• Oogst week 51 -2024

    Oogst week 51 -2024

    Hafni zegt

    De Deense schrijfster Helle Helle heeft een heel eigen stem in de literatuur. Met haar laatste roman Hafni zegt heeft ze weer voor een bijzondere vorm gekozen. Hafni belt met een vriendin en zegt dat ze gaat scheiden. De vriendin, aan de andere kant van de lijn, is de verteller; ze luistert en geeft spaarzaam commentaar. Hafni viert haar scheiding met een ‘smørrebrødreis’, zoals ze het noemt, een reis die langs tal van Deense plaatsen gaat. De geplande reis zou een week zijn, maar beslaat al een maand. Hafni hangt rond op campings, ze praat over de ontbijtbuffetten, korte ontmoetingen en haar belevenissen, over haar huwelijk krijgen we echter nauwelijks informatie, maar tussen de regels wordt haar verdriet pijnlijk duidelijk.

    Helle Helle schrijft komisch en tragisch. De troosteloze situatie van Hafni wordt pijnlijk duidelijk in korte terloopse zinnetjes. Een roman over het bestaan: vervreemding, vrijheid, schuld en schaamte, en over de zware druk van verwachtingen.

    Hafni zegt
    Auteur: Helle Helle
    Uitgeverij: Querido

    Memoires van een kip – Een Palestijnse fabel

    De Memoires van een kip van de Palestijnse auteur Ishaq Musa al-Husseini is een Palestijnse fabel, die al verscheen in 1943. Een filosofisch ingestelde kip verwondert zich over haar nieuwe ren en observeert haar medekippen, ze denkt na over de zin van het leven, over de echtgenoot (die ze liefdevol deelt met haar ‘zusters’), over nieuwkomers, over leven en dood, rechtvaardigheid, liefde, solidariteit, kortom over een ideale maatschappij. Helaas is er ook dat andere: jaloezie, roddel, haat en nijd en geweld, dat soms dodelijk afloopt. De mooie theorie blijkt in de praktijk van het dagelijks leven in de ren heel anders te werken.

    Sommige critici associeerden de roman (toen al) met het hoogoplopende Palestijns-Joodse conflict en veroordeelden de afloop als te defaitistisch. Anderen interpreteerden het verhaal als een uiting van een algemene utopische toekomstvisie. Toch heeft deze opmerkelijke roman, ondanks het maatschappelijke thema, volgens de auteur niets met politiek te maken. ‘Mijn roman gaat niet over Palestijnen en Joden, maar over kippen.’

    In het nawoord van Richard van Leeuwen zegt deze: ‘Al met al blijft Memoires van een kip een wonderlijk en intrigerend boek, dat zowel in de tijd van verschijning als in de huidige tijd eenduidige interpretaties weerstaat … Het is aan de lezer om te beoordelen in hoeverre het boek een universele of een politieke boodschap bevat.’

    Ishaq Musa al-Husseini (Jeruzalem 1904 – 1973) is vooral bekend om zijn literair-wetenschappelijk werk en van een aantal politiek-analytische boeken. Hij was een geleerde, criticus, filoloog en vertaler. Hij werd in 1904 geboren in Jeruzalem, in een traditioneel, religieus nationalistisch gezin. Na zijn middelbare schoolopleiding studeerde en werkte hij in Caïro, Londen en Göttingen.

    Memoires van een kip - Een Palestijnse fabel
    Auteur: Ishaq Musa al-Husseini
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Mijn moeder

    De moeder van de tweeling Jana en Broer is dood en zal worden begraven in haar geboortedorp Kukkojärvi in Noord-Zweden. Haar kinderen erven het huis en ontdekken al snel dat het leven daar  heel anders is dan ze hadden verwacht. Hun huis wordt bewoond door huurders die er niet uit willen en leven volgens strikte, religieuze regels. Jana is vanaf het begin wantrouwend, maar Broer voelt zich aangetrokken tot de hechte dorpsgemeenschap, waar de nadruk ligt op gezinswaarden en mannelijke overheersing. Jana moet de strijd aangaan om niet alleen het huis maar ook haar broer terug te winnen, terwijl ze tegelijkertijd probeert haar destructieve relatie te beëindigen. Het tweede deel in de trilogie over Jana Kippo en haar leven in een Zweeds dorp met duistere geheimen.

