• Een smakelijk en met vaart geschreven biografie

    Een smakelijk en met vaart geschreven biografie

    In september verscheen de biografie Een gat in het hoofd, Leven en werk van Heere Heeresma van de hand van radiomaker, presentator en voorheen boekverkoper Anton de Goede. Het is een dik boek geworden dat uitvoerig ingaat op werk en leven van deze schrijver, voor zover dat mogelijk was. Want Heeresma hield zijn privéleven zorgvuldig afgeschermd voor buitenstaanders, pottenkijkers en overheidsdienaren. Daarentegen is Heeresma’s werk – romans, verhalen, gedichten, brieven, ‘porno-persiflages’ en beschouwingen op de radio – zeer toegankelijk. Er verschenen van Heeresma tientallen boekuitgaven, verzamelbundels en herdrukken. Bovendien werd een flink aantal van zijn werken verfilmd en is zijn markante stemgeluid te horen op talrijke geluidsopnamen van gesproken columns voor de radio. Ook sprak hij zelf de luisterversie van een van zijn bekendste boeken in: Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp.

    Heere Heeresma (1932-2011) werd geboren als zoon van een godsdienstonderwijzer, kennelijk minstens zo eigenwijs als zijn zoon. Heeresma senior overleed toen de jonge Heere elf jaar oud was. De dood van de vader, midden in de Tweede Wereldoorlog, was uiteraard een ingrijpende gebeurtenis voor het gezin, dat naast Heere zelf en zijn moeder inmiddels uit nog twee jongetjes bestond. Bovendien hadden de oorlogsomstandigheden onvermijdelijke gevolgen voor de Heeresma’s.

    Een wonderlijk mens

    Van enige schoolcarrière is in het leven van de schrijver in de dop nauwelijks sprake. Hij bracht jaren door op een internaat waar hem praktisch onderwijs werd geboden. Daarna begon een loopbaan van allerlei verschillende betrekkingen die korter of langer duurden, maar meestal korter. Vanaf het begin van de jaren zestig begon Heeresma duchtig te publiceren en met succes. Met name Een dagje naar het strand (1962) maakte veel indruk. Bij de presentatie van deze biografie zei auteur Anton de Goede: ‘Je kunt veel van Heeresma zeggen, maar hij bracht wel leven in de brouwerij’ en ‘Wanneer de naam Heeresma valt, is een schaterlach nooit ver weg’. Dat moge zo zijn, maar uit het boek rijst toch vooral het beeld op van een wonderlijk mens, met wie de omgang vaak zeer moeilijk tot onmogelijk moet worden genoemd. Berucht was Heeresma om het dwingende beslag dat hij op zijn gezelschap wist te leggen, vaak ongevraagd en soms tot diep in de nacht. Hij bouwde ook een reputatie op wegens zijn veeleisende omgang met uitgevers, die hij geld afhandig maakte door voorschotten te eisen voor boeken die vervolgens nooit verschenen. Dit alles combineerde hij met een onafzienbare reeks sterke verhalen over woonplaatsen, vervoermiddelen, belevenissen en zakelijke successen. Wat ervan waar was wist hij alleen – en waarschijnlijk was dat eigenlijk maar heel weinig. Juist omdat Heeresma met name in de jaren zeventig een aantal sterke en goedverkopende boeken schreef, werd hem veel vergeven. En ja, er viel vaak wat te lachen.

    De schrijver en publicist

    De Goede schrijft overtuigend en goed gestructureerd. In het boek wordt Heeresma behandeld als schrijver en publicist, maar ook als (ontrouwe) echtgenoot en vader, als onverzoenlijke broer, als man van het Bijbels taaleigen, als filosemiet. De auteur bewonderde Heeresma als adolescent, leerde hem in zijn tijd als boekverkoper bij boekhandel Athenaeum persoonlijk kennen en werkte later met hem samen bij de VPRO. Hij stond dus betrekkelijk dicht bij zijn onderwerp en is verfrissend oprecht wanneer hij soms ook gewoon toegeeft niet zeker te weten hoe sommige feiten zich hebben voltrokken. Uit veel verschillende bronnen heeft de biograaf zijn informatie betrokken en heeft daaruit een krachtig en coherent beeld gecreëerd van Heeresma, die desondanks zijn raadselachtigheid volstrekt behoudt.

