• De zomerboeken van Ben Koops

    De zomerboeken van Ben Koops

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.

    Ben Koops gaat op vakantie en neemt mee:

    Han Kang – De vegetariër
    J.K. Huysmans – Tegen de keer
    Annie Ernaux – De jaren
    Clarice Lispector – De passie volgens G.H.
    Yusuf Atilgan – De lanterfanter
    Ocean Vuong – Op aarde schitteren we even

    ‘Han Kang staat op de lijst omdat ik ooit een kort stukje uit zijn boek Wit heb gelezen wat mij nieuwsgierig maakte naar deze auteur. Tegen de keer maakt deel uit van mijn zoektocht naar decadente schrijvers. Ik heb recent Kubin en Mirbeau gelezen dus nu is de beurt aan Huysmans. Huysmans is pessimistisch maar net als Thomas Bernhard goed gezelschap.
    De jaren lijkt mij een fijn boek om bij weg te dromen. De passie volgens G.H. is iets wat al langer op mijn lijstje staat; nadat ik Het uur van de ster van Lispector heb gelezen volgt nu deze bevreemdende absurdistische roman. Over De lanterfanter heb ik gehoord via een podcast, en ik verheug me nu al op het boek met de fantastische titel. En als laatste Ocean Vuong, waar ik vooral door de titel op af kwam, maar ook omdat ik las dat de auteur een dichter is.’

    Lees meer over Ben Koops
  • Stokkermat

    Stokkermat

    Er zijn werkmannen in huis, jongens nog. Het huis een open veld waar de wind vrij spel heeft. Ze ontmantelen een rookkanaal dat vanaf de begaande vloer twee verdiepingen omhoog door het dak naar buiten gaat. Inloopkasten worden deels afgebroken en op zolder is door ontbrekende dakpannen een gat naar de hemel ontstaan. Ik trek me terug in het enige kamertje van het huis waar de werkmannen, jongens nog, niets te zoeken hebben. Ik hoor ze roffelend de trappen afgaan, wat klinkt alsof het huis op instorten staat en ze zich het vege lijf moeten redden. Ik hoor ze roepen vanaf het dak naar de straatkant, ‘Hee, heb je de stokkermat geladen?’ ‘Wat?’. Ik hoor een Arabische beat vanaf de bovenverdieping het huis instromen en duik in het proza van Clarice Lispector. Haar verzamelde verhalen wegen een kilo en honderd gram en moeten daarom wel in bed met opgetrokken knieën gelezen te worden.

    Een jonge vrouw adoreert een trieste man met destructieve neigingen. Ze ontmoeten elkaar in een café, de man voert een eenrichtingsgesprek waarbij hij zich over de zwarte haren strijkt alsof hij over ‘de warme vacht van een poesje streek’. De jonge vrouw is sprakeloos en betreurt het ‘geen gebaar achter de hand te hebben’, om aan het sprakeloze te ontsnappen. Alsof er een handel in bestaat, het verzamelen van gebaren die je in een gebarendoosje doet, wanneer nodig neem je er eentje uit, om dingen kracht bij te zetten of je een houding geven. Dit komt uit het verhaal, ‘Onderbroken verhaal’. Een goede titel. De jonge vrouw heeft zich in het hoofd gehaald dat ze om de man te redden wel met hem moet trouwen. Hoe vreselijk dit ook voor haar zou zijn, het moet gewoon. Dan schiet de trieste man zich door het hoofd. ‘En plotseling brak het verhaal af. Het had niet eens een mooi einde. Het eindigde met de abruptheid en het gebrek aan logica van een klap in het gezicht.’

