• Over dagboekschrijven en Geheim dagboek van Hans Warren in het bijzonder

    Over dagboekschrijven en Geheim dagboek van Hans Warren in het bijzonder

    Onlangs verscheen Opperhuidmens – De biografie van Hans Warren, geschreven door zijn levensgezel Mario Molegraaf. Met zijn dagboeken was Warren een van de literaire sensaties van zijn tijd. Menigeen holde naar de boekhandel zo gauw er een nieuw deel verschenen was. Toen Geheim Dagboek deel 3 in 1983 uitkwam vroeg K.L. Poll aan Hans Vervoort een stuk te schrijven voor Hollands Maandblad over dagboeken in het algemeen en Geheim dagboek in het bijzonder. Het stuk verscheen meer dan veertig jaar geleden en geeft een mooie indruk van de receptie van Warrens dagboeken.



    Notities naar aanleiding van een dagboek

    Wie heeft er niet ooit wel eens een dagboek willen bijhouden, om al datgene vast te leggen wat hij beleeft en al die gedachten en gevoelens te conserveren die een mens op een dag zoal kan hebben. Ik persoonlijk loop de hele dag te denken en te voelen. Doodmoe ben ik er ’s avonds van en het is eigenlijk zonde dat er niets van overblijft. Nu ik vele jaren ouder ben dan ik zou willen zijn, merk ik bij terugblik dat er reeksen van jaren zijn waarvan ik me niets herinner. Blanco. Ongetwijfeld was ik in die jaren druk bezig en ongetwijfeld dacht ik dat ik leefde. Maar te bewijzen valt het niet meer.
    Oude agenda’s leveren voornamelijk afspraken-notities op met namen die ik vaak niet eens meer kan thuisbrengen.
    Waarover spraken wij? Wat hadden we gemeen? Welke plannen hadden we? De tijd heeft alles toegedekt. Soms tref ik tussen de afspraken een kleine notitie aan, kennelijk bedoeld om een briljante ingeving in steekwoorden vast te leggen.

    Het gevoel dat ik iets briljants bedacht heb dat onmiddellijk vastgelegd moet worden overkomt me alleen op zeer late tijdstippen in café’s en de notities zijn ernaar. Meestal volstrekt onleesbaar, soms een duidelijk maar onbegrijpelijk woord. ‘Strijkbout’ noteerde ik in april 1978 en ik plaatste er voor alle zekerheid een uitroepteken achter. ‘Strijkbout!’
    ‘Oesters zonder statiegeld’ moet op 15 mei van dat jaar een diepe betekenis voor me gehad hebben. Café-brille is nog merkbaar in de sloganvariant ’15 kappers schoren mij met dit éne mesje’ dat ik in september van dat jaar op papier zette. ‘Mensen die zeggen dat ze niet graag achterom kijken in hun leven, hebben daar meestal wel een reden voor’ (18 november 1978). Tja, zo ken ik er nog wel een paar. Meer perspectief biedt de notitie: ‘De 18de eeuwse kritikus die over Gullivers Travels schreef: ik kan er nauwelijks iets van geloven’. Maar een echt beeld van waar ik die dag mee bezig was, biedt ook deze opmerking niet.

    In de vlakte van die bijna herinneringsloze jaren staan enkele gedenktekens, de kennismaking met een beminde, de dood van een vriend, een heel aparte reis. Alles wat de sleur doorbreekt. En dat is achteraf juist zo ontmoedigend. Waarom zijn we zo geschapen dat alleen afwijkende momenten in de herinnering over blijven? Ik geef toe, er zijn veel saaie lelijke dagen in een leven en het hindert me niet die te vergeten. Maar er zijn ook dagen waarin alles onopvallend in evenwicht is. Je staat fit op, de zon schijnt, er is vers brood in huis, er is prettig werk te doen, je hebt met niemand ruzie, je hebt iemand om van te houden.
    Storingsvrije gelukkige dagen die zo gladjes verlopen dat ze geen aparte herinnering achterlaten. Sleur is de verzamelnaam waarin helaas ook die dagen belanden. Als ik ooit een dagboek zou bijhouden, dan zou het vooral zijn om dat alledaags geluk vast te leggen.

