• Oogst week 45 – 2024

    Geef niet mee! Een biografie van Ellen Warmond

    De gedichten van Ellen Warmond (pseudoniem van Pietronella Cornelia van Yperen, 1930-2011) waren voor vele lezers de eerste kennismaking met moderne poëzie. Vooral in de jaren zestig en zeventig werden verschillende van haar bundels opnieuw gedrukt in verband met het zich manifesterende feminisme in die jaren en haar ‘vrouwelijke stem’ waarvoor ze in 1987 de Anna Bijnsprijs kreeg voor haar gehele oeuvre. Maar Warmond wilde liever als individu beschouwd worden en niet beoordeeld worden op haar vrouwzijn. Haar existentialistische gedichten zijn getekend door melancholie en het verlangen naar onafhankelijkheid, haar taalgebruik is licht en relativerend. In haar debuut Proeftuin uit 1953 is al de overwegend sombere teneur van haar latere werk te herkennen, haar afstandelijkheid en haar ironie, maar ook haar angst die ontstond nadat zij als kind het bombardement op Rotterdam meemaakte. Ze danste in het Rotterdams Ballet Ensemble en was secretaresse op een handelskantoor, een baan die het noodzakelijk maakte dat zij een pseudoniem koos voor haar bundels. Haar gedichten hebben weliswaar verwantschap met die van de Vijftigers, maar staan toch op zichzelf. 

    Trudy van Wijk schreef eerder een biografie over de poëzie van Ida Gerhardt, Wat zingt het popelend refrein. Na haar dood in 2020 werd de biografie over Ellen Warmond voltooid door Bertram Mourits.

     



    Geef niet mee! Een biografie van Ellen Warmond
    Auteur: Trudy van Wijk
    Uitgeverij: Walburgpers

    We moeten 'misschien' blijven denken

    Esther Jansma debuteerde in 1988 met de bundel Stem onder mijn bed. Sindsdien heeft ze meerdere dichtbundels geschreven, waarvoor ze diverse literaire prijzen ontving, waaronder in 2006 de A. Roland Holstpenning voor haar gehele werk.

    Het verstrijken van de tijd is een thema dat in de poëzie van Esther Jansma regelmatig terugkeert. Ze vraagt zich af waarom de dingen niet kunnen blijven blijven zoals ze zijn. In haar elfde bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken, trekt ze dit thema door tot aan de uiterste consequentie van de eindigheid van tijd, het afscheid nemen van het leven. De drie spreekstemmen die ze al eerder liet horen in haar met de Halewijnprijs bekroonde bundel Picknick op de wenteltrap (1997) leveren door de hele bundel heen in korte, tragikomische dialogen commentaar op wat er gaande is. 

    Als archeoloog en speciaal dendrochronoloog ontwikkelde Jansma een methode om de ouderdom van houten voorwerpen vast te stellen, zoals je bij een boom de jaarringen telt. Ook in haar gedichten graaft ze diep om de herkomst van gebeurtenissen en emoties te herkennen. ‘Het hoefde alleen maar gevonden te worden’, schreef ze in haar gedicht ‘Alles is nieuw’. 

    Haar poëzie is beïnvloed door een moeilijke jeugd, zoals ze zelf aangeeft. Haar vader stierf toen ze zes was en met haar moeder was er geen sprake van een liefderijke band. Ook de dood van haar ongeboren dochter en pasgeboren zoon hebben groeven gekrast in haar werk. Woede en beheersing wisselen elkaar af in een beeldende en sterke taal.

     

    We moeten 'misschien' blijven denken
    Auteur: Esther Jansma
    Uitgeverij: Prometheus

    Verzamelde gedichten

    Jean Pierre Rawie is een van de weinig dichters in Nederland die nog traditionele gedichten schrijft, vormvaste sonnetten met eindrijm. In 1979 debuteerde hij met Het meisje en de dood. Hij is met Annie M.G. Schmidt, Nel Benschop en Toon Hermans een van de meest geliefde dichters, die vaak geciteerd wordt in rouwadvertenties. Daardoor duurde het tot 1989 voordat Rawie met zijn bundel Woelig stof ook erkenning kreeg van de literaire kritiek. Uiteindelijk ontving Rawie in 2008 de Charlotte Köhler Prijs voor zijn gehele oeuvre

    Dat het zo lang geduurd heeft eer men het werk van Rawie op waarde schatte is nu nauwelijks meer voor te stellen. Zijn thema’s zijn al even klassiek: verval, dood, melancholie en verloren liefde. Zijn grote eruditie blijkt uit zijn vertalingen uit negen verschillende talen van poëzie vanaf de dertiende eeuw tot aan het midden van de vorige eeuw. Deze vertalingen werden opgenomen in afdelingen in zijn bundels. Ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Rawie werden een groot aantal van zijn vertalingen opgenomen in Een luchtbel in een vluchtige rivier, voorzien van zijn eigen commentaar. Ook werd er in 2006 Verzamelde verzen uitgebracht.

