• Particuliere roerselen van Chris J. van Geel en Judith Herzberg

    Particuliere roerselen van Chris J. van Geel en Judith Herzberg

    Van Chris J. van Geel (1917-1974) is genoegzaam bekend dat hij fijnzinnige korte gedichten schreef. Neem deze verrassende uiting: ‘Een schuur van opgezette vogels, / hoe hou ik het zwijgen vol.
    Het tekstje komt uit de prachtuitgave Verzamelde gedichten van Van Oorschot die twee drukken beleefde en het belang onderstreept van Van Geels werk. Na zijn dood kreeg de maker van onder meer Spinroc en andere verzen en Uit de hoge boom geschreven met zo’n monument en met secundaire literatuur veel meer belangstelling dan tijdens zijn leven.

    De brieven voorzien in een behoefte
    Op deze bredere publieke interesse mikt evengoed de door Marsha Keja samengestelde en geannoteerde correspondentie van Van Geel aan de zeventien jaar jongere Judith Herzberg en vice versa. De dichteres Judith Herzberg (1934) is de dochter van de Joodse schrijver Abel Herzberg en misschien iets minder vermaard onder poëzieliefhebbers dan Chris J. Van Geel (1917-1974) dat na zijn dood geworden is. Een brievenbundel van Van Geel en Herzberg voorziet in een behoefte, ook voor hen die beide figuren slechts van naam kennen of zelfs in het geheel niet. En zeker ook hun thans vergeten medespelers in het literaire bedrijf verdienen het in de schijnwerpers te worden gebracht zoals Huyck van Leeuwen, Aad Nuis, Jan Emmens en, niet in de laatste plaats, de uitgever Geert van Oorschot.

    Geen dagelijks leven
    Brieven 1962-1974, de titel waaronder uitgever Bas Lubberhuizen de correspondentie openbaar maakte, bestaat uit zeer persoonlijke, maar vaak al te particuliere bevindingen. Het dagelijks leven van Van Geel en Herzberg en de wordingsgeschiedenis van hun poëzie zijn de pijlers waarop de brieven rusten. Doorlopend boeien doen ze niet vanwege het al te particuliere en een zekere langdradigheid in Van Geels brieven. In het beschreven dagelijks leven ontbreekt om zo te zeggen de macht van een Jeroen Brouwers of een Gerard Reve, persoonlijkheden die van het piepkleinste voorval een wereldgebeurtenis weten te maken.

    Een passage als de volgende in een brief van 24 augustus 1968, over Van Geels uitgever Van Oorschot, behoort tot de dun gezaaide pareltjes in Brieven 1962-1974: ‘Geert was ook hier en hield een nacht gestichtspraat. Waarom besteedt die man zijn vele geld niet aan een zielszorger? Hij is in levende tegenspraak met zichzelf, boordevol dankhaat en het tegendeel van een plezier en bovendien geen plezier te doèn. Als het zelf maar praat (en hoe!) de kind-vader.’

    Eindeloos schaven aan een gedicht
    Wat Van Geel aan Herzberg schrijft toont ten voeten uit de dichter die als geen ander in onze literatuur pas na een proces van eindeloos schaven zijn werk publicabel achtte (en desondanks een flink oeuvre heeft nagelaten). Op de talrijke passages in Brieven 1962-1974 over dat stoeien en over Van Geels afhankelijkheid van poëziekenners die tijdens zijn leven zijn werk becommentarieerden, wordt in de inleiding op het boek nauwelijks iets vermeld. Zij waren voor de onzekere Van Geel de spreekwoordelijk geworden ‘tuttelaars’ die hem enig houvast gaven.
    Zo’n feit mag de lezer die de brieven van deze dichter gaat lezen, niet onthouden worden. Het zou in de inleiding op het boek een opstapje geweest kunnen zijn naar een degelijke omschrijving van zijn poëtica waar het, naast de dagelijkse beslommeringen in de brieven, om draait. Ook wat Herzberg met haar gedichten beoogde laat Keja buiten beschouwing evenals de opvattingen van de medespelers en daarmee van het literaire klimaat in de jaren zestig en zeventig.

