• Voorwaarts en lezen

    Voorwaarts en lezen

    Zondagochtend stond ik in de keuken sinaasappelen te persen, radio aan op Vroege vogels. Bibi Dumon Tak las een column voor, over lezen en boerenburgerbeweging leider Caroline van der Plas. Die nooit een boek leest. Daar had ze geen tijd voor (hoor). Je zult het weten ook. Dat iemand het zich kan veroorloven niet te lezen. In mijn wereld struikel ik over boeken. Waar je kijkt, vind je er een, of meer. Weet je niet welke richting je op moet? Lees maar. Met elk boek, begrijp ik de wereld om me heen een beetje meer. Een boek als inspirator, een schrijver als voorbeeld.

    Ik dacht aan de kinderen (als die er waren) van Van der Plas. Ze lijkt me een stoere moeder die haar kinderen aan de oren bij de dingen van de dag zou houden. Maar, als zij niet leest, zou ze haar kinderen, (als ze die dus had) dan hebben voorgelezen? Zou ze anders naar de veestapels van nu hebben gekeken als ze haar kinderen had voorgelezen uit (bijvoorbeeld) Het koeienboek van Dumon Tak? Hoe zouden de dingen zich dan ontwikkeld hebben.

    Toen dacht ik aan Monica Keijzer. Leest zij wel eens een boek, en die verongelijkte man met zijn geblondeerde haren. Zou hij wel eens een goede roman of een andersdenkende openslaan? Aan de mate van zelfingenomenheid is de niet-lezer te herkennen. Aan de toon van het grote gelijk.

    Noem niet de naam van degenen die de samenleving schade berokkenen, de wereld als hun eigendom (lees dan toch een boek) zien. Hun denkbeelden, evenals zijzelf zullen als verdorde zaden uit het gemeenschappelijk gedachtegoed verdwijnen. Let op, geef het geen water. Maar dan, nederigheid.

    Eens zong ik in een strijdkoor (waar zijn ze gebleven). We zongen het Solidariteitslied van Bertolt Brecht op muziek van Hanns Eisler. Zangadvies: hard en vals. ‘Voorwaarts en niet vergeten / bij honger en bij eten / de solidariteit!’ Hoe dat voelde. Brecht toont waar het rafelt tussen rijk en arm en de angst voor het vreemde. Verzet om te bevrijden wat is vastgelegd.

    In Gesprekken tussen vluchtelingen zijn dialogen tussen twee mannen in exil begin jaren veertig. De uit Duitsland gevluchtte mannen, een intellectueel en een arbeider, ontmoeten elkaar in de stationsrestauratie van Station Helsinki.De tegenstelling van denken bij de intellectueel en de arbeider is essentieel in deze gesprekken.

    Mijn instemmigheid onderstreepte ik met potlood. Dingen als ‘Orde heb je tegenwoordig meestal waar niets is. Het is een teken van gebrek.’ te onderstrepen. Na elke ontmoeting (19 gesprekken) volgt steeds als een refrein: ‘Toen namen ze afscheid en vertrokken ze, ieder naar zijn eigen plek.’

    Ik omcirkelde in zijn geheel wat de arbeider aan de intellectueel vertelde. ‘Toen ik een jaar of zeven was, moest ik sogges vroeg voor school kranten rondbrengen, da’s vlijt – en het geld pakten pa en ma me af, da’s gehoorzaamheid. Als pa lazarus thuiskwam, had hij er de pest in dat hij zijn halve weekloon had opgezopen, en dan kregen we een pak rammel, zo hebben we pijn leren verdragen, en als we aardappels kregen en ook nog eens te weinig, moesten we dank u wel zeggen, uit dankbaarheid, geloof ik.’ En wat me daarin aanspreekt.