    Nu is er een uitgave verschenen waarin alle gedichten van Rawie zijn verzameld vanaf het begin van zijn dichtersloopbaan tot en met de bundel met vertalingen. Een absolute must have  voor de talloze bewonderaars.



    Verzamelde gedichten
    Auteur: Jean Pierre Rawie
    Uitgeverij: Prometheus
  • Geweldig boek, dat geef ik je op een briefje!

    Geweldig boek, dat geef ik je op een briefje!

    Goede columnisten en dichters hebben met name één talent gemeen: bondigheid. Waar de columnist met een handvol rake zinnen de maatschappij in haar hemd zet, roept de poëet met een enkel woord een nieuwe wereld op. Als deze twee schrijverstypen een intensieve briefwisseling onderhouden, mag het een doodzonde heten die brieven te laten vergelen in archiefkasten. Bertram Mourits, werkzaam in het Haagse Literatuurmuseum, en Trudy van Wijk, gepromoveerd op het werk van Ellen Warmond (1930-2011), brengen Lief Museum uit: een prikkelende correspondentie tussen Simon Carmiggelt (1913-1987) en Ellen Warmond, (pseudoniem van Pietronella Cornelia van Yperen). De briefwisseling omvat grofweg vijftien jaar.

    In de inleiding vermelden Mourits en Van Wijk dat Carmiggelt als eerste columnist van Nederland de P.C. Hooftprijs won, maar ook Warmond werd gelauwerd: voor haar gehele oeuvre ontving ze de Anna Bijns Prijs. Niettemin is deze compilatie gespeend van alle gewichtigheid. Lief Museum is lichtvoetig, parlando en cynisch als het werk van de Vijftigers uit de naoorlogse literatuur, ongegeneerd twistziek over het literaire circuit – wie houdt niet van roddelen? – en de brieven bevatten een hoge mate van zelfkritiek, wat stijl aangaat. Dit is echter een karige greep uit al het moois dat dit boek te bieden heeft.

    Verrukkelijke schrijfsels

    Wie inspiratie wil opdoen, hoeft slechts ergens te gaan zitten, luisteren en observeren. Voor zijn Kronkels en kroeganekdotes doet Carmiggelt niet anders: het absurde van alledag komt dan vanzelf zijn pen uitgevloeid. Soms achterhalen zelfbenoemde literaire talenten zijn adres en overstelpen zij hem met hun penoefeningen. Hierover uit Carmiggelt zijn ergernis bij Warmond, zij het met een lichte toets: ‘De naam van het werkje was Hoeperdepoep – geen titel om watertandend op af te vliegen dus. Na het lezen van tien bladzijden bleek de inhoud aan de gewettigde vrees te beantwoorden.’ Als dit flutstuk een jeugdzonde van Warmond zou zijn, zo vervolgt Carmiggelt, ‘(…) dan spring ik in de Stadhouderskade die ’s avonds vlak voor mijn deur ligt te flonkeren als een Gardameer van minvermogenden.’

    Zelfs in zijn teksten die geen literair doel dienen, schrijft Carmiggelt verrukkelijk. Steeds bewaart hij de balans tussen zwarte humor, zelfspot en frivoliteit. Wanneer Warmond hem namens het Museum uitnodigt de Heijermans-tentoonstelling met een praatje te openen, weigert Carmiggelt: ‘Los van het feit dat ik dan in Parijs hoop te zijn, hou ik in mijn leven nog maar één redevoering, namelijk mijn dankwoord voor de Nobelprijs. Ik zie er nu al tegenop, omdat het in het Scandinavisch zal moeten.’ Mulisch doet het hem niet na… Bij wijze van revanche geeft Warmond hem twee ‘sick jokes’ om te verwerken in zijn column voor het Parool, en zo stapelen de brieven zich in rap tempo op.

