• Gaandeweg ontstond een biografie in gedichten

    Deze maand verscheen de dichtbundel Een spoor van mezelf van de Portugese dichter en schrijver Fernando Pessoa (1888-1935). Een keuze uit de orthonieme gedichten van Pessoa die hoofdzakelijk onder vele pseudoniemen (voor Pessoa-kenners: heteroniemen) schreef. De vooral als Portugees vertaler bekend staande Harrie Lemmens (dit jaar een van de zes genomineerden voor de Filter Vertaalprijs met zijn vertaling van Voor wie in het donker op mij wacht van António Lobo Antunes) is verantwoordelijk voor de keuze uit drie bundels en de vertaling. Het vertalen ontdekte hij tijdens zijn studie Nederlands. Zijn afstudeerscriptie maakte hij op grond van het boek van de Curaçaose schrijver Frank Martinus Arion. Afscheid van de koningin speelt in een fictieve staat in West Afrika. ‘Ik heb me toen bezig gehouden met de Afrikaanse literatuur en begon voor mezelf allerlei dingen te vertalen.’

    Literair Nederland sprak met Harrie Lemmens in zijn huis in een van de rustige buitenwijken  van Almere. Een gesprek over de dichtkunst van Pessoa – die volgens Lemmens van een bedrieglijke eenvoud is – over vertalen als langzaam lezen, over Portugese literatuur en hoe Lemmens, van oorsprong Neerlandicus, vertaler Portugees werd.

    Er wordt een pot thee gemaakt, er is Limburgse vlaai, ‘ik blijf per slot een Limburger’, zegt de in Weert geboren vertaler. We nemen plaats aan de grote tafel aan de tuinkant en terwijl Lemmens de thee inschenkt vertelt hij dat het idee om een bundel van Pessoa’s orthonieme gedichten uit te geven, al langer bestond. Het materiaal was aanwezig in drie delen, van elk vijfhonderd pagina’s. Hieruit maakte Lemmens een keuze van honderdnegen gedichten.

     

    Hoe ben je uit zo’n groot aanbod tot een keuze gekomen, wat was de leidraad?

    Al zijn gedichten zijn opgenomen in die bundels en een deel viel al af omdat het niet verder gaat dan een schets. In andere gedichten ontbreken woorden, zijn onaf. Voor de volledige gedichten heb ik me laten leiden door mijn gevoel. Geleidelijk aan merkte ik dat er zoiets als een autobiografie in gedichten ontstond. Door ze chronologisch op te nemen ontstaat er een lijn van zijn ontwikkeling. Uit zijn beginjaren, de jaren tien van de vorige eeuw, zijn heel andere teksten dan die uit de twintiger en dertiger jaren. Zijn werk uit de laatste jaren is directer, eenvoudiger ook. Hoewel eenvoudig hierin een verwarrende term is omdat het toch allemaal vrij ingewikkeld is wat hij schrijft. Het ontsnapt je steeds, als een glibberig iets dat als je het vast hebt, weer uit je handen schiet. Dat is zijn klasse, dat spel beheerst Pessoa als geen ander. Om over wezenlijke zaken als dood en leven, dromen en werkelijkheid bijna opgeruimd te schrijven. Uit zijn beginjaren is het werk veel barokker, toen speelde het symbolisme een grotere rol. Pessoa schreef in beelden, waarin verwijzingen zitten naar zijn eigen leven. Naar zijn kinder- of jongelingsjaren.

     

     

     

    Hoe ben je tot het vertalen van Portugese literatuur gekomen?

    Eind 1981 ben ik in Oost-Berlijn gaan werken. Daar ontmoette ik Ana (zijn huidige vrouw Iv/dG) die op hetzelfde taalbureau werkte als ik. Ik was vertaler Duits – Nederlands en zij vertaalster Duits – Portugees. In 1985 verhuisden we voor drie jaar naar Lissabon. Daar heb ik de Portugese taal geleerd. We spraken in Duitsland, Duits met elkaar. Zodra ik in Lissabon woonde en in contact kwam met Portugezen ben ik Portugees gaan spreken. Ook ben ik meteen de literatuur van het land gaan lezen. Het was in eerste instantie niet Pessoa die me aantrok, maar António Lobo Antunes. In een boekwinkel zag ik een boek van hem liggen met een soldatenhelm en speelkaarten op de omslag: Fado Alexandrino. Een lijvig epos over de jaren zeventig in Portugal en vier ex-militairen die gevochten hebben in de voormalige Portugese kolonie Mozambique. Ik ben begonnen het boek te vertalen, voor mezelf. Op die manier maakte ik me de taal en het boek eigen, vertalen is in eerste instantie lezen. Zo heb ik dat ook met De Judaskus van Lobo Antunes gedaan.

     

    Wat was het dat je aantrok in de schrijver Lobo Antunes?

    Het was puur instinctief dat deze schrijver me aantrok. Pas later kon ik zijn stijl beoordelen. Ik heb hem toen ook vrij snel, nadat ik een jaar in Lissabon woonde, voor het eerst ontmoet. Ik vertaalde hem nog niet voor een Nederlandse uitgever. Pas in 1991 mocht ik De Judaskus voor de toenmalige uitgeverij Amber vertalen. Henk Figee (1948-1994 Iv/dG) was daar redacteur en hij had dat boek ontdekt en vroeg mij het te vertalen. Er zouden meerdere boeken volgen maar toen stapte Figee over naar Van Nijgh & Ditmar en kon Lobo Antunes in eerste instantie niet meenemen. Figee dacht dat later te doen, maar een jaar daarna overleed hij vrij plotseling, wat zeer tragisch was.

    Pas in 1997 werd er weer werk van Lobo Antunes uitgegeven door Eva Cossee die toen bij uitgeverij Ambos werkte. Zij was getrouwd met Christoph Buchwald die in Duitsland de redacteur was geweest van Lobo Antunes en werk van hem had uitgegeven. Het handboek van de inquisiteurs, was het eerste deel van een vierluik dat bij Ambos uitkwam en sindsdien zijn al mijn vertalingen van Lobo Antunes daar verschenen.

