• Oogst week 12 – 2019

    Ware aard gedichten

    In de oogst van deze week twee dichtbundels en twee vertaalde romans.

    Jan-Willem Anker (1978) debuteerde in 2005 met de bundel Inzinkingen. In de daaropvolgende vier jaar verschenen er nog twee dichtbundels. En daarna was het stil. Tot in 2012 Anker kwam met zijn romandebuut Een beschaafde man. Die zeer goed ontvangen werd. In 2017 verscheen de roman Vichy en nu zijn nieuwste dichtbundel Ware aard.

    In Ware aard maakt de dichter de balans op. Er lijkt een bepaalde leeftijdsgrens te zijn bereikt waardoor mogelijkheden beperkt blijken. In deze bundel vraagt Anker zich af wat hij nog kan worden en vooral hoe hij (voorwaarts) zou moeten leven. In zijn poëzie probeert hij antwoorden te formuleren. Hij doet dat langs de weg van kleine autoriteiten als de Vader, de Europeaan, de Weesper, de Dichter. Maar ook door zijn verontrusting uit te spreken over het klimaat en de verrechtsing in de politiek. Een bundel die na deze laatste verkiezingen wel eens de vinger op de zere plek zou kunnen leggen.

     

    Ware aard gedichten
    Auteur: Jan-Willem Anker
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    De Jacobsboeken

    De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk (1962), won vorig jaar de Man Booker International voor de Engelstalige uitgave van haar roman Flights. De Man Booker International is een prijs voor Engelstalige literatuur waar Tommie Wieringa met zijn vertaalde De heilige Rita dit jaar ook voor genomineerd staat.
    Tokarczuk schreef twaalf romans, en wordt sinds 2011 bij De Geus uitgeven. Niet alles van haar werd nog vertaald maar De rustelozen (2007) wel. Een boek over vluchten, thuisloos zijn en de op zoek zijnde mens en voor de goede lezer lijkt het een voorbode te zijn van  het omvangrijke De Jacobsboeken dat deze maand verschenen is. Het gaat over een historische sekteleider, Jakob Frank (1726-1791) die  duizenden joden bekeerde tot het ‘frankisme’. Het is een allesomvattend boek geworden over het leven, religie en de mens.

    In Polen werd het enerzijds ontvangen als het literaire meesterwerk dat het is (Tokarczuk won er de belangrijkste Poolse literaire prijs mee en werd een bestseller). Maar het ontketende ook een ware hetze jegens Tokarczuk, vooral nadat zij op tv sprak over de zwarte bladzijden in de Poolse geschiedenis en dat het land deze onder ogen moest zien. Het werk haar niet in dank afgenomen, ze werd met haat overladen en moest een tijdlang beveiligd worden.

    De Jacobsboeken
    Auteur: Olga Tokarczuk
    Uitgeverij: De Geus

    Vallende tijd

    Het tiende deel van de Berberbibliotheek is een poëziebundel. De Berberbibliotheek werd in 2007 geïnitieerd door schrijver Asis Aynan en vertaalster Hester Tollenaar. Hoewel het een proza reeks was, werd het nodig geacht – om een volledig beeld van de Marokkaanse literatuur maar ook een politiek beeld van Marokko te vangen – poëzie toe te voegen. Vallende tijd is een bloemlezing van gedichten die in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw geschreven zijn. Voor wie de gedichten leest en weet heeft van de situatie in Marokko moet wel vaststellen dat er in het land weinig veranderd is in de afgelopen decennia.

    Vallende tijd bevat een selectie uit het werk van de vier grootste dichters uit de Rif, in het noorden van Marokko. De dichters Mohammed Chacha (1955-2016), Ahmed Ziani (1954-2016) , Fadma el Ouariachi (1957) en Mimoun el Walid (1959) hebben hun leven gewijd aan de poëzie, op het gevaar af gevangen genomen te worden of verbannen. In de gedichten wordt de liefde bezongen, de migratie verfoeid en om emancipatie geschreeuwd. Stemmen uit de vorige eeuw die nu nog steeds weerklinken; luid en duidelijk.
    In een verklarend nawoord beschrijft Asis Aynan het ontstaan en het afsluiten van het Berberbibliotheek project.

