• Esthetiek versus oorlog

    Esthetiek versus oorlog

    De Italiaanse schrijver Curzio Malaparte (1898-1957) is vooral bekend vanwege Kaputt (1944) en De Huid (1949), in Nederland uitgegeven in de prachtige serie Oorlogsdomein. Onlangs verscheen in Nederlandse vertaling De Wolga ontspringt in Europa; hierin zijn alle oorlogsverslagen gebundeld die Malaparte schreef voor de Corriere della Sera. Het eerste deel betreft zijn verslagen uit het begin van de Duitse oorlog tegen Sovjet-Rusland vanaf het Oekraïense front (juni-september 1941), het tweede deel zijn verslagen vanuit de loopgraven in Finland, op korte afstand van het belegerde Leningrad (maart-november 1942).

    Lezers die bekend zijn met het werk van Malaparte zullen direct zijn kenmerkende stijl herkennen, die opvallende, zo gehele eigen mengeling van oorlogsgruwelen en poëtische beschrijvingen. ‘De rookwolken van de branden deinen aan de horizon als enorme luchtballonnen die willen loskomen van de grond. Langs alle aanvalscolonnes stijgt een gordijn van rode stof en loodkleurige mist op, een onmetelijk waas waar de dalende zon gele en purperen borduursels in maakt.’ In zijn nawoord schrijft vertaler Jan van der Haar – die opnieuw voor een prachtige vertaling heeft gezorgd – over de stijl van Malaparte: ‘van rauw-realistisch, surrealistisch tot pastel-poëtisch. […] Wat hij met zijn beschrijvingen in Kaputt en De Wolga doet, is esthetiek tegenover oorlog stellen. Door die haaks op de gruwel van de oorlog staande schoonheid bereikt de schrijver vervreemding en van daaruit een scherp indringende beleving van het oorlogsgeweld.’

    IJs

    Een van de meest pregnante beelden uit Kaputt betreft de enorme groep in het Ladogameer bij Leningrad vastgevroren paarden. In De Wolga zijn het geen paarden, maar Russische soldaten die vastgevroren zitten in het ijs. ‘In het ijs, in het doorzichtige glas gedrukt verscheen onder mijn zolen een rij beeldschone mensengezichten. Een rij maskers van glas. (Als een Byzantijns icoon). Die me aankeken, aanstaarden. De lippen waren fijn, versleten, de haren lang, de neuzen scherp, de ogen groot, kristalhelder. (Het waren geen mensen, het waren geen lijken. Als dat zo was, zou ik het voorval verzwijgen.) Wat ik in de ijsplaat zag, was een schitterend beeld, vol van een zacht, ontroerend mededogen. Het was als de fijnzinnige, levende schaduw van mensen die waren opgegaan in de mysterie van het meer.’

    In de regels die daarop volgen geeft Malaparte zelf de beste beschrijving van zijn stijl en de oorsprong van het esthetische element in zijn werk: ‘De oorlog, de dood, heeft soms van die mysterieuze fijnzinnigheden, met een hoge lyrische stem. De oorlog weet soms zijn meest realistische beelden te veranderen in schoonheid, alsof hij op een gegeven moment zelf overmand wordt door het mededogen van de mens voor zijn soortgenoot, van de natuur voor de mens. Ongetwijfeld waren dat de beelden van Sovjet-soldaten die gesneuveld waren bij het doorwaden van de rivier.’

    Klei

    Malaparte is onder de indruk van de enorme logistiek die de oorlog met zich meebrengt. ‘En daar, op de flanken van de heuvel, onder in het dal, op de tegenoverliggende helling was wat ik zover mijn oog kon omvatten, wat ik met duizenden en nog eens duizenden zag oprukken, geen leger, maar een onmetelijke ambulante fabriek, een eindeloze, mobiele metaalfabriek.’ Een fabriek die ook nog eens regelmatig vastloopt in de Buna, de taaie klei waar je tot je knieën in wegzinkt.

    Meer dan een puur verslag van de strijd, wil Malaparte de gebeurtenissen duiding meegeven. ‘Daar schuilt precies de zin van deze oorlog, de betekenis van deze confrontatie tussen Duitsland en Rusland. Geen confrontatie tussen alleen mensen, maar ook tussen machines, technieken, vormen van industrialisatie. Niet alleen tussen de ingenieurs van Goering en die van Stachanov, maar ook tussen het reconstructie- en organisatiewerk van het nationaalsocialisme, en van de Pjatileki, de Sovjet-Russische vijfjarenplannen. Een confrontatie tussen twee volkeren dus, die via de industrialisatie of liever gezegd “motorisering van de landbouw” niet alleen de techniek, maar ook de “arbeidersmoraal” hebben meegekregen, die noodzakelijk zijn om in deze oorlog te kunnen vechten.’
    Gaande het boek zie je zijn sympathie voor de Russen en met name voor hun onverzettelijkheid toenemen. Het is diezelfde onverzettelijkheid die ervoor zorgt dat ze Leningrad niet opgeven, ondanks de onmenselijke situatie tijdens het beleg. Malaparte ziet in deze onverzettelijkheid ook de noodzaak van de Russen om de stad die symbool staat voor de oktoberrevolutie nooit op te geven. Het verbaast niet dat Malaparte, ooit aanhanger van het fascisme, na de oorlog communist werd. Dat vreemde traject, vlak voor zijn dood bekeerde hij zich zelfs tot het katholicisme, bevestigt eens temeer de bijzondere plaats die de schrijver én mens Malaparte inneemt in de literatuur van de 20e eeuw. In zijn waardering voor de Russische soldaten stond hij trouwens niet alleen, want hij bespeurt die waardering ook onder de Duitse soldaten.