    Is het arrogant geen deel te willen uitmaken van een groep, een actiegroep, het klimaat, een mening? Een verbond beheerst algauw het denken en ontneemt het zicht op het dagelijkse leven. Leven met aandacht, zorg voor en dank aan de omgeving. In ‘De koortsdroom’, voert Clarice Lispector de Aarde als een partij op. De Aarde geeft het op, verdwijnt. Is hier sprake van een winnaar? Een klein mannetje roept, ‘Ik kan vertellen wie gewonnen heeft.’ Iedereen wordt boos, roept om stilte. Het mannetje vat moed, roept: ‘Maar ik weet het! Ik weet: de overwinning is aan de Aarde. Het was haar wraak, het was wraak…’. Daar word ik stil van, alsof we het wisten en decennia lang niets deden. Clarice schreef dit verhaal zo’n zeventig jaar geleden. Haar verhalen zijn doordesemd van inzichten. Even lijkt het alsof op weg naar de globalisering van de wereld er niets veranderd is. Zo zijn haar verhalen, alsof ze vandaag geschreven zijn.

     

    Alle verhalen, Clarice Lispector, Samengesteld en inleiding door Benjamin Moser, vertaald door Adri Boon / De Arbeiderspers.


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV en leest dagelijks.

  • Oogst week 39 – 2019

    Alle verhalen

    Clarice Lispector (1920-1977) was een Braziliaans auteur die internationale faam verwierf met haar romans en korte verhalen. In Alle verhalen zijn zesentachtig korte verhalen opgenomen die Lispector schreef, sommige als jongvolwassene, andere als ervaren auteur. Hierdoor vormt haar ontwikkeling als schrijver een rode draad binnen het boek. Benjamin Moser, die eerder een biografie over Lispector publiceerde, stelde Alle verhalen samen en ook de inleiding is van zijn hand.

    De korte verhalen bevatten, net als Lispectors romans, zowel humor als een filosofische ondertoon. In sommige verhalen is de thematiek uit latere romans al aanwezig, terwijl andere op zichzelf staan en haar vakmanschap illustreren.

    Alle verhalen
    Auteur: Clarice Lispector
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Hier is alles nog mogelijk

    Een vrouw werkt als nachtwaakster bij een verpakkingsfabriek die binnenkort zal sluiten. Iedere avond is voor haar hetzelfde, tot ze hoort dat er een wolf op het terrein is gesignaleerd. Dat blijkt niet de eerste vreemde gebeurtenis: niet ver van de fabriek valt een man uit het vliegtuig en er wordt een bank overvallen door iemand die wel heel sterk op de vrouw lijkt.

    Hier is alles nog mogelijk is het debuut van de Zwitserse auteur Gianna Molinari (1988). Het is een verrassend verhaal over het verkennen van de grenzen. In Zürich richtte Molinari een actiegroep op om vluchtelingen te helpen, een thema dat ook doorklinkt in Hier is alles nog mogelijk. Het boek won meerdere prijzen en stond op de longlist van de Deutscher Buchpreis.

    Hier is alles nog mogelijk
    Auteur: Gianna Molinari
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    De grom uit de hond halen

    Iduna Paalman (1991) publiceerde in diverse literaire tijdschriften en stond op podia als De Nacht van de Poëzie en het Geen Daden Maar Woorden Festival. Daarnaast won ze de Lowlands Schrijfwedstrijd. In 2012 verscheen Hee maisje!, een bundeling van blogs. De grom uit de hond halen is haar poëziedebuut.

    Een centraal thema in deze bundel is gevaar. Paalman schrijft over wantrouwen, sprookjes en (ongeschikte) schuilplaatsen. Uit de flaptekst van De grom uit de hond halen: ‘In haar zinnen spreekt het gevaar je geruststellend toe, maar wat moet je geloven? Kun je de rekenfout uit een staalconstructie halen, liefde vasttimmeren in een nieuw huis, onbezorgd blijven als je naast een sluipschutter zwemt?’

