• Gedichten die ertoe doen

    Gedichten die ertoe doen

    Allard Schröder (1946) is bekend als auteur van essays en proza zoals de romans Grover en vooral De hydrograaf, waarvoor hij in 2002 de AKO-literatuurprijs ontving. Toch debuteerde hij in 2011 op 65-jarige leeftijd als dichter met de bundel Het meisje met de afstandsbediening, die tot stand kwam door een keuze te maken uit een verzameling poëzie die hij gedurende 35 jaar geschreven had. En in 2024 verscheen zijn tweede bundel, Lichtvang getiteld. Het zou zomaar kunnen dat deze bundel ook ontstaan is door een keuze uit de gedichten die Schröder in de tussenliggende dertien jaar heeft geschreven, want de opgenomen gedichten zijn zeer uiteenlopend van zowel vorm als inhoud, maar niet van kwaliteit, die blijft constant hoog.

    Het zijn gedichten van iemand die veel gezien en geleefd heeft en die daardoor wijs genoeg is om zich niet druk te maken om wat een ander van hem vindt. Schröder is geen moderne dichter en stoort zich niet aan poëtische conventies of modetrends. Er is moed voor nodig om zo volstrekt eigenzinnig te dichten, zonder acht te slaan op wat de tijdgeest voorschrijft of wat je populair maakt. De gedichten lijken puur te zijn geschreven voor eigen genoegen, als een weergave van de dingen die de dichter overpeinsd heeft en waarvoor hij nu en na veel schaven een passende formulering heeft gevonden. Daarbij mengt hij heden, verleden en toekomst dooreen tot een tijdloze wereld waarin realiteit en fantasie in elkaar overlopen. Nooit worden de gedichten zwaar, maar ook zijn ze nooit zonder betekenis. De dichter zoekt het in de lichtheid van het bestaan, zoals de titel van de bundel al aangeeft. Hij zoekt het in de romantiek van het leven, de sprookjeskant:

    ‘Ergens daartussen, tussen dag en nacht,
    vind je mij in het vale licht, oud schemerkind, al jaren
    bezig met zijn zoveelste ademtocht, daar leef ik
    in de zachte grijzen, te midden van stemmen nog zachter
    dan grijs – geen god of demon die zich daar laat horen.
    Dit is mijn rode uur, dat van licht nog even fonkelend
    spiegelt in onverschillig glas, voor het zijn dood smeult.’

    Het licht is overal 

    Het licht gaat altijd met de dichter mee. Het vergezelt hem op zijn reis door de klassieke oudheid in het gedicht ‘In Beneventum in het voorjaar van 268 van onze jaartelling’, dat een eerbetoon is aan de Griekse dichter Kavafis die over het verleden schreef alsof het nog steeds een levende realiteit was. Zo maakt Schröder ook geen onderscheid tussen oude en moderne poëzie: zijn werkterrein bestrijkt alle eeuwen. Dat is ook te merken aan de mythologische elementen waarover hij dicht: eenhoorns, griffioenen en nimfen bevolken zijn gedichten alsof ze echt bestaan. En de oude Griekse goden lijken nooit verdwenen te zijn. Rozenvingerige godinnen, najaden en silenen kondigen hun terugkomst aan. ‘Alles wordt nieuw, overal straalt groot licht / en zingt het weer, want de goden zijn teruggekomen. […] – de goden zijn weer onder ons // en alles is weer, zoals het hoort te zijn.’ De schikgodinnen bepalen het noodlot van de mens, zoals in het mooie gedicht dat begint met de versregel: ‘Een vrouw komt naar buiten, zet de handen in de zij.’

    ‘De vrouw strekt lachend de armen uit, zachte
    armen met kuiltjes, die kinderen hebben gewiegd;
    ze kruist ze over de borst en sluit de ogen.
    Dit is de dag der dagen, hiervoor wilde ze geboren zijn.’

    De draad van de tijd

    Ondertussen zitten onder een oude boom drie oude vrouwen, die ‘de draad van de vrouw [hebben] opgepakt en meegeweven.’ De vrouw heeft er geen besef van dat haar dood al voorbestemd is, maar de dichter aanvaardt dat gegeven zonder dat het afschrikwekkend is, het hoort er gewoon bij. ‘Intussen staat zij daar en zingt met gesloten ogen./ Haar stem snelt de wereld in, omdat het die dag is.’

    Naast Kavafis lijkt Schröder ook te verwijzen naar een andere grote dichter, Czeslaw Miłosz, als hij in het gedicht ‘Dat’ zegt: ‘Dat ik nu het onmogelijke moet doen:/ voorzichtig de wereld optillen/ en haar dan omkeren zodat we/ haar eindelijk van onderen kunnen zien.’ In het gedicht ‘De zin’ zegt Miłosz in de vertaling van Gerard Rasch: ‘Eenmaal dood zal ik de voering van de wereld zien./ De achterkant […]’.

    Er zijn meer verwijzingen naar de literatuur te vinden: versregels van bijvoorbeeld Goethe, Homerus, Willem Kloos, zitten in de gedichten verborgen. Ze leggen getuigenis af van wat in de poëzie van waarde is voor Schröder, van wat blijft, ook als al het andere verdwenen is.

    Leef je leven

    Het verleden wordt door de dichter niet alleen aangeduid door middel van de klassieke oudheid, maar ook door zijn herinneringen aan zijn jeugd, in het besef dat de tijd voorbij gaat en dat we ouder worden, maar bij hem hoeft dat niet per se een nadeel te zijn. Een lichte melancholie over de vergankelijkheid is hem niet vreemd, maar echt zwaar wordt het nooit, omdat de dichter met milde zelfspot in alles naar het licht zoekt. Leef je leven, zoek het licht, want eens zal alles voorbij zijn, lijkt de dichter te willen vertellen. De gedichten lijken door een gelukkig mens te zijn geschreven.

    Toch is de dood nooit ver weg, maar de dichter ziet die niet met angst tegemoet, omdat hij als  heiden zich opgenomen weet in de kringloop van het leven, waar elk einde steeds weer een nieuw begin betekent:

    ‘Uiteindelijk zal ik een herfstblad zijn
    en rood en bedachtzaam wikkend en wegend
    uit de hemel komen zweven
    om me voorzichtig neer te vlijen
    op wat me al is voorgegaan om ermee tot humus te vergaan
    voor wie na ons komt.

    Mooi einde.’

    Een einde van een mooi leven, ‘een leven als een zoete bries op een zomerdag.’ Deze gedichten doen ertoe. Zelfs als alles donker wordt, zal er ergens nog licht schijnen, zeggen ze.
    Schröder heeft dat licht gevangen in deze indrukwekkende en troostrijke bundel.

     

     

  • ‘Alleen de bomen, dromen, hoog boven ‘t verkeer’

    ‘Alleen de bomen, dromen, hoog boven ‘t verkeer’

    Een verdwaalde bioloog, verstrikt in cultuur en verloren in het leven, hervindt zichzelf in gesprekken en diepe vriendschappen met bomen. Dat is de korte samenvatting van De vriendschap van bomen. Heropvoeding van een bioloog van Arjen Mulder. Maar die samenvatting is te kort door de bocht en miskent de dwalingen die je als lezer krijgt te verstouwen en die je geregeld zullen doen afvragen wat zin en wat onzin is, en of je het boek het beste terzijde kunt leggen of toch maar moet verder lezen.

    Mulders zoektocht naar een betere band met zichzelf ontrolt zich ogenschijnlijk natuurlijk. Als hij zich tot bomen wendt en met ze begint te praten reageren ze meteen. Ze vertellen hem hoe ze heten (Perel, De Amsterdammer, Filibert) en adviseren hem welke stappen hij zou kunnen zetten. Vaker en vaker trekt hij er alleen op uit. Weg van zijn vrouw. Weg van de samenleving. Naar het bos om zichzelf te vinden.

    Wat bomen vermogen

    De bomen helpen hem zijn innerlijke onrust te verdrijven. ‘Wat de bomen met me uithaalden en wat ik ze liet doen, zonder me daar erg bewust van te zijn, was het kanaal zuiveren waardoor ik met hen en mijzelf contact kon maken. Ze schrobden mijn ziel schoon, al kostte het maanden voordat ik begreep welk vul ze op welk moment hadden weggespoeld.’

    Mulder ontmoet een druïde, een ‘bomendeskundige’, die hem wegwijs maakt in de leefwereld van bomen. Hij bemachtigt een ‘krachthoutje’, een takje van een zomereik, waarmee hij zijn contact met bomen verder verdiept, zodat hij zich nog vollediger en op haast sektarische wijze kan overgeven aan de kracht van bomen. ‘Alles wat onecht en negatief aan me was heeft het krachthoutje uitgedreven. […] Jarenlang was ik verdwaasd en verdwaald. Nu hoor ik weer bij degenen die het weten. Ik zal het nooit meer vergeten.’ 