    Embedded

    Lezen van De Wolga (en Kaputt) doet direct denken aan Vasily Grossman, die als verslaggever optrok met het Rode Leger. Eerst in de verdediging richting Stalingrad, na de slag om Stalingrad richting Berlijn. Ook Grossman schreef zijn verslagen die werden gepubliceerd in Rode Ster, het dagblad van het Rode Leger. En evenals Malaparte werkte Grossman deze verslagen verder uit in romanvorm in zijn twee grote meesterwerken Stalingrad en Leven en Lot. Het is daarom niet verwonderlijk dat je als lezer bij Malaparte evenals bij Grossman direct op het verhaal zit, je leeft het als lezer direct mee, vanuit het grote verhaal wordt voortdurend ingezoomd op de details die uiteindelijk de oorlogsverhalen vormen die deze boeken zo belangrijk en bijzonder maken. Aldus komt ook Malaparte steeds weer uit bij de mens. Het zijn ondanks alles en ondanks het grotere verhaal van de veldslagen de soldaten en de bevolking die dit ook maar overkomen en die er het beste van moeten en proberen te maken. Maar daar waar Grossman het lijden en afzien benadrukt, daar is het bij Malaparte naast de dood vooral ook het leven dat, ondanks de granaten, de doden en de verwoesting, gewoon doorgaat. Mooi is de anekdote van het varken dat onder een Duitse vrachtwagen terechtkomt. ‘Een paar soldaten verzamelden zich rond het dode varken, ze popelden zichtbaar om het mee te nemen, om het aan het spit te verorberen, en ze hebben het ook meegenomen na de eigenaar, een oude boer, schadeloosgesteld te hebben met een paar honderd lei. Dat bedaarde handjeklap, dat doodgemoedereerde onderhandelen in de zijlijn van de strijd leek iedereen logisch, de boer voorop.’

    Door deze directe aanpak maakt Malaparte ons ook deelgenoot van zijn eigen ongemakken. Het vinden van een geschikte slaapplaats is een terugkerend thema, en hij kan zijn geluk niet op als hij na weken alleen maar tomaten uit blik op brood eens wat ham te eten krijgt.
    De enorme veelzijdigheid van het werk van Malaparte maakt het ondoenlijk alle belangwekkende aspecten uit zijn werk en leven in het korte bestek van deze bespreking te beschrijven., zoals bijvoorbeeldhet feit dat Malaparte in de Eerste Wereldoorlog slachtoffer werd van mosterdgas, volgens velen de oorzaak van zijn dood ten gevolge van longkanker in 1957. De Wolga staat vol met kleine en grote verhalen over de oorlog, waarbij uiteindelijk de mens steeds weer de uiteindelijke focus is.

    Koop dit boek, lees en herlees het! Het werk van Malaparte behoort tot de beste literatuur geschreven in de 20e eeuw. De Wolga vormt daarop geen uitzondering.

  • Zomerboeken 2018 – Vakantiebestemming Corsica

    Zomerboeken 2018 – Vakantiebestemming Corsica

    De huid

    Corsica hoort bij Frankrijk en is Frans, ik zal het niet betwisten, maar de band met Italië is eveneens onmiskenbaar. Het eiland was vanaf de 14eeeuw tot het jaar 1768 onderdeel van de republiek Genua. Deze republiek kwam aan zijn einde door de bekendste zoon van Corsica: Napoleon Bonaparte. De vele Genuese wachttorens langs de gehele kust van het eiland, elk met zicht op twee anderen, zijn stille getuigen van de geschiedenis. Italiaanse invloeden kunnen ook worden teruggevonden in het eten, met pasta en een overvloed aan kaas, en in de locale taal, een variant van Toscaans.

    Voor deze zomerrubriek heb ik daarom gekozen voor literatuur waarin Frankrijk en Italië op een bepaalde manier samenkomen en er een, al dan niet vergezochte, connectie met Corsica kan worden gelegd.

