• Oogst week 49 – 2022

    Veen, dras, moeras

    Voorin in het boek Veen, dras, moeras heeft Annie Proulx de volgende opdracht opgenomen:

    ‘Dit bescheiden boek is opgedragen aan de inwoners van Ecuador, die ervoor zorgden dat hun land als eerste ter wereld rechten voor natuurlijke ecosystemen in de grond- wet heeft opgenomen. De recente rechterlijke uitspraak dat Los Cedros, het nevelwoud in de Andes, tegen de mijnbouwbedrijven moet worden beschermd, betekent een mijlpaal voor de wereld.’

    De urgentie van dit boek (oorspronkelijke titel Fen, Bog & Swamp) blijkt mogelijk uit het snelle verschijnen van de Nederlandse vertaling; beiden titels verschenen in 2022.
    In Veen, dras, moeras documenteert Proulx de lang onbegrepen rol van de belangrijkste veengebieden bij het redden van de planeet. Veen, drassen, moerassen en mariene estuaria zijn blijkbaar de meest wenselijke en betrouwbare hulpbronnen van de aarde. Proulx beschrijft de geschiedenis en toont de vennen van het 16e-eeuwse Engeland tot de laaglanden van de Hudsonbaai in Canada, het Russische Great Vasyugan Mire, het Amerikaanse Okeefenokee National Wildlife Refuge en de 19e-eeuwse ontdekkingsreizigers die begonnen met de vernietiging van het Amazoneregenwoud.
    The Guardian noemde Veen, dras, moeras ‘Een krachtige aanklacht in prachtig proza tegen onze medeplichtigheid aan de vernietiging van het milieu.’

    De inmiddels 87-jarige Annie Proulx werd bij het grote publiek vooral bekend door (de verfilmingen van) Scheepsberichten en Brokeback Mountain.

    Veen, dras, moeras
    Auteur: Annie Proulx
    Uitgeverij: Uitgeverij De Geus (2022)

    Uitwissing

    Uit het postuum gevonden manuscript van Thomas Bernard (1931-1989) van zijn eerste, grotendeels autobiografische roman komt een pessimistische, eenzame verbitterde auteur naar voren. Bernard hield tijdens zijn leven de publicatie van dit boek zelf tegen.
    Zijn latere werk getuigt ook van somberte, afkeer van de medemens en van zijn walging voor zijn Oostenrijkse vaderland. Hij werd er tegen wil en dank een succesvoll auteur, hoewel hij kort voor zijn dood nog enorme ophef veroorzaakte. In een toneelstuk beweerde hij o.a. dat Oostenrijk sinds de Tweede Wereldoorlog nog niet veranderd was ten opzichte van de tijd van het fascisme. 

    In Uitwissing, zijn laatste grote prozawerk, staat de vraag centraal of een mens in staat is zich te ontdoen van datgene waar hij zich door zijn afkomst mee belast weet. Deze roman verscheen in 1986, onder de titel Auslöschung. Ein Zerfall, drie jaar voor zijn dood.
    De hoofdpersoon uit Uitwissing worstelt met een ‘Herkunftskomplex’ en wil kost wat kost afstand doen van en afrekenen met zijn achtergrond. In Uitwissing zegt hij:
    ‘Het enige dat ik al definitief in mijn hoofd heb, […] is de titel Uitwissing, want mijn verslag is er alleen maar voor bedoeld om wat erin beschreven wordt uit te wissen, alles uit te wissen wat ik onder Wolfsegg versta, en alles wat Wolfsegg is, alles, […] inderdaad werkelijk alles.’

    Wolfsegg was het landgoed van de schatrijke familie van de hoofdpersoon in Opper-Oostenrijk.

