• De zomerboeken van Mathijs van den Berg

    De zomerboeken van Mathijs van den Berg

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.

    Mathijs van den Berg leest deze zomer:

    Charles Baudelaire – Mijn hoofd is een zieke vulkaan
    Ted Hughes – Kraai
    Lucebert – Vaarwel achtergelaten gedichten
    Lieneke Frerichs – Nescio, Leven en werk van J.H.F. Grönloh
    Matthijs van Boxsel – De topografie van de Domheid

     

    ‘Baudelaire is het prototype van de gekwelde dichter. Zijn brieven zullen hierover hopelijk meer inzicht verschaffen. Verder vind ik Kiki Coumans een geweldige vertaler. Dichter Ted Hughes is als persoon omstreden en daarom extra interessant. In deze bundel opent hij de krochten van zijn ziel. De vondst vorig jaar van vroege gedichten van Lucebert was een sensatie. Ik ben benieuwd of ze dezelfde kwaliteit hebben als zijn hoofdwerk. Nescio is een van mijn lievelingsschrijvers. Ik verheug me op onbekende anekdotes en uitspraken. Door zijn unieke invalshoek biedt  ‘domgeer’ Matthijs van Boxsel in zijn werk een verrassende kijk op mens en maatschappij en prikkelt daarmee de geest.’

     

    Lees meer over Mathijs van den Berg

  • Serieuze aangelegenheid

    Serieuze aangelegenheid

    Kunstkritiek is een serieuze aangelegenheid, of het nu gaat over beeldende kunst of literatuur. Je matigt je een oordeel aan over het bloed, zweet en tranen van een ander, wat mag en goed is. Maar wat je niet lichtzinnig moet doen. Daar mag je dus best een beetje over nadenken. Dat is wat Charles Baudelaire (1821-1867), dichter, essayist en misschien wel bekendste kunstcriticus van zijn tijd, ook deed.

    Volgens Baudelaire wordt goede kritiek ‘geboren in de baarmoeder van de kunst’. Een stellingname waaraan ik denken moest toen ik vorige week een masterclass recenseren volgde. Literair criticus Arjen Fortuin vertelde hier over de ‘Tien geboden voor de criticus’, die hij een paar jaar geleden als literair-kritische gimmick heeft opgesteld. Met een knipoog weliswaar, om het al te overmatig serieuze eraf te halen, maar desalniettemin met een ondertoon die net zo serieus is als de kunstkritiek zelf. Dat blijkt al direct uit het eerste gebod: ‘Gij zult onderscheiden wat kunst is en wat niet.’ Alsof je de echo van Baudelaire hoort. En de toon is meteen gezet. Of je nu positief of negatief bent; kritiek moet altijd gaan over iets dat ertoe doet. Dat het waard is besproken te worden. Anders hoeft het niet in de krant of op de website van LiterairNederland gepubliceerd te worden.

    In zijn achtste gebod stelt Fortuin dat een literair criticus in de eerste plaats zelf ook goed moet schrijven, omdat anders niemand gelooft dat je kunt lezen. Je moet de lezer bij de kladden grijpen, zoals Baudelaire dat natuurlijk als geen ander kon. Met een duidelijk eigen visie, authentiek en prachtig geformuleerd: ‘De ware schilder is de schilder die het leven van alledag zijn heldhaftige kant weet af te dwingen, die ons met zijn verf of zijn tekenstift leert bevatten hoe groots en poëtisch wij zijn met onze stropdassen en laklaarzen.’ Waarbij dat ‘leven van alledag’ voor Baudelaire overigens cruciaal was. Hij vond dat kunstenaars zich moeten uitdrukken in een (beeld)taal die de tijd waarin ze leven spiegelt. En dat de moderne tijd waarin hij zelf leefde, met al zijn veranderingen en industrialisatie, vroeg om een nieuwe techniek, die de luchtigheid van het moment beter zou vastleggen dan de traditionele kunst deed. Een wens die een aantal jaren later door de impressionisten zou worden ingewilligd.

    Deze relatie tussen kunstcriticus Baudelaire en de kunstenaars om hem heen illustreert ook dat goede kritiek niet alleen de lezer beroert, maar ook de maker van het kunstwerk zelf. En het is een perfect voorbeeld dat goede kunstkritiek ook bijdraagt aan de ontwikkeling van de kunst. Omdat een goede kritiek als het ware een betekenis toevoegt aan een boek of schilderij, die de schrijver of schilder er misschien niet heeft ingelegd, maar die wel door de criticus gezien wordt. Wat mag, mits je het goed beargumenteert. Want kunstkritiek is een serieuze aangelegenheid.

     

     

  • Poète maudit plaatst zich buiten de samenleving

    Poète maudit plaatst zich buiten de samenleving

    De reputatie van de Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) heeft zich losgezongen van het alledaagse. Baudelaire is helemaal een ‘figuur’ geworden, een symbool, het prototype van de ‘gedoemde dichter’, de poète maudit. Het begrip ‘poète maudit’ werd gemunt in 1884 toen Paul Verlaine een bloemlezing uitbracht van het werk van gedoemde dichters die – toevallig of niet – min of meer gelijktijdig naar voren traden in Frankrijk in de 19de eeuw. Behalve Baudelaire betrof het onder meer Arthur Rimbaud, Tristan Corbière, Gérard de Nerval, Stéphane Mallarmé en Comte de Lautréamont. De poète maudit plaatste zich buiten de samenleving, spotte met normen en waarden van de burgerij, schopte heilige huisjes omver, ging zich te buiten aan seksuele uitspattingen, brak met vertrouwde, literaire technieken, gebruikte verdovende middelen, richtte zich kortom te gronde – en overleed jong.