    Over zin en onzin

    Is Mulders relaas over zijn groeiende vriendschap met bomen een getuigenis van hoe de auteur zichzelf hervindt of van hoe hij de weg kwijtraakt? Dat is de vraag die aan de orde komt in een duo-interview bij Vroege Vogels (BNN Vara, 18 augustus 2024), waarbij Mulder en zijn bomenlerares en druïde Maja Kooistra worden bevraagd over de zin en onzin van het communiceren met bomen. ‘Als bioloog’, zo zegt Mulder, ‘heb je een biologische manier van denken. Je maakt iets mee en daar probeer je dan een verklaring voor te vinden. In het begin heb ik de beslissing genomen om geen verklaringen te zoeken, maar het gewoon mee te maken.’ Een meemaken dat je, zo stelt Kooistra, dichter bij de kern van het leven brengt, waardoor je zelf ook meer gaat leven.

    In het interview wordt ook bosecoloog Jan den Ouden van de Universiteit Wageningen aangehaald. Volgens hem hoeft de subjectieve (niet wetenschappelijke) aanpak die Mulder en Kooistra volgen geen probleem te zijn. Zolang de communicatie met bomen maar niet verder gaat dan hoe iemand zich persoonlijk tot bomen verhoudt, en bijvoorbeeld niet leidt tot ander bosbeheer. Want dat baseert hij liever op wetenschappelijk bewijs dan op subjectieve waarneming. En wetenschappelijk bewijs voor wat Mulder en Kooistra beweren heeft Den Ouden niet gezien.

    Wereldbeeld van de verteller

    Geen wetenschappelijk bewijs. Is dat een probleem als je een boek leest? Als dat boek non-fictie is? Nee natuurlijk. Non-fictie hoeft niet wetenschappelijk verantwoord te zijn. Wel ‘subjectief verantwoord’, dat wil zeggen dat het vertelde consistent is met het wereldbeeld van de verteller. Want anders zou het alsnog fictie worden. 

    En subjectief verantwoord is Vriendschap van bomen zeker. Maar het verslag van hoe Mulders communicatie met bomen groeit en zich verdiept is integer. Ook al zullen veel lezers misschien moeite hebben alles te geloven wat hij boekstaaft. Hij had het zeker beknopter kunnen doen. In puntiger taal. Mulder is de eerste om toe te geven dat woorden hier misschien altijd te kort zullen schieten. ‘Ik weet dat ik nooit zal kunnen beschrijven wat hier gebeurde. Mensentaal is niet geschikt om boomgevoelens te verwoorden.’

    Hij weet dat bomen en mensen zich – ondanks de communicatie tussen hen – in een andere dimensie bewegen. Wat uiteindelijk het sterkst naar voren komt uit dat overbekende lied, waaruit Mulder tot tweemaal toe een zin citeert. Dat lied over doodgewone mensen, die aan de Amsterdamse grachten hun leven leiden ver van de natuur. Dat lied met die ene zin die volgens Mulder de kern van het lied is. En van het leven. ‘Alleen de bomen, dromen, hoog boven ’t verkeer.’

     

     

  • Briefwisseling tussen George Sand en Pauline Viardot

    Briefwisseling tussen George Sand en Pauline Viardot

    George Sand (1804-1876) is vooral bekend door haar romans en toneelstukken, zo’n honderd in totaal, haar autobiografie Histoire de ma vie en haar liefdesrelatie met Frédéric Chopin. Ze schreef duizenden brieven en haar vriendenkring omvatte ook andere beroemde mannen: Flaubert, Toergenjev, Alfred de Musset en Delacroix. In het katern met afbeeldingen zijn Sand, Viardot en Chopin afgebeeld, dat spreekt voor zich. Waarom Toergenjev en Alfred de Musset worden afgebeeld is een raadsel: ze worden in de briefwisseling namelijk nergens genoemd.

    Thérèse Marix-Spire heeft de briefwisseling tussen Sand en operazangeres Pauline Viardot (1821-1910) uit de periode 1839-1849 gedestilleerd uit de verzamelde correspondentie van Sand die in totaal zesentwintig delen beslaat. De brieven zijn prettig leesbaar vertaald door Rosalien van Witsen die ook het summiere voorwoord schreef.

    Hechte vriendschap

    Uit de brieven blijkt allereerst de hechte vriendschap tussen Sand en Viardot. En dat is meteen ook het grootste bezwaar dat je tegen deze uitgave kunt hebben: naar schatting bestaat een derde uit zinsneden waaruit blijkt dat ze elkaar zo vreselijk missen, uitnodigingen om op bezoek te komen en passages waaruit blijkt hoe teleurgesteld ze zijn als dat niet lukt. Vervreemdend werkt het dat ze elkaar moeder en dochter noemen (Sand is zeventien jaar ouder dan Viardot) en elkaar koosnaampjes geven. Interessant is wel het carrièrepad dat Sand voor Viardot uitstippelt: eerst in Spanje, Italië, Duitsland, Rusland en Engeland als operazangeres gevierd worden, en daarna pas Parijs veroveren. De vele passages over ovationeel applaus, bloemenhuldes en dankbetuigingen geven blijk van het succes van Viardot, maar ook daarin had – zonder informatieverlies – flink wat bekort kunnen worden.

    Sand en Chopin

    Tijdens het verblijf van Chopin op Sands landgoed ontvangt hij vele malen de groeten of laat hij deze overbrengen. In de brieven wordt hij vaak aangeduid met bijnamen zoals Fritz, Chipchop, Chipchip, Chopino, Chopinet of Chopinski. Daaruit blijkt een tweede bezwaar tegen deze uitgave: de vele voor- en bijnamen maken identificatie van voorkomende personen in de brieven niet eenvoudig. In het personenregister wordt namelijk gealfabetiseerd op achternaam, maar daarmee vindt de lezer dus niet iemand terug die met voor- of bijnaam wordt aangeduid. Eén voorbeeld: Daure op pagina 60 en 62 is een verbastering van de naam van de graaf Antoine Henri Philippe Léon Cartier d’Aure die onder de D niet in het personenregister voorkomt. Een simpele verwijzing bij Daure, zie D’Aure had volstaan.

    Uit de brieven is af te leiden hoe de verwijdering tussen Sand en Chopin ontstaan is, aangesticht en aangewakkerd door Sands dochter Solange en haar echtgenoot, de beeldhouwer Auguste Clésinger. Hij heeft vast ook schilderijen gemaakt, maar hem op pagina 146 als schilder typeren doet hem geen recht. Gelukkig wordt in het personenregister wel vermeld dat hij beeldhouwer was. Zijn bekendste beeldhouwwerken zijn Femme piquée par un serpent en het graf van Frédéric Chopin. Dat eerste werk zorgde in 1847 voor veel ophef op de Parijse salon. Het beeld toont namelijk een ontklede vrouw die kronkelend op de grond ligt na de beet van een slang. Vanwege de erotische lading kreeg het beeld de bijnaam ‘Volupté‘ (‘Wellust’).

    Solange en haar echtgenoot verlangen een grotere bruidsschat van Sand, waaraan ze – naar eigen zeggen – niet kan voldoen omdat er dan niets voor haarzelf zou overblijven. Chopin kiest de kant van de dochter en haar man en verdwijnt na negen jaar uit Sands leven. Ze mist natuurlijk de man, maar meer nog zijn muziek.

    1848

    Sand en Viardot hadden genoeg om over te schrijven in het roerige Frankrijk van het midden van de negentiende eeuw: natuurlijk over hun eigen leven, maar ze waren ook getuigen van de revolutie van 1848, de Tweede Republiek en de staatsgreep van Lodewijk Napoleon waarmee Frankrijk voor de tweede keer een keizerrijk werd. Teleurstellend is dat het grootste deel van de dagelijkse beslommeringen uitgebreid wordt weergegeven en de interessante politieke perikelen maar mondjesmaat in de brieven vermeld worden.

    Aan het eind van een brief gedateerd eind maart 1848 vraagt Sand aan Viardot: ‘Verbrand mijn brief’ (pagina 164). Gelukkig heeft Viardot aan die wens niet voldaan. Dat het wel degelijk gevaarlijke tijden waren tijdens de revolutie van 1848 blijkt uit het feit dat Sand bedreigd wordt: in een brief van 8 december valt te lezen dat politieke tegenstanders van Sand haar in La Châtre wilden ophangen (pagina 178).

    Van Witsen eindigt haar voorwoord met de opmerking dat de briefwisseling tussen de schrijfster en de nachtegaal ook na 1849 is voortgezet en dat die brieven te vinden zijn in de verzamelde correspondentie van Sand. Jammer dat die brieven niet toegevoegd zijn aan de gepresenteerde correspondentie. Of bevatten die brieven geen nieuwe informatie ten opzichte van de brieven die Sand en Viardot tussen 1839-1849 aan elkaar geschreven hebben?