    Curzio Malaparte – De huid (1949)
    Wie Corsica zegt, zegt Napoleon. In de eilandhoofdstad Ajaccio bevindt zich een groot monument voor de militante, zelfgekroonde keizer dat door busladingen Fransen wordt bezocht. Maar wie Bonaparte zegt, kan gemakkelijk verder associëren naar de literaire luis in de pels die zichzelf Curzio Malaparte doopte. Deze geboren Italiaan was de ultieme non-conformist. In beide wereldoorlogen was hij ooggetuige en betrokkene; tijdens de eerste vocht hij als jonge vrijwilliger voor het Franse vreemdelingenlegioen. In 1947 week hij uit van zijn beroemde huis op het ballingseiland Capri naar Parijs, maar was daar evengoed uit de gratie vanwege zijn ongrijpbare politieke opstelling. Hierover schreef hij in Dagboek van een vreemdeling in Parijs. Ook zijn eerste boek, Techniek van de staatsgreep, dat hem in conflict bracht met zowel Stalin als Trotski (hoe typerend), geniet nog steeds bekendheid. Zijn tijdloze plaats in de literatuur dankt Curzio Malaparte echter aan twee grote, essayistische oorlogsboeken: Kaputt en De huid. Vooral dit laatste werk is groots, huiveringwekkend, vlijmscherp, briljant, een unieke overdenking over de moraal van de mens in erbarmelijke omstandigheden. De huid is een van die uitzonderlijke boeken die gedurende vele jaren blijven hangen. Plan minstens een extra dag in om bij te komen.

     

     

    De huid
    Auteur: Curzio Malaparte
    Uitgeverij: De Arbeiderspers (2007)

    De preek over de val van Rome

    Jérôme Ferrari – De preek over de val van Rome (2012)
    De schrijversnaam en de titel werpen al direct lijnen uit van Frankrijk naar Italië, maar het boek dat in 2012 de Prix Goncourt won speelt zich daadwerkelijk af op Corsica. Ferrari’s ouders zijn afkomstig van het eiland en hij heeft er zelf gewoond en filosofie gedoceerd. De roman is een niet bepaald typische familiegeschiedenis, gedrenkt in de apocalyptische sfeer uit de preken van kerkvader Augustinus over de ondergang van Rome (ergo: de wereld). Ruzies en wraak blijken, na een idyllisch begin, onontkoombaar op het eiland dat nog niet zo lang geleden bekend stond om zijn bloedige vendetta’s. Het wordt allemaal prachtig opgeschreven door Jérôme Ferrari, in een moeiteloos vloeiende stijl van lange zinnen die je als lezer geregeld aan de pagina’s kluisteren. Niet het makkelijkste vakantieboek, maar wel zeer fraaie literatuur en ook nog eens op en top Corsicaans.

     

     

    De preek over de val van Rome
    Auteur: Jérôme Ferrari
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    De Kartuize van Parma

    Stendhal – De kartuize van Parma (1839)
    Frankrijk, Italië en Napoleon, ze komen samen bij Stendhal. Deze 19e-eeuwse, Franse romancier, diende in het leger van Napoleon en woonde lange tijd in Milaan. De achtergrond van zijn bekendste romans (zoals Het rood en het zwart) wordt gevormd door precies deze, deels autobiografische elementen. Dat geldt ook voor De Kartuize van Parma, dat daarnaast vol staat met hertoginnen en hofintriges. Stendhal dicteerde zijn romans en tijdens het lezen krijg je soms inderdaad het gevoel dat iemand mondeling een verhaal aan het vertellen is. Een verhaal vol interne conflicten bij de protagonisten, even heftige als wisselende emoties, maar zonder het plechtstatige wat in de romantiek nog wel eens aanwezig is. Integendeel, de vertellerstoon van Stendhal is licht ironisch en zonder opsmuk, met een enigszins fragmentarisch aspect in de compositie die elke vorm van hermetische geslotenheid uitbant. De Kartuize van Parma kan derhalve betiteld worden als een luchthartig gevoelsavontuur dat een prima tijdsbesteding biedt tijdens een zonnige vakantie aan de Middellandse zee

    De Kartuize van Parma
    Auteur: Stendhal
    Uitgeverij: Atheneaeum – Polak & van Gennep (2017)
  • Een onbestemde, poëtische waas en een geladen sfeer

    Een onbestemde, poëtische waas en een geladen sfeer

     

    Onlangs heeft dichter/vertaler Jan van der Haar een nieuwe titel van Curzio Malaparte (1898-1957), de Italiaanse schrijver die met de oorlogsboeken Kaputt en De huid een ware cultstatus verwierf, voor het Nederlandse taalgebied ontsloten. Het gaat om de verhalenbundel Bloed (‘Sangue’) uit 1937.

    Bloed bevat een dertiental verhalen, aangevuld met twee voorwoorden van Malaparte zelf uit 1937 en 1954. Daarin lezen we hoezeer Malapartes eigen leven door bloed gekleurd was: ‘Mijn jeugdherinneringen zijn rood van het bloed.’  Weldra volgt een quasi cultureel filosofische uiteenzetting van de Italiaanse horigheid aan de wetten van het bloed. Gespeend van een zeker pathos blijft het niet en de lezer moet enige gedateerde zinnen voor lief nemen.