    De Zweedse auteur Karin Smirnoff (1964) debuteerde in 2018 met de roman Mijn broer, het eerste deel in de succesvolle trilogie over Jana Kippo. In 2021 volgde Smirnoff David Lagercrantz op als nieuwe auteur van de bekende Millennium reeks van Stieg Larsson. Haar verhalen spelen zich af in het noorden van Zweden, de Västerbotten-regio waar ook Stieg Larsson vandaan komt en waar Karin Smirnoff woont en werkt en toevallig is haar meisjesnaam ook Larsson.

    Mijn moeder
    Auteur: Karin Smirnoff
    Uitgeverij: Querido
  • Verborgen talenten

    Verborgen talenten

    Ik heb wat met gootstenen. Zoals de een met een handgebaar de kruimels van een tafelblad veegt, boen ik een gootsteen. Specifieker. Als ik bij een van de kinderen op bezoek ben, poets ik de gootsteen in hun keuken, ook als deze bij een gedeelde keuken hoorde zoals in studentenhuizen het geval is. Liefst ongezien, want hoe neem je een compliment over een glimmende gootsteen in ontvangst. Soms tijdens een goed gesprek in de keuken. ‘Zal ik even de gootsteen doen?’ Het boenen van de gootsteen is als het begin van je eigen nieuwe dag creëren. En ondertussen, met elke gootsteen, grote porseleinen dubbelbaks, ronde roestvrijstalen die ik poets, weet ik dat ik er goed in ben. 

    In de rubriek 21 vragen aan… in De Groene van deze week, over haar debuutroman Weerlicht, antwoordt Jante Wortel op de vraag of ze nog verborgen talenten heeft, dat ze heel goed is in spulletjes recht leggen en ordenen. ‘Schoonmaken eigenlijk, maar is dat een talent?’ 

    In Mijn broer van Karin Smirnoff is de protagonist Jana ook een talentvol poetser. ‘Er wordt gezegd dat iedereen ergens goed in is. Ik genoot ervan om de geaderde zeepvloer tevoorschijn te zien komen en de lijmverf van de lambrisering weer te zien glanzen.’ Daarmee zou ze de angst van haar tweelingbroer evenals die van haarzelf wegpoetsen. ‘Het was als tetris spelen. De stukjes vielen op hun plek en hielden pogingen om aan iets anders te denken op afstand.’ Het op afstand houden van dingen is soms nodig om vooruit te kunnen. Jana is een zintuiglijk verteller. ‘Hij stonk naar verdriet en zweet.’

    Als Jana en haar broer veertien zijn, komt de vader, die hen jarenlang wekelijks mishandelde en haar misbruikte, aan zijn einde. Ik wilde erachter schrijven, ‘door hun toedoen’, maar het is zijn eigen schuld dat hij eindigt zoals hij eindigt. Op een ochtend gooit de vader na een gevecht met zijn zoon deze uit pure kwaaiigheid in een mestkuil en vergrijpt zich daarna aan zijn dochter. Dan staat plotseling de zoon met een opgeheven schep achter hen, hij doorklieft het vaderhoofd. Jana’s reactie, ‘Het was alsof we in oorlog waren geweest en plotseling beseften dat we  het hadden overleefd. (…) Ik trok de melkjas om me heen en leunde naar broer toe hij legde een arm om mijn schouders en rook naar stront. Dat was voor heel lange tijd de laatste dag dat we elkaar zagen.’  

    Twintig jaar later bezoekt Jana haar geboortedorp Smalånger waar haar broer op de familieboerderij woont. ‘Ik ging naar mijn broer.’, begint het boek. Dat de vader dood is en de moeder in een verzorgingshuis zit, weten we dan nog niet. Ook dat de moeder, toen al dat erge haar kinderen overkwam, tegen hen zei dat ze moesten zwijgen, weten we niet.  ‘Ik wilde niet zwijgen. ‘Ik wilde dat iedereen het zou weten.’ Smirnoff gebruikt geen interpuncties of hoofdletters dan enkel om een zin te beginnen en een punt om die te eindigen. Het is een wonderlijk boek, treurig en tegelijk zo mooi. Het is zo’n boek waarbij je denkt aan de vertaler. Ik weet niets van vertalen, maar het moet een flink werk zijn geweest om deze roman te vertalen, het leest als een kunstwerk.