    António Lobo Antunes was wel de eerste voltreffer uit de Portugese literatuur die mij persoonlijk raakte. Van Pessoa kende ik wel wat dingen, met Alvaro de Campos (een van de heteroniemen van Pessoa Iv/dG) en met het Boek der rusteloosheid was ik bekend. En eind jaren tachtig vroeg Theo Sontrop me of ik het Boek der rusteloosheid wilde vertalen. Het was voor mij een waagstuk want het was in feite de eerste literaire vertaling die ik vanuit het Portugees maakte. Daarvoor had ik enkel uit het Duits, Engels en Spaans vertaald. Daarbij moest ik de tweedelige Portugese uitgave terugbrengen tot een deel van ruim 300 pagina’s. Dat heb ik met veel plezier gedaan. Vijftien jaar na die eerste vertaling, in 2005, heb ik voor een deel die vertaling mogen herzien en aangevuld met wat toen de volledige uitgave was. Ook daarmee was ik heel blij dat te kunnen doen.

     

     

    In de jaren negentig heb ik nog een ander Privé Domein deel samengesteld Mijn droom is van mij, met meer autobiografische teksten (loopt naar de boekenkast om het deeltje te pakken) en daar staan ook een paar gedichten in, wijst hij terwijl hij het voor me neerlegt. Wim Hazeu heeft in de jaren negentig een Portugese bibliotheek gehad bij uitgeverij De Prom. Daarin verscheen een Spaanse biografie van Pessoa in vertaling van Barber van de Pol. Voor de gedichten die daarin stonden heeft ze voor een deel bestaande vertalingen van August Willemsen gebruikt en voor de andere gedichten heeft ze mij gevraagd. Toen heb ik ook nog de Triomfode van Álvaro de Campos vertaald voor het tijdschrift De tweede ronde. En een paar jaar geleden is nog de bundel De bedelaar en andere verhalen van Pessoa bij De Arbeiderspers verschenen.

     

    August Willemsen heeft Pessoa als vertaler geïntroduceerd in Nederland wordt jullie vertaalwerk ook wel met elkaar vergeleken?

    Dat weet ik eigenlijk niet. Misschien gebeurt dat nu, want er staan ook gedichten in die eerder door hem zijn vertaald. Ik ben uiteraard benieuwd of er vergeleken gaat worden. Juist vanwege de naam die Willemsen heeft. Dat vind ik wel een interessant fenomeen. Niet vanuit een soort rivaliteit tussen hem en mij, maar gewoon, wat de lezer ervan vindt.

     

    Is de Portugeestalige literatuur wezenlijk anders dan de rest van de Europese, de Nederlandse literatuur?

    Ik heb altijd in boeken en schrijvers gedacht, nooit zozeer in landen.

     

    Maar het experimentele en interpunctieloos schrijven, daarmee is Lobo Antunes in Portugal toch geen uitzondering?

    Nee, dat klopt. Violeta en de engelen van Dulce Maria Cardoso is een zin van meer dan tweehonderd bladzijden. Ook de eerste boeken van Saramago zijn experimenteel, tot hij zijn eigen stijl heeft ontwikkeld. Als lezer moet je het experimentele wel kunnen accepteren, dat geldt zeker voor Lobo Antunes. Misschien kun je zeggen dat in de Portugese literatuur de aandacht voor het construeren van mooie zinnen en beeldend proza groot is. Wat terug te voeren zou kunnen zijn naar de 17e eeuwse Jezuïet padre António Vieira. De grondlegger van het Portugese proza en een barok schrijver.

    Dat staat haaks op wat er in calvinistisch Nederland gebeurt, waar het een soort wet lijkt  alles zo karig en kaal mogelijk op te schrijven. De Vlaamse literatuur komt wel enigszins overeen met de Portugese. Zet Claus tegenover Hermans en je ziet het verschil. Daarmee zou je het kunnen vergelijken. Maar goed, het is moeilijk daar in het algemeen iets over te zeggen. Wat ik wel merk is dat, en dat komt misschien door social media, de Portugese literatuur zich steeds meer verhoudt tot hoe hier geschreven wordt. Van uitgevers hoor ik dan ook: je brengt niets nieuws, we hebben zulke schrijvers al.

     

    Zeg je hiermee dat vertalen van buitenlandse schrijvers alleen maar zin heeft als het wat nieuws brengt?

    Dat is natuurlijk niet helemaal zo. Neem bijvoorbeeld het boek Met bloed doordrenkte baard, van de Braziliaanse schrijver Daniel Galera dat ik 2014 vertaald heb. Over een zweminstructeur die zich terugtrekt in een badplaats in het zuiden van Brazilië om allerlei problemen in zijn leven op te lossen. Problemen waar ook jonge mensen in Nederland mee te maken hebben. Het is interessant te lezen hoe iemand hiermee omgaat in Brazilië bijvoorbeeld, op een andere plek in de wereld. Een aantal jaren geleden was er een VPRO radioprogramma over literatuur van de BRI-landen (Brazilië, Rusland en India). Daar kwam ook aan de orde dat vertalen niet alleen gaat om literatuur te vertalen die het verschil tussen culturen laat zien, maar ook wat er tussen verschillende culturen overeenkomt.

     

    Je hebt inmiddels meer dan honderd boeken vertaald, is het belangrijk om in contact te staan met de schrijvers van die boeken?