    De grom uit de hond halen
    Auteur: Iduna Paalman
    Uitgeverij: Querido
  • Boek zoekt vrouw

    Boek zoekt vrouw

    Er was eens een schrijfster – ik zal haar naam niet noemen, maar vorige week kwam ze voorbij op Schrijven is scheuren, de scheurkalender die dit jaar bij ons thuis als winnaar uit de bus gekomen is – die mij min of meer verbood de boeken van haar man te lezen. Ze gunde hem alleen het allerbeste en had zonder een woord met mij te wisselen besloten dat ik niet belezen genoeg was. Ik was het daar natuurlijk niet mee eens, maar had geen trek in een zinloze discussie. Ik schatte in dat zij toch niet voor rede vatbaar zou zijn.
    Hoewel ik niet begreep waarom ze het zo hard en op de vrouw speelde, vond ik haar bezorgdheid in zekere zin toch ook aandoenlijk. Ze wilde waarschijnlijk gewoon dat haar man begrepen werd en zijn werk op waarde geschat.

    Alle goede bedoelingen van de schrijfster ten spijt: het was geen prettige ervaring om zomaar gewogen en zonder opgave van redenen te licht bevonden te worden. Ik maak liever zelf uit welk boek ik lees en wat ik daar vervolgens van vind. Ik moet er niet aan denken dat ik vanaf nu alleen nog maar boeken zou mogen lezen waarvan ik (of een ander) van tevoren weet dat ze op mijn lijf geschreven zijn.
    Een mismatch tussen een mens en een boek kan weliswaar desastreuze gevolgen hebben – in het ergste geval bekoelt de liefde voor literatuur voor altijd – maar nooit meer ergernis en nooit meer verwondering is voor mij geen optie.

    Ik vind overigens wel dat een schrijver recht heeft op lezers die hun best willen doen voor een boek. Daarom kan het goed zijn als ze vooraf weten wat ze te wachten staat, zodat ze eventueel een knop om kunnen zetten. Dat Clarice Lispector lezers die op het punt staan in haar roman De passie volgens G.H. te beginnen even pas op de plaats laat maken, is met het oog op de ontregelende leeservaring die gaat volgen, een aardige geste.

    Aan eventuele lezers

    Dit boek is als ieder ander boek. Maar ik zou blij zijn als het alleen zou worden gelezen door mensen met een volwassen ziel. Degenen die weten dat je alles, wat dan ook, stapsgewijs en moeizaam benadert – waarbij je ook door het tegendeel van wat je wilt heen moet. Die mensen, en alleen zij, zullen heel langzaam begrijpen dat dit boek niemand iets afpakt.
    Mijzelf bijvoorbeeld heeft het personage G.H. heel geleidelijk een vreugde bezorgd die ongemakkelijk was, maar wel een vreugde heet.

    C.L.

    (vertaling: Harrie Lemmens)

    Veel verder moet een schrijver (of zijn vrouw) niet willen gaan. Ballotage is uit den boze. Het is al erg genoeg dat algoritmes een lezer tegenwoordig steeds meer van hetzelfde voorschotelen.
    Literatuur lezen leer je met vallen en opstaan. Het is een kwestie van veel en vooral van alles lezen. Ook boeken die in eerste instantie de indruk wekken voor een ander geschreven te zijn.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • De Kameleon, Ferrante en Lispector

    De Kameleon, Ferrante en Lispector

    Ik ging van huis om voor een week in Den Haag te verblijven. In mijn rugzak de gebruikelijke spullen voor een week logeren (tandenborstel, badpak, zes stuks verschoning) en De ontdekking van de wereld van Clarice Lispector. Al verwachtte ik niet echt aan lezen toe te komen daar de zoontjes (7 en 8 jaar) van mijn dochter, die er zelf niet zou zijn, op mijn onverdeelde aandacht rekenden.

    Zij wensten nagenoeg elk moment uit De kameleon te worden voorgelezen. Waar ik dacht dat één deel uit de zestig-delige reeks voldoende zou zijn, verheugden zij zich na het dichtslaan van het ene deel, op het openslaan van een volgend deel, (ze hadden er vier). Werd ik door gaapneigingen overvallen wanneer de tweeling voor de zoveelste keer en in vrijwel eendere bewoordingen met de Kameleon de poldervaart opvoer, en hoorde ik mezelf weer uitspreken dat ze op de Woudaap (een molen) afvoeren om Kees op te halen, zij kregen er geen genoeg van. De gretigheid waarmee ze  luisterden, deed me afvragen of ik iets gemist had. Onderschatte ik wellicht de simpele eenvoud waarmee de verhalen geschreven waren of zag ik iets over het hoofd, een sublimiteit van vertellen die alleen door kinderoren werd opgepikt?