    Mijn broer is een boek over verminkte levens, over drankzucht en de zintuiglijke liefde tussen Jana en een man die ze als een primaat omschrijft. Een Neanderthaler die ‘mij met zijn eigenaardige kafkaogen aankijkt’. Ik zocht naar een beeltenis van Kafka om een idee te krijgen. Mijn broer is het eerste deel van een trilogie, met een omslagbeeld van August Strindberg, die ‘De zoon van een dienstbode’ was. Smirnoff wordt in Scandinavië geroemd als ‘grootste literair sensatie sinds Karl Ove Knausgård’. Er wordt met smart naar het tweede deel uitgezien.

     

    Mijn broer / Karin Smirnoff / vertaling Bart Kraamer / uitgeverij Querido


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.

  • Oogst week 5 – 2022

    Oreo

    Vrijwel elke liefhebber van de Amerikaanse literatuur kent Huckleberry Finn, de deugniet van Mark Twain. De machtige Mississippi trotserend probeert deze ietwat naïeve jongeman slaaf Jim naar het slavernijvrije deel van de Verenigde Staten te verschepen. Deze ‘Great American Novel’ biedt een voor zijn tijd kritische reflectie op rassendiscriminatie in de VS. Ongeveer een eeuw later, in 1974, schenkt Fran Ross een nieuwe heldin het levenslicht: Oreo, dochter van een joodse man en een Afro-Amerikaanse vrouw. Volgens uitgeverij Cossee hebben we hier te maken met een geestverwant van Pippi Langkous: wie Oreo lastigvalt, ligt even later kreunend in een hoekje.

    Fran Ross werkte kort voor de bekende komiek Richard Pryor, en diens invloed mist zijn effect niet. Oreo barst van de humor en parodieert het verhaal van Theseus. In de Angelsaksische wereld geldt het tegelijk als klassieker, wat racisme en gender betreft. Centraal staat de queeste van Oreo naar haar joodse vader, Sam Schwartz, die na Oreo’s geboorte richting New York gevlucht is. Ze verlaat haar zwarte milieu op het platteland en ervaart het stadse leven ten volle, met slechts haar vechtlust op zak. Deze Oreo is weliswaar geen koek om op te eten, maar wel een boek om van te smullen.

    Oreo
    Auteur: Fran Ross
    Uitgeverij: Cossee

    Komijnsplitsers

    Het Nederlandse literaire veld kan niet om Marieke Lucas Rijneveld heen. In 2020 wint hij de International Booker Prize met De avond is ongemak en ook Mijn lieve gunsteling oogst alom lof. De eer om The Hill We Climb van Amanda Gorman te vertalen ging uiteindelijk naar spoken word artist Zaïre Krieger, maar hierover wond met name conservatief Nederland zich op. Rijneveld bekeek het ontketende debat schouderophalend en ging door met doen waar hij goed in is. Zijn nieuwe dichtbundel Komijnsplitsers is het resultaat.

    Komijnsplitsers onderzoekt en herdefinieert het begrip ‘wonen’. Dit doet Rijneveld in acht verschillende onderdelen, nu eens redenerend vanuit een ruimte als wezen, dan weer vanuit een mens van vlees en bloed die tevergeefs zoekt naar persoonlijke groei en belonging. Rijneveld, zelf non-binair, weet als geen ander hoe het is te leven zonder breeduit vertegenwoordigde rolmodellen en zonder standaard groep waartoe hij al dan niet wordt gerekend. Daarbij bevraagt hij het autobiografische motto ‘Dichtbij jezelf blijven’. Want hoe kun je dichtbij jezelf blijven als je ‘Zelf’ steeds op weg is naar elders en uit zo veel ruimtes en personen bestaat? Zo frustreert Rijneveld een te autobiografische lezing en dat komt de bundel ten goede.

    Komijnsplitsers
    Auteur: Marieke Lucas Rijneveld
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Mijn broer

    Wederom is er een veelbesproken roman geboren uit het huwelijk tussen Scandinavië en literatuur. De Zweedse Karin Smirnoff geeft een eerste aanzet tot haar drieluik over Jana Kippo: Mijn broer. Smirnoffs literaire debuut maakt indruk: het werk is genomineerd voor de Augustpriset, de Zweedse Prix Goncourt. In Mijn broer bezoekt Jana haar aan alcohol verslaafde broer Broer, die nog altijd in het vervallen huis van hun jeugd woont, of wat voor wonen moet doorgaan. Ze delen een geheim over hun vader.