    Maar helaas, ik kan geen dagboek schrijven. Het geeft me een dwaas gevoel om iets aan mezelf mee te delen dat ik al weet. En welke ik moet ik aan het woord laten? De ironische? De driftige? De klager? De eerlijke (god verhoede)? Dat wordt een heel geknok. En tot wie moet ik me richten in zo’n dagboek, tot mezelf van nu, of tot mezelf van de toekomst? Of tot die onbekende persoon die na mijn dood het boek zal vinden? Is het eigenlijk wel mogelijk om een dagboek te schrijven zonder de gedachte aan die onbekende bekende die je boeltje op zal ruimen na het onverwachte hartinfarct? Verlammende vragen zijn dat. Het best kan ik nog de dagboekschrijvers begrijpen voor wie het dagboek een onpersoonlijke persoon geworden is, een blanco gesprekspartner die alleen maar luistert en knikt. Lief dagboek, wat me nú weer overkomen is…

    En dan maar pennen, want een dagboek hoort natuurlijk met de hand geschreven te worden. Zo’n dagboek is een zwijgende biechtvader achter het gordijntje, een stille maar begrijpende vriend, een troost in eenzaamheid en verdriet. Een teddybeer, eigenlijk. Helaas, voor mij blijft het altijd een pak nors papier, onwillig om beschreven te worden. Ik schrijf ook nooit met de pen, ik sla met kleine hamertjes de letters op papier. Nee, ik zal nooit een dagboekschrijver worden. En ik zal dus nooit weten of het wáár is wat ik wel eens denk, dat dagboekschrijvers zich in avonturen storten om iets te melden te hebben aan de stille papieren vriend.

    Soms wordt een dagboek gepubliceerd en soms heeft dat levensverhaal een literaire pretentie. In theorie kan dat eigenlijk niet. Van een literair produkt wordt verwacht dat het stilistisch perfect is, een reflectie heeft die verder reikt dan de dag zelf, en een structuur die door de schrijver bewust is aangebracht. Aan die eisen kan een levensverhaal in dagboekvorm eigenlijk nooit voldoen. Stilistisch niet omdat geen enkele schrijver in één keer perfect kan verwoorden wat hij wil zeggen, uitzonderlijke momenten daargelaten. Qua reflectie niet omdat er weinig afstand is van de beschreven ervaringen, dat is nu eenmaal de essentie van de dagboekvorm. En wat de structuur van het verhaal betreft, daar heeft de dagboekschrijver al héél weinig invloed op.
    Hij registreert gebeurtenissen, gevoelens en gedachten, maar weet niet hoe het verhaal verder zal gaan, want dat is in de toekomst verscholen. Op z’n best is de dagboekschrijver de denkende hoofdpersoon in een verhaal waarvan hij de afloop nog niet kent. Literair gezien kan een dagboek dan ook nooit meer zijn dan een ‘objet trouvé’, door toeval interessant omdat de schrijver een leven als een verhaal heeft geleid en daar een leesbaar verslag van heeft bijgehouden. Het beste compliment dat men aan een gepubliceerd dagboek kan geven is dat een schrijver het niet beter had kunnen bedenken.

    Hans Warren

    Onlangs verscheen het derde deel van het Geheim Dagboek van Hans Warren, de Zeeuwse dichter en prozaïst. Het bestrijkt de jaren 1949 tot en met 1951. Hij was toen rond 30 jaar, werkte als beambte op het gemeentehuis van een provinciestadje, woonde bij zijn ouders. Een eenzame gevoelige intellectueel met literaire aspiraties en homofiele geaardheid, gericht op jongens die hem fysiek boeiden maar met wie hij zelden gevoelscontact kon hebben, nog minder een partner kon vinden in zijn dooltocht door de wereldliteratuur. En ze werden onverbiddelijk ouder, die jongens, en dan onaantrekkelijk. In elke verliefdheid lag die onvolkomenheid en het bittere einde al besloten, de eenzaamheid maar tijdelijk verzoet door het genot. Het dagboek van Hans Warren onttrekt zich aan alle theoretische bedenkingen, want hij hanteert dit medium als een virtuoos en houdt rekening met de beperkingen. Het is merkbaar geschreven door de kritische lezer die hijzelf óók is, mogelijk is het achteraf wat geredigeerd, want de stilistische gaafheid is opvallend.