    Meesterlijke, maar ook wrange gesprekken over armoede, Hegel, leiderschap, verbanning en ja, alles is politiek. Ik onderstreepte, ‘Emigratie is de beste leerschool voor dialectiek. De scherpste dialectici zijn vluchtelingen.’ Hoe je de logica van het leven ontdekt wanneer je geen thuis hebt. Er wordt gesproken over Hitler als ‘hoeheetienou’, en Mussolini als ‘Dinges’.

    Ik omcirkelde waar ze voor het eerst over fascisme hoorde. En over Hoeheetienou dit: ‘Als rijkskanselier had hij bevolen dat we hem (…) niks mochten betalen, allemaal liefdewerk oud papier natuurlijk, maar meteen daarna heeft hij bevolen dat we zijn boek Mein Kampf van hem moesten kopen, zodat zijn strijd nog een bestseller werd ook. Van de opbrengst heeft hij de Reichswehr en de rijkskanselarij gekocht en kon hij er nog aardig van leven.’ Meesterlijk, zei ik het niet.

    Waarop ze afscheid namen en vertrokken, ieder naar zijn eigen plek. Zie dit boek als een mustread tijdens het kerstreces. Voorwaarts en lezen maar.

     

     

    Gesprekken tussen vluchtelingen / Bertolt Brecht / 167 blz. / Uitgeverij Jurgen Maas (2025)


    Inge Meijer schrijft op het snijvlak van literatuur en het gewone leven.

     

     

     

  • Vrijheid is ongrijpbaar als lucht en net zo onmisbaar

    Vrijheid is ongrijpbaar als lucht en net zo onmisbaar

    Dat de wereld zich uitgerekend tachtig jaar na het einde van WOII in een hachelijke situatie bevindt, is van een ironie die zelfs de Griekse goden niet hadden kunnen bedenken. De vrijheid die op 5 mei dit jaar gevierd wordt en die aanleiding was tot het samenstellen van Stip op de horizon, is daarmee allesbehalve eenduidig en eenvoudig geworden. Zoals de meeste abstracte begrippen laat vrijheid zich gemakkelijker omschrijven in negatieve dan in positieve zin door op te sommen wat het allemaal niet is. Daarvan hebben de meeste mensen desgevraagd redelijk snel een definitie klaar. De dichters in deze bundel zijn opmerkelijk lang van stof, en dan nog wordt er vaak geëindigd in iets vaags, een voorlopige conclusie, een werkhypothese, voor zolang het duurt.

    Wat het niet is

    Ongeacht de voorlopigheid zijn de omschrijvingen van vrijheid talrijk en veelkleurig. Voor de een is vrijheid het ontbreken van dwang, belemmering, gevangenschap; voor de ander is het vrij zijn van honger, armoede, tekort. Weer een ander verstaat vrijheid als ruimte om te zijn wie men wil zijn, niet beperkt of ingevuld door regels en verwachtingen waaraan moet worden voldaan. Soms is vrijheid simpelweg een dag waarop niets moet, zoals in ‘Zondag’ van Sophia Blyden. ‘(…) dagen waarop de boeken lonken in de kast, er tijd / is om gedichten te lezen, de wijnglazen van gister / nog op tafel … de lp-speler / overuren maakt en we dansen, de bank langzaam / verslijt, druppels op het dakraam, het enige wat ik / wil doen is niets( …)’

    Bibi Dumon Tak beschrijft vrijheid gezien door de ogen van een kalf. ‘(…) wij tweetenen / werden opnieuw bijeengedreven / en we voelden de wind in onze haren de zon / onderweg / de geur van gras die in onze neuzen drong / we knepen met onze ogen we strekten bij aankomst onze poten / voor de eerste keer / en waren voor heel even / uitbundig jong.’