    Deze plot mag dan herkenbaar en weinig origineel lijken, alle recensenten zijn niettemin unaniem lovend in hun oordeel: Smirnoff kan en doet veel meer en vooral veel beter. Ze durft haar zinnen te beëindigen met louter punten, zonder komma’s, vraag-, aanhalings- of uitroeptekens. En ondanks de motieven die met familiedrama’s vergroeid zijn – seksueel misbruik, een nalatige moeder, religieuze indoctrinatie, een zwijgzame gemeenschap, verdwijningen en angstaanjagend natuurschoon – houdt Smirnoff de aandacht vast. Via de Oudtestamentische wraak en de Nieuwtestamentische vergeving neemt Mijn broer misschien zelfs even Bijbelse proporties aan.

     

    Mijn broer
    Auteur: Karin Smirnoff
    Uitgeverij: Querido
  • Onheilspellende visioenen

    Onheilspellende visioenen

    De dystopische roman Kallocaïne van de Zweedse schrijfster Karin Boye (1900-1941) speelt zich af in een collectieve Staat. De ik-figuur, Leo Kall, stelt zich voor als gevangene en chemicus. Hij heeft alle tijd en krijgt zelfs alle vrijheid om het boek te schrijven dat hij móet schrijven, naast zijn experimenten met mensen. Hij is getrouwd met Linda, ze hebben drie kleine kinderen en een hulp in de huishouding (‘medesoldaat’) die aan het eind van de week rapport moet uitbrengen. De kinderen zijn ‘kleine medesoldaten’ die aan de Staat zijn geschonken, als ze volwassen zijn worden ze als werknemer opgeroepen voor het Jongerenkamp. Zo dragen Leo en Linda bij aan de Staat, al stijgt de geboortecurve in totaliteit onvoldoende.
    De Staat is een collectief, individu-zijn wordt als iets romantisch beschouwd. Net zoals er maar één taal in deze Wereldstaat gesproken dient te worden. Leo en Linda wonen met hun kinderen in de ondergrondse Chemiestad nr. 4, die deel uitmaakt van de gemilitariseerde, politionele Wereldstaat. In hun huis zit op de muur ‘het politieoor met daarnaast het politieoog’. 

    Het experiment

    Het experiment is ‘iets waarvan ik hoop dat het de Staat van nut zal kunnen zijn’, zegt Leo, want wat dreigt is een oorlog. Het gaat alleen maar om het ‘nut’, niets mag leuk zijn. Eten wordt naar binnen gewerkt, cultuur is een luxe ‘voor tijden waarin er geen gevaar dreigt (tijden die misschien nooit terugkeren)’. 

    Het experiment bestaat uit een middel dat wordt ingespoten waardoor iedereen zijn geheimen verraadt. Daarvoor geldt de Wet tegen staatsvijandige gedachten. Het middel heet kallocaïne, genoemd naar hoofdpersoon Leo Kall. De enige bijwerking is een lichte hoofdpijn. Het middel is uitgeprobeerd op vijf mensen van de vrijwillige offerdienst. Zij hoefden niet gezond te zijn, wel bij hun volle verstand én getrouwd, waarbij de injectie zo zal werken, dat de echtgenoot of echtgenote zijn/haar wederhelft aangeeft, waarbij de kans bestaat dat ze elkaar aangeven! Dat wil zeggen dat ‘de dader’ in opdracht van de politie een verzonnen verhaal vertelt en daarvoor geld krijgt.

    De filosofische vraag die in deze roman is: wat is de mens, wat is goed, wat is kwaad? In deze Wereldstaat is de mens een puur biologisch verschijnsel. De rest is mystiek. In concreto wordt het verhaal verteld van Kadidja Kappori en haar man Togo Bahara. Zij heeft hem verraden, waarop hij wil scheiden. Was dat verraad binnen de visie van de Wereldstaat nu goed of slecht? Het is nota bene Kall die door allerlei retorische omhalen, het huwelijk redt.
    Daar staat tegenover dat Leo op een dag een restant van de vloeistof gebruikt om Linda in te enten. Ze ‘bekend’ in haar halfslaap dat ze Leo wel zou willen doden. Waarop Leo een valse getuigenis aflegt, ‘bevroedde wat macht was, voelde die (…) als een wapen – en wanhoopte’.