    ’s Avond op mijn logeerkamer inspecteerde ik de boekenkast waar ik altijd nieuwe titels ontdek naar gelang mijn gemoed. Zo had ik nu opeens oog voor, na haar maandenlang genegeerd te hebben, Elena Ferrante. Ik nam haar Napolitaanse romans ter hand maar begon te lezen in Dagen van verlating, dat er ook stond. Zo gauw de jongens in hun eigen spel zaten en De Kameleon  terzijde lag, las ik aan de keukentafel of in de tuin Ferrante. Lispector was voor aan zee of in bed, (elk boek heeft zijn plek waar deze het best tot zijn recht komt). Ferrante’s verlaten Olga die tot alles in staat is om haar man te laten inzien dat hij toch echt gelukkig met haar was, leest vlot en lijkt heel even een romannetje zoals je er honderd in een dozijn hebt, even maar. Tot de woede en de zinnen waarin Ferrante de ontluistering van Olga laat beleven waarbij het masker van geluk af gaat en de ware gedaante naar voren komt. Jezelf terugvinden heeft grote gevolgen voor het dagelijks bestaan maar tilt je er dan ook voorgoed overheen; de blik op de rol die je speelt is opeens helder.

    En dan Lispector in bed, die me fluisterend heldere beelden schetst in het stuk ‘Persona’. Dat we allemaal maskers dragen, met make-up of onze dagelijkse opgewektheid, we dragen een masker om te maskeren hoe we ons voelen. Over de ‘verschrikkelijke vrijheid van niet te zijn’. Dan begrijp ik opeens wat de jongetjes in de Kameleon zo aantrekt, de recht toe recht aan karakters van Sietse en Hielke en de andere personages; die zijn wat ze zijn. Daar valt op te bouwen en vormt een basis van waaruit later, in de ‘echte’ literatuur, weer naar de onschuld van toen kan worden gezocht.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren in het dagelijkse leven en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

     

     

     

     

  • Een literaire betovering

    Een literaire betovering

    ‘Ik ben zo mysterieus dat ik mezelf niet begrijp,’ schrijft de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector (1920-1977) in 1969 in een van haar kronieken. En dat is geen koketterie, want iemand die in staat is de houdgreep van ego en superego te omzeilen en haar gedachten vanuit het onbewuste rechtstreeks op papier te krijgen, moet wel met verbazing kijken naar wat haar hoofd en pen hebben voortgebracht. Typerend is dan ook wat ze over een collega-schrijver noteert: ‘Hij citeerde uit zijn hoofd hele zinnen van mij en ik herkende er niet een van.’

    Lispector lijkt een verdeelde persoonlijkheid te zijn: ten eerste de schrijfster, en daarnaast al het andere wat ze als mens was. Schrijven deed ze vanuit één deel van haar wezen, een verborgen deel dat zich veelvuldig manifesteerde en haar dwong haar gedachten op papier te zetten. Die gedachten wekken de indruk zich vanuit een ander universum te vermengen met de dagelijkse realiteit. Dat lezers en critici haar werk als mysterieus en hermetisch betitelen is alleszins begrijpelijk.


    Treffende representatie
    Voor Lispector is schrijven haar leven, ze kan niet anders, ze moet schrijven wanneer de drang daartoe in haar opwelt. Daarbuiten heeft het geen zin om te gaan zitten en zichzelf op te dragen te schrijven. Maar die opwellingen zijn talrijk en omdat Lispector wil ‘weten’, het leven wil begrijpen, tekent ze op wat uit haar geest ontspruit. Ze schrijft: ‘Schrijven is proberen te begrijpen, is proberen te reproduceren wat niet reproduceerbaar is.’