    Treurig is Heeresma’s persoonlijke lot geweest. Aan het eind van zijn leven wendden zelfs zijn allernaasten zich van hem af. Zoals zijn vrouw, met wie hij meer dan veertig jaar gehuwd was geweest, en zijn zoon Heere Heeresma jr., die tot dan toe kennelijk symbiotisch met zijn vader had geleefd en gewerkt. Senior heeft het ernaar gemaakt, denkt de lezer. Hij stierf uiteindelijk schamel behuisd, armelijk en eenzaam. Daar staat tegenover dat Heere Heeresma iets flikte wat maar weinig schrijvers lukt: in de nadagen van zijn loopbaan schreef hij ‘opeens’ nog een paar boeken die door de pers zeer verrast en met groot enthousiasme werden onthaald, met name Een jongen uit plan Zuid ’38 – ’46, dat zelfs nog in het Duits werd vertaald.

    Toch ook onaangenaam

    Een gat in het hoofd is een smakelijk en met vaart geschreven boek over een wonderlijk, markant en ten slotte toch ook onaangenaam mens, die niettemin een volstrekt eigen plaats inneemt in de Nederlandse literatuur, en deze met enkele onverwoestbare titels heeft verrijkt. Verbluffend is het aantal rake typeringen dat Anton de Goede van Heeresma heeft opgeduikeld, van hen die met hem omgingen of van bewonderaars op afstand. De quote van criticus Wim Zaal, die Heeresma tientallen jaren had gekend, moet wel een van de meest treffende zijn.

    ‘En wat was hij begaafd, zij het slordig van beheer! Bij sommige verhalen denk je: Wat zou dit een meesterwerkje zijn geworden als de schrijver er meer zorg aan had besteed. Maar ik heb geleerd, schrijvers te nemen zoals ze zijn. Heere was een flamboyante melancholicus, een religieuze woningzoekende, een pathologische jongleur, een geldbeluste provo, steeds geteisterd en getroost door de gave van het woord.’

     

    In 2024 stelde biograaf Anton de Goede een bloemlezing samen uit Heeresma’s oeuvre, In 2024 verscheen Heeresma houdbaar / samenstelling Anton de Goed/ (Gedundrukt) bij Van Oorschot. Een signalement daarvan vindt u hier.

     

     

  • Met de neus op de feiten

    Met de neus op de feiten

    ‘Toch moest je als Zuid-Afrikaan vechten voor je land, al hield ik me overigens niet al te veel bezig met de voors en tegens van conflict. In al mijn jeugdigheid trok het vooruitzicht op oorlog en avontuur en had ik alleen oog voor de betoverende glans ervan, maar van de verschrikkingen en de tragiek begreep ik niets.’ Niet veel later, in 1899, meldt de tiener Deneys Reitz, zoon van de voormalige president van Oranje-Vrijstaat, zich als vrijwilliger in de strijd tegen de Britten. In de fraai vormgegeven serie Oorlogsdomein verscheen Commando, Een Boer over de Boerenoorlog, de Nederlandse vertaling van Reitz’ oorlogslogboek, in 1929 in het Engels en Afrikaans gepubliceerd. Van de ‘betoverende glans’ van de oorlog was al snel niets meer over.
    Wat leek te beginnen als een soort spannend schoolreisje, ontaardde spoedig in een bloedige oorlogshel, waarin een mensenleven niet veel meer was dan een getal. Als bij een militaire schermutseling drie of vier doden vielen, werd dat beschouwd als een beperkte schade. Reitz meldt het allemaal nuchter en ogenschijnlijk onaangedaan, als een buitenstaander – al moet daarbij meteen worden aangetekend dat zijn oorlogsverslag pas drie decennia later verscheen, ‘toen alle woede en verontwaardiging allang waren weggeëbd’, zoals Paul Moeyes opmerkt in zijn Nawoord.