    Ja, ik vind dat wel belangrijk hoewel ik heel sporadisch vragen stel over een vertaling. Als vertaler moet je het toch zelf oplossen. Meestal gaat het om het Nederlands en niet om wat er staat. Bij de vertaalprijsuitreiking laatst in Utrecht, gaf ik een voorbeeld van zo’n samenwerking tussen schrijver en vertaler. Ik had eens, in de jaren tachtig, een vraag over een bepaalde passage in een boek van Christoph Hein dat ik aan het vertalen was. Toen ik hem tegenkwam in Lissabon, waar Hein op bezoek was om een voorstelling van zijn stuk Die wahre Geschichte des Ah Q bij te wonen, legde ik hem dit voor en zijn reactie was: ‘Ach ist doch Scheiße, schmeiss es raus’. Dat gaf voor mij aan dat je een boek niet als te heilig moet beschouwen.

    Een ander voorbeeld is de vertaling van De bekentenis van Lúcio van Sá-Carneiro, een tijdgenoot van Pessoa. Een roman die boordevol zit met beelden en synesthesieen. In sommige passages  heb ik in de vertaling, als er vier adjectieven in stonden er een uitgehaald. In het Portugees kon het wel, die vier maar in het Nederlands niet. Die vrijheid heb je als vertaler. Soms doe je een boek onrecht door het letterlijk te vertalen. Terwijl je het juist in ere houdt door het niet helemaal letterlijk te doen. En dat is een beetje schipperen. Hoe breng je het boek zo over op de Nederlandse lezer dat die hetzelfde ervaart als de Portugese lezer. Dat is niet te bereiken met een op een vertalen.

     

    Er is een nawoord opgenomen over Pessoa en zijn werk, in hoeverre was dit nog nodig?

    Over Pessoa is natuurlijk al veel geschreven maar ik wilde toch iets duidelijk maken over de opbouw van de gedichten en iets over zijn leven vertellen. Er zijn lezers die hem al kennen, maar ook lezers die met dit boek voor het eerst kennis zullen maken met Pessoa. En omdat er zoveel over hem verschenen en uitgegeven is, hebben we het nu zo opgelost door te verwijzen naar andere nawoorden, en naar het boekje Het Ik als vreemde van Willemsen. En ook door de chronologieen op te nemen die bij het Boek der rustelozen is opgenomen. Om de lezer toch enige houvast te geven.

     

    Wat kenmerkt deze bundeling, waarom zouden we het moeten kopen?

    Ik denk om twee redenen. De ene is om de eenvoud waarmee Pessoa moeilijke dingen verwoordt, de geraffineerdheid waarmee hij dat doet, waardoor je vaak op het verkeerde been wordt gezet. Alsof je een afslag gemist hebt. Hij is ook een soort meester van het syllogisme, een soort sofisme wat ie doet. Redeneringen waarvan je denkt dat het niet helemaal klopt, en dan toch weer wel. Maar dan moet je er wel wat dingen bij denken of je juist van dingen bevrijden. Het tweede waarom je het zou moeten lezen, is de buitengewone rijkdom aan beelden in zijn gedichten. Zijn vermogen om als het ware een soort foto’s te maken. Dat is geweldig. Het grappige is dat Lobo Antunes Pessoa niks vindt. Maar voor mij zijn er veel overeenkomsten tussen hen. Een daarvan is het vermogen om beelden te maken. Dat is ook een van de grote krachten van Lobo Antunes, in een paar woorden een beeld neerzetten. Maar ook in de thematiek, in de wijze waarop ze dingen behandelen, zitten grote overeenkomsten. Ook Clarice Lispector heeft raakvlakken met Pessoa. Dat zit in het formuleren, in hoe ze de dingen zegt. In die zin kun je wel spreken van een Portugeestalige literatuur.

     

    Er is ook een online magazine voor Portugeestalige literatuur opgericht?

    Ja, dat is Zucamagazine. De behoefte een soort platform te hebben voor Portugeestalige literatuur was er al lang. Een plek waar uitgevers en lezers terecht kunnen om zich te oriënteren op de Portugeestalige literatuur. Het is gekoppeld aan fotografie, tekst en beeld is een kenmerk van Zucamagazine. Het biedt ons de ruimte om de ontwikkelingen in de literatuur te presenteren die gaande zijn en uitgevers te laten zien wat er zoal rond gaat.

    Enkel dagen na het interview, de bundel ligt al bij de drukker, mailt Harrie Lemmens me een gedicht van Pessoa dat zich in de krochten van zijn computer verscholen hield.

    Vanuit de plooien van de donkere nacht
    schudt mij ineens een spook met harde hand
    klaarwakker, en ik tuur met al mijn kracht
    maar zie niets, nergens, aan geen enkele kant.

    In mijn hart daalt echter onverwacht
    een angst die ik nog niet heb overmand
    als van een troon omlaag en oefent macht
    uit over mij, de stomme dwingeland.

    En plompverloren voel ik dan mijn leven
    aan een touw van onbewustzijn zweven
    in een duistere hand die mij geleidt.

    Ik voel dat ik niet meer ben dan de schaduw
    van een wezen waar ik bang van gruw,
    en dat ik niet besta, net als de donkerheid.’

     

    Het gedicht had  zeer goed in de bundel gepast, laat Lemmens weten, het geeft voor hem nog eens aan dat een keuze maken uit de gedichten van Pessoa een luxeprobleem is.

     

    Foto: Ana Carvalho


    Fernando Pessoa, Een spoor van mezelf / samenstelling en vertaling Harrie Lemmens / De Arbeiderspers

     

     

  • Pretentieloos briljant

    Natuurlijk gaan onwillekeurig in de zomer van 2016 de gedachten uit naar de Olympische Spelen, naar Rio de Janeiro, naar Brazilië. Een beter boek voor de zomerrubriek dan Braziliaanse brieven van August Willemsen kan ik dan ook niet bedenken. We maken in dit boek kennis met Brazilië, maar ook met de schrijver Willemsen. En – driedubbele bodem – we zijn ook nog eens getuige van zijn kennismaking met dit kolossale Latijns-Amerikaanse land, en van de manier waarop de verhouding Brazilië-Willemsen zich ontwikkelt in de loop der jaren.