    Het uur van de ster, het laatste boek voor haar overlijden, is een treffende representatie van zowel haar manier van schrijven als haar visie erop. En hoewel een ik-verteller, ook al is het een schrijver, nooit zomaar met de auteur vereenzelvigd mag worden, is daar – bij Lispector – geen ontkomen aan.

    De ik-verteller van Het uur van de ster is schrijver. ‘Het verhaal – bepaal ik met mijn zogenaamde vrije wil – zal zo’n zeven personages tellen en daarvan ben ik uiteraard een van de belangrijkste. Ik, Rodrigo S.M.’ Inderdaad neemt de ‘ik’ zeker de helft van het boek in beslag. Tijdens het vertellen van het verhaal bericht hij onophoudelijk over zijn schrijfproces. Hij moet moeite doen het verhaal een verhaal te laten zijn, waarbij hij zich al te zeer bewust is van de vele mogelijkheden die de fantasie biedt. Door de beschouwingen daarover wordt hij steeds teruggeworpen op zijn eigen persoonlijkheid. ‘Neem me niet kwalijk maar ik ga nog even door over mezelf omdat ik een vreemde voor mezelf ben en er tijdens het schrijven tot mijn verbazing achter ben gekomen dat ik een doel heb.’ Een vreemde voor zichzelf en anderen, dat is Lispector ten voeten uit.

    Afstandelijk
    Dat doel is het schrijven van een fictief verhaal over een ‘meisje uit het noordoosten’, terechtgekomen in het grote Rio de Janeiro, van wie Rodrigo (Lispector) nog geen idee heeft wat hij haar zal laten overkomen, een vrijheid waarmee hij nauwelijks raad lijkt te weten. Welke keuze zal zich uiteindelijk aandienen? Zal hij Macabéa gelukkig laten worden of jong laten sterven? Even afstandelijk als hij zichzelf gadeslaat, zet hij het personage Macabéa neer: als een object. De lezer moet doordrongen worden van haar zwakheid en nietigheid. We moeten weten dat het meisje, een typiste met een klein inkomen en dito onderkomen, niet veel voorstelt, alsof het er niet toe doet of dit onnozele schepsel leeft of niet. Zelf is zij zich niet van haar onbeduidendheid bewust, noch van haar gebrek aan ontwikkeling: ze kan geen lange zinnen uitspreken, haar denken is zuiver intuïtief.

    Toch voel je dat het de schrijver er niet om te doen is haar als slechts armzalig af te schilderen. Hij is wel degelijk begaan met haar lot, voelt mededogen. Zo objectief mogelijk probeert hij te laten zien dat er zoveel mensen zijn als zij, onbelangrijke mensen met kleine baantjes, die niet per definitie ongelukkig zijn. Maar het lukt hem niet een goede toekomst voor ‘Maca’ te bedenken. Ondanks de schrijvers’ twijfel over zichzelf en zijn summiere verhaal wordt Macabéa toch een meisje van vlees en bloed, dat te begrijpen is en met wie je kunt meeleven.

    Dertien titels
    Ondertussen raakt de lezer bijna net zo begaan met de worsteling van de schrijver aangaande zijn keuzes als met het leven van Macabéa. Daarbij is het onmogelijk de werkelijke auteur los te zien van de fictieve. Ieder gepeins over het meisje uit het noordoosten doet de schrijver onmiddellijk verzinken in zichzelf. ‘Zullen ze wel of niet trouwen? Dat weet ik nog niet, ik weet alleen dat ze in zekere zin onschuldig zijn en dat hun schaduw op de grond weinig te betekenen heeft. Nee, ik lieg, nu zie ik alles: hij was helemaal niet zo onschuldig, […]’.

    Ook de titelpagina van Het uur van de ster laat zien hoe moeilijk het voor de schrijver was om te kiezen: er zijn nog dertien titels opgenomen. Je zou ook kunnen zeggen: hoe gemakkelijk alternatieven zich bij Lispector aandienden.