    Procesverbaal

    In Commando volgen we vier jaar lang de belevenissen van Deneys Reitz. Bijna vierhonderd pagina’s vol meedogenloos oorlogsgeweld, afgewisseld met merkwaardige periodes van rust en ontspanning. Soldaten konden naar believen veranderen van legeronderdeel of voor de afwisseling kiezen voor comfortabel familiebezoek, om op adem te komen. Maar op het slagveld loerde overal de dood, met de Britse vijand (aan wie Reitz overigens totaal geen hekel had, maar het was nou eenmaal oorlog) soms verschanst in een positie binnen gehoorafstand. Het verslag is een weergave van feiten, niet meer en niet minder. Feiten die bestaan uit de persoonlijke ervaringen van de auteur, opnieuw: niet meer en niet minder. Als lezer kijken we mee als via een bodycam. Hoe vlot en nauwgezet beschreven ook, op den duur gaat zo’n emotieloos procesverbaal onherroepelijk vervelen. Probleem daarbij is ook het ontbreken van enige context.

    Wie vecht tegen wie

    Paul Moeyes schetst de achtergronden van het gecompliceerde conflict tussen de van oorsprong Nederlandse Boeren en de Britse legermacht in zijn nawoord, maar dan is het te laat. Je wordt als lezer meteen het diepe ingegooid, ofwel met de neus op de gruwelijke feiten gedrukt zonder dat je enig idee hebt wat er aan de hand is: wie vecht tegen wie, waar, waarom en met welk doel? Je kunt nu eenmaal van de hedendaagse lezer niet verwachten dat die op de hoogte is van alle ins en outs aangaande de Boerenoorlogen in Zuid-Afrika van meer dan een eeuw geleden, laat staan van de geografie ter plekke.

    ‘Terwijl aan onze kant versterkingen uit Transvaal en Vrijstaat waren aangevoerd, bovenop de naar schatting vijftienduizend Boeren die langs de noordoever van de rivier in stelling lagen, vanaf een punt aan deze kant van de Colensospoorbrug tot aan Spionkop, vele kilometers ver stroomopwaarts.’

    Ontbreken van relevante informatie

    Als lezer ben je dan wel de weg kwijt. In zijn Woord vooraf maakt vertaler Robert Dorsman melding van het feit dat hij ‘termen als ‘kaffer’, ‘naturelle’, ‘hotnot’, ‘meid’ en ‘oujong’ voor mannen en vrouwen van kleur’ niet heeft overgenomen in de vertaling. Daar is iets voor te zeggen. Maar als je toch zo begaan bent met de gevoeligheden van de moderne lezer, houd dan ook rekening met diens gebrek aan voorkennis. Misschien past het niet in het concept van de serie Oorlogsdomein, maar het was wellicht beter geweest uit het oorlogsverslag van Reitz een aantal cruciale fragmenten te kiezen en deze aan te vullen met relevante historische informatie en overzichtelijke kaarten van het oorlogsgebied. Dus niet alleen, zoals Reitz doet, inzoomen op de details van het dagelijkse oorlogsgeweld, maar ook aandacht schenken aan het grotere verhaal daar achter.

     

     

  • Belangrijke thema’s komen niet echt uit de verf

    Belangrijke thema’s komen niet echt uit de verf

    De opdracht van de Moor van Abdelkader Benali gaat over de kracht van verhalen en de effecten van migratie, maar weet op veel punten niet te overtuigen van de urgentie van die thema’s. Het boek heeft geen eenvoudig plot: de Nijmeegse schrijver Omar, half Italiaans, half Noord-Afrikaans, zit op een dieptepunt in zijn leven omdat zijn roman maar niet wil vorderen. Dan ontmoet hij Sarah, door wiens gedichten hij zo gecharmeerd is dat hij ze heeft vertaald. Sarah werkt in het dagelijkse leven voor het Wagenings ingenieursbureau Waal & Partners. Dat bureau is ingehuurd door de Al-Falak groep, een rijk bedrijf uit het Midden-Oosten, om het door overstromingen bedreigde Venetië te verplaatsen naar de woestijn. 

    Sarah biedt hem spontaan een baan aan bij Waal & Partners. Dat biedt nieuwe kansen voor Omar, hij mag als Chief Officer Storytelling naar Venetië om de verhalen van de inwoners daar te beschrijven. Hij spreekt in Venetië allerlei bijzondere mensen en krijgt vooral nieuwe inspiratie voor zijn roman, die een novelle wordt. Opvallend is dat hij in Venetië vooral migranten spreekt over wat migratie betekent. De mening van een kwart miljoen Italiaanse inwoners is irrelevant voor de Al-Falak groep. 