    Die veelkleurige ideeën en invullingen vinden we terug in de gedichten van tachtig Nederlandstalige dichters. Om niet in de valkuil te trappen een orde van belangrijkheid te moeten aanbrengen – welke invalshoek heeft prioriteit, welke thematiek de meeste urgentie – is er alfabetisch gerangschikt. Juist dat doet de veelkleurigheid des te sterker uitkomen, omdat er geen chronologie of senioriteit is die de thematiek bepaalt: Tweede Wereldoorlog, de ‘vrije’ jaren zestig, de dichters die vanaf de jaren negentig in Nederland een veilig heenkomen zochten en hier een nieuw leven opbouwden.

    Hoe vrij is vrijheid eigenlijk

    Vanuit al die hoeken en windrichtingen worden ervaringen aangedragen die stuk voor stuk vertellen over wat vrijheid betekent zonder afbreuk te doen aan de beleving van een ander die, als een lichtstraal op een prisma, weer een ander aspect doet oplichten. Wie enigszins thuis is in de Nederlandse poëzie, herkent de unieke stijlkenmerken van deze of gene. Of de toon, de vorm, woordkeus, gedichten met een heldere cadans, of bijna als proza neergeschreven.

    Terecht merkt Stella Bergsma op dat gedichten over vrijheid tralies zijn voor dichters. ‘ieder jaar weer / rond dezelfde tijd / mag je je hok uit / metaforen smijtend / over het blad razen // ieder jaar de zinnen uit de dwangbuis / laten galopperen / zich te buiten buitelen / (…)’
    Want zo vrijblijvend en vanzelfsprekend is vrijheid niet als ze op gezette tijden en binnen strakke kaders moet worden bezongen. Als een dier dat even uit zijn hok mag. Het is niet iedereen gegeven om onder die druk werkelijk iets nieuws en geïnspireerds tot stand te brengen.

    Toch geeft dit thema een breed palet aan pennenvruchten te zien omdat elk vogeltje nu eenmaal zingt zoals het gebekt is. En omdat elk van de deelnemende dichters zingt vanuit een eigen culturele achtergrond en met een eigen geschiedenis, of dat nu de persoonlijke geschiedenis is, of geschiedenis zoals geleerd op school. Die is er hoe dan ook altijd.

    Herinnering aan vrijheid

    Opmerkelijk vaak gaat het over herinneringen. Een moeder die haar zoon niet wil belasten met de herinnering aan de dictatuur waaruit zij is gevlucht, om hem de kans te geven een nieuw leven te kunnen leven. Of omgekeerd, de herinnering aan vrijheid koesteren als een visioen, als een baken om op te koersen. En om het besef levend te houden hoe kostbaar die vrijheid is, en kwetsbaar ook. Noch de geschiedenis, noch de herinnering blijkt een gaaf, afgerond geheel, maar altijd rafelig, en pijnlijk onvoltooid. Zoals in ‘Aardse ochtend’ van Jan Backe.

    ‘Net zoals in het stilstaan, wat ik ben er nog betekent
    als één van hen, een onbekende getuige, een dader, overlever

    die toevallige waarheid, die op dezelfde manier bestond
    als die hele geschiedenis voordat ze geschiedenis werd.

    Zoals mededogers in gedachten, tegen de deur van een heldere nacht
    een aardse nacht, de mensen die zijn weggegooid, die ontbreken.

    Er is geen neutrale of heldere nacht, er is een aardse ochtend
    een afwezige ochtend, het verdriet van verdunde families.
    Kijken naar de mensen die er dan zijn, dan weer niet
    die in het verleden worden vrijgelaten

    die de omtrek van het slachtoffer moeten bewijzen
    de omtrek van het slachtoffer dat er niet had moeten zijn –

    en de sterren die er nog zijn, staan aan de hemel die er ooit was
    verlichten het speelgoed en de familiefoto op het dressoir

    dat er niet meer is in het huis dat er ooit was, een foto
    zonder zwaartekracht, de verwaaide zwarte rook en het puin

    van een huis zonder zwaartekracht, de stilte
    van de stad zonder stad, in een leegte die altijd al stilte was.’

