De Boekenbon Literatuurprijs werd dit jaar gewonnen door Charlotte Van den Broeck met haar boek Een vlam Tasmaanse tijgers (Arbeiderspers). De jury noemde ‘Charlotte […] een absolute aanwinst voor het genre van de zoekende en onderzoekende non-fictie’. In Een vlam Tasmaanse tijgers volgt Van den Broeck de gang van de uitgestorven Tasmaanse tijger. Haar reis brengt haar van dierentuinen en natuurhistorische collecties op tal van plekken in Europa tot in Australië en diep in de bush van Lutruwita/Tasmanië. Ze waagt zich op een van de grootste hedendaagse mijnenvelden: het gebied tussen waarheid, wetenschap en verhaal. Het gaat over de verhalen die overleven en fabels die misschien wel waar zijn. En over onze omgang met dieren in een interessant historisch perspectief. De juryleden ‘roemen haar vasthoudendheid en haar stilistische brille’.
Wat opvalt, weer volgens de jury, is hoeveel ruimte ze laat voor anderen in het boek. Letterlijk en figuurlijk. ‘Net als in haar prozadebuut Waagstukken zien we hier een dichtende journalist aan het werk. Charlotte toont zich een kundig schrijver van non-fictie, die tegelijkertijd resoneert met de dichter die ze is. In een tijd van fake news biedt Een vlam Tasmaanse tijgers nuance en een uiterst knap verhaal. Het laat bovendien zien wat voor onderzoek er aan het boek voorafging’.
De overige genomineerden voor de Boekenbon Literatuurprijs waren:
Janna Coomans – Dievenland (De Bezige Bij)
Bert Natter – Aan het einde van de oorlog (Thomas Rap)
Tijl Nuyts – Grondwerk (Atlas Contact)
Sheila Sitalsing – Waar ik me voor schaam (De Bezige Bij)
De Boekenbon Literatuurprijs wordt toegekend aan het beste Nederlandstalige literaire boek (fictie als non-fictie) van het jaar en wordt jaarlijks toegekend door een jury van recensenten, boekverkopers en docenten uit Nederland en Vlaanderen. Dit jaar werden er 524 boeken ingestuurd. Aan de prijs is een bedrag van 50.000 euro verbonden.
De jury bestond dit jaar uit:
Gunay Uslu (juryvoorzitter) – voormalig staatssecretaris Cultuur en Media
Steven van Ammel – boekhandelaar bij Passa Porta in Brussel
Willem Bongers-Dek – algemeen directeur van Vlaams-Nederlands Huis deBuren
Jenneke Harings – Neerlandicus en werkzaam in de literaire sector als o.a. adviseur, programmamanagement
Sebastiaan Spiekerman – Neerlandicus
Margot Vanderstraeten – schrijver, journalist
Bernice Vreedzaam – dichter, schrijver en boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel
De 42ste Nacht van de Poëzie ligt weer achter ons. Twintig nachtdichters, een handvol spetterende entr’actes en tal van andere activiteiten werden in een uitverkochte grote zaal TivoliVredenburg met overgave omarmd en beleden door meer dan 1500 poëzieliefhebbers.
Als Esther Naomi Perquin, die samen met Piet Piryns het publiek door de Nacht leidt, de zaal begroet met ‘Lieve nachtdieren’ – dan weet je dat het is begonnen: dat wonderlijk intieme evenement van woorden en mensen, taal en muziek, dat naarmate het later wordt meer en meer verbindt. Logisch en bezwerend voor wie er onderdeel van is, niet uit te leggen aan wie het heeft gemist.
Dat poëzie, actualiteit en engagement hand in hand gaan was al langer duidelijk. Onthutsende ontwikkelingen doen zich onophoudelijk voor op het wereldtoneel en deze klinken in de voordrachten door. Paul Demets neemt zijn gehoor mee in een relaas over een voorgenomen reis naar de brandhaard: “Ik wou de trein naar Gaza nemen”; verbluffend is dat zelfs voor zoiets poëzie zich overtuigend leent. Froukje van der Ploeg dicht over femicide: ’87 procent van je gevaar woont in huis, zit op je bank’.
In de ban van poëzie
Twintig dichters, in meer dan een opzicht divers en inclusief, betraden deze Nacht het podium onder het motto van ‘overal smelt het, zwelt het, glimt het – nu gaan de dingen weer beginnen’. Een regel van Judith Herzberg die betrekking heeft op de lente, maar niemand vond het erg dat dit in oktober als inswinger aan beide zijden van het podium prijkte.
Judith Herzberg (1934) zelf was voor de tiende maal present tijdens de Nacht. Ze zette de zaal aan het denken met haar opsomming van wat allemaal kan worden beschouwd als vormen van gekte. ’tegen poezen praten, ja – maar ook: hopen, en wanhoop net zo goed, is een vorm van gekte’.
Uitgeverij C.J. Aarts en uitgeverij Masjenka
Een andere dichteres hield het publiek een spiegel voor door te stellen dat dit leven ‘lelijk maar dragelijk’ is, onder verwijzing naar protestkunst op de pleinen van Europa ‘met een glaasje gin voor wie het kan gebruiken’. Charlotte Van den Broeck, werkelijk nog maar pas moeder geworden, draagt het gedicht ‘Postpartum beach’ voor met daarin de regels: ‘pas geopende / stug-rood bebloste vrouwen / in hun plotsklaps lege vel blubberende / bloedverliezende vrouwen’.
Muisstil is het in de vol bezette zaal wanneer een dichter ze met zijn voordracht in de ban houdt. Daarentegen moet van sommige entr’actes gezegd worden dat het – dreunende – geluidsvolume soms veel te hard stond. Misschien goed om in de late Nacht mensen wakker te schudden, maar nu ontvluchtten velen de zaal uit vrees voor bonkende hoofdpijn of zelfs gehoorschade.