    Niemand stelt een vraag 

    De novelle vormt het tweede gedeelte van het boek. Hierin staat het vluchtelingenkamp Heumensoord bij Nijmegen centraal, waar eind vorige eeuw en in 2015 vluchtelingen werden geplaatst. Dit verhaal staat grotendeels los van de eerdere verhaallijn, behalve dat het ook over migratie en vluchtelingen gaat. Aan het eind van het boek is de Venetië-verhuizing geannuleerd en Waal & Partners plotsklaps verdwenen. Maar Omar heeft zijn novelle in elk geval afgekregen. 

    Wat betreft het plot zijn er enkele opvallende dingen op te merken. Allereerst is het helemaal niet duidelijk waarom de Al-Falak groep Venetië wil verplaatsen en waarom niemand in het boek vraagtekens durft te zetten bij deze ronduit ongeloofwaardige onderneming. Een simpele mail van Sarah overtuigd Omar dat het een goed idee is en ook in Venetië wordt het vrijwel niet ter sprake gebracht. Het is dan ook geen verrassing dat het plan nooit van de grond komt, het plan werd in eerste instantie al niet geloofwaardig gepresenteerd. De verhaallijn met Waal & Partners, Sarah en de verhuizing van Venetië lijkt vooral overbodig. Omar had ook uit zichzelf naar Venetië kunnen gaan om daar als schrijver de verhalen van migranten te verzamelen. Dat had het een veel geloofwaardiger verhaal gemaakt en de lezer aardig wat verwarring bespaard. 

    Boek-in-boek-methode

    Het boek bestaat voornamelijk uit korte gesprekken en ontmoetingen met personen in Venetië die nooit echt tot een afronding of diepere laag komen. Omar ontmoet iemand, trekt een aantal hoofdstukken met die persoon op en abrupt is de persoon verdwenen. De gesprekken gaan voornamelijk over het uitwisselen van verhalen of over de kracht van verhalen. Ook de novelle die in het boek zit (netjes in een ander font gepresenteerd), weet niet te overtuigen. Het boek-in-het-boek, een beproefd literaire methode, komt hier niet echt sterk over. Ondanks dat het over een belangrijk onderwerp gaat, migratie, is nergens de urgentie voelbaar doordat de personages weinig diepgang hebben. Dat lijkt vooral te zitten in de abrupte manier waarop mensen in Omar’s leven verschijnen en weer verdwijnen. Elke vorm van spanning of urgentie wordt binnen enkele pagina’s opgelost. 

    Bijvoorbeeld aan het begin van het boek: Omar worstelt met zijn roman, waar hij maar niet verder in komt. Zijn relatie met zijn (naamloze) vrouw, is daardoor moeizaam, want hij heeft het gevoel dat hij minder waard is dan zij: zo verdient hij bijvoorbeeld minder dan zijn vrouw. Als hij Chief Officer Storytelling wordt bij Waal & Partners, krijgt hij opeens een riant salaris inclusief een gouden visitekaartje. Hierdoor gaat hij wat luxer leven, kookt hij bijvoorbeeld niet alleen maar macaroni met gehakt, maar ook moussaka, tajine en couscous. Prompt wordt hij beloond met ‘genegenheid tussen de lakens’ en zijn alle relatieproblemen opgelost. ‘Ze zag een man die “ja” tegen het leven zei, en wat ze zag beviel haar zeer.’ 

    Omdat hij (geheel toevalligerwijs) een baan aangeboden kreeg van Sarah, is gelijk zijn hele relatie met zijn naamloze vrouw gered. Over huwelijksproblemen wordt de rest van de roman amper meer gerept, sterker nog: aan het eind van de roman is de liefde tussen Omar en zijn vrouw helemaal opgebloeid. Naast dat het redelijk ongeloofwaardig is, zorgt dit ervoor dat er geen urgentie meer is. Alle problemen die Omar ondervindt, zijn binnen een paar pagina’s opgelost of afgekapt. 

    Geen dieper besef over migratie

    Het is jammer dat deze roman niet uit de verf komt, want de thema’s die Benali aansnijdt zijn belangrijk: de kracht van verhalen en de diepgaande effecten van migratie. Herhaaldelijk wordt in dit boek die kracht van het verhaal aangehaald, ‘Verhalen bieden perspectief. Ze brengen vergezichten, zorgen voor verbinding.’ In de stukken over de migranten in Venetië zijn aanzetten te vinden voor een belangrijk verhaal over migratie. Alleen worden die aanzetten amper afgemaakt en komen niet tot een dieper besef hoe verhalen precies migratie stuwen en beïnvloeden. Dat is een gemiste kans. 