    Een taak die nooit af is

    Reeds in de opzet van deze bundel gaat het om vrijheid tegenover de bezetting die eraan vooraf ging. Ergens in die reeks elkaar opvolgende gebeurtenissen zit het kantelpunt waar onvrijheid overgaat in vrijheid. Al die momenten van voor, tijdens en na dat kantelpunt worden door de diverse dichters op indringende wijze beschreven. Door Rosa Schogt bijvoorbeeld:

    ‘En na het verzet kwam daar de vrijheid aangelopen, maar / we aarzelden: was zij het echt? Zo hadden wij haar / niet bedacht, ze zou toch in een mooie jurk, / met blossen op haar wangen komen? We hadden het idee / van haar toch al die tijd gevoed, hoe kwam ze dan / zo mager en zo stil?’

    Eerst een ideaal, een verlangen dat aanzette tot verzet, nu een realiteit die moet worden vormgegeven want de steden liggen in puin. Er moet hersteld worden, aan materie èn aan mensen. Terecht merkt Anna Enquist op dat vrede makkelijker hanteerbaar en voorstelbaar is dan vrijheid. Vanwege de rust die vrede brengt; vanwege de strijd die vrijheid vraagt. Verantwoordelijkheid ook om die kwetsbare vrijheid te behoeden, om tot een consensus te komen over hoe en wat en vooral wie. Uiteindelijk gaat het om de ruimte die de ene mens bereid is aan de ander te geven, zoals Vrouwkje Tuinman beschrijft in ‘Opstelling’:

    ‘Het gaat tussen mensen die om zich heenkijken en degenen die
    alleen zichzelf zien.
    Dat laatste klinkt negatief, maar kan gunstig zijn: zij zijn het die
    hun vierkante meter steeds groter maken en de rest moet daarom
    opzij. …

    Tussen de hoge heren die de rest een beetje lopen te regeren, en
    de rest. En dan zijn er nog hen, hun, hullie die zich niet ophouden
    in de uitersten, maar ergens in de grijswaarden schuilen. …

    Je hebt degenen die kiezen, en degene die als laatste gekozen
    wordt, wat geen kiezen is, maar een verlies. Het gaat tussen mij en jou.’

     

     

  • Afko’s 

    Afko’s 

    Afkortingen, ik vind ze vreselijk. De onstuitbare zegetocht van het Engelse idioom in berichten vind ik al irritant genoeg, maar het ergste zijn gehanteerde acroniemen als YOLO, FOMO, BFF en OMG. En een stapelacroniem als Vrijmibo is ronduit belachelijk. Evenals Nanowrimo, de afkorting van ‘National novel writing month’, waarbij het de bedoeling is dat je in één maand 50.000 woorden schrijft. Dat zal nog een hele klus worden voor de mensen die vinden dat de titel van de wedstrijd al te veel woorden bevat om voluit te schrijven. En de vrouw in de trein die luid en uitvoerig haar seksleven besprak en haar keuze van anticonceptie, en toen van haar vriendin te horen kreeg dat het TMI was, op z’n Engels uitgesproken. Die afkorting moest ik thuis opzoeken: Too Much Information. Dat was ook erg. 

    Afkortingen zijn een belediging voor de taal. Ze suggereren dat de gebruiker de taal niet belangrijk genoeg vindt om woorden en begrippen voluit te schrijven. Bovendien geeft hij daarmee aan dat hij jou als lezer ook niet de moeite waard vindt om tijd en aandacht aan te spenderen. Je moet maar raden wat er staat. Zoek het zelf maar uit, zegt de afkorting.
    In het nieuwe nummer van het tijdschrift Onze Taal staat een mooi artikel van Ande Cremers,  getiteld: Een ‘bopla met biba’s’ (borrelplank met bitterballen), met een aantal frappante voorbeelden van ‘afkogebruik’ onder bepaalde groepen studenten. Wie het niet begrijpt, hoort er niet bij. Alsof ze lid zijn van de ‘Jopopinoloukicoclub’ van Joop ter Heul, over wie Cissy van Marxveldt schreef. 