    Warren gebruikt zijn dagboek voor verschillende doeleinden. Soms is het een kladblok voor reisverslagen en natuur-ervaringen, gedetailleerde schetsen van wat voor later gebruik onthouden moet worden. Dat geldt ook voor de instant beschrijvingen van ontmoetingen, met schildersoog neergepend en voorzien van de kleine kanttekeningen van de ervaren pessimist. Een enkele keer wordt het dagboek gebruikt om vernederende ervaringen niet te vergeten:
    ‘In grote haast even de vriendelijke opmerkingen noteren die vader me naar het hoofd slingerde als afscheid toen ik naar Zwitserland vertrok. ‘Voor mijn bestwil’ nog wel, o, die zo vaak gehoorde woorden. Ik schrijf ze op om mogelijke vertedering in de toekomst wat te neutraliseren. ‘Het is een schánde dat je zo’n massa geld wegsmijt voor zo’n stuk strónt terwijl je váder en moeder gebrek lijden’. De hysterie waarmee het werd opgefokt, met dikke ogen van nijd.’
    Vaker dient het dagboek voor een terugblik op gebeurtenissen van de afgelopen weken of soms maanden, het is dan niet echt een dagboek maar een in retrospectie geschreven ‘waar verhaal’. Ook Hans Warren kan in zijn dagboek niet meer zijn dan de denkende hoofdpersoon in een onaf levensverhaal. Maar deze hoofdpersoon analyseert zo scherp wat er gebeurd is en probeert zo sterk te anticiperen op wat in de toekomst verscholen is, dat er vanzelf spanning ontstaat bij de lezer: zal hij gelijk krijgen of loopt het toch weer anders? Als boeiend verhaal heeft dit dagboek alleen het manco dat Warren sommige gebeurtenissen niet op papier kan krijgen zodat er nogal eens hiaten vallen. Soms moet de lezer het doen met een korte wrevelige opmerking: ‘nu dan, de vriendschap met Florus heb ik een week geleden beëindigd. Ook Robert zie ik nooit meer.’

    Warren vraagt zich in zijn notities geregeld af wat de oorzaak kan zijn dat hij gebeurtenissen die hem erg raken vaak niet in het dagboek kwijt kan. Ik denk dat het een gezond schrijversinstinct is dat een rasschrijver als Warren heeft belet om dingen op papier te zetten waar hij op dat moment niet de goede woorden voor had. Als dagboekschrijver faal je dan, maar als schrijver doe je de beste keus als je alleen datgene verwoordt waarvoor je de woorden hebt. En juist die woorden zijn belangrijk bij een schrijver als Warren, die lyrisch dichtersproza schrijft, ritmisch proza waarin elk woord het volgende oproept. Een genot om te lezen.

     

    Dit artikel verscheen in 1983 in Hollands Maandblad – 422/433

     

     

  • In memoriam Marga Minco (1920-2023)

     


    Een belangrijk schrijfster en groot stilist is overleden

    Marga Minco, die met haar verhalen over de oorlog grote indruk maakte, is op maandag 10 juli gestorven. Haar overlijden werd vrijdag 14 juli bekend gemaakt met een overlijdensadvertentie in het NRC. De vier dagen vanaf haar overlijden tot het wereldkundig maken, waren dagen van respijt, een niet weten dat een schrijfster niet meer onder ons was. Misschien dat daardoor haar overlijden geen ‘breaking news’ was. Ook het radioprogramma Met het oog op morgen opende er vrijdagavond niet mee, maar werd het overlijden van de schrijfster als programma onderdeel genoemd. 