    Aangezien Italianen alles ondergeschikt hebben gemaakt aan het heilige ontzag voor het menselijk leven, komt hun morele besef alleen bij het vloeien van bloed naar voren. Het Italiaanse volk is nooit slaaf geweest van ideeën of geld, maar des te meer van hun hartstochten. En tot die typisch Italiaanse hartstochten rekent Malaparte jaloezie, eerzucht, liefde voor de moeder, de familie, het land. Uitsluitend een warmbloedig gepleegde moord is voor de Italiaan daarom vergeeflijk. Maar die welke gepleegd uit berekening, ambitie of hebzucht, zal nooit op vergeving kunnen rekenen. En net wanneer je als lezer denkt ‘het zal wel’ komt de schrijver met een welgemikte vuistslag: ‘Zelfs de grootste zielenpoten, kansarmen, blinden, bij wie het morele besef als het ware dood en begraven is, zijn nooit slaaf van honger of hebzucht, maar wel van hun bloed, en dat is de enige slavernij die ze vrij aanvaarden, alsof het een natuurlijke staat of een genadestaat is. In deze warme, strenge heerschappij brengen ze hun bestaan door, ze veroordelen zich tot de hel, maken zich op voor het paradijs. Hun wet ligt in hun aderen. Buiten die wet is er niets wat vat op hun lotsbestemming heeft: de rede, angst noch enigerlei hoop. (…) Vandaar dat aandoenlijke begrip voor andermans lichamelijk lijden. Om moreel leed malen ze niet zo, ja, soms lijken ze er bijna van te genieten, vooral bij anderen: en dan niet uit rancune, afgunst of een ander minderwaardig sentiment, maar uit een diep gevoel voor rechtvaardigheid, uit ervaring met de slechtheid en kleinheid van de mens. Omdat ze weten dat mensen allerlei vernedering, schande en wanhoop verdienen’. Kijk, dat maakt duidelijk waarom de als Kurt Erich Suckert geboren auteur juist Malaparte (‘hij die aan de slechte kant staat’) als pseudoniem koos, de antipode van Bonaparte. Als lezer ben je meteen wakker geschud. Want dat is de kracht van Malaparte: zo nu en dan strooien met rake, schurende zinnen, beelden die zich op je netvlies zetten en niet meer willen wijken. Dergelijke messteken maken het lezen van deze auteur de moeite waard.

    In het verhaal Een stad als ik, waarin de auteur een portret van zichzelf als stad schetst, laat hij zijn gedachten gaan over haar bewoners en die ziet hij het liefst als: ‘Liefhebbers van fatsoenlijk vermaak, die eerder uit zijn op vrede dan op rijkdom. Maar ik zou wel graag een geheime onrust in die hoofden willen, want mensen die zo tevreden, zo zeker van zichzelf en anderen zijn, blijken niet tot grootse dingen in staat. Ik zou ze onrustig en onzeker voor de toekomst maken, zonder spijt of weemoed naar het verleden’. Volmaakt in de klassieke zin zou die stad niet moeten zijn, want ‘wat er echt nodig zou zijn, en waar men niet zonder kan, is een donkere smet op de keien van een steeg (..) Een druppel bloed, niemand zou weten hoe die er kwam, wie er gestorven is, en waarom. (…) Mocht hij als een smet op het geweten van de stad rusten: een reden van berouw en angst moet er immers zijn in een stad, als je wilt dat die volmaakt is.’ Weer bloed dus.

    Er valt van alles over deze bundel te beweren, maar niet dat de titel de lading niet zou dekken. Alle dertien verhalen staan in het teken van het ontzag voor bloed. Daarover kon na het voorwoord al geen twijfel meer bestaan. En hoewel de schrijver daarin beweert bloed te verafschuwen, stelt hij zich tot taak zijn ‘eerste inzichten, ontdekkingen en onthullingen van de mysterieuze wetten van het bloed en bewustzijn’ te beschrijven. Als sommige passages wreed zouden lijken, komt dat echter niet doordat de auteur ze ‘gebundeld [heeft] uit een morbide genoegen in wrede beelden, maar om te tonen hoe men door de pijnlijkste ervaringen een ultiem, vrij bewustzijn van zichzelf en zijn volk en zijn tijd kan bereiken.’