    Grenzeloze stilte

    Voor het eerst luistert Leo naar zijn vrouw die het heeft over ‘wat het betekent om te baren’. Ze hoopt dat zich misschien zo ‘een nieuwe wereld kan vormen van degenen die moeder zijn, en of ze nu kinderen hebben gekregen of niet’. Het is een gedachte die doet denken aan het begrip ‘nataliteit’ van de filosofe Hannah Arendt, die zich verdiepte in totalitarisme, zelf geen kinderen had, maar dit begrip muntte als een nieuw begin.
    Leo vraagt zich af, of hij ook ‘op een nieuwe manier’ zou kunnen spreken. In stilte, zoals opvallend genoeg het geluid van de metro niet meer doordringt door muren en aardlagen. ‘Deze stilte was grenzeloos’, maar toen hoorde Leo iets wat hij ‘nooit eerder had gehoord: de wind’, een bries. Het begin van een nieuwe wereld dacht hij, maar nee: het geluid van de metro teruggekomen. 

    Maar dat niet alleen, Leo geeft ook de hoofdcommissaris van politie aan. Uiteindelijk wil hij dit weer intrekken, maar dat verzoek wordt niet ingewilligd. Leo wordt opgepakt en moet zijn uitvinding afstaan. Het is de bedoeling dat de straten van Chemiestad 4 met gas worden gevuld, zodat de inwoners uit de straten omhoog zouden kruipen. 

    Vertaalslag naar het hier-en-nu

    Alles wat in deze dystopische roman wordt beschreven, valt op een of andere manier naar recente of iets langer geleden gebeurtenissen te vertalen. De afluisterpraktijken, geboortecurve in China die weer moet stijgen, onderdrukking minderheidstalen, nationalisme, politionele staten, experimenten op mensen, een waarheidsserum zoals de KGB dat gebruikte, kunst als luxe, complottheorieën, de geldigheid van (nood)wetten, de mens als puur biologisch verschijnsel, verraad, macht, enzovoort. Vergeet hierbij niet dat het boek in 1940 werd geschreven.

    In een nawoord gaat vertaler Bart Kraamer in op het leven en werk van Boyle. Ze groeide op in een intellectuele en religieuze omgeving; de stilte en de bries zijn als beelden bijvoorbeeld rechtstreeks aan de Bijbel ontleend. Kallocaïne is haar bekendste roman, die ze in een flow schreef terwijl de oorlog steeds dichterbij kwam. Aan haar ideeën over de Wereldstaat lagen de stalinistische Sovjet-Unie en het nationaalsocialistische Duitsland ten grondslag. Door beide landen had ze gereisd. Het verraden van geheimen valt terug te voeren tot de psychoanalyse, die Boye ook uit eigen ervaring kende. In 1941, op 24 april wordt Karin Boye dood aangetroffen nadat ze een overdosis slaapmiddelen had ingenomen. 

    Lees na deze roman de recent verschenen bundel essays Tegen totalitarisme van George Orwell, de schrijver van die andere grote dystopische roman (1984, geschreven na Kallocaïne), en je zult versteld staan van de overeenkomsten met betrekking tot de beklemmende, onheilspellende visioenen die worden geschetst. 

     

     

  • Uit respect voor het boek zijn onze uitgaven niet in de ramsj te vinden

    De jonge uitgeverij Koppernik, opgericht in 2014 door Bart Kraamer en Chris de Jong, afficheert zich als onafhankelijk en is gericht op eigenzinnige boeken die gedurfd  en uitdagend zijn. Waar zit die uitdaging precies in en wie zijn de mensen achter deze eigenzinnigheid? Adri Altink sprak voor Literair Nederland met Chris de Jong, een van de uitgevers van Koppernik.

    We ontmoeten elkaar in Haarlem. De door Chris de Jong voorgestelde wandeling zit er door de weersomstandigheden niet in. Aanhoudende regens houdt de mensen binnen, het plein voor de Sint-Bavo ligt er net zo verlaten bij als de Piazza del Duomo in Milaan door  het coronavirus. We gaan naar Grand Café Brinkmann aan de Grote Markt, waar al snel een geanimeerd gesprek ontstaat.

