Pip Utton (1952) is een Britse acteur die bekend is om zijn one-man toneelstukken waarin hij bijzondere, historische figuren vertolkt, waaronder bijvoorbeeld Einstein, Adolf Hitler, Charley Chaplin of Francis Bacon. Deze keer hield hij in een klein zaaltje in de stadsschouwburg een monoloog waarbij hij in de huid kroop van Bob Dylan die zich in zijn kleedkamer voorbereidde op zijn concert en ondertussen een van zijn zeldzame interviews gaf aan journalisten. Het duurde even voor ik vergeten kon dat ik naar een eenakter keek, maar gaandeweg veranderde de acteur werkelijk in Bob Dylan. Met zijn zwarte hoed, zijn spottende blauwe ogen en dat cynische, hinnikende lachje. Ik was weer ‘Forever Young’, een verliefde tiener zoals ik geweest was toen ik Dylan voor de eerste keer had horen zingen, lang geleden.
‘May your hands always be busy, May your feet always be swift, May you have a strong foundation When the winds of changes shift. May your heart always be joyful, May your song always be sung, May you stay forever young, Forever young, forever young, May you stay forever young.*
Op het toneel vertelde Dylan over zijn respect en liefde voor Woody Guthrie, zijn mentor. Over de haat die hij over zich heen kreeg toen hij zijn gitaar inplugde in een versterker, folkzangers werden niet geacht elektrisch te spelen. Hij vertelde over zijn motorongeluk, zijn songs en dat iedereen dacht te weten waar die over gingen, nog beter dan hijzelf. Hij vertelde grijnzend over de Nobelprijs voor literatuur in 2016. Hij had kaarten in zijn hand waarop de vragen van de journalisten stonden geschreven. Toen een daarvan informeerde naar zijn huwelijk, zei hij smalend: ‘Wouldn’t you like to know!’ Waarop een van de dames in het publiek heel hard ‘Yes!’ riep, nog nooit van een retorische vraag gehoord. Hij ging er gelukkig niet op in.
Toen ik na afloop aan een tafeltje in de foyer een kop thee zat te drinken, schoof hij onverwacht bij me aan en begroette me vriendelijk. Nu moest ik iets intelligents zeggen, iets heel briljants, waaruit mijn kennis van en mijn liefde voor het werk van Dylan zou blijken, maar ik kwam niet verder dan verlegen te vertellen dat ik genoten had van de voorstelling. Hij bedankt me ernstig en vroeg of ik degene was die links vooraan had gezeten. Toen ik dat bevestigde, knikte hij en zei: ‘Always nice to see a friendly face in the crowd.’ Ik kreeg een kleur en mijn hart fladderde als een jonge vogel voordat ik me realiseerde dat het niet Dylan was die dat gezegd had, maar Pip Utton. Nou ja, toch leuk om te horen.
Thuis heb ik daarna dagenlang achter elkaar mijn volledige collectie platen van Dylan weer eens afgespeeld en ik heb er zo hard en zo vals bij meegezongen, dat zelfs de katten me smeekten of het alsjeblieft niet eens een keertje iets anders mocht zijn, iets van Arvo Pärt bijvorrbeeld, of nog beter, 4’33’’ van John Cage.
*derde en laatste strofe van ‘Forever young’ van Bob Dylan van het album Planet Waves, 1973.
Poëzierecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.
Een symposium over de sixties – de jaren van seks, drugs en rock-’n-roll, de Beatgeneration, de dreiging van de bom – met popgrootheden als dichter/zangeres Patty Smith, gitarist en pophistoricus Lenny Kaye en Bob Dylan-biograaf Sean Wilentz. Alle drie beleefden zij als jongeren deze vernieuwende jaren, gaven er zelf vorm aan en schreven er later over. Patti Smith in het autobiografische Just Kids en Wilentz onder meer in de biografie van Bob Dylan waarin de sixties uitvoerig aan bod komen. Het Nexus-Instituut organiseerde het symposium ‘An Education in Counterculture’, dat plaatsvond op 26 mei in het DeLaMar Theater te Amsterdam.
Tijdens het symposium, waarbij Nexus oprichter Rob Riemen als gespreksleider optreedt, komt in fragmentarische stukken en aan de hand van beelden en muziek uit de jaren ’60 en ’70, een verhaal naar boven dat een kantelmoment betekende in de culturele geschiedenis van Amerika en Europa. Over wat het was en welke betekenis het nu nog heeft, of we er nog iets van kunnen leren van die Counterculture. Roerige jaren waarin popmuziek zich razendsnel ontwikkelde en voor de jeugd een tegenwicht bood tegen het burgerlijke bestaan van hun ouders. Er kwam een beweging op gang die de wereld zou veranderen.