    Vallende tijd
    Auteur: Mohammed Chacha ; Ahmed Ziani ; Fadma el Ouariachi ; Mimoun el Walid
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas

    De Poolse bokser

    Van de Spaanstalige schrijver uit Guatemala Eduardo Halfon (1971) de roman De Poolse bokser.
    Halfon schreef zo’n twaalf romans waarvan De Poolse bokser een eerst kennismaking is met zijn werk voor de Nederlandstalige lezers.

    Op het eerste gezicht lijkt De Poolse bokser net een verhalenbundel maar het is in werkelijkheid een web van vertellingen die op allerlei manieren met elkaar verbonden zijn. De vertellingen vloeien uit elkaar voort en beïnvloeden elkaar – voor wie na het laatste verhaal opnieuw begint, leest de eerste bladzijden alsof het een ander boek betreft.
    Al vertellend brengt Eduardo Halfon de lezers steeds dicht bij een antwoord, om ze er vervolgens weer van weg te voeren. Een boek om niet meer weg te leggen.

    In de buitenlandse pers werd Halfon geprezen als ‘Een ongelooflijk goede schrijver, (…) zijn woorden zijn droog als kiezelstenen.’

    De Poolse bokser
    Auteur: Eduardo Halfon
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • De strijd om het bestaan in koloniaal Marokko

    De strijd om het bestaan in koloniaal Marokko

    Ik kan niet met een kristallen pen schrijven. Voor mij is schrijven een protest, geen parade’ (Mohamed Choukri).

    Het verhaal achter het ontstaan van het autobiografische debuut van de Marokkaanse schrijver Choukri is opmerkelijk genoeg om er even bij stil te staan. Hij schreef het boek in 1973 op aandringen van de Amerikaanse emigrant Paul Bowles. Samen zetten ze de Arabische tekst gelijktijdig om in het Engels, hoewel Bowles het Arabisch niet beheerste. Onder de titel For bread alone verscheen het boek datzelfde jaar nog bij een Londense uitgever, terwijl de Arabische versie aanvankelijk door diverse uitgevers geweigerd werd. Een kleine tien jaar later werd het boek pas in de originele taal gepubliceerd, op kosten van Choukri zelf. Daarmee is het verhaal nog niet afgelopen, want het boek had in Marokko tot het jaar 2000 te maken met censuur vanwege de onomwonden seksscènes. Pas na geruime tijd kwam ook in eigen land de erkenning dat de autobiografie van Mohamed Choukri een belangrijk commentaar vormde op de erbarmelijke omstandigheden in het koloniale Marokko van halverwege de 20e eeuw.

    Een verloren jeugd
    Hongerjaren werd recent voor de vierde maal in het Nederlands uitgegeven, in een herziene vertaling. Wereldwijd zijn er meer dan een miljoen exemplaren verkocht. Blijkbaar is de aantrekkingskracht van het boek op een internationaal lezerspubliek groot. En dat terwijl Hongerjaren barstensvol ellende staat. Het boek valt meteen met de deur in huis en alleen al in de eerste alinea komen woorden als huilen, slaan, dood, honger en oorlog voor.

    Mohamed Choukri groeit op bij een gewelddadige vader en een machteloze moeder. Hij moet al vroeg allerlei werk doen om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Hierdoor komt hij op jonge leeftijd in aanraking met alcohol en hasj (kif genoemd, nog steeds een belangrijk exportproduct van Marokko). Ook met zijn seksuele verlangens moet de jongen zelf maar leren omgaan. Dit leidt tot voyeurisme, uitspattingen en veel prostitutiebezoek, terwijl de verteller bijvoorbeeld pas op veel latere leeftijd ontdekt dat vrouwen menstrueren. Hij moet kortom volwassen zijn zonder het eerst te kunnen worden.

    Een toekomstperspectief heeft de ongeletterde ik-persoon niet, een geschiedenis nauwelijks. Afkomstig uit de noordelijke bergstreek de Rif zwerft hij, nadat hij zich heeft losgemaakt van zijn ouders, jarenlang als een nomade door de verschillende steden van Marokko. Hij leeft van het ene moment in het andere.