    Hoe is de uitgeverij ontstaan?

    ‘Ik had zelf een roman geschreven die ik naar Meulenhoff had gestuurd; Bart Kraamer werd daar mijn redacteur. Een reorganisatie bij Meulenhoff zorgde er echter voor dat hij boventallig werd en mijn debuut niet doorging. We hielden er wel een vriendschap met elkaar aan over. Boeken en literatuur bepaalden onze gesprekken en we zaten vol ideeën over literatuur die bij uitgevers geen kans krijgt. Tot iemand ons het laatste zetje gaf met de vraag: waarom beginnen jullie zelf geen uitgeverij?’

    En dat werd Koppernik. Hoe kwamen jullie aan die naam?

    ‘Die was een idee van Bart. Hij had Doctor Copernicus van John Banville gelezen en was daarvan onder de indruk. Koppernik of ook wel Kopernik was de oorspronkelijke naam van de Poolse astronoom die een wetenschappelijke revolutie veroorzaakte door het geocentrische denken te verlaten tegen de druk van zijn tijd en zijn geloof in. Een radicaal andere manier van kijken, zoals ook wij anders naar de boekenmarkt kijken’.

    Waar zit dat in, die revolutionaire blik van jullie?

    ‘Wij geloven dat de commercie veel te bepalend is in de huidige boekenwereld. Zonder bestsellers kan een uitgeverij niet gedijen en als een uitgever dan al eens overweegt om een vernieuwende en minder bekende, misschien ook wel minder toegankelijke, auteur aan te durven, dan hijgt onmiddellijk de verkoopafdeling in zijn nek. Dat gaat ten koste van veel kwalitatief goede literatuur waarvan wij vinden dat die de lezer wat nieuws te zeggen heeft. Wij willen juist die boeken aantrekkelijk presenteren en verleidelijk maken. We kiezen daarbij vooral voor de stijl. Die moet uitdagend zijn, gedurfd en oorspronkelijk. Dat zegt nog niets over de thematiek. Ze kunnen gaan over zaken die we in de mainstream literatuur ook tegenkomen, zoals onderdrukking, misbruik, klimaat, politiek en dergelijke. Maar voor ons moet de stijl waarin die thema’s worden benaderd een heel persoonlijke zijn’.

    Waarin verschilt jullie aanpak van gevestigde grote uitgeverijen? 

    ‘Wij vormen met zijn tweeën de hele uitgeverij. We doen alles zelf: de selectie, de redactie, de opmaak, de administratie enzovoort. We hebben ook alleen vertegenwoordigers in dienst die ons fonds aan de man brengen. We hebben zelfs geen pand. Vergaderen hoeven we nauwelijks omdat we met zijn tweeën een heel korte lijn hebben en gesprekken met schrijvers of met interviewers, zoals nu met jou, houden we in een café of ergens anders. Onze werkkamer is het huis van Bart. Daar is het een opeenstapeling van paperassen, dummy’s en administratieve verwerking. En boeken natuurlijk’.

    Wat opvalt is de herkenbare vormgeving van jullie uitgaven. Er zit een duidelijke verstilling in gebaseerd op gedempte kleuren met af en toe penachtige tekeningen. Ze zijn een heel eigen signatuur. Komt die ook uit jullie handen?

    ‘Het idee voor de omslagen is meestal wel van ons zelf. Dat kan een beeld zijn dat we in ons hoofd hebben, maar soms baseren we ons, bij vertalingen bijvoorbeeld, op de oorspronkelijke uitgaven. Soms maken we daarna het omslag zelf, maar vaak doen we daarvoor ook een beroep op een bevriende kunstenares, Anouk Martijn. Ik vind het leuk dat je onze uitgaven al aan de omslagen herkent. Dat willen we ook, een kenmerkende illustratieve stijl, maar ook een strakke belettering die we steeds gebruiken. We hebben daar overigens wel een ontwikkeling in doorgemaakt. In het tweede jaar van ons bestaan zijn we wat dat betreft de fout ingegaan. Terugkijkend vind ik dat we toen kozen voor te felle kleuren; we waren iets te schreeuwerig. Ik ben blij dat we daar van afgestapt zijn’.