    Verbrokkeld beeld
    Op dit punt is niet méér aangestipt dan dat Van Geel en Herzberg evenals ‘hun gemeenschappelijke vrienden […] op de een af andere manier aan uitgeverij Van Oorschot verbonden waren.’ Waarop een opsomming volgt van – voor de gemiddelde lezer – onbekende namen van bentgenoten van de briefschrijvers zonder verdere introductie. Niets naders is er te lezen over het vernieuwende tijdschrift Barbarber waar Van Geel aan verbonden was.
    Mondjesmaat volgen nadere gegevens in de annotaties bij de brieven. De ‘blanco’ lezer moet aan het werk om uit de verbrokkeling een beeld te distilleren van het literaire landschap van vervlogen jaren. Was de intro aangedikt met de verderop in het boek geëtaleerde feiten dan was deze niet zo schraal uitgevallen en zou de lezer onnodige zelfwerkzaamheid zijn bespaard.

    Tragiek en medeleven
    In de inleiding komt wel noodzakelijkerwijs de brand ter sprake die kort voor Van Geels vroege dood zijn huis in as legde en een deel van zijn paperassen vernietigde of aantastte. Zo ook de brieven van Herzberg waarvan er enkele in deels geschroeide vorm in Brieven 1962-1974 zijn afgebeeld. De foto’s concretiseren als het ware de tragiek van Van Geels leven dat aan het einde behalve door het kwijtraken van zijn huis vergald werd door het sterven van zijn enige zoon.

    Daarover schrijft Herzberg op 19 augustus 1973: ‘Eigenlijk had ik naar de crematie willen komen, maar eigenlijk ook niet, blijkbaar. Ik wou alleen even laten weten dat ik aldoor aan je denk, dat het me het afschuwelijkst lijkt wat een mens kan overkomen, niet alleen dit nu, maar het hooploos aan te zien komen.’

     

  • Oogst week 6

    Menselijke voorwaarden

    Een  geschiedenis verteld in 1440 bladzijden van de Japanse schrijver Junpei Gomikawa, een lang gedicht van Jacob Groot en een aan poëzie gerelateerd brievenboek van Judith Herzberg en Chr, J. van Geel kwamen deze week onder onze aandacht.

    Menselijke voorwaarden is een oorlogsverhaal dat voor het eerst in zestig jaar na verschijning in vertaling wordt uitgegeven. Het gaat over een deel van de Tweede Wereldoorlog waar in Nederland weinig bekendheid over is: de strijd tussen Japan en de Sovjet-Unie in Mantsjoerije.
    Kaji is een pacifist en laat zich afwijzend uit over de Tweede wereldoorlog, wat wordt aangezien  als een gebrek aan vaderlandsliefde. Om zich vrij te stellen van dienstplicht accepteert hij een baan als personeelschef bij de Laohulingmijnen. De mijnbouwonderneming blijkt corrupt en de Chinese dwangarbeiders worden uitgebuit en mishandeld. “Wanneer hij ondanks eerdere toezegging toch in het leger terechtkomt en ook daar voor de zwakkeren opkomt maakt hij juist promotie vanwege durf en moed. Hij probeert desondanks vast te houden aan zijn morele overtuiging, maar de omstandigheden maken dat hij steeds minder mens wordt en zich gaandeweg ontwikkelt tot een brute killer.”

     

    Menselijke voorwaarden
    Auteur: Jumpei Gomikawa
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Brieven 1962-1974

    Judith Herzberg en Chris van Geel waardeerden elkaars gedichten en raakten bevriend met elkaar. Ze schreven in hun brieven over poëzie en konden elkaar ook de waarheid vertellen over hun werk. In hun brieven kwam ook een deel van hun werk tot stand. Een groot deel van de brieven van Judith Herzberg zijn verloren gegaan door een brand die het huis van Van Geel in de as legde. Toch ontstaat er tijdens het lezen een beeld van een correspondentie omdat Van Geel refereert aan haar schrijven. Zoals in de brief van 12 juli 1967:

    “Lieve judith en huyck (man van Judith ivdg),
    wat schrijf je toch een leuke brieven. Je bent een vogel, maar wat voor een zou ik niet kunnen zeggen, je voegt er een vogel aan toe. Een groot soort en niet schrikachtig.”

    En dan gaat het verder over uitgeef aangelegenheden, ontmoetingen met andere dichter en de twijfels over een strofe.