    Deze ontheemdheid in tijd en plaats wordt in Hongerjaren prachtig vormgegeven doordat het boek op dezelfde manier verloopt. Je wordt als lezer middenin de situatie geplaatst. Van context is nauwelijks sprake. Uit het niets duiken personen op die vervolgens ook weer volkomen verdwijnen, uit het blikveld van de verteller. Telkens veranderen de omstandigheden en in het tijdsverloop zitten gaten die niet worden aangeduid of verklaard. Zo is er ineens een hoofdstuk waarin peseta’s niet langer het betaalmiddel zijn, zoals in de rest van het boek, maar franken. Blijkbaar is Mohamed Choukri hier in een streek beland die onder Franse invloed staat. Op een ander moment raakt hij min of meer per ongeluk betrokken in een volksopstand. Zijn achtergrondkennis bestaat uit wat hij net in een café heeft opgevangen en meteen daarna zit hij er middenin, om het oproer aan het einde van het hoofdstuk ook weer helemaal achter zich te laten. Zo ervaar je als lezer iets van de beperkte blik en de desoriëntatie van de hoofdpersoon, die aan zijn eigen strijd om te (over)leven genoeg heeft.

    Toch is het boek meer dan enkel miserie. De toon van Hongerjaren is neutraal en open. Het boek is direct, confronterend, maar eigenlijk nooit klagend. Choukri laat zichzelf aan de ene kant als analfabeet zien zonder enige opleiding maar ook als iemand met oog voor schoonheid en met het vermogen van reflectie, al is het nog zo kort. Juist te midden van deplorabele omstandigheden komen regels als deze bijvoorbeeld sterker binnen: ‘Op de dag van ons vertrek dacht ik aan het graf van mijn broer. Zijn graf zou niet meer begoten worden, zonder bloemen en zonder steen zou het achterblijven. Het graf van mijn broer zou langzaam verdwijnen, zoals al het kleine tussen de grote dingen verloren gaat.’

    Honger naar een beter leven
    Het is verleidelijk om een relatie te leggen tussen het geschrift van Choukri en de actualiteit, zoals ook wel gebeurt. Zegt Hongerjaren iets over de volksaard van Marokkanen, of over de Arabische wereld in het algemeen? Zeker is dat deze autobiografie uitstijgt boven het ervaringsverhaal van één persoon. Het heeft zeggingskracht als het aankomt op de situatie in Marokko ten tijde van de overheersing door de koloniale machten Spanje en Frankrijk.

    Maar aan Hongerjaren wordt geen recht gedaan wanneer het wordt beschouwd als munitie voor hen die menen dat de waarden en de cultuur van moslims onverenigbaar zijn met het leven in de Westerse wereld. De Islam speelt nauwelijks een rol in het Marokko dat Choukri beschrijft. Het verhaal gaat niet over primitieve moslims of vermeende religieuze achterlijkheid. Het boek is een opstand tegen een samenleving waarin complete generaties geen uitzicht hebben op een waardig leven in hun eigen land. Dát is inderdaad nog steeds actueel. Tussen de regels door schetst Chourki hoe er vanuit die sociale onvrede een voorzichtig nationaal besef ontstaat en, hand in hand daarmee, een nog voorzichtiger hang naar een religieuze identiteit. Het zijn kiemen van verzet tegen Europese machtshebbers die het land niets te bieden hebben.

    Hongerjaren verdient het nog steeds om gelezen te worden, hoewel zij die niet al te veel narigheid kunnen hebben gewaarschuwd zijn. Het boek is een eerlijk en rauw relaas maar biedt tegelijk meer dan een kale registratie van wat er is voorgevallen. De manier waarop Choukri zijn verhaal brengt laat de weldoorvoede Westerse lezer iets ervaren van wat het betekent om een uitzichtloos bestaan te leiden in armoede. Juist het ontbreken van de gebruikelijke schets van setting en achtergronden, van een literaire opbouw, van uitgewerkte personages, van duidelijke oorzaken en gevolgen, is hier de vorm waarmee de schrijver zijn protest tot leven brengt. Het resulteert in een aantal intense passages en een boek dat je moeiteloos in zijn greep houdt.