Ontmoeting in New York
Maar eerst bezocht Rob Riemen eind vorig jaar Patti Smith in New York nadat hij haar geschreven had over haar boeken die hij gelezen had en om haar uit te nodigen aan het symposium deel te nemen. Kort daarop belde ze hem om een afspraak te maken: ‘Meet me in my café. I’ll be there writing.’ Wie het autobiografische M-Train van Smith heeft gelezen, weet van haar koffie- en schrijfrituelen. Hij ging naar New York en trof haar in het café waar ze aan een tafeltje bij het raam zat te schrijven aan een nieuwe poëziebundel. Een bundel die overigens na voltooiing door het Nexus Instituut in een tweetalige editie is uitgegeven en niet in Amerika.
Haar nieuwe werk, zo laat ze tijdens hun ontmoeting in New York weten, is een reactie op het besluit van Trump de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem te laten verhuizen. ‘Van geen [enkel] land mag Jeruzalem de hoofdstad zijn, een politiek symbool. Jeruzalem als “stad van vrede” kan dat alleen zijn als het een stad van alle volkeren is’, is het oordeel van Patti Smith. De bundel The New Jerusalem zal tijdens het symposium gepresenteerd worden.
In de uitverkochte zaal van het DeLaMar Theater in Amsterdam zitten veel bewonderaars van Patti Smith die zelf de jeugd bezaten toen haar punkpoems in de jaren zeventig vanuit Amerika, Europa bereikten. Aan een grote ronde tafel waarover een rood kleed is gedrapeerd, wordt het gesprek gevoerd. Rechts op het toneel is een muziekhoek ingericht met een gitaar, microfoons op standaards en geluidsboxen. Dat stelt de fans vast gerust, dat Patti Smith en Lenny Kaye straks in ieder geval nog zullen optreden.
Behoefte aan een tegengeluid
We vallen gelijk midden in de American Dream. Een filmpje vertoont optimistische beelden van huisvrouwen met gewatergolfde kapsels, lipstick en gebloemde jurken tijdens het huishouden. Steevast twee kinderen, een jongen en een meisje en vader met een gulle lach en een golf in het glanzende haar. De American Dream: gelijke kansen en rechten voor iedereen – waarbij de belofte van een eigen huis, een tv, koelkast, wasmachine, droger, anderhalf of twee kinderen en een auto (of twee) voor iedere Amerikaanse staatsburger in het vooruitzicht wordt gesteld. Het ziet er allemaal rooskleurig en Happy family-achtig uit. Rob Riemen vraagt zich af wat daar op tegen kon zijn in de jaren van wederopbouw.
‘Het begint er al mee’, reageert Sean Wilentz, ‘dat er niet één zwarte burger in deze filmfragementen voorkomt.’ Waardoor Amerika het bestaan van een aanzienlijk grote bevolkingsgroep ontkende. Ook was het de tijd van de koude oorlog. Overal waren schuilkelders en werden er oefeningen gedaan om, als de bom zou vallen, er een veilig onderkomen te vinden. Niet veel later was er de oorlog in Vietnam. De term Counterculture (tegencultuur) ontstond in die jaren voor de maatschappelijke revolte en New York was de stad waar het zich allemaal voltrok. Terwijl jonge gezinnen zich in een zeker bestaan trachten te voorzien, was er onder de jeugd een sterke behoefte aan beweging.
Beatgeneration
De literaire stroming de Beatgeneration, in de jaren vijftig in het leven geroepen door de schrijvers Allen Ginsberg, Jack Kerouac en William S. Burrough, vond zijn hoogtepunt in de jaren zestig. Bob Dylan maakte als protestzanger furore en Allen Ginsbergs Howl, dat begint met de wervelende openingszin: ‘Ik zag de knapste koppen van mijn generatie verwoest door waanzin, hongerend hysterisch en naakt, die zich voortsleepten door negerstraten bij zonsopkomst op zoek naar een woedende spuit’ was een waar cultding voor de jeugd geworden.
