• Vier genomineerde vertalers Dr. Elly Jaffé-prijs vertellen over hun werk

    Vier genomineerde vertalers Dr. Elly Jaffé-prijs vertellen over hun werk

    Dit jaar wordt er voor het eerst met een shortlist gewerkt voor de uiteindelijke winnaar van de driejaarlijkse Dr. Elly Jaffé Prijs wanneer ook het Elly Jaffé stipendium bekend wordt gemaakt. De shortlist werd op 20 maart j.l. vrijgegeven. Vertalers Anneke Alderlieste, Kiki Coumans, Martin de Haan en Liesbeth van Nes zijn de genomineerden voor de beste literaire vertaling uit het Frans. Al is niet iedereen blij met de shortlist. Anneke Alderlieste (1943) heeft zo haar bedenkingen hierover. ‘De prijs is tot nu toe altijd, hupsakee, aan één winnaar toegekend. Die kon dan bij de uitreiking een prachtig doorwrocht dankwoord uitspreken. Ik heb mevrouw Jaffé nog gekend, volgens mij wilde zij dat zo. Persoonlijk verheug ik me er niet op dat we straks allemaal in spanning zitten af te wachten wie de winnaar wordt.’

    Lees meer op de site van de Auteursbond waar de genomineerden vertellen hoe ze soms jarenlang puzzelen aan vertalingen om ze in alle opzichten recht te doen aan het Franstalige origineel. Met eindeloos geduld zoeken naar Nederlandse zinnen die de juiste beelden, klanken en gevoelens van een boek oproepen. Maar alles met liefde voor de taal en het verhaal.

    De prijsuitreiking vindt plaats op 31 mei 2018 in Vondel CS in Amsterdam. De winnaar ontvangt € 40.000 euro. Ook is er een Stipendium van € 7.000,- te vergeven als aanmoediging voor beginnende vertalers. De drie genomineerden voor het Stipendium 2018 zijn Carlijn Brouwer, Gertrud Maes en Eva Wissenburg. De jury 2018 bestaat uit Philip Freriks, Rudi Wester, Wineke de Boer en Eric Metz.

    De Dr. Elly Jaffé Prijs werd in 2001 ingesteld op initiatief van mevrouw Elly Jaffé (1920-2003). Zij gaf les, maakte vertalingen en was jarenlang literair criticus van Franse literatuur voor het weekblad De Groene Amsterdammer.

    Eerdere prijswinnaars waren Hans van Pinxteren (2001), Marianne Kaas (2003), Rokus Hofstede (2005), Jeanne Holierhoek (2007), Mirjam de Veth (2009), Jan H. Mysjkin (2012) en Hannie Vermeer-Pardoen (2015).

     

     

  • Oogst week 17

     

     

     

    Morgenvroeg in New York

    Bij uitgeverij Cossee is onlangs Morgenvroeg in New York verschenen, het debuut van de Franse Adrien Bosc (1986).

    Morgenvroeg in New York gaat terug naar oktober 1949 als van de Parijse luchthaven Orly een vliegtuig, de Constellation, vertrekt met bestemming New York. Aan boord tal van bijzondere mensen waaronder de geliefde van Edith Piaf, de bokskampioen Marcel Cerdan, de geniale dertigjarige violiste Ginette Neveu, de man achter het wereldwijde succes van de Walt Disney-merchandising, een wereldberoemde mode-illustrator, maar ook een groepje Baskische herders die hun geluk in Amerika gaan beproeven.

    Bosc raakte gefascineerd door wat krantenknipsels en is vervolgens gaan speuren naar de levens van de mensen aan boord en heeft er dit boek over geschreven.

    Morgenvroeg in New York was een groot succes in Frankrijk. Het is bekroond met de Grand Prix du roman de l’Académie française 2014, de Prix littéraire de la Vocation 2014 en de Prix Gironde Nouvelles Écritures 2014. De roman wordt wereldwijd vertaald, onder andere in het Engels, het Italiaans en het Duits. In Nederland is het vertaald door Carlijn Brouwer, een van de vaste recensenten van Literair Nederland.

     

     

    Morgenvroeg in New York
    Auteur: Adrien Bosc
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Het is stil waar het niet waait

    In de boeken van de Belgische schrijfster Elisabeth Marain (1943) zitten vaak autobiografische elementen. Zo ook weer in haar nieuwste roman Het is stil waar het niet waait waarin ze het leven beschrijft van een zeeman en dat van zijn gezin aan wal. Marains eigen vader was zeekapitein en dus soms lang van huis.

    Ook Gustave is veel van huis. Hij en Julia worden in de Eerste Wereldoorlog verliefd en trouwen met elkaar. Hij is veel weg, zij krijgt zijn kinderen en voedt die voor het grootste gedeelte alleen op. Tijdens de Tweede Wereldoorlog voelt Gustave zich gedwongen om voor de Duitsers te werken wat hem na de oorlog blijft achtervolgen.

    Het is stil waar het niet waait
    Auteur: Elisabeth Marain 
    Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag

    Plotseling, liefde

    Ruben Verhasselt is vertaler van Jiddische en Hebreeuwse literatuur. Hij vertaalde boeken van o.a. Meir Shalev, David Grossman, Sayed Kashua, Judith Katzir, Dorit Rabinyan, Etgar Keret, S. Yizhar. Ook vertaalde hij het onlangs bij Ambo|Anthos verschenen boek Plotseling, liefde van de grote Israëlische schrijver Aharon Appelfeld.

    Plotseling, liefde  gaat over de groeiende liefde tussen een oudere schrijver die met zijn dramatische oorlogsverleden worstelt en zijn jonge ongetrouwde hulp. De Israëlische Ernst, in de zeventig, woont alleen. Zijn eerste vrouw en dochter zijn door de nazi’s vermoord, van zijn tweede is hij gescheiden. Hij wordt verzorgd door Irena, dochter van Holocaust-overlevenden. Langzaamaan geven ze zich bloot en ze beseffen dat ze meer voor elkaar betekenen dan ze dachten wanneer Ernst in een depressie belandt.