    Toch kan, wie de soms surrealistische oorlogstaferelen uit Kaputt en De huid in het geheugen gegrift staan, alleen maar constateren dat het met die wreedheid in Bloed nog wel meevalt. Ze ligt voortdurend op de loer, maar de verhalen waarin de wreedheid botgevierd wordt, zijn in de minderheid. Hier is de auteur aanzienlijk ingetogener, poëtischer te werk gegaan, is de sfeer minder bizar. De verhalen dateren nog van vóór de Tweede Wereldoorlog. En hoewel Malaparte als adolescent in de Eerste Wereldoorlog vocht, klinkt het krijgsgewoel daarvan nauwelijks door. De toon in de verhalen is beduidend bescheidener dan die van het voorwoord. Veel verhalen hebben een onbestemde, poëtische waas over zich. Er gebeurt vaak te weinig om van een plot te kunnen spreken, maar de sfeer is geladen. De meeste gaan over de als somber en beklemmend beleefde kindertijd en over het gevoel overal buiten te staan: geen binding te hebben met de mens, met de wereld om hem heen. ‘Als kind was ik triest, diep ongelukkig’ is een zin die wat betreft de gemoedstoestand van het jonge kind veel samenvat. Alle zintuigen staan open, want de buitenwereld is vol dreiging. Dat levert uitdagende, expressieve beeldspraak op als ‘er hing een reusachtige kwetsbare rust in de lucht’ en ‘onder het raam hijgde de zee als een koe voor de gesloten staldeur’. Wanneer de schrijver het vertelperspectief even overneemt, worden zulke zinnen even makkelijk ingewisseld voor wat meer reflectieve: ‘Ik ken mijn geheimen, mijn kracht, de duistere en lichte kanten van mijn geest, wat er al dood is in mij, wat nog levend. Ik weet hoe ik mezelf moet teleurstellen’.

    Langzaamaan zien we de het kind tot jongeling opgroeien. In het verhaal Jongenskwelling gaat de ik-figuur gebukt onder de last van twijfel en onzekerheden. Wanneer hij eindelijk een jongen in vertrouwen heeft genomen om hem zijn kwellende gevoelens op te biechten, lezen we: ‘ik voelde dat ik hem ongewild met mijn woorden de zekerheid had gegeven dat voor hem nu alles verloren was, dat niets hem meer zou kunnen verlossen van die angst, die vrees voor de dood waarvan mijn biecht me voorgoed had bevrijd.’

    Dat iemand zich ten koste van een ander van zijn juk bevrijdt, zien we terug in het langste verhaal Een gelukkige dag, waarmee de bundel besluit. Hierin volgen we een ambtenaar van het Kadaster die zomaar besluit een dag niet naar zijn werk te gaan, maar de buitenwijken van Rome in te trekken, alwaar hij de sfeer van het zuivere Italië meent te beleven en zich verwelkomd voelt door de militairen en zwarthemden. Wanneer hij in een café, in kennelijke staat verkerend, aan de aanwezige arbeiders een rondje geeft, raakt hij met hen in gesprek. Voortdrinkend komt de ambtenaar tot het besef dat zijn kantoorbaan, zijn leventje één grote gevangenis is en dat hij zich al die jaren door angst heeft laten regeren. Hij betreurt het uit ander hout te zijn gesneden dan de arbeider. Een dreigende sfeer ontstaat wanneer een handgemeen volgt met de waard die vindt dat er inmiddels genoeg alcohol is geschonken. Maar die bui trekt vooralsnog over. Van echte toenadering wil het evenwel niet meer komen, en enigszins ontnuchterd druipt de ambtenaar af. Thuisgekomen komt die sfeer van dreiging weer vervaarlijk terug en in een vlaag van blinde woede reageert hij zich mededogenloos af op zijn huiskat. Met stip de gruwelijkste scène van het boek. Het brengt de dader wel in een staat van bevrijding. ‘Een glimlach van overwinning, maar dan schuchter en zacht, die van een kind dat eindelijk genezen is van een heimelijk verdriet en zich overgeeft aan een vrije, blije droom’, luiden de laatste woorden. En aldus lijkt de open wond van de kindertijd definitief geheeld en is de volwassen man verschoond van zijn angsten.

    De vertaling leest goed. Slechts bij een heel enkel zinnetje was er even twijfel: ‘hm, wat zou hier in het origineel hebben gestaan?’ Een omissie is echter wel dat nergens in het boek (niet eens achterop!) enige informatie te lezen valt over de auteur. Terwijl de achterflap bij uitstek gelegenheid biedt een auteur als Malaparte met goed in de markt liggende termen als ‘controversieel’ en ‘cultstatus’ te etaleren. Enige gegevens omtrent de man die in zijn politieke wisselvalligheid dikwijls aan de verkeerde kant van de geschiedenis belandde, had geen kwaad gekund. De potentiële lezer die nog onbekend is met de naam Malaparte, en die het boek in een boekwinkel, afgaande op de niet oninteressant luidende titel, van de stapel plukt en enig houvast zoekt in de vorm van auteursinfo, wordt nu niet op zijn wenken bediend. De toegankelijkheid en het niveau van de verhalen maken het boek echter zeer geschikt ter introductie van Malapartes werk. Voor de lezer die zich al gewonnen had gegeven na lezing van Kaputt of De huid, en het zonder flaptekst kan stellen, is deze bundel natuurlijk sowieso een aanrader.

