweel van een boek. Het beste dat ik in lange tijd gelezen heb. Kwon heeft haar naam gevestigd.’

     

     

    Vuurgeesten
    Auteur: R.O. Kwon
    Uitgeverij: De Arbeiderspers