    Brieven 1962-1974
    Auteur: Judith Herzberg ; Chris van Geel
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Verlies me niet

    Jacob Groot is dichter, romancier en essayist. In 2012 ontving hij de A. Roland Holstpenning voor poëzie. Verlies me niet is een lang gedicht in tweeënvijftig  taferelen over verlaten. Over wat is verlies nu precies en of we iemand echt kwijt kunnen raken. Heb je dan verloren als je iemand  kwijtraakt? Kan een afscheid je verrijken? De poëzie van Groot geeft alle mogelijke antwoorden. Het is geen troostpoëzie, ‘maar haar samenhang verbindt en haar schoonheid verlicht’.

     

     

    Verlies me niet
    Auteur: Jacob Groot
    Uitgeverij: De Harmonie ( jan. 2018)
  • Bladlof

    Bladlof

    Er was eens een tijd dat de nacht pikzwart was en de nachthemel een fonkelend schouwspel dat met stomheid sloeg. Vrees en verwondering hielden de mens in hun greep, een besef van volstrekte nietigheid en kosmische verbondenheid tegelijk:

    Als uw hemel ik zie – uwer vingeren werk,
    Maan en sterren die gij daar stelde,
    Wat is dán de mens dat gij acht op hem slaat.

    (Psalm 8, vertaling Ida Gerhardt en Marie van der Zeyde)

    Die tijd ligt achter ons en komt nooit meer terug. De hemel boven Nederland zien wij ’s nachts als door een smerig venster. U kunt uw vakantiebestemming kiezen op grond van de afwezigheid van lichtvervuiling, en dan nog krijgt u slechts een flauwe afspiegeling te zien van de sterrenhemel die de psalmdichter voor ogen had.
    Alleen op volle zee bestaat het nog. Cees Nooteboom zei eens in een interview: ‘Als ik midden op de Stille Oceaan aan de reling sta en naar de sterren kijk, vraag ik me niet af of ik nog kauwgom heb’.
    Is er iets anders dat ons diezelfde ervaring van overweldigende grootheid kan bieden? Iets dat onze aandacht van kauwgom naar de kosmos leidt? Al het water in de zee, alle zandkorrels op het strand? Maar die zijn zo weinig ‘aanwezig’, zo gemakkelijk te negeren.

    Ik stel voor: boomblaadjes.
    Kijk even uit het raam. Geheid dat u blaadjes aan de bomen ziet. Vijf maanden geleden waren ze nergens te bekennen. Dat alleen al geeft reden tot verwondering. Hoezo ‘doodgewoon’. Hoeveel blaadjes zien wij op een dag? En hoeveel bomen zouden er eigenlijk in heel Nederland zijn? Daar zijn cijfers over. Vraag me niet hoe de geleerden het hebben klaargespeeld – een bron van verwondering op zichzelf – maar de teller stond een paar jaar geleden op 3.040.288.194.283 bomen ‘van meer dan tien centimeter dik op borsthoogte’ op onze hele planeet. Dat zijn er dus ruim 3040 miljard. Daarvan staan er 344 miljoen in ons land. Er zitten natuurlijk ook naaldbomen bij. (Deze cijfers komen uit ‘Nature’ en op YouTube vindt u er een filmpje over. Bedenk wel dat er jaarlijks wereldwijd 15 miljard bomen verdwijnen door menselijk toedoen.)

    Maar hoeveel blaadjes heeft nu een boom? In Het bomenboek van Koos van Zomeren lees ik: ‘Een beetje beuk heeft er 300.000’. De schrijver zegt dat in een passage waarin hij zijn licht opsteekt bij een bomenprofessor uit Wageningen. Natuurlijk is niet elke boom ‘een beetje beuk’ maar het geeft een indruk.
    Sta er even bij stil. Het rekenwerk laat ik graag aan u over. Begint het u te duizelen? Hier past slechts één woord: ‘ontzaglijk’. Want daar gaat het hier over: ‘ontzag’. Is het niet verbijsterend dat dit verschijnsel zich jaar in, jaar uit aan ons voordoet? Is het niet bizar dat het zich rondom ons afspeelt zonder dat we erbij stilstaan? In Japan is het bloeien van de kersenbomen aanleiding tot ingetogen feestelijkheden. Protestanten kennen een ‘Dankdag voor het gewas’. En het Jodendom heeft Toe Bisjvat, het ‘Nieuwjaar der bomen’.

