• Ademloos luisterend en enthousiast applaudisserend publiek

     

    Na twee weken dagelijke literaire festiviteiten in Utrecht sloot ILFU op 5 oktober traditiegetrouw af met de Nacht van de Poëzie.



    Onder het motto van M. Vasalis, ‘Er is geen nacht oneindig en geen stilte stil’, traden 
    tijdens de 41ste Nacht van de Poëzie twintig Nederlandse en Vlaamse dichters op in Tivoli Vredenburg in Utrecht. Voordat de de Nacht begon dwaalden bezoekers vol verwachting door de immer onoverzichtelijke rondgangen. Eenmaal in de zaal aanbeland trekken grote schermen de aandacht, waarop geprojecteerde foto’s van dichters die tijdens eerdere Nachten hebben opgetreden. Het vervult de bezoeker met een zekere nostalgie en droefenis. Want oh, oh, oh, wat zijn er al veel van die gasten niet meer onder ons! Gerrit Komrij, Leo Vroman, F. Harmsen van Beek, Menno Wigman en ga zo maar door: allemaal dood.

    Het woord oorlog

    De brute actualiteit van de boze buitenwereld gaat aan de grote rode zaal vol poëzie in Utrecht niet voorbij. Zelden viel op een avond als deze zo vaak het woord ‘oorlog’. Terloops misschien – maar toch. Mahat Arab, Spoken Word Artist, geboren in Ethiopië en opgegroeid in Arnhem die vorig jaar de Nacht afsloot en traditiegetrouw de Nacht mag openen, brengt zijn taal en professie meteen in stelling met de zinsnede: ‘ik dacht dat poëzie verzet was’. Anna Enquist, grand old lady van de Nederlandse poëzie, wil volgens de aankondiging iets belangrijks zeggen met ‘gevonden voorwerpen’. De zaal luistert ademloos, applaudisseert enthousiast, en ook bij Enquist valt het woord: ‘Vrijheid heeft steeds nieuwe oorlog nodig’. Peter Verhelst (’een prijsbeest’) leest eveneens een oorlogsgedicht voor. Met Daan Doesborgh staat er een dichter op het podium die net zo goed performer is. Ook hij refereert aan oorlog (met water als inzet) en raakt het publiek met een ontroerend gedicht over een jong gestorven vriend: 

    ‘Spijt dat je niet het onmogelijke hebt gedaan
     Bestaan in het volle licht van het bestaan’

    Bibi Dumon Tak was vereerd dat ze voor deelname aan de Nacht werd gevraagd. Ze had echter naar eigen zeggen zo weinig poëzie geschreven dat ze vreesde de toegemeten zeven minuten niet vol te krijgen – maar dat lukte prima. Haar voordracht liep over van aandacht en liefde voor dieren. Tamelijk onpoëtisch en zeer indringend nam de dichteres de zaal mee op sleeptouw in het kielzog van een transport per vrachtwagen van pasgeboren kalfjes. Honderden kilometers lang, kriskras door Europa. En een non-fictie prozafragment over evenhoevigen (wel de koe, niet de tapir) liet zich perfect poëtisch vertolken. 

    De lach, die toch kwam

    Ted van Lieshout spreekt het publiek direct aan als hij de denkbeeldige vraag verwoordt: ‘Ga je ons laten lachen? Nee.’ Waarna een aangrijpend gedicht volgt over zijn overleden jongere broer. De toehoorders krijgen geen tijd om het effect op zich te laten inwerken, want hoe pregnant Van Lieshout het publiek met dit gedicht ook benadert, hij doorbreekt de opgeroepen stemming door de voordracht direct te vervolgen met de verzuchting, ‘Erg hè?’. Waarna er alsnog genoeg is om hard om te lachen.

     

     

    Als immer tijdens de Nacht worden voordrachten van dichters afgewisseld met entr’acts. Deze zijn doorgaans van zeer hoog niveau. Zo kreeg theatermaker Steef de Jong het publiek op de banken met zijn hartveroverende presentaties: vernuftige kartonnen constructies, De Jongs performance en de verbeelding van de toeschouwers leidden tot een uitzinnig geheel. Hilarische slapstick, origineel en onweerstaanbaar: van een negentiende-eeuws operettefragment van Jacques Offenbach tot een optreden van Queen en een uitstapje naar de Oostenrijkse Alpen, waar Maria von Trapp de vreugde van muziek bezingt. Schijnbaar moeiteloos en opgewekt brengt Steef de Jong het in een dik kwartier allemaal voor het voetlicht.