    Afkortingen in literatuur of poëzie waren tot voor kort ondenkbaar. Nu worden er zogenaamde sms-gedichten geschreven, met afkortingen en emoji’s, omdat ze niet meer dan 160 tekens mogen bevatten, spaties en leestekens inbegrepen. Je leest ze alsof je een rebus oplost, maar een hoog literair gehalte is dan ook geen vereiste. Een voorbeeld van een gedicht met afkortingen dat ik wel mooi vind, omdat de afkortingen deel uitmaken van het creatieve eindrijm, is ‘De wilde kamelenman’ van Bibi Dumon Tak, dat als een zuinige contactadvertentie geschreven is, brieven onder nummer en betalen per woord:

    Wilde kamelenman, alleenstaand,
    zkt. kennismaking met vr.
    6 jr.
    kinderen geen bezwr.
    Sterk. Zeer trouw.
    Flex. Kan tegen hitte (+50 °C.)
    en extr. kou (-40 °C.)
    Komt uit Mongolië, Gobi wstn.
    Chinese uit Lop Nur geen probl.
    Mag ook hele harem zijn.
    Tam niet gewenst,
    (want te veel vermenst).
    Ben jij, of zijn jullie, de ware(n)?
    Laat dan een boodschap achter in het zand.
    We zijn nog maar met duizend,
    het is zo stil en leeg hier
    en mijn ♥ staat al te lang in brand.

    Afkortingen leveren tijdwinst op, wordt beweerd. Steeds vaker worden daarom ook de punten tussen de letters weggelaten: mvg, aub, dwz. Alsof je uren kwijt zou zijn aan het voluit schrijven van die woorden; mijn ergernis over die afkortingen duurt veel langer. En dan: wat doen mensen die ‘ffw88’ schrijven met al die gewonnen tijd? 

     

     

    Uit: Bibi Dumon Tak, Laat een boodschap achter in het zand (2018)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Wat weten mensen nu van dieren af? Minder dan niks

    Wat weten mensen nu van dieren af? Minder dan niks

    Volgens diverse internetsites staan dieren hoog op de lijst van favoriete onderwerpen van kinderen die een spreekbeurt houden. Wie het over zijn of haar konijn of over de zeehond wil hebben, zal daar vooral met een mensenblik naar kijken. Dat standpunt houdt, al dan niet onbewust, in dat het dier ondergeschikt is aan de mens. Maar hoe zou een dier in een spreekbeurt vertellen over een ander dier? Bibi Dumon Tak probeert het uit in het pas verschenen Vandaag houd ik mijn spreekbeurt over de anaconda. De spreekbeurten in dit bijzonder aanstekelijke boek worden gehouden door dieren over andere dieren die soms onder de toehoorders aanwezig zijn.

    Lees verder op Jong Literair Nederland

  • Bibi Dumon Tak krijgt Theo Thijssen-prijs 2018

    De driejaarlijkse Theo Thijssen-prijs 2018 gaat naar non-fictie kinderboekenschrijfster Bibi Dumon Tak (1964) voor haar hele oeuvre. Dumon Tak debuteerde in 2001 met Het koeienboek bij Querido waarna er achttien titels volgden, allen over dieren, met uitzondering van een boek over jeugd-delinquenten Rotjongens (2007). Ze ontving meerder keren een zilveren griffel voor haar boeken en in 2012 een gouden griffel – de hoogste waardering voor een Nederlandstalig kinderboek – voor Winterdieren. Haar laatste boek Het heel grote vogelboek, verscheen in 2017 bij Lannoo. Het is voor het eerst dat deze prijs gaat naar een kinderboekenschrijver van non-fictie.