     

     

  • Overwegingen halverwege een boek – Italië

    door Menno Hartman

    In de rechterbalk staat een vakje ‘Bij de buren’. Vroeger stonden daar slechts bijdragen van NRC-Handelsblad, nu zijn daar een aantal buitenlandse kranten aan toegevoegd. Het is tenslotte goed te weten wat men elders denkt en doet, speciaal in een tijdsgewricht waarin men tracht vaderlandse liederen op radio 2 aan een hoger percentage te krijgen, waarin wat van elders komt dus verdacht is. Toch is dat laatste een zeer internationaal gezichtspunt. Kijk maar bij deze link, die je ook in de rubliek ‘Bij de buren’ aantreft.

    The New York Times biedt de lezer zijn lijstje van tien beste boeken, en er is er niet een vertaald. Toch kan het zeer bevrijdend werken vooral veel vertaald werk te lezen, er is zo vreselijk veel goeds. Het kan ook zeer bevrijdend werken soms eens een buitenlandse krant in te zien, je ziet dan andere koppen en deskundigen. Ik liep anderhalve week terug met een rugzak langs Hadrian’s Wall, opgetrokken om vreemde elementen buiten het Romeinse rijk te houden. Daarom was ik van plan Hadrianus Gedenkschriften van Marguerite Yourcenar te herlezen. Maar ik ben geen herlezer. Ik had goddank meer in mijn rugzak: Laurent Binet’s HhhH, waar Machiel Jansen al een stuk over schreef en het nieuwe boek van Sandro Veronesi XY, vertaald door Rob Gerritsen. Twee van de vorige boeken van Veronesi hadden mij redelijk van mijn sokkel geblazen: Kalme chaos en In de ban van mijn vader.

    Wat is XY voor een boek? In een klein bergdorp vindt een bizar incident plaats, waarbij tien mensen de dood vinden, die achteraf door totaal verschillende doodsoorzaken gestorven te zijn. Een is zelfs gebeten door een haai die al driehonderd jaar uitgestorven is. De besneeuwde boom waaronder men de lijken vond is rood van kleur en na onderzoek blijkt dat bloed te zijn dat dna vertoont van alle gestorven aanwezigen.

    De plaatselijke pastoor gaat samen met een vrouwelijke psychiater trachten de ontwortelde dorpsbewoners bij te staan. Veronesi komt niet met een oplossing voor het drama. Het boek lees je dus vooral om de hoofdfiguren, een zeventigjarige pater en een vrouwelijke psychiater van in de dertig, en om sommige zeer snedige Veronesi passages, steeds een heel verrassende mix van filosofische waarneming en alledaagsheid.  Ik moet denken aan de De naam van de roos van Umberto Eco, een intellectuele thriller, met een standvastige kloosterling als inspecteur. Maar je kunt ook denken – als je dit boek wilt flankeren met titels die er iets van weg hebben – aan de Italiaanse klassieker Die gore klerezooi in de Via Merulana van Carlo Emilio Gadda, een detective die geen detective is, waarin het gerechtelijk onderzoek op allerlei dwaalwegen belandt en de lezer steeds helderder voor ogen krijgt dat de diefstal en de moord uit dat boek slechts aanleiding zijn om het over iets heel anders te hebben. Een modernistische klassieker vermomt als detective. XY lijkt meer te gaan over het gegeven dat je altijd je leven weer in eigen hand kunt nemen en dat het verrijkend is de werkelijkheid soms eens vanuit een andere paradigma te bezien.

    Gadda, Veronesi, Eco, de top tien van de New York Times. In het café ontdekte ik dat ‘mijn overwegingen halverwege een boek’ een vermomming waren voor mijn top tien uit de Italiaanse literatuur. Ik vulde er voor een van de andere Literair Nederland redacteurs twee bierviltjes mee.

    Hij luidt tot nader orde zo:

    Giorgio Bassani – twee keer: De tuin van de Fitzi-Contini’s – De reiger

    Dino BuzzatiDe woestijn van de tartaren

    Italo Calvinotwee keer: Als op een winternacht een reiziger – Het pad van de spinnenesten

    Carlo Emilio GaddaDe gore klerezooi in de Via Merulana

    Primo Levidrie keer: Is dit een mens, Zo niet nu wanneer dan, Het periodiek systeem

    Curzio Malaparte – Kapputt

    Alberto Moravia – De voyeur

    Cesare Pavese – drie keer: Stilte in augustus – De duivel op de heuvel – De maan en het vuur

    Tomasi di Lampedusa – De tijgerkat

    Italo Svevo De bekentenissen van Zeno

    Sandro Veronesi -twee keer: In de ban van mijn vader – Kalme Chaos

     

    Ik zie dat het elf schrijvers zijn, geen tien en dat er geen vrouwelijke auteurs bij staan, dat verbaast me zeer, maar ik kan er niet veel noemen. Van Natalia Ginzburg las ik alleen een korte biografie over Tsjechov. Wie mis ik? Zie ook de wikipedialijst.

    Volgende keer bespreek ik hoe het voelt halverwege te zijn met  Tim Harfords‘ Adapt. Why success always starts with failure en tot welke boeken dat boek  zich verhoudt.

  • Recensie door: Rein Swart

    Recensie door: Rein Swart

    Robot tegen Übermensch?