    Het boek Braziliaanse brieven verscheen in 1985. De contouren van het boek en de hoofdpersonen zijn vaag. Er is geen introductie, geen verantwoording. Wie de schrijver eigenlijk is, wat hij eerder heeft geschreven of gepubliceerd, aan wie de brieven zijn geschreven, waar vandaan, onder welke omstandigheden … geen woord erover. Ook of de brieven zijn bewerkt, waar ze worden bewaard, toelichtingen of ophelderingen … nada.

    Braziliaanse brievenAugust Willemsen – in 1985 nog geen vijftig jaar oud – kon de Nederlandse lezer toen alleen kennen (als deze had opgelet) als vertaler en bezorger van het werk van anderen. Al in 1970 stelde Willemsen voor uitgeverij Meulenhoff een bundel samen in de reeks ‘Meesters der … vertelkunst’, met verhalen vertaald uit het Portugees. Een doorbraak naar een groter publiek, als men zo zeggen mag, bereikte hij met zijn keuze uit en vertaling van gedichten van Fernando Pessoa in 1978. Alom was de bewondering groot voor de ontdekking van deze voor Nederland toen nog volkomen onbekende dichter, en de bundel had – uitzonderlijk voor buitenlandse poëzie – veel succes. En dit gold zeker ook voor de keuze en vertaling door Willemsen. Dat in Nederland een bloeiende industrie op gang kwam rondom de figuur van Pessoa – inclusief al diens literaire afsplitsingen – is primair te danken aan de inzet van August Willemsen. Ook de bekendheid van andere Portugeestalige auteurs is voor een deel aan hem te danken: Drummond de Andrade, Machado de Assis, Graciliano Ramos, Dalton Trevisan.

    Om te beginnen is Braziliaanse brieven een verrukkelijk boek voor taalminnaars. Willemsen schrijft direct, onopgesmukt, beeldend en toch ook: ‘gewoon’. Weinig boeken in onze letterkunde zijn zo onnadrukkelijk en pretentieloos briljant. Niet voor niets zal de uitgever – na de juichende kritieken en het succes van Braziliaanse brieven – Willemsen meer ruimte hebben geboden voor de publicatie van eigen werk. Denk daarbij aan titels als De taal als bril, Vrienden, vreemden, vrouwen, Het hoge woord, De val (over de gevolgen van zijn alcoholverslaving) en De goddelijke kanarie (over voetbal)

    Natuurlijk leren wij ook het verre, vreemde Brazilië kennen, op basis van Willemsens verslag van zijn indrukken en belevenissen. Een voorbeeld moge dienen ter illustratie.

    In Pirapora was het heet, zeer heet. Weer drie dagen wachten, nu op de boot. In het hotel was geen water. Dus gingen we naar de rivier. Het is een misvatting te denken dat in de hitte mensen wennen aan hitte. Het went nooit. Ook dieren wennen er niet aan. Op het rivierstrandje kwamen op een dag twee jongetjes en een enorm paard. Ze gingen met z’n allen het water in, en de jongens begonnen het paard nat te spatten. Het beest genóót. Ik hou helemaal niet van paarden. Ik vind ze te groot, de gewoonte om van ‘hoofd’ en ‘benen’ te spreken vind ik belachelijk, en ik voelde me van harte gesticht toen ik las dat Éluard de kop van een paard ooit eens heeft omschreven als een schoen met spataderen. Maar ik ben niet iemand die niet zijn mening prijsgeeft voor een betere wanneer de gelegenheid zich daartoe leent. De jongetjes speelden met het paard, en het paard met hen. Ze probeerden op zijn rug te klimmen, gleden steeds langs de gladde, natte huid weer in het water, en het dier liet geduldig begaan, tot ze er allebei opzaten. Daarna liep het wat heen en weer, kwam terug naar het strand, ze rolden alle drie door het warme zand en begonnen alles weer van voren af aan. We zaten ernaar te kijken, de tranen stroomden me over de wangen, en ik zei tegen Mieke: “We hebben vijf keer de hele Biënnale afgelopen, en dat was mooi, maar dit is schoonheid. Dit is nu schoonheid.”

    Daarbij de zekerheid dat het alleen hier kon gebeuren. Ik voelde me op een weldadige manier bevrijd van ironie.’
    (Braziliaanse brieven, derde druk, 1986, p. 103).

    Of – over Rio de Janeiro:

    Ik zit hier in wat de mooiste stad ter wereld heet, en het doet me niets. Trouwens, dat mooie kan alleen maar slaan op de ligging. De stad zelf, het centrum, is architectonisch niets bijzonders, onverdraaglijk druk, lawaaiig, smerig, en ik voel me onherstelbaar vervreemd van de mensen als ik er overdag rondloop. Nooit zie je eens iemand met een introvert gezicht. Alles is direct, onmiddellijk, spontaan, en dat begin ik te ervaren als dodelijk vermoeiend en vervelend.’ (idem, p. 211)

    Hieruit komt Willemsen naar voren als een scherpzinnig en gevoelig waarnemer. En hij is in een land waar de meeste mensen op andere dingen letten dan hij, wat zijn observaties des te meer de moeite waard maakt. Daarbij komt dat het boek Braziliaanse brieven bestaat uit vier afdelingen met brieven uit verschillende periodes: 1967-1968, 1973, 1979 en 1984. Daardoor kijken en leven we niet alleen ‘zomaar’ met Willemsen mee, we zijn ook getuige van de reflectie op zijn eigen ontwikkeling als reiziger en waarnemer.

    In veel opzichten is dit boek dus een smaakmaker. Het maakt nieuwsgierig naar Brazilië, het doet je reikhalzend grijpen naar andere boeken van Willemsen en – ten slotte – het wekt ook interesse voor het werk van de vele schrijvers met wie Willemsen zich bezighoudt en wat hij in het Nederlands heeft vertaald. Dit is meer dan genoeg voor de ‘rechtvaardiging van een bestaan’ om met Bloem te spreken. Het is iets om Willemsen dankbaar voor te zijn. Het beste geven wij daar uiting aan door zijn boeken te lezen en de door hem vertaalde poëzie onder handbereik te hebben, als bron van plezier, verdieping, schoonheid en troost.

