• Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Een geslaagde bundel over chronisch ziek zijn

    Wanneer je gezond bent, zul je niet snel een bundel over ziek zijn oppakken. Toch leeft meer dan de helft van de wereldbevolking met een chronische aandoening. Lezen over hun ervaringen in deze nieuwe bundel opent de ogen. Over ziek zijn is vernoemd naar het essay On Being Ill, dat Virginia Woolf honderd jaar geleden schreef. Zij verbaasde zich er toen al over dat ziekte zelden een hoofdthema is in de literatuur — in tegenstelling tot onderwerpen als liefde, macht, strijd en jaloezie. En dat is nog steeds zo: boeken waarin ziekte centraal staat, zijn schaars.

    Susan Sontag schreef in Illness as Metaphor (1978) over kanker en tuberculose. Thomas Mann behandelde tuberculose in zijn werk, Hanna Bervoets publiceerde de roman Welkom in het rijk der zieken (2021) over chronisch ziek zijn en nooit meer beter worden. Maar verder blijft het verrassend stil.

    Gezondheid is niet vanzelfsprekend

    De coronapandemie zorgde voor hernieuwde aandacht voor de impact van chronisch ziek zijn. In 2020 gaf uitgeverij HetMoet het essay van Woolf opnieuw uit, samen met twee hedendaagse essays van Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld. Inmiddels zijn we, vijf jaar later, alweer gewend aan een wereld waarin gezondheid vanzelfsprekend lijkt. Deze nieuwe bundel herinnert ons aan het belang van het thema en bevat twaalf essays van auteurs die zelf leven met een chronische aandoening.

    Virginia Woolf opent deze bundel opnieuw met haar essay. Een uitdagende start die concentratie vereist. Woolf kampte met uiteenlopende gezondheidsklachten — koorts, flauwvallen, hevige hoofdpijn, slapeloosheid en manisch-depressieve periodes. Haar essay leest als een hallucinatie, een koortsdroom waarin ze allerlei onderwerpen aanraakt. Ze gebruikt haar bekende stream of consciousness-stijl: associatief en rijk aan meanderende metaforen.

    Nadia de Vries reageert op Woolf met een essay dat eveneens aanvoelt als een koortsdroom, maar met heldere beelden en subtiele humor. ‘In de tram probeert een man mee te kijken op mijn telefoon. Om hem af te schrikken zet ik een filmpje van een hoornvliestransplantatie aan, waarop hij, de lafaard, gauw wegkijkt.’

    Michaël van Remoortere schrijft een filosofische tekst over zijn ziekte, waar hij eigenlijk niet over wíl schrijven. In ‘Geschiedenis van mijn waanzin’ reflecteert hij op ziekte en waanzin, geïnspireerd door Woolf en Sontag. Zijn conclusie: niet de mens is waanzinnig, maar de samenleving. De mens is juist het toonbeeld van gezond verstand.

    In ‘Gister fietste ze nog naar de bakker’ schetst Jan van Mersbergen een ontroerend portret van zijn moeder, die zichzelf volledig wegcijferde in haar werk en zorg voor anderen. Zelfs met een lichaam dat was verwrongen van de pijn, bleef ze doorgaan — tot ze er letterlijk bij neerviel.

    Stef Hulskamp schrijft over zichzelf als dakloze man met kanker. In korte, soms onaffe zinnen, vaak zonder leestekens. Daar waar hij weglaat komt de boodschap sterk binnen. Zijn besef dat liefde en vaderschap aan hem voorbijgaan, snijdt diep. Zijn conclusie: ‘Nooit ziek worden als je arm bent, is het niet waard.’

    Alexandra Phillipa onderzoekt in ‘Over ziekte en wachten’ het langdurige wachten dat ziek zijn met zich meebrengt. Wat doet ziekte met je? Welke gradaties van pijn zijn er? Hoe bepalend is taal om pijn uit te drukken. Hoe uit een baby die pijn heeft zich? En: ‘Hoe zou een zieke het verhaal van wachten moeten vertellen als het plotloos is.’

    ‘Panter’ van Marijn Sikken is een prachtige metafoor voor iemand die opgroeit in ‘een kooi van een chronische ziekte. (…) Net als een dier in de dierentuin betekent een chronische ziekte, tot op zekere hoogte, bestaan bij andermans gratie.’