     

    Plotseling, liefde
    Auteur: Aharon Appelfeld
    Uitgeverij: Ambo | Anthos
  • Mira Feticu over haar nieuwe roman Tascha

    Het klinkt als een scène uit een spannende film: zeven schilderijen gestolen uit de Kunsthal van Rotterdam, de waarde van de werken ligt boven een miljoen euro. Lang zijn ze zoek, tot het spoor naar Roemenië leidt. Daar zou de moeder van één van de vermeende daders de kunstwerken in het vuur geworpen hebben. Maar of de schilderijen daadwerkelijk tot as zijn vergaan, nog ergens begraven liggen of aan iemands muur pronken – het is nog steeds een raadsel.

    Mira Feticu (Breaza, Roemenië, 1973) hoort het nieuws vol verwondering en volgt de ontwikkelingen nauwgezet. Ze is vooral geraakt door de vriendin van hoofdverdachte, Natascha, in de roman afgekort tot ‘Tascha’: door de Kunstroof kwam haar leven in een stroomversnelling. In zekere zin was het haar redding uit de prostitutie, het moment dat haar de ogen opende. Tascha legt een verborgen en pijnlijke wereld bloot. Maar voor Feticu is het duidelijk: dit verhaal moest verteld worden.

    Feticu debuteerde in 1993 als dichter, maar legde zich daarna toe op het schrijven van proza. In Roemenië werkte ze als programmamaker bij de nationale radio en verrichtte literair onderzoek aan de Roemeense Academie van Wetenschappen. Na haar verhuizing naar Nederland, tien jaar geleden, verscheen in 2012 een eerste Nederlandse verhalenbundel, Lief kind van mij, en in 2013 de roman De ziekte van Kortjakje.

    ‘De werkbeurs die ik voor Tascha gekregen heb, heeft mijn leven veranderd. Ik, een Roemeense, heb erkenning gekregen. Het Letterenfonds ziet mij, ik ben niet zomaar een stem die niemand hoort. De beurs heeft me iets van mijn identiteit teruggegeven. Niet alleen ik wil Nederland, maar Nederland wil mij ook!’

    En dat is een beloning waar Feticu hard voor heeft moeten werken. Want het was zwaar om een nieuwe taal te leren maar vooral om haar eigen taal achter zich te laten.

    ‘Het was zelfmoord,’ legt ze uit, ‘maar tegelijkertijd was er geen andere mogelijkheid. Ik kon niet met één been in mijn verleden blijven staan, ik moest schrijven in de taal waarin ik voortaan ook communiceerde. De Roemeense filosoof Emil Cioran, die ook veel in het Frans schreef, drukte het heel treffend uit: “ik liet een gebed achter, en kreeg er een contract voor terug.” Zo is dat voor mij ook precies. Ik heb met mezelf een contract dat ik in het Nederlands schrijf. Ik ben een andere Mira geworden, ik ben anders naar dingen gaan kijken. Ik begrijp ook niet alles in meer in Roemenië.’

    Dat gevoel van versplintering lijken meerdere schrijvers, die in een andere taal zijn gaan schrijven, te ervaren. Al snel komt het gesprek op Herta Müller, die tussen het Roemeens en het Duits laveert. In Roemenië interviewde Feticu haar voor de radio toen vrijwel niemand nog interesse in haar had.

    ‘Ik bewonder Herta Müller niet alleen om haar schrijverschap, maar om haar hele persoon. Zij is een van de weinigen die tegen het systeem, tegen de Securitate [de Roemeense geheime staatsveiligheidspolitie t.t.v. het communistisch regime], durfde te vechten. Zij heeft me geïnspireerd, zij heeft benadrukt hoe belangrijk karakter is. Zij durfde de waarheid te spreken op een moment dat vrijwel niemand dat deed. Ik heb een zwak voor mensen die naar zichzelf durven te luisteren, en anders durven te zijn.’

    In Tascha gaat het ook over iemand die zich aan de rand van de maatschappij bevindt. Op de vraag of ze een idee heeft waar die voorkeur voor zulke ‘outcasts’ vandaan komt, hoeft Feticu niet lang na te denken.

    ‘Ik houd niet van clichés. Je moet altijd naar je eigen stem luisteren. Ook ik heb me afgevraagd waar die obsessie met de waarheid vandaan komt, want ik doe er anderen pijn mee. Maar het heeft er mee te maken dat ik ben opgegroeid in een internaat, en daar verschrikkelijke dingen heb meegemaakt. Misbruik. De waarheid spreken, voor jezelf opkomen, was de eerste stap naar genezing. Je komt nergens als je alles onder het tapijt schuift. De geschiedenis heeft mij geleerd dat waarheid het allerbelangrijkste is. Daarom speelt het ook zo’n belangrijke rol in dit boek; Tascha moet voor zichzelf de waarheid boven tafel krijgen om haar leven op de rit te krijgen. Zoals Ortega y Gasset over Don Quichote zei: “de schellen moesten hem nog van de ogen vallen”. Zo is het met Tascha ook.’

    Wanneer Tascha met haar vriend Radu naar Nederland komt, is ze behoorlijk naïef. Ze gelooft Radu wanneer hij zegt dat ze zullen leven als koningen, dat zij – met haar mooie lichaam – gemakkelijk snel geld kan verdienen.