    Overstromend bassin van denkbeelden
    De afgelopen twee jaar zijn ook De ontdekking van de wereld (met Lispectors kronieken die ze tussen 1967 en 1973 schreef voor Jornal do Brasil) en haar biografie door Benjamin Moser in het Nederlands verschenen. In beide boeken is haar verdeelde persoonlijkheid goed te herkennen. De kronieken maken duidelijk hoe Lispector haar overstromend bassin van spontaan opkomende, soms abstracte denkbeelden tracht te kanaliseren en verwoorden. De gedachten gaan hun eigen weg, een die Lispector met begrijpelijke woorden probeert te plaveien. Dat pakt niet altijd helder uit. In De ontdekking van de wereld staat het raadselachtige verhaal De actualiteit van de kip en het ei. De kip herkent het ei niet in haarzelf, het ei weet niet dat het een ei is en de schrijfster begrijpt het ei niet. Er komen ook vermomde agenten in voor. ‘Alle agenten krijgen veel voordelen opdat het ei gevormd kan worden. Daar hoeft niemand jaloers op te zijn, want sommige omstandigheden, die slechter zijn dan de andere, zijn slechts de ideale omstandigheden voor het ei.’ En toch, en toch… voor wie openstaat voor andere zienswijzen, zijn best doet Lispectors associaties en dissociaties te volgen, ontvouwt zich in haar pogingen om de wereld rechtstreeks vanuit de ziel te benaderen een ware literaire betovering.

    Zelfonderzoek
    Mooischrijverij en effectbejag zijn Clarice Lispector vreemd. Haar woorden zijn – alle cryptiek ten spijt – doeltreffend, haar observaties scherp. In het verhaal The Dog (uit Complete Stories) beschrijft ze hoe een man zijn schuldgevoel over zijn door hem in de steek gelaten hond probeert te verminderen door een dode hond te gaan begraven die hij op een straathoek heeft gevonden. En in The Dinner observeert ze pagina’s lang een moeizaam dinerende man in een restaurant en ondergaat daarbij zelf de emoties die ze hem toedicht. Ook in andere verhalen bespeurt Lispector in een flikkering in het oog, een draai van het hoofd of een plotselinge handbeweging de innerlijke beroering. De geschiedenis van Macabéa is een eenvoudig verhaal, maar dat is wel in rake bewoordingen verteld. Onderwijl schuilt in de overpeinzingen van Rodrigo een nooit aflatend zelfonderzoek, waarvan de sporen in al Lispectors geschriften zijn terug te vinden.

    De recente revival van het werk van deze boeiende, wonderlijke vrouw, voor wie het woord ‘origineel’ een understatement is, betekent een verrijking van de literatuur. In Brazilië schijnen haar boeken inmiddels zo populair te zijn dat lezers ze zelfs uit automaten kunnen halen.

     

     

  • Clarice – de Braziliaanse Kafka

    Clarice – de Braziliaanse Kafka

    De Braziliaanse schrijfster, journaliste en columniste Clarice Lispector (1920-1977) wordt in Mosers biografie op vele manieren getypeerd. Een kleine selectie: bijzonder intelligent, een mystiek genie, sensitief, gecompliceerd, vreemd, mysterieus, raadselachtig, ondefinieerbaar.

    Beeldvorming
    In de inleiding tot zijn biografie schrijft Moser dat haar raadselachtigheid iedereen die haar ontmoette fascineerde en verontrustte. Zij werd gezien als een mythische figuur, ‘de sfinx van Rio de Janeiro.’

    Een van de minst vleiende etiketten die zij kreeg, is monstre sacré – iemand die door genialiteit vermengd met excentriciteit buiten de samenleving staat. Lispector vond dat verschrikkelijk: ‘Een van de dingen die me diep ongelukkig maken is dat verhaal over het heilige monster: anderen zijn zonder reden bang voor me, en uiteindelijk word je bang voor jezelf. De waarheid is dat sommige mensen een mythe rondom mij hebben geschapen, wat me erg verontrust: het schrikt mensen af en ik blijf alleen achter. Maar jij weet dat ik heel benaderbaar ben, ook al is mijn ziel erg gecompliceerd.’