    Maureen Ghazal wilde schrijver worden en ontwikkelde ‘zitvlees’. Zo extreem zelfs, dat ze door stekende pijn in haar bekken op een gegeven moment letterlijk niet meer kon zitten. Ze vond andere manieren om met haar situatie om te gaan – bijvoorbeeld via verbeelding. Ze accepteert haar lot, wat een teken van grote veerkracht is.

    Bewustzijn

    Virginia Woolf schreef over de ‘staanders’: degenen die gezond zijn, vechten en proza lezen. De ‘liggers’ daarentegen zijn de deserteurs, ze hebben hun wapens in stilte neergelegd. Ze lezen poëzie. Susan Sontag beschrijft twee koninkrijken, ‘het koninkrijk der gezonden’ en ‘het koninkrijk der zieken’. Twee werelden die onafgebroken naast elkaar voorkomen, waarmee het eeuwige wachten, de chronische pijn, het energie-lek, frustrerende politieke systemen, schaamte en zwijgen over pijn door de ‘staanders’ nauwelijks wordt opgemerkt. Ze beseffen niet wat chronisch ziek zijn betekent en nemen hun eigen leven voor lief. Terwijl de ‘liggers’ mede overleven dankzij acceptatie van hun lot, de betrokkenheid van geliefden en gevoelige zintuigen een veel dieper besef hebben dat ondanks hun ziekte het leven een verrijking kan zijn. Ze hebben een sterk bewustzijn dat ze leven.

    Dat het thema ziek zijn meer aandacht zou mogen hebben in de literatuur, maar ook in het dagelijks leven, staat buiten kijf. ‘Je moet in gesprek blijven met jezelf en met anderen. Het is belangrijk verbindingen te leggen en daarin vrijheid te vinden.’ Aldus Elte Rauch in het voorwoord. Over ziek zijn is een geslaagde bundel met twaalf verhalen die het thema van vele kanten belicht en een helder en empathisch licht werpt op leven met een chronische aandoening.

     

     

  • Schitterende gedichten in het donker

    Schitterende gedichten in het donker

    Op Instagram ging een filmpje rond van conducteur Robbert die positieve boodschappen verkondigt op het traject Amsterdam Utrecht. ‘Beste reizigers, een leven zonder liefde is als een landschap zonder zon. Daarom is het van belang van uzelf te houden. Ik wens u een geweldige dag.’ Het was zo’n dag dat ik overwoog een reis naar Amsterdam, en vandaar naar, nou ja, Utrecht te ondernemen. Zover was het met mij. Ik zocht compassie, gevleugelde woorden. Ik zocht naar poëzie. Maar ik moest de andere kant op, met de intercity richting Zwolle.

    Onderweg naar het station fietste een oudere, stevige vrouw met een hand aan haar capuchon tegen het afwaaien me tegemoet. Het was de vrouw met het gesloten gezicht die ik wel vaker door onze straat zag gaan. Terwijl ze worstelde tegen de wind, ik met wind in de rug over het trottoir ging, haar stevige benen de trappers verwoed neerdrukten, riep ze plots,‘Kut! Wat een rotweer’. Als van iemand in wier leven alles tegenzit, en dan ook nog dit stormachtige weer. Toen zag ze mij. Hoe haar gezicht zich weer sloot, zoals ik haar kende. 

    Er zijn van die dagen dat er met grote overgave wordt toegegeven aan ons eigen ongelukkig zijn. Dagen dat er een groot verlangen is naar schoonheid, naar relativering, naar in godsnaam, poëzie. Mocht alles zich vertalen naar poëzie om de draaglijkheid der dingen. Dichtregels op muren geschreven, in treincoupes, op winkeldeuren en melkpakken. Regels die de aandacht vragen, iets te vertellen hebben, zich in je hoofd nestelen als een jong vogeltje, dat op een dag uitvliegt. En wat Babs Gons over die overgave aan de ongelukkigheid dicht.

    ‘soms wil je gewoon je hoofd op de aarde leggen
     je vuist naar de hemel heffen
     de tranen laten komen en zeggen
     het is zeker omdat zwart, wit, vrouw
     dik, dun, te groot, te klein
     te lief, onaardig
     omdat ik leleijk, eerlijk
     direct, poëtisch, welbespraakt
     te zichtbaar, onzichtbaar
     kwetsbaar
     onbegrepen, geprezen
     arm, trots en confronterend ben?
     daarom zeker?’