    ‘Of ik Tascha sympathiek vind? Dat weet ik niet. Maar ik heb een zwak voor slachtoffers, ik vind het belangrijk om in hun naam te spreken. Ik weet niet eens of Tascha doorhad dat ze een slachtoffer was, ze was zo arrogant en zo dom om te zeggen dat ‘de school van het leven’ haar leerschool was. Naar mijn gevoel heeft zij de roof nodig gehad om tot inzicht te komen. Ze was een meisje dat het leven niet begreep en dacht dat schoonheid de sleutel tot geluk was. Ik voelde me verplicht in haar naam te spreken. Om mij heen, op Facebook, zie ik nichtjes en andere vrouwen uit Roemenië die constant met hun uiterlijk bezig zijn. Ze zijn afhankelijk van anderen voor hun geluk. Dat vind ik zo jammer!’

    Op de vraag of ze denkt dat ze zelf ook in dezelfde valkuil had kunnen vallen, is Feticu stellig.

    ‘Eerlijk gezegd, nee. Ik weet dat de grens tussen iets van je leven maken en afhankelijk blijven in Roemenië erg dun is. Maar ik ben iemand die heeft geleerd om te overleven en te vechten. Gelukkig was mijn vader erop gebrand dat ik ging studeren, dat zorgde ervoor dat ik niet in allerlei rare situaties belandde. Ik ben trouw gebleven aan wie ik ben. Maar daarnaast heb ik ook kansen gekregen, heb ik geboft met de mensen op mijn pad. Ik kreeg de kans voor de radio te gaan werken. Ik bofte met mijn docent aan de universiteit van Boekarest, die bij me langskwam toen ik ziek was en mijn verwarming voor het hele jaar heeft betaald. En hier in Nederland net zo, de bibliotheek in Den Haag redde mij. Mijn Nederlands was nog niet zo goed, maar zij namen me aan. Ik was weer thuis, tussen de boeken. De literatuur gaf mij een nieuwe kans. Literatuur is troost, is redding, fantastisch, het is hoop, de toekomst, bijna een religie.’

    Literatuur is de grote constante in het leven van Feticu, schrijvers staan op een voetstuk. Hoe kijkt zij aan tegen haar eigen schrijverschap en de verantwoordelijkheid die het met zich meebrengt?

    ‘Ik ben vooral heel dankbaar dat ik mensen kan helpen door mijn verhaal te vertellen. Dat ze er troost uit putten. Ik geloof in mijn woorden, ik geloof dat ze een doel hebben. Mijn verhaal zoekt het woord in jou.’ Ze denkt even na, en zegt dan: ‘Ik kon Tascha’s verhaal niet onbesproken laten. Dan zou ik over alles moeten zwijgen: over Ceauşescu, over de honger, misbruik, alles! In Roemenië heerst eigenlijk zo’n zelfde drang om overal open over te spreken. Het verhaal van de Kunstroof werd in de Roemeense kranten breed uitgemeten. Compleet met namen en toenamen. De daders werden scherp veroordeeld, hun daad werd bestempeld als gebrek aan beschaving. In Nederland hield men zich meer op de vlakte, werd er minder een oordeel uitgesproken. Maar misschien zijn ze in Roemenië ook gewoon doorgeslagen in vrijheid na de Revolutie.’

    Dat het niet allemaal beter werd voor de generatie van na de Revolutie, in 1989, blijkt wel uit Tascha. Geen gouden bergen, maar een leven vol strijd. Is Tascha inderdaad een product van een tijdperk?

    ‘Dat heeft nog niemand aan me gevraagd, maar ik denk het wel. In het boek zegt de vader van Tascha tegen haar dat alles goed zou komen, omdat ze na de Revolutie geboren is. Want na de Revolutie heb je opeens vrijheid, je kunt vrij praten, hebt mogelijkheden. Maar zo was het niet, want revolutie is niet alleen vrijheid, maar ook chaos. Uit zo’n hausse komt Tascha voort – geen waarden meer, geen normen. Haar dorp was verlaten, de helft van de huizen stond leeg. Iedereen kwam er alleen maar om weer weg te gaan. Tascha komt niet uit een normaal gezin, ze is een erfgenaam van het communisme. En dat weegt in een mensenleven.’

    Dat het in het derde boek van Feticu over veel meer dan de Kunstroof gaat, moge duidelijk zijn. Toch wordt daar in de presentatie van het boek juist flink de nadruk op gelegd, in plaats van op mensenhandel, prostitutie. Is die ondertitel (‘De roof uit de Kunsthal’) een marketingstrategie?

    ‘Nee hoor. Ik heb mijn boek nu eenmaal geschreven met een staart in de werkelijkheid, waarom zou ik die ongenoemd laten? Die roof brengt het leven van Tascha aan het licht. Maar het is wel waar dat die ondertitel ervoor zorgde dat mijn boek veel aandacht kreeg, iedereen herinnert het zich nog. Ik heb er wel kritiek op gekregen – het boek zou te weinig over de Kunstroof gaan. Dan denk ik: misschien heb je de essentie niet begrepen.’

    Wat raadt Mira Feticu – behalve haar eigen boek natuurlijk – voor deze zomer aan?

    ‘Allereerst een paar klassiekers, die altijd met me meegaan: Marguerite Yourcenar, Jorge Luis Borges, Witold Gombrowicz. Van die laatste moet je vooral zijn dagboek lezen, prachtig! Ook heb ik Teju Cole ontdekt: een Amerikaan met Nigeriaanse ouders, die het helemaal gaat maken. En wat betreft Nederlandse literatuur? Ik lees heel veel vrouwen, Rascha Peper, Connie Palmen, Marja Pruis – de manier waarop zij biografieën schrijft! Daar kan ik nog veel van leren. De Nederlandse literatuur vind ik zo stoer, alleen al het feit dat de eerste briefroman werd geschreven door twee vrouwen in 1782, door Betje Wolff en Aagje Deken. Mooi dat ik daar nu ook deel van uitmaak.’