    Gekronkel wordt gekonkel

    Van oudsher worden pseudoniemen gekozen om de eigen naam te behoeden voor schande. Dat werkt uiteraard averechts, als de schuilnaam je duistere kant eerder typeert dan verdoezelt. Ellen ontpopt zich binnen de schrijverswereld tot gevreesde spraakwaterval: Warmond, met de warrige mond, hoeft maar een slokje wijn te slurpen of ze schoffeert het zoveelste groepje omhooggevallen schrijvers op het Boekenbal. Carmiggelt verkneukelt zich om haar onhandigheid en noemt de uitglijders ‘een punaise venijn.’ Warmond ziet dit heel anders, maar weigert in te binden, ook in haar columnreeks die ze afwisselt met Carmiggelt: ‘Als ik mag schrijven op dezelfde egocentrische restrictieloze geen-teen-ontziende manier waarop ik brieven schrijf, dan dolgraag.’ En er zijn nogal wat tenen die ze tot moes trapt.

    Bij een bedrijfsborrel van uitgeverij Querido botst Warmond op tegen Hendrik Marsmans voorganger, Herman van den Bergh. Hij vindt dat zij te weinig publiceert, waarna Warmond opmerkt hem voor het laatst bij een Maatstaf-avond ontmoet te hebben: ‘aangezien de goede man in dat tijdschrift de laatste maanden steeds wegens plagiaat aan de kaak gesteld wordt, ging hij wat stijfjes doen.’ De kruiperige recensent Willem Brandt moet het eveneens ontgelden: ‘een uit Gods moede hand gegleden blindganger.’ Bevuilen de penvrienden niet een beetje het eigen nest? Nee. Vooral schrijvers die niet twijfelen over eigen kunnen, bekritiseren zij. Wie zichzelf afbrandt, blijft buiten schot. Warmond is toch al uit de gratie geraakt, zo blijkt uit een slotgroet aan Carmiggelt: ‘Na al deze oeverloze roddel en prietpraat de geruststellende mededeling dat ik geen griep heb. Het is lepra.’

    Ken uzelve

    Warmond en Carmiggelt leren ons het volgende: wie expliciet zegt over zelfspot te beschikken, oogst argwaan. Een zelfkritische natuur blijkt namelijk uit terloopse, spontaan uitgebrachte terzijdes. Ellen Warmond leest met de precisie van een ‘sniper’ haar schrijfsels aan Carmiggelt na en komt tot de gruwelijke ontdekking dat ze haar penvriend met eindeloze bijzinnen en komma’s ademnood verschaft: ‘(komma, ik schrijf met een snorkel blijkbaar)’. Als ze in haar rol van medewerker voor het Letterkundig Museum Carmiggelt om een gunst moet vragen, ridiculiseert én continueert ze haar eigen opdringerigheid: ‘Horen we eens wat? Heeft geen haast. (Tenminste: …een klein beetje haast maar) (Ruimte voor het doen van verwensingen)’. Al lonkt natuurlijk altijd een effectief middel om de eigen scrupules te overwinnen.

    De drankconsumptie van enerzijds de dichteres en anderzijds de columnist ontwikkelt zich omgekeerd evenredig. Zelfbenoemd papierfetisjist Carmiggelt was vast verbaasd over de rode verkleuringen op Warmonds brieven: ‘Al die vlekken zijn niet van tranen, maar van sherry.’ Waar Warmond beter schrijft naarmate ze meer drinkt, remt Carmiggelts onthouding zijn spontaniteit – funest voor de Vijftiger, die gedijt bij kinderlijke invallen. In een poging zijn gedachten te verwoorden, wanneer hij wederom de verleiding van alcohol weerstaat, walgt hij van zijn wijdlopigheid: ‘Verkeerd. Zulke lange zinnen denk je niet.’ Zoals het auteurs met writer’s block betaamt, toont de Vijftiger zich andermaal zijn eigen strengste recensent: ‘Die geheelonthouders zitten toch ook maar lelijk uit hun nek te zwetsen.’ Wie blijk geeft van zo veel zelfkennis, heeft geen critici nodig.

    ‘Platoniese’ P.S.