    Tegen het einde van Hongerjaren wordt de ik-persoon geraakt door enkele versregels van een Tunesische vrijheidsdichter: ‘Als op een dag het volk het leven wil, dan kan het Lot niet weigeren, en zal de nacht zeker verdreven worden, en de boeien verbroken...’ (Abou El Kacem Chaabi).

    Hij begrijpt de woorden niet maar voelt ze wel. Langzamerhand ontwaakt in hem het verlangen om te leren lezen en schrijven. Om zodoende zelf zijn geschiedenis te kunnen vormgeven en meester te worden van zijn eigen verhaal.

  • ‘Het was alsof hij een muur kuste’

    ‘Het was alsof hij een muur kuste’

    ‘Het was alsof hij een muur kuste’

    Componist en schrijver Paul Bowles (1910 – 1999) werd wereldberoemd toen Bertolucci zijn roman The sheltering sky verfilmde. Hij speelde zelf een klein rolletje, als zichzelf: een oude westerling in Tanger. Naast zijn eigen werk legde hij in meer dan tien boeken de verhalen vast van de Marokkaanse verteller (en kunstschilder) Mohammed Mrabet (1936). Liefde met een lok haar (1967) was het eerste daarvan: een moderne roman gevoed door de orale traditie.

    Ooit werden verhalen verteld, door mensen van vlees en bloed, die ze uit hun geheugen opdiepten en op smaak brachten met fantasie en actualiteit. Literatuur was een verzameling gedeelde ervaringen. Dat is het soms nog, maar meestal gaat het om vastgelegde teksten, gestold op papier en bijgezet in boeken. En soms denken we dat daarmee iets verloren is gegaan, dat we willen terugvinden in culturen waar de orale traditie nog leeft. Bijvoorbeeld in Marokko. Bowles was een tamelijk ideale figuur om een brug te slaan tussen stem en schrift, oost en west. Hij woonde vanaf 1947 in Tanger, was geschoold componist en had dus oor voor verhalen. Bovendien keek en luisterde hij onbevooroordeeld naar uitingen van andere culturen – hij beschouwde zichzelf als reiziger: ‘Een belangrijk verschil tussen toerist en reiziger is dat de eerste zijn eigen beschaving accepteert zonder vragen; maar zo niet de reiziger, die hem vergelijkt met andere, en die elementen die hem niet bevallen verwerpt.’

    Tovervrouw
    Liefde met een lok haar is een roman, door Mohammed Mrabet verteld aan Paul Bowles en door hem opgetekend. Bowles was, geheel in lijn met zijn eigen werk, meer gefascineerd door het karige leven en de leegte van de woestijn, dan door Duizend-en-een-nacht-achtige sensualiteit en exotisme. Liefde met een lok haar is een sober verteld verhaal. Het speelt in Tanger en gaat over de 17-jarige Mohammed, die als barman werkt en woont in het hotel van de Engelsman Mr. David, met wie hij ook het bed deelt. Mohammed wordt echter verliefd op zijn overbuurmeisje Mina. Omdat hij er van overtuigd is dat de gevoelens niet wederzijds zijn, neemt hij zijn toevlucht tot een tovervrouw, die een haarlok van de aanbedene verwerkt tot een magisch middel dat de liefde ook van de andere kant op gang brengt. De twee betrekken een huisje en sluiten een huwelijkscontract bij de notaris. De wederzijdse families en Mr. David plus vriendenkring vieren het feest mee, maar tot een echt huwelijk komt het niet. Maar Mohammed betwijfelt of de met toverij verworven liefde wel echt kan zijn en Mr. David adviseert hem keer op keer om bij Mina weg te gaan voordat hij er gek van wordt. Drankmisbruik, achterdocht, overspel en valse beschuldigingen zijn het gevolg, en een scheiding is het resultaat. Mina vertrekt met haar kind en ‘Mohammed bleef bij Mr. David in het hotel, waar hij in de bar hielp, en ze waren allebei gelukkig’. Zo begint het laatste hoofdstuk, dat eindigt met de beschrijving van een ontmoeting, jaren later, tussen Mohammed en Mina. Een wrang slot.