     

    Tascha. De roof uit de Kunsthal.
    Mira Feticu
    Uitgeverij Jurgen Maas
    pagina’s: 192
    Prijs: € 17,95

  • Een leven lang verstoppertje spelen

    Een leven lang verstoppertje spelen

    Cuba, 2004. Tin van Heel ligt in een soort middeleeuws martelwerktuig en bereidt zich voor op de dood. Een gebroken ruggengraat maakt dat hij geen kant op kan en er rest hem weinig meer dan zijn leven te overdenken. Hoe heeft hij hier terecht kunnen komen, in dit armeluisziekenhuis in de verzengende hitte, zonder familie die hem komt opzoeken? Automatisch gaan zijn gedachten terug naar de gebeurtenis die zijn leven in grote mate bepaald heeft: het oversteken van de rivier naar bevrijd gebied, in 1944.

    Zijn vader had hem goed voorbereid op de zwemtocht en hem verzekerd dat alles volgens plan zou verlopen. Maar waar bleef hij toch? Een dag en een nacht blijft Tin aan de oever wachten, tot hij zich neerlegt bij het feit dat zijn vader simpelweg ergens moest zijn waar hij níet was. Tegelijkertijd is hij bang dat zijn moeder daar geen genoegen mee neemt en hem het verlies van zijn vader altijd kwalijk zal blijven nemen. Was het zijn schuld? En was het aan hem te wijten dat het met die reis naar donker Afrika, dat hij in 1974 met zijn vrouw Vic bezocht, zo verschrikkelijk mis was gegaan? Hij was liever thuisgebleven, maar liet zich meeslepen door het naïeve idealisme van Vic. Het was Vic die zo nodig het Foster Parents-kind moest bezoeken, wiens leven – als ze de brieven geloven mochten – een heel andere wending had genomen dankzij de donaties van haar school. Tin liet zich overtuigen door de Fransman Jean-Luc, die hen als moderne koloniaal wel veilig door de binnenlanden zou voeren. Was hij maar standvastiger geweest, had hij zich maar meer verzet tegen de onrealistische ideeën van de mensen om hem heen. Hij had zelf moeten blijven nadenken.

    Maar was hij het wel waard om aan zichzelf te denken? Mocht zijn leven wel in het teken staan van iets anders dan ‘rechtzetten’? In De onderwaterzwemmer focust Thomése volledig op de belevingswereld van Tin. We lezen mee met de angst en het ongeloof van een jonge jongen in 1944, de ingehouden woede en onmacht van een verbitterde man in 1974 en tot slot met de twijfels van een grijsaard in 2004: waarom duurt zijn leven maar voort?

    ‘Daarom begrijpt hij zijn toestand niet. Hij was toch al dood? Twee keer zelfs. Hem kon niets meer gebeuren, had hij gedacht. Hij had zijn obolen voor de overtocht al lang en breed betaald. (…) Waarom ligt hij hier dan nodeloos te lijden?’ 

    Leven, maar eigenlijk alleen bestaan. Die wisselwerking tussen verschijnen en verdwijnen, zijn en niet (meer) zijn – dat is een van de belangrijkste bouwstenen van deze roman. En wellicht zelfs van zijn hele oeuvre: thematisch gezien komt Schaduwkind (2003), over het verlies van zijn dochter, hier nog het dichtste bij in de buurt. Maar ondanks de sombere thematiek (de alles overkoepelende schuldvraag) heeft Thomése in De onderwaterzwemmer een lichte en humoristische toon te pakken. Met name in het tweede deel maken we kennis met een nogal onsympathieke figuur, die ontevreden is en het nodig vindt werkelijk overal tegenaan te schoppen. Om een indruk te geven:

    ‘Het begint er al mee dat hun bagage niet is aangekomen.’

    ‘Dan hadden ze nu in hun gewone kleren kunnen zitten in plaats van in deze ridicule woestijnroverskostumering.’

    Hoe ernstig hij ook probeert niet racistisch te zijn en de inwoners met respect te behandelen, het blijkt sterker dan hemzelf. Afrika (‘die negers’) en hij (‘een witmens’) – die laten zich niet combineren.

    Je begint je steeds meer af te vragen waarom je ook alweer meeleeft met zo’n politiek incorrecte bangerik, maar dan is daar het antwoord: dat lyrische taalgebruik, de onwaarschijnlijke plotwendingen die de vaart erin houden en toch ook wel het medelijden met die jongen die zijn vader nooit meer terugvond – dáárom wil je verder lezen. En omdat je ook wel begrijpt dat het niet makkelijk moet zijn je in een stoffig, heet land verstaanbaar te maken in een taal die je slecht beheerst. Heel bewust laat Thomése sommige Franse zinnen onvertaald, daarmee de lezer die het Frans niet machtig is in net zo’n ontreddering achterlatend als Tin.

    Soms lijken het eindeloos trage gepeins van Tin en de absurde verhaallijn bijna onverenigbaar: je hebt het gevoel dat er iets niet in de haak is. Maar of je nu wil of niet, je herkent er een deel van jezelf in Tin. Dat weifelende, dat schuldgevoel, dat bittere stemmetje: misschien zijn het niet de beste karaktereigenschappen, maar het maakt je menselijk. En wanneer zo’n echt personage zich bevindt in een landschap van prachtige neologismen, poëtische zinsneden en doordachte motieven – dan vergeef je hem veel. Het schijnbaar gemankeerde leven van Tin blijkt toch zin gehad te hebben. Hij is gezien, hij is niet onopgemerkt gebleven – hoe onzichtbaar hij zich soms ook voelde.

    En langzamerhand neemt de onderwaterzwemmer een andere gedaante aan: waar die eerst voornamelijk een schuldgevoel leek te zijn dat in alle wateren huist, verandert hij naar het einde toe in een verlossing die, tegen de verwachtingen in, toch nog komt. Wat begon met water, een dramatische wending nam door een gebrek aan water, eindigt ook weer in een vliegtuig boven het water. De onderwaterzwemmer is te mooi om ongelezen te blijven en onderstreept wat een verrassende schrijver P.F. Thomése is.