    Marga Minco werd in 1920 geboren als Sara Menco in een orthodox Joods gezin in Brabant. Haar ouders, broer en zus en verdere familie overleefden de vernietigingskampen niet. Door onder te duiken en ‘geluk’ te hebben, kwam Minco als enige overlevende uit de oorlog. Dat geluk bestond eruit dat ze tijdens de oorlog meerdere razzia’s – waar joodse gezinnen op ruwe wijze uit hun huizen werden gehaald – meemaakte en waarbij ze door het oog van de naald gekropen is.

    Door het oog van de naald

    In het hoofdstuk ‘De Lepelstraat’ (Het bittere kruid), beschrijft ze hoe ze op weg vanuit de Sarphatistraat voor een boodschap voor haar moeder, de Lepelstraat inliep. Van de andere kant kwam een overvalwagen met mannen in uniform de straat inrijden. ‘Ze sprongen er gelijktijdig aan weerskanten uit, liepen naar de huizen en duwden de deuren open.’ Een van de mannen kwam op haar toe, sommeerde haar in te stappen, wat ze weigerde. De man drong aan.

    ‘Nee’, zei ik nog eens duidelijk, ‘ik woon niet in de Lepelstraat. Vraag aan uw commandant of u mensen die in een andere straat wonen ook mee moet nemen.’ Toen mocht ze gaan. In een volgend hoofdstuk dringen twee mannen het huis van haar ouders binnen om hen op te pakken. Zij zal hun jassen pakken, maar vlucht via achterdeur en tuinpoortje de straat op. Later overkomt het haar als ze met haar broer en schoonzus wil onderduiken. Met koffers stappen ze in Utrecht Centraal op de trein. Dan wordt de schoonzus opgepakt, haar broer stapt uit, zij blijft zitten, de trein rijdt weg.

    Minco vond zichzelf geen slachtoffer van de oorlog, ze had geluk gehad, dat wel. ‘Als ik me realiseer dat ik opeens oud ben. Waarom ik? Mijn zusje was een veel liever kind.’ Dat je pas na de oorlog ten volle beseft wat er gebeurd was, wat je geliefden hebben meegemaakt. Minco leefde met die beelden en door haar boeken wilde ze haar familie laten doorleven, ‘daardoor zouden ze langer leven dan de tragische werkelijkheid’.

    Ze wilde niet gezien worden als een schrijver die de oorlog meemaakte, dat de oorlog haar tot schrijver heeft gemaakt. Ze schreef voor de oorlog al en soms vroeg ze zich af wat voor verhalen ze zou hebben geschreven als die er niet geweest was. Ze vermoedde dat ze dan veel vrolijker maar ook absurdistischer verhalen zou hebben geschreven.

    Ze observeerde graag mensen in hun doen en laten (dat observerende spreekt uit al haar verhalen), en schreef verhalen voor (haar) kinderen zoals Kijk ‘ns in de la, over een mannetje dat gaat fietsen en zijn tafel meeneemt. Een eerste versie van ‘De Lepelstraat’ schreef ze al in de oorlog, in 1942 kort nadat het gebeurde, maar raakte die kwijt.

    Bitterzoet liefdesverhaal

    Er is een verhaal van Marga Minco dat ik me herinner als een bitterzoet liefdesverhaal. Soms wilde ik het nog eens lezen, maar vond het nooit meer terug, begon er zelfs aan te twijfelen of het wel van haar was. Zij schreef immers geen liefdesverhalen. Het ging over een jonge vrouw die na de oorlog voor weken naar een vissersdorpje in Zuid-Frankrijk vertrekt. Er is een echtgenoot en een minnares, er komt een Franse geliefde bij. Ik herinnerde me een paperback, maar bezat die schijnbaar niet meer.