    Bioscoop
    Liefde met een lok haar wordt verteld in kort aangebonden taal, verdeeld over 61 scenische hoofdstukken. Geen melodrama of talige arabesken, maar karige zinnen en stugge dialogen. Terwijl ze bij voorbeeld in de bioscoop zitten realiseert Mohammed zich hoeveel hij van Mina houdt, maar ook ‘dat ze nooit echte liefde voor hem kon voelen, omdat de toverspreuk die had vervangen door nepliefde.’ Als Mina later op de avond zegt: ‘Mijn hart houdt van jouw hart, Mohammed, en ik weet niet waarom,’ ziet hij daarin een bevestiging van zijn angst. Hoe hij dat ter sprake brengt? ‘Denk er niet over na, zei hij. Ze kusten elkaar en hielden elkaar stevig vast. Mohammed deed het groenige licht uit, waarna ze gingen slapen.’ Zo dus. Soms is de tekst zo droog dat het komisch wordt. ‘Die avond, toen Mohammed thuis kwam, kuste hij Mina, maar het was alsof hij een muur kuste.’

    Geest of handlanger
    Op één plek wekt de auteur de suggestie dat Mr. David probeert de werking van de toverij teniet te doen. Als Mohammed na de geboorte van zijn zoon dronken bij zijn hotel aankomt en uitgeput in bed valt, vertoont zich aan hem een verschijning – en of dat een geest is of een handlanger van Mr. David wordt in het midden gelaten: ‘Een helemaal in het wit geklede figuur kwam naar hem toe en zei: dat je altijd gezond moge blijven, Mohammed. Allah heeft je behoed voor veel kwaad. Binnenkort zul je een ander leven hebben.’

    Je kunt Liefde met een lok haar lezen als een verhaal over liefdespaniek in een samenleving die met liefde en hartstochten niet goed weg weet en veel bedekt met zwijgen. Je kunt het lezen als het verslag van een loyaliteitsconflict: trouw aan de westerse rijke relaxte Mr. David of de Oosterse arme verwarde Mina. Of je leest het als een tegenhanger voor alle rijk gestoffeerde exotische liefdesverhalen waar westerlingen zo graag bij weg zwijmelen: betaalde toverij brengt de magie van de liefde om zeep. Maar misschien kun je Liefde met een lok haar het beste lezen als een moderne roman, waarin de premoderne magische opvatting van liefde als een fatale macht in het hoofd van de hoofdfiguur botst met de moderne visie op liefde als een economische uitruil van geld, genegenheid en genot tussen weldenkende en calculerende burgers. In dat boek geeft de auteur Paul Bowles het woord aan vertelinstantie Mohamed Mrabet, die toevallig ook in de werkelijkheid rondliep en deels samenviel met zijn eigen hoofdpersoon. Ooit dan toch.

     

    Liefde met een lok haar

    Verteld door: Mohammed Mrabet
    Opgetekend door: Paul Bowles
    Vertaald door: Hester Tollenaar
    Voorwoord door: Asis Aynan
    Verschenen bij: Uitgeverij Jurgen Maas (2014)
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 14,95 (deel 5 in de Berberbibliotheek, onderdeel van de Schwob-reeks)

  • Cryptisch puzzelproza in poëtische stijl

    Cryptisch puzzelproza in poëtische stijl

    Nedjma van Kateb Yacine (1929-1989) geldt als een klassieker in de Algerijnse literatuur. Yacine biedt een enigmatisch web van verhalen, waarbij het hem er niet om te doen lijkt te zijn om iets als begrip aangaande de gebeurtenissen bij de lezer te bewerkstelligen. In de inleiding schrijft vertaalster Hester Tollenaar dat de auteur de lezer graag in het duister laat tasten, ‘niet uit kwade wil of pesterigheid, maar omdat niet-begrijpen bij het leven hoort en verrijkend is.’ (p. 7). Het is echter de vraag of veel onduidelijkheid scheppen wel bij het ambacht van verhalen vertellen zou moeten horen. De romanschrijver moet de chaos van het leven in zijn tekst omvormen tot een op zijn minst enigszins coherent verhaal, als hij of zij ten minste iets wil communiceren. Een verhaal moet meer zijn dan slechts de fragmentarische weergave van het mysterieuze. De lezer die op zoek is naar een begrijpelijke geschiedenis blijft na lezing van dit boek met een gevoel van wrevel zitten.