     

     

  • Als eilanden elkaar tegenkomen

    Als eilanden elkaar tegenkomen

    Na de nodige omzwervingen komt de jonge Leo Heger eind jaren 60 terecht in een gastgezin in een Zwitsers dorp. Waar hij precies vandaan komt, is onduidelijk. We weten enkel dat het communisme, ergens in Oost-Europa, hem niets te bieden had en dat hij instinctief heeft gedaan wat zovelen voor hem deden: je land en familie de rug toekeren en niet meer achterom kijken.

    Maar dat blijkt moeilijk wanneer je terechtkomt in een land dat je vreemd is, waarvan je de taal niet spreekt en waarin je puur als observator leeft. Leo beseft dat de enige manier om aan zijn isolement te ontsnappen het nemen van taallessen is. En dus klopt hij aan bij Martha Dubach, een onopvallende vrouw van in de dertig, die het leven passief aan zich voorbij ziet gaan. Zij zal hem de finesses van de Duitse taal bijbrengen. Hoewel ze het in eerste instantie niet beseffen, is dit voor beiden het begin van een nieuw leven – maar hoe lang dat zal duren en waar het hen brengen zal?

    Van meet af aan wordt duidelijk hoezeer Leo en Martha elkaar nodig hebben: ze zoeken verlossing van hun eenzaamheid en vinden dat in de privélessen. Voor beiden is het een mogelijkheid om te ontsnappen: Leo moet een manier vinden om zijn verleden achter zich te laten, en dankzij de lessen is Martha voor het eerst in staat kritisch naar haar eigen leven te kijken. Taal staat in de roman van Sulzer voor iets veel groters: identiteit. Met een nieuwe taal, of een hernieuwde kritische blik op je eigen taal, opent zich een nieuwe wereld.

    Om Martha’s taal te leren had hij zijn eigen taal de rug toegekeerd, zich aan de nieuwe overgeleverd en overgegeven aan de onbetwistbare autoriteit en niet gemerkt hoe hij daardoor steeds verder van zijn oude taal vervreemdde terwijl de nieuwe bezit van hem nam, samen met zijn lerares (…).’ (pagina 192)

    Taal, of beter gezegd: communicatie, de afwisseling tussen spreken en zwijgen, tussen opbiechten en verborgen houden, is waar Privélessen op gebouwd is. In alle relaties die in het boek beschreven worden is het de afweging spreken of zwijgen die essentieel is. Andreas, de zoon van Martha, komt erachter dat zijn vader, Walter, het niet zo nauw neemt met de huwelijkse trouw. Bovendien vraagt hij zich af of er iets speelt tussen zijn moeder en haar student. Maar wat moet hij doen met deze informatie? Hij kiest de middenweg: hij spreekt er wel over, maar alleen met zijn grootvader, die in een kliniek zit en al tijden met niemand een woord gewisseld heeft. Hoewel er wel degelijk wordt gesproken in deze roman, lijkt het erop dat de personages nergens echt tot elkaar doordringen. Ze leven eerder naast elkaar dan met elkaar. En wanneer ze erin slagen uit hun eenzame cocon te stappen, is dat slechts van korte duur. Uiteindelijk leiden alle personages een bestaan waarin onopvallendheid als noodzakelijkheid wordt gezien. Verenigd in onbeduidendheid:

    ‘Dus deed hij niet meer dan het hoogstnoodzakelijke om niet door de mand, maar ook niet op te vallen.’ (pagina 44, over Andreas)

    ‘Ze kon alleen met zichzelf praten. (…) Niemand leek het op te merken, des te beter.’ (pagina 158-9, over Martha)

    ‘Leo’s aanwezigheid stoorde hen niet, ze gedroegen zich alsof hij lucht was of alsof ze een zwijgende getuige nodig hadden, als de vierde wand in het theater.’ (p. 137)

    Sulzer schetst in Privélessen een wat melancholisch beeld van menselijke relaties: in feite is iedereen alleen en zijn we allemaal eilanden, hoe graag we ook willen geloven dat we deel uitmaken van een groter geheel. We zien dat het communisme, zoals Leo dat gekend heeft, niet de sociale cohesie biedt die ze beoogt. Want om tot het gevoel van eenheid te komen zijn er strenge maatregelen ingevoerd: brieven worden geopend, burgers worden regelmatig aan de tand gevoeld en durven daardoor zich aan niemand meer bloot te geven. Leo voelde zich volledig ontheemd in zijn eigen land, maar vindt ook geen rust in het gedroomde westen. Want ook daar, onder het kapitalisme, ligt het geluk niet voor het oprapen. Ook daar zijn mensen teleurgesteld en hopen ze op een beter leven. Sulzer lijkt te willen bepleiten dat geluk niet vanzelfsprekend is, en dat er vaak een houdbaarheidsdatum aan zit. Hoeveel invloed heb je daadwerkelijk op je eigen geluk?

    De contemplatieve stijl van Sulzer past goed bij deze ietwat melancholieke gedachtegang: Privélessen is geen uitbundig verhaal, wil geen revolutie teweegbrengen. Van meerdere kanten wordt de kortstondige verhouding tussen Leo en Martha belicht, alsof deze hevige verandering in hun beide levens overdacht moet worden. Wat betekent een tijdelijke ontheffing van de dagelijkse sleur? Af en toe draaft Sulzer wat door in zijn beschrijvingen van Martha, hoezeer ze lijdt onder haar liefde voor Leo en hoe zwaar het haar valt het heft in eigen hand te moeten nemen. Het lijkt er wel erg dik op te liggen allemaal:

    ‘Ze was een gevangene van haar onverdraaglijke gevoelens, en zoals ieder mens die in een gevangenis zit, zou ook zij erin blijven tot er iemand kwam die haar bevrijdde.’ (pagina 163)

    ‘Niet omdat ze huilde had ze zich opgelucht gevoeld, maar omdat de drie borden waren gebroken met veel lawaai, en bijna zonder haar toedoen. Alsof haar iets zwaars van het hart was gevallen.’ (pagina 171)

    Tegelijkertijd is er iets te zeggen voor deze wat clichématige woordkeus: wellicht reflecteert die het uitgebluste karakter van Martha.