     

  • Lange ketens met kwetsbare schakels

    Lange ketens met kwetsbare schakels

    De bundel Wat wij doen dat heet bewaren, van Siel Verhanneman valt uiteen in twee delen: Psoas, de zielenspier, en Uterus, daar waar het nieuwe leven ontkiemt. Twee plaatsen in het lichaam waar grote verlangens en gevoelens beleefd en bewaard worden.
    Samengebracht in deze bundel gaan die verlangens en gevoelens vooral over moederschap en het doorgeven van leven in de breedste zin van het woord. Daarbij beschrijft de dichter zichzelf niet zelden als een schakel in een lange familielijn, tussen een vader die er niet meer is en een dochter die gezond en wel het levenslicht ziet. Een kind waarin de dichter een betere, sterkere versie van zichzelf projecteert. Maar niet zonder spijt, want ooit wordt dit kind volwassen en moet het worden losgelaten; en niet zonder angst, want het lot komt in vele gedaanten en spaart niemand.

    ‘Ik herken een zus in liedjes op de radio, / ik zie een vader achter het stuur van rode wagens. / Deze soort van missen vindt geen plek in ons vrolijk circus / waar we verdriet als roze koeken delen. / Deze soort van missen hoort bij de eerste golven / die zich terugtrekken net voor ze mijn tenen raken.’

    Van vasthouden naar loslaten

    Van de vele vormen van verlies getuigt Verhanneman in meerdere gedichten, genadeloos eerlijk en open. Daarmee cirkelt de hele bundel rond dat ene thema: de kwetsbaarheid van het leven. In het begin is dat vooral het verdriet om een mislukte zwangerschap dat al dan niet met een partner kan worden gedeeld.

    ‘Vandaag verloor de vrouw alweer een vrucht, / een idee van jou, tot je afsterft? / Oplost, waarin? / Uitstroomt, waarheen? // Op zoek naar een schuldige / eindigt ze steeds bij jaar vermoeide handen, / gespannen spieren, de kraaienpoten, / het onafgebroken drammen in haar hoofd / hoe graag ze jou hier wil houden, / kan het niet in alle rust / loslaten // het allerkleinste deeltje in haar / geen plek kan vinden. // Het is de natuur, zegt de man / die elke nacht naast haar slaapt, / verzwijgt hoe die voor de vrouw / veel wreder is,’

    Verderop in de bundel is er dan eindelijk een voldragen kind dat na de beschutting van de moederschoot nog een tijdlang gevangen zit in de symbiose buiten het lichaam. Zuigend en zogend innig verbonden totdat het los van het moederlijf kan bestaan en een eigen mens wordt. En de moeder met lede ogen en een bloedend hart moet aanzien dat dit kind behalve een eigen, zelfstandig lichaam ook een eigen geest heeft en herinneringen die in beider DNA liggen opgeslagen, maar die toch niet voor beiden dezelfde waarde en belangrijkheid hebben.

    Is loslaten minder moeder zijn? / Hoe bewaar ik een baby die niet meer / tussen mijn wiegende armen past, hoe hou ik / later de peuter, kleuter, tiener vast / in een volwassen lichaam, zoveel verder bij mij vandaan.’

    Poëzie als een dagboek

    De behoedzaamheid die past bij het thema ‘groei’ bepaalt de continuïteit van de bundel. Waarbij Verhanneman ook nog eens een chronologische volgorde aanhoudt, zodat de gedichten van voor naar achter bijna lezen als een persoonlijk relaas. De veelgebruikte ik-vorm maakt het allemaal nóg persoonlijker. Minutieus en met een ongekende intimiteit wordt dit proces van jaren beschreven. Ondenkbaar bijna om als lezer níet geraakt te worden door het feit hierbij betrokken te worden. Tegelijk maakt die voorzichtigheid de bundel hier en daar zwak. Al was het maar door het ontbreken van heftige uitbarstingen en verrassende wendingen. 

    Daarbij is de intimiteit van dien aard dat de lezer bij tijd en wijle het gevoel bekruipt een dagboek te lezen in plaats van een poëziebundel, waarbij het vertelde – hoe fijnzinnig en poëtisch geschreven ook – meer het karakter heeft van proza. En een heel persoonlijk proza bovendien. Wat een versmalling tot gevolg heeft voor wat betreft het lezerspubliek. Niet iedereen zit op zulke intieme ontboezemingen te wachten; niet iedereen voelt de behoefte het dagboek van een ander te lezen.

    ‘Ik kijk naar deze vreemde moeder / die mij vertelt hoe graag ik / een tweede kind wil. / Dat ik het vechten verlang / om het gebrek aan plek / op mijn lichaam. / … en kan ik / nog een tweede keer / tot zo’n oerversie van mezelf / geboren worden?’

    Een andere zwakke plek: door deze al te persoonlijke invalshoek ontbreekt de blik naar buiten bijna helemaal. Terwijl dat ‘naar de wereld kijken door de ogen van een ander’ iets is dat liefhebbers van poëzie toch graag zoeken in een gedicht. Zowel voor de inhoud, het thema, als voor vorm, de specifieke verbeelding van het vertelde, heeft deze naar binnen gerichte blik consequenties.

    Kunst in een instrumentele rol

    Het enige dat een gezond tegenwicht biedt en de inhoud wegtrekt uit die al te persoonlijke benadering, is de interactie met diverse kunstwerken. Bij 26 van de in totaal 41 gedichten is er een verwijzing naar een kunstwerk van een bekende of minder bekende kunstenaar. Behalve bij de wederwaardigheden rondom het moederschap mag de lezer ook getuige zijn van het proces dat zich als gevolg van deze interactie in de dichter zelf voltrekt.

    ‘Ik denk na bij welk kunstwerk je zou passen, / bladerend door O’Keeffe glimlach ik om een perzik, / bij Chagall staat alles zo snel in brand. / Daar gebeurt het, in die vlammen vang ik een glimp / van je toekomst zonder seizoenen,’

    Zo komt buiten toch binnen en kan het ook over andere dingen gaan. Al is de richting niet zo dat de dichter middels het gedicht de aandacht van de lezer naar buiten, naar het betreffende kunstwerk stuurt. Eerder heeft het kunstwerk een instrumentele rol en helpt het de dichter om de geleefde ervaring te kunnen verbeelden in zoiets taligs als een gedicht. Dus toch weer de blik naar binnen. De beschreven ervaringen blijven dicht bij de beleving van het eigen lichaam, de eigen seksualiteit, de kwetsbare familieverbanden, en zijn daardoor te persoonlijk om universeel te kunnen worden. Er ís een buitenwereld, maar de beweging is van buiten naar binnen en niet omgekeerd.

    De unieke waarde van poëzie

    Het enige achterdeurtje dat leidt tot een meer trans-persoonlijk verstaan van deze gedichten is de herkenbaarheid voor vrouwen – en enigermate ook voor vaders en partners – die ooit ergens in hun leven een vergelijkbare situatie hebben meegemaakt.
    ‘Op klaarlichte dag strekt ze uitdagend haar fijne poten / boven haar hoofd, wikkelt elegant haar spinrag / om alle ophef, zacht is hoe zij monden snoert. // Haar eieren trillen, / zij weten dat dit de moeder is / die hun wereld wel bijeen zal houden.’

    Behalve over mensenbaby’s en dat o zo kwetsbare groeiproces, gaat het veel over natuurlijke, organische dingen. De eieren van de spin van Louise Bourgeois, vogels en nesten, bomen en bloemen van allerlei soort. En behalve in de keuze van thema’s en beelden is die voorzichtigheid, die nadruk op kwetsbaarheid er ook in de taal zelf. Nergens is die hard of bot, kil, stoer of zakelijk. Met wondermooie titels die op zichzelf al poëtische miniatuurtjes zijn: Onze hoop rust in haar eieren, Tweedekansbegrafenis, Madeliefjes plukken, Ontglip-me-nietje.

    Poëzie als een geheime tuin met veel moois om van te genieten doch slechts toegankelijk voor een klein, select gezelschap. Maar is dat niet precies de kracht en de unieke waarde van poëzie, dat het geen mainstream-gebeuren is dat de grote massa met een doorsnee aanbod tevreden stelt? Anders dan proza, dat zich in duidelijke genres laat indelen en herkennen, speelt poëzie zich meesttijds af in een kunstig labyrint met vele niches.



  • Oogst week 26 – 2025



    Addertje

    Van dichter en kunstenaar Jolanda Kooijmans verscheen eerder werk in onder andere De Revisor, Ooteoote, Deus ex Machina en in de bundels De Branie en De aarde nu. In 2020 debuuteerde ze met Twee ton

    In haar nieuwste bundel, Addertje ontmoeten we het demonische wezen Addertje dat haar moeder zoekt. Het bange meisje Zuuz dat de stem van de duivel heeft gehoord. Haar oudoom Drie die eindeloos op sterven ligt. De kinder misbruikende priester Bubblebeez die de hel onder zijn toog meedraagt. De eeuwig klagende treinreiziger Constant en de zeldzame watersatan, aan de andere kant van het gangpad, die het op hem gemunt heeft.