    Op het beeldscherm in de intercity’s van de NS verschijnt sinds maanden een intrigerende boodschap. ‘Mensen die hun afval weggooien maken meer leuke dingen mee.’, (zonder komma). Een regel als een niet te kraken noot, hoe vaak ik het ook in me liet rond liet gaan, er kwam niets uit dat me een ‘aha’ gevoel gaf. Duidelijk is dat de NS wil dat afval in de daarvoor bestemde bakken terechtkomt. Maar van ‘ maakt meer leuke dingen mee’ kon ik niets maken. Ik dacht, zet er een dichter op. Wat is er mis met echte poëzie. Zoals deze regels van Willem Hussem, en dan op een scherm.

    ‘jij rijdt op een bruin paard
     ik op een wit
     eender is ons verlangen’ 

    Geef de leesmoedigen een tekst waaruit zich een betekenis vormt die het leven begrijpelijk maakt. Woorden die iets teweegbrengen, het schone verspreiden, de liefde. Ach, en wie om liefde en verlangen geeft, heeft aan de beginregels van ‘Honderd visjes’ van Floor Tinga genoeg om bij weg te mijmeren.

    ‘Het was vrijdag vijf over vijf.
    Ik zag hem op het schoolplein staan.
    Hij zwaaide en zei mijn naam.’

    Of deze van Bertus Aafjes.

    ‘soms keer ik plotseling om en kijk ik schichtig
    of iemand weet dat ik zo van je hou.’

    Allemaal te vinden in de Poëziekalender. Naast de vitamine pillen om de winter door te komen, ter versterking van de geest elke dag een gedicht (vooruit, voor het weekend een), om ontmoediging in moedigheid om te zetten. Het hele jaar door. Liever de liefde is de titel van deze prachtige poëzie scheurkalender. En wie heeft er niet liever de liefde?

     

    Poeziekalender 2025, Liever de liefde / samenstelling Mia Goes en Jos van Hest / beeld Willem Popelier / Plint


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van de literatuur begeeft.


  • Vrouwenkiesrecht

    Vrouwenkiesrecht

    Mijn buurvrouw wil haar tijd niet verspillen aan de Tweede Kamerverkiezingen, want stemmen heeft geen enkele zin, zegt ze. Mijn buurvrouw is buitengewoon intelligent en heeft een eersteklas opleiding genoten. Ze heeft een uitgesproken mening over alles en ze zou me zonder moeite verslaan in elk debat, als ik zo stom zou zijn om het tegen haar op te nemen. Daarom hou ik mijn mond en ik knik huichelachtig bevestigend. Ik ga altijd stemmen, ook al weet ik niet of het iets verandert. Maar wie niet stemt, heeft ook geen recht van spreken. Die nacht droom ik dat Aletta Jacobs aan mijn bed staat. Ze kijkt me verwijtend aan met haar priemende donkere ogen. Of ik niet weet hoe hard zij heeft moeten vechten voor het vrouwenkiesrecht, vraagt ze. Hoe ze in 1883 op de kieslijst wilde van de gemeenteraad in Amsterdam, maar geweigerd werd. Alleen mannen mochten stemmen: vrouwen werden op één lijn gezet met krankzinnigen en gevangenen, die evenmin stemrecht hadden. Pas in 1922 konden vrouwen volwaardig gaan stemmen. 

    Als ik zeg dat ik dat allemaal wel weet, vraagt ze verontwaardigd waarom ik dan te laf was om tegen mijn buurvrouw te zeggen dat ze moreel verplicht is te gaan stemmen? De veertjes op haar hoed trillen mee als ze haar stem kracht bijzet. Ik vertel haar dat de stemplicht in 1970 afgeschaft werd, maar ze valt me in de rede met de woorden uit haar toespraak uit 1919: ‘Deze machtsverheffing der vrouw zal heel het Nederlandsche Volk ten zegen worden.’ Na deze patstelling beloof ik actie te ondernemen en dan laat ze me met rust. De volgende ochtend kopieer ik het gedicht van de website van schrijver en performer Babs Gons. Ze schreef het voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 ‘omdat ik anders de slaap niet kon vatten. En in de hoop dat iedereen gaat stemmen zodat niemand ooit voor niets heeft gestreden.’