Sean Wilentz, wiens vader en oom eigenaar waren van de legendarische Book Shop in 8th street, groeide op tussen de beats. De boekenwinkel was het literaire middelpunt van New York in die jaren. De oprichters van de Beatgeneration waren frequente bezoekers van de Book Shop. ‘Je moet niet vergeten, zegt Wilentz, dat in die tijd een boekwinkel de ontmoetingsplaats was voor gelijk gestemde geesten. Ik groeide ermee op.’ Zo was hij in de gelegenheid om op zijn twaalfde Howl te kunnen lezen.
Waar Patti Smith vandaan kwam was geen boekwinkel of bibliotheek en had ze nog nooit gehoord van Allen Ginsberg of zijn gedicht Howl. Op die leeftijd las zij sprookjes en Peter Pan. Ze vertelt op anekdotische toon waar ze voor het eerst een uitgave van Howl zag. Het was in 1965 in Plains, New York waar Bob Dylan speelde. Ze had wat geld gespaard en nam de trein om zijn concert bij te wonen. Toen Dylan na het akoestisch gedeelte van het concert, zijn elektrische gitaar pakte begon iedereen boe te roepen. Het viel haar op dat iedereen een zwart/witte bundel bij zich droeg, als was het onderdeel van hun outfit. Terwijl ze Dylan uitjouwden, begonnen ze de boekjes naar het podium te gooien. Smith: ‘Ik dacht: wat is dat voor een boek dat iedereen het heeft. En wat een idioten dat ze ermee gooien.’ Pas toen Smith op twintig jarig leeftijd naar New York was verhuisd, kreeg ze de gelegenheid alle ‘goede boeken’ te lezen, zoals ze zelf zegt.
Invloed Bob Dylan
Al die dingen waar jongeren aan dachten, naar verlangden, maar niet gevisualiseerd kregen, leek Dylan in zijn songs en met zijn houding tot uitdrukking te brengen. Hij was een bondgenoot maar ook al zoveel verder dan zijn leeftijdgenoten klonk het rond de tafel. ‘Hij was iemand om je mee te identificeren’, zegt Patti Smith. ’Alles wat hij deed, was precies wat wilden zijn. Als er twintig verschillende zonnebrillen op de markt waren, was hij degene die het juiste model koos en dan wilden we allemaal die zonnebril.’ Wilentz zegt dat hij van Dylan heeft geleerd dat je niet stil moet blijven staan. Waar Kaye aan toevoegt, ‘Dat je een eigen stem moet hebben.’
Deceptie van de jeugd van toen
Na de politieke moorden op Malcolm X in 1965 en Robbert Kennedy in 1968 stortte de wereld voor hen die streden voor gelijkheid en wereldvrede, in. Patti Smith had zich net aangemeld als vrijwilliger om voor het campagneteam van Robert Kennedy te gaan werken. Een dag later werd hij neergeschoten. Het ontroert haar zichtbaar nog steeds als ze daarover spreekt: ‘Zijn dood was een van de treurigste dagen uit mijn leven en het einde van de hoop van de jeugd.’
Voor Sean Wilentz viel zo’n moment van deceptie toen Malcolm X in 1965 werd neergeschoten. Het gebeurde om de hoek van de Book Shop in 8th street. Ze hadden juist die dag de boekhandel verhuisd naar een pand aan de overkant van de straat. Er heerste een feestelijke stemming, toen kwam iemand vertellen dat Malcolm X was vermoord. Wilentz: ‘Een zwarte vriend van mij verliet direct het feest. Toen ik hem later weer zag had hij zijn naam veranderd en meed al zijn witte vrienden. Het ergste vond ik dat alle successen die er tussen zwart en wit waren geboekt, teniet werden gedaan door deze gewelddadige aanslag.’
Regels en principes
De jaren zestig generatie werd vooral verweten dat ze traditionele waarden omver wierp. Maar in de counterculture ging het niet om tradities maar om het afwijzen van een leven dat in regeltjes en principes werd vastgelegd door de overheid.
Patti Smith voegt daaraan toe dat de sleutel naar een betere toekomst daarin ligt dat je een goed mens moet zijn, leven in harmonie. ‘Wat we probeerden was ruimte te creëren voor de generatie na ons. Dat is wat er van ons verwacht mag worden. We moeten onze rivieren zuiveren voor de kinderen van de toekomst. De bijen beschermen, geen plastic meer. We deden het niet voor het geld of de roem, we deden het voor de toekomst.’