    Baudelaire voldoet helemaal aan dit profiel. Zijn persoonlijke geschiedenis werd bepaald door drugsgebruik, grote armoede en schulden, onstuimig liefdesleven, ziekte (m.n. syfilis) – maar als literair figuur werd Baudelaire bekend en geroemd om zijn opzienbarende en vernieuwende werk. Met de scandaleuze publicatie Les Fleurs du Mal (1857) luidde hij een nieuwe fase in van de poëzie.

    De genese van de bundel Les Fleurs du Mal is een geschiedenis op zich. Enkele gedichten uit de eerste versie werden als onzedelijk verboden – een verbod dat in het libertijnse Frankrijk pas in 1949 werd opgeheven. Zijn hele korte leven lang werkte Baudelaire aan de bundel die zozeer met zijn dichterschap samenviel. De definitieve versie van Les Fleurs du Mal omvatte uiteindelijk 151 gedichten. Zonder specifieke aanleiding (?) verschijnt bij Athenaeum-Polak & Van Gennep een eenvoudig uitgevoerd boekje met daarin vijftig gedichten uit Les Fleurs du Mal van Baudelaire in het Frans, met daarbij de vertalingen van de hand van Paul Claes, onder de titel Zwarte Venus. Een verwijzing naar de ‘mulattin’ Jeanne Duval, met wie Baudelaire ca. 20 jaar een weinig stabiele relatie onderhield. Paul Claes is dichter en schrijver, maar vooral bekend en gelauwerd om zijn vertaalwerk uit het Frans, Engels, Duits en Latijn, van berucht ‘moeilijke’ auteurs als Rimbaud en Joyce. Ook vertaalde hij werk van Nederlandstalige dichters in het Engels van bijvoorbeeld J.A. dèr Mouw en Guido Gezelle. Claes is een toegewijd en nauwkeurig lezer, die van zijn leesavonturen op gedegen wijze verslag doet, zoals ook nu in Zwarte Venus van Baudelaire.

    Zwarte Venus bevat een korte inleiding, een beknopt chronologisch overzicht van de belangrijkste feiten uit Baudelaires leven en een literatuuropgave, inclusief een overzicht van eerder verschenen Nederlandse vertalingen. Bovendien levert Claes per gedicht gedetailleerd commentaar, waarin hij ingaat op de geschiedenis en achtergronden van de gedichten. Het is, om kort te gaan, een uitstekend uitgangspunt voor een (hernieuwde) kennismaking met het werk van de gedoemde dichter Baudelaire. Voorbehoud daarbij is het feit, dat poëzie vertalen de moeilijkste aller kunsten is, zoals J.C. Bloem heeft gezegd. De vertaler blijft dicht bij het origineel en kan dan evidente gewrongenheid niet vermijden. Of de dichter vertaalt ‘vrij’, en maakt – geïnspireerd door het werk van een ander – eigenlijk nieuw werk. Van dit laatste zijn tal van vertalingen van Jean Pierre Rawie een goed voorbeeld.

    Nu dan naar de Zwarte Venus van Claes / Baudelaire. Uit de vertalingen en commentaar spreekt de grote deskundigheid van Paul Claes, evenals zijn zorgvuldigheid en toewijding. En de vertalingen zijn zonder meer knap – maar ‘tot leven’ komen de gedichten in het Nederlands niet. Als voorbeeld dient het gedicht ‘Spleen’, echt een Baudelaire-woord, een moeilijk vertaalbaar begrip dat Wikipedia niet onaardig omschrijft als zich ‘lekker droevig’ voelen, en waarvan de Duitse variant ‘Weltschmerz’ duidelijker is (en dus bekender werd).

    Spleen

    Wanneer de lage lucht haar deksel zwaar laat wegen
    Op onze geest die zucht in zijn neerslachtigheid,
    En op de omtrek van de horizon gezegen
    Een donker daglicht droever dan de nacht verspreidt,

    Wanneer de aarde kil verandert in een kerker
    Waarbinnen als een vleermuis onze Hunkering
    Tegen de wanden fladdert met verschrikte vlerken
    En met haar kop botst op de klamme zoldering,

    Wanneer de regen eindeloze vlagen laat beginnen
    En zo tralies nabootst van een weids gevang,
    En als een stille drom van walgelijke spinnen
    Zijn webben weeft binnen onze gedachtegang,

    Ontsteken klokken in een plotselinge toorn
    En richten naar de lucht hun dolle razernij
    Als zwervers die ver van hun land de weg verloren
    En losbarsten in onophoudelijk geschrei.

    – Een lange lijkstoet zonder trommen of trompetten
    Trekt langzaam door mijn ziel; na de genadeslag
    Weent de Hoop, en de wrede Angst, die mij verplette,
    Plant op mijn neergebogen hoofd zijn zwarte vlag.

    Ziedaar een programmatisch gedicht. Het is geen slecht Nederlands en zelfs, meelezend met het – gelukkig ernaast afgedrukte Frans – geen slechte vertaling, hier en daar zelfs mooi maar echt tot leven komt het niet. Juist de poëtische vonk, die als het goed is gedichten elektriseert en betovert, is in de vertaling verloren geraakt. En dat is jammer – maar misschien onvermijdelijk. Niettemin dient dit boekje uitstekend als leidraad tot het lezen van Baudelaires beroemde gedichten in het Frans, wat deze poëzie zeker verdient. De toegewijde dichter Paul Claes is daarbij – om zijn kennis van het Frans en van het werk van de gedoemde dichters – een leidsman zoals men zich geen betere wensen kan.