    Nu ze er niet meer is, en ik al haar boeken weer opensloeg, er in begon te lezen, vond ik dat verhaal terug. Het is opgenomen in de kleine roman Een leeg huis, dat volgde op Het bittere kruid. Het is een intens verhaal over de jaren na de oorlog, zoekend naar verbinding, liefde, maar daarentegen was er eenzaamheid, doelloosheid en het verlangen een ander leven te vinden.

    Dat is wat Sepha (alter ego van Minco)) in Zuid-Frankrijk vond, een ander leven. ‘Ik stond op het strandje tussen de vissersvrouwen de boten na te wuiven, ging mee op de sardinevangst. Na het binnenlopen hielp ik met het dragen van de manden. In de winkel stond ik mee te praten over de schaarste van de levensmiddelen, de schade aan de oogst, en dat alles zo duur was geworden. (…) en leefde als de anderen op nouilles en geroosterde vis, brood en wijn en vruchten. Ik was van hier.’ Nu ik het opnieuw lees, is eens temeer de verlorenheid van generaties, de leegte van een leven zonder voorland voelbaar.

    Het is de zakelijke vertelstem, de summiere tekst die ze gebruikte om haar verhaal te doen, die de ernst en ontsteltenis over het gebeurde des te heftiger maakt. Juist nu, nu Minco er niet meer is, lijken haar verhalen, waar het gaat over menselijke verhoudingen, aan impact gewonnen te hebben. Door de tijd heen geven haar boeken steeds meer de gevolgen prijs van oorlogsgeweld. Ze schreef een klein maar kostbaar oeuvre bij elkaar.


    Marga Minco werd tijdens haar leven meermaals gelauwerd en kreeg 
    op 98-jarige leeftijd voor haar hele oeuvre de P.C. Hooftprijs (2019). Eerder ontving ze onder meer de Constantijn Huygensprijs (2005) en de Annie Romeinprijs (1999). Het bittere kruid werd in 1957 bekroond met de Multatuliprijs. Er wordt door Yra van Dijk en Judit Gera gewerkt aan de biografie van Marga Minco die zal verschijnen bij Prometheus.

     

     


    Bronnen: Interview Elsbeth Etty, Ons Amsterdam (2020)
    2Doc, ‘De schaduw van de herinnering’ (2011)

    Afb. Foto uit de documentaire

     

  • Oogst week 15 – 2023

    Onze voorouders ('I nostri antenati')

    Italo Calvino (Cuba, 1923) is één van die schrijvers die de oorlog niet slechts beschrijft vanaf de veilige zijlijn: tijdens de Tweede Wereldoorlog zit hij daadwerkelijk in het Italiaanse verzet. Na de val van Mussolini studeert Calvino literatuurwetenschappen in Turijn en sluit hij zich aan bij de Italiaanse communistische partij, die hij in 1957 weer verlaat. Ondertussen blijkt hij een productief schrijver. Nagenoeg alle romans die uit zijn pen vloeien, vallen op door magisch-realisme enerzijds en door een grote maatschappelijke betrokkenheid anderzijds. In 1960 verschijnt Calvino’s trilogie ‘I nostri antenati’, Onze voorouders.

    Pas in 1986, een jaar na Calvino’s heengaan, publiceert Bert Bakker eindelijk de Nederlandse vertaling. Heinrich Heine merkte niet voor niets ooit op: ‘In Holland passiert alles erst dreissig Jahren später.’ Het is een drieluik van Calvino’s vroegere novellen De gespleten burggraaf, De baron in de bomen en De ridder die niet bestond. Uitgeverij LJ Veen Klassiek geeft het nu opnieuw uit, na Calvino’s werken De onzichtbare steden, Als op een winternacht een reiziger en Waarom zou je de klassieken lezen? LJ Veen Klassiek wil Nederland laten ontdekken waarom het Calvino zou moeten lezen!