    De ondertitel De twee gezichten van Italië, drukt precies uit wat deze twee wielrenners voor hun landgenoten betekenden. Italië was in de vijftiger jaren verdeeld in coppiani en bartaliani, een tegenstelling waarbij die tussen Ajax en Feyenoord zwak afsteekt.

    De beide renners vertegenwoordigden tegengestelde waarden. De vijf jaar oudere Bartali was een gelovig katholiek uit Toscane, terwijl Coppi uit Piemonte kwam, de streek van de landarbeiders die later fabrieksarbeiders werden. Bartali moest het hebben van sluwheid, Coppi van kracht. Malaparte vergelijkt Bartali met een ‘Übermensch’ en Coppi met een machine. Tijdens een rustperiode staat robot Coppi zogezegd werkloos aan de kant, terwijl  atleet Bartali van zijn welverdiende rust geniet. 

    Malaparte wil de rivalen niet als vijanden tegenover elkaar zetten. Net als in onze tijd was het in het belang van de media om de tegenstellingen op te kloppen. De foto op de omslag is veelzeggend: tijdens een verzengende bergetappe reikt de een de ander een fles water aan. Over de vraag van wie het aanbod kwam en wie het aannam, blijven de meningen verdeeld.

    Het boekje bestaat uit een vijftal, met boeiende foto’s verluchtigde, stukjes, die elkaar inhoudelijk regelmatig overlappen: een voorwoord van wielerhistoricus Wout Koster, een biografische aantekening van de uitgever, het artikel van Malaparte, een stukje van de Franse wielerjournalist Augendre en een flauw nawoord van Pouy, de uitgever van de Franse editie van het boek. Het lijkt of  men moeite heeft gehad om het boekje vol te krijgen.

    Het leeuwendeel ? als dat gezegd kan worden van een boekje van 87 pagina’s – komt op naam van Malaparte, die zelf ook een kleurrijk individu was. Volgens de uitgever is hij geboren in 1898 en ? volgens een voetnoot – gestorven in 1957. Hij was eerst fascist, daarna antifascist, wielrenner, journalist en schrijver. Het artikel De twee gezichten van Italië heeft hij gepubliceerd in 1949, kort voor de start van de Tour de France in het Franse sportblad Sport Digestis. De meeste informatie kennen we inmiddels al uit de inleiding. Malaparte stelt duidelijk dat het antagonisme tussen de renners niet persoonlijk van aard was. Aan het slot volgt een weinig zeggende flirt met Griekse mythologie.

    De bijdrage van Augendre poogt tenminste nog enige zakelijke informatie te geven over de ploegen Legnano en Bianchi, waarbij dit citaat niet mag ontbreken:

    ‘Groepjes politieagenten stonden garant voor de bescherming van de idolen, die zich minder bedreigd voelden door de tifosi van het vijandige kamp dan door hun eigen bewonderaars.’

    Ook schrijft Augendre over het verloop van de Tour in 1949 en de lastige samenstelling van de squadra door ploegleider Binda. Coppi en Bartali waren zeer aan elkaar gewaagd, maar stonden heel anders in het leven. Bartali lustte wel een borreltje, Coppi leefde als een monnik. Bartali bad tot de Heer voordat hij aan een wedstrijd begon, Coppi schamperde daarover dat God meer aan zijn hoofd moest hebben. Het is jammer dat Augendre niet ingaat op zijn uitspraak dat Coppi meer te lijden moet hebben gehad onder de oorlog.

    In het nawoord staat nog vermeld dat Coppi zijn vrouw inwisselde voor een ‘witte dame’, maar over haar kom je, net als over zijn krijgsgevangenschap, niets te weten. Ik had graag nog de palmares van beide heren bekeken, wedstrijdverslagen gelezen en nog enige anekdotes, zoals die over Bartali die zich erover verwonderde dat Coppi zo weinig lek reed en daarom dezelfde banden ging gebruiken, zonder het beoogde resultaat overigens. Het blijft in dit boek teveel bij een opsomming. Een gemiste kans, want wielrennen was en is, ondanks alle dopinggebruik en commerciële dictaten, nog steeds een sport waarin de heroïek voorop gaat.

    Fausto Coppi & Gino Bartali
    De twee gezichten van Italië

    Auteur: Curzio Malaparte
    Vertaald door: Jan van der Haar
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers
    Prijs: € 10,-

  • Essays over literatuur, beeldende kunst en muziek

     

     Het beschouwende proza van Kundera is zonder meer fascinerend. Hij noemt het zelf een ontmoeting van zijn bespiegelingen en zijn herinneringen en ook van zijn oude thema’s en oude (literaire) liefdes.
    Het is voor de geïnteresseerde lezer wel even doorbijten want de auteur veronderstelt een uitgebreide kennis van de Franse literatuur en ook legt hij dikwijls dwarsverbanden met de schilderkunst en de muziek. Een goede encyclopedie biedt in de meeste gevallen uitkomst. Het is in dit verband opvallend dat heel veel onderwerpen die Kundera in zijn essays ter sprake brengt, kort na het verschijnen, op de vrije internetencyclopedie Wikipedia zijn bijgewerkt. Het is alsof de uitgever en zijn medewerkers er een vermoeden van hadden dat sommige schrijvers en vooral ook dichters niet zo erg bekend zouden zijn bij het Nederlandse lezerspubliek. Doordat Martin de Haan met zijn voortreffelijke vertaling de aandacht heeft gevestigd op het werk van Kundera, komt hier wellicht verandering in.