    Addertje is een wonderlijk lichte, fijnzinnige en diepzinnige dichtbundel over de duivel. De vier verhalende gedichten gaan over het kwaad, over vervreemding, verdraaiing, angst, het verloren lopen in de wereld, het passeren van een kritische grens. Het archetype van de duivel wordt opnieuw geboren in een veelheid van vormen en gedaanten en hij is verrassend anders dan je denkt.

    oké
    genoeg poëzie

    Addertje is geboren
    op slag en compleet
    een schepsel

    en wat betekent dan Addertjes naam?

    Addertjes naam is: de niet op gerekende
    maar ook: de verrassende
    maar ook: de zeker wetende
    dat alles uiteindelijk zal worden rechtgezet

    Addertjes naam is de lach in het vuistje

    allemaal waar
    maar op dit moment is ze maar één ding:
    honger

     

    Addertje
    Auteur: Jolanda Kooijmans
    Uitgeverij: Koppernik

    Achter het glas

    Onna Kosters is docent Engels en promoveerde op het werk van James Joyce. Hij vertaalde gedichten van Beckett en Seamus Heaney. Zijn eigen werk staat in de traditie van de dichters die hij vertaalde. Hij schrijft vaak lange gedichten waarin meerdere verhaallijnen elkaar aflossen en betekenis geven. Met het gedicht ‘Doe-het-zelf’ won hij de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2012. 

    In Achter het glas gaat het om kijken en bekeken worden, of je het weet of niet, of je het wilt of niet: glazen ogen zijn overal. In lange, meanderende gedichten en heldere, compacte lyriek legt Kosters de huidige tijd bloot.
    Gewapend is het glas, gewapend is het veilig. Aan welke kant van het glas bevind je je? Weet je het antwoord pas als je het breekt? Onno Kosters leidt je langs en door de transparante wanden die ons scheiden van de werkelijkheid: beeldschermbril en dwazenspiegel, touchscreen en monitor, televisie en surveillancelens. Kijken en bekeken worden, of je het weet of niet, of je het wilt of niet: de glazen ogen zijn overal. Hoe verhoud je je achter het glas tot de ander, tot de wereld en tot jezelf?

    Alsof je er niet bij bent
    gaat het leven ’s ochtends aan en ’s avonds uit. 

    De dagen lichtreuzen
    en ondertussen 

    alsof je er niet bij bent
    beweeg je of het uitmaakt, 

    hou je je staande op het lichaam
    dat je staand houdt

     

     

    Achter het glas
    Auteur: Onno Kosters
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De onderkant

    Als psychotherapeute en als dichter – van Soldatenliederen (1991) tot en met Berichten van het front (2020) – heeft Anna Enquist steeds achter en onder de dingen gekeken, tegels lichtend van de ziel en vliezen wegtrekkend van de oppervlakkige werkelijkheid, om te verkennen wat er woelt en woedt in de duistere ‘ruimte onder grond en mos’. In deze nieuwe bundel, haar tiende, vervolgt ze die missie met onverminderde passie en vasthoudendheid. Wat daar zoal wordt aangetroffen: een innerlijk toneel van krimp, benauwd geluk, de glimmende hoeven van een sater, een wak in de winter. Ook de dood heeft er een vooraanstaande plaats in gekregen.

    Het blauwe touwtje

    Leg de duizend dingen van de dode
    op de tafel. Een hondenhalsband rood
    als bloedkoraal. Injectiespuiten, herderstas.
    Elk voorwerp vastpakken, bekijken, ordenen,
    beschrijven. Je observeert, je voelt niets.

    Duizend herinneringen in een tijdlijn
    plaatsen. De herder slurpte rode wijn
    met suiker; zijn hond piste op ons terras.
    ‘Onder de steen leeft hij, de hagedis’.
    Hij zei het vriendelijk. Het deed me niets.

    Maar nu, bij de al jaren droogstaande
    schapentrog, vind ik het blauwe touwtje.
    Thuis in elke herdersbroekzak om een hek
    te sluiten, een boom te markeren. Fel blauw,
    als vroeger. Ik pak het op. En dan, ja, dan.

     



    De onderkant
    Auteur: Anna Enquist
    Uitgeverij: De Arbeiderspers
  • Stoeptegels en de mossen daartussen

    Stoeptegels en de mossen daartussen

    Een kelder, tochtig, vochtig, de geur van grond. Veronika, de hoofdpersoon van Emy Koopmans De vrouw in de kelder heeft zich er teruggetrokken. Stiekem ook nog. Tegen familie, vrienden en bekenden heeft ze gezegd dat ze bergen gaat beklimmen in de Schotse Hooglanden. Met een vriendin (‘Nee, je kent haar niet’). ‘Isolatie verandert van verstikkend in bevrijdend als je zelf degene bent die de deur dichttrekt, maar krijgt dat maar eens uitgelegd,’ vertrouwt ze de spraaksoftware toe. Haar rechterhand en -arm, die ze nodig heeft om dat te doen waar ze goed in is — tekenen — hebben het laten afweten: tintelingen, pijn, verkramping.

    Terwijl de software Veronika beter leert kennen, haar woordkeuze, de constructie van haar zinnen, en steeds minder fouten maakt, wordt langzaam duidelijk wat ze in die kelder doet. In ogenschijnlijk associatieve maar uiterst gecontroleerde kringetjes vertelt ze over haar haar misgelopen relaties, ze van alle kanten bekijkend. Het gaat niet alleen om de relatie met haar nogal intimiderende vader en haar (voormalige) vriend, maar ook om die met haar lichaam, dat ziek werd, en haar kunst, het tekenen dat haar lichaam niet langer kan opbrengen. En dat alles aldoor in de kelder, waar ze door de piepkleine raampjes de stoeptegels zou kunnen zien, en de mossen daartussen, als ze de gordijnen niet angstvallig gesloten hield.

    Terugblikken om vooruit te kunnen

    De eerste zestig bladzijden vertelt Veronika in de tegenwoordige tijd, op een toon alsof de lezer zelf de spraaksoftware is. Wat volgt, voelt als één lange terugblik ondanks de korte onderbrekingen waarin we ons realiseren dat Veronika nog altijd in haar kelder zit. Dat is meteen waar het wringt: vrijwel alle gebeurtenissen zitten in de terugblik, een verhaal van kindertijd tot nu. Niet alleen blijft lang onduidelijk waarom Veronika in de kelder is afgedaald, eenmaal daar beneden gebeurt er zo weinig dat je je kunt afvragen of er voor haar genoeg aanleiding is om aan het einde van het boek weer bovengronds te komen. Dat neemt niet weg dat de terugblik zelf vol prachtige maar ook schurende beschrijvingen zit, zoals die van de schaamte van een kind voor haar vader.

    ‘Ik had een vader voor wie ik me, tot mijn eigen schaamte, schaamde. Ik schaamde me, als iemand anders het zag, hoe nors en lomp hij kon zijn. Ik schaamde me, als hij mij in de aanwezigheid van een vriendinnetje trutje noemde. Als hij mij hard in mijn bovenarm kneep, bij wijze van liefkozing. En al helemaal als hij een van mijn vriendinnetjes hard in hún bovenarm kneep.’

    Het laatste, vijfde deel, van het boek bestaat uit tien pagina’s. Het is zomer, Veronika werkt met Renée, de ene helft van het vrouwelijke stel dat in het huis boven de kelder woont, in de tuin. Ze plukken blaadjes van de bosaardbei en de kleine veldkers om er pesto van te maken. Tien ‘groene’ bladzijden na de vochtige duisternis van de kelder. Een hoopvol, bijna traditioneel, einde dat misschien wat verontrust. De vraag rijst welk verhaal Koopman ons eigenlijk heeft verteld. Veronika’s leven is een aaneenschakeling van gebeurtenissen die haar zijn overkomen en mensen die haar, op zijn zachtst gezegd, niet altijd met even veel mededogen behandelden, wat ze simpelweg ondergaat. Dat eenzame opsluiting daar een reactie op is valt nog te verteren. Als transformatieve handeling overtuigt het helaas niet. 

     

  • (N)iemand zijn

    (N)iemand zijn

    Het is middernacht, het huis slaapt. Ik luister naar  Nooit meer slapen, het prettige stemgeluid van Jan Brokken. Zijn woorden rollen rond en vol de ether in, een stem die lokt. Ik schuif van de keukentafel, waaraan ik de laatste pagina’s van Een vrij leven van Mariët Meester lees, dichter naar het toestel. Brokken zegt dat hij het dorp ontvluchtte waar hij opgroeide. ‘Ik was helemaal niets, en niemand.’ Ik denk aan Meesters voorlaatste boek over opgroeien in gevangenisdorp Veenhuizen dat eindigde met, ‘Ik wist niets, ik zag niets en ik hoorde niets (..) ik moest eruit!’