    Hoe langer de correspondentie aanhoudt, hoe vertrouwelijker ze elkaar groeten. Waar eerst ‘hart. gr.’ volstaat, wordt het algauw ‘liefs’. In de aanhef maakt ‘Beste’ plaats voor ‘Lieve’ en Warmond beëindigt haar brieven zowaar met ‘je Ellen’. Toch is de onderlinge band te speels, te luchtig voor een daadwerkelijke liefdesgeschiedenis. Verder dan de humoristische oneliner over een echtpaar in de trein komt het niet: ‘Ze hield van haar man, dat kon je zien aan de pull-over die ze voor hem gebreid had. En hij hield van haar, dat kon je zien aan het feit dat hij hem droeg.’ 

    Zoveel zoetheid vraagt om een grove tegenhanger. Carmiggelt roemt het op-en-top Britse informatiebordje in Madame Tussauds over de vrouwenmoordenaar Dr. Crippen en schrijft Ellen: ‘‘‘Dr. Crippen. Hij vermoordde zijn vrouw. Zij dacht dat zij zingen kon.’’ Dat niveau bereiken wij nooit – geloof me.’ Dat is waar. Lief Museum overtreft het niveau.

     

  • Herrijzende ster van Vaandrager en de tijd dat poëzie op straat lag

    Herrijzende ster van Vaandrager en de tijd dat poëzie op straat lag

    De naam Cornelis Bastiaan Vaandrager (1935-1992) wordt vaak in één adem genoemd met die van Hans Sleutelaar, Hans Verhagen en Jules Deelder. Zij zijn bekende performers of, specifieker, ‘aucteurs’ waarvan er anno 2017 zovelen rondgaan. Ze schrijven en treden op, begeven zich tussen lezers of tussen toehoorders die hun werk misschien niet eens meer hoeven te lezen.

    Vaandrager en zijn kompanen, aucteurs- avant-la-lettre, verfoeiden de ivoren toren van de Tachtigers, de Vijftigers, van alle vorige generaties. Toen Vaandrager in de vroege jaren zestig begon te publiceren brak hij nog niet resoluut met die traditie. Toch schemert al – in zijn veelgeprezen roman Leve Joop Massaker (1960) ,en de poëziebundel Met andere ogen (1961) – zijn latere revolutionaire manier van kijken door. Uitgangspunt is daarbij dat de alledaagse realiteit, hoe lelijk ook, een voedingsbodem voor kunst vormt.

    In de bundel met de onopgesmukte titel gedichten (1967) presenteert Vaandrager een kale en bovenal ongefilterde benoeming van de dingen. Kenmerkend is verder dat de openingscyclus ‘Het sexuele leven’ evenals de meeste andere afdelingen uit ultrakorte gedichten bestaat:

    Kind: Wie was die meneer? / Moeder: die meneer kent mammie nog van vroeger, / toen mammie nog niet getrouwd was

    Vaandrager was een smaakmaker. Hij wees Toon Hermans met zijn onemanshow de weg in het cabaret, stond aan het begin van de podiumliteratuur waarin Johnny van Doorn – alias Johnny The Selfkicker – en Bart Chabot zouden excelleren. Bovendien is hij een belangrijk vernieuwer van vooral de Nederlandse poëzie. Deze verdiensten rechtvaardigen de aan hem gewijde uitgave Vaan nu ten volle. Zij laat zien, zoals in het voorwoord is aangekondigd, wat Vaandrager ‘ons anno 2017 – 25 jaar na zijn overlijden – te zeggen heeft.’

    Het boek bevat onder andere een informatief essay van Bertram Mourits over de literaire ontwikkelingsgang die Vaandrager vanaf 1960 doormaakte. Verder zijn er bijdragen van ruim twintig anderen hedendaagse auteurs, herinneringen en anekdotes alsmede poëzie die door de ‘Rotterdamse Reus’ beïnvloed of geïnspireerd is.

    Een ontroerende notitie is van de hand van Mustafa Stitou: ‘Eind 1973 […] Wilhelmina Gasthuis, paviljoen 3 […] Als een mysticus met zonnebril rookte hij de ene na de andere joint.’ In genoemd jaar leidde Vaandrager na de voor hem roerige sixties een in drugszucht en zwerflust gedrenkt bestaan met opnames in psychiatrische instellingen als gevolg. Volgens Mourits had dit te maken met miskenning. Hij was niet zoals Sleutelaar, Verhagen en Jules Deelder doorgedrongen tot een groot publiek. Bovendien besteedde de literaire kritiek in die latere jaren minder aandacht aan zijn werk, dat door Vaandragers lichamelijk en geestelijk verval in frequentie en kwaliteit, tanende was.