    Onze voorouders ('I nostri antenati')
    Auteur: Italo Calvino
    Uitgeverij: LJ Veen Klassiek

    Uitzicht van dichtbij

    In een artikel voor Vice schrijft Megan van Kessel (1989): ‘Ik ging na waarom het schrijven van mijn boek inmiddels al net zo lang duurt als het leven van een gezonde cavia.’ Deze plompverloren nuchterheid had zo uit de koker van Paulien Cornellisse kunnen komen. Het alledaagse dat tegelijk het bijzondere daarvan benadrukt, valt onder Nieuwrealisme. Van Kessels debuut, Uitzicht van dichtbij, maakt het leven op het platteland, moederschap en tuinieren tot iets uitzonderlijk gewoons. De wat paradoxale titel is behalve een uitzicht van dichtbij, eveneens een zeer lezenswaardige focus van veraf. Maar waarop?

    Bij het eerder aangehaalde stuk in Vice schampert Van Kessel over haar eigen werk: ‘… wat ik op papier zette [was] niet veel spannender dan een gemiddelde gebruiksaanwijzing van aspirine.’ Op deze zelfkritiek valt een hoop af te dingen. Talloze auteurs gingen haar voor in het schrijven over banaliteiten. Het kan haast niet anders of Van Kessel is een begenadigde stilist. Het medium Papieren helden omschrijft haar werkethiek als volgt: ‘Toen ze moeder werd en nooit meer tijd had, ging het beter met schrijven.’ Dit heeft dus geleid tot Uitzicht van dichtbij. Het wordt hoog tijd de schrijfkunsten van de Waalse van dichtbij te bewonderen.

    Uitzicht van dichtbij
    Auteur: Megan van Kessel
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Schrikkeljaar

    Als de titel van Anka Hashins literaire debuut, Schrikkeljaar, een voorbode is voor haar productiviteit, zitten we voorlopig geramd. In dit boek geeft Hashin (1980) volgens de Oost-Europese traditie en tóch in geheel eigen stijl een kleurrijk beeld van haar inmiddels niet meer bestaande vaderland: de Sovjet-Unie. De nostalgie voor haar geboortegrond gaat wel wat dieper dan de ‘industrieel-dus-gaaf-lampje’-fabriekshallenromantiek. Hashin is naast auteur beeldend kunstenares. Ze interesseert zich bovenmatig voor het spanningsveld tussen het vergane en het moderne, conservering en verwaarlozing.

    Volgens Uitgeverij Vrijdag is Schrikkeljaar een verhalenbundel die de grens tussen mens, dier en andere schepsels vervaagt. Het motto bij één van Hashins verhalen komt van Günter Grass: ‘De vogelverschrikker is gemaakt om op de mens te lijken.’ Weliswaar niet als een vogelverschrikker, maar als een piloot in alwetend perspectief beziet Hashin de teloorgang van de Sovjetrepubliek. Het literaire maandblad waarvoor Hashin schrijft, Znamya, betekent bovendien ‘spandoek’. Daarom zou Schrikkeljaar weleens de perfecte luchtreclame kunnen zijn voor de eersteling van Anka Hashin.

    Schrikkeljaar
    Auteur: Anka Hashin
    Uitgeverij: Uitgeverij Vrijdag
  • Handlangers – Willem Bijsterbosch, (1985)

    Recensie door: Rein Swart

    Sterk prozadebuut van een veel te jong overleden schrijver

    Bijsterbosch schrijft zoals een kop koffie soms smaakt: verkwikkend. Hij zegt geen woord teveel, de korte zinnen geven snelheid aan het verhaal, dat de onzekerheid van de liefde en wel speciaal de jongensliefde tot onderwerp heeft. Bijsterbosch beschrijft het nogal rauwe circuit waarin sommige homoseksuelen aan hun gerief proberen te komen. De ik-figuur wordt ook nog eens verliefd op Bernd, die hij tijdens een vakantie in Berlijn in ‘dé hotspot in town’ ontmoet. Nadat ze door een stel jongeren buiten op straat zijn aangevallen, belandt Bernd in een ziekenhuis. De ik-figuur zoekt hem daar op. Hij kan Bernd niet uit zijn gedachten zetten. Berlijn is Bernd geworden. Terug in Nederland heeft hij last van liefdesverdriet. Zijn weldoener, de oudere Anton, die oorspronkelijk uit Berlijn komt en hem daar naar toe heeft gestuurd, wil liever spannende – zeg maar geile – verhalen van hem horen. Het is de ik-figuur niet duidelijk wat de man nou van hem denkt. ‘Ik vroeg me af of hij wijs en bezorgd was of gewoon jaloers.’ Anton is ook niet de held die hij tegen de ik-figuur voorgeeft te zijn, maar eerder een praatjesmaker.