  • De oogst van week 48

    Door Ingrid van der Graaf

    Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen, klinkt als een onverbrekelijk verbond van een liefdevolle relatie. Vanaf hun eerste gezamenlijke reizen naar het Zuiden eind jaren vijftig, bleven August Willemsen (1936-2007) en Marian Plug (1937) elkaar een halve eeuw lang schrijven. Deze correspondentie, onder de titel Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen bijeengebracht door Marian Plug en Joost Meuwissen, geeft niet slechts een beeld van een bijzondere onderlinge vriendschap, maar ook van het verloop van twee indrukwekkende kunstenaarslevens. Dit brievenboek vertelt het verhaal van een levenslange, (half)verliefde vriendschap tussen een van de belangrijkste literaire vertalers die Nederland heeft gehad en een beeldend kunstenares. De brieven, geschreven tussen 1957 en 2005, omvatten bijna het hele levensverhaal van Willemsen, vanaf zijn eerste ‘vlucht naar het Zuiden’ tot aan zijn laatste jaren, na zijn Australische avontuur. Uitgegeven in de serie Privé Domein bij de Arbeiderspers. Prijs € 24,95

     

    53a8d4ec625334.02506915Een gids voor de popmuziek uit de laatste drie decennia van de vorige eeuw is een stuk wereldgeschiedenis op zich. In 2011 verscheen Luisteren &cetera (gids voor popmuziek uit de jaren zeventig), welke door een recensent van LiterairNederland met groot enthousiasme verwelkomd werd.
    In het tweede deel Luisteren &cetera, beschrijven Pieter Steinz en Bertram Mourits aan de hand van 25 meest invloedrijke albums en stromingen uit de jaren tachtig en negentig een verrassend beeld van muziek die je al kende of die je wilt leren kennen. Van new wave en punk tot hiphop, van heavy metal tot dance. De jaren tachtig zijn het decennium waarin de popmuziek volwassen begon te worden – vooral door na de decadente jaren zeventig weer te vertrouwen op de kracht van muzikale eenvoud. Uitgegeven bij Atlas / Contact, 288 blz., Prijs: € 19,99.

     

    9200000030212937Suttree van Cormac McCarthy gaat over de aan lager wal geraakte Cornelius Suttree die in een woonboot op de Tennessee aan de rand van Knoxvillewoont. Hij voorziet in zijn bestaan door te vissen in een stinkende riool. Hij kiest voor een bestaan als rivierrat, en in de roman klinken de stemmen van de ‘ratten’ met wie hij zich omringt. In The Times Literary Supplement wordt Cormac McCarthy als  geboren verhalenverteller en schrijver van een volmaakt natuurlijke stijl neer gezet. En ook: ‘Elk verhaal, elk gegeven gaat bij Cormac McCarthy altijd tot in het hart van de tragedie.’ Wrang en hard maar toch humoristisch en van een vernietigende schoonheid, dat is Cormac McCarthy’s magnum opus Angel (1979), waaraan hij twintig jaar heeft gewerkt. Het verhaal van de havelozen, de zwarte krotbewoners en de verre nazaten van de Saksische clans die ooit golf na golf Amerika overspoelden. Ook bij de Arbeiderspers. Prijs: € 19,95.

     

    indexLiterair tijdschrift Terras betreedt met haar zevende nummer nieuwe gronden. Er worden utopieën op aarde bezocht, zoals de stad Taipei, de kassen van het Westland, het Coney Island van Lawrence Ferlinghetti, de zandbak van Grace Paley, het brandende gras van de onteigende landerijen rond Harare, het Hongarije van László Krasznahorkai en de sleutels van afgesloten wijken in Lima. De utopieën van de geest worden gezocht i, het Parijs van Georges Perec, de Haagse tantes van Wim Noordhoek, de luchtspiegelingen van Robert Desnos, diverse droomgebieden en de nieuwe domeinen waar de dichter Brinkmann in al zijn frustratie naar op zoek was.  Napels, Brjansk en Donego komen in beeld alsook een door de grond opgezogen fabriek in Guatamala en de rotstekeningen van Marlene van Niekerk en het stadje Monster. Maar Terras #7 is allerminst een utopie, er is werkelijk land in zicht! Nieuw land valt hier te bestellen.

     

  • Grândola, vila morena en wat volgde

    Grândola, vila morena en wat volgde

    Op 25 april 1974 werd met een geweldloze coup een eind gemaakt aan het autoritaire en gewelddadige regiem van premier Caetano, die in 1968 de beruchte dictator Salazar was opgevolgd. Deze Anjerrevolutie bracht het land een parlementaire democratie. Nu zou alles beter worden. Voorbij was het militaire (koloniale) geweld. Voorbij de uitbuiting van het eigen volk. Het land juichte. Heel Europa juichte.
    Maar niet José Rentes de Carvalho. Hij was ten tijde van Salazar het land ontvlucht en doceerde in het revolutiejaar Portugese taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij voegde zich niet in het koor van feestvierders. Hij schreef zijn cynisme een jaar later van zich af in het, door zijn collega August Willemsen in het Nederlands vertaalde, Portugal, de bloem en de sikkel. Een geschiedenis. Er was weinig veranderd met de staatsgreep, vond hij: de nieuwe machthebbers waren bijna allemaal schatplichtig aan de oude. Met een bijtende spot schreef hij op hoe zijn moederland eeuwenlang was geplukt door de leiders. Die rovers kregen nu alleen een ander gezicht. En hij spaarde in zijn boek ook de bevolking zelf niet, die genoegen nam met illusies. De vroeger arme mensen schaften zich ineens spullen aan die ze helemaal niet nodig hadden, omdat ze dachten dat de macht om dat te kunnen was wat vrijheid voorstelde: ze konden het nu, want ze waren verlost.