     

     

    Heel anders van aard was de muziek van het Cello Octet Amsterdam. Deels ritmisch ‘monotoon’ en modernistisch, deels toegankelijk met een schitterende uitvoering van ‘Within you without you’ van The Beatles. Waarbij ‘When I’m 64’ de zaal zachtjes meezong.

    Geëngageerde poëzie  

    Ramsey Nasr dichtte en acteerde geëngageerd over Wilders en Rutte. En hoe een gedicht uit 2010 tegen de achtergrond van de actualiteit aan schrilheid heeft gewonnen. Met zijn opzwepende voordracht oogste Nasr een enorm applaus. En wat je voelde aankomen gebeurde inderdaad: Nasr citeerde de regels van Vasalis die het motto zijn van deze Nacht en vervolgde geëmotioneerd: ‘Lang leve Palestina’. Maarten Inghels probeert naar eigen zeggen al twintig jaar te stoppen met schrijven. Gelukkig slaagde hij daar niet in – en blijkens zijn website doet hij bovendien nog veel meer. Zijn voorstel voor een voetbalwedstijd tussen tweemaal elf bomen (een team inheemse, een team uitheemse bomen), die in de loop van honderd jaar ‘naar elkaar toe groeien’ was een verbluffend staaltje van de grenzeloos rekbare mogelijkheden van de poëzie. Roan Kasanmonadi – schrijver, danser, psychiater in opleiding – demonstreerde aanstekelijk en overtuigend dat de wijze waarop games zijn gestructureerd, ook een prima kapstok kunnen zijn voor gedichten.    

    Soms ongemakkelijk, immer poëtisch

    De  entr’acte van Brilhang, rapper uit Knokke-Heist, paste met zijn prachtige teksten, uitgevoerd in het West-Vlaams en indringend begeleid op een synthesizer naadloos tussen de andere poëtische voordrachten. Veel dichters vertolkten gedragen lange teksten, bezwerend, verhalend, soms sprookjesachtig, soms ongemakkelijk, immer poëtisch. De finale entr’acte van de Nacht behelsde een muzikaal spektakel opgevoerd door een ensemble bestaande uit negen vrouwen dan wel non binaire bandleden. Veel bezoekers waren al vertrokken maar de blijvers hadden gelijk en dansten de vermoeidheid uit hun ledematen. En konden zo om kwart voor drie nog aandachtig luisteren naar de laatste dichter, Yentl van Stokkum, die traditiegetrouw volgend jaar de 42e Nacht mag openen.

    Buiten de zaal was er gedurende de hele Nacht de roezige dynamiek van boekverkoop, stands van poëzie-uitgevers, tijdschriften als Vooys en Awater, signeersessies. Wie wilde kon terecht in een literaire tattooshop of naar een poëzie apotheek.
    ‘Wat goed dat dit bestaat!’, begon dichter Bernard Wesseling zijn voordracht. Daaraan hoeft niets meer te worden toegevoegd.

     

     

    Foto’s: Reinder Storm

     

  • Poëzie om de wereld te kunnen aanzien

    Poëzie om de wereld te kunnen aanzien

    Wie tegen de vijftig loopt en daarmee statistisch gezien de helft van zijn leven achter zich heeft, gaat zichzelf onwillekeurig vragen stellen over de eerste helft: Wie was ik vroeger? Ben ik geworden wie ik altijd al wilde zijn? Wat doe ik met de rest van de mij toegemeten jaren?

    Ook Bernard Wesseling stelt die vragen in zijn nieuwe bundel Ontkrachtingen en Affirmaties. Maar bovendien vraagt hij zich af hoe hij zich nu verhoudt tot de wereld, vergeleken met vroeger. De titel van de bundel geeft dat al aan: wat kan ik behouden van vroeger, wat is vals gebleken? Wat neem ik mee, wat wijs ik af? Wat is waan, wat zijn zekerheden? In de gedichten kijkt Wesseling met een kritisch oog naar de wereld en naar zichzelf. De afbeelding op de voorkant speelt met vroeger en nu door de woorden van klein naar groot en andersom te laten gaan, alsof daarmee vertrek- en eindpunt steeds gewisseld worden, van verleden naar toekomst.