    Al met al is deze roman van Sulzer, die werd bekroond met de Herman Hesse-prijs, een integer verhaal over ons allemaal. Over hoezeer we soms verlangen naar een ontsnapping aan ons eigen leven, maar hoe moeilijk het blijkt daadwerkelijk alles achter je te laten.  Een mooi verhaal dat laat zien hoezeer iedereen op zoek is naar erkenning, begrip en geluk – en hoe je dat soms op de meest onverwachte momenten tegenkomt.


    Privélessen

    Auteur: Alain Claude Sulzer
    Verschenen bij: Uitgeverij Ambo|Anthos
    Vertaald door: Annemarie Vlaming
    Aantal pagina’s: 221
    Prijs: €19,99

  • En toen was het oorlog

    Zo fiets je op je vrije zaterdagmiddag nog door de ruisende velden van de Vendée, en zo sta je tot je enkels in de modder van de loopgraven met een ransel die niet te tillen is. Vóór je bevindt zich de vijand, achter je sluiten de rijen zich met gendarmes die geen desertie dulden en naast je kruipen de ratten. Dit is het verhaal van Anthime, een eenvoudige boekhouder in een schoenenfabriek, die in dienst moet en van de ene op de andere dag terecht komt in een wereld waarin de enige zekerheid de onzekerheid van je bestaan is. Met 14, zijn nieuwste novelle, laat Jean Echenoz zien hoe zoiets groots als een oorlog in feite al snel heel alledaags wordt. Dit is de Eerste Wereldoorlog door de ogen van de gewone Fransman.

    Alleen al de manier waarop de oorlog voor Anthime en zijn vrienden begint lijkt terloops. Iedereen hield wel min of meer rekening met zoiets als de mobilisatie, maar ‘dat het op een zaterdag zou gebeuren’ had Anthime nooit verwacht. Overbluft door de gebeurtenissen laten Anthime, drie van zijn vrienden die hij kent uit het café en de arrogante onderdirecteur van de schoenenfabriek, Charles, zich meesleuren door wat er van ze wordt verwacht. Tijd voor veel heftige gevoelens is er bij hun vertrek niet, al vraagt Anthime zich wel af of hij Blanche ooit terug zal zien. Hoewel zij een relatie heeft met Charles lijkt ze toch een bijzondere belangstelling voor Anthime aan de dag te leggen, maar de oproep zet alles in de wacht. Leven in oorlogsjaren draait om wachten, zo komt heel sterk naar voren in 14: niet alleen voor de soldaten, die soms dagen aaneengesloten marcheren zonder precies te weten waarheen, maar evenzeer voor hen die achterblijven. Ze wachten op hun mannen, hun zonen, broers en neven, die soms terugkeren als onherkenbaar verminkte schimmen, maar nog veel vaker helemaal niet terugkomen. De willekeur regeert, net als de onmacht.

    En het is precies deze afwachtende en schouderophalende houding van de personages, die 14 tot zo’n treffende novelle maakt. Echenoz schept mensen van vlees en bloed: wat zou iemand als jij of ik doen als de oorlog komt? Dat Echenoz bedreven is in het tekenen van prachtige portretten heeft hij ook eerder laten zien in zijn ‘biofictionele’ trilogie, waarin hij componist Maurice Ravel (Ravel), wetenschapper Nikola Tesla (Flitsen) en hardloper Emil Zatopek (Hardlopen) onder de loep neemt. Maar waar het in die trilogie ging om bekende figuren, is het hier juist het portret van de nobody die bewondering oproept. We weten eigenlijk vrij weinig van de hoofdpersonages – ze zijn zo onbeduidend, zo normáál, dat er simpelweg weinig meer te vertellen valt – en toch is dat afdoende.

    Bovendien staat tegenover deze summiere informatie over de hoofdpersonages een uiterst gedetailleerde manier van vertellen. Met een voelbaar genoegen doet Echenoz de stinkende, lawaaiige en oogverblindende oorlog uit de doeken. Exemplarisch is de beschrijving die hij geeft van de bepakking van een soldaat, waar hij zo’n drie pagina’s voor uittrekt:

    Daarna aten ze, sliepen ze, vertrokken weer onder klaroengeschal na zich te hebben uitgerust met geweer, weitas en veldfles dwars over de borst, patroontas aan de koppelriem en allereerst de ransel weer op de rug, model 1893 bijgenaamd ‘ruitenaas’, waarvan de infrastructuur een houten raamwerk met een omhulsel van dik linnen was, van wagongroen tot mahoniebruin. (…) De ransel woog aanvankelijk, leeg, maar zeshonderd gram. (…) Het geheel van dat bouwwerk kwam dan minstens rond de vijfendertig kilo te liggen, bij droog weer. Voordat het dus begon te regenen.’

    In deze laatste zin schuilen de ironie en droge humor die zo typisch zijn voor Echenoz. Hij laat zich niet meeslepen door het drama van de oorlog, maar observeert en relativeert. Natúúrlijk is de oorlog een traumatische ervaring, maar weet je wat ook vervelend is? Dat dat nieuwe helmkapje zo oncomfortabel zit en steeds afglijdt, en zelfs zoveel hoofdpijn veroorzaakt dat de soldaten het maar ‘beginnen te gebruiken voor culinaire doeleinden, om een ei te bakken of als extra soepbord.’