    Uitwissing
    Auteur: Thomas Bernard
    Uitgeverij: Uitgeverij IJzer (2022)

    Bob

    Vorige maand is bij uitgeverij Querido de vertaling verschenen van Bob en ik van de succesvolle Deense schrijfster Helle Helle (1965).
    In alle stukken die over Helle verschijnen staat iets over de manier waarop zij het gewone van alledag behandelt en beschrijft.
    Ook hier op Literair Nederland. In 2015 bijvoorbeeld in een recensie over Als je wilt schrijft Huub Bartman: ‘Het is fascinerend te zien dat het centrale thema van het boek heel realistisch wordt beschreven juist door de zeer gedetailleerde beschrijvingen van Helle Helle van doodgewone kleinigheden die schijnbaar niet ter zake doende zijn. Het wordt op deze wijze ontdaan van alle romantiek en dramatiek. Het wordt heel doodgewoon, heel ordinair en daarin schuilt misschien wel het echte drama.’

    In Bob en ik komen we alleen te weten over Bob, over de ik krijgt de lezer niet anders te horen dan via Bob. Het stel is net verhuisd, Bob wil wel studeren maar weet niet wat. Wat hij wel weet is dat hij samen wil blijven met de ik en mogelijk ooit ook een gezin met haar wil stichten.

    In 2012 verscheen hier op Literair Nederland ook een recensie over haar boek Dit zou in de tegenwoordige tijd geschreven moeten worden, waarvoor ze de De Gyldne Laurbær ontving. Deze prijs wordt jaarlijks uitgereikt door de Vereniging van Deense Boekhandelaren.

    Bob
    Auteur: Helle Helle
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2022)
  • Ideeënroman over de overgave aan het kunstenaarschap

    Ideeënroman over de overgave aan het kunstenaarschap

    De belangstelling voor het werk van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1981) blijft onverminderd groot. Zijn romans worden door literaire fijnproevers nog steeds gelezen en zijn toneelstukken worden met enige regelmaat op de planken gebracht. Na bijna veertig jaar verschijnt nu zijn roman De onderspitdelver (1983) in een toegankelijke Nederlandse vertaling van Chris Bakker. De onderspitdelver is een psychologische roman over kunstenaar zijn, waarin drie talentvolle pianisten die een bijzondere relatie met elkaar hebben de hoofdrol spelen. Daarbij gaat de roman in op de overgave aan het kunstenaarschap, op begrippen als virtuositeit en genialiteit en op de maatschappelijke betekenis van de kunstenaar wat het boek tot een ideeënroman maakt.

    Twee virtuozen en een genie

    Allereerst is er Glenn Gould, de Canadese, briljante vertolker van de Goldbergvariaties van Johann Sebastian Bach. In 1953 volgt Gould aan het Mozarteum in Salzburg pianolessen bij de Russische pianist Vladimir Horowitz (1903-1989), daar komt hij in contact met het fictieve personage Wertheimer en met de ik-figuur. Beiden zijn virtuoze pianisten en hebben net als Glenn Gould pianoles van Horowitz en zijn in staat een ongekend hoog niveau te bereiken. Echter, als Wertheimer en de ik-figuur Glenn Gould horen spelen, haken ze af. Ze beseffen dat Glenn Gould een niet te overtreffen piano-kunstenaar is, een muzikaal genie, die zelfs hun leermeester Horowitz overtreft. Zijzelf zijn pianisten zoals er al zoveel zijn, gedoemd een carrière te richten op banale zaken als lesgeven en het voor de hand liggende repertoire te spelen dat de voorkeur van het publiek heeft. 

    De verhouding van de drie personages ten opzichte van elkaar is complex. De ik-figuur is de verteller in deze roman, een verteller die niets en niemand ontziet. Zijn bewondering voor het kunstenaarschap van Glenn Gould kent geen grenzen, zijn diepgravende beschouwingen over het handelen en het karakter van zijn kwetsbare cursusgenoot Wertheimer zijn spijkerhard. De titel van de roman De onderspitdelver is te herleiden tot de bijnaam die Glenn Gould aan Wertheimer geeft. Bij hun ontmoetingen spreekt Gould hem aan met: ‘Mijn beste onderspitdelver’. Het boek dat Wertheimer later schrijft, heeft ook De onderspitdelver als titel. Uiteindelijk wijzigt en schrapt hij zoveel in het manuscript dat slechts de titel overblijft en een boek nooit gepubliceerd wordt. Na het opgeven van zijn carrière als pianist geeft de ik-figuur zich over aan de ‘geesteswetenschappen’, tevens werkt hij aan het essay, Over Glenn Gould, dat ook nooit gepubliceerd wordt. Het mysterie Glenn Gould heeft zowel Wertheimer als de ik-figuur in de rest van hun leven nooit losgelaten.