    Volgens de jury laat het oeuvre van Bibi Dumon Tak zien dat er voor een verhaal dat in vervoering brengt, geen verzinsels nodig zijn: ‘Vervoering bereik je met de blik van een kind – onbevangen, origineel en eerlijk – en de pen van een dichter – eigenzinnig, esthetisch en persoonlijk. En dan kijken, en schrijven. Datgene doen en datgene maken waarmee de literatuur zich van alledaagse tekst en taal onderscheidt. Die blik en die pen bezit Bibi Dumon Tak als geen ander.’

    De Theo Thijssen-prijs is een oeuvreprijs voor kinder- en jeugdliteratuur die in 1964 als eerste werd uitgereikt aan Annie M.G. Schmidt.
    De jury bestaat uit: Jaap Friso, Martha Heesen, Sara van den Bossche, Thomas de Veen en Anna Woltz (voorzitter).
    Recente laureaten zijn, Martha Heesen (2015), Sjoerd Kuyper (2012) en Ted van Lieshout (2009). Ook de oeuvres van onder meer Paul Biegel, Tonke Dragt, Els Pelgrom, Joke van leeuwen, Guus Kuijer en Willem Wilmink werden eens bekroond met deze prijs.

    Aan de prijs is een bedrag van 60.000 euro verbonden en wordt uitgereikt op donderdag 20 september 2018 in het Literatuurmuseum/Kinderboekenmuseum.

     

    Foto: Chris van Houts

     

     

  • Wie is hier nou gek

    Wie is hier nou gek

    ‘Als mijn moeder belde uit het gesticht en ik wist dat mijn vader ons gesprek kon horen zei ik dat we geen tijd hadden voor haar en legde de hoorn weer op de haak. Ik wist dat mijn vader goedkeurend zou knikken, ook als de telefoon opnieuw rinkelde en ik hem schouderophalend liet gaan. (…) Het was veiliger om de kant van mijn vader te kiezen dan de kant van een wrak.’

    De geschiedenis van dit gestoorde gezin wordt opgetekend door Steffie Mons (de ik-persoon), nadat zij er eindelijk in geslaagd is alle muren waartegen zij veilig dacht te kunnen leunen en waarachter zij zich kon verschuilen tegen oprukkende schuldgevoelens, neer te halen. Tijdens het schrijven ‘ben ik begonnen aan de bouw van een nieuwe muur, eentje die steviger is dan de vorige, eentje waartegen te leunen valt. Ik bouw hem niet alleen, want Damian die helpt mee.’ Damian is haar latere levenspartner, een blinde pianostemmer.

    Vanaf haar derde levensjaar, toen de door haar moeder gegooide suikerpot haar vader vol tussen de ogen raakte, heeft Steffie niets anders gedaan dan het haar vader naar de zin te maken. Loyaliteit aan de vader betekende dat haar moeder consequent moest worden verraden. Kwam de moeder met kort verlof thuis, dan werd zij min of meer ‘weggepest’.
    Wat voor Steffie jaren later het moeilijkst te verteren is, is dat zij zelf in deze houding bleef volharden, terwijl haar twee jaar oudere zus Gerdi, zodra dat kon, het contact met haar vader verbrak, ‘en ik had na mijn eindexamen hetzelfde kunnen doen, maar ik bleef mijn vader de hand boven het hoofd houden. Wanneer begin je met zelfstandig denken?’

    Steffies moeder was de jongste dochter van een strenge militair; toen haar oudere zusjes het huis uit gingen, zorgde zij voor haar vader. Op haar tweeëndertigste trouwt zij met Steffies vader, die vijf jaar jonger is. Hoewel deze simpele slagerszoon normaal gesproken geen partij voor de veel intelligentere en beschaafde moeder van Steffie is, krijgt hij het voor elkaar deze fijngevoelige vrouw binnen de kortste keren het gekkenhuis in te werken. Gedurende zo’n twintig jaar lukt het hem om familie, thuishulpen en psychiaters naar zijn pijpen te laten dansen en zich grote sommen geld (erfenissen) van zijn vrouw toe te eigenen waarmee hij naar de hoeren gaat.