    Ook van Bernd, die hij al gauw de chef noemt, is hij niet zeker. Als hij hem in het ziekenhuis bezoekt houdt hij diens afstandelijkheid voor verlegenheid. Als Bernd later naar Den Haag komt wordt de ik-figuur gekweld door onzekerheid.
    ‘Zouden we weer tegenover elkaar staan als uit die kelder in Berlijn omhoog gekomen? Onhandig en schuchter hadden we met neergeslagen ogen onze namen gezegd, zacht elkaars namen overgenomen, en elkaar aangekeken alsof we iets stouts gedaan hadden.’
    Hoe moest dat in het volle daglicht, ‘beschermend en onbeschermd tegelijk’?
    ‘Verliefd,’ zegt de ik-figuur in een terugblik, ‘dat was van de ene verbazing en stortkoker van emotie in de andere. Ik wist me geen raad, tippelde al die dagen achter Bernd aan, fladderde met liefde om hem heen, tot hij me wegsloeg als een vlieg.’
    Maar daarvoor liggen ze nog samen vredig in bed.
    ‘Bernd sliep kalm en rustig in en ik waakte over hem. Nu en dan legde ik mijn hand op zijn schouder, die hij in slaap weer afschudde, of raakte door het laken heen zijn billen aan, sentimenteel als een oude vrijster die een bloedjonge soldaat krijgt ingekwartierd.’

    De ik-figuur gaat Anton zien als een soort moeder en hij besluit dat hij zijn nieuwe vriendje niet aan hem zal voorstellen, maar later stuurt Anton een brief dat hij Bernd graag wil zien, hetgeen ontwikkelingen in gang zet die de onzekerheid nog vergroten.
    Naast het hoofdverhaal speelt het verhaal van Franz, de zoon van de hospita van Bernd, die door zijn vriend Wolf werd doodgestoken. Ook in de relatie tussen de ik-figuur en Bernd speelt sado-masochisme een rol.

    De ik-figuur leest regelmatig in de briefroman Hyperion van de lyrische dichter Hölderlin. Ook dit verhaal gaat over de kwetsbaarheid van de mens en zijn verlangen naar liefde, maar medemensen zijn niet meer dan handlangers, lieden die hand en spandiensten verlenen en trouw is handlangerstrouw.

    Bijsterbosch geeft rake beschrijvingen bijvoorbeeld van het station, waar de ik op Bernd wacht: ‘Personeel ging al rond met grote boenmachines, en hoerejongens, zwervers, een rastagekapte neger en besnorde rangeerders in versleten werkbroeken slenterden rond of leunden tegen de kiosken. Nu en dan ratelde het treinverkeerbord en daalde over ons het kling-klong-dames-en-heren van de vrouw zonder lach die in de kassaruimte woonde en vandaar later onbewogen Bernd’s komst meldde.’

    Intens en vitaal, gejaagd en direct zijn steekwoorden, die bij dit romandebuut passen.

    ‘Twee jongens uur na uur, dag na dag samen, kwebbelziek en verliefd, dat is vermoeiend, zeker. Geluk put sowieso uit als je er eigenlijk geen raad mee weet,’ zegt de schrijver in de gedaante van de ik-figuur op het eind. Dat hij moge rusten in vrede.

    Handlangers

    Auteur: Willem Bijsterbosch
    Verschenen bij: Uitgeverij Bert Bakker (1985)

    Willem Bijsterbosch is in januari 2010 overleden. Handlangers is alleen nog antiquarisch verkrijgbaar.