    Vaandrager stierf nog geen zestig jaar oud aan verwaarlozing en uitputting zoals Johnny van Doorn, René Stoute of Riekus Waskowsky. Ook zij gingen aan de literatuur al of niet door miskenning en in elk geval aan psychedelica ten gronde.
    Na zijn dood kreeg Vaandrager een (her)waardering waarop Vaan nu met diverse bijdragen van jongeren en ouderen een kroon zet. Zoals in de introductie op het boek en in daaropvolgend inleidend essay wordt aangestipt, Vaandrager was de voorman van de ‘Bende van vier’. Zij fulmineerden in de gezaghebbende tijdschriften Gard Sivik en De Nieuwe Stijl tegen de Vijftigers en hun te beperkte binding met de realiteit. Niet minder dan een nieuwe generatie, die der Zestigers, schaarde zich rond de ‘Bende’. In de jaren van zijn revolutionaire gedichten – merkt de inleider van Vaan nu op – heeft Vaandrager ‘getracht de grenzen van wat literatuur is op te rekken en verbinding te zoeken met de (indertijd) opkomende pop- en mediacultuur.

    Als schrijver en dichter droeg hij de geestesgesteldheid in zich van ons huidig multimediale tijdperk. Eveneens is er een relatie tussen het afbreken van autoriteit in de jaren zestig – waarin Vaandrager zich als betoger tegen de officiële literatuur thuis voelde – en het postmodernisme met zijn relativeren van verworvenheden. De ‘Bende van vier’ had immers (anders dan de ready made-cultuur van Barbarber rond Bernlef en Schippers eind jaren vijftig) de alledaagse realiteit tot poëzie verheven. De poëzie lag om zo te zeggen op straat, in materiaal dat slechts opgeraapt moest worden en slechts een geringe bewerking behoefde.

    Een van de mooiste bijdragen aan Vaan nu is een interview van Bart Chabot met Herman Brood die herinneringen aan Vaandrager ophaalt. Het vraaggesprek is geschreven met dezelfde schijnbare onbewogenheid als werk van bewonderaars onder wie Ramona Maramis en Lilian Zielstra. Van de laatste is ‘boekhandel’, een tekst die in de lijn ligt van het geciteerde uit gedichten: Verkoopster: Is het een cadeau? / Klant: Ja, voor mezelf.

    Vaan nu is en geslaagd eerbetoon en eerherstel voor een auteur die zijn sporen in de Nederlandse letteren overduidelijk heeft nagelaten.

     

     

  • De oogst van week 48

    Door Ingrid van der Graaf

    Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen, klinkt als een onverbrekelijk verbond van een liefdevolle relatie. Vanaf hun eerste gezamenlijke reizen naar het Zuiden eind jaren vijftig, bleven August Willemsen (1936-2007) en Marian Plug (1937) elkaar een halve eeuw lang schrijven. Deze correspondentie, onder de titel Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen bijeengebracht door Marian Plug en Joost Meuwissen, geeft niet slechts een beeld van een bijzondere onderlinge vriendschap, maar ook van het verloop van twee indrukwekkende kunstenaarslevens. Dit brievenboek vertelt het verhaal van een levenslange, (half)verliefde vriendschap tussen een van de belangrijkste literaire vertalers die Nederland heeft gehad en een beeldend kunstenares. De brieven, geschreven tussen 1957 en 2005, omvatten bijna het hele levensverhaal van Willemsen, vanaf zijn eerste ‘vlucht naar het Zuiden’ tot aan zijn laatste jaren, na zijn Australische avontuur. Uitgegeven in de serie Privé Domein bij de Arbeiderspers. Prijs € 24,95

     

    53a8d4ec625334.02506915Een gids voor de popmuziek uit de laatste drie decennia van de vorige eeuw is een stuk wereldgeschiedenis op zich. In 2011 verscheen Luisteren &cetera (gids voor popmuziek uit de jaren zeventig), welke door een recensent van LiterairNederland met groot enthousiasme verwelkomd werd.
    In het tweede deel Luisteren &cetera, beschrijven Pieter Steinz en Bertram Mourits aan de hand van 25 meest invloedrijke albums en stromingen uit de jaren tachtig en negentig een verrassend beeld van muziek die je al kende of die je wilt leren kennen. Van new wave en punk tot hiphop, van heavy metal tot dance. De jaren tachtig zijn het decennium waarin de popmuziek volwassen begon te worden – vooral door na de decadente jaren zeventig weer te vertrouwen op de kracht van muzikale eenvoud. Uitgegeven bij Atlas / Contact, 288 blz., Prijs: € 19,99.