  • Alles is vindbaar zolang je maar graaft

    Alles is vindbaar zolang je maar graaft

    Wie bij een dichtbundel van tweeënzestig pagina’s denkt ‘grote stappen, snel thuis’, komt geheid bedrogen uit. Bij Sterkteleer van Lans Stroeve al helemaal. Is er voor het lezen van poëzie toch al een zekere gesteldheid nodig – rust, geduld, openheid -, voor deze bundel geldt dat des te meer. Stroeve’s gedichten voelen alsof men voor een rotspartij staat en een code, een wachtwoord, een soort van ‘Sesam open u!’ nodig heeft voordat de spaarzame openingen zichtbaar worden. Er lijkt aanvankelijk weinig lucht te zitten in deze poëzie. Het is allemaal te vast en te hard, hermetisch bijna. Moest deze bundel een baksel zijn, dan was het een Christmas pudding. Of een zuurdesembrood, met inhoud die vult, hoezeer ook vorm- en woordschoonheid in acht worden genomen.

    De taal van deze gedichten is stevig en gesloten. Als lezer ben je voortdurend in verwarring, weet je niet wat binnen of buiten is, bolster of pit. Denk je zacht te beginnen, dan breek je de tanden op een harde binnenkant. Of omgekeerd. Erger nog, wat binnen of buiten is, is vaak niet duidelijk. Maar je moet erdoorheen, hoe dan ook. Soms blijf je berooid achter, geschokt, onbarmhartig van je sokken geblazen. Andere keren word je beloond met een schat; een gedachte, een beeld, een kostbaarheid waarbij je huilend scheefzakt. En is die ervaring je eenmaal ten deel gevallen, dan wíl je er ook doorheen. ‘Dat je dat leert in de loop van je leven, om het ongedierte / uit je dekentje te kloppen voordat je het omslaat en je warm / te stappen en op tijd te zwijgen, te fluiten, de vogels te spotten / met hun ragfijne pootjes balancerend op de uiteindes van goud- / gebladerte en daarbij de route te snappen, de tomtom ontwijkend.’
    Beelden zijn er ook. Tussen de drie blokken waarin deze bundel is opgedeeld – ‘Breekspanning’, ‘Imker van de engelen’ en ‘Kracht’ – zijn afbeeldingen van schilderijen opgenomen. Enkele zijn van Stroeve zelf, die behalve dichter ook kunstenaar is, en enkele van haar grootvader Egbert Johannes de Maar.

    Dansende ritmiek

    Net als de omhulde, verborgen zachtheid, zit er ook dansende ritmiek in de gedichten zelf. Niet in de opmaak, niet in de visuele vorm. Ongeacht de vorm – soms met herkenbare strofen en witregels, maar even zo vaak niet – loopt elk gedicht door als proza, wordt bijna een kort verhaal. Proza dat om de beeldigheid van de taal gedicht mag heten. Omdat er in die dichtgedrukte zinnen een cadans zit, sterk als een harteklop. en daarover gaan de meeste gedichten, over een lichaam waar iets mee is. Het hoe en waarom van dat alles wordt gespiegeld in operatiekamerscènes, met die heldere kleuren ook, en in dat licht.

    ‘Wist je dat iedere, ook de fijnste materie / zoals huid in meerdere gehaltes bestaat / zodat de breekspanning wisselt. Sterker / materiaal geeft andere waarden, waar // het lichaam via de huid bij tl-licht / geopend, gepijnigd en gezuiverd werd, / de ziel zich verborg maar bij kaarslicht / verscheen, schemert er iets voor de geest’

    Een lichaam en een hoofd dat enerzijds zichzelf moet verstaan in die nieuwe rol van patiënt. Anderzijds zichzelf verder droomt als levend tussen al het andere leven van de vogels, de struiken, een hond, de kleur van de lucht.