    De bundel bestaat uit twee naamloze afdelingen, die vooraf gegaan worden door een inleidend gedicht, waarin het jongere zelf van de dichter zich in een brief, een ‘memo’, richt tot het oudere zelf en verantwoording aflegt: ‘Als ik de aanjager was van je ongeluk, dan ook de vonk van je levenslust.’ Met andere woorden: aanvaard wie je was, want het is de kern van wie je nu bent.

    Verzoening

    In de eerste afdeling wil de dichter de wereld doorgronden waarin hij is opgegroeid en die hij nu om zich heen ervaart. Maar vooral is het een poging tot verzoening van de staat van de wereld zoals die is met de mate waarin de dichter die kan bevatten. De wereld dringt zich in de poëzie naar binnen. Dat blijkt al uit het eerste gedicht, ‘Heenkomen’, dat in drie delen vertelt over de geboorte van een kind dat verwekt werd tijdens de vlucht van zijn ouders, die hun thuisland hebben verlaten omdat het er niet veilig was:

    ‘pijnlijk aanwezig, nerveus door omstanders bekeken bij het inschepen
    voor de overtocht naar het Avondland om in die nacht van onbekend
    op onbekend, boven het onpeilbaar diep,
    met de schreeuw waarmee het tijdelijke voor het eeuwige wordt verwisseld,
    buiten territoriale wateren te worden geboren […]’

    Ook wordt er een tolk aan het woord gelaten in het gedicht ‘Een tolk spreekt zich uit’, die een nieuwkomer probeert uit te leggen hoe we hier in Nederland leven. Het is een gematigd kritische zelfbeschouwing: ‘Het moet gezegd: hier hangt de vlag uit van verdraagzaamheid,/ maar het is de handelsgeest die erdoor waait.’

    Wesseling beziet de hem omringende wereld met een milde blik als hij dicht over Jehova’s getuigen, over anarchisten in de trein, een achterneef in een inrichting, of met een aaneengesloten prozagedicht een pagina lang de zaterdagmarkt beschrijft. Het zijn alledaagse dingen en alledaagse mensen die hij beschrijft, maar de buitenwereld en de eigen beleving kunnen moeilijk van elkaar gescheiden worden in een gedicht als ‘Ontwijding’ of ‘Bekentenisgedicht’, waarbij in het eerste sprake is van kindermisbruik en in het tweede van een vroegere relatie met een man.

    Meerdere keren lezen

    Deze gedichten vormen de verbinding naar de tweede afdeling, waarvan de gedichten veel persoonlijker zijn en de altijd aanwezige invloed van de maatschappij minder sterk naar voren komt. Zoals in de eerste afdeling de wereld in de poëzie doordringt, zo kan het andersom ook: poëzie kan een manier zijn om de wereld toe te laten in je persoonlijke leven, een gewaarwording die beide elementen verbindt. In deze afdeling gaat het over de toevalligheid van het bestaan, over ‘Ongerijmdheden’, over de onlogische hoop dat het toch wel in orde zal komen met de wereld. Over het doorgronden van waar je vandaan komt en hoe dat je heeft beïnvloed in je verdere leven.

    Hoewel Wesseling altijd de stijlfiguur ironie hanteert, zijn de gedichten in deze afdeling overtuigender, alsof hij de onderwerpen dichter op de huid zit en niet alleen maar toeschouwer is, maar ook medespeler. Zoals in het lange gedicht ‘Het meesterwerk. Een vertelling met verbeterd einde’, waarin een kunstenaar na het scheppen van zijn beste werk het gevoel krijgt dat er geen ruimte is voor hen beiden: hij moet het kunstwerk vernietigen of de hand aan zichzelf slaan. De laatste versregels luiden: ‘Nee, dacht hij in een pijnlijk helder moment, dat werd afgedwongen door de nabijheid / van het meesterwerk, ik zou het niet verdragen als het genegeerd werd zoals ik een / van hen ben, zo is het van iedereen.’
    De solitaire liefde voor het kunstwerk moet het afleggen tegen het gevoel bij de anderen te willen horen.