    De in korte hoofdstukjes vertelde geschiedenis speelt in het door de Fransen gekoloniseerde Algerije. Vier arbeiders, Lakhdar, Mustapha, Rachid en Mourad spelen de hoofdrollen, maar de auteur laat de lezer niet echt dichtbij hen komen, waardoor het moeilijk is mee te leven met de gebeurtenissen; er wordt geen empathie opgewekt, ook niet in de dagboekpassages. Je leert de personages niet echt kennen en dit geldt zeker voor de voor alle hoofdpersonages belangrijke vrouw die de roman zijn titel gaf, Nedjma. Zij blijft een enigma.

    In het boek spelen familiekwesties, doodslag, gevangenschap en ontvoering een rol, maar Yacine weet ondanks heftige gebeurtenissen de lezer niet te raken of te ontroeren. Dat had hij mogelijk kunnen bereiken door politiek engagement. De auteur was actief voorstander van de Algerijnse onafhankelijkheid en werd in gevangenschap gemarteld. Nedjma is echter geen boek met politiek in het hart van de vertelling. Er zijn wel enkele geëngageerde passages zoals deze: ´Iedereen weet dat iedere moslim die in de luchtvaart werkt de peuken van de piloten moet opvegen, en dat een officier, zelfs als hij op de beste scholen heeft gezeten, alleen tot kolonel wordt benoemd om de administratie van zijn landgenoten bij te houden op het rekruteringsbureau.´ (p. 231) De roman is echter niet te lezen als een duidelijke stellingname tegen de Fransen. Wel belangrijk is, zoals Tollenaar in haar inleiding ook aangeeft, dat Yacine als een van de eersten de gebeurtenisen beschrijft vanuit het gezichtsveld van de Algerijnen en niet uit dat van de kolonisator.

    Het is een fragmentarische roman, waarvan de soms poëtische stijl tot de wèl sterke punten behoort. Yacine biedt vele complexe, rijke zinnen, zoals deze: ´er valt zelden regen boven de oostelijke vlakte van Algerije, maar dan wel in stortbuien; de miraculeus bezwangerde Seybouse baart woeste vloedstromen, als een rivier in doodsstrijd, uitgespuugd door de dorre oevers die ze heeft gevoed; breed kolkend en extatisch vreet de donker geworden zee een steeds grotere hap uit de stervende rivier, die zijn bronnen niet wil loslaten en drijfnat in zijn bedding ligt, maar altijd nog in staat is tot wanhopige golven, symbool van de onstuimigheid van een streek met waterschaarste, waar de ontmoeting van de Seybouse met de Middellandse Zee wel zinsbedrog lijkt…´  (p. 66 en 67) en zo gaat de zin nog vele regels verder.

    Dit boek verscheen voor het eerst in 1956, ten tijde van de Algerijnse bevrijdingsoorlog, die eindigde in onafhankelijkheid. De Nederlandse vertaling maakt deel uit van de Berberbibliotheek van Athenaeum-Polak & Van Gennep. In deze reeks verscheen eerder vertaald werk van onder meer  Ibrahim al-Koni, Mohammed Khaïr-Eddine en Tahar Djaout.

    De personages in deze roman worden niet uitgediept.  Het van buiten af zichtbare wordt getoond, niet het binnenleven van mensen, terwijl dat inkijkje in andermans leefwereld toch voor veel mensen de reden is om proza te lezen. Nedjma wordt wel in verband gebracht met de stroming van de nouveau roman die tegenwoordig niet relevant meer lijkt te zijn. Voor de liefhebber van cryptisch puzzelproza is deze roman een aanrader, voor de liefhebber van meer gangbare, invoelbare teksten niet.