    Ze gaat naar kunstacademie Minerva in Groningen waar ze J. ontmoet, ze krijgen een relatie, wonen samen in een klein huisje. Tot J. haar verlaat, op reis gaat. Hoe Meester hem uiteindelijk achterna reist, in tweestrijd met zichzelf: de keuze tussen cultuur en natuur, tussen volgen of laten gaan. In een gesprek met een docent van de academie vertelt ze dat haar doel in het leven ‘vrij worden’ is. ‘Dingen laten. Niet willen hebben of toe-eigenen. Niet groter en meer, juist kleiner en minder.’ Een insteek die van een grote eigenheid getuigt.

    Als ze weer in Groningen is schrijven J. en zij elkaar brieven. Op de academie krijgt ze de opdracht het gedicht ‘Zwerversliefde’ van Roland Holst te verbeelden. Ze levert een bundeling van zijn brieven in met een lint eromheen. In haar vijfde studiejaar trekken ze een jaar met paard en (zelfgebouwde) wagen door Frankrijk om het verschil tussen stad en platteland te onderzoeken. Een jaar waarin ze elkaar liefhebben en haten, hun plek bevechten. Het gaat er soms heftig aan toe. Er is de dagelijks zorg om eten te vinden, een goede slaapplek, gras voor het paard. Daartussendoor ontstaan er prachtige kunstwerken als de ‘Gouden geitenkeutels’. Waarvoor Meester grote hoeveelheden geitenkeutels verzamelde, droogde op de kachel, witkalkte, met goudverf beschilderde. Daar ontstaat de rode draad in hun leven, vanuit basaal leven kunst creëren.

    Schrijven en beeldende kunst, stad en platteland strijden bij Meester om voorrang. ‘Mocht het me lukken me te ontplooien en meer boeken te gaan schrijven, betere boeken, dan zou deze tegenstelling, die in feite de tegenstelling tussen cultuur en natuur was, daar waarschijnlijk de rode draad in worden.’, schrijft ze als ze eind twintig is en ze er vele reizen met paard en wagen (snelheid 3 km per uur) hebben opzitten.

    In Nederland maken ze van een grote salonwagen hun huis in het vrije veld. Op koude winternachten slapen ze op een matras voor de houtkachel zodat ze om de paar uur hout op het vuur konden gooien tegen bevriezing. En dat het dan ook eens klaar is. ‘Na vier jaar in de salonwagen daagde het besef dat we die dwang niet prettig meer vonden, dat streven naar vrijheid kon omslaan in een vorm van onvrijheid.’

    Op de radio hoor ik Brokken een gedicht van António Machado declameren.

    ‘Reiziger, je sporen
    zijn de weg die je aflegt,
    en zij alleen.
    Reiziger, er is geen weg,
    de weg ontstaat in het gaan.
    Gaandeweg ontstaat de weg,
    en als je omkijkt zie je het spoor dat
    je nooit meer betreden zult.’

    In de stilte van de nacht gaan deze woorden met me op de loop. Ben onder de indruk, denk opeens het licht te zien. Dat het dat is wat Meester en haar J. hebben gedaan. Een weg gegaan die ‘gaandeweg’ ontstond, organisch. Het spoor dat ze achterlieten, werkelijk achterlieten. Nooit omkijken, enkel maar voortgaan. En dat uiteindelijk de liefde voor elkaar, voor de natuur, is wat overblijft. Dat dat genoeg moet zijn.

    Brokken stond vaak op het punt te stoppen met reizen vanwege het klimaat. Wat hem daarvan weerhield, ‘was de mogelijkheid tot onverwachte ontmoetingen. Zo’n treffen dat je een andere wereld binnentrekt en dat je van de ene in de andere verbazing doet vallen.’ Dat daarin een balans moet worden gezocht. Dat ik me wil blijven verbazen, meebewegen op een stroom aan verhalen. Waarin Meester steeds nieuwe mogelijkheden ziet om de aarde zo min mogelijk te belasten, haar weg zoekt, een gedreven verteller is. Dat je in voetsporen wilt treden.

     

     


    Inge Meijer kan het niet laten te schrijven over wat ze leest.

  • Waarom de Amerikaanse democratie zo wankel is

    Waarom de Amerikaanse democratie zo wankel is

    Jill Lepore is hoogleraar Amerikaanse geschiedenis en recht aan Harvard University en schrijft voor The New Yorker. Die krant heeft een serie essays van haar hand gepubliceerd gedurende tien tumultueuze jaren in de Amerikaanse geschiedenis, van de opkomst van Black Lives Matter in 2012 tot het rapport van de Congrescommissie uit 2022 over de gewapende aanval op het Capitool op 6 januari 2021. De rode draad door haar essays is haar bezorgdheid over hoe het land bestuurd wordt. Wordt de macht eerlijk gedeeld? Kan het land waarin één op de drie burgers minstens één vuurwapen bezit, wel een democratie worden genoemd?

    Centrale vraagstelling

    Lepore formuleert als haar centrale vraagstelling: ‘Wat als het probleem van de Verenigde Staten in de eenentwintigste eeuw niet het verval van de democratie is maar het hardnekkig voortbestaan van geweld?’ Een analyse van de democratie in Amerika is volgens haar niet mogelijk zonder een analyse van het geweld in dat land als gevolg van de massale schietpartijen, het politiegeweld, het binnenlands terrorisme en het wapenbezit onder burgers. Het recht van de sterkste verdringt daarbij het recht van de wet. Geen land ter wereld telt zo’n hoog percentage wapenbezit onder zijn burgers als Amerika; bij vier van de vijf moorden in dat land zijn vuurwapens in het spel (ter vergelijking: in het Verenigd Koninkrijk bij één op de vijfentwintig). Amerika heeft ook het hoogste moordcijfer van alle welvarende naties: terwijl het aantal moorden in Europa gedurende de negentiende eeuw snel daalde, bleef het in Amerika stijgen. Politiemensen in Amerika hebben in de eerste 24 dagen van 2015 meer mensen met fataal gevolg beschoten dan de politie van Engeland en Wales samen in de afgelopen 24 jaar.

    In haar boek wijst Lepore op een mogelijke verklaring waarom het geweld in Amerika afwijkt van dat in Europa: in Europa hadden de volkeren het staatsgezag en het staatsmonopolie op geweld allang aanvaard tegen de tijd dat Europese staten – in een lang proces dat de hele negentiende eeuw in beslag nam – democratieën werden. In Amerika gebeurde het omgekeerde: de democratie kwam eerst en daarna pas de staat. Vandaar dat de Amerikaanse revolutionairen van de achttiende eeuw het recht om wapens te dragen niet afstonden aan een sterke centrale overheid, maar aan zichzelf voorbehielden. Zij zagen het als de ultieme vrijheid.

    Donald Trump

    Lepore ziet in Trump de aanjager van het Amerikaanse tumult. Hij werd zonder politieke ervaring en aanvankelijk zonder veel steun van het partijestablishment presidentskandidaat en won in 2016 de verkiezingen van Hillary Clinton, na een campagne vol laster, leugens en bizarre beloften. Na vier jaar chaos en getwitter, lachwekkende incompetentie en groteske schandalen in en rondom het Witte Huis leek de man, die aan de rechtsstaat een broertje dood heeft, uitgespeeld. Een tweede termijn werd hem aanvankelijk niet gegund: een meerderheid van de Amerikaanse kiezers koos voor Biden, de doorgewinterde Democraat, die in alles, behalve zijn leeftijd, Trumps tegenpool is.

    Na zijn nederlaag toonde Trump zijn antidemocratische gezindheid. Na talloze valse beschuldigingen van verkiezingsfraude en vele vruchteloze pogingen om mensen onder druk te zetten de uitslag in zijn voordeel te veranderen, riep hij uiteindelijk zijn aanhang op ten strijde te trekken richting het Capitool om alsnog de in zijn ogen gestolen verkiezingen ongedaan te maken. En zo was Amerika en de wereld getuige van 6 januari 2021 – de datum waarop een weggestemde president toekijkt hoe door hem opgehitste mensen met geweld proberen de machtsoverdracht te verhinderen. De ‘coup’ mislukte, maar dat maakte de verbijstering erover niet minder groot. Zo wankel ziet democratie er dus uit, tot zover was het verval al gekomen: een vreedzame machtsoverdracht was in Amerika geen vanzelfsprekendheid meer. Geweld was een reëel alternatief geworden voor democratische en rechtsstatelijke procedures.

    Ongelijkheid

    Het fenomeen ‘Trump’ is, zo betoogt Lepore, ook de uitkomst van talloze factoren die als een rode draad door de Amerikaanse geschiedenis lopen. In elk essay neemt ze één van die factoren onder de loep. Zo gaat ze in op de hardnekkige economische ongelijkheid in het land, die groter is dan in welke andere democratie ook, en die een voedingsbodem vormt voor de wrok en haat van ‘het volk’ tegenover de elite, en tegenover migranten. Een sentiment dat Trump handig uitbuit.