Voorbij de Nacht
Het wordt leger in de zaal als het later wordt. Maar de intense sfeer van verbondenheid geldt nog meer voor hen die tot het eind toe blijven. Tot slot is er het prachtige optreden van debutante Lin An Phoa, aangekondigd als ‘grand dessert’ van de Nacht. Ook zij vertolkte geëngageerde poëzie en bevestigt het bestaansrecht van depressieve tienerpoëzie: (‘we hadden geen stijl, wel een streefgewicht’) maar geeft er vervolgens blijk van zelf inmiddels een nieuw stadium te hebben bereikt als dichteres, met haar gedicht: ‘Op een dag zullen we het ons anders herinneren’:
‘we zullen het weer met elkaar eens zijn
dan zullen we doen alsof we altijd al met onze armen ingehaakt
de straat op gingen met vlaggen en een stuk bezorgkarton
waarop we na lang nadenken schreven: nee!’
Tom Lanoye tijdens de Nacht van de Poëzie
Traditie van de Nacht is dat de dichter die als laatste optreedt volgend jaar het spits mag afbijten. We zullen ons Lin An Phoa dan zeker herinneren – en toch zal een en ander dan weer anders zijn. Zoals in deze Nacht, toen er een meer dan exuberante toegift volgde door Tom Lanoye die het publiek middels zijn brandnieuwe ‘Reinaard’-bewerking in ronkende vertelling en hoge versnelling meenam naar de Middeleeuwen. Waarna omstreeks half vier de laatste nachtgangers het donker van Utrecht betraden, vergezeld door poëzie tot ver na thuiskomst.
Foto’s: Reinder Storm
De Nachtdichters van dit jaar waren: Judith Herzberg, Yentl van Stokkum, Tom Lanoye, Charlotte Van den Broeck, Pim Lammers, Sophia Blyden, Sasja Janssen, Neeltje Maria Min, Asmae Amaddaou, Sytse Jansma, Lieke Marsman, Marc Reugebrink, Yasmin Namavar, Froukje van der Ploeg, Gustaaf Peek, Bob Vanden Broeck, Paul Demets, Jan Baeke, Lin An Phoa en Peer Wittenbols.
De nieuwste roman van de Belgische schrijver Charlotte Van den Broeck is een wervelende en diepgravende zoektocht naar een uitgestorven diersoort: de Tasmaanse tijger. Die tocht begint in de Antwerpse Zoo waar in 1911 een Tasmaanse tijger, ook wel thylacine genoemd, werd tentoongesteld als een exotisch product uit het verre Tasmanië/Lutruwita.
De thylacine was een gewild dier bij dierentuinen over de hele wereld, onder meer door zijn unieke uiterlijk. Het beest heeft karakteristieke tijgerstrepen maar lijkt eerder op een wolf. De meeste Tasmaanse tijgers haalden de zoo overigens niet, ze overleden onderweg, op zee of na hoogstens enkele jaren in een kooi. De Antwerpse tijger zou een van de laatste zijn. Het beest is vermoedelijk enkele decennia later uitgestorven hoewel enkelen nog geloven dat het beest buiten het zicht van de mens voortleeft. In vijfentwintig hoofdstukken maakt Een vlam Tasmaanse tijgers de mythe van de thylacine plaats voor een verhaal dat zo veel meer is dan het uitsterven van een diersoort.
Onderzoeksinstellingen en natuurgebieden
De lezer gaat met Van den Broeck mee door de archieven, natuurgebieden, musea en onderzoeksinstellingen van Europa tot Australië, op zoek naar de resten van het uitgestorven dier. Met een verfijnde schrijfstijl, waarbij elk woord de juiste plaats heeft gevonden, beschrijft ze de archieven en musea; de lugubere potten met losse lichaamsdelen op sterk water en schimmige documenten over de handel in alle lichaamsdelen van het beest. Ze ontmoet bijzondere figuren die de Tasmaanse tijger omringen. Onderzoekers die het beest willen klonen, zelfbenoemde experts die het zouden hebben gezien en wetenschappers die hun hele leven hebben gewijd aan het onderzoeken van de laatste resten van de thylacine.
Het (vermoedelijk) uitgestorven dier heeft in het heden en verleden een bijzondere groep mensen rond zich verzameld. Zoals Morton Allport, die meer dan honderd jaar geleden zo vrijgevig was om het museum van natuurwetenschappen in Brussel skeletten en een schedel op te sturen. In het museum werd hij uitgebreid geroemd als ‘uitstekend bioloog’, maar recent onderzoek liet zien dat hij de dieren verhandelde voor invloed in wetenschappelijke kringen. In het heden komt Van den Broeck in aanraking met onderzoekers zoals Dr. Sleigtholme, die van de Tasmaanse tijger zijn levensproject heeft gemaakt. In zekere zin lijkt hij alleen nog te leven voor het in kaart brengen van het inmiddels uitgestorven dier. Een nobele maar soms ook manische daad, zo laat Van den Broeck zien.
Constructie van een troostvol verhaal
Tussen al die bijzondere verhalen schetst Van den Broeck een verhaal dat in diepste zin over verlies en de constructie van een troostvol verhaal gaat. Dat de Tasmaanse tijger (waarschijnlijk) is uitgestorven, is te wijten aan de manier waarop de mens met het dier is omgegaan. Het verlies heeft een diep gat geslagen bij lokale bewoners en wetenschappelijke onderzoekers, die allemaal op hun eigen manier die leegte proberen te vullen. Met mythische verhalen, zeer gedetailleerd onderzoek of het onderzoeksinstituut dat de thylacine probeert te klonen. Maar het gaat ook om verlies van ‘agency’. De beesten die tegen hun wil verscheept, mishandeld en gedood werden. De brute wijze waarop dat gebeurde, wordt op indringende wijze beschreven.