    Het taalgebruik van Wesseling is zorgvuldig en overdacht, zijn beeldspraak verrassend en origineel. Zo zegt hij in het gedicht ‘Regen’ dat je aan de regen kunt zien ‘dat de hand van de schepper die van een striptekenaar is’, omdat regen de wereld lijkt te arceren.

    Het al eerder genoemde gedicht ‘Lofzang op de zaterdagmarkt’ beslaat een hele pagina zonder dat er een komma in te bespeuren valt en met slechts één punt achter het allerlaatste woord, een kunstgreep die de opsomming van wat er te zien is ademloos omhoogstuwt in een sneltreintempo. En in het gedicht ‘Kunstenaars zijn despoten’ beweert de dichter: ‘De muze, mensen, / is een dominatrix. Koudbloedig, in spiegeld latex, rijzweep ter hand, / door hen, zinnelijke beesten, het is waar, zelf aangereikt.’

    De gedichten zijn lang en de zinnen hebben de hele bladspiegel nodig. Hoewel het taalgebruik van Wesseling niet moeilijk is, moet je toch vaak meerdere keren lezen waar het eigenlijk over gaat. Ook gebruikt de dichter veel adjectieven en houdt hij van opsommingen, waarbij je in de gaten moet houden wat het uitgangspunt is. Zo spreekt hij in het gedicht ‘In de trein zit een jonge anarchist’ in de tweede strofe over wat poëzie niet is:

    ‘Poëzie, denk je, is toch vooral veel dingen niet: de agitprop van het pamflet,
    je intelligentie in quotiënten, wenskaartsentimenten, sussende sofismen,
    de santenkraam van naam en faam, de sekse strijd, meteorologische huzarenstukjes,
    intertekstuele hoogstandjes, de tijdgeest gebotteld, de toekomst ontkurkt,
    de viering van vulgariteit, en al helemaal niet De Waarheid in kapitalen…’

    Wat poëzie dan wel is? In een interview met Frits Spits in ‘De Taalstaat’ verklaart Wesseling dat ‘poëzie het middel bij uitstek is om de wereld te kunnen aanzien zonder te verstarren, een manier van leven, een religie voor ongelovigen, een manier van vertrouwen in wie je bent en de vorm waarin je jezelf wilt gieten.’ Met deze affirmaties kan de dichter met een gerust hart aan de tweede helft van zijn leven beginnen.

     

  • Oogst week 13 – 2021

    De eerste vrouw

    In De eerste vrouw van Jennifer Makumbi groeit het leergierige kind Kirabo op te midden van familie. Haar moeder heeft ze echter nooit gekend en ze is opgegroeid bij haar grootouders. Haar omgeving in het Oegandese dorpje Nattetta lijkt haar te dwarsbomen als ze op zoek gaat naar de vrouw uit wie ze voortkwam. Zelfs van haar vader, die ze wel kent, wordt ze niets wijzer. Kirabo is ook een merkwaardig kind. Ze kan bijvoorbeeld uit haar lichaam treden.

    In het eerste hoofdstuk van de roman besluit ze de blinde dorpsheks Nsuuta te raadplegen. Die weet haar het vertrouwen te geven dat haar uittredingservaringen haar in staat stellen de oorspronkelijk vrouw te vinden die nog niet is gekneed voor de mannenmaatschappij. De roman is gebaseerd op het Oegandese scheppingsverhaal van de eerste vrouw.
    De eerste vrouw begint in 1975 als dictator Idi Amin aan de macht is. Het is de tweede roman van Makumbi van wie in 2020 Kintu in het Nederlands verscheen.

    De eerste vrouw
    Auteur: Jennifer Nansubuga Makumbi
    Uitgeverij: Cossee

    Beer

    In april verschijnt Beer van de Canadese schrijfster Marian Engel (1933-1985). Het origineel is al uit 1976 en is nu in het Nederlands vertaald door Barbara de Lange. Het boek oogstte nogal wat kritiek om de seksuele en spirituele relatie die de 27-jarige bibliothecaresse Lou krijgt met een beer. Dat gebeurt als ze op een verlaten eiland, waarop ze zich heeft teruggetrokken om de bibliotheek van een excentrieke kolonel te catalogiseren, ontdekt dat er buiten haar nóg een bewoner is, de beer.