    Maar hoe zou men geen begrip kunnen hebben voor deze aanstellerij? Ze bezitten wat ze nooit gedroomd hadden te zullen hebben, plus geld op de bank! (…) Vele van deze vrouwen hebben zelf nog van de vroege ochtend tot de late avond gespit en gemaaid, hebben in de winter van de koude grond één voor één de olijven opgeraapt die de welgestelden achteloos in de mond steken. Ze hebben nog hun kinderen geworpen als beesten, ze hebben de angst gekend voor ziekten en geen geld te hebben voor de dokter of de medicijnen (…) denkend dat het Gods wil was. Net zoals ze tegenwoordig denken, omdat het hun zo gezegd wordt, dat de verbetering in hun levensomstandigheden een zegen Gods is, en dat God daarvoor betaald moet worden. En ze betalen, mannen en vrouwen, maar al te graag, opdat de ellende nooit meer terug zal keren.’

    De auteur kreeg veel kritiek. Menigeen wierp zijn spot ver van zich: er gebeurde toch iets geweldigs in Portugal? In het land zelf werd zijn boek niet uitgebracht, maar ook in Nederland mocht de roes niet worden verstoord: er verscheen maar één recensie en er werden nog geen vijftig exemplaren verkocht.
    Pas dit jaar verscheen het boek in Portugal; binnen een week was de eerste druk uitverkocht. Veertig jaar nadat het radiostation Rádio Renascença het lied Grândola, vila morena (Grândola, het bruine dorp) ten gehore bracht en daarmee het startsein gaf voor de revolutie, is het gewild.
    In Nederland is nu tegelijkertijd een herdruk verschenen in de reeks Kritische Klassieken van Uitgeverij Schokland.

    Rentes de Carvalho doet zijn verhaal in twintig min of meer thematische hoofdstukken, die in chronologische orde zijn gerangschikt. Daaraan zijn eveneens, meestal door hem zelf geschreven appendices toegevoegd, toevallig ook twintig, die uitweiden over gegevens, statistieken, stellingen enzovoort, die hij in het boek gebruikt.
    Strikt gescheiden zijn de thema’s niet. Het ene houdt nu eenmaal verband met het andere. Tot aan 1974 zijn dat bijvoorbeeld de verkiezingen die altijd kluchten waren. En de grote verschillen tussen het platteland en de hoofdstad Lissabon. In vrijwel het hele boek komt de enorme emigratie van Portugezen om de hoek kijken: omdat de bewoners nauwelijks te eten hebben, is er een grote trek naar andere landen om daar geld te verdienen en het thuisfront te kunnen onderhouden (op pagina 72 noemt de schrijver Parijs qua inwonertal de derde stad van Portugal). Een verbijsterend thema is het optreden van Portugal in de koloniën Guinee-Bissau, Angola en Mozambique, waar de macht geldverslindend en met zinloos bloedvergieten moet worden gehandhaafd om enige status te behouden tegenover Europese naties met rijkere wingewesten. En er is het wonder van Fatima, de verschijning van Maria aan drie herderskinderen in het begin van de 19de eeuw, die door de Portugese leiders, gesteund door de kerk, gretig wordt ingezet om het volk te laten geloven dat God (en de regering) het beste met land voor heeft.

    Rentes de Carvalho heeft veel oog voor de absurditeiten waartoe die geschiedenis van Portugal leidde. Ronduit vermakelijk – als het niet zo wrang zou zijn – is bijvoorbeeld het hoofdstuk over de censuur onder Salazar en Caetano. De censoren kunnen hun werk nauwelijks goed doen omdat ze genadeloos worden afgestraft als ze fouten maken. Uit angst onwelgevallige publicaties in kranten over het hoofd te zien, knippen ze daarom maar alles uit, waardoor de censuur zichzelf belachelijk maakt. Er wordt in al dat knipwerk meer gelet op woorden dan op inhoud: bij gebruik van nauwelijks verdachte termen schiet de schaar al in het papier. Een klein maar prachtig voorbeeld is dat over Paus Paulus VI. Die heeft in 1961 een opmerking gemaakt over de Portugese politiek, die Salazar niet beviel. Vier jaar later wilde een tijdschrift een artikel publiceren waarin de zin voorkwam ‘Paulus VI is een intelligent man’. De schaar amputeerde het woord ‘intelligent’, waardoor in de goedgekeurde tekst bleef staan: ‘Paulus VI is een man’.

    Onder de Salazar-Caetanodictatuur kroop iedereen in zijn schulp. Rentes de Carvalho stelt dat er geen noemenswaardige literatuur werd voortgebracht omdat de schrijvers te laf waren om hun hart uit te storten: ‘Als de censuur er niet was, zeiden ze, zouden ze grootse dingen schrijven. Wanneer de vrijheid kwam, dan zouden ze de manuscripten uit de laden halen, de meesterwerken, de door het fascisme verstikte hartenkreten. De vrijheid kwam op 25 april 1974, maar de laden waren helaas leeg’.

    Dat is allemaal geschiedenis als Rentes de Carvalho in 1975 zijn Portugal, de bloem en de sikkel schrijft. Maar de essentie van zijn boek is dat hij aantoont, zo vers na de staatsgreep, dat er geen reden is om te verwachten dat het plotseling beter is geworden. Die stellingname beviel vrijwel niemand en daarom was het boek de ramsj beschoren. Het is zinvol om het 40 jaar na dato alsnog ter hand te nemen om te beoordelen in hoever onze eigen kijk destijds vertroebeld was door de euforie.