    Een andere factor is de onoverbrugbare kloof die er tussen de twee politieke partijen is gegroeid, op elk terrein (economie, zorgstelsel, bestrijding racisme, wapenwetgeving, betekenis van familiewaarden, abortus, etc). En hoe het Amerikaanse kiessysteem – the winner takes all – deze polarisatie versterkt, met als gevolg een totaal gebrek aan politieke samenwerking en bereidheid tot compromis. Trump is er een meester in gebleken om deze situatie tot eigen voordeel uit te buiten en heeft die verdeeldheid verder aangewakkerd. Hij is dé belichaming van een cultuur waarin elke politieke tegenstander een vijand is.

    Comeback

    Lepore hekelt de neiging om alle aandacht te richten op de woorden en daden van uitsluitend Trump. Fijntjes wijst ze erop dat na het afwenden van de coup op 6 januari 2021 er nog steeds 147 (!) Republikeinse leden van Senaat en Huis van Afgevaardigden tegen de bekrachtiging van de verkiezingsuitslag hebben gestemd. Het zijn onder meer deze mensen die Trump als politiek leider in leven hielden en hem vier jaar later een comeback gunden. Hoe is het mogelijk dat de man vier jaar nadat hij de democratie wilde opblazen, zich opnieuw verkiesbaar kon stellen? Wat zegt het over het Amerikaanse volk dat het Trump wederom op het schild heeft gehesen, en hem al zijn antidemocratische escapades heeft ‘vergeven’ (of niet eens heeft aangerekend)? Het volk gelooft hem, zijn waarheid is hun waarheid. Het beest Amerika is daardoor niet getemd. ‘Buiten zucht en kreunt en buldert de wervelende wind,’ aldus Lepore in haar slotzin.

    Historisch kader

    In dit goed geschreven boek plaatst Lepore recente gebeurtenissen in Amerika in een historisch kader en draagt zo bij aan een beter begrip voor wat er in dat land aan de hand is. Niet alleen sinds Trump voor de eerste keer aan de macht kwam, maar ook in de decennia daarvoor. Ze geeft alle argumenten waarom een tweede termijn voor Trump desastreus zal zijn voor Amerika. Het valt haar dus niet aan te rekenen dat juist dat gebeurd is.

     

     

  • Een boek om niet meer weg te leggen

    Een boek om niet meer weg te leggen

    De roman die mooie atlantische wals is een prachtig geweven, zich langzaam ontvouwend verhaal. Het sleept je mee door de levens van twee ogenschijnlijk onopvallende mensen met een grote hartstocht voor countrymuziek. De Schotse schrijver Malachy Tallack overtuigt met deze roman, waarin de trage stijl dezelfde werking heeft als het geluid van een steelgitaar op een luisteraar. De woorden glijden als een rustige stroom langs de lezer, die vooral in het begin de tijd moet nemen om het aanvankelijk saaie, maar wel degelijk spectaculaire verhaal in zich op te kunnen nemen. Stukje bij beetje worden de geheimenissen van de hoofdpersonen blootgelegd. 

    Tallack vertelt in deze roman twee parallelle verhalen. Het ene verhaal speelt in het verleden tussen 1957 en 1981 en gaat over vader Sonny Paton, zijn vrouw Kathleen en hun zoon Jack, bewoners van de Shetland eilanden. Zij wonen in bij Tom, de oom van Sonny, een stugge hardwerkende boer in een vrijstaande woning genaamd Hamar, vlakbij de zee. Het tweede verhaal speelt in het heden en gaat over de zoon, de inmiddels bijna drieënzestigjarige Jack, een eenzaat, zoals Vlamingen dat noemen. Een man die door zijn verlegenheid en gebrek aan durf een ‘lonesome’ bestaan leidt in het huis van zijn overleden ouders. Als kind werd hij enorm gepest en door vaak teleurgesteld te zijn stelt hij zich tevreden met weinig. De parallelle verhalen van Sonny en Jack wisselen elkaar af en vullen elkaar aan als de begeleidende instrumenten in de countrymuziek 

    Geïdealiseerde leven van een Walvisvaarder 

    De roman kent een nogal heftig begin – beschrijving van een storm die vader Sonny als twintigjarige op een walvisvaarder meemaakt – dat afwijkt van de rest van het boek. Als hij deze vreselijke storm tegen verwachting in overleeft neemt hij zich voor het meisje Kathleen ‘met haar ogen als honing’, op wie hij al jaren verliefd is, bij zijn terugkeer op de Shetlandeilanden ten huwelijk te vragen. En dat doet hij ook. De walvis blijft een belangrijke rol in het leven van Sonny spelen. Tot 1963 was de walvisvangst een belangrijke inkomstenbron van de Shetlandeilanden. Toen werd het verboden om er op te jagen. Nadat Sonny op het vasteland aan ’t werk is gegaan idealiseert hij het harde bestaan op zee. Zijn verhalen erover worden steeds sterker. Hij en Kathleen worden op hun veertigste tijdens een boottocht door een walvis aangevallen. Hun boot wordt opgetild en beiden verdrinken. Die scène in het boek lijkt ongeloofwaardig, maar is het niet. Onlangs nog werd bekend dat een kajakker voor de Filippijnse kust in zijn geheel werd opgeslokt door zo’n enorm beest. 

    Onopgemerkt leven

    Het verhaal van Jack is dat van een man die zijn dag vult met boodschapjes doen en wandelingen naar de zee. Hij voorziet in zijn onderhoud door enkele uren per week het kantoor van een zalmverwerkingsbedrijf schoon te maken, een weinig hoogstaande maar voor hem bevredigende arbeid: ‘Het was Jacks taak om onopgemerkt te blijven.’ Via zijn vader Sonny leerde Jack de countrymuziek kennen. Sonny infecteerde zijn zoon ermee. Hamar, het huis waar ze wonen, ademt muziek. Jacks huiskamer staat vol lp’s en cd’s. Waar vader Sonny een passieve luisteraar bleef, bekwaamt Jack zich in het schrijven van eigen liedjes, schrijft tekst en muziek.

    Na ieder hoofdstuk is er een liedje afgedrukt, handgeschreven en met doorhalingen, alsof het schrijfproces nog niet is afgerond. Jack heeft veel verbeeldingskracht. Hij leeft die uit in zijn liedteksten en niet in het dagelijks leven. Hij leeft alleen, maar is niet eenzaam. Hij is tevreden, maar niet gelukkig. Jack denkt veel na over de betekenis van countrymuziek. Hij noemt het ‘verlangen naar elders en ooit, naar plekken en mensen die niet hier en nu waren.’ Countrymuziek was ook, ‘huiveren om wat komen zou, en spijt om wat was.’ Het luisteren en schrijven van deze muziek is een compensatie van zijn bestaan waarin lust en vervoering ontbreken. 

    Dan wordt het beklemmend

    Dan wordt er op een dag een doos met niet nader te noemen inhoud voor de deur van Jack gezet. De inhoud van de doos dwingt hem tot het maken van verbinding met anderen. Is Jack in staat om over zijn eigen geremdheid en afzondering heen te stappen en contact te leggen met zijn omgeving? Het lijkt op niets uit te lopen. Ergens staat: ‘Jack was waardeloos. Overbodig. Nergens goed voor. Tientallen jaren had hij zichzelf laten krimpen, zijn dagen laten verdorren als zaadkorrels op beton, een hopeloze verspilling van het leven. Je kon hem nauwelijks een man noemen.’ In de loop van het boek wordt het verhaal van Jack nogal spannend en beklemmend en kan je het boek niet meer wegleggen. 

    Wat het extra aantrekkelijk maakt is dat de liedjes in het boek ook te beluisteren zijn op spotify. De schrijver voert de liedjes zelf uit en toert met een band door Schotland en Engeland. De roman is daardoor een beleving van lezen en luisteren geworden. Wie ook nog de interviews met de langzaam en weloverwogen sprekende Tallack beluistert, raakt helemaal in de ban van deze mooie atlantische wals over eenzame mensen, heimelijk verlangend naar verbinding. Ook voor extraverte en niet van countrymuziek houdende mensen zeer interessant.



  • Intense waardering van twee mannen

    Intense waardering van twee mannen

    Het gewicht van woorden. Brieven aan mijn uitgever van Geerten Meijsing is een zeer rijk boek. Vóór alles biedt het wat de titel belooft: brieven van Meijsing aan zijn uitgever Theo Sontrop, uit de periode 1973-2017. In zijn verbluffend originele, soepele en elegante Nederlands neemt Meijsing de lezer mee langs toppen en dalen, obsessies, zorgen en genoegens uit de halve eeuw die zijn literaire loopbaan nu omspant. Maar het boek is méér. Het documenteert ook vijftig jaar letterkundig leven van de Lage Landen. Weliswaar vanuit een zeer persoonlijk standpunt, eenzijdig wellicht – maar toch. Het boek behandelt op minstens zo particuliere wijze de geschiedenis van uitgeverij De Arbeiderspers, die met name in de jaren zeventig, tachtig en negentig, onder de bezielende leiding van Theo Sontrop en Martin Ros, toonaangevend was in literair Nederland.