    Margaret Atwood loofde het als een vreemd en wonderlijk boek en een verontrustend sprookje.

    Beer
    Auteur: Marian Engel
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik BV

    Revisor Binnenpost

    ‘Als ik ’s ochtends aan het fietsen ben, trap ik alle tegenstrijdige gedachten, alle onzekerheid, alle schuldgevoelens en frustratie er even uit en ben ik gewoon lichaam, een steeds makkelijker heuvel op fietsend lichaam. Ja, dit jaar is het jaar van het lichaam. Van medelichamen (…) Is 2020 niet ook een jaar geweest waarin jij je juist geconfronteerd zag met je lichamelijkheid en met een zekere blindheid? Door jouw ervaringen met ziekte en isolatie kan ik me dat goed voorstellen, maar misschien heb ik het verkeerd. Is jouw glas halfvol of halfleeg? En heb jij nog woorden, voor nu de échte, allerlaatste brief?’

    Het is een fragment uit een brief van Alfred Schaffer aan Bernke Klein Zandvoort, één van de bijdragen aan Binnenpost, het nieuwste nummer van De Revisor. Daarin schrijven zes auteurs elkaar in 2020 vanuit vier landen 22 brieven over wat de coronapandemie voor hen betekent. Naast de twee genoemden zijn dat Roos van Rijswijk, Sander Kollaard, Bernard Wesseling en Neske Beks. Ook opgenomen is Aantekeningen uit het moeras van Eva Gerlach.

    Revisor Binnenpost
    Auteur: Diverse auteurs
    Uitgeverij: Querido
  • Als een traag stromende meanderende rivier

    Als een traag stromende meanderende rivier

    In de roman Midzomer, stadsmoe van Bernard Wesseling leidt Rochus Veldman een tamelijk doelloos leven. Als fietskoerier doorkruist hij dagelijks Amsterdam terwijl hij daarbij regelmatig het onzekere lot van zijn vermiste vriend Sjako overpeinst. Soms lijkt hij hem vanaf een afstand te zien, maar als hij de betreffende persoon nadert blijkt het toch weer iemand anders te zijn. Rochus en Sjako waren ondanks hun grote verschillen onafscheidelijk van elkaar. Rochus wil door het leven gaan zonder in al te veel conflictsituaties verzeild te raken terwijl Sjako vooral de rebel was. Sjako vond dat er constant stelling moest worden genomen tegen de burgerlijkheid van de samenleving en de machtsstructuren waaronder de samenleving volgens hem gebukt gaat. Bernard Wesseling debuteerde in 2004 op 25-jarige leeftijd met de roman De favoriet. Daarvoor genoot hij al enige faam als slamdichter. In 2006 won hij met zijn dichtbundel Focus de C. Buddingh-prijs voor beste debuutbundel. Met zijn tweede dichtbundel Naar de daken werd hij genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs.

    Poëtische observaties

    Zijn achtergrond als slamdichter is merkbaar in de tweede roman van Wesseling. De zinnen lezen bij tijd en wijle als verf dat met klodders op het canvas is gesmeten. Elke zin lijkt dan ook een losse indruk van het leven te zijn. Het resultaat is een af en toe wat moeilijk te volgen verhaal zonder duidelijke richting, maar misschien was dat ook wel de bedoeling van de schrijver. Het leidt in elk geval tot soms mooie poëtische observaties: ‘Als ik naar huis loop zie ik onder de kap van de remise een trambestuurder die in zijn tram in slaap is gevallen. Zijn gezicht helverlicht in de cabine, het blauwe jasje dat over de hoge stoel hangt. Omringd door gestalde trams droomt hij zeker van open wegen, zonder dwingende sporen, eindeloos.’

    Aanvankelijk lijkt het er op dat Midzomer, stadsmoe vooral gaat over de zoektocht naar Sjako, maar uiteindelijk gaat het vooral over de queeste van Rochus naar zichzelf. Wie is hij en wat verwacht hij van het leven? Zijn onmacht om deel te nemen aan het leven lijkt te eindigen als hij Alma tegenkomt. Zij neemt hem op sleeptouw en haalt hem over om met haar mee te komen naar het Griekse eiland Lesbos om bootvluchtelingen te helpen. Even lijkt hij een doel in het leven te hebben gevonden en komt er opeens ook wat meer vaart en structuur in het verhaal. Rochus wordt geconfronteerd met vluchtelingen wier levens op drift zijn. Mensen die huis en haard hebben moeten verlaten voor een onzekere toekomst. Hij wordt er geconfronteerd met een gevoel van onvermogen om daadwerkelijk iets voor een ander te betekenen.