Maar ook de ‘agency’ van Aboriginals op Tasmanië / Lutruwita, die helaas niet beter werden behandeld. De oorspronkelijke bewoners werden op systematische wijze uitgemoord. Of de behandelingvan vrouwen zoals Alison Reid, de vrouwelijke directeur van de dierentuin van Hobart, de hoofdstad van Tasmanië. Reid werd begin twintigste eeuw niet erkend of betaald voor haar werk in de zoo van haar vader. Haar vader was directeur, maar zij deed ‘de facto’ al het werk. Na zijn dood werd haar de dierentuin ontnomen omdat een betaalde post voor een vrouw ondenkbaar was. Niet veel later stierf in diezelfde dierentuin de laatste Tasmaanse tijger in gevangenschap.
Beeldend geschreven en boeiende dialogen
Van den Broeck traceert steeds een nieuw puzzelstukje dat verbonden is aan de Tasmaanse tijger en legt het op de juiste plaats. Elk hoofdstuk is een geheel en haakt weer feilloos aan in het volgende hoofdstuk. Het is een zeer beeldend geschreven geheel en de dialogen blijven paginaslang boeien. Van den Broeck weet heel goed de lichtvoetigheid te behouden, zonder ooit de ernst van het onderwerp uit het oog te verliezen. De secundaire literatuur, het meta commentaar, lijkt wat losjes aan het hele verhaal verbonden. Bijvoorbeeld de stukken over Donna Haraway doen de lezer verlangen naar meer.
Een van de Tasmaanse-tijger-fanaten, Neil Waters, heeft zich na de dood van zijn dochter vol overgave gestort op de theorie dat het beest nog in leven zou zijn. Alles moest bij hem wijken voor het bewijzen dat het dier nog leefde. Hij zag het zelf wel drie keer en gelooft dat het ook op het Australische vasteland nog leeft en zich kundig weet te verbergen voor de mens. Na het lezen van dit boek begrijp je dit geloof helemaal. Het verlies van de dochter en het collectieve verlies van de diersoort zijn verbonden, ergens is het dezelfde emotie en dezelfde wens: koste wat kost terughalen wat je nooit had willen verliezen.
Een vlam Tasmaanse tijgers is een boek dat alles in zich heeft. Een schijnbaar kleine gebeurtenis, het uitsterven van de Tasmaanse tijger, krijgt een persoonlijke en urgente lading. De Tasmaanse tijger staat voor alles wat we hadden, maar uit het oog verloren zijn en wanhopig proberen terug te krijgen. En dat alles feilloos opgeschreven, lichtvoetig en toch gedragen en literair.
Myriem El-Kaddouri werd in 2023 kampioen Slam Poetry in West-Vlaanderen en onlangs werd ze benoemd tot stadsdichter van Kortrijk.
Haar debuutbundel Hier ligt de waarheid in overdaad stond op de shortlist van de Granateprijs voor de bundel met het mooiste en best passende titel. Haar poëzie is maatschappelijk geëngageerd en wil een bijdrage leveren aan de strijd voor gelijkheid en rechtvaardigheid voor iedereen. In haar werk probeert ze verbinding te zoeken tussen verleden en heden, ver weg en dichtbij, tussen individu en samenleving. Ze doet dit door geen enkel maatschappelijk probleem uit de weg te gaan, door het constant bevragen van zichzelf en de ander, in een taal die dichtbij de spreektaal blijft.
Ook de thema’s van haar bundel zijn herkenbaar voor iedereen: vrouw-zijn, de liefde, de breekbaarheid van relaties en de angst. Daarnaast verkent ze de gevoelens die het begrip ‘migratie’ oproepen, waarbij ze duidelijk maakt dat ‘de waarheid’ niet voor iedereen hetzelfde is.
‘Ergens ligt een huis in puin. Dadelkoekjes staan in een aan stukken geblazen keukenkast en verwelkte bloemen zijn begraven onder gruis. De kettingen van een lege schommel draaien ineen tot ze zichzelf verstikken. Een bezoeker confisqueert schaamteloos het beeld en wint de hoofdprijs: een nieuwe camera en een reis naar Ibiza.’
Auteur: Myriem El-Kaddouri
Uitgeverij: Vrijdag
Te midden van alles
Frans Budé (1945) debuteerde op drieëntwintigjarige leeftijd met gedichten in Elseviers Weekblad. Sindsdien heeft hij zestien bundels het licht doen zien, waarvan Te midden van alles de nieuwste is. In 2018 ontving hij de Leo Herberghs Poëzieprijs.
Zijn poëzie is te plaatsen in de traditie die in Nederland wordt vertegenwoordigd door dichters als Gerrit Kouwenaar en H.C. ten Berge: oeuvrebouwers die een grote nadruk leggen op het ‘talige’ karakter van hun dichtwerk. In zijn werk getuigt hij van zijn liefde voor de natuur en de beeldende kunst: zo ontleent hij inspiratie aan de 30.000 jaar oude grotschilderingen in de ‘Grotte Chauvet’ in de Franse Ardèche. Alsook aan het werk over leegte, leven, dood en liefde van de Franse beeldhouwer Germaine Richier (1902-1959), de schilderijen van de hedendaagse Nederlandse beeldend kunstenaar Bep Scheeren en aan het werk van de in Wit-Rusland geboren Joods-Franse kunstenaar Chaïm Soutine (1893-1943).
In deze bundel probeert Budé een verborgen werkelijkheid te ontdekken die aan het dagelijkse leven ontstijgt. Met groot inlevingsvermogen laat hij de doden spreken en geeft hij zich over aan de schoonheid van de natuur.