    Bloemrijk proza

    De uitgeverij was als een thuishaven voor schrijvers als Jeroen Brouwers, Maarten ‘t Hart, Mensje van Keulen en Gerrit Komrij. En ten slotte is dit boek een must voor liefhebbers van de befaamde reeks Privé-domein, waarin (sinds 1966 al) egodocumenten van schrijvers uit binnen- en buitenland zo plezierig uniform en schitterend vormgegeven zijn ondergebracht. Het gewicht van woorden is Meijsings eerste boek onder zijn eigen naam in deze reeks. Eerder publiceerde hij onder zijn schuilnaam Joyce & Co. in Privé-domein, en verzorgde hij talrijke vertalingen van verschillende delen in de reeks. Daarnaast bevat het boek ook brieven áán Geerten Meijsing, geschreven door Theo Sontrop en door tal van andere medewerkers van uitgeverij De Arbeiderspers.  

    Het boek is nóg meer. Op dit alles namelijk levert Meijsing ook nog eens uitvoerig commentaar. Ook dat gebeurt in bloemrijk proza, soms opgewekt en bevlogen, soms ironisch en gelaten, soms feitelijk, met af en toe een bitterzoete scheut scepsis erdoorheen. Het is lastig citeren uit het overvloedige, eloquente geroddel over collega’s, vormgevers, medewerkers van de uitgeverij, familieleden. Op elke bladzijde is wel iets smakelijks, treffends of amusants te vinden – en dat Meijsing af en toe ook zichzelf te kijk zet maakt het alleen maar beter. Zo schrijft hij over Martin Ros:

    Ros was een bangelijke man, die permanent op alle paarden tegelijk wedde om zich in te dekken tegen alle eventualiteiten: hij was zowel katholiek als calvinist, én socialist én communist én anarchist én liberaal. Hij zag zichzelf als een Jood in oorlogstijd die mocht en moest collaboreren om te overleven. Elke collega door wie hij zich ook maar enigszins gekwetst of bedreigd voelde, kreeg een anoniem getypte brief onder de deur doorgeschoven.’ 

    Hoop op enige vorm van welstand

    Een onderstroom in dit geheel wordt gevormd door de verzoeken om betalingen, wat de geldzorgen weerspiegelt waar de schrijver vrijwel permanent mee kampte. Zelfs na het winnen van die ene grote prijs – de AKO literatuurprijs in 1988 voor Veranderlijk en wisselvallig – is de toon, wanneer geld ter sprake komt, er een van bezorgdheid. Daarentegen vertegenwoordigt uitgever Theo Sontrop de zakelijkheid. Wat niet wegneemt dat ook zijn brieven elegant en ter zake zijn, en doorgaans zeer puntig geformuleerd. Sontrop belichaamt  natuurlijk de verhoopte belofte van enige vorm van welstand, of in elk geval van een situatie zonder acute zorgen. Deze tegenstrijdigheid of ongelijkwaardigheid bepaalt de ontwikkeling van de vriendschap tussen schrijver en uitgever in hoge mate, zeker in het begin.

    Maar het allerbelangrijkste van deze prachtige verzameling brieven, beschouwingen en boutades is de liefde die eruit spreekt voor de troost en de kracht van literatuur. En de intense waardering van twee mannen die – hoe verschillend hun positie aanvankelijk ook is – heel geleidelijk innige gevoelens van respect en vriendschap ontwikkelen, ja: een vorm van liefde, die hun samenwerking beter, groter en mooier maakte dan de som der delen ooit zou zijn geweest.    



  • Zoveel meer dan het uitsterven van een diersoort

    Zoveel meer dan het uitsterven van een diersoort

    De nieuwste roman van de Belgische schrijver Charlotte Van den Broeck is een wervelende en diepgravende zoektocht naar een uitgestorven diersoort: de Tasmaanse tijger. Die tocht begint in de Antwerpse Zoo waar in 1911 een Tasmaanse tijger, ook wel thylacine genoemd, werd tentoongesteld als een exotisch product uit het verre Tasmanië/Lutruwita.

    De thylacine was een gewild dier bij dierentuinen over de hele wereld, onder meer door zijn unieke uiterlijk. Het beest heeft karakteristieke tijgerstrepen maar lijkt eerder op een wolf. De meeste Tasmaanse tijgers haalden de zoo overigens niet, ze overleden onderweg, op zee of na hoogstens enkele jaren in een kooi. De Antwerpse tijger zou een van de laatste zijn. Het beest is vermoedelijk enkele decennia later uitgestorven hoewel enkelen nog geloven dat het beest buiten het zicht van de mens voortleeft. In vijfentwintig hoofdstukken maakt Een vlam Tasmaanse tijgers de mythe van de thylacine plaats voor een verhaal dat zo veel meer is dan het uitsterven van een diersoort.

    Onderzoeksinstellingen en natuurgebieden

    De lezer gaat met Van den Broeck mee door de archieven, natuurgebieden, musea en onderzoeksinstellingen van Europa tot Australië, op zoek naar de resten van het uitgestorven dier. Met een verfijnde schrijfstijl, waarbij elk woord de juiste plaats heeft gevonden, beschrijft ze de archieven en musea; de lugubere potten met losse lichaamsdelen op sterk water en schimmige documenten over de handel in alle lichaamsdelen van het beest. Ze ontmoet bijzondere figuren die de Tasmaanse tijger omringen. Onderzoekers die het beest willen klonen, zelfbenoemde experts die het zouden hebben gezien en wetenschappers die hun hele leven hebben gewijd aan het onderzoeken van de laatste resten van de thylacine

    Het (vermoedelijk) uitgestorven dier heeft in het heden en verleden een bijzondere groep mensen rond zich verzameld. Zoals Morton Allport, die meer dan honderd jaar geleden zo vrijgevig was om het museum van natuurwetenschappen in Brussel skeletten en een schedel op te sturen. In het museum werd hij uitgebreid geroemd als ‘uitstekend bioloog’, maar recent onderzoek liet zien dat hij de dieren verhandelde voor invloed in wetenschappelijke kringen. In het heden komt Van den Broeck in aanraking met onderzoekers zoals Dr. Sleigtholme, die van de Tasmaanse tijger zijn levensproject heeft gemaakt. In zekere zin lijkt hij alleen nog te leven voor het in kaart brengen van het inmiddels uitgestorven dier. Een nobele maar soms ook manische daad, zo laat Van den Broeck zien.

    Constructie van een troostvol verhaal

    Tussen al die bijzondere verhalen schetst Van den Broeck een verhaal dat in diepste zin over verlies en de constructie van een troostvol verhaal gaat. Dat de Tasmaanse tijger (waarschijnlijk) is uitgestorven, is te wijten aan de manier waarop de mens met het dier is omgegaan. Het verlies heeft een diep gat geslagen bij lokale bewoners en wetenschappelijke onderzoekers, die allemaal op hun eigen manier die leegte proberen te vullen. Met mythische verhalen, zeer gedetailleerd onderzoek of het onderzoeksinstituut dat de thylacine probeert te klonen. Maar het gaat ook om verlies van ‘agency’. De beesten die tegen hun wil verscheept, mishandeld en gedood werden. De brute wijze waarop dat gebeurde, wordt op indringende wijze beschreven.

    Maar ook de ‘agency’ van Aboriginals op Tasmanië / Lutruwita, die helaas niet beter werden behandeld. De oorspronkelijke bewoners werden op systematische wijze uitgemoord. Of de behandeling van vrouwen zoals Alison Reid, de vrouwelijke directeur van de dierentuin van Hobart, de hoofdstad van Tasmanië. Reid werd begin twintigste eeuw niet erkend of betaald voor haar werk in de zoo van haar vader. Haar vader was directeur, maar zij deed ‘de facto’ al het werk. Na zijn dood werd haar de dierentuin ontnomen omdat een betaalde post voor een vrouw ondenkbaar was. Niet veel later stierf in diezelfde dierentuin de laatste Tasmaanse tijger in gevangenschap. 

    Beeldend geschreven en boeiende dialogen

    Van den Broeck traceert steeds een nieuw puzzelstukje dat verbonden is aan de Tasmaanse tijger en legt het op de juiste plaats. Elk hoofdstuk is een geheel en haakt weer feilloos aan in het volgende hoofdstuk. Het is een zeer beeldend geschreven geheel en de dialogen blijven paginaslang boeien. Van den Broeck weet heel goed de lichtvoetigheid te behouden, zonder ooit de ernst van het onderwerp uit het oog te verliezen. De secundaire literatuur, het meta commentaar, lijkt wat losjes aan het hele verhaal verbonden. Bijvoorbeeld de stukken over Donna Haraway doen de lezer verlangen naar meer. 