    Monologue intérieur

    De tekst van Bernhards roman kent geen indeling in hoofdstukken en alinea’s, deze wordt slechts onderbroken door gebruik van hoofdletters en interpunctie. De onderspitdelver is een monologue intérieur, een doorlopend aaneengeschreven tekst vanuit het perspectief van de ik-figuur, hoofdzakelijk opgebouwd uit persoonlijke herinneringen en gevoelens die door hem inhoudelijk worden becommentarieerd. Er zijn woorden en zinsneden die cursief gedrukt zijn, zoals kunstbezetenheid, pianoradicalisme, geen sporen achterlaten. Ze dwingen de lezer pas op de plaats te maken en mee te gaan in de gedachtestroom van de ik-figuur of zich te verwonderen over neologismen als glenngeniaal en aforisticus.      

    De ik-figuur pelt de herinneringen aan Glenn Gould en Wertheimer laag voor laag af. Gedachten worden vaak onderbroken door de toevoeging ‘dacht ik’ of ‘dacht ik in het logement’. Het herhaalde gebruik van ‘dacht ik’ verwijst niet alleen naar de herinneringen van de ik-figuur, maar het refereert ook aan zijn twijfel over het waarheidsgehalte van zijn gedachten. De herhaalde toevoeging ‘in het logement’ maakt duidelijk dat het terughalen van de herinneringen door de ik-figuur grotendeels in dezelfde ruimte plaatsvindt. De ik-figuur is een analytische denker, die voortdurend wikt en weegt of zijn herinneringen en gedachten juist zijn. Veel van zijn gedachten zijn in een vorm van cyclisch denken weergegeven; al redenerend komt de ik-figuur na een aantal denkstappen weer uit bij de beginsituatie. 

    De toepassing van de woordherhalingen en de invoegingen van ‘dacht ik’ in de romantekst accentueren deze cyclische denkstructuren. Bovendien verwijzen ze naar de compositie van de Goldbergvariaties, die deze elementen ook bevat. Om Thomas Bernhard te vergelijken met de ik-figuur is te simpel. Ofschoon er overeenkomsten zijn tussen het leven van de auteur en dat van de ik-figuur, zoals hun studie aan het Mozarteum, hun schrijverschap en hun longproblemen, is laatstgenoemde geen blauwdruk van de auteur. Zo eenvoudig stelt Thomas Bernard zijn personages niet samen. Overigens zijn er ook overeenkomsten tussen het fictieve personage Wertheimer en de auteur.  

    Auteur en zijn personages

    Wie bekend is met het werk van Thomas Bernhard zal de meedogenloosheid van de ik-figuur herkennen in zijn oordeel over allerlei zaken, zeker wanneer dit het culturele en maatschappelijke leven in Oostenrijk betreft. Het landschap, de dorpen, de spoorwegen, de hotels, het eten en drinken, het katholicisme, niets deugt. Ook de mensen in zijn directe omgeving pakt hij genadeloos aan. Vrijwel iedereen vormt een belemmering in de ontwikkeling van de ik-figuur, op enkele personen na die hij bewondert. In De onderspitdelver is hem het niveau van virtuositeit te min en het bereiken van de status van genialiteit het ultieme. Een tussenweg is er niet. Met een zekere nuance naar de mens en zijn omgeving kijken doet hij niet, sterker nog: kán hij niet. 