    Er zou veel te vertellen zijn over de rol die boomblaadjes spelen in de Nederlandse poëzie, van het blad als vanitas-symbool bij Adriaan Roland Holst tot het ’doodgewone’ boomblad bij Chris van Geel.
    Het mooiste bladgedicht is echter van de grote Guido Gezelle. Bij hem is een blaadje op het water een beeld van de eenheid tussen ziel en godheid, uitdrukking van het zelfde kosmische besef als van de psalmist:

    Zoo rompelend en zoo rimpelend
    als water
    Zoo lag ’t gevallen bladjen op
    het water
    En m’ ha’ gezeid het bladjen ende
    ‘et water
    ’t En was niet ’t een een bladje en ’t an-
    der water
    Maer water was het bladje en ’t bla-
    dje water
    En ’t viel ‘ne keer een bladjen op
    het water

     

     

  • Dichten op de korte baan

    Dichten op de korte baan

    Chris van Geel was een specialist op de korte baan, maar soms maakte hij het wel bont. In zijn verzameld werk komen vijf gedichten voor van slechts één regel. Kan zoiets nog een gedicht heten?

    Jawel, althans volgens het Lexicon der poëzie van Cees Buddingh’. Een eenregelig gedicht heet een ‘monostichon’ en als voorbeeld geeft hij Spreuk van L.Th. Lehman: ‘De vogel Valdood vliegt ook tegen beter weten’.
    Hm, ‘monostichon’, nooit van gehoord. En de titel Spreuk suggereert dat we hier niet zozeer met een gedicht te maken hebben als met iets anders. De spreuk, het spreekwoord, de sententie, het grafschrift, de krantenkop, de toverformule, het gebed – allemaal vormen van taal op de korte baan die we niet meteen geneigd zijn op hun dichterlijke merites te beoordelen. Terug naar Van Geel. Zijn aller-allerkortste gedicht luidt:
    Eenvoudig, de duinen, eenvoudig
    Het komt uit de bundel Het zinrijk. Ik durf deze regel niet tussen aanhalingstekens te zetten; de tekst zou eronder bezwijken.
    Beschouwen we deze vier woorden in formele zin als gedicht, dan valt ons op: 1) het gedicht heeft geen titel, die ons zou kunnen helpen het gedicht te begrijpen; 2) metrisch bestaat het uit drie amfibrachen; 3) syntactisch bestaat het gedicht uit drie zinsdelen; 4) de zinsdelen vallen samen met de versvoeten; 5) de drie delen kunnen we van plaats laten verwisselen zonder dat dat voor het begrip iets lijkt uit te maken; 6) het gedicht bevat geen werkwoord, waardoor we niet weten wat ‘de duinen’ voor zinsdeel is; 7) als dichterlijke kunstgrepen herkennen we naast het metrum de herhaling en de alliteratie.
    Lezer, zo komen we er niet. Want het vergaat u ongetwijfeld net als mij. De overwegende indruk blijft: Wat betekent dit? Wat bedoelde die man? Waarom zoiets gepubliceerd?
    Nu is het bekend dat Van Geel dol was op de duinen. Hij woonde er een groot deel van zijn leven. Vaak maakte hij nachtelijke wandelingen door de duinen. Veel van zijn natuurobservaties vinden daar hun oorsprong. We mogen daarom aannemen dat in dit gedicht ‘eenvoudig’ niet misprijzend is bedoeld.
    In het dagelijks taalgebruik wordt ‘eenvoudig’ wel gebruikt in de betekenis van ‘dat spreekt voor zichzelf’, ‘dat ligt voor de hand’. Misschien is dat hier ook zo. ‘Zeg Chris, waarom ga jij niet in de stad wonen?’ ‘Nou, eenvoudig, de duinen’. ‘Wat een rare tekening, Chris. Wat moet dat nou weer voorstellen?’ ‘Eenvoudig, de duinen, eenvoudig’.
    Het gedicht krijgt zo beschouwd iets polemisch; de dichter moet iets zeggen dat wat hem betreft niet gezegd zou hoeven worden omdat het zo vanzelfsprekend is.
    Je kunt uitweiden over de kwaliteiten van je geliefde en daarbij ervaren dat woorden tekort schieten. Misschien waren de duinen voor Van Geel ’te mooi voor woorden’. We kunnen ‘onuitsprekelijk gelukkig’ zijn. Ook kan iets ‘onnoembaar’ zijn in de betekenis van ‘zeer groot’ (mijn oude Van Dale geeft de fraaie voorbeeldzin ‘onnoembare driften sloopten hem geheel’).