    Ook wanneer Anthime gewond raakt door een granaatscherf (voor een zeer beeldende beschrijving van een afgerukte rechterarm bladert u naar pagina 80) vervalt de schrijver niet in emotionele bewoordingen:

    ‘Vijf uur later werd Anthime in het veldhospitaal door iedereen gefeliciteerd. Ze lieten allemaal blijken hoe jaloers ze waren op die goeie kwetsuur, een van de beste die je je kon voorstellen – die weliswaar ernstig was en je blijvend invalide maakte, maar in wezen niet ernstiger dan allerlei andere, en waar iedereen naar hunkerde omdat het er zo een was die je voorgoed bij het front vandaan kon houden.’

    Anthime is nauwelijks opgelucht dat hij de ‘stinkende opera’ van de loopgraven kan verlaten en lijkt er vrijwel niet bij stil te staan dat een verloren arm hem het leven redt. In plaats van blij te zijn met de mogelijkheden die zijn verwonding hem biedt – zoals een leven met Blanche, nu Charles niet meer in beeld is – wordt Anthime volledig in beslag genomen door zijn verloren rechterarm en de fantoompijn. Hoe moet dat nu met veters strikken?

    En zo blijkt dat de oorlog geen helden creëert, geen grootse verhalen oplevert en niet gaat over nationale trots. De oorlog is niets dan willekeurigheid, is terug te brengen tot een persoonlijk verlies. Een geamputeerde natie? Een geamputeerde arm, een geamputeerd gezinsleven, dáár gaat het over. En over hoezeer het leven je soms overkomt.

    Hoewel er het afgelopen jaar een ware hoos aan Eerste Wereldoorlogliteratuur verschenen is en Echenoz geenszins pretendeert iets toe te voegen aan de gigantische stapels over het onderwerp, is 14 een novelle die niet ongelezen mag blijven. Het doet pijn, deze oorlog vol dood, verderf en stank, maar wordt op zo’n beheerste en ironische manier beschreven, dat je ervan geniet. Schurend, hilarisch en geenszins alledaags. En – dat moet gezegd – een prachtige vertaling van Martin de Haan.


  • ‘De toekomst is afgeschaft’

    Wat doe je als de statistieken je niet meer dan een paar maanden, hooguit een paar jaar geven? Dan probeer je aan de artsen je houdbaarheidsdatum te ontlokken en alle overbodigheden uit je nog korte leven te bannen. In het geval van Wolfgang Herrndorf, bij wie in 2010 een hersentumor wordt ontdekt, komt dat neer op maar één ding: schrijven, schrijven en nog eens schrijven. Met rust, orde en regelmaat als nieuw devies schrijft Herrndorf in korte tijd de succesroman Tsjik, Sand en (het onvoltooid gebleven) Bilder deiner großen Liebe.

    Daarnaast werkte de auteur vrijwel dagelijks zijn weblog bij, waarvan Leven met het pistool op tafel de gepolijste versie is. Herrndorf riep zijn blog in het leven om zijn vrienden op de hoogte te houden van zijn dagelijkse leven, van de bezoeken aan het ziekenhuis en zijn gemoedstoestand. Om te voorkomen dat hij steeds hetzelfde zou moeten vertellen en daarmee kostbare tijd zou verliezen:

    ‘Alle paniek is altijd alleen te wijten aan de gedachte aan verloren werktijd.’

    Arbeit und struktur ontsteeg zijn puur informatieve status echter algauw en groeide uit tot het meest gelezen online dagboek van Duitsland, zeker na het succes van Tsjik.

    En nu ligt daar dan de Nederlandse vertaling van Pauline de Bok. Leven met het pistool op tafel bestaat uit dagboekfragmenten van verschillende lengte en een langere terugblik in tien delen, waarin Herrndorf probeert uit te leggen wat de ziekte met hem doet. Met in het achterhoofd dat Herrndorf al niet meer leeft – hij beroofde zich op 26 augustus 2013 van het leven door zich met een pistool door het hoofd te schieten – leest dit blog in eerste instantie als een wat morbide voyeurisme. De innerlijke ramptoerist in de lezer wordt aangesproken. Het blijkt moeilijk een waardeoordeel te verbinden aan iets dat zo intiem is, aan iets dat zo veelomvattend is als een hersentumor. Hoe kun je kritiek hebben op een terminaal zieke?

    Die veranderde houding ten aanzien van hemzelf heeft Herrndorf heel goed door: hij doet er dan ook alles aan om het medelijden te omzeilen. Vrienden bij wie hij het medelijden in de stem hoort aan de telefoon bant hij resoluut uit zijn leven. Nergens speelt hij de zielige patiënt, hij probeert zichzelf zoveel mogelijk te objectiveren en als studieobject te zien. Wanneer hij buiten de grafieken begint te vallen – omdat hij het lang ‘volhoudt’ – vindt hij dat duidelijk moeilijk:

    ‘Een prognose is er niet, een algemene statistiek ook niet meer. Na drie operaties, twee bestralingen, drie verschillende chemo’s ben je je eigen statistiek. Drie jaar geleden nog was ik een minuscuul puntje in een puntenwolk, zuivere wiskunde, geen individu, dat beviel me. Nu weet ik het niet meer. Niemand weet het.’

    De geruststellende kaders van het verloop van zijn ziekte vallen weg, hij heeft geen zekerheden meer. En dat is moeilijk voor iemand die er steeds minder heeft: als zelfs de taal ‘kapot begint te gaan’, wordt Herrndorf onrustig. Slechts het pistool op tafel, of zoals hij zelf zegt ‘zijn exitstrategie’, kalmeert hem. Dat is de enige manier waarop hij om kan gaan met een falend oriëntatievermogen, een haperend spraakvermogen en een veranderend karakter. Daarover is Herrndorf bijzonder eerlijk, wat één van de grote verdiensten van dit boek is: hoewel hij zich er soms voor schaamt, vertelt hij precies wat hem overkomt, hoe hij steeds meer afhankelijk wordt van de mensen om hem heen – en zich daardoor steeds meer in een sociaal isolement plaatst. We gaan volledig mee in de verwarring en frustratie van een verkankerd brein. Indrukwekkend is de scène – vergezeld van beeldmateriaal – waarin Herrndorf al zijn dagboeken van de afgelopen twintig jaar in bad gooit. Niet alleen de ziekte, maar ook de schrijver zelf is bezig zichzelf uit te wissen.