    Verwacht bij Thomas Bernhard geen relativering, geen lichtvoetigheid. Inhoudelijk is zijn werk loodzwaar, geschreven vanuit een negatief en somber wereldbeeld. Wanneer Bernard zich van humor bedient, dan is het een vorm van sarcasme of cynisme. Hij heeft zowel in Oostenrijk als in het buitenland veel kritiek gehad op zijn werk en zijn persoon – critici noemden hem een nestbevuiler – maar de auteur zonder meer afdoen als zwartgallig zonder zijn werk zorgvuldig te lezen, doet geen recht aan zijn authentieke schrijverschap. De onderspitdelver is een knap geschreven roman met een bijzondere inhoud en een spanning wekkende monologue intérieur die nergens inzakt. Bernhard mag dan bij een deel van het lezerspubliek nog steeds weerstand oproepen, zijn romans en toneelwerk zijn van een internationale allure.

     

     

  • Typische Bernhardroman waar geen normaal mens in voorkomt

    Typische Bernhardroman waar geen normaal mens in voorkomt

    Dertig jaar na zijn dood krijgt de Oostenrijkse toneel- en prozaschrijver Thomas Bernhard (1931-1989) het nog steeds voor elkaar dat Duitstalige kwaliteitskranten er met liefde het zoveelste herdenkingsartikel aan besteden. En dat voor een auteur die in zijn boeken en interviews een nietsontziende minachting jegens de Oostenrijkse cultuur aan de dag legde. Daarbovenop komt nog een groot wantrouwen jegens de medemens en een grote voorliefde voor het kluizenaarschap. Het cultiveren van deze houding heeft hem echter geen windeieren gelegd. Zijn verzameld oeuvre is inmiddels in tweeëntwintig fraai gebonden delen uitgegeven en wereldwijd wordt hij in vele talen uitgebracht. Hoewel de toneelstukken van Bernhard in de jaren zeventig en tachtig veelvuldig werden opgevoerd in Nederland, werd zijn prozawerk minder vertaald dan dat van bijvoorbeeld Günther Grass en Peter Handke. Gelukkig is daar nu wat aan gedaan; in korte tijd zijn er een aantal vertalingen van hem uitgegeven, waaronder de roman Houthakken. Een afrekening uit 1984.

    Typische Bernhardroman

    Houthakken is een typische Bernhardroman. Niet omdat er geen normaal mens in voorkomt, maar omdat de inhoud niet uitmaakt, al het leesplezier moet uit zijn stijl komen. Het is grotendeels een monoloog van een naamloze ik-verteller, gebaseerd op waarnemingen, herinneringen en losgewoelde ergernissen tijdens een zogeheten ‘kunstzinnige’ avondmaaltijd ten huize van het culturele echtpaar Auersberger in Wenen. Ooit, in een ver verleden, was hij daar kind aan huis. De uitnodiging voor dat etentje heeft hij tegen zijn zin aangenomen op de dag dat hij vernam van de zelfdoding – bij Thomas Bernhard is zelfmoord nooit ver weg – van een gemeenschappelijke vriendin uit het artistieke milieu. Enigszins wrokkig hierover moeten hij en de overige gasten ook nog eens tot na middernacht op het diner wachten, daar de eregast van de avond, een acteur van het Weense Burgtheater, vanwege zijn vertolking van het personage Ekdal in Ibsens De wilde eend pas veel later arriveert.

    Dat juist een acteur in de spotlights staat, wekt geen verbazing, want dit boek gehoorzaamt – zoals veel van Bernhards romans – aan de wetten van het toneel. De personages, waarvan sommigen naamloos blijven, worden geen wezens van vlees en bloed maar worden door overdrijving van de onbetrouwbare ik-verteller, overbelicht. Er heerst eenheid van plaats, handeling en tijd. De ik-verteller zit het grootste deel van het boek in het halfduister in een ‘oorfauteuil’, gescheiden van de andere aanwezigen. In de misschien vier, vijf uren dat dit verhaal kent, ziet de ik-verteller kans 255 pagina’s non-stop claustrofobisch in vaak lange, complexe zinnen bij elkaar te filosoferen, op een wijze die bedwelmend werkt. Dit boek openbaart zich tot een heuse pageturner; niet uit nieuwsgierigheid hoe een en ander afloopt, maar omdat je gekluisterd raakt aan de stijl van deze groteske, rapsodische jeremiade.