    In de mystiek is ‘het onuitsprekelijke’ zelfs het allerhoogste, iets wat Gerard Reve kort en bondig onder woorden bracht toen hij zei ‘Er moet een God zijn, geen gelul’. Je wilt wel iets zeggen maar je kunt het niet en toch moet je. Of beter gezegd, hét moet, het moet eruit. Uit arren moede zeg je dan maar iets onbegrijpelijks of iets banaals. Denk aan Gorters ‘ik wil u zeggen een zo lief wat, maar ‘k weet niet wat’.

    In het Zen-Boedhisme krijgen leerlingen naar het schijnt een ‘koan’ ter overpeinzing, een soort raadselspreuk waar het analytische verstand zijn tanden op stuk bijt. Als de frustratie en verbijstering niet meer te harden zijn, is de leerling rijp voor de verlichting. Satori! Zou ook dat in dit gedicht besloten kunnen liggen? Dat we beseffen hoe hoog de dichter tracht te reiken?
    Nooit zullen we het zeker weten, maar laten we dit gedicht opvatten als de nietige expressie van iets kolossaals. Om met William Blake te spreken: ‘a world in a grain of sand’. De vier woorden van Van Geel lijken het best te parafraseren als: Ah! Oh! Aaaaaaah!!! Een schreeuw van extase, een zucht van verrukking, een gesmoorde kreet over de ontoereikendheid van de taal. Alledrie. En dat in vier woorden.
  • Uit de nalatenschap – nieuw hoofdstuk Chr. J. van Geel

    door Ingrid van der Graaf

    Elly de Waard plaatst alle gedichten van Chr. J. van Geel, die eerder posthuum verschenen zijn, op haar website. Op het speciaal daarvoor geopende deel over leven en werk van kunstenaar en dichter Chr. J. van Geel.

    Geplaatst onder de titel Uit de nalatenschap is een nieuw hoofdstuk geopend over het werk van Chr. J. van Geel (1917-1974) door dichteres Elly de Waard. De gedichten zijn eerder posthuum, dus niet geautoriseerd, in de bundels Vluchtige Verhuizing en Dierenalfabet verschenen, meestal onder redactie van Tom dan Deel en De Waard. Deze gedichten zijn niet in de Verzamelde Gedichten – omdat ze ongeautoriseerd zijn – opgenomen en de hierboven genoemde bundels zijn niet meer verkrijgbaar. Daarom is het dat De Waard de gedichten online zet zodat – voor wie de gedichten van Van Geel liefheeft – ze daar kan vinden. Op dit moment zijn er 28 gedichten geplaatst en er volgen er nog vele. Hieronder een voorproefje met het openingsgedicht uit het nieuwe hoofdstuk over Chr. J. van Geel op de site.

    Zwanenpaar

    Zij die bij dag niet witter zijn, zij slapen
    nooit in het licht hun droom van witte pauw
    maar in het donker als hun hals zich vouwt
    in veren, als zij niet op vleugels gaan.

    Zij werpen lussen schaduw op elkaar,
    halsdun in hun aanhankelijk beschrijven,
    in hun voor elke tijd bestemd vertoon
    van drijvend boven overleven staan.

    Uit: Vluchtige verhuizing

    Hierna gaat De Waard over tot het plaatsen van werk uit de nalatenschap dat tot nog toe volkomen onbekend is. Als voorproefje daarvan staat er – als een soort motto – een regel van Chr. J. van Geel aan het begin van het onlangs geopende hoofdstuk: ‘Poëzie is een antwoord zoals een maaltijd van meer dan een rauwe wortel een antwoord is op honger.’

    Bezoek de website: www.ellydewaard.nl

    Verzamelde gedichten van Chr. van Geel is te verkrijgen bij uitgeverij Van Oorschot.
    Blz: 1084
    Gebonden € 45,00 .
    Bestellen kan hier.

    De Parelduiker, waarvan hierboven de afbeelding met Chr. J. van Geel en geheel aan hem gewijd, kwam uit in 2009 en is nog te verkrijgen bij www.lubberhuizen.nl/detail.php?id=424.