Een brug naar het hier en nu
Het is een indrukwekkend symposium, alleen al door de aanwezigheid van getuigen van gebeurtenissen uit een tijd die de aanwezigen in de zaal ooit alleen via het polygoon journaal hebben meegekregen. Later door documentaires en via de literatuur een notie hebben gekregen van hoe het er in Amerika aan toeging.
Toch werd de brug waarvan je verwachtte dat die – van de roerige jaren zestig naar het nu – gelegd zou worden, niet gemaakt. Zoals ook het bruggetje van Amerika naar Europa in de lucht bleef hangen met een enkele uitspraak als dat van Nixon naar Trump één lijn te trekken was. En dat de protesten onlangs van de Parklandscholieren na de schietpartij op hun school, tegen wapenbezit in Amerika, de nazaten van de Beatgeneration hoopvol stemde.
En dan bedenk je opeens dat een getuige van die tijd uit Europa het debat beslist meer verbindende grond had weten te geven. Denk aan voormalig popjournalist Elly de Waard bijvoorbeeld. Zij volgde de Beatgeneration en de Amerikaanse popmuziek op de voet en heeft en daar nog steeds iets over te zeggen, stelde ik mij zo voor.
Poëziebundel
Als tastbaar gegeven is daar wel de bundel The New Jerusalem door Patti Smith. Met thema’s die generaties en culturen met elkaar verbinden. Zeven proza gedichten met een religieus getint karakter en een sterke appellerende toon het leed in de wereld onder ogen te zien en actie te ondernemen. Zoals het eerste sonnet van: ‘Wat voor boodschapper daar vliegt’. Waarin Smith het angstbeeld schetst van een niet kunnen ontkomen aan een wereld van regels en voorwaarden.
‘Meisjes in paarse regenjassen sluipen door de schaduwen; ze hebben zich kundig gecamoufleerd en ontwijken de rode en blauwe stralen van een reusachtig volgsysteem. Spookachtig zijn ze en ze volgen de sporen die mogelijk leiden tot waar ze heimelijk kunnen overleven. Ze blijven onder de radar, zigzaggen door de zich versmeltende stralen en infiltreren in het verboden gebied waar zwaarbewaakte poorten toegang verschaffen tot de buitenste regio’s.’
Het openings (proza)gedicht ‘De strekking van de tijd’ is welhaast een metafoor voor de inhoud van het symposium: over hoe tijd voortsloft, over regelgevers en landontginners en waarin God gebruikt wordt als doel. Waarvan in het derde couplet de indruk gewekt wordt dat de nieuwe tijd hoe dan ook schuldig is:
‘(…) En de nieuwe tijd was hun werktuig: een wakend oog. Een fijnmazig magnetisch web daalde neer over het land; het verlamde de rede en scheidde het volk als kaf van het koren. (…) en het kaf, de vermeend onnutte blolsters? / Dat waren wij, kinderen, dat waren wij. / (…) En met lege handen gingen wij heen, in vier windrichtingen, zonder plan of idee.’
Dat doet dan toch weer denken aan de sixties, waar de jongeren zonder plan of idee hun weg gingen, maar wel kiezend welke richting ze op wilden.
Het symposium sloot af met het door Patti Smith voordragend/zingende en onverbeterlijke We got the power die de hele zaal in beweging brengt. En dan is daar opeens de overtuiging: ‘Ja, wij hebben de macht en de keuze om dingen te veranderen’, die voor heel even als een geloofwaardig gegeven in de lucht blijft hangen.
Foto’s symposium: Jan Reinier van der Vliet. Portretfoto: Gasper Tringale
The New Jerusalem / Patti Smith
Tweetalige editie
Inleiding / Rob Riemen
pag. 76
Nederlandse vertaling: Onno Kosters
Engelse vertaling: Liz Waters Uitgegeven door Nexus Instituut
Deze week twee omvangrijke boeken; een historische roman en een moderne klassieker uit 1981. De nieuwe vertaling van Bob Dylans Tarantula en een mensen/dierenboek over varkens.
De enige roman – hoewel wat is een roman als je deze in het licht van liedteksten beschouwt – die Bob Dylan (1941) schreef, werd deze week opnieuw in het Nederlands uitgebracht. Dylan schreef Tarantula in 1966 en het werd in 1971 gepubliceerd. Wat te verwachten van een roman van Bob Dylan? In ieder geval geen gestroomlijnd verhaal, daarvoor is de tekst te grillig en ongrijpbaar. Het is meer als een liedtekst opgeschreven, gezien de zinsbouw en het ritme van woorden waarmee het ook wel Dylans vreemdste songtekst genoemd wordt.