‘Het leven komt en gaat voorbij. Voor en na speelt de tijd met ons een spel van winnen en verliezen. Vastgesnoerd aan regels en richtlijnen, – dag en nacht zoekend naar gaten om te ontsnappen, doorgangen naar wat bereikbaar is. Het is de liefde die redt, de schoonheid van ontroerende landschappen – die vol verwachting klaarligt. Wij allen, voorzichtig balancerend door het leven, ons bewust dat we ooit de afslag moeten nemen onderwijl het carrousel – almaar voortrolt, daaromheen een onbestemd ruisen als een spiraal van zich steeds herpakkende tegenwind.’
Auteur: Frans Budé
Uitgeverij: Meulenhoff
Plakboel
Sinds 2000 wordt elk jaar eind januari poëzie extra in de kijker gezet. Op initiatief van Poetry International werd de laatste donderdag van januari uitgeroepen tot Gedichtendag. Een breed samenwerkingsverband van dichters, literaire organisaties, scholen, bibliotheken en andere verenigingen zorgde ervoor dat de donkere januaridagen in Vlaanderen en Nederland een poëtische invulling kregen. Bij elke editie werd aan een dichter gevraagd om 10 gedichten te schrijven die aansloten bij het thema van Gedichtendag. De eerste Gedichtendagbundel werd geschreven door Toon Tellegen. Later volgden onder meer nog Hugo Claus, Tom Lanoye, Remco Campert, Judith Herzberg, Antjie Krog.
Door het grote succes van de Gedichtendag werd in 2013 besloten om van Gedichtendag een Poëzieweek te maken.
Dit jaar is de poëzieweek van donderdag 30 januari (Gedichtendag) tot en met woensdag 5 februari. Vanaf 30 januari is het poëziegeschenk gratis te verkrijgen bij de boekhandel bij aankoop van minimaal €12,50 aan Nederlandstalige poëzie.
Dit jaar is het poëziegeschenk, Plakboel geschreven door de Vlaamse schrijfster Charlotte Van den Broeck (1991). Haar eerste twee dichtbundels werden overladen met lof en bekroond met de Herman de Coninck Debuutprijs en de Paul Snoeckprijs. Haar prozadebuut Waagstukken, een bestseller met meer dan 25.000 verkochte exemplaren, viel eveneens in de prijzen.
De bundel bevat nieuwe gedichten, waaronder een lang erotisch gedicht met de titel ‘Plakboel’, geïnspireerd door het thema van Poëzieweek 2025: Lijfelijkheid.
Literair Nederland moest onverhoopt verstek laten gaan bij de Nacht van de Poëzie, maar Sophie Mulder & Edo Storm, twee studenten uit Utrecht waren bereid deze Nacht voor ons te verslaan.
‘Ik twijfel niet / aan wie ik ben / maar wie zijn al die anderen?’, zo prijken de dichtregels van Andy Fierens in de dichtbundel van de 39ste Nacht van de Poëzie. Dit poëziefestival is voor velen niet enkel een zeven uur durende lof op de hedendaagse gesteldheid van de Nederlandstalige poëzie, maar ook een feest van herkenning, zowel van de namen op het podium, als van de gezichten in de wandelgangen.
De 39e Nacht van de Poezië was voor ons respectievelijk de eerste en de vierde Nacht die we bijwoonden. Overdag kwamen we al bekende gezichten tegen in de stad, die voor dit evenement naar Utrecht waren afgereisd. Toen de nacht dan eindelijk viel, sloegen we met enige verwondering gade hoe de hele literatuurwereld bijeen was gekomen in de grote zaal van het Utrechtse Tivoli Vredenburg. De gangen bruisten en in de zaal hing een gezonde spanning. We twijfelden of dit marathon evenement ons wederom consistent zou weten te boeien, maar de eerste drie dichters vlogen al snel aan ons voorbij. Joke van Leeuwen sprong eruit als veteraan, die zich de kunst van het voordragen duidelijk op de meest originele manier eigen heeft gemaakt. Ze maakte ons bekend met de praktijk van dolfijnen die zonder schaamte en zonder taboes elkaars clitorissen stimuleren.
Jong en oud
Wat ons opviel, terwijl we het publiek in ons opnamen, was de curieuze verhouding tussen oud en jong. Dit werd vooral zichtbaar tijdens het optreden van de band Broken Brass. Terwijl in de ‘pit’ de zogenaamde jeugd op uitbundige wijze danste, kabbelde dit als een golf uit naar de bovenste hoeken van de zaal, waar het oudere publiek hier en daar werd aangestoken tot een bescheiden dansje. Bewonderenswaardig, aangezien de stoelen van de grote zaal in Tivoli niet bepaald uitnodigend zijn voor enige beweging. Tijdens de avond zagen we dan ook enkele mensen die zich een weg probeerden te banen door de doolhofachtige zaal onderuit gaan.
Na de eerste entr’acte begaven we ons even buiten de zaal. De doeleinden van het jonge en respectievelijk oudere publiek leken lijnrecht tegenover elkaar te staan. Middelbare scholieren en studenten bewezen door hun aanwezigheid hun volwassen en verfijnde culturele smaak, terwijl de ouderen zich schijnbaar te trots voelden om zich onder de jeugd te begeven, bij dit evenement dat tot diep in de nacht duurde. In de wandelgangen werd druk genetwerkt, door beide generaties en de algehele sfeer was levendig. Ivo de Wijs, die de tweede ronde van dichter afsloot, viel op door zijn humor en speelsheid, die alle elitaire pretenties een moment deed verdwijnen. Jong en oud genoten van zijn lofzang op de nare jeugd van tegenwoordig. Rond elf uur was eindelijk het moment daar, waar iedereen, ook al zullen ze het misschien niet toegeven, op had gewacht: Hans Klok. We kwamen er deze zaterdag zelf pas achter dat deze opvallende naam op de website prijkte. Dit soort unieke entr’actes maken de Nacht van de Poëzie tot wat het is.