     

    9200000030212937Suttree van Cormac McCarthy gaat over de aan lager wal geraakte Cornelius Suttree die in een woonboot op de Tennessee aan de rand van Knoxvillewoont. Hij voorziet in zijn bestaan door te vissen in een stinkende riool. Hij kiest voor een bestaan als rivierrat, en in de roman klinken de stemmen van de ‘ratten’ met wie hij zich omringt. In The Times Literary Supplement wordt Cormac McCarthy als  geboren verhalenverteller en schrijver van een volmaakt natuurlijke stijl neer gezet. En ook: ‘Elk verhaal, elk gegeven gaat bij Cormac McCarthy altijd tot in het hart van de tragedie.’ Wrang en hard maar toch humoristisch en van een vernietigende schoonheid, dat is Cormac McCarthy’s magnum opus Angel (1979), waaraan hij twintig jaar heeft gewerkt. Het verhaal van de havelozen, de zwarte krotbewoners en de verre nazaten van de Saksische clans die ooit golf na golf Amerika overspoelden. Ook bij de Arbeiderspers. Prijs: € 19,95.

     

    indexLiterair tijdschrift Terras betreedt met haar zevende nummer nieuwe gronden. Er worden utopieën op aarde bezocht, zoals de stad Taipei, de kassen van het Westland, het Coney Island van Lawrence Ferlinghetti, de zandbak van Grace Paley, het brandende gras van de onteigende landerijen rond Harare, het Hongarije van László Krasznahorkai en de sleutels van afgesloten wijken in Lima. De utopieën van de geest worden gezocht i, het Parijs van Georges Perec, de Haagse tantes van Wim Noordhoek, de luchtspiegelingen van Robert Desnos, diverse droomgebieden en de nieuwe domeinen waar de dichter Brinkmann in al zijn frustratie naar op zoek was.  Napels, Brjansk en Donego komen in beeld alsook een door de grond opgezogen fabriek in Guatamala en de rotstekeningen van Marlene van Niekerk en het stadje Monster. Maar Terras #7 is allerminst een utopie, er is werkelijk land in zicht! Nieuw land valt hier te bestellen.

     

  • Recensie door:  Jaap M. Jansen

    Recensie door:  Jaap M. Jansen

    Misschien herkent u het: vóór de aanschaf van een naslagwerk over literatuur of muziek, eerst even in het namenregister kijken of die ene goede schrijver of die ene geweldige band er ook in wordt genoemd. Nu, voor degenen die dit zonderlinge gedrag delen: wees gerust, Luisteren &cetera stelt u niet teleur. The Byrds? Staan The Byrds er wel in? Zoek, zoek, zoek… ja! Gelukkig… En The Doors? Ze zijn The Doors toch niet vergeten?

    Om maar direct met de deur in huis te vallen en aldaar de loftrompet af te steken: dit werk is een ware menukaart. Aan de hand van 25 albums verkennen de auteurs de meest toonaangevende popmuziek uit de jaren zeventig – popmuziek in de brede zin, let wel. Van ska en reggae tot countryrock, van funk tot experimentele jazzrock: het staat er allemaal in. Elk van de albums (die overigens chronologisch zijn geordend) wordt op eenzelfde manier behandeld: eerst een afbeelding van de albumhoes en een bespreking van de plaat zelf, dan een puntig overzicht van de invloeden op het album, de overige albums van de betreffende artiest en ‘aanraders’, en ten slotte een verhandeling over het bijbehorende muziekgenre, met nog enkele luistertips. En dat allemaal 25 keer. Hemels.