    Hoewel Steffie het gevoel heeft dat er iets niet klopte, verdringt ze elke gedachte aan haar moeder door keihard te werken. Dat kost haar steeds meer moeite, vooral door bepaalde opmerkingen van vrienden. Op de begrafenis van haar vader noemt de vroegere buurvrouw haar moeder een ‘lieve moeder’ en haar vader een ‘man met heel veel verschillende gezichten’. En dan neemt Steffie een moedig besluit: al moet de onderste steen boven komen, zij moet weten of haar moeder wel zo gek was als zij altijd gedacht heeft en waarom haar moeder thuis niet gewenst was.
    Het lukt haar het dossier van haar moeder in handen te krijgen. Te moeten lezen hoe haar moeder haar hele opgesloten leven wanhopig gevochten heeft om haar kinderen te mogen zien, hoe zij tegengewerkt is, hoe zij eenzaam van alles en iedereen beroofd nu juist smeekt om een electroshock (‘”Om alles te vergeten, dokter.”’), hoe hulpverlenende instanties keer op keer gefaald hebben, welke beschamende rol tenslotte het gezin bij dit alles gespeeld heeft is, een ware helletocht voor Steffie.

    Gerrit, therapeut in een inrichting voor geesteszieken, waar Steffie de piano’s stemt, helpt haar om wat zij onder ogen krijgt beter te begrijpen en te verwerken. Tussen Steffie en haar moeder kan het echter niet meer goed komen: haar moeder is dan al een aantal jaren dood. Niemand zal ooit de schuldgevoelens van Steffie kunnen wegnemen, maar na het optekenen van het ware verhaal van haar moeder kan Steffie aan haar leven beginnen. En de wolfskwint? ‘(Gerrit:)”Ik zou op een van beide piano’s namelijk graag een wolfskwint hebben.” (…) “Waarom eigenlijk?” vroeg ik. “Vanwege de therapeutische werking.”’ Hoewel niet iedereen de term wolfskwint kent, zal het de lezer gaandeweg duidelijk worden dat de schrijfster geen betere titel dan de titel Wolfskwint had kunnen kiezen.

    De lezer die niet terugdeinst voor isoleercellen, electroshocks, tranquillizers en spanlakens en voor het onthutsende beeld van een verwoest moederleven, krijgt met dit op waarheid gebaseerde verhaal een onvergetelijke ervaring. Woede over het aangedane leed, ontroering en meeleven met het meisje Steffie dat in deze afschuwelijke situatie moet opgroeien, plaatsvervangende schaamte- en schuldgevoelens: de lezer ontkomt er niet aan. Taal en stijl van de schrijfster zijn van een schitterende eenvoud: (wanneer Steffie in een inrichting piano’s stemt terwijl ‘gekken’ in- en uitlopen: ‘”Uiteindelijk went het, hoor,” zei Gerrit. Ik knikte, maar wist dat hij geen gelijk had.’). Gevoelens worden meesterlijk verbeeld, bijvoorbeeld wanneer Steffie overweegt haar man Marius te verlaten: ‘en ook al was het mijn grootste angst alleen te zijn, ik moest Marius verlaten wilde ik de onverschilligheid die als mist in onze kamers hing bestrijden.’ En deze: ‘Het gesprek met de professor was verontrustend geweest. Ik voelde hoe er weerhaakjes zaten aan zijn woorden, en hoe ik die woorden vergeefs van mij af probeerde te slaan toen ik eenmaal weer buiten stond.’
    Iedere zichzelf respecterende leesclub zou dit boek met zijn onvoorstelbare geschiedenis, weergaloos mooi beschreven, onmiddellijk bovenaan de leeslijst moeten plaatsen. Je raakt er niet snel over uitgepraat. Hulde aan de schrijfster!