    Als je niet gaat stemmen
    Zeg het dan zo zachtjes
    Dat Nelson Mandela het niet kan horen
    Laat hem met eeuwige rust
    Als je niet gaat stemmen
    Wees dan alsjeblieft zo discreet
    Dat onze voorouders
    Zich niet roeren in hun graf
    Als je niet gaat stemmen
    Laat het 1919 niet horen
    Laat Suze Groeneweg het niet horen
    Laat Aletta Jacobs met rust
    Laat het bloed op de stenen
    In de straten van
    Selma en Montgomery
    Het niet horen
    Laat het zand van Transvaal met rust
    Martin Luther King, hij mag het niet weten
    Sojourner Truth mag het niet horen
    En onder geen beding
    Laat de mannen achter de tralies
    Van de statistieken het horen
    Daar waar de stembiljetten niet worden bezorgd,
    Mogen ze er niets van weten
    Daar waar ze de stemlokalen nooit zullen bereiken
    Door de kogels en de bommen
    De afstand en de armoe
    De dictator en het geloof
    De kleur en de klasse
    Laat het ze niet horen
    Ssshhhtttt

    Ik doe het vel papier in een envelop en stop die bij de buurvrouw in de brievenbus. Anoniem, dat wel. Sorry, Aletta.

     

     


    Poeziërecensent Hettie Marzak schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

  • Met de neus in de poëzie bij Dichters in de Prinsentuin

    Een goed festival, net als goede poëzie, blijft je bij. Vorige maand vond Dichters in de Prinsentuin in de binnenstad van Groningen plaats. In de ruim twee decennia dat dit dichtersfestival bestaat is het uitgegroeid tot een uniek in zijn soort zijnd festival. Het idee werd ooit geïnitieerd door de huidige Dichter des Vaderlands Tsjead Bruinja, die vanuit de behoefte de stad tijdens de zomer in literair opzicht tot leven te brengen en verschillende dichters bij elkaar trommelde. Het concept is in al die jaren onveranderd: verspreid over het weekend wordt tijdens de middagen op het theeveld voorgedragen door gerenommeerde dichters, in de loofgangen van de Prinsentuin treedt een keur van dichters op die net enkele schreden op het dichterspad hebben gezet, zij aan zij met de bekendere dichters. De vrijdag- en zaterdagavond wordt in een theatertje gehouden en kent een meer inhoudelijk programma met interviews en discussies onder dichters.

    Face to Face

    Voor sommige dichters was optreden in de loofgangen van de Prinsentuin de eerste keer om face to face met publiek te staan. De afstand tussen dichter en luisteraar beslaat soms niet meer dan een halve meter, er wordt naar de dichter voorovergeleund, bijna letterlijk neus tegen neus, en dan moet je maar sterk staan in je voordracht. Tijdens het voordragen in de loofgangen lopen mensen voorbij, blijven of langdurig staan, of lopen halverwege een gedicht weer door. Voor de aankomende dichters was er dan ook een workshop georganiseerd, gegeven door spoken word artiest Babs Gons – zelf ook een van de optredende dichters – om het jonge talent enigszins gevormd de Prinsentuin te laten ingaan. Gons zorgde de eerste middag voor een schitterend optreden. Met elk woord een beeld creërend, zo nu en dan intiem confronterend, met kracht en in perfectie gebracht. Zonder papier om van te lezen, recht uit hoofd en hart, om stil van te worden. Dat de organisatie haar gevraagd heeft jonge dichters in het voordragen te vormen, lijkt dan ook een voor de hand liggende keuze.

     

     

    Zeventig dichters verdeeld over twee middagen en twee festivalavonden die zo’n tweeduizend bezoekers trokken. Er konden zelfs verzoeknummers worden aangevraagd tijdens de optredens in de loofgangen. Soms verzon de dichter ter plekke een gedicht, of bewerkte een bestaand gedicht (Norbert De Beule kreeg het woord ‘appelmoes’ toegeworpen wat hij verwerkte in een bestaand portret van zijn oma) om aan het verzoek van de bezoeker tegemoet te komen.
    De interactie tussen dichter en publiek was inspirerend en oprecht, want wie een voordracht niet bevalt, loopt gewoon door. Langs de tuinen zitten bezoekers op bankjes, wandelen langs het theeveld, blijven staan, gevangen door de poëzie, want het mooie aan dit festival is dat het gratis is. Dit alles tegen een achtergrond van het stadse geroezemoes, stationair draaiende auto’s voor een stoplicht, geroep van jongeren (dronken?) en ronkend overkomende helikopters.