     

    Nedjma

    Auteur: Kateb Yacine
    Vertaald door: Hester Tollenaar
    Verschenen bij: Athenaeum-Polak & Van Gennep
    Aantal pagina’s: 269
    Prijs: € 19,95

  • Eerste deel Berberbibliotheek was tot 2005 verboden in Marokko

    Eerste deel Berberbibliotheek was tot 2005 verboden in Marokko

    Mohammed Khaïr-Eddine wordt beschouwd als een van de grondleggers en het enfant terrible van de Marokkaanse literatuur. In 1965 werd hij verbannen naar Frankrijk waar hij jarenlang fabriekswerk verrichtte. Zijn eerste boek Agadir (1967) werd in Marokko geweigerd vanwege de kritische toon. Khaïr-Eddines boeken zijn een tijdlang verboden geweest, pas sinds 2005 mogen ze weer gelezen worden.

    Mohammed Khaïr-Eddine keerde in 1979 terug naar Zuid-Marokko. Met een soortgelijke terugkeer als uitgangspunt begint het boek. Een man keert na twintig jaar afwezigheid terug naar zijn land. Door de ogen van deze remigrant wordt de lezer  het verhaal binnen geleid. Er volgen beschrijvingen over het landschap en over de teloorgang van de Berbervrouw die, ‘immer hoedster is geweest van de verborgen betekenissen van de wereld. Zij was het die de kleine kinderen de voorouderlijke cultuur inprentte en niet de man, want die was te lui (…).’ Volgens de verteller waren deze vrouwen zich niet bewust van de paradijselijke staat waarin zij leefden, tot ze met hun mannen mee emigreerden naar Europa. ‘Zij waren toen nog vrij om waar dan ook te gaan in de vallei en de bergen; (…) Nu laten ze zich opsluiten in villa’s of benauwde appartementen, komen ze alleen onder begeleiding buiten (…).’

    Opnieuw beginnen

    De remigrant is in eerste instantie teleurgesteld door wat hij ziet en levert kritiek op de veranderingen in zijn dorp. Maar zo gauw hij herkend wordt als de lang geleden vertrokken jongeman, wordt hij overrompeld door de gastvrijheid van zijn dorpsgenoten. Hij raakt hierdoor zo ontroerd dat hij op onderzoek uitgaat naar het bestaansrecht van zijn volk, de Berbers.

    Dan verweeft  Khaïr-Eddine de terugkeer van de remigrant met de legende van Agoun’chich en begint het boek opnieuw met het sprookjesachtige:
    Er was eens… . We maken kennis met een herder die met zijn omvangrijke familie en enorme kudden geiten en schapen op de vlucht slaat voor een verwoestende natuurramp. Ze trekken door onherbergzame gebieden waar ze belaagd worden door wilde dieren en strijdlustige stammen. De afstammelingen van deze herder ontwikkelen zich tot een moorddadig en strijdlustig volk. Ze leven van plunderingen en ze gaan uiterst gewelddadig de strijd met elkaar aan. Het is een tijd van desperado’s: bandieten voor de eer die niets anders bezitten dan een muilezel, een patroongordel, geweer en een dolk. Een van die desperado’s is Lahcen Agoun’chich.

    De legende van Agoun’chich speelt zich af ten tijde van de Franse bezetting (1912-1925) in Marokko. Agoun’chich had nog nooit een mens gedood dan alleen uit zelfverdediging. Maar wanneer zijn zus door een bandiet wordt vermoord, raakt hij vervuld van wraak en onderneemt een strafexpeditie door de bergen en dorpen van de Anti-Atlas. Als een ware (geweldadige) Don Quichot trekt hij ten strijde met als enig gezelschap zijn dierbare muilezel waar hij een liefdevolle relatie mee onderhoudt.