    Afstandelijke beschouwingen

    Tot echte interessante bespiegelingen leidt het echter niet. Noch over de vluchtelingencrisis noch over zijn verhouding tot andere mensen en zijn eigen toekomst. Het blijft bij een enkele overpeinzing zoals deze: ‘Alles wat we uitwisselen lijkt van levensbelang. In geen tijden is kennis zo kostbaar geweest. Als ijverige biografen blijven we doorvragen tot het onderwerp is uitgeput, klaar om te worden gekoesterd als wezenseigen. Ik ontdek opnieuw: wie je bent ben je met anderen. Wat je bent ben je alleen. Maar bij hoge uitzondering, zoals nu met Alma, kan het gebeuren dat iemand je wat-heid vat. Ja, zoals ook zij voor mij een begrip is: iets wat elke vergelijking tart.’ Een mooie doordenker over het leven, maar het blijven afstandelijke beschouwingen en we leren Rochus er nauwelijks beter door kennen. 

    Midzomer, stadsmoe blijft daardoor een verhaal dat aan de oppervlakte blijft steken. Het verhaal is als een traag stromende meanderende rivier, waardoor het af en toe dreigt te verzanden en het niet altijd even gemakkelijk is om de aandacht erbij te houden. Het pleit wellicht voor Wesseling dat hij de lezer niet te veel gemakkelijke antwoorden mee heeft willen geven. Het leven is immers zelden een mooi afgerond geheel, waarbij alle levensvragen worden beantwoord. Desalniettemin zou een wat strakkere vertelstijl een bevredigender leeservaring hebben opgeleverd. 

     

     

  • Oogst week 20 – 2020

    Autobiografie van een lijk en andere verhalen

    Het is meteen een intrigerende titel: Autobiografie van een lijk. Het is één van de zeven verhalen die zijn opgenomen in de bundel met dezelfde titel van Sigizmoend Krzizjanovski (1887-1950). De schrijver is een Rus van Poolse afkomst, die tevens librettist was onder andere van Prokofjevs Eugen Onegin. Van hem werden een paar jaar geleden al twee romans in het Nederlands vertaald. Zijn vertellingen zijn grotesk, absurdistisch, surrealistisch. Kauw maar eens op de volgende tekst: ‘Als één arbeider met één schop op één dag één kubieke meter graaft, dan zullen duizend arbeiders met die ene schop in dezelfde tijdspanne diezelfde kuub graven. Ergo: als we de belletristische bezetting reduceren, kan dat ene thema worden bediend door één pen van dienst. Geen honderd honoraria maar één, geen honderd oplagen van tienduizenden stuks, maar één oertotaaluitgave in miljoenvoud’.

    Autobiografie van een lijk en andere verhalen
    Auteur: Sigizmoend Krzizjanovski
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Midzomer, stadsmoe

    Schrijver en dichter Bernard Wesseling (1978) won in 2007 de C. Buddingh’-prijs voor zijn poëziedebuut Focus. Drie jaar eerder verscheen zijn romandebuut De favoriet. Nu is er opnieuw een roman, zijn vierde: Midzomer, stadsmoe, over de fietskoerier Rochus Veldman die achtervolgd wordt door de vraag wat er met zijn vermiste vriend kan zijn gebeurd. Een vriendin trekt hem de wereld weer in. Samen vertrekken ze naar Lesbos.
    ‘- Op Lesbos zijn we nodig. Niet dat we de problemen daar kunnen oplossen, maar het leed verzachten misschien. Oké, je twijfelt, ik zie het. Ik ook.
    – Waarom Lesbos?
    – Mijn vader zei dat ook: Waarom Lesbos? Waarom help je geen bejaarden, die massaal vereenzamen? Waarom vluchtelingen?’