     

     

     

    Gevleugelde woorden

    Wie door de loofgangen liep, ging op gevleugelde woorden die een eigen leven gingen leiden. Veelvuldig waren opa’s, moeders, liefde en selfiepoëzie tot onderwerp gemaakt.
    ‘we verdwijnen nooit helemaal de schemer is genoeg’
    ‘moeders zijn de ware alchemisten’
    ‘kijk ik heb een typemachien’
    ‘probeer maar eens een wereld op poten te zetten’
    ‘ik vond in veren en botten warmte’
    ‘meisjes op het schoolplein die blij zijn als het pauze is’
    ‘gaf een zwerfhond voorrang aan een kat’
    ‘ik zit ook maar vast tussen de spelonken van mijn schedel’
    ‘de allermooiste reden’
    ‘naar het land van zeil en tegels’
    ‘kleuren vluchten uit bloemen’
    ‘ik zing niet, dit is geen zingen, geen zingen, geen lied’
    ‘herinneringen moesten worden opgelaten’
    ‘longen hangen met touwtjes aan zijn ribben’
    ‘in het handschoenenkastje bewaar ik oude ansichten’

     

    Enkel de dichter

    Goede poëzie doet je vergeten waar je bent. De tijd verdwijnt, weg van de Prinsentuin, het geroezemoes. Enkel de dichter wordt gehoord. Zo ging het onder meer bij voordrachten van stadsdichter van Amsterdam Gershwin Bonevacia, die voordroeg uit zijn debuut Ik heb een fiets gekocht. De jonge Obe Alkema verraste met zijn ‘gangbaarheid’ ontwijkende poëzie. Evenals Micha Andriesen die nog schor van de verslaggeving van het North Sea Jazz festival in Rotterdam drie gedichten bracht die voor een aandachtig stilte zorgde. De poëzie van Anne Vegter – die de zondagmiddag op het theeveld afsloot met gedichten uit haar nog te verschijnen bundel – zou je ‘levenswerk’ kunnen noemen, schrijnend en vernieuwend. Zelfbenoemd Plattelandsdichter Paul Demets bracht een laagje engagement in het geheel van selfies en verwerkingspoëzie.

     

     

    Noodzakelijkheid van poëzie

    Wat bijblijft is een uitspraak van de Engelse dichteres Verity Spott in een gesprek met Dean Bowen, Juha Virtanen, Obe Alkema en geleid door Hassnae Bouazza, over hoe geëngageerd poëzie behoort te zijn. Heeft de dichter een plicht om de actualiteit in zijn poëzie te verwerken? Volgens Spott kun je niet een geëngageerd dichter zijn, maar wordt je dat gemaakt door de omstandigheden. Veel dichters schreven vanuit een dictatuur zonde geëngageerde poëzie te willen schrijven. Het was de dictator die hen tot een politiek dichter maakte door ze gevangen te zetten. Een mooie tegenstelling tussen Alkema en Spott is dat Alkema zich niet verplicht voelt in het voetspoor van vroegere dichters te treden, hij creëert als dichter nadrukkelijk zijn eigen weg. Voor Spott was dit ondenkbaar, zij heeft veel gehad aan vroegere dichters en zegt: ‘Of je het nu leuk vindt of niet wij behoren tot die geschiedenis van dichters.’ Haar conclusie was dat als je de geschiedenis wilt wegvagen, een dictatuur om de hoek ligt. Waarmee dit festival een gelaagdheid kreeg die aan poëzie een zekere noodzakelijkheid gaf.

     

    Foto’s © GrootWassink
    (Gershwin Bonevacia, Babs Gons, de loofgangen, Astrid Lampe, Paul Demets)

    Kijk op Dichters in de Prinsentuin als je wilt weten wie de dichters waren die dit jaar hebben meegedaan.