    Lispector probeerde de beeldvorming rondom haar wel te corrigeren. Ze wilde gezien worden als mens van vlees en bloed.  In een krantenartikel schreef ze: ‘Het heilige monster is gestorven; in zijn plaats is er een meisje geboren dat haar moeder verloor.’

    Een gelukkig jeugd
    Chaya Pinkhasovna Lispector werd geboren op 10 december 1920 in Tsjetsjelnik, een klein dorpje in de Oekraïne. Moser: ‘Kan een plaats zijn stempel drukken op iemand die er als klein kind uit vertrokken is? Ogenschijnlijk niet. Toch blijft het een feit dat een grote mystica werd geboren in een gebied dat bekendstaat vanwege zijn grote mystici.’ Het gezin Lispector  – vader, moeder en drie dochters – was op de vlucht voor oorlogsellende. Moser beschrijft uitgebreid de geschiedenis van de joodse gemeenschap in de Oekraïne, de pogroms – de gewelddadige uitbarsting van jodenhaat na 1917 – de gruwelen van de oorlog en de tyfusepidemie van 1918-1922.

    In 1922 kwam de familie Lispector na een reis met veel ontberingen aan in Maceió, een plaats in het noordoosten van Brazilië. De familie bestond uit Pinkhas en Mania Lispector en de dochters Leah, Tania en Chaya. Een nieuw begin in een nieuw land. De gezinsleden namen Braziliaanse namen aan. Vader Pinkhas werd Pedro, Moeder Mania werd Marieta, Leah werd Elisa en Chaya werd Clarice. Tania behield haar doopnaam.

    Clarice was een baby van nog geen anderhalf jaar toen ze in Brazilië aankwam. Later zou ze schrijven dat haar vaderland geen sporen in haar had achtergelaten, ‘behalve dan de erfenis van het bloed.’ Aan de ellendige tijd in de Oekraïne bewaarde ze geen herinneringen.

    Wat er bekend is over het leven van de familie in de Oekraïne komt voornamelijk uit gefictionaliseerde memoires en de roman In ballingschap van haar oudere zuster, Elisa Lispector. De roman vertelt het emigratieverhaal van de familie, de vlucht uit de Oekraïne, de ontberingen tijdens de lange bootreis naar Brazilië en de jaren in Maceió, Recife en Rio. Uit Elisa’s boek komt naar voren dat ook de beginjaren in Brazilië heel zwaar waren voor de familie: ‘Na het overleven van racisme, vervolging, burgeroorlog, verkrachting, ziekte en verbanning moesten ze nu het hoofd bieden aan de tirannie van bekrompen verwanten.’ Moser laat vervolgens ook zien dat de joodse gemeenschap in Brazilië, net als in de Oekraïne, geconfronteerd werd met haat. Het gezin heeft het financieel moeilijk; haar vader werkte als marskramer en haar moeder was zo verzwakt door syfilis dat ze overleed toen Clarice negen jaar oud was. Tegen deze achtergrond ontwikkelde zij zich van een kwetsbaar kind tot een beroemd schrijfster. Ze beleefde een gelukkige kindertijd waarin ze veel bezig was met verhaaltjes maken.

    Debuutroman
    Al op haar dertiende wist Clarice dat ze schrijfster wilde worden. Op haar drieëntwintigste maakte ze haar debuut met de roman Dicht bij het wilde hart. Moser gaat uitgebreid in op de reacties op dit boek. Recensenten wezen op de ‘vreemdheid van haar proza’ en op het on-Braziliaanse karakter. ‘Het hele boek is een wonder van evenwicht, perfect geconstrueerd.’ Haar boek werd vergeleken met het werk van o.a. Proust, Gide en Woolf. De lof voor het boek was groot. Het was ook het begin van de legende van Clarice Lispector, ook omdat ze zich niet veel liet zien in literaire kringen.
    Dicht bij het wilde hart werd onderscheiden met de Graça-Aranha-prijs voor het beste romandebuut van 1943.