    Midzomer, stadsmoe
    Auteur: Bernard Wesseling
    Uitgeverij: Querido

    Melancholie II

    ‘Stavanger, vroeg in de herfst, 1902: Oline loopt van de zee de steile helling op, steunend op haar stok loopt ze stapje voor stapje omhoog, en haar voeten doen zo’n zeer dat ze nog maar net vooruitkomt, maar het gaat, stapje voor stapje loopt Oline omhoog, in aar ene hand de stok, in haar andere een snoer met vis en wat dooet het zeer, denkt Oline…’. Deze opening van Melancholie II van de Noor Jon Fosse (1959) tekent meteen zijn vertelstijl met repeterende zinnen die vaak beginnen met ‘en’. De roman is een vervolg op Melancholie I, over de Noorse landschapsschilder Las Hertervig (1830-1902). Melancholie II speelt zich af op de sterfdag van de schilder en vertelt het verhaal vanuit het perspectief van zijn zus Oline.

    Melancholie II
    Auteur: Jon Fosse
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Een dichter die je kunt vertrouwen

    Een dichter die je kunt vertrouwen

    Soms hoef je maar één gedicht van iemand te lezen, om er achter te komen dat hij of zij een meesterdichter is. Natuurlijk, smaken verschillen; waar de één Faverey roemt, dweept de ander met Oosterhoff. Maar wanneer is iemand eigenlijk een meesterdichter? Dat is een interessante vraag, zowel voor poëziefanatici als voor huidige en toekomstige dichters. Bernard Wesselings jongste dichtbundel Naar de daken biedt hiertoe uitstekende onderzoeksmaterie. Bernard Wesseling en de Zoektocht naar de Meesterdichter.

    ‘Een dichter is een taalatleet/ die alle woorden die hij weet/ zo aan elkaar kan rijgen/ dat jij ervan gaat zwijgen’, zo definieert kinderboekenschrijfster Johanna Kruit in haar gedicht ‘Een dichter’ het eerbiedwaardige beroep van poëet. Spelen met taal dus! Acrobatische zinnen, zonderlinge woordkeuzes… Wie heeft niet wel eens die (op z’n zachtst gezegd) vreemde gedichten van de Amerikaan E.E. Cummings gelezen? En Cummings is een meesterdichter, a Master Poet, want hij heeft dat fabuleuze ‘anyone lived in a pretty how town’ geschreven. En hier in Nederland kennen we ze ook: Paul van Ostaijen bijvoorbeeld (‘Slinger/ Singer/ naaimasjien/ Hoort/ Hoort/ Floris Jespers heeft een Singernaaimasjien gekocht’), of Lucebert, of zelfs Marten Toonder.

    Hoe zit dat met Bernard Wesseling? Op eerste gezicht steekt hij wat ‘saai’ af tegen bovengenoemde personen. Geen ellenlange herhalingen, geen merkwaardige syntaxis, maar ‘gewone’ zinnen die veelal volkomen begrijpelijk zijn. Maar mevrouw Kruit bedoelt meer met bovenstaand citaat. Neem nou een regel als deze: ‘Je had me van de week voor de spiegel moeten zien:/ alarmerend ontwapenend stond ik daar.’ Als je erover nadenkt, besef je pas hoe knap zo’n formulering in elkaar steekt. Vooral dat ‘alarmerend ontwapenend’ is heel goed gevonden. Wij zouden het maar omslachtig beschrijven, met zinnen en bijzinnen en bijbijzinnen. Wesseling kan het in zestien woorden. Een meesterdichter dus? Volgens schrijver Theo Monkhorst, in een interview met het Meandermagazine, is een dichter echter ‘iemand die opschrijft wat hij niet weet’. Dat is wel even wat anders dan de ‘taalatleet’ van mevrouw Kruit. Hier geen romantische figuur maar een beroep voor mensen met een socratische bescheidenheid. Opschrijven wat je niet weet – hoe doe je dat? Hardop twijfelen, mijmeren? Pretenderen dat je wel wat weet? Wesseling schrijft zinnen als ‘Wie met zijn angsten hokt, kan niet laf zijn.’ Daar lijkt weinig onwetendheid in te schuilen in.