Dylan toont zich, net als hij ooit deed in het radioprogramma Theme Time Radio Hour, waarvoor hij de muziek overal en nergens vandaan haalde. Ook in Tarantula komen we ze tegen: Aretha Franklin, Woody Guthrie, Leadbelly, de Carter Family en vele, vele anderen.
Het boek is voorzien van een uitgebreid notenapparaat waardoor de dwarsverbanden in deze schat aan muziekstijlen zichtbaar worden gemaakt.
Hoe Robbert Jan Henkes en Erik Bindervoet zich waagden aan een nieuwe vertaling van het schier onvertaalbare boek is te beluisteren op NPO1. Zij vertellen over het boek en de manier waarop zij zich de tekst van Dylan eigen maakten.
Auteur: Bob Dylan
Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar
Varkens
Ken het varken, dan ken je jezelf, zou wel eens een nieuwe leus kunnen worden na het lezen van Varkens van culturele wetenschapper Thomas Macho. Varkens zijn geliefd om hun bewezen intelligentie en gehaat om hun varkensgedrag (snorken en snuiven en altijd die smerige modder vermengd met eigen uitwerpselen). Macho volgde de carrière van het varken vanaf de vroegste domesticatie tot aan zijn positie als vlees- en metaforenleverancier nummer één. Het is een prachtig geïllustreerd pleidooi voor een fraai dier, een portret van oude en nieuwe rassen en vormt het bewijs dat het varken en de mens in complexiteit en tegenstrijdigheid niet voor elkaar onderdoen.
Varkens verschijnt in November.
Auteur: Thomas Macho
Uitgeverij: Van Oorschot
De aarde huilt
Peter Cozzens (1957) is een Amerikaans historicus en schreef meerdere boeken over de burgeroorlog. De strijd van de indianen is het omvangrijke verhaal van de decennialange strijd tussen het Amerikaanse leger en de stammen van de Great Plains en de Rocky Mountains aan het eind van de negentiende eeuw. Na een ontmoeting met president Abraham Lincoln dacht indianenleider Magere Beer dat hij niets te vrezen had van het leger. Lincoln had hem wel gezegd dat ‘zijn kinderen’ soms niet luisterden, maar Magere Beer had dat niet begrepen. Onbevreesd reed hij de troepen tegemoet. Wat dan volgt is geschiedenis. Cozzens schrijft niet alleen over de veldslagen en campagnes, maar ook over de slechte leefomstandigheden van de soldaten aan het front en de waardeloze verdragen, de onderlinge strijd tussen stammen en facties, de mentaliteit van de indiaanse krijgers en de ethische vragen die de betrokken officieren van het Amerikaanse leger zich stelden.
Auteur: Peter Cozzens
Uitgeverij: Athenaeum Polak & van Gennep
Lanark
De Schotse schrijver en kunstenaar Alasdair Gray (1934) schreef meer dan 30 jaar aan zijn eerste boek Lanark, dat uiteindelijk in 1981 werd gepubliceerd. Na publicatie van dit moderne visioen van de hel dat als decor de steden Glasgow en Unthank heeft, werd hij direct vergeleken met Dante, Blake, Joyce, Orwell, Kafka, Huxley en Lewis Carroll.
De roman opent met: “Je kwam Café Elite binnen via een trap vanuit de foyer van een bioscoop. Op twee derde van de weg naar boven was een deur die naar de bioscoop zelf leidde, maar mensen die naar de Elite gingen klommen verder en kwamen in een grote, groezelig ogende ruimte vol stoelen en lage koffietafels.’ Op de Athenaeumboekensite is het verdere fragment te lezen.
Deze moderne klassieker uit de Schotse literatuur is nu voor het eerst in het Nederlands vertaald.
Oh, what did you see, my blue-eyed son?
Oh, what did you see, my darling young one?