Betovering en begoocheling
Terwijl eerst Charlotte van den Broek ons betoverde en begoochelde met haar woorden en innemende podium présence, stond daar plots deze blonde adonis als een teken van vergane glorie als nieuwe verwondering in deze ongebruikelijke context. In korte tijd trok hij verschillende kaartspellen uit zijn mouw, wist hij meerdere vrouwen op te sluiten in kleine kooitjes, ze in de fik te steken en door te spiesen met zwaarden om ze daarna weer heelhuids tevoorschijn te halen. Een show die voor veel gejuich en applaus zorgde, maar in de wandelgangen ook voor afkeer, zo hoorden we na afloop een dame aan haar vriendin vragen of ze ‘die verschrikkelijke Hans Klok’ had overleefd.
Levendige poëzie en Verbroederende saamhorigheid
Het was juist tijdens het optreden van Klok dat de scheiding tussen jong en oud enigszins vervaagde. Naar onze mening was het Klok die het publiek weer even voorzag van wat broodnodige energie en verwondering om de mooie, maar soms uitputtende avond te ‘overleven’. Bovendien vinden we het prachtig dat de organisatie door de inclusie van Hans Klok in het programma, de harde lijn tussen ‘hoge’ cultuur, waar poëzie toch nog steeds onder valt, en de ‘lage’ variant, trachtte te overschrijden. Een doelstelling die überhaupt het hart lijkt te vormen van de Nacht waarin poëzie op levendige wijze toegankelijk wordt gemaakt.
Klok’s energie werd voortgezet door een eveneens blonde (poëzie) magiër, Marieke Lucas Rijneveld. Hij nam de tijd en brak met zijn zorgvuldig geselecteerde strofes de Nacht doormidden. Enkel met ingetogen woorden, zonder hulp van vuur en schaars geklede vrouwen, wist hij het publiek tot een oorverdovende applaus te beroeren.‘Betoverend’ is misschien wel de beste beschrijving van de staat, die deze poëtische marathon opwekt. Na enige tijd kom je als publiek terecht in een soort trance die de overgang tussen act en entr’acte, zaal en wandelgang en jawel, jong en oud doet vervagen. Wederom, slaagde de Nacht van de Poëzie erin om door middel van woord en cultuur een verbroederende en saamhorige sfeer te creëren die weinig andere evenementen weten te evenaren.
Zangeres Maria Farantouri neemt het publiek mee naar niet bestaande Griekse landschappen.
Vrijdagavond 13 mei werd in het radioprogramma Opium op NPO 4 bekend gemaakt dat De grote Poeziëprijs werd toegekend aan Roelof ten Napel voor zijn bundel Dagen in huis.
De jury van de Poeziëprijs had negentig bundels te beoordelen waarvan er vijf op de shortlist terechtkwamen. Naast Roelof ten Napel met Dagen in huis, waren dat Piet Gerbrandy met Ontbinding; Sasja Janssen met Virgula; Tijl Nuyts met Vervoersbewijzen en Charlotte Van den Broeck met Aarduitwrijvingen. De jury vond de bundel Dagen in huis een feestje om het leven te vieren en prijst daarbij de poëzie in het algemeen, ‘die weer eens bewijst een huis te kunnen zijn, met ruime, lichte kamers, voor al wie er onderdak zoekt’.
Uit het juryrapport: ‘Ten Napel is een dichter die tegelijkertijd ook schilder, beeldhouwer, fotograaf is. Hij schrijft vanuit een bezield perspectief, waardoor zijn observaties nergens afstand scheppen, maar vaak juist iets tactiels en soms zelfs intiems hebben. Het huis uit de titel bijvoorbeeld, is ook op te vatten als ons lichaam, of dat van een ander: “Als we ons medeleven verbeelden als verplaatsen-in,/ hebben we dan van de ander geen huis gemaakt?”’
Het ‘in huis zijn’ wordt letterlijk vergeleken met ‘in leven zijn’ wat tegen de achtergrond van een pandemie onnadrukkelijk maar onoverkomelijk nog eens aan betekenis wint, schrijft de jury.
Van dichter, prozaschrijver en essayist Roelof ten Napel (1993) verschenen, naast Dagen in huis, de bundelsIn het vlees (2019) en Het Woedeboek (2014), alsook de romansEen zoon van (2020) en Het leven zelf (2017).
De jury van De Grote Poëzieprijs 2022 bestond uit, Elke Brems, (hoogleraar Letterkunde KU Leuven); Vicky Francken, (dichter, vertaler, redactielid tijdschrift Awater); John Jansen van Galen, (journalist); Maarten Moll, (schrijver en journalist) en Xavier Roelens, (dichter en poëziedocent).
Aan De Grote Poëzieprijs 2022 is een bedrag verbonden van 20.000 euro. Dagen in huis verscheen bij uitgeverij Hollands Diep in 2021.
De shortlist van de Ida Gerhardt Poëzieprijs werd deze week bekend gemaakt door Stichting Zutphen Literair. Er werden honderdveertig bundels ingezonden waaruit de volgende vijf kans maken de prijs te winnen.
De winnende bundel wordt 15 februari bekend gemaakt. Zaterdag 2 april zal de prijs feestelijk worden uitgereikt in Zutphen, de stad die dichteres Ida Gerhardt de laatste jaren van haar leven regelmatig bezocht. De jury bestond uit Maria Barnas en Onno Kosters.
Ida Gerhardt leefde sinds 1967 in het nabijgelegen Eefde en haar laatste vijf jaren in een verzorgingstehuis te Warnsveld, waar ze vijfentwintig jaar geleden overleed. Een van haar beroemdste gedichten, ‘Dolen en dromen’, is gesitueerd in Zutphen.