    En juist als je de vraag stelt: wat is hier droom, en wat werkelijkheid, valt het kwartje. Alles is de werkelijkheid in lagen. De ene werkelijkheid, de oude vertrouwde, waar de voelende, kijkende verteller zich verbergt. De andere, die nieuw is en ongemakkelijk, en met dat tl-licht dus. Maar alles mag, met ogen dicht of ogen open, want in alle lagen wordt de autonomie hoe dan ook bewaard. In alle lagen huist een diepste zelf dat al dat schijnbaar ongerijmde met elkaar verbindt. Een zelf dat zegt: dit ben ik, dit ben ik allemaal, dit alles is mijn leven.

    Krachteloze lichaam

    Niet de hogere kunst van het loslaten, maar de hogere kunst van het besef dat er niet zoiets bestaat als loslaten, dat het enkel aankomt op hoe er wordt vastgehouden, en waar het wordt gestald. En als er toch wordt losgelaten – omdat het niet anders kan – dan is het eerder een toevertrouwen. Je krachteloze lichaam leggen in de handen van onbekenden die met geen ander doel om je heen staan dan je te dragen. ‘Bij vele koppelingen ontstaat een oppervlakte / en kan je als een schaatsenrijdertje over donker // water snellen. Zigzaggen. Hoeken slaan. Je gaat / niet zinken, je wordt gedragen. Ogen open: // ze vliegen af en aan, het flinke ziekenhuis in / en uit, de grootste zwerm goede zielen van de stad.’

    Uiteindelijk is de grens tussen hard en zacht en tussen sterk en kwetsbaar niet te vinden. En misschien is het ook niet relevant. Stroeve is erin geslaagd tussen al dat onbekende en schijnbaar onvindbare de nodige woorden te vinden om het onbenoembare van een persoonlijke situatie – een mens balancerend op de levensgrens – te benoemen. En anders worden er woorden gemaakt, met speels gemak, plezier en bravoure: ‘Zielekastje, pimpelmeespetjeblauwehemelkoepel, bezwijkmechanisme, zwartenachtblauwe, paniekregister’.

    Voor deze poëzie moet je moeite doen. En is dat verkeerd? Integendeel. Misschien is het wel goed dat in deze lelijke tijden – van oorlogen tot fatbikes – we ergens moeite voor moeten doen om schatten en kostbaarheden terug te vinden die het leven mooi maken. Niet dat het weg was, maar omdat we waren afgeleid, tot stilstand gekomen in een poel van oppervlakkigheid. Omdat we om wat voor reden ook geen moeite meer deden, niet zochten, niet vochten terwijl we zo verlangden.

    Niks krijg je cadeau

    Alles is er nog, het goede, het ware en het schone, maar we krijgen het niet cadeau. Wellicht is dat de essentie van deze bundel. Alles is vindbaar, zolang je maar graaft, en nog dieper graaft. Durf te blijven gaan, van de ene stapsteen naar de andere, van de ene gedachte naar de andere. Meegaan in de ‘stream of consciousness’. Want naast gedichten met strofen en witregels en leestekens, zijn er ook die in de meest letterlijke zin van het woord vooraan beginnen en achteraan eindigen. Die lezen als één lange flow van beelden zoals in het gedicht:

     ‘Meander

     In deze meander kan men aan de leuning lopen
     in mateloze passages. Men neemt de laatste zin
    en start vanuit die woorden naar een volgende
    verbeelding in klare, laag gezongen klinkers
    en loost in de bochten leestekens voor oude
    ogen. Denkt de houding te herkennen aan de
    herinnering van die ene.

     Men heeft een zacht hart en warme handen.
    Ongenaakbaar werd langzaam onbeholpen
    en opende daarmee een luikje in mijn zielekastje.’

    Helemaal zichtbaar wordt deze ‘stream of consciousness’ in ‘De glimwormen van het geheugen’. en met welk een impact!

    ‘er is me verteld dat je bijna verdwenen bent
    uit het nu en alleen nog uit verleden op te roepen
    herinner ik me dat ik gewekt ben op een zomeravond
    in het warme donker of ik lig toch nog te luisteren
    de schuifgeluiden van de stoelen en een ingehouden
    fluistersfeer schoenen aan we gaan de berg op lopen
    in colonne er is iets wat je moet gaan zien krekels
    breken met hun kleine ratels de geurende duisternis
    tot aan de sterren open, er staat iets te gebeuren’

    Lees dit hardop, proef het ritme, gaande gehouden door subliem gedoseerde assonantie.