I saw a newborn baby with wild wolves all around it
I saw a highway of diamonds with nobody on it
I saw a black branch with blood that kept drippin’
I saw a room full of men with their hammers a-bleedin’
I saw a white ladder all covered with water
I saw ten thousand talkers whose tongues were all broken
I saw guns and sharp swords in the hands of young children
And it’s a hard, and it’s a hard, it’s a hard, it’s a hard
And it’s a hard rain’s a-gonna fall
De tijd vliegt. Daarom proberen we er vat op te krijgen, bijvoorbeeld door het gebruik van een kalender. Op de Buchmesse is er een speciale galerij voor: een enorme gang met aan de wand honderden verschillende kalenders in alle soorten, maten en kleuren. Buchmesse betekent namelijk veel meer dan boeken. Er zijn ook speelgoedbeesten, boekensteunen, leesbrillen, notitieboekjes, kleurplaten, globes, landkaarten, spelletjes en ansichten.
Een andere attractie zijn demonstraties. Een heuse Gutenberg bedient een replica van een 15de eeuwse drukpers. Grappig contrast is een knalpaarse 3D-geprinte miniatuurversie van het Gutenberg-standbeeld in Mainz. David Hockney himself bladert live door een nieuw, reusachtig overzichtswerk van zijn oeuvre en maakt zo het massaal toegestroomde publiek deelgenoot van zijn eigen sensatie.
Natuurlijk worden op locatie maaltijden bereid op basis van kookboeken. En zijn er overal voortdurend openbare vraaggesprekken – niet alleen met Nederlandse schrijvers. Ik hoorde Duits, Maleisisch, Engels en Chinees. In het Nederland-Vlaanderen-gastland paviljoen kan onder begeleiding van bekende illustratoren worden getekend, waarna van het resultaat real time een publicatie wordt gemaakt. Wat van dit alles overblijft zijn vooral herinneringen aan een overrompelend en indrukwekkend evenement. Bijzonder vooral omdat een zakelijke beurs en een publieksfestijn zo vloeiend in elkaar overgaan. Die herinneringen nemen de duizenden deelnemers en bezoekers met zich mee als ze huiswaarts gaan. Waarmee het bereik van de Buchmesse nog groter wordt.
Bij zo’n veelheid aan indrukken valt niet gauw op wat ontbreekt. Maar frappant was wel de totale stilte omtrent de winnaar van de Nobelprijs voor literatuur: Bob Dylan. Bij één Italiaanse stand was een affiche te zien dat Dylan huldigde. ‘Finalmente Dylan!’ Misschien had verbazing over toekenning van de prijs de marketeers verlamd. Misschien was de voorbereidingstijd voor de Messe gewoon te kort. Dat belooft dan wat voor 2017!
Ook voor mij vliegt de tijd: ’t is mijn laatste dag van de Buchmesse. Zal ik afsluiten met een Belgische attractie? Vlaamse friet in Frankfurt.
Gezien door de ogen van deze tijd lijkt de strijd tussen de kunsten in de Renaissance, de paragone, een ordinaire ruzie tussen alfamannetjes. Maar dan wel een tussen de crème de la crème van de artistieke alfamannetjes, met als hoogtepunt de schermutselingen tussen Leonardo da Vinci en Michelangelo Buonarroti. Waarbij de eerste de schilderkunst boven de beeldhouwkunst stelde, vanwege het intellect dat nodig is om een voorstelling geloofwaardig in het platte vlak uit te beelden, en de tweede de beeldhouwkunst, omdat de drie dimensionaliteit van beelden de werkelijkheid veel dichter zou benaderen.
Afgelopen zaterdag toonde Wim Pijbes zich in het Gemeentemuseum in Den Haag een ware volgeling van Michelangelo. Hij bekende bij de opening van de tentoonstelling ‘Van Rodin tot Bourgeois; Sculptuur in de 20ste eeuw’, dat voor hem beeldhouwkunst absoluut op nummer 1 staat, omdat je je er als mens zo mooi toe kunt verhouden. En dat blijkt voor Pijbes een cruciaal element van kunst te zijn. Hij vindt dat je je als toeschouwer moet kunnen vereenzelvigen met de kunst die je aanschouwt. Iets dat hij onderstreepte door beeldend kunstenaar Antony Gormley (1950) aan te halen: ‘kunst gaat tegenwoordig niet meer over macht en prestige, maar over participatie’. Voor Pijbes is er geen betere kunstvorm om in te participeren dan beeldhouwkunst, omdat die bijna altijd over mensen gaat. Of je er nu vlak voor staat, er omheen cirkelt of een beeld vanuit de verte aanschouwt; je herkent jezelf altijd onmiddellijk in een beeld. Een stelling die je nu in het Gemeentemuseum kunt toetsen met en weergaloos overzicht van topbeelden uit de twintigste eeuw.