    Wat Leven met het pistool op tafel – buiten die verbluffende inkijk in de ziekte – zo lezenswaardig maakt, is de humor waarvan het boek doorspekt is. Herrndorf gaat laconiek om met de tumor en observeert zijn eigen gedrag met verbazing:

    ‘En steeds weer vergeet ik die kwestie met de dood. [Het is] een grap die ik mezelf elke tien minuten kan vertellen en waarvan de pointe altijd weer verrassend is.’

    Of:

    ‘Ik ben niet bang voor de dood, wel panisch voor de belastingaangifte.’

    Deze geweldig relativerende humor redt niet alleen Herrndorf, maar in zekere zin ook het boek. Zonder zouden de ervaringen van een terminaal zieke moeilijk te verteren zijn en bijzonder confronterend worden. Je zou kunnen zeggen dat het de exitstrategie voor de lezer is. En die is nodig in dit blog, dat zoals gezegd eigenlijk puur ter informatie diende en voor Herrndorf een middel was grip te krijgen op de realiteit. Sommige passages over medicijngebruik en behandelmethodes voeren vrij ver en worden opsommerig en remmen ‘het verhaal’.

    Al met al is Leven met het pistool op tafel geen boek dat je binnen een paar dagen uitleest, al lijken de fragmenten daar in eerste instantie wel toe uit te nodigen. Wij kunnen de tijd nemen, hoeven niet zo manisch te werk te gaan als Herrndorf. Hoe cliché het ook moge klinken, er zit een kern van waarheid in het carpe diem. Laten we een voorbeeld nemen aan het leven van Herrndorf, dat na de diagnose steeds meer de moeite waard werd:

    ‘Een jaar in de hel, maar ook een geweldig jaar. Gemiddeld nauwelijks gelukkiger of ongelukkiger dan voor de diagnose, alleen slaat het naar beide kanten verder uit. Alles bij elkaar misschien zelfs een beetje gelukkiger dan vroeger, omdat ik leef zoals ik altijd had moeten leven. En nooit gedaan heb, behalve misschien als kind.’

     


  • ‘… ertoe veroordeeld een dromer te zijn.’

    Tegenwoordig denderen de jonge talenten de Nederlandse literatuur binnen. Solomonica de Winter is jong – ze werd geboren in 1997 – en laat met haar debuutroman Achter de regenboog zien dat ze hoog durft te grijpen. Maar dénderen? Nee. Veeleer besluipt De Winter je, kruipt onder je huid en zorgt met kleine naaldjes voor onophoudelijke elektrische schokjes. De stilte van haar hoofdpersonage Blue is beklemmend en laat de lezer geen moment ongemoeid.

    Ergens, achter de regenboog, moet er een land zijn waar dromen werkelijkheid worden. En in die dromen, legt Blue uit, is zij Dorothy met de glitterschoenen. Ooit zou het mogelijk moeten zijn uit de realiteit te ontsnappen en in het land van Oz harmonie te vinden. Klinkt dat niet zoet en onschuldig? Maar wie denkt dat Blue een onschuldig vogeltje is, dat uit verlegenheid niet durft te praten – die komt bedrogen uit.

    De dood van haar vader zorgt ervoor dat Blue van een gewone 13-jarige transformeert in een haatdragend en geïsoleerd meisje. De stilte is haar tempel, waarin ze de moord beraamt op maffiabaas James. De tempel waarin ze De tovenaar van Oz – het boek is het laatste cadeau dat ze van haar vader krijgt – bewierookt en haar drugsverslaafde moeder verguist. Haar plan is helder, niets staat haar in de weg. Maar dan is daar Charlie, op wie ze verliefd wordt. Even wordt ze aan het wankelen gebracht, maar dan neemt Blue een rigoureus besluit: Ik besefte dat het beter is om te haten dan om lief te hebben.

    De Winter geeft de verknipte tiener Blue overtuigend gestalte. Achter de regenboog wordt gepresenteerd als het verslag dat ze schrijft aan haar psychiater in de kliniek. Een verteltrant die ze slim heeft afgekeken van de ‘grote literatuur’, zoals Lolita van Nabokov. In heldere en rake zinnen zet de jonge schrijfster een karakter neer waar je ‘u’ tegen zegt. Af en toe komt ze net iets te volwassen uit de hoek (Ik zie in alles de weerspiegeling van de menselijke geest, Het soort man dat zelden krijgt wat hij wil), maar nergens in die mate dat het echt stoort. Het knappe aan Achter de regenboog is dat De Winter nooit sentimenteel wordt, maar de koele en vastberaden stem van Blue consequent vol weet te houden (Ja, ik was behekst door het verhaal. Dag en nacht. En ik vond het een heerlijk gevoel. Ik was een psychopaat, maar wat genoot ik van mijn gekte).

    Hoed je voor degenen in de schaduw, zij zijn het die op een gegeven moment tevoorschijn springen en hun beurt opeisen, lijkt De Winter te willen zeggen. Het moment dat Solomonica uit de schaduw van haar bekende schrijvende ouders stapt, Leon de Winter en Jessica Durlacher, is aangebroken. Achter de regenboog is een verrassend debuut, dat een grote belofte in zich draagt. Laten we hopen dat het volgende citaat van Blue ook van toepassing is op De Winter: ‘Ik had het nodig om te dromen. Ik was ertoe veroordeeld een dromer te zijn.