    Kundera houdt er, volgens eigen zeggen, een denkbeeldige eregalerij op na. Als eerste daarin verschijnt de opmerkelijke kunstenaar Francis Bacon die uitspraken doet die aanzetten tot nadenken zoals: ‘Als ik naar de slager ga, verbaas ik mij erover dat ik daar niet hang in plaats van het dier’.
    Zo nu en dan is er wat somberheid in de betogen, bijvoorbeeld wanneer hij zegt nog steeds door te gaan met de zoektocht naar het van zin verstoken toeval dat het leven is. Geestverwanten als Francis Bacon en Samuel Beckett hebben gezegd getuige te zijn van de ondergang van een beschaving. Ook wordt gerefereerd aan het werk van de van oorsprong Roemeense toneelschrijver Eugene Ionesco die in zijn absurdistische stukken voortdurend thema’s als de dood en de zinloosheid van het leven behandelt.
    Heel bijzonder is ook de door Kundera aangehaalde uitspraak van Samuel Beckett: ‘De kunst wordt vaak besmeurd door een theoretische ondoorzichtige woordenbrij waardoor een kunstwerk niet meer in contact word gebracht met de kijker of luisteraar zonder pre- interpretatie’. Een boodschap die sommige recensenten van concerten en tentoonstellingen zich aan zouden moeten trekken.

    Nooit is Kundera scherp kritisch in zijn beschouwingen. Als hij al kritiek uit is deze zeer mild. Zo maakt hij gewag van de grote literaire kwaliteiten van Louis-Ferdinand Céline zonder aandacht te schenken aan zijn antisemitische pamfletten en zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog zeer laakbare gedrag. In de volgende hoofdstukken worden steeds kunstenaars ten tonele gevoerd (vooral veel schrijvers) wiens werk door Kundera van commentaar wordt voorzien. Soms lijkt zijn boek op een bundel boekrecensies en op een ander moment heeft het iets van een ‘Dode dichters almanak’ omdat hij soms heel ver terug gaat in het verleden.
    Grote verdienste van Milan Kundera is onder andere dat hij steeds bij zijn lezers belangstelling weet te wekken voor de meest uiteenlopende literaire onderwerpen. Zo vestigt hij de aandacht op het werk van Jacques Anatole François Thibault, beter bekend onder de naam van Anatole France. Nieuwsgierig geworden zullen er onder de lezers van Kundera’s ontmoetingen, velen zijn die zich naar de boekhandel spoeden om zijn werk Les dieux ont soif in een Nederlandse vertaling te bemachtigen.
    Ook interessant, voor vooral de Nederlandse lezers is de briefwisseling met de Mexicaanse schrijver Carlos Fuentes. Hij hield in 2006 de Huizingalezing aan de universiteit te Leiden. Nog nieuwsgieriger worden we als Kundera vermeldt dat tijdens een door de Frankfurter Algemeine Zeitung in 1999 gehouden enquête, de trilogie, Die Schlafwandler van Hermann Broch, door Fuentes als grootste van deze eeuw wordt aangemerkt.
    De literatuur in de verschillende voormalige Franse gebiedsdelen zoals Martinique komen ter sprake. Het Frans wordt nog steeds op scholen onderwezen maar het alledaagse taalgebruik (la parole immédiate) is het Creools. Patrick Chamoiseau heeft zijn romans verrijkt met Creoolse uitdrukkingen en heeft daarmee de unieke historische en culturele wortels van het Caribische gebied willen benadrukken. Kundera zegt dat hij dat gedaan heeft omdat ze grappig, betoverend en onvervangbaar zijn.

    Een opera van landgenoot Janacek wordt besproken. En daarna komt Theresienstadt ter sprake. Herinneringen worden opgehaald aan een ontmoeting die Kundera had in zijn jonge jaren met een Joods echtpaar dat tijdens hun verblijf in deze ‘vitrine’, waarmee nazi Duitsland zijn misdaden trachtte te verhullen, de herinnering aan Mahler en Schönberg levendig probeerde te houden.

    Tenslotte wordt er nog vrij uitvoerig aandacht besteed aan het werk van Curzio Malaparte en zijn twee meest bekende romans, Kaputt en De huid. Alweer een aanbeveling.
    Eigenlijk wordt er door Kundera aan ons te veel aangereikt om in één keer te verwerken. Regelmatig zal dit boek moeten worden herlezen. Lees maar goed want er staat veel meer dan er staat.