    Monoloog zonder begin of einde

    De monoloog in Houthakken kent geen begin of einde en bovenal geen nuancering, maar is zichzelf genoeg. Het verhaal is slechts decorum, een excuus om een keten aan gedachten te laten ontkiemen. Zoals een kettingroker de ene sigaret met de andere aansteekt, zo wordt hier de ene gedachte aan de andere geregen. In een bezwerende stijl die zonder meer maniëristisch is te noemen. De geperfectioneerde stijl is de ware inhoud waaraan alles is opgeofferd. De lezer bevindt zich nergens midden in een verhaal, maar voortdurend in het ritme van Bernhards stijl. Dat rechtvaardigt het feit dat dit boek geen witregel, geen alinea, kortom geen pauzemoment heeft. De monoloog die op het retorische middel van de hyperbool drijft, en waarvan de zinnen onderkoeld en helder gecomponeerd zijn, is geheel ingebed in een navertelde constructie. De daarmee bewerkstelligde eenheid van vertelperspectief, is een constante bij Bernhard. De lezer stuit voortdurend op de veelvuldig herhaalde frase, ‘dacht ik in de oorfauteuil’, waardoor men beseft dat alles door de ik-verteller achteraf is beschreven.

    Ritmische compositie

    Dit schept niet alleen een zakelijke afstand tot het subjectieve en compromisloze van het verslag, maar verleent ook aan de tekst een gelijkmatig patroon. Er ontwikkelt zich zodoende een ritmische compositie. Daarbij reflecteert de ik-verteller ook vaak van het particuliere naar het algemene, waardoor het een filosofische vorm krijgt.
    In een boek met een grote eenheid van stijl mag nagenoeg iedere zin typerend heten: ‘We weten al tientallen jaren dat iemand die ons nastaat een lachwekkend iemand is, maar pas na tientallen jaren zien we het ineens, dacht ik in de oorfauteuil’.
    De tekst met al zijn rijkdom aan herhaling van woorden en zinsflarden kent een grote muzikaliteit. Het zal geen toeval zijn dat in deze vertelling Ravels Bolero op de draaitafel wordt gelegd, een compositie die zich eveneens kenmerkt door een bezwerende herhaling van het ritme. Al flakkert aan het eind wel iets van een verhelderend inzicht, vertolkt door de ‘Burgacteur’ die zich inmiddels aan de nodige glazen wijn te goed heeft gedaan. Hij stelt de kunstmatigheid van de cultuur tegenover het ideaal van de natuur: ‘De natuur in gaan en in die natuur niets dan echt en voor altijd thuis te zijn, dat zou hij als het hoogste geluk ervaren. Het bos ingaan, diep het bos in, zei de Burgacteur je helemaal aan het bos overgeven, dat is het altijd geweest, de gedachte niets anders dan zelf natuur te zijn. Bos, bomen, houthakken, dat is het altijd geweest’.

    Komische vertelling in groteske stijl

    Dit moment van inzicht bezegelt ook de afloop van het kunstzinnige avondmaal, want weldra vertrekken de gasten. Eenmaal in de buitenlucht vat de ik-verteller het plan op om over de kunstzinnige avondmaaltijd te schrijven en wel ‘meteen en direct en meteen en meteen, voor het te laat is.’ Of je intussen het teruggaan tot de natuur als een boodschap mag zien, valt te betwijfelen. De verteltrant van de onbetrouwbare, welbespraakte verteller is namelijk zonder meer ironiserend. Hij past een frequent gebruik van cursief gedrukte woorden toe, bij wijze van het citeren van iemand die de ik-verteller op de hak neemt. Houthakken is in weerwil van zijn stroom aan pessimisme en negativiteit een door en door komische vertelling in een groteske stijl, met hier en daar passages die aan slapstick raken. Het staat vol zinnen waarvan je popelt ze aan anderen voor te lezen. Bernhard geeft de indruk enkel voor jou en nog een handjevol outsiders te schrijven.