De prijs werd voor het eerst in 2000 toegekend aan Kees ‘t Hart voor zijn bundel Kinderen die leren lezen, de laatste keer won Marieke Lucas Rijneveld de prijs met haar bundel Fantoommerrie (2020).
In autobiografische vertellingen dringt zich altijd deze vraag op: welke gebeurtenissen hebben echt plaatsgevonden en welke passages zijn meer aan de verbeelding ontsproten dan aan de realiteit? Bovendien staat het onderscheid tussen verzinsel en werkelijkheid voortdurend onder druk, omdat elke herinnering een subtiele vervorming of romantisering van de waarheid in zich draagt. Met In de voetsporen van mijn grootvader slaagt Margot Dijkgraaf, winnares van de Gouden Ganzenveer, er echter in minutieus verslag te doen van het leven van haar Zeeuwse opa: leraar Duits, poëzieliefhebber en kritische analist van het werk van schrijver Heinrich von Kleist.
Dat bepaalde passies een generatie overslaan, is een gevleugelde uitdrukking die andermaal haar geldigheid bewijst; Margot hervindt haar voorliefde voor literatuur via haar grootvaders artikelen. Ze ziet in hem een geestverwant, vooral als ze ontdekt dat hij Penthesilea, heldin uit het werk van Von Kleist, de heraldiek toedicht die normaal gesproken alleen aan mannelijke personages verleend wordt.
Honderd jaar eerder dan zijn kleindochter plaveide hij reeds de weg voor een modernere kijk op heldendom in de literatuur. Dijkgraaf schreef voor het verschijnen van deze roman reeds over rebelse, sterke vrouwen in de Franse verteltraditie. Al die tijd keek haar grootvader met haar mee. En voor wie dit een te rooskleurige afspiegeling vindt van Dijkgraafs onderneming, heeft zij een vrije interpretatie van Albert Einsteins wijsheid in petto: ‘Via de verbeelding kun je daar komen waar feiten tekortschieten.’
Auteur: Margot Dijkgraaf
Uitgeverij: Atlas Contact
Poezie als alternatief
Ontlezing is een groot probleem in Nederland, als we alle onderwijsrapporten moeten geloven. Literatuur, en vooral poëzie, geldt al decennialang als een bastion van de elite: zij is onbereikbaar voor het grote publiek en klaagt tegelijkertijd dat niemand haar consumeert. En áls een jonge stem zich aandient een nieuw geluid te vertolken, staan de poortwachters van de literaire elite klaar om deze te weren uit de canon. Zo blijft letterkunde een stoffiger dan stoffig studieobject, waaraan menig scholier zijn vingers niet durft te branden.
Jeroen Dera, universitair docent letterkunde in Nijmegen, toont met zijn boek Poëzie als alternatief aan dat de dichtkunst niet slechts voorbehouden is aan grijze heren die in een literair café Baudelaire reciteren. Nee, ook millennials (van wie de oudere generaties beweren dat ze geen ruggengraat hebben) kunnen poëzie leren waarderen. Met de juiste begeleiding, leestips en – het belangrijkste – een geduldige zoektocht ontdekken zij de schoonheid en de kracht van verzen.
Om het imago van poëzie onder jongeren af te stoffen gebruikt Jeroen Dera een beproefde tactiek: hij zet vol in op engagement, opdat de aanstormende generatie bij de dichtkunst betrokken raakt. Geen snobistisch gewauwel over het grote Niets, gefilosofeer in de leegte of mooischrijverij in deze bundel. Hij haalt gedichten aan over diversiteit, maatschappijkritiek, klimaatproblemen, neokapitalisme en hij geeft onderdrukte stemmen het woord. Dit boek is een absolute must have voor docenten Nederlands, mits zij hun passie voor gedichten ook maar enigszins willen doorgeven aan hun leerlingen. Dera zei het zelf al zo treffend in de Volkskrant van 4 juli jl.: ‘Gun ook VMBO-leerlingen de verbazing van een poëzieles.’ Dera keert met dit boek het tij tegen de ontlezing. Daarvoor verdient hij alle lof.
Auteur: Jeroen Dera
Uitgeverij: Wereldbibliotheek
Aardwrijvingen
Charlotte van den Broeck, schrijfster van het alom geprezen Waagstukken, merkt tijdens een interview in De Morgen op: ‘We behandelen de natuur alsof ze een decor voor de mens is.’ Dit zegt zij in het kader van haar nieuwste poëziebundel Aarduitwrijvingen, tot stand gekomen in Death Valley. De grillen der natuur zijn op weinig plekken ter wereld zo voelbaar als daar, en door die grillen heeft Van de Broeck zich laten meevoeren. Op haar gevoel heeft zij inmiddels meer durven vertrouwen; haar begaafdheid bewees zij reeds met de bundels Kameleon (2015, Herman de Coninckprijs) en Nachtroer (2017, Paul Snoekprijs).
De titel verraadt al een hoop over haar stilistische werkwijze. Aarduitwrijvingen zijn namelijk kunstwerken van Herman de Vries, waarin aardhoopjes uit alle windstreken van de wereld worden platgedrukt en uitgestreken over papier. Het resultaat? Zuivere aarde, waaraan niets is toegevoegd. De kracht van haar poëzie schuilt dan ook met name in taalzuiverheid en precisie. Op zoek naar de volle zeggingskracht van ieder afzonderlijk woord behandelt de dichteres de taal zoals de natuur eigenlijk behandeld zou moeten worden: zuinig, liefdevol, aandachtig en eerbiedig.
Aarduitwrijvingen doet qua spontaniteit en vitaliteit bij vlagen denken aan Hendrik Marsman. Vergis u echter niet in de inhoudelijke relevantie van Van den Broecks poëzie, het engagement van Dera zogezegd. Zij laat impliciet haar licht schijnen over vrouwelijkheid, feminisme en natuurbehoud zónder haar speelsheid en zintuiglijke verwondering te verliezen. Met deze prachtige bundel laat zij zien dat ook de mens slechts een aarduitwrijving is.