    Doch misschien zitten we wel helemaal op het verkeerde spoor. Het is maar de vraag of de kwaliteiten van de ‘grote’ dichters als voorwaarden voor een meesterdichterschap moeten gelden. Valt een goed dichter te onderscheiden op grond van een kort lijstje met regeltjes? Zouden we Wesselings Naar de daken aan zulk een ‘onderzoek’ onderwerpen, dan komt hij er maar matig van af. Vormvast à la Ida Gerhardt en Gerrit Achterberg? Nee. Gebruik van ready-mades, zoals door K. Michel? Nee. Actueel als Willem Elsschot? Nauwelijks.
    Wat er allemaal wél in de bundel zit, valt minder goed in een traditionele analyse te vatten. Humor, ja, dat zit er wel in. Met name de gedichten ‘Etiquette voor een sterveling’ en ‘Etiquette voor een toekomstige nabestaande’ zijn bij vlagen echt komisch. Op andere momenten wisselt deze humor af met een melancholische noot: zo vindt een zevenjarige ik-figuur onder in de door hem zo begeerde piratenboot ‘een ontredderde bouwvakker’. Ditzelfde geldt ook voor ‘Beëlzeblurb’, waarin de ik een praatje maakt met de duivel – een grappig verwoorde situatie, maar met een bitter doel: ‘Ik zei: zorg dat ik vergeet’.

    Het thema van de bundel is verlies, en alles wat daarbij komt kijken. Verlies van jezelf, van een dierbare, van het leven. De dichter onderzoekt dit in allerlei verschillende settings: een herinnering aan de kindertijd, een ontmoeting met zigeuners, een bezoekje aan een Bijbelkiosk. Dat dit breekt met de vaak programmatische en te allen tijde zo ongrijpbaar mogelijke poëzie van de postmodernisten, is voor Wesseling geen geheim. In het titelgedicht schrijft hij dan ook: ‘Naar de daken ja! En dan maar wachten tot morgen de luchten/ van postmodern blauw – het oude grijs – naar een trouwer blauw/ verschieten’.
    We moeten de dichter weer kunnen vertrouwen, en dat maakt Wesseling meer dan waar. De poëzie in Naar de daken valt te begrijpen, en dat is beter dan duizend metaforen en modernistische woordspelingen bij elkaar. Het leest uitermate gemakkelijk weg – en dat is heel bijzonder voor een hedendaagse dichtbundel. Het zijn gedichten die je als poëzieliefhebber aan de ongeïnteresseerde buitenwereld durft te laten zien: kijk maar, lees maar, het is niet altijd zo moeilijk. En daar schuilt Wesselings meesterschap. Hij schrijft werk dat boeiend is voor de doorgewinterde gedichtenwurm én voor de incidentele lezer, zonder aan taalkracht of diepgang in te boeten. En dat is knap.

     

     

  • Naar de daken – Bernard Wesseling

    Gesignaleerd door de redactie

    Naar de daken, de tweede bundel van Bernard Wesseling, is van een andere aard dan zijn bekroonde eersteling Focus. De dynamiek en levenslust krijgen gezelschap van een stilte waarin geprobeerd wordt iets te begrijpen van rouw en afscheid. Een hartstochtelijke poging tragedie in triomf om te zetten, waarbij steeds geldt: het is brille versus branie. Maar zonder iets af te dwingen, want zoals Wesseling zelf ergens zegt: ‘Neem de tijd, wees gerust onovertuigd’.

    Naar de daken werd lovend besproken in de pers:
    ‘Die Wesseling! Toch nog onverwacht een echte, zoekende dichter geworden.’ Vrij Nederland
    ‘Niet eerder had ik een bundel in handen met een dusdanig zware inhoud die zo plezierig was om te lezen, die in alledaagse taal allesbehalve doorsneeperspectieven biedt, die licht is, maar nooit oppervlakkig. Meer!, dacht ik toen ik de bundel uit had: Meer! Meer!’ Meander Magazine

    Bernard Wesseling (1978) debuteerde als prozaschrijver met de roman De favoriet, die zeer lovend ontvangen werd. Zijn eerste dichtbundel Focus (2006) werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut. In 2010 verscheen zijn roman Portret van een onaangepaste, in 2012 zijn tweede dichtbundel Naar de daken. Wesseling is actief als podiumdichter, trad veel op in Festina Lente, stond op de Nacht van de Poëzie en in talloze festivals.

     

    Naar de daken

    Bernard Wesseling
    Blz: 64
    Onlangs verschenen bij Uitgeverij Querido