    Daar komt bij dat Portugal, de bloem en de sikkel een boek is dat ook nu nog kostelijk is om te lezen. Het is verrassend fris van stijl en toon en de vlammende, giftige pen doet ook nu nog zijn werk. Natuurlijk zijn alle gebruikte statistische cijfers (en daarmee bijna het hele hoofdstuk 2) van vóór 1975. Maar dat maakt het boek niet minder de moeite waard, vooral omdat de persoonlijke stem van Rentes de Carvalho, die zelf de dictatuur van zijn land ontvluchtte, zo aanwezig is. Oppervlakkig lezend zou je denken dat hij toen rancuneus afgaf op zijn vaderland, maar tussen de regels door is voelbaar hoezeer hij er tijdens het schrijven aan leed dat het land dat hij liefhad weer een illusie rijker was. En hoezeer hij zich alleen voelde te midden van landgenoten en sympathisanten die zonder reserve de vlag uithingen.

     

     

     

     

  • Recensie door: Albert Hogeweij

    Recensie door: Albert Hogeweij

    Toen ik voor het eerst de titel van de ‘nieuwe Pessoa’ zag, las ik aanvankelijk  ‘Heimwee naar vervreemding’. Nadat echter gebleken was dat de werkelijke titel Heimwee naar vereeuwiging luidde, maakte een lichte teleurstelling zich van mij meester. Zou de inmiddels o zo vertrouwd  geworden vervreemding van Pessoa zomaar ingeruild zijn voor een hoogdravend streven naar vereeuwiging?
    De Engelse gedichten, luidde de ondertitel. En Engels was de taal waarin Pessoa (1888 ? 1935) zijn eerste schreden op het dichterspad zette, schoolgegaan als hij was op Engelstalige instituten in Zuid Afrika, waar hij van 1896 tot 1905 met zijn moeder en haar tweede echtgenoot woonde. Tijdens zijn Zuid Afrikaanse studiejaren won hij al eens een prijs voor het beste Engelstalige essay, maar niettemin oordeelden zijn stiefvader en moeder dat zijn toekomst in zijn vaderland, Portugal, moest liggen. In de zomer van 1905 keerde hij in zijn eentje terug naar zijn geboortestad Lissabon, waar hij als zeventienjarige opgenomen werd in het huishouden van twee tantes en een voor krankzinnig versleten grootmoeder. Maar juist in Portugal ontkiemde de wens zich als Engelstalige dichter te manifesteren. Tot 1908 schreef hij zelfs uitsluitend Engelstalige gedichten en pas vanaf 1908 ondernam hij daarnaast ook pogingen in het Portugees te dichten.

    Na een korte letterenstudie aan de universiteit van Lissabon, vestigde Pessoa zich als handelscorrespondent. Zijn kennis van het Engels, Portugees en ook Frans kwam hem hierin van pas. Overdag een kantoorleven, en ’s avonds aan de schrijverij of in benevelde staat zwerven door Lissabon. Het volhouden van een dergelijk opgedeeld leven vraagt om opgedeelde persoonlijkheden. En daarin voorzagen de diverse dichterlijke heteroniemen waarmee Pessoa zich vanaf 1914 begon te bedienen. En dat er ook een paar Engelse heteroniemen tussen zaten, bewijst wel dat hij zijn Engelstalige poëzie serieus nam. Zo kwamen de heteroniemen Alexander Search en Charles Robert Anon in de wereld. Ze werden ook aangewend voor het ondertekenen van ingezonden brieven naar Engelse kranten. Voor iemand die van zichzelf zocht te vervreemden is het misschien ook niet zo verwonderlijk dat hij zich zoekt te uiten in een andere dan zijn eigen taal. Van het twaalf delen tellend Verzameld Werk vult het Engelstalige maar liefst drie delen. Kwantitatief legt het dus zeker gewicht in de schaal, maar het is Pessoa echter niet gelukt om zijn Engelstalige gedichten in boekvorm gedrukt te krijgen, anders dan bij een marginale uitgever voor eigen kosten.

    Na 1920 geeft hij dan ook de brui aan zijn pogingen Engelstalige poëzie te schrijven. Inmiddels had hij zich als dichter in het Portugees gemanifesteerd en daarin liet hij zijn legertje heteroniemen zich verder uiten. Maar… helemaal werd de Engelse taal niet afgezworen, want uit zijn sterfjaar, 1935, niet lang voor zijn dood aan alcoholvergiftiging, dateert het vers D.T. Dat zo inzet:

    ‘In de afgelopen dagen

    Heb ik een duizendpoot

    Met mijn schoen kapotgeslagen.

    Hij was er niet, toch is hij dood.

    Hoe ik dat doe?

    Daar zit ik echt niet mee ?

    Zo begint gewoon D.T.’

    Wanneer men bedenkt dat D.T. staat voor Delirium Tremens, dan leest het als een soort light verse, waarin Pessoa zijn eigen alcoholverslaving op de korrel neemt.

    Maar dit gedicht, waarmee de bundel ? die zich op dit ene, later tot stand gekomen gedicht na  ook laat lezen als een poëziebloemlezing van de jonge Pessoa ? afsluit, is zeker niet typerend voor de rest van de opgenomen gedichten.

    Zijn streven als Engelstalige dichter naam te maken, zette met zeer traditionele vormgegeven sonnetten in. Geen wonder voor iemand die zich ten doel stelde Pope, Milton, Shakespeare naar de kroon te steken. Hij koos dan ook voor het Elizabethaanse sonnet, dat sterk afwijkt van het Italiaanse prototype van Petrarca. Dit laatste bestaat uit een octaaf (8 regels) waarin het thema wordt gepresenteerd, gevolgd door een sextet (6 regels) waarin het thema zijn climax bereikt en tot afronding komt. De zeventiende-eeuwse Elizabethaanse variant telt drie kwatrijnen (4 regels) elk met eigen rijm. Om in de laatste twee regels, het distichon, op pregnante wijze de inhoud samen te ballen, vaak ook met een zekere pointe. De vorm mag dus ouderwets ogen, Pessoa gaat er wel tegenaan met zijn eigen(tijdse) problematiek van vervreemding van de ik ten opzichte van de werkelijkheid, de ontoereikendheid van het menselijke streven naar wezenlijk contact tussen het ik en de ander en zo meer. Een mooi voorbeeld is:

    Sonnet XXVIII

    ‘Het randje van de groene gold sist wit.