Tegen het einde van haar Waagstukken schrijft Charlotte Van den Broeck dat ze van de Amerikaanse non-fictieauteur John McPhee zou willen leren ‘hoe minder aanwezig te zijn in het boek dat ik wil schrijven’. Volgens haar is hij in zijn boeken ‘geen misplaatste figurant die in de weg loopt van zijn onderwerp’. Hij heeft ‘geen greintje profileringsdrang’. Die gedachte maakt duidelijk dat Van den Broeck geworsteld heeft met de vraag of ze zichzelf niet teveel in haar verhalen schreef. Een zeer reële vraag in het algemeen. Er zijn Bachminnaars die bij het zien van de onlangs bij de NPO uitgezonden serie Tijl in het voetspoor van Bach al snel afhaakten. De serie ging niet over Bach, maar vooral over de dweepzucht van presentator Tijl Beckand. Maar die had nog een crew met adviseurs om zich heen. Charlotte Van den Broeck stond wat dat betreft meer alleen, al kon ze volgens haar dankwoord wel een beroep doen op een mentor (Lucas Vandervorst) en een begeleider (Ilja Leonard Pfeijffer). Van den Broeck is duidelijk aanwezig in haar boek, maar op een manier die haar onderwerp schraagt in plaats van het in haar eigen schaduw zet.
Waagstukken, het eerste prozaboek van de Turnhoutse dichteres van de bundels Kameleon en Nachtroer, beschrijft haar queeste naar dertien gevallen van architecten die zelfmoord pleegden – of zouden hebben gepleegd, want niet in alle gevallen staat dat onomstotelijk vast – om een reden die verband hield met hun werk. Maar haar reportage gaat evenzeer over de hang naar perfectie als over falen. De verschillende beschrijvingen winnen juist aan kracht omdat Van den Broeck verschillende keren duidelijk is over wat haar in die zelfmoordgevallen intrigeert. En dat heeft te maken met haar eigen hang naar perfectie en de angst die zij kent voor de mislukking. ‘Perfectionisten’, zo schrijft ze, ‘zouden door gebrek aan zelfliefde naar perfectie streven om via de bewondering van anderen zichzelf bevestigd te zien, maar het is een verlangen zonder bevrediging. Eenmaal bevestigd doet het me weinig. Is dat niet juist een teveel aan zelfliefde? (…) Bovendien denk ik dat ik, ondanks mijn verlangen naar perfectie, voor weinig dingen zo bang ben als voor voltooiing. De verantwoordelijkheid voor volledigheid zou ik nooit op mij kunnen nemen’.
Pygmalion
Ze komt op die relatie tussen streven naar perfectie, de zelfliefde en het falen herhaaldelijk terug in de tragiek van de beschouwde architecten, maar ook in de beeldende kunst. Een mooi voorbeeld daarvan is haar uitwijding over het verhaal van Pygmalion uit de Metamorfosen van Ovidius. Die verwarde ‘het hechte verbond, de besmetting tussen kunstenaar en schepping, met zelfliefde’. Pygmalion was zozeer op zoek naar het allerhoogste dat hij zijn normen aan iedereen oplegde. Misschien daarom vond hij geen vrouw, maar schiep hij de volmaakte vrouw uit ivoor en werd verliefd op dat beeld. Zijn Galatea is echter niet meer dan de veruiterlijking van zijn eigen verlangens: ‘In feite bemint hij via het beeld zichzelf. En deze vorm van zelfliefde, deze perfecte, voltooide vorm, is niet bevredigend’. Pas wanneer Pygmalion bereid is het gebrek toe te laten zal zijn verlangen worden vervuld. Het is een interpretatie die zeer aan Narcissus doet denken.
Waagstukken – met die titel benoemt de schrijfster het grote gebaar dat architecten met hun grootschalige werken maken in de publieke ruimte; falen ze dan doen ze dat meteen voor duizenden ogen en voor lange tijd – gaat over zelfmoord als uiterst persoonlijk drama van dat falen. Maar Van Den Broeck omkleedt al die tragische geschiedenissen met de thematiek van perfectie, voltooiing en angst die ze zo goed van zichzelf kent. Het boek is daarmee reisverhaal, zelfanalyse en kunstbeschouwing in één. De dertien verhalen staan als gevolg daarvan niet op zichzelf. Van den Broeck legt regelmatig terloops of uitdrukkelijker dwarsverbanden tussen de verhalen.
Failliet van het eigen leven
Ze begint met een jeugdherinnering aan het zwembad in haar woonplaats dat voortdurend gesloten was door een structurele fout die op het conto moest worden geschreven van de architect. Die zou zich daarvoor zo hebben geschaamd dat hij een eind aan zijn eigen leven maakte. Een gerucht? Misschien wel, maar het trekt Van den Broeck meteen haar onderwerp in: ‘Wanneer is een mislukking de moeite om voor te sterven? Wordt een fout groter dan het leven, of zo allesomvattend groot dat het leven zelf een mislukking wordt?’, vraagt ze zich af.
Op de achtergrond van alle volgende stukken staat dan ook steeds de vraag in hoeverre een architect zich zozeer identificeert met zijn project dat het mislukken ervan niet minder is dan een failliet van zijn eigen leven (‘zijn’ leven, want het valt op dat alle behandelde bouwmeesters mannen zijn). En inderdaad komen er in de bundel architecten voorbij voor wie het hele leven absoluut geen zin meer heeft als het publiek hun creatie verfoeit. Het gaat in die gevallen om mensen die zich niet begrepen voelen.