    Diplomatenvrouw
    In hetzelfde jaar trouwde Clarice met de diplomaat Maury Gurgel Valente. Met haar man reisde ze de wereld over. Ze vond het moeilijk een rol voor zichzelf te vinden. Uit haar brieven uit die tijd blijkt dat ze zich als diplomatenvrouw eenzaam en depressief voelde. Ze miste haar zussen en haar vrienden: ‘Ik heb zo’n vreselijke heimwee naar huis en naar Brazilië. /…/ reizen zoals ik zal moeten doen is vreselijk: het is op verschillende plekken je straf uitzitten.’ Zwitserland spant wat dat betreft de kroon. Het is het ‘ultieme land van de artistieke dood.’ Ze schreef: ‘Dit Zwitserland is een begraafplaats van gevoelens.’ En: ‘Naarmate de tijd verstrijkt heb ik steeds meer het gevoel dat ik eigenlijk nergens woon, en dat geen enkele plaats ‘me wil’. Uiteindelijk hield het huwelijk geen stand.

    Journalistiek  werk
    Na haar scheiding legde Lispector zich toe op het schrijven van romans en journalistiek werk, waaronder columns. Van 1967 tot 1973 verschenen haar ‘crônicas’ in de zaterdageditie van Jornal do Brasil.  Ze heeft zich niet veel bemoeid met de politiek in Brazilië. In de jaren zestig en zeventig was Brazilië een militaire dictatuur. De krant waarvoor zij schreef was pro-joods, maar het land had hechte banden met de Arabische landen in verband met de afhankelijkheid van olie. Kranten werden gecensureerd. Alberto Dines, de hoofdredacteur van Jornal do Brasil werd ontslagen, zijn joodse medewerkers – waaronder Clarice – ontvingen kort daarop ook hun ontslagbrief. Dines later in een interview: ‘Op het laatst was de krant Judenrein.’ In haar columns schreef ze niet over de gespannen situatie in het land. Na haar ontslag hoorde ze bij de mensen die zich verzetten tegen de dictatuur. Dines: ‘Clarice hield niet van etiketten. Maar in die tijd spraken we een keer over de joodse motieven in haar werk en ze vroeg me of ze opvielen. Ik zei dat ze net als Kafka was, wiens literatuur erg joods is hoewel hij nooit het judaïsme als zodanig benoemt. Die vergelijking beviel haar.’ Postuum zijn haar columns gebundeld en verschenen in De ontdekking van de wereld (Privédomein 286, mei 2016).

    De laatste jaren van haar leven waren haar minst gelukkige. Ze leed aan twee verslavingen, sigaretten en slaappillen. Op een avond viel ze met een brandende sigaret in slaap met derdegraads verbrandingen als gevolg. Een dag voor haar 57ste verjaardag, op 9 december 1977, overleed Clarice. Op haar grafsteen staat, in het Hebreeuws, Chaya bat Pinkhas. Chaya, dochter van Pinkhas.

    Meer dan een biografie
    De biografie over Clarice Lispector is meer dan alleen het levensverhaal van Clarice. Eigenlijk bestaat deze levensbeschrijving uit meerdere boeken. Moser heeft zijn verhaal over Clarice ingebed in de geschiedenis van de Oekraïne na de Eerste Wereldoorlog. Bovendien schrijft hij gedetailleerd over de politieke achtergronden van Brazilië tussen 1920-1977. Hij geeft hierover zoveel informatie dat Clarice af en toe naar de achtergrond verdwijnt of zelfs geheel uit beeld is. Dit vereist veel doorzettingsvermogen van de lezer. Onverlet blijft dat hij van al dat materiaal op knappe wijze een geheel heeft gemaakt. En hij heeft bereikt dat de lezer nieuwsgierig is geworden naar het werk van Clarice én dat van haar zuster Elisa.

    Benjamin Moser (1976) studeerde geschiedenis in de Verenigde Staten (Brown University) en Nederland (Universiteit van Utrecht). Hij is o.a. columnist van The New York Times Book Review en redacteur (‘Series Editor) van de Engelse vertalingen van Lispectors werk.