Als beeldhouwkunst de ultieme participatieve vorm van beeldende kunst is, dan is muziek dat misschien wel voor literatuur. Muziek is immers een literaire vorm die je meer nog dan romans of poëzie tot deelname uitnodigt. Luidkeels meezingend of zachtjes neuriënd. Op de fiets, als je aan het koken bent, of onder de douche. Zingen kan je altijd en overal.
In het licht van Gormley’s stelling is het dan ook niet meer dan logisch dat de Nobelprijs voor de literatuur eindelijk eens aan een songwriter is toegekend. Want als ook literatuur tegenwoordig draait om participatie, dan is het tijd dat die prijs naar het gezongen woord gaat, de meest participatieve literaire kunstvorm. Ook al omdat je niet kunt ontkennen dat er geweldig goede, literair hoogstaande songteksten zijn, waaronder die van Bob Dylan, die tot de absolute top van het muzikale woord horen. Daar zijn vriend en vijand het wel over eens.
Dus waarom is er dan zoveel rumoer sinds bekend werd dat Dylan met de hoogste eer ging strijken? Is dat omdat Gormley’s stelling toch niet opgaat voor de literatuur? Dat macht en prestige daar nog immer voorop staan? Of omdat velen het gedrukte woord intelligenter vinden dan het gezongen woord? Zoals Leonardo de schilderkunst hoger achtte dan de beeldhouwkunst? Als dat zo is dan hoop ik dat er snel een Michelangelo uit de muziek opstaat.
Voor het eerst in de meer dan honderdjarige geschiedenis van de Nobelprijs voor de literatuur is deze toegekend aan een muzikant en tevens aan de eerste Amerikaan sinds Toni Morrison in 1993 de Nobelprijs won. Bob Dylan, geboren als Robert Allen Zimmerman (1941) is de wereldwijd bekende Amerikaanse singer-songwriter die in de jaren zestig en zeventig gevoelens als ‘Rolling Stones’ omschreef, ooit ‘Rebel King of Rock’n Roll’ werd genoemd en poëtische teksten schreef als ‘How many roads must a man walk down / Before you call him a man? / How many seas must a white dove sail / Before she sleeps in the sand?’, wie het leest hoort direct de melodie. Dylan heeft hele generaties beïnvloed met zijn lyrische teksten.
Volgens de Zweedse academie wetenschappen die de Nobelprijs toekent heeft Dylan ‘de status van een icoon’ en is zijn ‘invloed op de hedendaagse muziek diepgaand’. ‘Hij is waarschijnlijk de belangrijkste levende dichter’, aldus academielid Per Wastberg.
Er waren 220 schrijvers genomineerd. Opmerkelijk is dat Dylan juist dit jaar ontbrak bij de favorieten, terwijl hij al jaren getipt werd voor de prijs. Wel als kanshebbers werden genoemd de Japanse auteur Haruki Murakami, de Amerikaan Philip Roth, de Syrische dichter Adonis en de Keniaan Ngugi Wa Thiong’o.
De literaire wereld, waaronder velen liefhebber van Bob Dylan, is enigszins verbijsterd over deze opmerkelijke keuze van de Zweedse academie. Paul Abels van AFDH uitgevers liet op Facebook weten: Bob Dylan is hartstikke goed. Maar de Nobelprijs voor Literatuur had hij niet hoeven krijgen. ‘The Times They Are A Changin’, dat blijkt: literatuur moet heden ten dage in brokjes van drie minuten consumeerbaar zijn en gecombineerd worden met muziek.
Joost Baars, essayist en dichter plaatste op zijn tijdlijn: Oké, maar dan ook een Grammy naar Les Murray wegens de uitzonderlijk muzikale kwaliteit van zijn teksten. Literair criticus en schrijver Joost de Vries meent: De upside is dat nu de weg vrij is, en Kanye hem over twintig jaar kan winnen.
Dichter en columnist Daan Doesborgh, dacht als eerste toen hij het hoorde: dat vind ik nou ook weer niet nodig, maar noemt in zijn artikel op VN deze uitingen van verontwaardigd onbegrip vooral een ‘uiting van ongemak’. En: het toekennen van de Nobelprijs aan Bob Dylan dwingt ons om na te denken over de vraag waar we de grenzen van het domein literatuur moeten trekken. De toekenning maakt het antwoord op die vraag ongemakkelijk: de grens ligt niet waar jij dacht. Lees hier het hele artikel.