    Zowel in hun voor- als nawoord benadrukken Mourits en Steinz dat de 25 albums slechts een selectie zijn, en dat het hun vooral te doen is om de verwevenheid van de muziekwereld aan het licht te brengen. Welnu, dat blijkt wel. Wat een immense stortvloed aan namen van artiesten, producers, albums en liedjes! We nemen, bij wijze van voorbeeld, het hoofdstuk over The (zojuist genoemde) Doors. Hun album L.A. Woman (1971) is de derde plaat die wordt behandeld, na Bitches Brew van Miles Davis en After the Gold Rush van Neil Young. Elk hoofdstuk is door één auteur geschreven; in het geval van L.A. Woman is Pieter Steinz aan het woord. Hij bespreekt kort de achtergrond van de rockgroep en gaat dan in op de essentie van het album, aan de hand van individuele nummers en achtergrondinformatie. Voor een muziekleek als ondergetekende is dit razend interessant: pardoes krijgt de naam The Doors (bekend van Riders on the Storm, The End en Light My Fire) een gezicht. De tragische geschiedenis van leadzanger Jim Morrison en diens literaire affiniteiten, het Los Angeles van de jaren zestig en bovenal de aanzienlijke diepgang van de albumthematiek: het leest vlot weg, het verbaast, het strooit met namen, het verrast, het maakt dat je als lezer geneigd bent alles vlug over te pennen (want je wil het allemaal onthouden!). En dat is de kracht van dit verbazingwekkend leuk stukje non-fictie: elke naam, elke korte opmerking fascineert.

    Bovenstaande wordt nog eens versterkt door de onvoorstelbaar grote kennis waarover beide auteurs beschikken. Natuurlijk, Mourits en Steinz hebben ieder een passie voor muziek, maar ze staan toch hoofdzakelijk als deskundige ‘literatuurlui’ bekend. Hoeveel albums worden in dit boek genoemd? Een stuk of tweehonderd? Meer? Hoe dan ook, het moge duidelijk zijn dat de heren zich er niet met een jantje-van-leiden van af hebben gemaakt, en dat hun voorstudie vele uurtjes kostelijk luistervermaak heeft behelst. En dit laatste komt ook sterk naar boven in Luisteren &cetera. Wat schrijven de auteurs met veel plezier! Natuurlijk, voor hen is het net zo’n (her)ontdekkingsreis als voor u. Steinz (1963) en Mourits (1969) waren kinderen ten tijde van de door hen besproken periode, en ongetwijfeld hebben zij toentertijd – zo nu en dan – wel eens wat van de grote popmuziek gehoord (zeker Steinz). En (daar komt de herkenningsvraag weer) u herkent toch ook die magische rillingen als u een liedje of deuntje uit uw kindertijd hoort? Oké, van enkele liedjes mogen we hopen dat de heren het in hun jonge, onschuldige jaren nog niet hebben gehoord (het Je t’aime… moi non plus van Jane Birkin en Serge Gainsbourg, of de Bohemian Rhapsody van Queen), maar het K3-kwartet uit de jaren zeventig (ABBA) zal hun toch zeker niet zijn ontgaan.

    Hier schuilt wellicht een pietluttig minpuntje: de auteurs spreken met zoveel inhoudelijke kennis en enthousiasme, dat de lezer het soms even teveel kan worden. De voor een leek toch wat obscure muziekgenres westcoastrock en southern rock worden niet uitgelegd (hoogstens in hun context besproken) en de technische uitweidingen in het hoofdstuk over Miles Davis’ Bitches Brew zijn toch wat te hoog gegrepen voor de gemiddelde lezer.

    Dit echter mag de (her)ontdekpret niet drukken. Luisteren &cetera is een bundel met (uitsluitend positieve) albumrecensies, die geen encyclopedische pretenties koestert (zo drukken de auteurs ons meermaals op het hart), maar die zich daarentegen ontpopt als dé menukaart van de popmuziek uit de jaren zeventig. Bevalt de plaat Born to Run van Bruce Springsteen u? Nou, dan moet u ook eens die proberen, en die, en die, en ga zo maar door. Een regenachtige zondagmiddag? Neem dit werkje te hand, nestel u achter de computer (of tover, voor de blessed few, de elpeeverzameling maar weer eens tevoorschijn) en begin uw (her)ontdekkingstocht. Om met ABBA te spreken: Mourits en Steinz, thank you for the music!

    Luisteren &cetera
    Het web van de popmuziek in de jaren zeventig

    Auteurs: Pieter Steinz en Bertram Mourits
    Verschenen bij: Uitgeverij Contact
    Aantal pagina’s: 272
    Prijs: € 19,95