    Een van de Tasmaanse-tijger-fanaten, Neil Waters, heeft zich na de dood van zijn dochter vol overgave gestort op de theorie dat het beest nog in leven zou zijn. Alles moest bij hem wijken voor het bewijzen dat het dier nog leefde. Hij zag het zelf wel drie keer en gelooft dat het ook op het Australische vasteland nog leeft en zich kundig weet te verbergen voor de mens. Na het lezen van dit boek begrijp je dit geloof helemaal. Het verlies van de dochter en het collectieve verlies van de diersoort zijn verbonden, ergens is het dezelfde emotie en dezelfde wens: koste wat kost terughalen wat je nooit had willen verliezen.

    Een vlam Tasmaanse tijgers is een boek dat alles in zich heeft. Een schijnbaar kleine gebeurtenis, het uitsterven van de Tasmaanse tijger, krijgt een persoonlijke en urgente lading. De Tasmaanse tijger staat voor alles wat we hadden, maar uit het oog verloren zijn en wanhopig proberen terug te krijgen. En dat alles feilloos opgeschreven, lichtvoetig en toch gedragen en literair. 

     

  • De waarheid volgens Werner Herzog

    De waarheid volgens Werner Herzog

    In De Toekomst van de Waarheid waarschuwt de Duitse filmmaker en schrijver Werner Herzog (1942) tegen de ‘overweldigende opmars van nepnieuws’. Hij illustreert zijn zoektocht naar de waarheid met verwijzingen naar een groot aantal van zijn films en zegt dat de vraag naar de waarheid hem tijdens zijn loopbaan altijd heeft bezig gehouden. Herzog ziet die vraag als een ‘zoektocht die ons onderscheidt van de koeien in de wei’. Hij reflecteert op observaties en persoonlijke ervaring in zijn eigen praktische werk en zijn ‘artistieke ervaring van de wereld’. Daarmee wil hij zich buiten de filosofische debatten over het begrip waarheid houden.

    De vraag naar de waarheid achter een ‘zwak gloeiende bestemming in de verte’ drijft hem altijd, zoals hij het poëtisch uitdrukt.  Hij vraagt zich af of er waarheid bestaat in de kunst. Ook vraagt hij zich af of we onze oriëntatie niet kwijtraken door de wijdverspreide digitale vervalsingen en de leugenachtige propaganda in de politiek. Hij noemt de uiterst realistische video-imitaties van mensen. Als voorbeeld geeft hij een non-stop door AI nagebootst online gesprek van zichzelf met een Sloveense filosoof (Slavoj Žižek). Een gesprek dat ‘niets anders is dan mimicry’. 

    Het verborgene en het verhulde

    Volgens Herzog is een interview met een gevirtualiseerde Darwin over een mogelijk leven op Mars een vorm van ‘collectief zelfbedrog’, omdat zulke plannen ‘onzinnig en onuitvoerbaar’ zijn. Hij vindt het bovendien een obsceniteit om een onbewoonbare planeet bewoonbaar te maken ‘in plaats van ervoor te zorgen dat onze eigen planeet bewoonbaar blijft.’ Herzog ziet dan ook het idee van Elon Musk om miljoenen aardbewoners als kolonisten op Mars te vestigen als een reclame om zijn auto’s te verkopen en zichzelf als een visionair neer te zetten.

    De Toekomst van de Waarheid is geschreven in 2023, nog voor Elon Musk zich als aanhanger van Trump met halve waarheden en miljoenen een plek kocht in de nieuwe regering van de Verenigde Staten. Herzog vroeg zich toen nog af of de overname van Twitter wel zo’n goed plan was. Maar het plan om Mars te koloniseren ziet hij als zelfbedrog dat door Musk behandeld wordt als een waarheid, vegelijkbaar met een ‘sektarische geloofsovertuiging’.

    In zijn zoektocht naar de waarheid waaiert Herzog vele kanten uit. Hij zegt onder de indruk te zijn van het onderscheid dat de oude Grieken maakten tussen het verborgene, het verhulde en zijn tegenovergestelde, het onthulde dat vanuit het verborgene aan het licht wordt gebracht. Herzog ziet daarin een analogie met het fotografisch proces, met film, met beelden op celluloid. Hij ziet in dat proces de zoektocht ‘die ons dichterbij de niet onthulde waarheid brengt’, en ons, wat cryptisch geformuleerd, ‘een soort deelname aan iets onbereikbaars, aan de waarheid geeft.’ 

    Nepnieuws was nog nooit zo zichtbaar

    Nepnieuws is volgens Herzog van alle tijden, het is nu alleen zichtbaarder. Hij geeft een aantal voorbeelden van ‘historisch nepnieuws’: Ramses II, Numa Pompilius, Nero, Constantijn de Grote, en wat recenter de Potemkindorpen uit 1787 en nog recenter uit de jaren zeventig de Centraal Afrikaanse dictator Jean-Bedel Bokassa. Tegenover de dwaalleer ‘dat feiten identiek zijn aan waarheid’ stelt Herzog het begrip ‘extatische waarheid’, een ervaring voorbij het feitelijke (zie ook de recensie over Herzog’s Ieder voor zich en God tegen allen ). Volgens hem kunnen alleen stilering, fictie, poëzie en fantasie ‘een diepere laag van waarheid’ blootleggen. Hij heeft zich daarom ook verzet tegen de ‘cinema vérité’, een vorm van documentaire maken die hij een reactie noemt op de chaotische realiteit in de jaren zestig. 

    In zijn zoektocht naar de extatische waarheid geeft Herzog een aantal sprekende voorbeelden uit zijn eigen bekende en minder bekende films. Het eind van zijn film Cave of Forgotten Dreams, over rotstekeningen in Zuid Frankrijk, noemt hij voor het publiek onvergetelijk omdat er ‘zoiets bestaat als een collectieve bereidheid om rechtstreeks te worden getransporteerd naar het rijk van de poëzie, de waanzin en de pure vertelvreugde.’ Het gaat kort gezegd om ensceneringen en verzonnen teksten, die in zijn films open en bloot als extatische uitvindingen te zien of te horen zijn.  Herzog gebruikt de woorden ‘overdreven realiteit’ voor verzonnen elementen in de boeken van Daniel Defoe, Ryszard Kapuscinski en Bruce Chatwin, die daarmee volgens hem ‘levendiger en geloofwaardiger’ zijn. 

    In een van de laatste hoofdstukken ‘Postwaarheidstijdperk’ laat Herzog de tegenwoordige technische mogelijkheden zien om fictieve waarheden te produceren. Photoshop, chirurgische ingrepen, deepfakes, ChatGPT. Kunstmatige intelligentie is volgens hem tot veel in staat, tot veel meer dan de meeste mensen. Gedichten en teksten schrijven, foto’s en films maken. Maar het is nep. 

    Script geschreven door AI

    Tijdens het recente IDFA festival draaide de openingsfilm About a Hero,  de verfilming van een script geschreven door een AI die werd getraind op Herzogs oeuvre. Herzog had daar zes jaar geleden toestemming voor gegeven; nadat hij About a Hero heeft gezien, noemt hij het eindresultaat ‘alarmerend’. De film heeft hem gewaarschuwd en wellicht geïnspireerd tot dit boek. Wat te doen? In de met aan Lenin ontleende titel van het voorlaatste hoofdstuk vraagt Herzog zich af hoe we nepnieuws kunnen herkennen. Hij vindt dat we het kritisch denken moet herijken. Bij radio en fotografie hebben we door de jaren heen geleerd nepnieuws en vervalsingen te herkennen. Nu moeten we dat leren voor internet en mobiele telefoons. We moeten er een gewoonte van maken verschilllende bronnen te raadplegen. Door ‘schuldpresumptie’, wantrouwen, de veronderstellling van manipulatie, propaganda en leugens.

    Meer lezen en lopen

    En we moeten, aldus Herzog, meer lezen. Een boek kan een bewustzijn van ‘grotere processen’, van ‘conceptuele lijnen in onze werkelijkheid’ geven. De ontlezing is al jaren aan de gang, wie leest nog of is in staat een een eenvoudige gedachte op papier te zetten?  En we moeten meer lopen, ‘reizen te voet met bijna geen bagage, elementair, door diepe noodzaak gedicteerd.’ Volgens Herzog is dat de meest intense ervaring van de werkelijkheid. Uit een van zijn eerdere boeken citeert hij: ‘De wereld ontsluit zich voor wie te voet onderweg is.’ 

    De vaak wat megalomane filmmaker kan de vraag naar waarheid uiteindelijk niet beantwoorden en hij stelt vast, op basis van gesprekken met hersenonderzoekers, dat het menselijk brein geen waarheid kent. Aan het slot van zijn inspirerende, essayistische stukken schrijft Herzog dat we ‘de zoektocht naar de waarheid […] niet opgeven.’