    Ofschoon de polemisch ingestelde ik-verteller onmiskenbaar nietsontziend met anderen afrekent, haalt hij ook zichzelf bij tijd en wijle naar beneden: ‘We verwijten al deze lieden alles wat maar onuitstaanbaar en weerzinwekkend is en zijn misschien nog wel veel onuitstaanbaarder en weerzinwekkender dan zij’. Hij pendelt tussen eerlijkheid en onbetrouwbaarheid, maar stuit overal op pijnlijke conclusies, waarin wat hij eens bewonderde het hevig moet ontgelden. Maar werkelijk fnuikend is de vaststelling dat eraan ontsnappen een illusie is. Het bezetene van zijn redenering schiet door naar het absurde. In zijn overdrijving fabriceert de ik-verteller haast als vanzelf nieuwe opeengestapelde woorden: ‘Wenen is een vreselijke genieënvernietigingsmachine (…) een ontstellende talentenvermorzelingsinstelling’.

    Gelezen als sleutelroman

    Uit de nihilistische werkelijkheid ensceneert Bernhard zonder meer een komedie, of beter, een tragi-komedie. Hierin is hij verwant aan Samuel Beckett. Niet voor niets draagt een boek over Thomas Bernhard een citaat van hemzelf als titel ‘Es ist alles lächerlich, wenn man an den Tod denkt’. In de grootste misantropen verschuilen zich niet zelden de grootste moralisten. Bernhard staat wat dat betreft ook in het voetspoor van de Oostenrijkse dichter en pamflettist Karl Kraus.
    Ofschoon men omtrent de ik-verteller weinig te weten komt, rijst uit zijn herinneringen wel het beeld op van een in de jaren vijftig moeizaam gedebuteerde dichter. Deze werkte zich op in artistieke kringen, zoog zichzelf zo vol tot hij genoeg had om zichzelf overeind te houden en elders zijn schrijversloopbaan gestalte kon geven. Parallellen met Bernhards beginnende schreden op het schrijverspad liggen voor het oprapen. Evenals de toespelingen op bestaande figuren in dit boek, dat bij verschijning als een sleutelroman werd gelezen en een schandaal ontketende. De componist Gerhard Lampersberg zag zich naar zijn smaak al te duidelijk geportretteerd in de snobistische en voortdurend dronken Auersberger. Hij spande een rechtszaak aan tegen publicatie van het boek. Met het gevolg dat Holzffällen – Eine Erregung één van Bernhards best verkopende titels werd.

    Om Bernhard in een Nederlandse context te plaatsen, is hij te vergelijken met W.F. Hermans, voor wie rancune ook de motor van een productief schrijverschap was. Vanwege het allesbepalende van zijn geperfectioneerde stijl gold Bernhard, net als Gerard Reve – waarmee hij zeker ook te vergelijken valt -, als schier onvertaalbaar. Maar deze, als een voortdenderende trein lezende vertaling, ontkracht deze mythe volledig. Dat kunnen beide vertalers op hun conto schrijven. Dan te bedenken dat uit dezelfde jaren tachtig nog twee boeken dateren die zich qua stijl en niveau met Houthakken kunnen meten, te weten Der Untergeher en Auslöschung. Eveneens boeken die de potentie hebben vanwege hun overdonderende stijl je compleet van de sokken te blazen. In een ideale wereld zouden ook deze twee boeken in het Nederlands worden overgezet. Want in deze tijd is er behoefte aan troost. Al was het maar door te menen dat het leven pas echt ondragelijk zou zijn als Thomas Bernhard ons geen reden gaf erom te lachen.