Veel voorstelbaarder is de enorme schaamte die de architect de hand aan zichzelf doet slaan als zijn constructie leidt tot een ramp met veel doden. Het treffendste voorbeeld daarvan is het hoofdstuk over het filmtheater waarvan in 1922 het dak instortte als gevolg van extreem hevige sneeuwval. Er werden vijfennegentig doden geteld en ongeveer honderd gewonden. Uit onderzoeken bleek dat de ramp een gevolg was van gebrekkige verbindingen tussen de spanten. Die konden een sneeuwlaag van ongeveer zeventig centimeter niet dragen. Het gevolg was dat de architect naast zijn schuldgevoelens moest ervaren hoe het was om nooit meer opdrachten te krijgen. Wat het extra tragisch maakte is dat de vraag in de lucht bleef hangen of je van een architect wel mag verwachten dat hij dergelijke extreme weersomstandigheden verdisconteert in zijn berekeningen. Het hoofdstuk dat over deze casus gaat is het boeiendste van de verzameling door zijn opbouw, zijn stijl, de ingeleefde verteltrant van de auteur en de prachtige zijsprongen, zoals die over het schilderij Venus en Cupido als honingdief van Lucas Cranach. Waagstukken is een boek dat tot nadenken stemt en maant om niet te snel te oordelen.
In zijn non-fictiebestseller Dieren eten zette Jonathan Safran Foer al de voor- en nadelen van een (grotendeels) vegetarisch eetpatroon op een rij, zij het zonder een direct waardeoordeel te vellen: hij lichtte verschillende perspectieven en argumenten uit. Zelf werd hij na zijn onderzoek vegetariër. In Het klimaat zijn wij reflecteert hij op de urgente milieuproblematiek en zet hij zijn lezerspubliek ertoe aan samen verantwoordelijkheid te nemen voor het voortbestaan van de planeet door ons voedingspatroon te herzien. De ondertitel luidt niet voor niets De wereld redden begint bij het ontbijt. Foer benadrukt het belang van voedsel dat het milieu niet overbelast en stelt voor om alleen ’s avonds bij het diner nog vlees te eten. Hij is vooral gekant tegen de bio-industrie, vanwege de enorme co2-uitstoot die ze veroorzaakt. Dat het besef van klimaatverandering nu eindelijk landt, plaatste Foer in een interview met NRC Handelsblad in treffend perspectief: “In de VS zijn er twee keer zoveel mensen die in Bigfoot geloven als mensen die de klimaatverandering ontkennen.”
Foer is hiernaast auteur van het autobiografisch geïnspireerde Everything is Illuminated (Alles is verlicht) en van Extremely Loud and Incredibly Close (Extreem luid & ongelooflijk dichtbij). Beide romans werden verfilmd.
Auteur: Jonathan Safran Foer
Uitgeverij: Ambo|Anthos
Waagstukken
Charlotte Van den Broeck debuteerde met de dichtbundel Kameleon en ontving daarvoor de Herman de Coninck Debuutprijs. Waagstukken is haar romandebuut. ‘Waagstukken’ moet hier worden opgevat als architectonische projecten die zó mislukten dat de verantwoordelijke architecten zelfmoord pleegden of in het ‘beste geval’ diep in het ongeluk werden gestort. Van den Broeck vertelt dertien individuele verhalen. Een bijzondere opzet, die wordt afgewisseld met passages over de positie van de schrijver in het algemeen en Van den Broecks schrijverschap in het bijzonder en het onzekere bestaan dat verbonden is aan het willen verwezenlijken van je artistieke ambities.
Auteur: Charlotte Van den Broeck
Uitgeverij: De Arbeiderspers
Drie vrouwen
De Amerikaanse auteur en journaliste Lisa Taddeo publiceerde onder andere in Esquire en New York Magazine en ontving de Pushcart Prize voor haar korte verhalen. Drie vrouwen schreef ze vanuit haar wens het vrouwelijk perspectief op seks en verlangen centraal te stellen en verder uit te diepen. Ze begon aan een journalistiek project van de lange adem: ze volgde acht jaar lang met enorme toewijding Lina, Sloane (pseudoniemen) en Maggie. “Om hun de stem te geven die gewone, onbekende, onopgemerkte vrouwen doorgaans niet hebben,” concludeerde ze in een interview met de Volkskrant. Taddeo laat de vrouwen afwisselend aan het woord en brengt hun wensen, gevoelens en ideeën in kaart, waarmee ze een brug wil slaan tussen het particuliere en het universele.
Vanavond werd voor de laatste maal de VSB Poëzieprijs uitgereikt, en wel aan dichter en Amsterdamse boekhandelaar Joost Baars voor zijn bundel Binnenplaats. Volgens de jury is het debuut van Joost Baars (42 jaar) een ‘hallucinante, mystieke bundel (…)’ die tijd vraagt om ‘erin door te dringen maar bij elke herlezing groeien deze gedichten en trekken ze je mee in hun zoektocht naar of confrontaties met het transcendente.’
De poëzieprijs en het daarbij behorende bedrag van 25 duizend euro werd hem in Diligentia in Den Haag overhandigd door juryvoorzitter Maaike Meijer. Met het uitreiken van de VSB poëzieprijs is tevens de poëzieweek van start gegaan.
Overige genomineerden voor deze poëzieprijs waren Charlotte Van den Broeck met Nachtroer, Marije Langelaar met Vonkt, Tonnus Oosterhoff met Ja Nee en de bundel Leger van Mieke van Zonneveld genomineerd. De uitreiking van de VSB Poëzieprijs was ook gelijk de start van de Poëzieweek 2018 die als thema ‘Theater’ heeft.
Recensent Hettie Marzak over Binnenplaats: “Baars toont zich kwetsbaar, durft persoonlijk te zijn, diepe emoties te laten zien en kan deze uitdrukken in weloverwogen zinnen met originele beelden. Hier is iemand aan het woord die het vak van dichter verstaat.” Lees hier de hele recensie.