    Op ’t natte zand. Ik droom, terwijl ik kijk.

    Voorwaar, de werkelijkheid is toch niet dit!

    Hoe het ook zij, dit is niet wat het lijkt!

    De lucht, de zee, het onbeperkt verbreide

    Van vreugd, de wereldmassa waar wij naar

    Kijken, is niet iets, maar iets tussenbeide.

    Slechts wat hierin iets anders is, is waar.

    Als dit iets voorstelt, als ik in mijn waken

    Die helderheid, de slaap der dingen zie,

    Laat mij dan maar mijn eigen dromen smaken

    En waarheid putten uit mijn eigen fantasie,

                Die al te bitter droomt, vol schoon verwensen

                Heelal, o dagelijkse slaap der mensen.’

    Omdat het Engelse origineel ernaast staat afgedrukt, kan men zien hoe mooi Asscher erin geslaagd is om de zin ‘Only what in this is not this is real.’ om te zetten in: ‘Slechts wat hierin iets anders is, is waar.’

    De Engelstalige gedichten zijn van vorm traditioneler dan de Portugese poëzie van Pessoa. Ze kenmerken zich vooral door de compacte, lapidaire zinsconstructies met hun samengebalde zeggingskracht. Alles strak geregisseerd en de woorden hypergestileerd en vernuftig tegen elkaar uitgespeeld. Neem bijvoorbeeld het distichon uit Sonnet VIII:

    ‘And, when as thought would unmask our soul’s maskings,/ Itself goes unmasked to the unmasking.’ Dit wordt in vertaling: ‘En de gedachte die de ziel ontmaskert / Gaat daarbij zelf nooit anders dan gemaskerd.’ Naar de geest goed weergegeven, al laat het Engelse origineel het nog meer vonken op woordniveau. Maar ja, soms is dat woordspel een beetje overdone en dan is de schier onvermijdelijke afvlakking in het Nederlands niet eens onwelkom. Maar een zin als ‘A port is near the more from port we part’ (vertaald als: ‘Vertrek brengt steeds een haven naderbij’) toont aan dat Pessoa zich ook om welluidendheid bekommerde.

    De 35 sonnetten die in deze bloemlezing integraal gepresenteerd worden dateren van 1912 ? 1914,  maar de bundel vangt aan met het uit 1913 daterende langere gedicht Epithalamium (Bruiloftsdicht), een uiterst zinnelijk vers dat geschreven is vanuit de focus van de bruid op haar trouwdag met voorafschaduwing van de consummatie in de daaropvolgende bruiloftsnacht. Gevolgd door het in 1915 geschreven Antinoüs, een klaaglied voor keizer Hadrianus bij de dood van zijn lievelingsknaap. Deze twee verzen van langere adem zijn nog van de hand van August Willemsen, de vaste Pessoavertaler die in november 2007 overleed. Ze zijn tevens buitenbeentjes in het oeuvre van Pessoa vanwege de openlijke verbeelding van zinnelijke lusten. Gelukkig staan in het oeuvre van Pessoa dergelijke op lustbevrediging gerichte strevingen garant voor evenzovele teleurstellingen, zodat de sluier van vergeefsheid en weemoed oververhitting bij de poëzieminnende lezer voorkomt.

    Wellicht dat de direct in het oog springende traditionelere vorm van deze Engelstalige poëzie in eerste instantie de vertrouwde Pessoastem wat lijkt te hebben weggemoffeld, maar tussen de regels door ontwaart men wel degelijk de stem om wie het de Pessoalezer te doen is.

    Ook in de afdeling Inscripties, die teruggaat op de traditie van de epigrammen, vindt men het vertrouwde:

    Inscriptie nummer VI:

    ‘Bemind als minnaars of als buit verdiend.

    Een echte vrouw voor een doorvoede man

    Was ik van wie ik diende ook gediend.

    Ik liep, sliep, baarde en stierf alsof dat zomaar kan.’

    En nummer VII:

    ‘Genot ging als een vreemde nap aan mij voorbij.

    Aan goden placht ik mij ? streng, eigen ? te vergapen.

    De schaduw naderde gewoonweg achter mij.

    Dromend dat ik niet sliep, heb ik mijn droom geslapen.’

    De drie kloeke Engelse delen uit het Verzameld Werk integraal vertalen zou wellicht wat veel van het goede zijn, maar de kwaliteit van de hier gepresenteerde selectie rechtvaardigt de verschijning ervan in de prestigieuze Pessoareeks van de Arbeiderspers.

    Tot besluit nog een kleinigheid: de achterflap meldt dat ‘niets van deze Engelstalige poëzie’ eerder in het Nederlands uitgegeven zou zijn. Dat moge zo zijn voor de hierin gepresenteerde vertalingen. Maar vier van de 35 sonnetten had August Willemsen zelf al in eigen vertaling opgenomen in zijn vele malen herdrukte en alom geprezen bloemlezing van de Gedichten van Fernando Pessoa uit 1978, waarmee hij vele Nederlanders voor het eerst liet kennismaken met dit poëtisch genie uit Lissabon. Sindsdien was de naam Pessoa voor de Nederlandse poëzieliefhebber zozeer verankerd met die van Willemsen, dat velen vreesden dat met de dood van de laatste ook de eerste een tweede dood gestorven was. Maar gelukkig toont Asscher dat er nog Pessoa na Willemsen is. Al blijft het eeuwig jammer dat Willemsen zelf niet meer van zijn ‘eigen’ Pessoa kan genieten.

    Heimwee naar vereeuwiging

    De Engelse gedichten
    Auteur: Fernando Pessoa
    Vertaald door: Maarten Asscher en August Willemsen
    Verschenen bij: Uitgeverij de Arbeiderspers
    Prijs  € 27,50