    Naamloze bandiet

    Na enige tijd ontmoet Agoun’chich ‘de verkrachter’, een naamloze bandiet die elke vrouw die hij tegenkomt als zijn bezit beschouwt. Hij laat zich door de verkrachter overhalen hem te vergezellen naar het Noorden om moderne geweren te kopen. Dan wordt het een haast mythische vertelling waarbij ze bezocht worden door de doden, verleid door vrouwelijke demonen en gekweld door honger en kou. Wanneer Agoun’chich uiteindelijk arriveert in Taroudant, een stad aan de voet van de Hoge Atlas, ontmoet hij een kaïd (stamhoofd) die uit de gevangenis van de Franse bezetter is ontsnapt. Samen met deze man trekt Agoun’chich ten strijde tegen de bezetter. Hij is getuige van de gevolgen van een luchtbombardement op een dorp en van de executie van een zwakzinnige man die ten onrechte wordt verdacht van verkrachting en moord op de vrouw van een Franse officier. Op dat punt in het verhaal veranderd er iets in Agoun’chich’. ‘Alles wat hij had gekend en waarvoor hij vol overgave had gestreden zou verdwijnen. Ik heb niets meer te zoeken in deze wereld, dacht hij.’

    Het verzet van de Berbers wordt gebroken en Agoun’chich trekt zich in eerste instantie terug in de bergen en later in de stad Tiznit. Daar wordt zijn muilezel door een vrachtwagen aangereden. Agoun’chich verlost het dier met een dolksteek in het hart uit zijn lijden. Waarna het gevoel hem overvalt dat hij niet meer bestaat. Een grote verandering in zijn leven dient zich aan.
    ‘God! Moet ik net als de anderen worden, een gewone man, terwijl ik mijlenver van ze afsta?’
    Een stem fluistert hem in dat hij moet opgaan in de anonimiteit van de grote stad. ‘Word koopman of misschien politieagent, maar keer niet terug naar de bergen ze zijn niet meer van jou. (…) Neem de bus en ga!’
    En dat is wat hij doet. Hij begraaft zijn wapens nog diezelfde dag naast zijn muilezel en neemt de bus naar Casablanca.

    Het verhaal leest als een western. Het is een ruig en woest leven dat de mannen leiden die Khaïr-Eddine beschrijft. Op drift geraakte mannen zijn het, die zich door het leven slaan door ongestructureerde paden te betreden en over lijken gaan om hun (vaak primitieve) doel te bereiken. Helemaal geloofwaardig is het niet dat Agoun’chich zijn leven van vrijheidsstrijder aan de wilgen hangt en zich ontpopt als burgerman. Maar het is een legende, dan kan een karaktermoord uitkomst bieden om de legende een wending te geven waardoor het achterliggende verhaal meer zichtbaar wordt. Want het gaat natuurlijk over de grote veranderingen die de schrijver, daardoor geschokt, aantrof in het Marokko van de jaren zeventig/tachtig van de vorige eeuw.

    Eerbetoon

    Er zijn meerdere verhaallijnen waarvan er niet één tot echte ontwikkeling komt (zo is de verkrachter zomaar uit het verhaal verdwenen.) Maar zonder twijfel is Leven en legende van Agoun’chich in alle opzichten een eerbetoon aan de orale traditie van Berberverhalen, die terugklinkt in de toonwisselingen van de schrijver die dan weer explosief, dan weer lyrisch poëtisch of humoristisch is.

    Leven en legende van Agoun’chich van Mohammed Khaïr-Eddine is het eerste deel van De Berberbibliotheek die uiteindelijk tien klassieke, uit het Frans vertaalde Noord-Afrikaanse werken zal bevatten. Een initiatief van schrijver en columnist Asis Aynan die het NRC-feuilleton Ik, Driss schreef, en vertaalster Hester Tollenaar. Het feit dat er inmiddels miljoenen Berbers buiten Noord-Afrika wonen heeft geleid tot een wedergeboorte van de Berbercultuur buiten Marokko. Met name in Nederland ontstonden Berber muziekfestivals, is er Berbertelevisie op internet en zelfs een Berberfaculteit aan de Universiteit Leiden. Het is daarom niet vreemd dat de Berberbibliotheek in Nederland zijn oorsprong vindt en met  Leven en legende van Agoun’chich een intrigerende start maakt.