    Er spreekt ook uit dat jullie het papieren boek als kunstvoorwerp belangrijk vinden. Bijna niets van jullie is als e-book verkrijgbaar.

    ‘Dat klopt, en dat heeft inderdaad een ideële reden. Het produceren van een e-book kost nauwelijks geld, dus daarvoor hoeven we het niet te laten. Maar het gaat wel ten koste van zaken zoals een bladspiegel, het wit in een tekst, de regelval en andere zaken die het boek tot een kunstwerk maken. En er is nog iets: onze boeken hebben een zachte cover. Een enkele keer levert dat problemen op, zoals bij nominaties voor een prijs of bij een bekroning. Toen Wessel Te Gussinklo vorig jaar de Bookspotprijs won, moesten we de omslagen van zijn bekroonde De Hoogstapelaar aanpassen omdat er stickers op moesten kunnen. Uit respect voor het boek zul je onze uitgaven ook niet in de ramsj vinden’.

    Dat zijn mooie idealen, maar er moet natuurlijk wel brood op de plank.

    ‘Natuurlijk nemen we risico’s. Maar door onze grote zelfwerkzaamheid springen we er met een verkoop van tweeduizend exemplaren al goed uit. Alles wat  meer is, geeft weer ruimte voor nieuwe plannen. Van De Hoogstapelaar verkochten we er bijvoorbeeld na het winnen van de Bookspotprijs veel meer en nu het op de shortlist van de Librisprijs staat loopt het misschien nog beter. Het aantal uitgaven is beperkt. We doen er twaalf per jaar met een enkele uitschieter tot vijftien à achttien. Onze eerste uitgave in 2014 was Zeer helder licht van Wessel Te Gussinklo. Bart kende hem goed en toen zijn plan om essays uit te geven bij zijn eerdere uitgever niet aansloeg koos hij voor ons. De roman werd meteen genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Dat was natuurlijk een geweldige binnenkomer voor ons als nieuwe uitgever. We hebben daarna eigenlijk nooit te klagen gehad over aandacht. Uitgaven van ons werden goed gerecenseerd en enkele romans haalden VPRO Boeken en het panel van DWDD. Ons concept slaat dus duidelijk aan. Sinds vorig jaar hebben we zelfs een investeerder, al hebben Bart en ik nog altijd een meerderheidsbelang wat aandelen betreft. Mocht het eens wat slechter gaan’ (hij grinnikt), ‘dan zijn we niet te beroerd om de handen op een andere manier uit de mouwen te steken. Bart vertaalt bijvoorbeeld uit het Zweeds en ik ben handig in kluswerk in de bouw. Maar dat heb ik al een tijd niet meer hoeven doen’.

    Hoe komen jullie aan je titels?

    ‘We lezen veel, niet alleen romans, poëzie en essayistisch werk, maar we volgen ook literaire bladen en bezoeken beurzen. Bij die gelegenheden steken we veel tijd in persoonlijke contacten. We wijzen elkaar voortdurend op belangwekkende boeken die niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Het komt ook nogal eens voor dat vertalers ons tippen en een boek bij ons onder willen brengen. We laten ons niet afleiden door bekroningen, maar zoeken eerder naar werk dat volgens ons ten onrechte onder de radar blijft.’

    En de manuscripten?

    ‘Die krijgen we behoorlijk veel, maar ze zijn in onze ogen zelden gedurfd genoeg. Ik schat dat we er in een jaar een paar honderd binnen krijgen, maar in slechts één geval hebben we dat debuut ook daadwerkelijk uitgegeven’.

    Tijdens het gesprek pakt De Jong een paar keer zijn telefoon om te laten zien op welke uitgaven hij het meest trots is: het pas verschenen De Tanners van Robert Walser uit 1907, De wetten van water van Cynan Jones, Onder het water van Daisy Johnson, en werk van Rilke en Huub Beurskens.

    En die roman waarmee het allemaal is begonnen, mogen we die nog verwachten?

    (Weer een glimlach) ‘Ik weet het niet. Maar als hij er komt breng ik hem ergens anders onder. De uitgeverij is er niet om mezelf op het podium te zetten.’

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Klik hier voor een blik op alle uitgaven van Uitgeverij Koppernik.